Skip to main content

Full text of "Johannes a Lasco. Bijdrage tot de hervormingsgeschiedenis van Polen, van Duitschland en van Engeland, door Herman Dalton"

See other formats


Google 


This  is  a  digital  copy  of  a  book  that  was  prcscrvod  for  gcncrations  on  library  shclvcs  bcforc  it  was  carcfully  scannod  by  Google  as  part  of  a  project 

to  make  the  world's  books  discoverablc  onlinc. 

It  has  survived  long  enough  for  the  copyright  to  cxpirc  and  the  book  to  enter  the  public  domain.  A  public  domain  book  is  one  that  was  never  subject 

to  copyright  or  whose  legal  copyright  term  has  expired.  Whether  a  book  is  in  the  public  domain  may  vary  country  to  country.  Public  domain  books 

are  our  gateways  to  the  past,  representing  a  wealth  of  history,  culture  and  knowledge  that's  often  difficult  to  discover. 

Marks,  notations  and  other  marginalia  present  in  the  original  volume  will  appear  in  this  file  -  a  reminder  of  this  book's  long  journey  from  the 

publisher  to  a  library  and  fmally  to  you. 

Usage  guidelines 

Google  is  proud  to  partner  with  libraries  to  digitize  public  domain  materials  and  make  them  widely  accessible.  Public  domain  books  belong  to  the 
public  and  we  are  merely  their  custodians.  Nevertheless,  this  work  is  expensive,  so  in  order  to  keep  providing  this  resource,  we  have  taken  steps  to 
prevent  abuse  by  commercial  parties,  including  placing  lechnical  restrictions  on  automated  querying. 
We  also  ask  that  you: 

+  Make  non-commercial  use  of  the  files  We  designed  Google  Book  Search  for  use  by  individuals,  and  we  request  that  you  use  these  files  for 
personal,  non-commercial  purposes. 

+  Refrainfivm  automated  querying  Do  nol  send  aulomated  queries  of  any  sort  to  Google's  system:  If  you  are  conducting  research  on  machine 
translation,  optical  character  recognition  or  other  areas  where  access  to  a  laige  amount  of  text  is  helpful,  please  contact  us.  We  encourage  the 
use  of  public  domain  materials  for  these  purposes  and  may  be  able  to  help. 

+  Maintain  attributionTht  GoogXt  "watermark"  you  see  on  each  file  is essential  for  informingpeopleabout  this  project  and  helping  them  find 
additional  materials  through  Google  Book  Search.  Please  do  not  remove  it. 

+  Keep  it  legal  Whatever  your  use,  remember  that  you  are  responsible  for  ensuring  that  what  you  are  doing  is  legal.  Do  not  assume  that  just 
because  we  believe  a  book  is  in  the  public  domain  for  users  in  the  United  States,  that  the  work  is  also  in  the  public  domain  for  users  in  other 
countiies.  Whether  a  book  is  still  in  copyright  varies  from  country  to  country,  and  we  can'l  offer  guidance  on  whether  any  specific  use  of 
any  specific  book  is  allowed.  Please  do  not  assume  that  a  book's  appearance  in  Google  Book  Search  means  it  can  be  used  in  any  manner 
anywhere  in  the  world.  Copyright  infringement  liabili^  can  be  quite  severe. 

About  Google  Book  Search 

Google's  mission  is  to  organize  the  world's  information  and  to  make  it  universally  accessible  and  useful.   Google  Book  Search  helps  readers 
discover  the  world's  books  while  helping  authors  and  publishers  reach  new  audiences.  You  can  search  through  the  full  icxi  of  this  book  on  the  web 

at|http: //books.  google  .com/l 


Google 


Dit  is  ccn  digitale  kopie  van  een  boek  dat  al  generaties  lang  op  bibliothcckpl anken  heeft  gestaan,  maar  nu  zorgvuldig  is  gescand  door  Google.  Dat 

doen  we  omdat  we  alle  boeken  ter  wereld  online  beschikbaar  willen  maken. 

Dit  boek  is  na  oud  dat  het  auteursrecht  erop  is  verlopen,  zodat  het  boek  nu  deel  uitmaakt  van  het  publieke  domein.  Een  boek  dat  tot  het  publieke 

domein  behoort,  is  een  boek  dat  nooit  onder  het  auteursrecht  is  gevallen,  of  waarvan  de  wettelijke  auteursrecht  termijn  is  verlopen.  Het  kan  per  land 

verschillen  of  een  boek  tot  het  publieke  domein  behoort.  Boeken  in  het  publieke  domein  zijn  een  stem  uit  het  verleden.  Ze  vormen  een  bron  van 

geschiedenis,  cultuur  en  kennis  die  anders  moeilijk  te  verkrijgen  zou  zijn. 

Aantekeningen,  opmerkingen  en  andere  kanttekeningen  die  in  het  origineel  stonden,  worden  weergegeven  in  dit  bestand,  als  herinnering  aan  de 

lange  reis  die  het  boek  heeft  gemaakt  van  uitgever  naar  bibliotheek,  en  uiteindelijk  naar  u. 

Richtlijnen  voor  gebruik 

Google  werkt  samen  met  bibliotheken  om  materiaal  uit  het  publieke  domein  te  digitaliseren,  zodat  het  voor  iedereen  beschikbaar  wordt.  Boeken 
uit  het  publieke  domein  behoren  toe  aan  het  publiek;  wij  bewaren  ze  alleen.  Dit  is  echter  een  kostbaar  proces.  Om  deze  dienst  te  kunnen  blijven 
leveren,  hebben  we  maatregelen  genomen  om  misbruik  door  commerciële  partijen  te  voorkomen,  zoals  het  plaatsen  van  technische  beperkingen  op 
automaüsch  zoeken. 
Verder  vragen  we  u  het  volgende: 

+  Gebruik  de  bestanden  alleen  voor  niet-commerciële  doeleinden  We  hebben  Zoeken  naar  boeken  met  Google  ontworpen  voor  gebruik  door 
individuen.  We  vragen  u  deze  bestanden  alleen  te  gebruiken  voor  persoonlijke  en  niet -commerciële  doeleinden. 

+  Voer  geen  geautomatiseerde  zoekopdrachten  uit  Stuur  geen  geautomatiseerde  zoekopdrachten  naar  het  systeem  van  Google.  Als  u  onderzoek 
doet  naar  computervertalingen,  optische  tekenherkenning  of  andere  wetenschapsgebieden  waarbij  u  toegang  nodig  heeft  tot  grote  hoeveelhe- 
den tekst,  kunt  u  contact  met  ons  opnemen.  We  raden  u  aan  hiervoor  materiaal  uit  het  publieke  domein  te  gebruiken,  en  kunnen  u  misschien 
hiermee  van  dienst  zijn. 

+  Laat  de  eigendomsverklaring  staan  Het  "watermerk"  van  Google  dat  u  onder  aan  elk  bestand  ziet,  dient  om  mensen  informatie  over  het 
project  te  geven,  en  ze  te  helpen  extra  materiaal  te  vinden  met  Zoeken  naar  boeken  met  Google.  Verwijder  dit  watermerk  niet. 

+  Houd  u  aan  de  wet  Wat  u  ook  doet,  houd  er  rekening  mee  dat  u  er  zelf  verantwoordelijk  voor  bent  dat  alles  wat  u  doet  legaal  is.  U  kunt  er 
niet  van  uitgaan  dat  wanneer  een  werk  beschikbaar  lijkt  te  zijn  voor  het  publieke  domein  in  de  Verenigde  Staten,  het  ook  publiek  domein  is 
voor  gebniikers  in  andere  landen.  Of  er  nog  auteursrecht  op  een  boek  mst,  verschilt  per  land.  We  kunnen  u  niet  vertellen  wat  u  in  uw  geval 
met  een  bepaald  boek  mag  doen.  Neem  niet  zomaar  aan  dat  u  een  boek  overal  ter  wereld  op  allerlei  manieren  kunt  gebruiken,  wanneer  het 
eenmaal  in  Zoeken  naar  boeken  met  Google  staat.  De  wettelijke  aansprakelijkheid  voor  auteursrechten  is  behoorlijk  streng. 

Informatie  over  Zoeken  naar  boeken  met  Google 

Het  doel  van  Google  is  om  alle  informaüe  wereldwijd  toegankelijk  en  bruikbaar  te  maken.  Zoeken  naar  boeken  met  Google  helpt  lezers  boeken  uit 
allerlei  landen  te  ontdekken,  en  helpt  auteurs  en  uitgevers  om  een  nieuw  leespubliek  te  bereiken.  U  kunt  de  volledige  tekst  van  dit  boek  doorzoeken 

op  het  web  via|http:  //books  .google  .coml 


1A919 


JOHANNES   a  LASCO. 


BIJDRAGE 


Hervoriiiingsgeschiedenis  van   Polen,  van 
Duitschland  en  van  Engeland, 


HERMAN  DALTON. 


UIT   HET  HOOODÜlTSCII  VERTAAL» 


P.  C.  TAN  008TKIIZEK, 

r-iii:piiiAST  TK  F.NSCiirof- 


OTBECUT. 

KEMINK  &  ZOüN. 

18S5, 


iriUi 


1 


I 

I 
t 

I 

f 


JOHANNES  a  LASGO. 


BIJDRAGE 


TOT    DB 


tfervormingsgeschiedeiiis  van  Polen,  van 
Duitschland  en  van  Engeland, 


DOOB 


.*v 


HERMAN  DALTON. 


1 


UIT  HET  HOOGDUITSCH  VERTAALD 

BOOB 

P.  C.  VAN  OOSTEBZEE, 

PREDIKANT  TB  ENSCHEDÉ. 


♦  *■ 


tTTBSCHT, 

KëMINK  &  ZOON. 
1885. 


4^     A 


•      • 


EEN  WOORD  DER  REDACTIE. 


Laier  dan  de  Redactie  bedoelde  en  uitgevers  en  Vertaler 
wenschten^  komt  Dalton' s  Levensbeschrijving  van  a  Lasco, 
in  het  Nederlandsch  overgezet^  den  Inteekenaren  op  de  God- 
geleerde  Büfliotheek  in  handen.  Dat  zij  het  zich  in  handen 
gegeven  zien  is  in  de  eerste  plaats ,  door  dat  de  Redactie 
meende,  a  Lasco's  biografie,  door  Dalton  bewerkt,  niet  te 
mogen  laten  buiten  de  reeks ,  waaruit  de  genoemde  Bibliotheek 
bestaat.  Had  de  geachte  Vertaler  niet  te  gelijker  tijd  ander, 
niet  minder  spoed  vereischend ,  werk  te  verrichten  gehad ,  en 
UHis  Dalton's  hoogduitsch  gemakkelijker  in  onze  taal  over- 
tebrengen  geweest,  hij  zou  zonder  twijfel  eerder  gereed  zijn 
gekomen  met  zijn  arbeid.  Oponthoud  gaf  ook  het  vergelijken, 
zooveel  mogelijk,  van  de  Latijnsche  geschriften,  waaruit 
Dalton  hier  en  daar  plaatsen  had  overgezet.  Het  werd  toch 
beter  geacht  ze  niet  uit  de  hoogduitsche  overzetting,  maar 
uit  het  oorspronkelijke  te  vertalen.  Met  goedvinden  der  Re- 
dactie heeft  de  Vertaler  de  levensbeschrijving  in  de  tweede 
helft  een  weinig  bekort,  door  namelijk,  vooral  tegen  het 
einde,  enkele  bijzonderheden  van  meer  ondergeschikt  belang, 
die  hetzij  in  den  tekst,  hetzij  in  de  Aanteekeningen  voor- 
kwamen  y  achterwege  te  laten.    Daarentegen  heeft  hij  nu  en 


o 


66770 


dan  in  eene  Aanteekening  aan  den  voet  der  bladzijden  iets 
bijgevoegd  of  gewijzigd,  waar  hij  dit  voegzaam  of  wensche- 
lijk  achtte.  Vgl.  bijv.  bL  389,  394,  433,  435,  436,  441 , 
448,  458,  477,  528,  544,  545  en  de  toevoegsels',  op  de 
beide  Umtste  bladzijden. 

Wat  nog  het^  oorspronkelijk  werk  van  Dalton  betreft,  de 
auteur  heeft  het  opgedragen  aan  onzen  landgenoot  Dr  A, 
Kuyper,  ,,dem  hochverdienten  Herausgeber  der  Gesamtwerke 
Laskis''  Door  de  bekende  uitgaaf  van  a  Lasco's  ,,Opera 
lam^.edita  quant  inedita'  ü  Dalton,  bij  zijne  levensbeschrij- 
ving,  niet  weinig  in  de  hand  gewerkt. 


INHOUD. 


I. 


Johannes  a  Lasco  als  Katholiek  Ia  z^n 

geboorteland. 


Bladz. 

1.  De  Geboortegrond  en  zijne  Bewoners 3. 

Polen  in  de  zestiende  eeuw,  4.  —  Het  koninklijke 
geslacht  der  Jagello^s  ,5.  —  De  yerschillende  elemen- 
ten des  volks,  7.  —  Het  godsdienstige  leven,  11.  — 
De  Hussietische  beweging,  17. 

2.  Afkomst  en  Jeugd 23. 

De  stad  Lask ,  24.  —  Sagen  betreffende  de  familie 
Laski,  28;  historische  berichten  aangaande  haar, 
29.  —  De  eerste  levensjaren  van  Johannes  a  Lasco , 
32.  —  Zijn  oom  te  Erakau,  als  aartsbisschop  van 
Qnesen,  36.  —  Erakau  in  de  zestiende  eeuw.  39.  — 
De  opvoeding  aldaar,  41. 

3.  De  eerste  studiereis  in  het  Buitenland: 

a)  Te  Rome 57. 

Het  Lateraansche  concilie ,  57.  —  Rome  en  zijne 
wetenschappelijke  inrichtingen  omstreeks  dien  tijd,  63. 

b)  Te  Bologna 66. 

De  Poolsche  studiemakkers,  69.  —  Hunne  hoise* 
lyke  inrichting ,  70.  —  De  theologische  studiën  aan 
de  hoogeschool  ,76.  —  Johannes  a  Lasco  geëxcom- 
moniceerd,  86, 


VI 

Bladz. 

4.  Weder  in  het  Vaderland 88. 

De  eerste  treden  op  de  ladder  van  kerkelijke  waar- 
digheden ,  90.  —  Voorteekenen  der  Hervorming  ook 
in  Polen,  94.  —  Yij andschap  tegen  den  aartsbis- 
schop van  Gnesen,  97. 

5.  De  tweede  studiereis  in  het  Buitenland 102. 

a)  Eerste  verblijf  te  Bazel 105. 

De  drie  gebroeders  Laski  op  reis  in  het  bui- 
tenland, 105.  —  Te  Bazel  bij  Erasmus,  106.  — 
Kennismaking  van  Johannes  met  Farel ,  107. 

b)  Te  Parijs 110. 

Reformatorische  stroomingen  in  Parijs  en  omstre- 
ken, 111.  —  Bri^onnet  enFaber  Stapulensis,  112.  — 
Margareta  van  Yalois,  114.  —  Laski  komt  met  haar 
in  aanraking,  116. 

c)  Het  tweede  verblijf  te  Bazel 117. 

Bazel  in  de  eeuw  der  Hervorming,  117.  —  Aan- 
zienlijke boekdrukkers  aldaar,  119.  —  Erasmus  aan 
de  spits  der  humaniteitsf studiën  te  Bazel,  120.  — 
Laski  neemt  zijnen  intrek  bij  Erasmus,  126.  — 
Innige  hoogachting  en  vriendschap  der  beide  man- 
nen jegens  elkander,  127.  —  Laski's  omgang  met 
Amerbach,  132;  met  Oecolampadius,  134;  met  Pel- 
licanus,  135;  met  Beatus  Rhenanus ,  136;  met  Gla- 
reanus,  138. 

d)  De  terugreis  over  Italië 140. 

Haastig  vertrek  uit  Bazel,  140.  —  Verblijf  te 
Venetië,  142.  —  Laski's  broeder,  Stanislaus,  deelt 
de  gevangenschap  van  Frans  I  te  Madrid,  143.  — 
Het  leven  te  Venetië,  144. 

6.  Het  laatste  tiental  jaren  als  Katholiek  in  het  Vaderland: 

a)  Moeielijke  ervaringen  te  huis 148. 

Voortgezet  verkeer  met  de  vrienden  in  het  bui- 
tenland, 148.  —  Verdenking  tegen  Laski's  recht- 
geloovigheid ,  151.  —  Zijn  zuiveringseed,  156. 

b)  Laski's  werkzaamheid  op  staatkundig  gebied.  158. 

Twisten  over  de  troonopvolging  in  Hongarije  na 
den  dood  van  koning  Lodewijk,  160.  —  Hieronymus 
a  Lasco  kiest  partij  voor  den  troon-pretendent  Za- 
polya,  162.  —  Zijne  gezantschapsreizen  in  het  be- 


VII 

Bladz. 
lang  van  den  Pretendent,  163.  —  Ook  naar  sultan 

Soliman,    te   Eonstantinopel ,   163.   —   Hieronymus 

yalt   in   ongenade   bij    Zapolya,    en  wordt  in  den 

kerker  geworpen,   167.   —   Johannes   Laski  wordt 

benoemd  tot   bisschop  van  Yesprim,  167.  —  Zijne 

pogingen  tot  bevrgding  van  zijnen  broeder,  167. 

c)  Laski's  werkzaamheid  op  kerkelijk  gebied.     .  170. 

Uitbreiding  van  de  reformatorische  beweging  in 
Polen,  171.  —  Ongeschikte  middelen  daartegen, 
171.  —  De  synode  te  Leczyc,  177.  —  Ontevredene 
stemming  van  Laski,  180.  —  Zijne  studiën,  181. 

d)  De  scheiding  van  Kerk  en  Vaderland     .     .     .  186. 

Overlijden  van  den  aartsbisschop  van  Gnesen, 
187.'  —  De  innerlijke  klove  tusschen  Laski  en  de 
Kerk  wordt  grooter,  190.  —  Ongegrondheid  van  het 
gerucht,  alsof  hij  persoonlijk  zou  hebben  deelgeno- 
men aan  de  totstandkoming  van  de  Wittenbergsche 
Concordie,  192.  —  Zijne  benoeming  tot  Archidia- 
conus  van  Warschau,  194.  —  De  houding  des  Ko-^ 
nings  ten  zijnen  aanzien,  195.  —  Laski's  afscheid 
van  Kerk  en  Vaderland,  196. 


n. 

Johannes  a  Laseo  als  Protestant  in  Duitschland 

en  Engeland. 


7.    De  omzwerving  in  den  Vreemde 201. 

Toestand  der  Reformatie  in  Duitschland  omstreeks 
dien  tijd ,  202.  —  Laski  te  Frankfort  aan  de  Main , 
208;  te  Mainz,  210;  in  de  Nederlanden,  213.  — 
Leven  en  streven  aan  de  hoogeschool  te  Leuven, 
215.  —  ProtestantBche  kringen  aldaar,  220.  —  Laski's 
huwelijk,  224.  —  Zgn  vertrek  uit  het  land,  225, 


VIII 

inadz. 
8.   In  Oost-Friesland 229. 

De  toestand  van  Oost-Friesland  op  staatkundig 

en  godsdienstig  gebied  in  de  eeuw  der  Hervorming. 

a)  De  tijd  van  afwachting 237. 

Emden,  238.  —  Het  leven  van  Laski  aldaar, 
239.  —  Hij  dringt  er  bij  zijnen  vriend  Hardenberg  op 
aan,  dat  deze  het  klooster  zal  verlaten,  243.  — 
Beis  naar  Polen ;  Laski  aan  het  sterfbed  van  zijnen 
broeder,  247.  —  Laski  begint  zich  in  Oost-Friesland 
meer  en  meer  te  huis  te  gevoelen,  252.  —  Zyne  be- 
noeming tot  Superintendent  van  Oost-Friesland,  254. 

b)  De  arbeid  met  het  zwaard  in  de  hand.     .     .     .  255. 

Laski's  strijd  met  de  Katholieken  in  den  lande, 
256.  —  Zijn  strijd  tegen  de  Wederdoopers ,  263; 
tegen  David  Joris  en  zijne  sekte,  267;  tegen  de 
Mennonieten,  271. 

c)  De  arbeid  met  den  troffel  in  de  hand.     .     .    •  277. 

Krachtig  optreden  tegen  de  wanorde  op  het  ge- 
bied van  het  kerkelijke  leven  in  Oost-Friesland, 
277.  —  De  invoering  van  de  kerkelijke  tucht,  280.  — 
De  „coetus ,"  283.  —  De  Leer  der  kerken  van  Oost- 
Friesland,  286.  —  Het  schoolwezen,  293.  —  De 
Catechismus ,  296.  —  Laski's  tegenstanders  bij  zijne 
reformatorische  ondernemingen,  300. 

d)  De  Hervormer  in  zijn  private  leven  in  Oost- 

Friesland    309. 

Zijne  familie ,  309.  —  Aankoop  van  de  landhoeve 
Abbingwehr,  312.  —  Laski's  vergenoegzaamheid  en 
milddadigheid,  314.  —  De  godsdienstige  grondtrek 
van  zijn  karakter,  315.  —  Zijn  oordeel  over  som- 
mige uitstekende  persoonlijkheden  (over  Luther,  Me- 
lanchthon  enz.),  317.  —  Zijne  betrekking  tot  den 
keurvorst  Herman  von  Wied,  322.  —  Op  den  rijks- 
dag te  Worms,  325.  —  Zendschrijven  van  Laski 
over  het  heilig  Avondmaal,  327. 

e)  Het  Interim  en  zijn  invloed  op  Laski's  lot.    .  330. 

De  Smalkaldische  oorlog,  331.  —  De  rijksdag 
te  Augsburg  en  het  Interim,  333.  —  De  werking 
van  het  Interim  op  Oost-Friesland,  334.  —  De  hof- 
partij   wil  toegeven,  maar  Laski  verzet  zich  daar- 


IX 

Bladz. 
tegen,  339.  —  Gisting  in  Duitschland,  341.  —  Reis 

van  Laski  naar  Koningsbergen,  342;  zijne  onderhan- 
delingen met  hertog  Albrecht  van  Pruisen,  344.  — 
Naar  Oost-Friesland  teruggekeerd,  neemt  Laski  al- 
daar zijn  afscheid,  350.  —  Tijd  van  afwachting  te 
hremen  en  te  Hamburg,  353. 

9.    In  Engeland 356. 

Het  verschillende  uitgangspunt  der  Hervorming 
in  Engeland  en  in  Duitschland,  356.  —  Hendrik  YIU 
in  zijnen  strijd  tegen  den  Paus,  358.  —  Aartsbis- 
schop Cranmer,  360.  —  Eduard  VI,  361.  —  Voort- 
gang der  Hervorming,  363. 

a)  Eerste  verblijf  in  Engeland 367. 

De  kring  van  gasten  bij  den  Aartsbisschop,  368.  — 
De  invloed  van  Laski  op  Cranmer,  370.  —  Laski's 
vrienden  en  bekenden,  375. 

b)  Tweede  verblijf  in  Engeland: 

L      VESTIGING   IN   LONDEN,    EN    WERKZAAMHEID   OP 

KERKELIJK    GEBIED    ALDAAR 377. 

Laski  wordt  Superintendent  der  Protestantsche 
vreemdelingen  te  Londen,  379.  —  Het  geschenk  van 
het  Augustijner-klooster  („Austin  Friars'')  aan  de 
vreemdeling-gemeente  ten  behoeve  van  hare  gods- 
dienstige bijeenkomsten,  380.  —  Laski's  woning  te 
Londen,  382.  —  De  zweetkoorts  („het  Engelsche 
zweet";  in  1551:  383.  —  Overlijden  van  Laski's 
echtgenoote ,  384.  —  De  tot-één- vergadering  en  or- 
ganiseering  van  de  gemeente,  387.  —  De  Londen- 
sche  geloofsbelijdenis,  389.  —  De  Profetie,  393.  — 
De  verhandeling  over  de  Sacramenten,  394.  —  De 
invloed  van  Laski  op  de  Engelsche  kerk,  en  zijne 
houding  in  de  kwestie  met  Hooper  over  het  ambts- 
gewaad, 399.  —  Laski  wordt  benoemd  tot  lid  der 
Commissie  voor  de  opstelling  van  een  Kerkrecht,  405. 

IL      WERKZAAMHEID   OP   STAATKUNDIG   GEBIED   IN 

LONDEN 409. 

De  Vorstenbond,  410.  —  Laski  u  als  gevolmach- 
tigde van  den  Bond  aan  het  Engelsche  hof  werk- 


Bladz. 
zaam,  411.  —  Hij  stelt  de  Memorie  op,  welke  aan 

den  Koning  zal  worden  voorgelegd,  415.  —  Po- 
gingen van  Cranmer  tot  het  doen  bijeenkomen  van 
een  algemeen  Protestantsch  concilie,  421. 

III.  DE    YBEEMDELINO-OEMEENTE    IN   LOlTDEir.      .       .    422. 

Laski's  geschrift  onder  den  titel:  ,,Forma  ac 
ratio,''  423.  —  De  godsdienstoefening  in  den  Jezus- 
tempel,  424.  —  Het  Avondmaal,  430.  —  De  Doop, 
436.  —  De  Huwelijksinzegening,  437.  —  De  Pro- 
fetie, 440.  —  De  gemeente-inrichting,  443.  — De 
keuze  van  eenen  herder  en  leeraar,  445.  —  Ver- 
kiezing van  ouderlingen  en  diakenen,  450.  —  Ker- 
kelijke tucht,  455.  —  De  „coetus,"  463.  —  Moeie- 
lijkheden  bij  de  tenuitvoerbrenging  van  het  bouw- 
plan, 467. 

IV.  DE    VERBANiriNO    UIT    ENGELAND 469. 

De  bloedige  Maria,  469.  —  Vervolging  van  de 
Protestanten,  470.  —  Sporen  van  Laski's  werk- 
zaamheid in  de  Engelsche  kerk,  475.  —  Koningin 
Ëlisabeth,  478.  —  Laski  richt  een  zendschrijven 
aan  haar,  479.  —  Koningin  Ëlisabeth  volgt  eenen 
anderen  raad,  483. 
10.  Omzwervingen  in  de  verbanning ,  en  terugreis  naar  het 
vadei'land : 

a)  Het     martelaarschap     der     vreemdeling-ge- 

meente  in  Denemarken  en  Noord-Duitsch- 

land 485. 

Stormachtige  reis  naar  Denemarken,  486.  —  Ont- 
vangst bij  Christiaan  III ,  487.  —  Verdrijving  van 
de  vreemdeling-gemeente  uit  Kopenhagen,  490.  — 
Hun  wedervaren  te  Rostock  en  te  Wismar,  494; 
te  Lubeck  en  te  Hamburg,  497. 

b)  Het  asyl  te  Ëmden 499. 

De  herberg  in  Oost-Friesland,  500.  —  Toene- 
mende ontwikkeling  van  handel  en  vertier,  504.  — 
Oorzaak  der  vervolging  allerwegen,  505.  —  Het 
noodlottige  optreden  van  Westphal,  508.  —  De 
werking  daarvan  laat  zich  ook  in  Oost- Friesland 


XI 

Bladz. 
bespeuren,  511.  —  De  hofpartij  te  Emden,  514.  — 

Laski  verlaat  het  land,  515. 

Op  weg  naar  het  vaderland 516. 

De  vluchteling-gemeente  te  Wezel,  518.  —  Laski 

te  Frankfort  aan  de  Main,  521.  —  De  kerkelijke 

toestanden  aldaar,  522.  —  Overblijfselen  der  Lon- 

densche  gemeente  vinden  hier  een  ontwijk,  525.  — 

Westphal   laat  hun  ook  hier  geene  rust,  531.  — 

Laski  hun   verdediger,   533.  —  De  twisten  in  de 

gemeente  zelve,  536.  —  Werkzaamheid  van  Calvijn 

te  Frankfort,   538.  —  Het  godsdienstgesprek  van 

Laski  met   Brenz   te   Stuttgart,   542.    —  Vertrek 

uit  Frankfort ,  548.  —  Ontmoeting  tusschen  Laski 

en  Melanchthon  te  Wittenberg,  549. 


m. 


Johannes  a  Lasco  als  Protestant  In  z^n 

Taderland. 


11.     Voortgang  der  Hervorming  in  Polen 555. 

Toestanden  in  het  vaderland,  gedurende  de  laatste 
levensjaren  van  koning  Sigismund,  556.  —  Koning 
Sigismund  August,  557.  —  De  Hervorming  onder 
den  Adel  en  in  de  steden,  558.  —  Machteloosheid 
der  Boomsche  geestelijkheid,  559.  —  De  Evan- 
gelisch-gezinde  vereeniging  te  Krakau,  563.  —  De 
Italianen  in  Polen,  564.  —  De  Boheemsche  broe- 
ders, 567.  —  De  steeds  klimmende  eischen  der 
Protestanten  op  de  rgksdagen,  571.  —  De  pause- 
l^ke  legaat  Lippomani,  574.  —  Het  verlangen  naar 
Laski's  terugkeer,  574. 


XII 

Bladz. 
12.    De  medewerking  van   Laski  in  zijn  vaderland  aan  de 

Hervorming  van  Polen 580. 

Laski's  ontvangst  in  zijn  vaderland,  580.  —  De 
Roomsche  partij  neemt  hare  maatregelen  tegen  hem , 
582.  —  De  oude  Protestantsche  tegenstanders  tre- 
den ook  hier  tegen  hem  op,  583.  —  Vergerius, 
in  hunnen  dienst  werkzaam,  584.  —  Laski  schrijft 
aan  den  Koning ,  588 ;  en  begeeft  zich  daarop  naar 
het  hof  des  Konings  te  Wilna,  590.  —  Zijn  ver- 
blijf aldaar,  ten  huize  van  vorst  Radziwil,  591.  — 
Ontmoeting  met  Evangelische  vluchtelingen  uit 
Rusland,  593.  —  Laski's  werkzaamheid  in  Klein- 
Polen,  594.  —  Het  losser  worden  van  de  verbin- 
tenis met  de  Boheemsche  broeders,  600.  —  De  over- 
zetting van  den  Bijbel  in  de  Poolsche  taal,  601.  — 
De  innerlijke  ontwikkeling  van  het  kerkelijk  orga- 
nisme, 603.  —  De  oprichting  van  Evangelische 
scholen,  603.  —  De  kerkelijke  tucht,  604.  —  Reizen 
van  Laski  in  Polen,  606.  —  Zijne  poging  te  Ko- 
ningsbergen tot  het  sluiten  van  eene  overeenkomst 
tusschen  Hervormden  en  Lutherschen,  607.  —  Het 
mislukken  van  zijne  pogingen  in  G-root-Polen  door 
de  verdachtmakingen  van  de  zijde  zijner  Luther- 
sche  tegenstanders ,  welke  door  Hosius  worden  ge- 
ëxploiteerd, 609.  —  Laski's  strijdschrift  tegen 
Hosius  en  Westphal,  611.  —  De  laatste  worste- 
lingen tegen  de  Antitrinitariërs ,  616.  —  De  na- 
dering van  Laski's  einde,  620.  —  Sterven  en  ter- 
aardebestelling,  622.  —  De  achtergeblevene  familie, 
626.  —  Het  verdrag  van  Sendomir  in  den  jare 
1570:  627. 


VOLLEDIGE  OPGAVE  VAN  DE  TITELS 


DER 


op  ie  Tolfenie  lilalzijien  slecbts  aameiniie  Bronnen. 


Adam,  Decades  duae.    Francofiirti  ad  Moenum,  1653. 

Anecdota  Brentiana.     Tubingen,  1868. 

Anna  Is  of  the  reformation  of  religiën  bij  John  Strype.  Lon- 
den, 1735. 

Archiv  f&r  Frankfurts  Geschichte  und  Kunst.  Herausg.  ven 
dem  Yerein  for  Geschichte  nnd  Altertnmskunde  zu  Frankfurt 
am  Main,  1860  ff. 

Barclay,   The  inner  lite   of  the  religions  societies  of  the  com- 

monwealth.     Londen,  1879. 
Dartels,  Johannes  a  Lasco.     Elberfeld,  1860. 
Dartels  (I),  Abriss  einer  Geschichte  des   Schnlwesens  in  Ost- 

friesland.     Anrich,  1870. 
Daum,  Capito  und  Butzer.    Elberf.,  1860. 
Benrath,  Bemardino  Ochino.     Leipzig,  1875. 
Berger,  La  bible  au  XVIe  siècle.     Paris,  1879. 
Bert  ram,  Historia  critica  Joh.  a  Lasco.     Aurich,  1733. 
Beyschlag,  Earl  Immanuel  Nitzsch.     Berlin,  1872. 
Bibliotheca  Warszawska.     Warszawa,  1872. 
Boeking,  Ulrichi  Hntteni  opera.     Lipsiae,  1859  sqq. 
Böhmer,  Bibliotheca  Wiffeniana.     Londini,  1874. 
Doos,    Thomas   und>  Felix    Platter.      Zur    Sittengeschichte   des 

sechzehnten  Jahrhnnderts.     Leipzig,  1878. 


XIV 


Brandes,  John  Knox.     Elberf.,  1862. 

Bucholtz,  G-eschichte  der  Regierung  Ferdinands  I.  Wien,  1831  ff. 

Burn,  History  of  the  foreign  protestant  refugees  settled  in  Eng- 

land.     London,  1846. 
Burnet,  The  history  of  the  reformation  of  the  Church  of  England. 

Lond.  (z.  j.). 

Calendar  of  State  papers  of  the  reign  of  EdwardYI.  Lond.,  1861. 
Cal  vin i   Opera,   in   het   ,, Corpus   Reformatorum''.     Bronsvigae, 

1863  sqq. 
Campan,  Mémoires  de  Franzisco  de  Enzinas.     Bruxelles,  1862. 
Care,  Q^schichte  Polens,  in  ,,  G-eschichte  der  europ&ischen  Staa- 

ten''  van  Heeren  en  Ukert.     Gotha,  1863  ff. 
Chronik    der    Evangelischen  Gemeinde   zu  Erakau,   door  Ad. 

Wengierski.     Breslau,  1880. 
Collectio  magna  historiarum  Poioniae  scriptorum.     Warsaviae, 

1761. 
Cornelius,   Der    Anteil    Ostfrieslands    an   der   Reformation  bis 

zum  Jahre  1535.     (Als  manuscript  gedrukt ,  z.  pi.  en  j.). 
Cranmer,  Miscellaneous  writings.     Cambridge.  1846. 
C romer,    Polonia  sive  de  origine  en  rebus  gestis  Polonorum. 

Coloniae,  1594. 
Czekanowski,   De  corruptis  moribus   utriusque  partis  catholi- 

corum  videlicet  et  haereticorum.  (Z.  pi.  en  j.) 
Czerwenka,   Geschichte  der   evangelischen  Kirche  in  Böhmen. 

Bielefeld,  1870. 

Dalton,   Gesch.  der  reform.  Kirche  in  Russland.     Gotha,  1865. 
De  Wette,  Luthers  Briefe  und  Sendschreiben.     Berl. ,  1827. 
Dorner,  Geschichte  d.  protestantischen  Theologie.  München,  1867. 
Dom  er  (I),  Entwickelungsgeschichte  der  Lehre  von  der  Persen 
Christi.    Berl.,  1858. 

Ebrard,  Das  Dogma  vom  heil.   Abendmahl.   Frankf.  a.  M. ,  1845. 
Eichhorn,  Stanislaus  Hosius.     Mainz,  1854. 
Emmius,  Rorum  Frisicarum  historia.     Lugduni  Batav. ,  1616. 
Erasmus,  Epistolarum  libri  XXX L     Londini,  1642. 
Erbkam,  Geschichte  der  protestantischen  Sekten.  Hamburg.  1848. 
Essenwein,     Die    mittelalterlichen    Kunstdenkmale    der    Stadt 
Erakau.     Leipz. ,  1869. 


XT 


Feckner,  Ckronik  d.  eTmng.  ChMneinde  in  Moekau.  Moskau,  1876. 
Feagère,  Erasme.     Etude   sur   sa  Tie  el  ses  ouTrages.     Paris, 

1874. 
Fontes  remm  anstriaeamm.     Wieo,  1859. 
Foxe,  Tlie  aets  and  monnments.     Lond.,  1877. 
FreseniuB,  Kirehengeschiehte  Ton  denen  Reformierten  in  Frank- 

Inrt  am  Main.    Frankfl,  1751. 
Freytag,  Bilder  ans  der  deatsehen  Yergangenheit.  Leipi.,  1867. 
Friese,  Kirekengesch.  des  Konigreichs  Polen.     Breslau,  1786. 
Froude,  Historj  of  fingland.    Lond.,  1870. 

Gabbema,  Epistolanim  centoriae  tres.     Harlingae,  1663. 

G  er  de  8,  Introdoctio  in  bist.  E  vang.  secul.  XYI  renovati.  Gro- 
ningae,  1744. 

Gindeiy,  GFesckicbte  der  bobmiscken  Brüder.     Prag,  1861. 

Graf,  Jakobus  Faber  Stapulensis,  in  het  „ZeitsohrifI;  für  histo- 
rische Theologie",  1852. 

Gratiani,  La  vie  du  cardinal  Comendoni,  trad.  par  Fléohier. 
Paris,  1671. 

Grindal,  The  remains  of  — .     Cambr. ,  1843. 

Grote,  Bartholomans  Sastrow.     Halle,  1860. 

Haag,  La  France  protestante.     Par.,  1850. 

Hammer,  Gesch.  des  osmanischen  Reiches.     Pest,  1834. 

Har  boe,  Nachrichten  von  den  Schicksalen  des  Johannes  a  Lasco. 

Kopenhagen,  1758. 
Hardt,  Acta  conciliomm.     Parisiis,  1714. 
Hardwick,  Hist.  of  the  articles  of  religiën.     Lond. ,  1876. 
Hardwick  (I),   Hist.   of  the  christian  chnrch  during  the  refor- 

mation.     Cambr.,  1865. 
Hartknoch,  Preussische  Kirchenhistorie.     Leipz. ,  1686. 
Hartmann,  Johann  Brenz.     Hamb. ,  1840. 
Ha  se,    Herzog    Albrecht    von    Preussen    und    sein    Hofprediger. 

Leipz.,  1879. 
Hase  (I),  Eirchengeschichte.     Leipz.,  1877. 
Herbarz   Polski  Kaspra   Niesieckiego  i  wydany  przez  Jana  Bo- 

browicza.     w  Lipsku,  1839. 
Heppe,  Geschichte  des  deutschen  Protestantismus ,  1555 — 1581. 

Marburg,  1853. 
Herminjard,  Correspondance  des  Reformateurs.  Genève,  1866  sw. 


XVI 


Her  zog,   Real-Encyklopadie  für  protest.  Theologie  and  Eirohe. 

Stuttg.,  1853  ff. 
Heumann,  Documenta  litteraria.     Altdorfii,  1758. 
Hooper,  Early  and  later  writings.     Cambr. ,  1843. 

Jablonski,  Hist.  consensus  Sendomiriensis.     Berolini,  1731. 
Joch  er,   Obraz   bibliograficzno-historyczny   literaturi   i  nank   w 
Polsce.     Wilno,  1840. 

Kan  si  er,  Briefweohsel  zwischen  Herzog  Christoph  von  Würt- 
temberg  und  P.  F.  Vergerins.     Tüb.,  1875. 

Kautz,  Praecipua  ac  publica  rel.  evang.  in  Polonia  fata.  Hamb. , 
1738. 

Eawerau,  Joh.  Agricola  von  Eisleben.     Berl. ,  1881. 

Kerkhistorisch  archief,  verzameld  door  Eist  en  Moll.  Am- 
sterdam, van  Eempen  [4  DD.,  1857—66]. 

Eirchenzeitung,  Reformierte  — .     Erlangen,  1854  ff. 

Elopp,  Geschichte  Ostfrieslands.    Hann.,  1854. 

Enight,  London.     Lond.,  1841. 

Kohier,  Historische  Münzbelustigung.     Nürnberg,  1737. 

Köstlin,  Martin  Lnther.     Elberf.,  1875. 

Koppius,  Yitae  ac  gesta  abbatam  Adwerdensiom.    Gron. ,  1850. 

Kotlubaj,  Galerja  nieswiezska  portretow Radziwillowskich.  Wilno, 
1857. 

Krasinski,  Historical  sketch  of  the  Reformation  in  Poland. 
Lond.,  1838. 

Kriegk,  Gesch.  von  Frankfurt  am  Main.     Frankf.,  1871. 

Kugler:  Christoph,  Herzog  zu  Württemberg.     Stuttg.,  1872. 

Kuyper,  Joannis  a  Lasco  opera  tam  edita  quam  inedita.  Am- 
stelodami,  1866.  [2  Tom.] 

Langenn:  Moritz,  Kurfiirst  zu  Sachsen.     Leipz.,  1841. 
Lanz,  Korrespondenz  Kaisers  Karl  Y.     Leipz.,  1864. 
Lauterbach,   Ariano-Socinismus  olim  in  Polonia.     Lips. ,  1725. 
Lechler,   Gesch.   der  Presbyterial-    und   Synodalverfassung  seit 

der  Reformation.     Leiden,  1854. 
Lel  e  wel,  Histoire  de  Pologne.     Paris,  1844. 
Lubienitzki,   Hist.   reformationis  Polonicae.     Freistadii,  1685. 
Lukaszewicz,  Gesch.  der  reform.  Kirche  in  Litthauen.  Leipz., 

1848. 


XVII 


Lathors  Werke,  Erlanger  Ausgabe. 

Mailath,  G^eschichie  der  Magyaren.     Wien ,  1831. 

Malcolm,  Londinium  rediyiYnm.    Lond.,  1803. 

Malte-Bran,  Tableau  de  la  Pologne  ancienne  et  moderne.   Par., 

1830. 
Maurenbrecher,  Earl  Y  und  die  deatschen  Protestanten,  1545 

bis  1555.     Düsseld.,  1865. 
May,  Eurf&rst  Albrecht  von  Mainz.    München,  1875. 
Meiners,  Oostyrieslands  kerkelijke  geschiedenisse.   Gron. ,  1783. 
Melanchthon,  Opera,  in  het  ,Corpas  £eformatorum."    Halis, 

1834  sqq. 
Merle  d'  Aubigné,   Histoire  de  la  Réformation  en  Europe  au 

temps  de  Calyin.     Par.,  1864. 
Merle  d'  Aubigné  (I),  Hist.  de  la  Béform.   dn  XYIe  siècle. 

Par.,  1860. 
Michelet,  Histoire^  de  France  an  XYIe  siècle.     Par.,  1851. 
Mönkeberg,  Joachim  \yestphal  o.  Joh.  Calyin.    Hamb. ,  1865. 
Mulder,  Die  Diakonie  der  Fremdlinge-Arinen.     Emden.  1858. 

Nippold,  in  het  „ZeitschrifI;  f&r  hist.  Theologie".   Gotha,  1863. 
Nitzsch,  Urkundenbuch  der  evangel.  Union.     Bonn.  1853. 
l^orthouk,  A  new  history  of  Londen.     Lond.,  1773. 

Original  letters  relative  to  the  English  reform.    Cambr.,  1846. 

Pauli,  Rilder  aus  Alt-England.     Gotha,  1860. 

Philaret,  Gesch.  der  Eirche  Russlands,  übers.  v.  Dr.  Blumen- 

thal.    Frankfl,  1872. 
Planck,  Gesch.  unseres  protest.  Lehrbegriffs.    Leipz.,  1799  ff. 
Pomniki,  dziejowe  Polski.     Lwow,  1878. 
Pr  es  8  el,  Justus  Jonas.     Elberf.,  1862. 

Procter,  Hist.  of  the  book  of  Common-Prayer.     Lond.,  1864. 
Pafendorf,  De  rebus  a  Carolo  Ghistavo  gestis  libri  YII.     No- 

rimbergae,  1696. 

Raczynski,  Les  médailles  de  Pologne.     Berl.,  1845. 

Ram,  Considérations  sur  F  hist.  de  1' univ.  de  Louvain.    Brux. , 

1854. 
Ranke,  Deutsche  Gesch.  im  Zeitalter  der  Réformation.  Berl.,  1852. 


XVIII 


Ranke  (I),  Englische  Gesch.,  Yomehmlich  im  siebzehnten  Jahrh. 

Leipz. ,  1877. 
Ranke  (II),  Die  römischen  Papste  im  sechzehnten  u.  siebz.  Jahrh. 

Berl.,  1838. 
Raumer,  Historisches  Taschenbuch.     Leipz. 
Religionshandlungen,  Frankfartische  — .     Frankf. ,  1726. 
Reuss,  G-esch.  der  h.  Schriften  Neuen  Test.  Braunschw. ,  1874. 
Ridley,  Works  of  — .     Cambr.,  1843. 

Riggenbach,  Das  Chronikon  des  Konrad  Pellikan.    Bas.,  1877. 
Ritschl,  G-esch.  des  Pietismus  in  der  reform.  Kirche.  Bonn,  1880. 
Ritter,  Geschichte  der  Philosophie.     Hamb.,  1850. 
Ritter  (I),  Evang.  Denkmal  der  Stadt  Frankfort.  Frankf.,  1726. 
Ros  co  e,  Leben  u.  Regierung  des  Papstes  Leo  X.  Leipz.,  1806. 

Salig,  Yollst.  Historie  der  Augsb.  Konfession.     Halle,  1730. 
Sa  Y  igny,  Gesch.  des  römischen  Rechts  imMittelalter.  Heidelb.,  1816. 
Schmidt,  Peter  Martyr  Vermigli.     Elberf.,  1858. 
Schmidt  (I),  Philipp  Melanchthon.     Elberf.,  1861. 
Schröder,   Troisième  jubilé  séculaire  de  la  fondation  de  V  égl. 

réformée  firan^.  de  Francfort.     Francf. ,  1853. 
Scrinium  antiquarom.     Groningae  (s.  a.). 
S  eis  en,  Gesch.  der  Reformation  zn  Heidelberg.   Heidelb.,  1846. 
Sermons  by  Hugh  Latimer.    Cambr.,  1844. 
Sixt,  Peter  Paul  Yergerius.     Braunschw.,  1871. 
SI  ei  dan,  Commentariorum  de  statu  religionis  libri  XXYI.  Fran- 

cof.,  1610. 
Spiegel,  Albert  Rizaus  H!ardenberg.     Bremen,  1869. 
Stahelin,  Johann  Carvin.     Elberf.,  1863. 
Statorius.    Funebris  oratio  in  obitum  Joh.  a  Lasco.  Pinczoviae, 

1560. 
Steitz,  Der  lutherische  Pradikant  Hartmann  Beyer.  Frankf.,  1852. 
Stichart,  Erasmus  von  Rotterdam.     Leipz.,  1870. 
Stinzing,  Ulrich  Zasius.     Bas.,  1857. 
Strauss,  Ulrich  von  Hutten.     Leipz.,  1858. 
Strype,  Memorials  of  Thomas  Cranmer.     Lond.,  1694. 
Sudhoff,  Olevianus  und  Ursinus.     Elberf.,  1857. 
Sylvius,  Oratio  funebris  in  obitum  Joh.  a  Lasco.  Pincz. ,  1560. 

Tarnowski,  Stanislawa  Laskiego  prace  naukowe  i  dyplomatyczne. 
Wilno,  1864. 


XIX 


Theiner ,  Yetera  monomenta  Poloniae  et  Lithuaniae.  Romae,  1861. 
Tomiciana    acta.     Epistolae,    legationes,   responsa,   actiones, 

res  gestae  ser.  Princ.  Sigismundi. 
Trechsel,    Die    protest.    Antitrinitarier    vor    Faustus    Socinus. 

Heidelb.,  1839. 
Two  litargies,    1549  and  1552,  set  forth  by  authority  in  the 

reign  of  king  Edward  YI.     Cambr. ,  1845. 

Utenhovins,   Simplex  et  fidelis  narratio  de  institnta  ac  demum 
dissipata  in  Anglia  ecclesia.     Bas.,  1560. 

Varrentrapp,  Hermann  von  Wied  and  sein  Reformationsversuch 

in  E51n.    Leipz.,  1878. 
Yoigt,  Gesch.  Preussens,  von  den  altesten  Zeiten  bis  zum  Un- 

tergang  der  Herrschaft  des  Dentschen  Ordens.  Königsb. ,  1838. 

Wal  e  w  ski:  Jan  Laski,  reformator  kosciola,  in  „Bibliotheca  Wars- 

zawska".     Warszawa,  1872. 
Weingarten,  Die  Revolutionskirchen  Englands.     Leipz.,  1868. 
Wengierski,  Libri  lY  Slavoniae  reformatae.    Amstelod.,  1679. 
Wezyk,    Constitutiones    Synodorum   metr.    Eccl.    Q-nesn.    Prov. 

Cracoviae,  1630. 
Whitgift,  Works  of  — .     Cambr.,  1853. 
Wolters,  Reformationsgosch.  der  Stadt  Wesel.     Bonn,  1868. 
Woltmann,  Holbein  and  seine  Zeit.     Leipz.,  1866. 

Zanchias,  Epistolaram  libri  dao.    Hannoviae,  1609. 
Zeissberg,  Johannes  Laski  n.  sein  Testament,  in  „Sitzangsbe- 

richten  der  königl.  Akademie  der  Wissenschaften.'^  Wien ,  1874. 
Zeissberg  (I),   Die  Polnische  Geschichtsschreibang  des  Mittel- 

alters,  in  „Preisschriften  der  Jablonowskischen  Gesellschaft  in 

Leipzig.^'     Leipz.,  1873. 
Zeitschrift  für  historische  Theologie.     Gotha. 
Zezschwitz,  System  der  christl.-kirchl.  Eatechetik.  Leipz.,  1864  ff. 
Zezschwitz    (I),    Die    Eatechismen    der    Waldenser    a.    böhm. 

Brüder.     Erl.,  1867. 
Zarich  letters.     Cambr.,  1842. 
Zwingli's  Werke.    Aasg.  von  Schuier  a.  Schalthess.    Zür. , 

1828. 


1. 


De  öeboortegrond  en  zjjne  Bewoners. 


Groot  en  tevens  pijnlijk  is  de  afstand,  die  in  onze  dagen 
het  land  en  de  stamgenooten  van  onzen  held  verwijdert  van 
den  tijd  j  toen  hg  zelf  nog  in  hun  midden  verkeerde.  Sedert  nu 
bijkans  eene  eeuw  heeft  zijn  volk  opgehouden,  een  volk  met 
eigene  regeering,  met  eigene  staats-inrichting  te  zijn.  Deels 
door  eigene  schuld,  deels  door  eene  zware  en  bittere  lots- 
bedeeling  was  het  in  zulk  een  diep  verval  geraakt,  dat  het 
genoodzaakt  was,  zich  naar  den  gewelddadigen  drang  zijner 
naburen  te  voegen  en  zich  te  laten  welgevallen,  om  door  hen 
verbrokkeld.,  en  in  de  vreemde,  maar  goed-geordende  staten 
te  worden  ingelijfd.  Dat  lot  is  in  den  ijzeren  loop  der  geschie- 
denis reeds  aan  menig  volk  wedervaren,  hetwelk,  na  zijne 
levenskracht  verteerd  te  hebben,  ongemerkt  opging  in  het 
leven  van  den  machtigen  veroveraar,  en  uit  de  rij  der  vol- 
ken verdween.  Met  taaie  volharding,  met  roerende  vader- 
landsliefde verzet  zich  dit  volk  tegen  zulk  een  oumeedoogend 
lot;  het  wil  nog  niet  sterven,  en  kan  niet  vergeten  wat  het 
in  zijnen  heldentijd  geweest  is.  Zijne  zonen,  die  ons,  in 
menigen  aangrijpenden  trek,  aan  het  volk  der  Joden  doen 
denken,  dat  zich  nergens  op  aarde  in  zulk  eene  dichte  me-' 
nigte  en  zóó  duurzaam  als  in  dit  land  gevestigd  heeft,  — 
zijne  zonen  trekken  her-  en  derwaarts,  terwijl  zij  slechts  met 
tegenzin  het  vreemde  juk  torsen ,  of  het  brood  der  verbanning 
eten,  en  daarbij  acht  geven  op  iederen  wenk,  die  aan  hunne 
licht-ontvlambare  hoop  nieuw  voedsel  schenkt.  Het  is  ons 
plan  niet,  om   den  afstand   tusschen  het  Voorleden  en  het 

1* 


i 


Heden   geheel  te  doorloopen,   en  de  oorzaken  op  te  sporeA, 

door  welke  het  met  dit  volk  zóóver  gekomen  is,  ja  zóóver 
Iieeft  moeten  komen.  Wij  hebben  ons  in  de  volgende  bladen 
de  meer  uitlokkende  taak  voorgesteld ,  om  het  boek  van 
Polen's  geschiedenis  ten  tijde  van  zijne  glansrijkste  ontwik- 
keling op  te  slaan,  en  eene  bladzijde  te  lezen,  die  in  haren 
aanvang  zoo  veelbelovend  luidt,  maar  die  aan  haar  einde 
zoo  onheilspellend  de  kiem  der  krankheid  vertoont,  die  het 
schoone  land  heeft  doen  wegkwijnen. 

Ja,  het  ia  de  heldentijd  van  Polen,  de  eerste  helft  der 
zestiende  eeuw!  Nooit  hebben  zich  zijne  grenspalen  verder 
uitgestrekt,  dan  onder  de  laatste  machtige  heerschers  uit 
het  huis  der  Jagello'a.  Lelewel,  die  zulk  eene  vurige  vader- 
landsliefde koestert,  geeft  ons  onder  de  kaarten,  die  bij 
zijne  geschiedenis  van  Polen  hehooren,  ook  eene  kaart  uit 
de  tijden  van  Johan  Albert,  omstreeks  het  jaar  1500.  Zij 
toont  ons  een  gebied,  dat  zich  in  het  noorden,  aan  de 
zeekust,  van  Dantzig  tot  aan  Memel  uitstrekt,  van  dadr,  ' 
in  eene  bijkans  rechte  oostelijke  linie,  rakelings  langs  de 
streek  van  Dunaborg  loopt,  voorbij  Witebak  tot  aan  Smoleosk 
reikt,  —  om  welks  bezit  Russen  en  Polen  in  die  dagen 
menigmaal  gestreden  hebben,  —  van  dAir  vervolgens  zich 
naar  het  zuiden  wendt,  en  de  grens  ïsjernigow  ontmoet, 
om  dan  weder  in  het  oosten  /ich  diep  landwaarts-in  tot  aan 
de  Donez  uit  te  zetten,  en  langs  de  Dnieper  bij  Cherson 
de  Zwarte  zee  te  bereiken.  De  zeekust  vormt,  tot  nabij 
Kilia  en  Iswaïl,  de  vaak  beoorloogde  grens,  die  voorts  land- 
waarts-in tot  aan  Zevenbergen  reikt,  en  die,  terwijl  zij  Mol- 
davië, Bukowina  en  üalicië  omvat,  zich  in  het  westen,  langs 
de  Karpathen,  tot  in  den  omtrek  van  Teschen  uitstrekt,  ver- 
volgens in  noordelijke  richting  tot  aan  Giogau  voortloopt, 
om  van  dóAr  weder,  in  eene  kronkelende  lijn,  tot  in  den 
omtrek  van  Danlzig  te  komen.  Het  omvangrijke  gebied  wurdt 
op  20(J,Ü00  D  wersten  geschat,  met  eene  bevolking  ten 
getale  van  ongeveer  15  milhoen  inwoners.  Het  eigenlijke 
moederland  en  het  hart  van  bet  uitgestrekte  gebied,  binnen 
welks   omtrek   wij    ons  in  de  volgende  bladzijden  uitsluitend 


bewegen,  was  üit  twee  hoofddeelen  samen^ostokl,  nL  uit  het 
noordelijk  gelegene  Tlakke  land  Tan  Groot- Polon,  mot  do 
eertij'ls  zelfstandige  hertc^iommen  Cujavië  on  Xïasovi?* 
en  nit  het  zuidelijk  gelegene  Klein-Polon.  dat  xioh  tot 
aan  de  Earpathen  uitstrekte.  De  voomaamste  palatinaton 
in  Groot-Polen  waren  Posen,  Kalisch«  Siora«li  on  lA»ncxyo5 
in  Klein-Polen  desgelijks  Krakau,  Sendomir  on  Lublin. 

Het  was  een  wijze  stap  van  Hedwig,  do  jeugdige  Koningin 
Tan  Polen,  in  wier  aderen  nog  Piastisch  blooil  vliXMdo»  dat 
zij  hare  genegenheid  voor  hertog  Wilhelm  van  Oostonryk  ann 
het  welzijn  van  den  staat  ten  ofFer  bracht,  on  haro  hand 
schonk  aan  den  Vorst  van  Litthauen,  Wladialaw  Jagiëllo 
(1386).  Door  deze  echtverhintenis  traden  Polen  on  Litthauon 
tot  elkander  in  de  betrekking  van  eene  persoonlgko  nnio, 
die,  omstreeks  tweehonderd  jaren  later,  door  do  beroonido 
Unie  van  Luhlin  (1569),  in  eene  vaste  verbinding  van  do 
beide  landen  tot  eenen  éénigen  ondeelbaren  vrijstaat,  ondor 
denzelfden  vorst  en  met  eenerlei  staats-inrichting ,  haro  vol- 
tooiing vond.  Met  Wladislaw,  die  zich  vooraf  had  laton 
doopen,  ten  einde  de  schoone  Hedwig  te  kunnen  huwon, 
besteeg  het  vorstelijk  geslacht  den  koningstroon,  ondor  het- 
welk Polen  zijnen  hoogsten  bloei  mocht  bereiken.  Hot  is 
een  vorstenhuis  van  zeldzame  begaafdheid,  dozo  JagoUo'H, 
aantrekkelijk  door  hun  karakter,  bewonderenswaardig,  zoowol 
wegens  de  kracht  en  bekwaamheid,  met  welke  zij  don  schoptor 
voerden,  als  ook  meer  bepaald  wegens  de  wijze,  waarop  zy 
hun  volk  —  en  dat,  voorwaar,  niet  zelden  onder  do  moei- 
lijkste omstandigheden,  —  tot  eene  kloeke  en  machtige  natie 
wisten  te  vormen.  Één  van  de  nauwkeurigste  kcnnorH  Hchil- 
dert  hen,  geheel  naar  waarheid,  als  „welwillend,  voorkomend, 
grenzenloos  milddadig,  eenvoudig,  minzaam,  dankbaar  on 
vriendhoudend ,  goedwillig  en  i^rgevensgezind ,  gelijk  men- 
schen ,  die  meer  door  de  bewegingen  des  gonioeds ,  dan  door 
de  gestrenge  heerschappij  van  afgetrokken  grondst/'Jlin^fm 
bestuurd  worden''  ^).   Deze  schoone  erfenis  was  ^>ok  t^jn  volle 


1}  Caro,  IV,  306. 


aiia  den  Toorlaatsten  telg  des  huizes,  nl.  aan  Sigismund  I. 
ten  deel  gevallen,  itie  twee  en  veertig  jaren  achtereen,  in 
eenen  moeilijken  tijd,  op  roemrijke  wijze  de  vorstenkroon 
droeg  (lÖOG — 1548).  Hij  behoort  tot  de  verhevenate  gestalten 
der  zestiende  eeuw ,  hooggeacht  in  den  raad  der  regenten , 
geweesd  door  zijne  vijanden,  maar  oprecht  bemind  door  zijn 
volk,  inzonderheid  gedurende  de  eerste  tientallen  jaren  zijner 
heerschappij,  en  zoolang  de  invloed  van  zijne  tweede  gemalin, 
de  wegens  hare  kuiperijen  beruchte  koningin  Bona,  zich  nog 
niet  al  te  zeer  liet  gelden.  Sigismund  vervulde  ijverig  de 
zware  plichten,  die  hij  zich  als  Koning  van  Polen  zag  op- 
gelegd, en  betoonde  zich  een  getrouw  en  waakzaam  bescher- 
mer van  zijn  land  en  volk.  Niet  zelden  werden  zijne  han- 
delingen dooi'  eenen  zekeren  trek  vim  teederhartigheid  ge- 
kenmerkt; zijne  begeerte  naar  rust  en  orde  was  oorzaak, 
dat  hij  menigmaal  de  zaken  ongehinderd  haren  gang  liet 
gaan,  ook  wanneer  een  strakker  aanhalen  der  teugels  vol- 
strekt noodig  zou  geweest  zijn.  Juist  op  het  punt,  waarop 
in  dien  tijd  alles  aankwam,  nL  het  vraagstuk  van  den  gods- 
dienst, is  in  zijne  verschillende  maatregelen  eene  zekere  be- 
sluiteloosheid te  bespeuren,  die  noch  aan  de  Evangelische, 
noch  aan  de  Boomsche  kerk  welgevallig  kon  zijn,  en  voor 
geen  van  beiden  voordeelig  was.  Dit  weifelen  is  niet  alleen 
te  verklaren  uit  zijne  geneigdheid  tot  ongestoorde  rust;  een 
diepe .  edele  trek  zijns  wezens  maakte  hem  in  die  ruwe  dagen 
de  beslissing  moeilijk.  Hij  was  een  getrouw  zoon  zijner 
kerk;  ieder  verzet  tegen  hare  verordeningen  kwam  hem  voor 
als  eene  poging,  om  de  hechtste  pilaren  van  het  staata- 
gebouw  te  ondermijnen ,  en  zoo  gevoelde  hij  zich  evenzeer 
door  zijne  vrome  verknochtheid  aan  den  Paus,  als  door  zijne 
vurige  vaderlandsliefde  aangespoord,  om  het  gevreesde  revo- 
lutionnaire  element  van  zijn  land  verwijderd  te  houden.  Niet 
moeilijk  echter  is  het,  om  hij  dezen  loop  zijner  gedachten 
eene  diepere  strooming  te  bemerken.  Sigismund  is  waarlijk 
godvruchtig.  In  zijue  zendbrieven  aan  den  Paus,  alsook  in 
vele  zijner  bevelschriften  klinkt  een  toon,  die  niet  door  de 
staatkunde  is  ingegeven,   maai-  die  onmiddellijk  uit  het  hart 


voortkomt,  en  eene  liefelijke  getuigenis  aangaande  zijn  gemoed 
aflegt,  te  weldadiger,  hoe  meer  men  dezen  toon,  zelfs  in 
de  herderlijke  brieven  der  bisschoppen  van  die  dagen,  ver- 
mist Bij  zulk  eene  gezindheid  moest  niet  weinig  in  het 
drijven  der  Kerk  en  harer  waardigheidbekleeders  hem  be- 
vreemden en  afstooten,  en  hij  ontzag  zich  niet  om  zich  ook 
tegen  hen  te  verzetten ,  wanneer  de  kerkelijke  aanmatigingen 
al  te  zeer  op  zijne  koninklijke  rechten  inbreuk  maakten,  en 
het  pauselijk  gezag  zich  ook  daar  wilde  laten  gelden,  waar 
hij  zich  bewust  was  van  tot  beschermer  der  souvereiniteit 
geroepen  te  zijn.  De  tijd  vergunde  hem  niet  de  rust,  om 
na  te  denken  over  het  Ééne,  dat  noodig  is;  het  noodlottig 
gevolg  daarvan  was  die  onvastheid,  welke  voor  zijn  volk 
niet  tot  zegen  strekte. 

Daarbij  kwam  als  verzwarende  omstandigheid  de  staats- 
regeling des  lands,  gelijk  zij  zich  onder  langdurige,  hoog- 
gaande twisten  allengs  gevormd  had.  Polen  was  tot  een 
▼rijstaat  geworden,  met  eenen  Koning  aan  het  hoofd.  De 
eigenlijke  macht  berustte  in  de  hand  van  den  adel,  d.  i.  van 
die  geslachten,  aan  welke  het,  na  eene  worsteling  van  eeuwen, 
gelakt  was ,  zich  uit  de  menigte  der  burgers  tot  de  grootste 
zelfstandigheid  te  verheffen.  Al  wie  aanspraak  maakte  op 
de  voorrechten,  die  de  adel,  in  onderscheiding  van  de  overige 
klassen  der  bevolking,  genoot,  moest  kunnen  bewijzen,  dat 
hij  tot  een  bepaald  familiewapen,  tot  een  bepaald  geslacht 
behoorde.  Was  dit  bewijs  geleverd,  zoo  zag  de  aanverwant 
zich  met  alle  edelen  op  gelijken  rang  geplaatst;  hij  bezat  ge- 
lijke rechten,  en  had  gelijke  plichten  te  vervullen.  Intusschen 
kon  het  niet  missen,  dat  enkele  geslachten  en  wapens  zich  in 
uitstekende  vertegenwoordigers  op  bijzondere  wijs  onderscheid- 
den, en  daardoor  in  het  bezit  kwamen  van  de  hoogste  be- 
trekkingen in  Kerk  en  Staat.  Deze  hoogere  klasse  van  den 
adel  vormden  de  Baronnen,  die  door  geboorte  of  bezitting 
of  aanzienlijke  ambten  boven  de  anderen  uitstaken.  Bepaalde 
ambten  onderstelden  en  verleenden  ook  den  rang  van  een 
Baron.  Als  de  hoogste  kerkelijke  dignitarissen  werden  de  beide 
aartsbisschoppen  van  Gnesen  en  Lemberg,  alsmede  de  dertien 


bisaclioppeu  des  lamls  beschouwd;  als  de  hoogste  waardig- 
heid bek  lee  der  s  in  den  staat  golden  vijf  en  dertig  palatijns, 
dertig  grootere  (majores  castellani)  en  negen  en  veertig  kiui- 
nere  (minores)  burggraven  des  rijks,  die  in  vereeoiging  met 
tien  Mildere  staatsdienaren  den  Senaat  vormden  '). 

Tegenover  den  adel  trad,  in  den  loop  des  tijds,  in  de 
atedeliugen ,  een  nieuw  zwaarwichtig  element  op  den  voor- 
grond, waarvan  zich  de  vorsten  niet  zelden  als  tegenwicht 
tegen  de  hinderlijke  macht  der  Baronnen  bedienden.  De 
invloed  dezer  stedelingen  is  in  dien  tijd,  met  betrekking  tot 
de  Henwmingsgeschiedenis  van  Polen,  van  een  zóó  diep- 
ingrijpenden  aard,  dat  wij  reeds  hier  op  hunne  bijzondere 
stelling  moeten  opmerkzaam  maken.  De  steden  waren  bijkans 
uitsluiteud  bevolkt  door  Duitsche  landverhuizers,  die  bij 
geheele  scharen  het  land  hadden  overstroomd,  sedert  de 
neiging  der  Gerinaansche  volken  ora  zich  naar  vreemde  lan- 
den te  begeven,  —  eene  neiging,  die  in  de  dagen  der 
Kruistochten  bij  hen  was  opgewekt,  —  eindelijk,  nadat  deze 
tochten  gestaakt  waren,  niet  langer  bare  bevrediging  noeken 
kon  in  het  blauw  verschiet  van  het  Morgenland.  Het  ge- 
wichtige cultuur  element  vond  eene  vriendelijke  welkomst  in 
de  uitgestrekte,  doch  schraal- bevolkte  landstreken  van  Polen. 
Zeer  belangrijke  volmachten  werden  aan  de  vreemdelingen 
verleend,  die  overal  in  het  land  steden  stichtten,  en  met 
Duitsche  vlijt,  met  Duitsche  bedrijvigheid  handel  en  verkeer 
krachtig  bevorderden,  terwijl  zij  in  de  schielijk  toenemende 
welvaart  des  lands  de  schatting  hunner  dankbaarheid  voor 
het  verleende  gastrecht  rijkelijk  betaalden.  Doch  dit  gastrecht 
werd  hun  tevens  met  Püolsche  vrijgevigheid,  en  bijna  zou  men 
kunnen  zeggen:  met  zorgeloosheid  verleend.  Deze  Duitsche 
kolonisten  hadden  hun  vaderlandsch  recht  medegebracht, 
welk  recht  ook  van  de  zijde  der  Poolache  vorsten  schriftelijk 
erkend  en  hun  gewaarborgd  was.  In  de  noordelijke  steden, 
in  Masüïië  en  Cujavië,  ontmoeten  wij  inzonderheid  het  Kulut- 
sche,    in   de   zuid-Poolsche    steden  daarentegeu,  tot  over  de 


1)  De  rsDgorde  dezei  wurüigheidb«kteeders  is  te  vindeu  bij  Crc 


Russische  grenzen ,  het  Maagdenbargsche  recht  In  het  genot 
van  zoodanige  voorrechten,  leidden  deze  stedelingen  een  leven 
op  zich  zelf;  in  het  hart  van  Polen  vormden  zij  een  stuk  van 
Duitschland,  en  dat  wel  van  een  zóó  krachtigen  stempel, 
dat  b.v.  het  beroemde  gildeboek  van  Krakan,  welks  voor- 
treffelijk uitgevoerde  miniaturen  ons  een  leveutlig  beeld  van 
den  toenmnligeu  tijd  te  aanschouwen  geven,  in  de  Duitsche 
en  de  Latijnsche  taal  geschreven  is  ^).  Zulk  een  afgezon- 
dertl  leven,  midden  in  het  vreemde  land,  kan,  ouder  be- 
paalde omstandigheden,  tot  de  materiëele  welvaart  des  lands 
medewerken,  en  heeft  zulks  ook  ongetwijfeld  in  Polen  ge- 
daan, evenals  de  Duitsche  volkplantingen  in  het  haii  van 
Rusland.  Doch  voor  het  leven  des  geestes,  zoowel  van  het 
volk ,  waartoe  zij  behooren ,  als  ook  van  het  vreemde  volk , 
in  welks  midden  zij  leven,  zijn  zulke  kolonisten,  in  eene 
beslissende  ure,  als  eene  moedervlek;  en  eene  zoodanige 
ure  was  destijds  aangebroken.  Deze  Duitsche  stedelingen  in 
Polen  waren,  ook  in  geestelijk  opzicht,  met  het  oude  vader- 
land niet  langer  verbonden;  slechts  het  erfdeel,  dat  zij  had- 
den medegebracht,  bewaakten  zij  met  angstvallige,  maar  ook 
met  kleingeestige  en  bekrompene  trouw.  Zij  breidden  den 
kring  van  hun  leven  niet  uit,  en  streefden  niet  naar  hooger 
ontvnkkeling ,  maar  bleven  eigenwillig  staan  op  den  trap  van 
geestbeschaving,  dien  het  oude  vaderland  bij  hun  heengaan 
bereikt  had.  Tegenover  hunne  nieuwe  omgeving ,  zoowel  wat 
de  groeten,  als  wat  de  geringen  betreft,  zonderden  zij  zich 
streng  af;  zij  leefden  nevens  hen,  zonder  innerlijke  aan- 
raking, zonder  zegenrijke  wederzijdsche  betrekking,  als  in 
een  sterk  ommuurden  burg.    Dat  is  echter,  van  het  nationale 


1)  De  codex',  een  waardige  tegenlianger  van  het  iii  denzolfdeii  tijd  vcrTaar- 
digde  Ceremoniale  van  Erasmus  vou  Ciolek,  Bisschop  van  Plozk,  inet  zijne 
koütbare  miniaturen,  die  van  hoo^c  beteckcnis  zijn  voor  de  geachicdenis  dor 
cultuur,  ia  door  Balthasar  Belicm  te  boek  gCHtcld ,  en  bevat  de  statuten 
der  gilden  van  de  stad  Krakau.  Mij  is  geen  ander  werk  bekend,  dat  zóó 
levendig  en  aanscliouwclijk  handel  en  wandel  der  Krakau'sche  burgerij  ona 
vóór  oogen  stelt,  als  deze  schoone  miniaturen,  een  rijke  goudmijn  voor  stu- 
diën op  het  gebied  van  de  geschiedenis  der  cultuur.  Tergel.  ook  Essenwein 
S.  37,  en  I  Zcissberg,  S.  417. 


10 


stanJpunt  beschouwd,  geene  heikamc  verbimliDg  voor  het 
laud,  maar  eene  ernstige  belemraering,  wanneer  een  volk, 
in  den  loop  zijner  geschiedenis,  zich  een  beslissend  pro- 
bleem ziet  voorgesteld,  hetwelk  het  slechts  in  zijn  geheel 
op  zegenrijke  wijs  oplossen  kan.  Deze  Duitsche  stedelingen 
leefden  eeuwen  achtereen  in  het  Poolsche  rijk,  zonder  waarlijk 
Polen  geworden  te  zijn;  ter  anderer  zijde  waren  zij  ook  niet 
overal  sterk  en  krachtig  genoeg,  om  het  geheele  land  te 
germaniseeren. 

Het  derde  onderdeel  der  bevolking  vormden  de  boeren, 
de  Kmetonen,  een  armoedige  stand,  bijna  zonder  rechten, 
die  in  lijfeigenschap  aan  den  adel  onderworpen  was,  en  in 
zware ,  gestrenge  onderdrukking  leefde ,  of  veeleer  het  kwij 
nend  aanzijn  voortsleepte.  De  afstand  tusschen  de  heeren 
en  deze  onderhoorigen  was  zóó  groot  en  onoverkomelijk,  dat 
men  nauwelijks  op  het  vermoeden  komt,  dat  betzelfde  oude 
Poolsche  bloed  in  de  aderen  van  beide  partijen  vloeit;  men 
wordt  eerder  aan  de  verhouding  herinnerd,  die  tusschen  een 
overwinnend  volk  en  de  onderworpen  oorspronkelijke  stam- 
men des  landa  bestaat,  gelijk  in  Indië  en  elders.  Dubbel 
scherp  en  noodlottig  moest  de  afstand  zich  doen  gevoelen, 
omdat  het  verzachtende  middenlid,  de  stedeHng,  tot  beide 
partijen  in  eene  vijandige  verhouding  ston<!.  Tegenover  den 
adel ,  voor  welken  hij  door  zijne  voorrechten  eeu  doorn  in 
het  oog  was,  zouderde  hij  zich  streng  af,  en  ondervond  ook, 
bij  iedere  aanraking,  eene  gelijke  trotscbe  teiiigwijzing ,  die 
in  den  loop  des  tijda,  en  vooral  in  de  dagen  der  Reformatie. 
zich  met  het  zegevieiond  bewustzijn  deed  gelden,  de  voor- 
rechten dezer  indringers  te  kunnen  verbrokkelen  en  vernietigen. 
Voor  den  boer,  het  eigendom  van  den  adel,  had  hij  geen 
hart  en  ook  geen  gevoel  van  stainverwantscbap ;  hij  sprak 
niet  dezelfde  taal,  hij  zong  niet  dezelfde  liederen;  zijn  ver- 
leden WU8  hem  vreemd,  voor  zijn  betreurenswaardig  lot  had 
hij  geen  medelijden.  Dit  was  de  gesteldheid  en  weilerkeerige 
betrekking  der  drie  volksbestanddeelen ,  wier  eensgezindheid 
de  kracht  eens  volks  uitmaakt,  maar  wier  onderlinge  ver- 
wijdering  noodzakelijk   eene   ook  nog  zoo  sterke  kracht  ver- 


11 


lamt  Juist  de  Reformatie,  die,  overeenkomstig  haar  wezen, 
op  eene  innige  overeenstemming  van  het  gansche  volk  berust , 
en  aan  haar  bevorderlijk  is,  moest  zulk  een  afgezonderd 
leven  met  de  geheel  verschillende  belangen  der  afzonderlijke 
partijen  pijnlijk  gevoelen. 

Maar  wij  hebben  tot  dusver  nog  niet  van  het  godsdienstig 
en  kerkelijk  leven  gesproken,  dezen  anderen,  wezenlijken 
factor  in  het  bepaalde,  bijzondere  karakter  eens  volks. 

Meer  dan  vijf  eeuwen  waren  verstreken ,  sinds  de  Poolsche 
vorst  Miecyslaw,  de  vierde  in  de  door  de  sage  over- 
geleverde volgreeks  der  Piasten,  aanzoek  deed  om  de  hand 
van  Dubrawka,  de  dochter  van  Boleslaw,  Hertog  van 
Bohemen,  en  ten  gevolge  van  deze  echtverbintenis  met  eene 
ijverige  christin,  den  doop  onderging  (966).  Gewillig  volgde 
een  deel  van  het  tot  op  dat  tijdstip  heidensche  volk  zijnen 
vorst,  en  nam  de  leeringen  van  zijnen  eersten  zielverzorger , 
Jordaan,  aan,  ofschoon  het  nog  langen  tijd  duurde,  voor- 
dat de  laatste  overblijfselen  van  het  Heidendom  verdwenen 
waren.  Op  den  doop  volgde  aanstonds  de  kerkelijke  orga- 
nisatie van  het  land;  Otto  de  Groote  was  behulpzaam 
om  in  Posen  het  eerste  Poolsche  bisdom  te  stichten,  het- 
welk aan  het  aartsbisdom  van  Maagdenburg  ondergeschikt 
gemaakt  werd. 

De  Duitsch-kerkelijke  invloed,  die  zich  in  den  beginne 
had  doen  gelden,  bleef  ook  in  het  vervolg  werkzaam,  en 
wel  in  altijd  grootere  verhoudingen.  In  eene  lange,  bijkans 
ona%ebroken  opeenvolging  trok  eene  onafzienbare  schaar 
van  monniken  en  priesters,  schier  uit  alle  streken  van 
Duitschland,  oostwaarts  naar  de  Oder,  en  dieper  het  land 
in  naar  de  Weichsel.  Overal  stichtten  zij  kloosters  en  ker- 
ken, en  zulks  in  eene  zóó  groote  menigte,  dat  de  leden  der 
Russische  kerk,  met  welke  zij  in  den  tijd  der  Jagello's  het 
eerst  in  aanraking  kwamen,  de  Katholieken,  van  den  be- 
ginne aan,  de  lieden  van  „het  Duitsche  geloof"  noemden  i). 
Geloovig    onderwierp    zich    het    volk   aan   de   leeringen    der 


l)  Caro,  III,  185. 


12 


Kerk,  gowillig  Bam  het  bare  iüzettinyen  aan,  ook  die,  welke 
h'et  zich  als  zware  lasten  en  diensten  zag  opgelegd.  Het 
fichoone,  Slavische  erfdeel  eener  innige  vroomheid  was  ook 
het  eigendom  van  het  Poolsche  volk.  Het  is  niet  die  vroom- 
heid ,  welke  met  heiligen  erust  de  diepte  der  goddelijke  waar- 
heid tracht  te  peileu  en  te  doorzoeken,  en  die  door  een 
langdurig  nadenken  over  het  ééne,  dat  noodig  is,  er  toe 
geleid  wordt,  om  dit  ééne  hoog-heilige  als  een  kostbaar 
gewin  en  eeu  zalig  goed  te  omklemmen,  en  het  tegen  alle 
aanvallen  te  verdedigen.  Het  is  veeleer  de  vrome  gesdndheid, 
die  zich  vol  vertrouwen  aan  de  leiding  des  priesters  en  der 
Kerk  overgeeft,  gewillig,  zonder  veel  twijfel  en  zonder  lang- 
durig onderzoek ,  hunne  leer  aanneemt ,  op  de  voorgeschre- 
vene  wijze  in  heilige  stemming  de  eischen  der  Kerk  vervult, 
in  üod  den  almachtigen  Heer  vreest,  doch  daarbij  nauwe- 
lijks eenig  begrip  heeft  van  den  rijkdom  der  genade,  door 
Christus  tot  jonger,  en  niet  tot  dienstknecht  geroepen  te 
zijn.  De  priester  waa  in  de  oogen  des  volks  de  geestelijke 
„Heer,"  die  macht  heeft  over  den  raensch,  ja  een  soort  van 
plaats  bekleed  er  (jods,  die  dan  ook  de  onderworpenheid ,  aan 
zijnen  vertegenwoordiger  betoond,  beschouwt  alsof  zij  aan 
Hem  zelven  bewezen  was. 

Zeer  veel  van  hetgeen  over  de  vreemde  bevolking  der 
steden  van  Polen  gezegd  werd,  laat  zich  nu  ook  ten  aan- 
zien van  deze  priesters  uit  den  vreemde  herhalen,  ofschoon 
op  kerkelijk  gebied  de  verkeerde  toestanden  zich  niet  zóó 
sterk  en  in  het  oog  loopend  lieten  gelden ,  als  op  staatkun- 
digen bodem.  De  Koomsche  priester  wordt  reeds  van  zelf 
buiten  verband  met  ziju  vaderland  opgevoed.  Ongetwijfeld 
kunnen  de  indrukken  van  de  jeugd ,  of  van  het  volk ,  welks 
taal  men  eens  als  moedertaal  leerde  spreken,  nimmer  geheel 
en  al  worden  uitgewischt;  ook  onder  het  meest  uitbeemsche 
monnikskleed  handhaaft  zich  nog  het  gevoel  van  betrekking 
tot  het  moederland.  Hier  was  het  echter  anders.  Zij,  die 
in  de  Roonische  kerk  met  hare  Latijnsche  moedertaal  een 
tweede  vaderland  gevonden  hadden,  zagen  zich  hier  in  Polen 
in    eenen    toestand    van    nog  grooter  vreemdelingschap  ver- 


13 


plaatst  Green  familiebanden  maakten  het  hun  gemakkelijker, 
om  in  dezen  bodem  te  wortelen;  zij  hadden  er  geen  belang 
b^,  om  met  het  gemoed  des  volks,  met  zijn  eigenaardig 
leven,  in  zulk  eene  nauwe  aanraking  te  komen,  dat  zij  niet 
slechts  te  midden  van,  maar  ook  met  dat  volk  leefden,  ten 
einde  uit  zoodanig  geestelijk  samenleven  het  recht  en  ook 
de  macht  te  ontleenen,  om  het  geestelijk  leven  des  volks, 
wat  zijn  weten  en  kunnen  betreft,  tot  hooger  ontwikkeling 
te  voeren.  Eeuwen  gingen  voorbij,  zonder  dat  zich  eene 
eigene  letterkunde  vormde;  de  grond  tot  verklaring  hiervan 
is  in  die  dagen  zeker  óók  in  de  uitlandsche  priesters  te 
zoeken ,  die  destijds  de  dragers  der  beschaving  waren.  Hunne 
moedertaal,  het  Latijn,  verschafte  zich  den  toegang^  zoowel 
tot  de  sloten  van  den  adel,  als  tot  de  huizen  der  beschaaf- 
den ,  en  de  eerste  geestelijke  levensuiting  des  volks  weerklonk 
in  deze  taal.  De  diepe  kloof,  die  den  edelman,  in  zijne 
schier  onbeperkte  vrijheid,  gescheiden  hield  van  den  boer, 
die  aan  zijn  aardkluit  gebonden  was,  zou  zich  niet  zóóver 
geopend  hebben,  indien  eene  inheemsche  geestelijkheid,  uit 
den  schoot  des  volks  voortgekomen,  den  band  der  gemeen- 
schap tusschen  de  beide,  schier  uiteenvallende  deelen  van 
het  geheel  des  volks  zorgvuldig  beschermd  hail. 

Met  zekeren,  vasten  tred  veroverde  de  Kerk,  van  geslacht 
tot  geslacht,  eene  steeds  sterkere,  belangrijkere  stelling  in 
het  land.  In  één  bepaald  punt  was  er  geen  onderscheid 
tusschen  de  verschillende  standen,  nl.  in  de  vrome  onder- 
worpenheid aan  de  Kerk  en  haar  verwijderd  Hoofd,  den 
Stedehouder  des  Heeren  te  Rome.  Van  den  Koning  af,  tot 
op  den  geringsten  landbouwer,  werd  aan  hem  en  zijne  leerin- 
gen door  allen  eene  gelijke  gewillige  gehoorzaamheid  betoond. 
Aan  de  Kerk  en  aan  hare  aanzienlijkste  waardigheidbeklee- 
ders  waren,  in  den  loop  des  tijds,  belangrijke  voorrechten 
toegestaan.  De  Aartsbisschop  van  Gnesen,  als  Primaat  van 
het  rijk,  bekleedde  de  eerste  plaats  na  den  Koning,  en  nam, 
in  geval  van  diens  dood,  de  regeering  waar,  totdat  een 
nieuw  opperhoofd  van  den  staat  verkozen  was.  De  Bisschop- 
pen —  hierop  hebben  wij  reeds  gewezen  —  stonden  met  de 


hoogate  waardigheidbekleeders  van  den  staat  op  gelijken  trap, 
ja  hadden  in  den  Senaat  boven  hen  den  vooiTang.  Van 
oudsher  waren  de  voornaamste  bisdommen,  na  de  aartsbia- 
schoppehjke  zetels  van  Gnesen  en  Lemberg:  in  Klein-Poleo 
Krakau,  in  Groot-Polen  Posen,  in  Cujavië  en  Pommeren 
Wladislav,  in  Maaovië  Ptotzk,  in  het  Russische  gebied  Przemial 
en  Chelm ,  en  in  Podolië  Kamenetz.  De  adel  was  in  het  bezit 
van  deze  geestelijke  waardigheden;  een  langdurige  strijd  word 
echter  door  hem  gevoerd ,  om  het  uitsluitend  bezitrecht  te 
verkrijgen.  Deze  strijd  was  ala  van  zelve  ontstaan  uit  de 
aanhoudende  pogingen  van  den  adel  om  alle  macht  in  den 
staat  in  zijne  hand  te  vereenigen. 

Hoe  trouw  en  gehoorzaam  ook  het  volk  in  al  zijne  deelen 
aan  de  Koomsche  kerk  verknocht  was ,  toch  leerde  het  reeds 
vroeg,  en  naarmate  het  op  zegevierende  wijs  zijne  grenspalen 
steeds  verder  uilzetto,  ook  altijd  standvastiger,  verdraagzaam- 
heid te  oefenen  jegens  de  zoodanigeu  in  zijn  midden,  die 
niet  tot  de  Roomsche  kerk  behoorden.  In  de  betrachting  van 
dezen  christenplicht,  die  in  die  dagen  zoo  zeldzaam  beoefend 
werd ,  werd  het  volk  wezenlijk  ondersteund  door  schoone  en 
edele  trekken  van  het  Slavische  wezen,  dat  zich  niet  gemak- 
kelijk tot  een  godsdienstig  fanatisme  bewegen  laat.  Zoo  me- 
nigmaal wij  in  zijn  midden  dergelyke  uitingen  aantreffen, 
zullen  wij  ook  zonder  moeite  eenen  vreemden  invloed  kunnen 
ontdekken ,  door  welken  het  volk  zich  laat  overhalen  om 
wegen  te  kiezen,  die  het  uit  zich  zelf  waarschijnlijk  nimmer 
zou  hebben  betreden.  Allereerst  kwamen  de  Polen,  in  dit 
opzicht,  met  de  Joden  in  aanraking.  Reeds  in  de  negende 
eeuw  verlieten  niet  weinige  Joden  het  rijk  der  Chazaren . 
aan  de  beneden-Donau ,  om  zich  naar  Polen  te  begeven. 
Grootere  verhoudingen  nam ,  gedurende  de  elfde  en  de  twaalfde 
eeuw.  de  immigratie  van  uit  het  westen  aan,  alwaar  de 
Joden,  in  eene  steeds  klimmende  mate,  door  Rome  en  de 
Roomsche  kerk  verdrukt  werden.  De  toevloed  uit  Duitachland 
was  zóó  geweldig,  dat,  tot  op  den  huidigen  dag,  de  Poolsche 
Jood  in  zijn  bedorven  jargon"  de  Duitsche  taal  als  hat 
voornaamste  bestanddeel  daarvan  bewaard  heeft    Handel  en 


15 


geld  woeker  was  bij  voorkeur  hun  middel  van  bestaan.     Van 
de  zware   verdrukkingen,  die   allerwegen  door  de  Roomsche 
kerk   tegen   de  Joden  werden  aangewend,   bleven  zij  ook  in 
Polen  niet    verschoond,   maar   toch   was   de  druk  gematigd. 
Zij    waren    niet   lijfeigenen   der    Vorsten,    gelijk    elders;    zij 
stonden  slechts  onder  hunne  onmiddellijke  rechtspleging ,  en 
konden    zich   alzoo   niet,   gelijk   de   overige  immigranten  uit 
Doitschland,   beroepen    op    het   Maagdenburgsche  recht,  bij 
voorkomende  geschillen.    Inzonderheid  Kasimir  de  Groote 
trad    als   hun   beschermer  op ,   zelfs   in  tegenspraak  met  de 
scherpe   maatregelen,   die^   op   aansporing   van   de  Domini- 
kanen,    in    de   Kerkvergadering   te    Ofen    (1279)    tegen    de 
Joden   in   de   Earpathen-landen   uitgevaardigd  werden.    Niet 
de  geest  der  verdraagzaamheid  alléén  bestuurde  hem  en  een 
deel  zijner  opvolgers,   gelijk  in  het  bijzonder  Sigismund  I; 
zij    erkenden  den  handelsgeest,  die  dit  beweeglijk  volkje  be- 
zielde, hetwelk  de  schatten  des  lands  ontsloot,  en  van  welks 
opgestapelde  rijkdommen  zij  zelven  menigmaal  voordeel  trok- 
ken.   —    Nog    andere    godsdienstige   elementen  werden,    bij 
voortgezette  uitbreiding  van  de  grenzen  des  lands,  met  Polen 
vereenigd .-  de  inbezitneming  van  Podolië  had  Tsjeremissische 
Tataren  in  het  rijk  ingelijfd,   terwijl  in  het  Poolsche  gebied 
aan  de  beneden-Donau  nog  Mohammedanen  woonden ,  en  in 
Litthauen  nog  heidenen  werden  aangetroffen. 

Afgezien  van  de  betrekkelijk  weinige  Armeniërs  ^  die  ins- 
gelijks, door  de  inlijving  van  Podolië,  aan  het  Poolsche  rijk 
werden  toegevoegd,  en  wier  verhouding  tot  den  Paus  en  de 
Roomsche  kerk  nog  niet  geheel  helder  was  ^) ,  was  de  ge- 
wichtigste en  krachtigste  drangreden  tot  het  betoonen  van 
verdraagzaamheid  jegens  die  inwoners  van  het  rijk,  welke 
een  ander  geloof  beleden,  bepaaldelijk  deze,  dat,  bij  het  aan- 
vaarden der  regeering  door  de  Jagello's,  bijkans  een  derde 
deel  der  aanhangers  van  den  Griekschen  ritus  onder  de  heer- 


l)  Cr  om  er,  p.  500:  „Armeni  suis  ritibus  suaqne  lingua  in  sacris  utantar. 
Non  abhorrent  ii  tarnen»  sicut  accepimus,  a  romana  ecclesia  et  rom.  pon- 
Uftoa;  qnin  prindpatDm  ejas  in  uniTersa  Christi  ecclesia  agnoscunt." 


16 


schappij  van  den  Poolschen  Koning  als  Grootvorst  van  Lit- 
thauen  was  opgenomen.  Het  heidensche  Litthauen  was,  wel 
is  waar,  door  Jagiëllo  tot  het  cbristendom  en  de  Roomsche 
kerk  gebracht  geworden ;  maai- Litthauen  had,  door  verovering, 
eene  reeks  van  belendende  gewesten  aan  zich  onderworgen, 
bij  wier  inwoners,  reeds  siads  eeuwen,  de  verkleefdheid  aan 
de  Grieksche  kerk  zóó  diepe  wortelen  geschoten  had,  dat 
de  aan  hun  hoofd  geplaatste  vorsten  uit  het  Huis  Gedimin, 
voordat  zij  de  heerschappij  erlangden,  genoodzaakt  waren, 
tot  deze  kerk  over  te  gaan.  De  metropool  der  Grieksche 
kerk,  Kiew,  was  door  het  gebied  van  Litthauen  ingesloten; 
bij  den  doop  van  Wladislaw  Jagiëllo  zagen  de  verbaasde 
Katholieken  te  Krakau  ook  Grieksche  bisschoppen  in  nijn 
gevolg.  Door  zoodanig  gemeenschappelijk  samenwonen  leerde 
men  in  Polen  en  gewende  men  er  zich  aan,  om  de  onder- 
werping aan  de  Roomsche  kerk  niet  als  van  geheel  gelijke 
beteekenis  te  achten  met  de  gehoorzaamheid  aan  het  Chris- 
tendom: eene  belangrijke  schrede  voorwaarts  voor  dien  tijd. 
Door  de  verplaatsing  van  de  metropol  ie  van  Kiew  naar 
Moskau  was  do  door  den  Vorst  begunstigde  begeerte ,  om  de 
Grieken,  die  tot  Litthauen  behoorden,  tot  eene  eigene  lands- 
kerk  te  vereenigeu,  aanmerkelijk  nader  aan  hare  vervulling 
gekomen.  Eene  synode,  gehouden  in  het  jaar  1415,  aan  welke 
de  aartsbisschop  van  Polock ,  benevens  de  bisschoppen  van 
Czernigow,  Luck,  Wladimir,  Przeraisl,  Smolensk,  Chelm  en 
Turowsk  deelnamen,  koos,  in  navolging  van  de  Bulgaren  en 
Serviërs,  eencn  eigenen  Metropotitaan,  nl.  Gregorius  Zem- 
black,  en  wees  hem  Kiew  als  moederzetel  aan.  Met  groote 
belangstelling  en  tevens  met  vreugde  volgde  men  te  Rome 
den  loop  deüer  zaak.  Op  de  oude  vijandschap  tusschen  de 
beide  Kerken  werd  allerminst  nadruk  gelegd:  de  gebeurte- 
nissen op  het  concilie  van  Constanz  (1414 — 1418)  en  van 
Florence  (1437)  strekken  ten  bewijze,  boe  vriendelijk  men 
van  weerszijden  elkander  te  gemoet  kwam.  Ofschoon  dan 
ook  de  verkregen  einduitslag  niet  aan  de  gekoesterde  ver- 
wachtingen kon  beantwoorden,  zoo  waren  toch  reeds  deze 
pc^ngen  voor  bet  volk  van  Polen-Litthauen ,  vun  waar  uit  de 


17 


beweging  was  uitgegaan,  van  de  allergrootste  beteekenis, 
terwijl  de  nawerkingen  van  die  beweging  nog  in  de  volgende 
eeuw  te  bespeuren  zijn  in  menig  verschijnsel,  hetwelk,  zoo 
men  op  deze  gebeurtenissen  niet  behoorlijk  acht  slaat,  nood- 
zakelijk bevreemding  moet  wekken. 

Op  eene  andere  wijze  handelde  men,  ten  opzichte  van  de 
bijna  gelijktijdige  hooggaande  beweging  in  het  naburige  stam- 
verwante Bohemen.  De  geweldige  oorlogen  met  de  Hussieten 
stuwden  hunne  ontzaglijke  golven  ook  naar  Polen,  in  de  ge- 
daante van  tallooze  vluchtelingen,  die,  ter  wille  van  hun 
geloof,  den  zwaar  geschokten  en  geteisterden  vaderlandschen 
bodem  verlieten,  en  in  den  vreemde  om  herbergzaamheid 
smeekten.  De  talrijke  scharen  van  vluchtende  bannelingen, 
die  ditmaal  aan  de  zoo  gastvrije  grenzen  van  Polen  stonden 
en  den  toegang  begeerden,  verschenen  niet  als  zonen  eener 
machtige,  in  het  vaderland  rechtens  bestaande  Kerk,  maar 
als  gevaarlijke  afvalUgen  van  dezelfde  Moederkerk,  die  in 
Polen  wettig  bestond,  ja  als  vuurschooven  van  eenen  brand, 
die,  na  Bohemen  bijkans  verteerd  te  hebben,  zijne  vonken  naar 
Polen  slingerde,  en  hier  met  hetzelfde  gevaar  de  Roomsche 
kerk  bedreigde.  Tegen  deze  misdadigers  de  nadrukkelijkste 
weerstand,  de  onverbiddelijkste  vervolging,  reeds  ter  wille 
van  de  eigene  zekerheid  in  Kerk  en  Staat  De  Kerk  had^ 
met  scherpen  blik,  ook  in  Polen  het  eerst  de  grootheid  van 
het  gevaar  bespeurd.  Het  waren  voornamelijk  twee  man- 
nen, die  in  die  dagen  den  grootsten,  maar  waarlijk  niet 
eenen  zegenrijken  invloed  op  kerkelijk  en  op  staatkundig 
gebied  uitoefenden,  terwijl  zij  den  grijzenden  Koning  (Wla- 
dislaw  Jagiëllo)  bijna  geheel  in  hunne  macht  hadden: 
Zbignieuw  Olesnicki,  Bisschop  van  Krakau,  eene  onver- 
biddelijke, fanatieke  persoonlijkheid,  en  Stanislaus  Ciolek, 
Secretaris  van  de  koninklijke  kanselarij,  later  Bisschop  van 
Posen.  Het  is  een  somber  beeld,  dat  Garo  van  deze  man- 
nen ontwerpt,  niet  ongelijk,  zoo  als  hij  opmerkt,  aan  de 
gestalten,  die  aan  gene  zijde  der  Alpen,  in  Italië,  te  dier 
tijde,  in  het  refectorium  van  het  klooster  der  Augustijnen 
van   San   Spirito   te    Florence,   aan  Boccaccio  hunne  lieder- 

PILTOK.  2 


18 


Hjke  geschiedenissen  vertellen.  Op  eene  proTinciale  synode 
te  Leczyc  vereenigde  men  zich  weldra  ten  opzichte  van  de 
maatregelen,  die  men  wenschte  te  nemeo  tegen  de  Hussi- 
tische  ketterij ;  eene  daarop  volgende  vergadering  van  den 
adel  nam  een  door  Ciolek  opgesteld  wetsontwerp  aan,  voor 
hetwelk  men  zonder  veel  moeite  de  koninklijke  goedkeuring 
verkreeg. 

Het  is  eene  harde  taal,  aan  welke  men  tot  op  dat  tijd- 
stip in  Polen  nog  niet  gewoon  was,  ah  het  in  dit  bevelschrift 
aldus  luidt:  „Na  rijp  beraail  en  met  toestemming  van  onze 
Preiaten ,  Vorsten  en  Baronnen ,  besluiten  wij  en  verklaren 
daarbij,  het  voor  een  vast,  altoosdurend  en  onwankelbaar 
bevel  te  willen  houden,  dat  in  ons  koninkrijk  Polen  en  in 
alle  aan  ons  gezag  onderworpen  landen  iedere  ketter,  of  ook 
ieder,  die  maar  met  kettersche  teeringen  besmet  is,  of  van 
zoodanige  leeringen  verdacht  wonlt,  en  evenzoo  ieder,  die 
ketters  begunstigt,  door  onze  hoofdlieden  en  onze  beambten 
overal  in  het  land ,  als  schuldig  aan  de  misdaad  van  gekwetste 
majesteit ,  gegrepen  en  naar  eisch  gestraft  zal  worden.  Allen , 
die  uit  Bohemen  ons  rijk  betreden,  moeten  in  hechtenis 
genomen,  en  door  hen,  die  vanwege  den  Apostolischen 
Stoel  daartoe  geroepen  zijn,  aan  een  onderzoek  met  be- 
trekking tot  kettersche  leeringen  onderworpen  worden.  Ieder 
Pool,  wie  hij  ook  wezen  mag,  die  vóór  het  eerstvolgend 
He  mei  V  aar  tsf eest  (1424)  niet  uit  Bohemen  zal  zijn  terugge- 
keerd ,  moet  voor  een  verklaarden  ketter  gehouden ,  en  be- 
schouwd worden  als  één .  op  vrien  de  straffen  van  toepassing 
zijn,  die  voor  ketters  zijn  vastgesteld.  Al  zijn  roerend  en 
onroerend  goed  vervalt  aan  de  openbare  schatkist.  Zyne 
mannelijke  en  vrouwelijke  nakomelingen  verliezen  hun  erfrecht 
en  hunnen  rang ;  zijn  geslacht  wordt  voor  eerloos  verklaard , 
en  van  alle  voorrechten  des  adels  beroofd."  ') 

Hoe  onverbiddelijk  deze  taal,  hoe  zwaar  de  gedreigde 
straffen  tegen  de  Hussitische  ketterijen  ook  klonken,  toch 
beantwoordde   bare  uitwerking  niet  volkomen   aan   het  be- 


I)  Eai 


19 


'  oogde  doel.  De  heilige  kracht  des  Evangelie's  wekt  overal  den 
I  vrijcD  geest,  die,  waar  hij  eeumaal  ontwaakt  is,  zich  noch 
door  de  hardst*  Draconische  bevelschriften  bedwingen,  noch 
ook  zijnen  belijder  ooit  zóó  diep  zinken  laat,  dat  deze  tegen 
het  geweten  zou  handelen.  De  Hussitische  beweging  had 
de  Slavische  volksziel  in  haren  diepsten  grond  aangegrepen ; 
in  die  beweging  lag  een  element,  dat  in  den  geheelen  volks- 
stam weerklank  vond.  De  welsprekende,  ontvlammende  taal 
van  den  Bobcemscben  prediker  in  de  Bethlehemskapel  te  I'raag 
bad,  zonder  schroom,  grove  misbruiken  in  de  Roomache  kerk 
onthuld,  die  in  alle  lauden  als  een  drukkende  last  gevoeld 
werden.  Met  eene  grondige  Bijbelkennis  toegerust,  wezen 
Hds  eo  zij,  die  hein  navolgden,  op  de  bijkans  vergetene 
waarheid  des  Ëvangelie's,  een  hanengekraai,  dat  in  de  vroegte 
het  aanbreken  van  den  dag  verkondigt.  Zelf  bleef  hij  daarbij 
nog  in  vrome  trouw  aan  zijne  Roomsche  kerk  verknocht.  De 
Boheemscbe  en  Poolsche  adel  ti'achtte  hem,  als  eenen  ge- 
meenscliappelijken  volksheld,  te  Constanz  te  beschermen').  De 
vlammen  van  zijnen  brandstapel  wierpen  haren  belderen  weer- 
schgn  in  het  gemoed  der  beide  volken ,  en  wekten  allereerst 
ergernis  en  bevreemdend  verbazen  over  eene  Moederkerk ,  die 
met  zulk  eenen  zoon  op  die  wijze  kou  te  werk  gaan,  doch 
deden,  bij  den  verderen  voortgayg,  in  sommige  zielen  de 
ernstige  begeerte  ontwaken,  om  het  drijven  der  Kerk  en  de 
ciscben  van  den  martelaar  aan  de  heilige  Schrift  te  toetsen. 
Hier  en  daar  ontmoeten  wij  zwakke  of  meer  merkbare  sporen 
van  Hussitische  werkzaamheid  in  het  lanrl,  In  Litthauen 
waren  het  voornamelijk  politieke  bedoelingen ,  die  den  Groot- 
vorst Witold,  deze  reuzen-  en  heldenfiguur  van  den  Slavi- 
scben  volksgeest,  er  toe  brachten  om  de  beweging  met  een 
gunstig  oog  te  heschouwen.  Een  rechter  in  Posen  wordt  ons 
genoemd,  die  aan  voortvluchtige  Boheemsche  predikers  gast- 


))  Kriainiki,  I,  63,  ilirÉar  wy  ook  de  volgende  plaata  oit  eenen  brief 

I  na  Hm,   dien   liij   tiJdeDa   lijne  geraDgeuaohap  schreef,  Tindeu  sangehiald : 

(J'olotii  (amquam  strenues  defensores  veriCatis  dei  oppoiiornat  ge  siepius  toti 

t   ooDoüio  pro  liberatione  mea.    D.  WeDCeilaas  de  Leazaa  mlrepidus  et  zeloaus 

2* 


20 

Trijheid  in  zijn  huis  verleende ').    De  namen  van  eene  reeks 

van  hooggeplaatste  baronnen ,  met  den  machtigen  woiwoile 
Oatrorog  ^)  aan  de  spits ,  zijn  ons  bewaard  gebleven ,  die 
openlijk  de  beweging  begunstigden.  Ja,  de  lieerschzuchtige 
Sbigneus  moest  den  84jarigen  koning  Wladislaw  Jagello, 
die  door  zijne  natuurlijke  goedaardigheid  en  door  den  ouder- 
dom een  weinig  stompzinnig  geworden  was,  met  den  ban 
bedreigen,  toen  hij  Hussieten  in  Kaziraierz,  de  voorstad  van 
Krakau,  had  opgenomen,  om  gedurende  den  Paaachtijd  van 
1431  de  godsdienstoefening  niet  te  ontberen,  dewijl  de  fana- 
tieke bisschop  de  hoofdstad  met  het  inderdict  getroflfen  had. 
Gedurende  de  geheele  eeuw  kunnen  wij  de  Husaitische  be- 
weging in  Polen ,  als  een  rooden  draad ,  nu  hier,  dan  daar 
bespeuren  en  nagaan.  Zij  heeft  in  hooge  mate  er  toe  bijge- 
dragen ,  dat  men  in  breedere  kringen  het  leven  en  streven  der 
geestelijken  nauwlettend  begon  te  toetsen  en  te  vergelijken  met 
den  wandel  dier  mannen ,  welke ,  ter  wille  van  de  waarheid , 
hun   vaderland   verlaten   hadden,  en  door  eenen  gesti'engen, 


1)  Stlig,  II.  524. 

2)  Op  dra  rijksdag  van  1459  lette  <ta  liuagbcgBBfde  en  aaniiealijke  msn 
tija  gevoelen  uil«en  OTer  de  kerkelijli-poUtiBlie  TerliDudiQgeu  rnu  lijn  vader- 
iBod,  welk  gBvooleii  hij  Tarrolgcna  ia  een  bijzonder  werk,  getiteld  „Pro 
reipublioe  ordina  tione,"  opeuhaar  nieakt«,  een  geBcIirin,  vol  diep- 
ingrijpeode  gedacliten  over  de  verliouding  vnn  Kerk  eu  Staat.  Wel  19  het  eene 
opzien -barende  tanl ,  wanneer  een  man  rau  zijne  poaitie  en  fan  Eijnen  invloed  in 
het  land,  en  di,t  omstreeka  het  midden  der  15c  eeuw ,  boneringen  doet  hooren 
ala  deze:  Polen  is  eea  katholiek  land.  maar  het  verleent  aan  den  Paus  geono 
onbeperkte  gehoorzaamheid;  lijn  Eunlng  ia  aan  aiemaod  onderworpen,  en 
heeft  alleen  Qod  boven  zich.  Het  voegt  ons  niet,  om  aac  den  Paus  dec- 
moedige  en  onderdanige  Eendbrieven  te  riohten;  de  Koning  ia  geen  onderdaan 
TBn  Boine.  Deemoedigheid  ia  in  eieh  zelve  niet  verkeerd,  maar  als  zij  over- 
dreven en  aan  iemand  betoond  wordt ,  wiena  macht  sleohta  op  geestelijke 
dingen  betrekking  heeft,  dan  wordt  zij  beriapelijk.  Christus  heelt  de  wereld- 
lijke dingea  niet  sau  den  ApoatoUachen  Stoet  ODderworpeii ;  volgena  lijne 
eigene  verklaring  is  zijn  rijk  niet  van  deze  wereld.  Da  priesters  behoomi 
dezelfde  openbare  Isatea  te  dragen ,  ala  alle  overige  burgvm.  De  Koning  heefl 
de  Btaatchurgerlljke  ambleu  Ie  vordeeleii.  de  geestelijkheid  alleen  over  het  heil 
der  zielen  te  waken.  Het  ia  betre Urensnaardi g ,  dal  de  aanmatiging  der 
Italianen,  door  menigvuldige  afpersingen,  aich  ten  koste  vau  Polen  tracht  te 
verrijken.  Sm.    (TergeL  de  breedvoerige  uiteenzetting  bij  Kiaainski,  I,  91.) 


31 


zeddijken    levenswandel    het    voetspoor    vun    hunnen    Heer 
wenschten  te  volgen. 


Slechts  in  vluchtige  trekken  hebben  wij  de  teekenen  aan* 
geduid  y  die  van  lieverlede  —  gelijk  tegen  de  nadering  van 
de  maand  Mei  in  het  hooge  Noorden  het  morgenrood  iuin 
den  hemel  verschijnt»  —  ook  voor  Polen  het  aanbreken  van 
eenen  nieuwen  dag  in  het  godsdienstig  leven  der  Ghristolijke 
volken  aankondigden.  Slechts  afzonderlijke  uitingen  van  tijd- 
genooten  dringen,  als  profetische  stemmen,  uit  het  verledono  tot 
ons  door.  Dit  is  niet  onverklaarbaar.  Het  volk  in  de  lagere 
standen ,  niet  bij  machte  om  zich  uit  zijne  onwetendheid  en 
slaafsche  afhankelijkheid  op  te  heffen,  sleet  stilzwijgend  zy'no 
levensdagen,  terwijl  het  ternauwernood  in  het  volkslied  den 
ademtocht  van  een  geestelijk  leven  verried;  in  do  hoogere 
standen  treden  slechts  aanvankelijk  de  eerste,  bedeesde  po- 
gingen eener  zelfstandige,  vaderlandsche  literatuur  aan  het 
licht  Zij,  die  in  de  vreemde,  Latijnsche  taal  de  pen  voer- 
den, waren  meestal  oprecht-verknochte  dienaren  hunner  Kerk, 
en  schreven  dienvolgens  onder  haar  oog,  terwijl  zij  daarby 
door  haren  geest  waren  bezield.  Ingeval  dan  tóch  ongunstige 
getuigenissen  betreffende  het  zwaar  verval ,  uit  den  mond  van 
diegenen  ruchtbaar  werden ,  die  zich  van  de  ontaarde  Moeder- 
kerk gescheiden  hadden,  dan  was  de  terugwerkende  beweging, 
die  zich  in  de  volgende  eeuwen  vertoonde,  met  bijzondere 
behendigheid  onvermoeid  bezig,  om  dien  onwelkomen  klank 
te  onderdrukken.  Slechts  hier  en  daar  is  zulk  een  ongunstig 
bericht,  ter  goeder  uur  als  in  het  stof  eener  afgelegene  boe- 
kerij begraven,  aan  de  naspeuring  der  Jezuïeten  ontgaan, 
en  treedt  nu  eerst,  in  een  gansch  anderen,  gunstigeren  tijd, 
uit  den  schuilhoek,  in  welken  het  eeuwen  achtereen  verborgen 
was,  aan  het  heldere  daglicht  Hoe  schraal  en  onvolledig 
deze  tot  dusver  openbaar  gemaakte  berichten  ook  zijn,  zoo 
leggen  zij  dan  toch  reeds  getuigenis  af,  dat  de  zestiende 
eeuw,  bij  hare  verschijning,  ook  in  Polen  de  nalatenschap  der 
3fiddeleeuwen,  die  allerwegen  lag  opgehoopt,  in  overvloedige 


mate  aaBwezig  vond,  nl.  de  tlringende  behoefte,  ja  de  nood- 
zakelijkheid van  eene  reformatie  der  Kerk  in  hoofd  en  leden. 
Ongetwijfeld  stelde  Polen,  in  zijne  boven  aangeduide,  eigen- 
a.'irdige  verhoudingen,  aan  de  tenuitvoerbrenging  vun  zulk 
eene  reformatie  bijzondere  en  ook  verzwarende  eischeu;  het 
zonde  echter  onjuist  zijn,  indien  men  deze  laatsten  als  onover- 
komelijke bezwaren  beschouwde.  Want  wie  kan  den  Geest 
Gods  verbieden  zijnen  adem  te  doen  ruischen,  waar  Iiij  wil; 
wie  is  in  staat,  om  hem  eene  grens  zijner  werkzaamheid 
voor  te  schrijven  V 

In  alle  landen  der  Reformatie  zien  wij,  dat  het  rijk- 
begenadigde  mannen  geweest  zijn,  die  de  Heer  der  Gemeente 
geroepen  had,  om  de  haar  toebedeelde  erfenis  te  aanvaarden. 
Als  zegevierende  legerhoofden  hebben  zij  de  scharen  der 
getoovigen  in  het  heiligdom  van  het  Woord  Gods  ingevoerd, 
en  hun  daarbinnen,  als  het  kostbaarste  kleinood  der  Be- 
formatie  ,  deze  waarheid  getoond ,  dat  het  waarachtige  heil 
alléén  te  vinden  is  in  de  genade  Gods  door  Jezus  Christus. 
Heeft  aan  Polen  deze  man  ontbroken?  Is  onder  Kijne  man- 
haftige zonen  geen  enkele  held  opgetreden,  die  bereid  was, 
om  op  de  roepstem  des  Heeren  te  antwoorden:  „/ie,  hier 
ben  ik,  zend  mijl"? 


2. 


Afkomst  en  Jeugd. 


Bij  Petrikau  verlaten  wij  den  ijzeren  spoorweg,  die  heden 
ten    dage   de   oude  hoofdstad   van  Masovië,  Warschau,  met 
Weenen  verbindt    Met  geweld  wederstaan  wij  de  verleiding, 
om  de  aan   historische   herinneringen   zoo  rijke  stad  te  be- 
zoeken,  binnen   wier   muren   meer  dan  ééne  boeiende  blad- 
zijde aan  het  geschiedboek  van  Polen  werd  toegevoegd ;  want 
hier  hebben,  in  den  zegenrijken  tijd  der  Jagelio's,  de  meeste 
rijksdagen  hunne  vaak  zo(»  stormachtige,  voor  geheel  Europa 
gewichtige  zittingen  gehouden.     Een  ander  voornemen  noopt 
ons,   om   ons  dieper  landwaarts-in  te  begeven.     Wij  nemen 
plaats  in  het  opene  voertuig,  dat  aan  het  station  gereed  staat, 
en   zetten   met  het  vlugge  driespan  onverwijld  de  reis  voort 
naar  het  stadje  Lask,  van  hetwelk  wij  ongeveer  zes  mijlen 
verwijderd  zijn.     De  tocht  gaat,  als  in  vliegende  vaart,  door 
een  echt  Poolsch  landschap.  De  uitgestrekte  vlakte,  eeniger- 
mate  golvende,  is  een  goed  bebouwd,  vruchtbaar  gebied; 
hier  en  daar,   aan   den   zoonf   van  den   horizont,    vertoont 
zich  nog  een  doorzichtig  houtgewas ,  maar  dat  telkens  verder 
Toor  de  ploegschaar  terugwijkt,  door  welke  de  kolonist  eene 
rijkere  opbrengst  aan  den  bodem  hoopt  te  ontwoekeren.    Men 
ontmoet   slechts   weinige   bewoners,   en  slechts  zelden  voert 
de  weg  door  een  dorp.   Ongestoord  kunnen  alzoo  de  gedachten 
haren  loop  vervolgen;  zij  ijlen  bij  dezen  rit  een  paar  eeuwen 
terug,   en  trachten  de  vervlogene  dagen  voor  een  oogenblik 
binnen  de  vóór  ons  liggende  lijst  te  bannen.     Destijds  had 
de  landstreek,  die  nu  in  de  stralen  der  Julizon  zoo  vrien- 


34 


delijk  ODS  aanlacht,  en  door  vlijtige  haoden  behoorlijk  be- 
arbeid is,  dan  toch  een  ander  itarizien.  lu  dien  tijd  had  het 
woud  nog  de  overhand,  en  wel  in  nog  bijkans  ongerepte, 
oorspronkelijke  wildheid,  slechts  ternauwernood  toegankelijk 
Yoor  den  koenen  jager,  die  echter  nijnen  moed  in  die  donkere 
bosschen  wél  beloond  zag,  wanneer  het  hem  gelukken  raouht, 
om  menig  kostbaar,  nu  reeds  lang  verdwenen  wild  te  be- 
machtigen. In  de  talrijke  woudmoeraBscn  legerde  in  groote 
menigte  het  wilde  zwijn;  langs  den  zoom  der  heide  trok 
de  beer,  en  laafde  zich  aan  den  wilden  honig,  die  in  ver- 
leidelijke hoeveelheid  uit  de  boomstammen  droop.  Op  het 
schrale ,  xeer  ruw  bewerkte  akkerland  trof  men  hier  en  daar 
oene  nederzetting  aan,  ecne  verzameling  van  armzalige  hut- 
ten, nauwelijks  iets  meer  dan  holen  in  de  aarde,  uit  leem 
opgetrokken  en  met  stroo  gedekt,  in  welke  de  Kmeet,  onder 
zware  lasten  en  vrooudiensten  gebukt,  zijn  vreugdeloos  .  kom- 
merltjk  leven  doorbracht,  met  vrees  vervuld  en  iu  slaafsche 
onderwerping  aan  zijnen  heer,  in  wiens  oog  hij  vaak  minder 
waarde  had,  dan  de  kostbare  bever,  wiens  woning  hij  zorg- 
vuldig had  te  beschermen,  of  de  valk,  die  zoo  begeerlijk  was 
voor  de  jacht. 

Dat  zijn  voor  ons,  kinderen  der  negentiende  eeuw,  recht 
sombere  beelden,  bij  welke  de  blik  niet  gaarne  verwijlt.  Üe 
wakkere  paarden  hebben  ons  ook  reeds  het  doel  van  oman 
tocht  nahij  gebracht.  Een  weinig  vóór  Lask  heeft  de  bodem 
eenige  overeenkomst  met  eene  dninstreek,  evenwel  zonder 
het  verkwikkend  uitzicht  op  de  zee:  zandheuvels,  sleL'hts  met 
eenen  geringen  plantengroei  bedekt,  strekken  tot  ver  in  het 
bebouwde  land  zich  uit.  Nu  rijden  wij  het  vlek  in,  welks 
onaanzienlijk  voorkomen  ons  doet  vragen,  met  welk  recht 
het  den  naam  van  atad  draagt.  De  gewone  reiziger  vindt 
hier  niets,  dat  hem  kan  boeien.  Een  dergelijk  paar  breede 
straten,  als  men  ook  wel  elders  in  Polen  aantreft,  of  eigenlijk 
slechts  de  heirbaan,  die  te  dezer  plaatse  met  kleine,  een- 
voudige huisjes  aan  beide  zijden  omzoomd  is,  en  die  op  twee 
plaatsen  een  groot,  ruim  plein  vormt.  Het  eene  plein  is  de 
markt,    van    genoegzamen    omvang,    om  op  bepaalde  dagen 


25 


als  het  ware  eene  tweede  bevolkiDg  van  het  stadje  te  bevat- 
ten ,  die  aldaar  van  heinde  en  ver  van  het  platteland  samen- 
vloeit, ten  einde  te  koopen  en  te  verkoopen  hetgeen  het 
eenvoudig  levensonderhoud  vereischt;  in  den  tusschentijd 
echter  eene  eenzame,  eentonige  vlakte,  onbeschrijfelijk  morsig 
in  den  regentijd ,  en  evenzoo  onbeschrijfelijk  stoffig  in  de  heete 
zomerdagen.  Het  langwijlige  plein  heeft  ons ,  die  gaarne  aan 
oude ,  historische  herinneringen  het  oor  leenen ,  niets  te  zeg- 
gen; des  te  meer  daarentegen  het  andere. 

Dit  laatste  is  het  kerkplein.  In  het  midden  daarvan  verheft 
zich  het  oude,  erg  verweerde  gebouw,  dat,  tusschen  al  de 
Tervelooze  huisjes  van  den  tegenwoordigen  dag,  ons  doet 
denken  aan  een  eerwaardig  voorvader,  tot  wien  elk,  die  de 
vervlogene  dagen  liefheeft,  zich  gaarne  begeeft  Men  kan 
daar  dan  ook  luisteren!  Het  houten  traliewerk  aan  de  zijde 
van  het  plein  is,  wel  is  waar,  rot  en  op  menige  plek  be- 
schadigd ,  maar  aan  zoodanige  verwaarloozing  geraakt  in  het 
hedendaagsche  Polen  de  blik  spoedig  gewoon.  Uit  het  wilde 
grasveld  binnen  de  omtuining  verrijzen  een  paar  schoone, 
overoude  boomen,  die  de  kerk  als  tot  beschutting  omgeven. 
Het  wel  eenigszins  plompe,  ofschoon  niet  in  alle  deelen 
onfraaie  gebouw  vertoont  de  duidelijke  kenteekenen,  dat  het 
betere  tijden  beleefd  heeft  ^  dan  zijne  tegenwoordige  om- 
geTing;  ja,  het  oude  wapen,  dat  in  den  muur  onder  het 
teeken  van  den  mijter  is  ingevoegd,  verraadt  aan  den  kundige, 
welke  hooge  eer  en  belangrijke  rechten  eens  aan  deze  kerk 
verleend  werden.  Het  wapen  verwijst  naar  een  oud,  hoog- 
aanzienlijk baronnengeslacht,  aan  hetwelk  de  kerk  waarschijn- 
lijk haren  ooi*sprong  en  zoodanige  onlerscheiding  te  danken 
heeft.  Het  is  het  wapen  Korab,  waarop  een  midcleleeuwsch 
schip  met  hoog-gebouwden  achtersteven  is  afgebeeld ,  dat  als 
lading  een  soort  van  wachttoren  draagt,  van  welks  top  men 
een  ruim  en  vrij  uitzicht  heeft  over  land  en  zee.  Weldra 
hebben  wij  den  Poolschen  priester  gevonden,  aan  wien  de 
dienst  hier  is  toevertrouwd,  en  hem  overgehaald,  om  zijne 
kerk  aan  den  vreemdeling  te  toonen:  hij  verheugt  zich,  dat 
hij ,  in  zijn  door  de  wereld  vergeten  oord  ^  eenen  reiziger  als 


26 


gids  mag  dienen,  die,  evenals  hij  zelf,  behagen  vindt  in  de 
oude  schatten,  die  hij  in  zijn  heiligdom  mag  bewaken.  De 
gang  derwaarts  wordt  wèl  beloond.  Bij  de  armoede  der 
inwoners  steekt  do  rijkdom  binnen  deze  muren  zonderbaar 
af;  men  waant  zicb  verplaatst  in  eene  beroemde  kerk  van 
Italië.  Hier  de  rijke  altaarvaten,  uit  zilver  en  goud  op 
kunstige  wijze  vervaardigd;  ginds  zelfs  een  schoon  schilder- 
stuk, en  de  priester  toont  zich  daarenboven  bereid,  om  de 
beweegbare  lijst  om  to  draaien,  en  het  grootste  heiligdom 
der  kerk,  dat  daarachter  verborgen  is,  te  laten  zien.  Het 
is  een  voortreffelijk  uitgevoerd  marmeren  reliëf,  eeuwen  ach- 
tereen een  hooggevierd  wonderdadig  beeld ,  naar  welks  heilige 
bewaarplaats  duizenden  en  nogmaals  duizenden  van  pelgrims, 
tot  zelfs  van  over  de  grenzen ,  ver  uit  Duitschland ,  in  groote 
scharen  ter  bedevaart  opgingen ,  die  van  de  vele  pauselijke 
decreten,  welke  bet  heiligdom  als  een  stralenkrans  omgaven, 
een  vermeend  nut  voor  hun  zielenheil  verwachtten ,  of  zelfs , 
in  vromen  waan,  van  de  wonderdadige  „Lieve  Vrouw  te 
Lask",  die  daar  zoo  vriendelijk  op  do  menigte  nederziet, 
genezing  van  velerlei  krankbedeu  begeerden, 

De  priester  vond  het  blijkbaar  reeds  eeu  weinig  vreemd, 
dat  de  onbekende  zonder  kniebuiging  al  ilie  heiligdommen 
voorbijwandelde,  en  telkens  slechts  vroeg  naar  den  ouden, 
beroemden  Primaat,  die  eens  het  wonderdadige  kunstgewrocht 
uit  Rome  van  eenen  Paus  ten  geschenke  ontvangen ,  en  de 
kerk  zijner  geboorteplaats  daarmede  zooveel  glans  en  rijkdom 
verschaft  had.  Maar  nog  onderdrukte  de  eigene  historische 
belangstelling  van  den  priester  alle  bedenkingen,  die  bij  hem 
tegen  den  ketter  oprezen.  Onder  een  levendig  gesprek  gingen 
wij  naar  boven,  naar  de  oude  archief  kamer,  eene  stoffige 
rommelkamer,  geheel  doortrokken  van  dikke  wierookwalmen, 
die  sinds  tientallen  en  honderdtallen  van  jaren,  zich  uit  de 
kerk  in  deze  bedompte  ruimte  hadden  afgezonderd.  De  vloer 
was  met  ijzeren  koffers  en  houten  kisten  bedekt,  „huisraad 
der  voorvaderen",  voor  den  onderzoeker  onopgedolven  schat- 
ten, die  met  hunne  pauselijke  zegels  er  zeer  verleidelijk 
uitzagen.     Een  paar  vluchtig  ingeziene  oude  rollen  behelsdeu 


27 

ODbeduidende  pauselijke  volmachten  aan  de  beroemde  kerk. 
De  vraag  naar  documenten  van  den  neef  van  den  Primaat 
bleef  onbeantwoord;  de  priester  wist  niets  van  hem.  Nu 
moest  er  meer  aangaande  hem  medegedeeld  worden :  dat  hij 
bisschop  geweest  en  vervolgens  protestant  geworden  was,  en 
dat  hij,  na  in  het  buitenland  tot  hoog  aanzien  gekomen  te 
zijn,  zich  in  het  oude  vaderland  bijkans  tot  Reformator  van 
Polen  verheven  had.  Dat  was  te  veel  voor  den  getrouwen 
zoon  zijner  kerk.  Het  éénige,  waartoe  hij  nog  te  bewegen 
was,  was  de  belofte,  dat  hij  zelf  naar  levensteekenen  van 
den  afvallige  zoeken  zou.  Sedert  zijn  reeds  jaren  verstreken, 
doch,  in  weerwil  van  gedane  navraag,  is  de  belofte  niet 
nagekomen.  Wij  kunnen  het  overigens  in  het  midden  laten ,  of 
in  de  oude  documenten,  die  aldaar  sinds  eeuwen  zoo  kakel- 
bont in  het  stof  begraven  liggen,  een  of  ander  noemenswaardig 
bericht  aangaande  onzen  held  kan  gevonden  worden. 

Wij  hadden  ons  voorgenomen,  om  te  Lask  nog  eene  andere 
plek  te  bezoeken,  ten  einde,  zoo  mogelijk,  oude  sporen  van 
onzen  held  te  ontdekken. 

Niet  zonder  moeite  werd  tot  dat  einde  een  Joodsch  in- 
woner, hoedanige  er,  gelijk  van  zelf  spreekt,  in  het  Poolsche 
landstadje  zeer  velen  zijn ,  opgespoord ,  die  zich  nog  uit  zijne 
lang-vervlogene  jeugd  de  puinboopen  van  een  oud  slot  in  de 
nabgheid  herinnerde.  Buiten  het  stadje ,  niet  verre  daarvan 
verwijderd,  hebben  wij  met  zijne  hulp  de  bedoelde  plaats 
gevonden.  Door  akkerland  omringd,  vertoont  zich  in  eenen 
schralen,  verwilderden  ooft-  en  moestuin  eene  zeer  oude  rij 
boomen,  naar  allen  schijn  het  overblijfsel  van  eene  voor- 
malige laan  in  een  grootsch  aangelegd  park.  De  oorspron- 
kelijke weg  is  door  kreupelhout  en  in  het  wild  gegroeid  gras 
geheel  overdekt.  Een  nederig  huisje  strekt  tot  woning  voor 
den  tuinman.  Niet  verre  van  daar  staat  een  oud  muurwerk, 
dat  tegenwoordig  dienst  doet  als  gemakkelijke  en  stevige 
nigsteun  eener  voorraadschuur  voor  aardappelen  en  veld- 
vruchten  gedurende  den  winter.  Het  muurwerk,  13  ellen 
lang,  4  ellen  hoog,  is  uit  groote  steenen  opgetrokken, 
een  onderbouw ,  die  mogelijk  eertijds  een  aanzienlijk  gebouw 


i 


gedragen  heeft,  docli  die  heden  ten  dage  nog  slechts  het 
eenige,  treurige  overlilijfsel  is  van  deu  voorvaderlijken  burcht 
van  bet  eenmaal  zoo  hooggeëerde  Poolsehe  baronnengeslacht 
der  Laski's.  Maar  niemand  in  het  stadje  wist  overigens  iets 
aangaande  de  familie;  de  naam  zelfs  zou  verdwenen  en  ver- 
geten zijn,  indien  het  oord  zelf  dien  niet  bewaarde.  Het  is 
eene  pijnlijke  gewaarwording!  Trachten  wij  haar  te  verdrin- 
gen door  het  bericht  aangaande  een  beroemd  lid  der  familie, 
gelijk  dat  bericht  door  ons  uit  ver  van  elkander  verwijderde, 
vaak  uiterst  karig  vloeiende  bronnen  werd  samengesteld. 


Verre  terug,  op  zulk  eenen  afstand,  dat  alle  voorwerpen  in 
den  blauwen  nevel  van  het  verschiet  ïneenvloeien ,  verplaatst 
de  sage  den  oorsprong  van  het  geslacht  Laski.  Wij  lieten  ons 
een  oogenblik  door  haar  leiden;  maar  zoo  vaak  wij  eene  aan- 
duiding hebben  nagegaan,  inzonderheid  waar  zij  met  de  grootste 
verzekerdheid  Engeland  als  de  bakermat  van  het  geslacht 
aanwees,  altijd  kwamen  wij  na  eene  wijle  ontgoocheld  terug. 
Hetgeen  de  ongeloofwaardige  Damalewicz  '),  in  den  droog- 
sfen,  kroniekachtigen  stijl  mededeelt,  mist  allen  historischen 
steun.  Deze  katholieke  berichtgever  uit  de  zeventiende  eeuw 
laat  —  echter  zonder  eenige  opgave  van  bronnen  ^den  stam- 
vader des  huizes,  eenen  Indelbertus  Laski,  met  Willem 
den  Veroveraar  uit  Normandië  naar  de  Angelsaksische  kust 
oversteken,  en  hem,  ala  loon  voor  zijne  onversaagde  dapper- 
heid in  den  slag  bij  Hastings  (in  den  jare  1066),  met  het 
kasteel  l'ounfret  en  met  het  gebied  van  Blackbumshire  be 
giftigd  worden.  Zijnen  kleinzoon  Hendrik  maakt  de  fabel- 
achtige bron  tot  stichter  van  de  abdij  Christal.  Een  latere 
nakomeling  —  zóó  gaat  hetzelfde  praatzieke  bericht  al  keu- 
velend  voort,  —  Albort   Laski,   Baron   van    Haulton    en 


1)  Het  nog  ongodrnkte  bericht  is  Ie  viodon  in  de  TeMunolinK  nn  hmd- 
«chriften  dpr  KoirerlijbB  bibliotheeli  te  Poteraburg  (Q.  I.  ar.  47):  8t<iph«n 
DftDialewici.  Histori»  imRgiaia  B.  T.  M.  minwoloiBB  iu  oppido  Luko  in 
PolKtinktu  Sindieiui  'ia  Falaaia.  1663. 


i 

J 


29 


Gonnetable  Tan  Chester,  moest  Engeland  verlaten,  omdat 
hij  koning  Jan  betichtte  van  den  gepleegden  moord  op  zijne 
koninklijken  neef.  De  vluchteling  begaf  zich  naar  Polen, 
alwaar  hij  door  den  moedigen,  ondemeemzieken  Boleslaw 
Krzynousty  met  open  armen  ontvangen  werd.  ^).  Als  een 
waardige  nazaat  van  zijnen  stamvader  in  Engeland,  zal  de 
nieuw  aangekomene  zich  zoozeer  door  dapperheid  onderschei- 
den hebben,  dat  hij  in  zijn  nieuwe  vaderland  met  rijke  goe- 
deren beleend  werd.  Reeds  zijn  kleinzoon  Robert  wordt 
lot  Burggraaf  („Kastelein")  van  Sieradz  gestempeld,  één  van 
de  hoogste  posten  des  lands,  welke  aan  ieder,  die  hem  op 
zijne  beurt  bekleedde,  tot  taak  stelde  om  de  rechten  van 
den  Vorst  in  het  betrokken  gebied  uit  te  oefenen.  Hier  in 
Polen  —  zóó  zegt  Damalewicz  —  werd  dan  ook  het  overoude 
wapenbeeld  veranderd.  Uit  haar  vaderland  Normandië  had 
de  familie  het  heraldieke  teeken  van  eenen  Leeuw  met  zich 
naar  Engeland  gebracht;  deze  maakte,  van  nu  af  aan,  plaats 
voor  het  „Schip",  waarmede  de  uit  Engeland  vluchtende 
stamvader,  als  door  een  gelukkig  gesternte  geleid,  naar 
Polen's  gastvrije  kusten  gestevend  was. 

Deze  nevelgestalten  van  fabelachtige  voorvaderen  verdwij- 
nen bij  het  heldere  daglicht  van  echte  en  geloofwaardige 
oorkonden.  In  deze  treedt  —  naar  mijn  weten  als  de  eerste 
van  het  geslacht  —  Jo hannes  op,  wegens  zijne  lichaams- 
gestalte „de  kleine"  genoemd.  Bisschop  van  Erakau,  die  in 
1392,  na  vele  bezoekingen,  die  hij  geduldig  verdragen  had, 
uit  het  leven  scheidde.  ^)  Deze  bisschop  wordt  als  een  geleerd 
heer  geroemd;  behalve  dat  hij  eene  uitgebreide  theologische 


1)  Het  is  nauwelijks  de  moeite  waard ,  om  de  ongerijmdheid  van  het  Peters- 
Vurgfche  handschrift  in  bijzonderheden  aan  te  toonen.  Een  yluchti/y;e  blik 
op  de  daarin  voorkomende  historische  namen  doet  zien,  hoe  jammerlijk  de 
zaken  dooreengehaspeld  zijn.  Bij  koning  Jan  is  slechts  aan  den  trouweloozen, 
ipruwzamen  „Jan  zonder  land"  te  denken,  die  omstreeks  1213  zijnen  ongeluk- 
kigen  neef  Arthur  zal  hebben  omgebracht.  Boleslaw  Krzynousty  daarentegen 
■tierf  reeda  in  1139;  en  nu  verhaalt  het  handschrift  zelfs,  dat  Bobert  Laski 
reeds  in  1081  Palatijn  van  Siradifi,  en  zijn  zoon  Bobert  in  1H3  Bisschop 
▼an  Krakau  geweest  is. 

2)  Pomniki,  III,  264,  371. 


30 


kennis  bezat,  onderscheidde  hij  zich  ook  als  een  vermaard, 
en  door  zijnen  koning,  Lodewijk,  hooggeschat  geneesheer. 
Tevens  mocht  zijn  bisdom  zich  op  vele  voordeelen  van  zijne 
zijde  beroemen.  Zijn  hro^er  Albert  overleefde  hem  gedu- 
rende ongeveer  het  vierde  deel  eener  eeuw.  Hij  was  erfheer 
van  Laak  en  Krowicz,  en  van  1391  tot  aan  zijnen  dood, 
1417 ,  Burggraaf  van  Lec^yc  (Ladensis), ')  Hij  stierf  in  zijnen 
sterken  burcht  Smarszew;  zijn  zoon  heeft  hem  in  het  familie- 
graf, bij  de  Minorieten  te  Kalisch,  ter  aarde  besteld.  Hij  vras 
gehuwd  met  Kathariua,  de  adellijke  dochter  van  den  Banier- 
drager  van  Sieradz;  op  zijnen  zoon  Johannes  (139.3- — ^1451) 
ging  de  hooge  waardigheid  van  den  schoonvader  over.  Als 
zoodanig  zag  Johannes  Laski  zich  verplicht,  om  in  den  slag 
de  banier  van  dit  palatinaat  te  dragen,  een  hoogst  gevaarlijke 
eerepost,  dien  de  moedige  man,  in  de  onrustige  dagen  van 
Wladislaw  III  en  van  Kasimir,  waarschijnlijk  menigmaal  heeft 
waargenomen.  Onder  zijn  bestuur  werd  het  dorp,  dat  bij  het 
familieslot  Lask  gelegen  was,  tot  eeiie  stad  verheven  (1422). 
Na  den  dood  zijner  vrouw  Anna  (144^)  ondernam  de  strijd- 
bare vrome  held,  die  reeds  een  goede  vijftiger  was,  eene 
bedevaart  naar  het  heilige  graf.  Als  „miles  Jerosolimitanus" 
keerde  hij  van  d^ir  weder;  op  de  terugreis  werd  hij  te  Nico- 
medië  ziek,  en  verloor  het  gezicht.  BÜnd  werd  hij  nog  naar 
Lask  gevoerd,  alwaar  hij  spoedig  daarop  stierf;  zijne  vier 
zonen,  Andreas,  Johannes,  Matthias  en  Peregrinus, 
hebben  hunnen  vader  in  de  kerk  te  Lask  begraven  (1451). 
Nog  Vüoi-dat  de  vader  zijnen  pelgrimstocht  had  aanvaard, 
had  hij  zijnen  zoon  Andreas  met  Barbara,  uit  het  adel- 
lijke geslacht  Rembieszow  (Randyeszow),  in  den  echt  zien 
treden.  Behalve  een  paar  dochters ,  van  welke  echter  slechts 
flauwe  sporen ,  nauwelijks  meer  dan  gissingen ,  tot  ons  geko- 
men zijn ,  ontsproten  uit  dit  huwelijk  vier  zonen.  De  oudste, 
naar  zijnen  vader  Andreas  geheeten,  was  Custos  van  Guesen, 


1)  Ik  Tolg  liierbü  de  iii  hsndsolirift  i66r  mij  llggendo  „Oeneslogis  farailiae 
Lukï  de  atemniBte  Eorab,  oHuudae  ei  oppido  Lask  ïd  ontiqua  Palatmatu 
Siradienii  silo,  titulo  Comitum  in  eodem  Liuk  coudecoratite  couquiaita  et 
ntncU  el  aotia  terreitribu*  et  cutrenaibua."  Verg.  ook  Hecbari,  VI,  207. 


31 


Erakau  en  Cujavië,  en  bezat  een  kanonikaat  in  Posen.  Toen 
\üj  in  1512  stierf,  werd  hij  door  zijnen  broeder  in  de 
kathedrale  kerk  te  Gnesen  begraven.  Deze  zijn  broeder, 
Johannes,  in  1456  op  het  stamgoed  te  Lask  geboren, 
Torkre^  de  hoogste  geestelijke  waardigheid  in  Polen,  en 
stierf  als  Aartsbisschop  van  Gnesen,  in  het  jaar  1531.  Wij 
sollen  in  het  vervolg  dikwijls  op  hem  moeten  terugkomen. 
Van  den  jongsten  broeder,  Michaël,  die  vroeg  schijnt  ge- 
storven te  zijn,  valt  niets  te  vermelden.  Zijn  oudere  broeder, 
Jaroslaw,  de  vader  van  onzen  held,  treedt  bij  onze  beschou- 
wing op  den  voorgrond.  Hij  was  erfheer  van  Lask.  Van 
1492  tot  1506  ontmoeten  wij  hem  als  Tribuun  van  Sieradz,  in 
welke  betrekking  zijn  jongere  broeder  hem  opvolgde,  toen  hij 
zelf  Palatijn  van  Leczyc  geworden  was.  Elf  jaren  later  is  hij 
Palatijn  van  Sieradz,  in  welke  waardigheid  hij  in  1523  stierf. 
Als  Palatijn  of  Woiwode  was  hij  aanvoerder  van  de  troepen  van 
zijn  district  in  den  oorlog;  in  tijden  van  vrede  riep  hij  den  pro- 
vincialen raad  van  den  adel  bijeen,  in  welke  vergaderingen 
hij  den  voorzittersstoel  innam  en  rechtsprak.  Hij  moest  den 
prijs  der  koopwaren  bepalen,  en  had  het  toezicht  te  houden 
op  maat  en  gewicht ;  de  Joden  van  het  district  stonden  onder 
zijne  bescherming.  1 )  —  Onze  Woiwode,  die  hoog  in  aanzien 
stond  (die  van  Sieradz  nam,  in  de  rangorde  der  31  Palatijns 
van  het  land,  in  den  Senaat  de  zevende  plaats  in),  was, 
sinds  het  jaar  1493,  gehuwd  met  Suzanna  van  BakowaGora, 
uit  de  familie  Nowina  of  Ptomicnczyk.  ^)  De  beide  echtge- 
nooten  bevonden  zich  meestal  op  den  vaderlijken  burcht  te 
Lask,  alwaar  ook  vermoedelijk  de  meesten  hunner  kinderen 
geboren  zijn.  Drie  zoons  en  vier  dochters  kwamen  uit  dezen 
echt  voort  De  sporen  der  dochters  zijn  bijkans  verbleekt; 
aan  den  levensavond  van  onzen  Johannes  zien  wij  eenige 
neven  hunnen  teruggekeerden  oom  begroeten.  Over  den  mid- 
delsten der  drie  zonen  handelt  onze  geschiedenis. 


1)  Cromer,  S.  507. 

2)  Aeto  Cftp.  Gnesn.  I,  49. 


Johanaes  a  Lasco  aanschouwde  het  levenslicht  op  den 
burcht  zijner  vaderen,  waarschijnlijk  om'itreelts  het  jaar  1491).  i) 
Hier,  in  het  schoon-gelegen  slot,  bracht  de  knaap,  in  ver- 
eeniging  met  zijne  ouders,  eu  in  den  omgang  met  zijne  broe- 
dera eo  zusters,  zijne  kindsheid  door.  De  Poolache  jeugd 
dier  dagen  werd  in  groote  ïreee  eu  diepen  eerbied  voor  vader 
en  moeder  opgevoed.  Het  werd  als  eene  onderscheiding  be- 
schouwd ,  om  langen  tijd  bij  de  ouders  te  mogen  vertoeven ; 
in  zulke  groote  huizen  toch  bevonden  de  kinderen  zich  meestal 
op  hunne  bijzondere  kamers,  alwaar  xij  aan  de  hoede  van 
dienstijodcn  en  opvoeders  Wiiren  toevertrouwd.  Niet  zelden 
kon  men  op  de  goederen,  nevens  het  heerenhuis  of  het 
eigenlijke  slot,  een  bijzonder  gebouw  opmerken,  dat  tot 
woning  voor  de  kinderen  diende ,  en  van  waar  uit  zij  slechts 


1)  Met  Totkomene  leïerhejd  kan  zulks  aiet  gezegd  worden,  dooh  wel 
met  de  grootste  waarsaliiJDliJklieid.  In  liet  loogeimnmde  Notitiebo^k  lan  Mnt- 
thiaa  Driewicki,  dat  in  het  arphief  der  kathedranl  Ie  Gaeaeu  bewaard  wurdt, 
vindt  men  liet  jaar  1496  ala  geboortejaar  OBDgcteekend.  Die  korte  aauteeke- 
ning  in  het  huiBboek  van  den  oamiddullijken  opvolger  vtm  Laaki  a|>  den  uarta- 
bisBchoppelijken  aCoe!  heeft  iets  verleidelijka.  DriBwicki  wa»  in  de  gelegenlieid , 
oro  nauwkeurige  berichten  aangaande  zijnen  afTalligen  Deken  te  ïorkrijgen; 
de  aldua  gewoDDen  drie  jaren  zoudun  met  de  berukening  ean  zijn  bezoek  naa 
de  unireraiteit ,  IS13,  beter  OTereenkomea ,  ook  wanai^r  hij  ia  1521,  bereids 
sU  Delcgaat  lan  het  Met ropolitnsn -Dom kapittel  thd  Oiieeen,  saa  de  gewes- 
telijke synode  te  Petrikan  deelneemt.  Mnar  doie  jonge  jaren  yormen,  wet 
betrekking  tot  dien  tijd,  gpcn  unoïerkoraelijken  hinderpaal.  Wij  geioeleo  ons 
daaroiD  verplicht,  iu  weerwil  van  de  sebriftelijk  geopperde  belangrijke  beden- 
kingen van  den  met  de  getiehiedeiiis  der  Oneaenaehe  geestelijkheid  meent  ver- 
trouwden oudenoeker,  dan  Domcapitnloria ,  Licentiaat  Korjtkowaki,  ona  ttan 
den  gewonen  dalun  te  houden.  De  later  te  vermelden  aynodale  protocoüen 
van  1560  leggen  uitdrukkelijk,  dat  Laiki  iu  den  onderdom  van  61  jaren  ge- 
itorren  is.  Tolgeua  eeu  gedenkpenning  met  zijn  borstbeeld,  die  in  mijn  bezit 
i»,  zal  hij  zelfs  eont  in  1S57  den  leellijd  van  56  jaren  gehad  hebben,  doch 
dit  ie  zeer  zeker  eene  dwaling.  (Torgel.  den  afdruk  bij  Racijnaki,  I,  169.) 
De  gewone  ouderstelUug,  volgens  welke  hij  te  Warschau  geboruii  ia,  bemst, 
naar  bet  achijnt.  op  wankelen  grond.  Herhaalde  navariehingeu,  t^  Warschau 
bewerkstelligd,  hebbeo  mij  niets  doen  ontdekken,  dat  deze  oude  ra  telling  beves- 
tigt. De  doopaclen  te  Laak  bevatten  uit  dien  tijd  geene  inanhruving  betref- 
fende de  slotbewonera ,  wellicht  omdat  de  oom  den  doop  liad  voltrokken,  en 
hij  dien  vervolgena  te  G-neasn  of  te  Poeeii  heeft  doen  iuachrijven.  Wil  men 
nii  eenmaal  eene  andere  geboorleplaal*  trachten  te  vinden,  zuo  zou  die  nog 
eerder  te  Crakau,  dan  te  Waraehan  te  zoeken  zijn. 


33 


tot  hanne  ouders  kwamen ,  om  hun  als  het  ware  een  bezoek 
te  brengen. 

De  eerste  levensjaren  zijn  waarschijnlijk  voor  de  kinderen 
ongestoord  en  te  midden  van  een  frisch,  vroolijk  landleven  ver- 
streken. Ging  het  ook  in  het  heerenhuis,  bij  de  groote  gastvrij- 
heid des  lands » bij  de  talrijke  familiebetrekkingen ,  en  den  hoogen 
rang 9  dien  het  hoofd  van  het  geslacht  bekleedde,  niet  zelden 
levendig  en  loidruchtig  toe,  zoo  drong  nochtans  weinig  daar- 
van tot  het  verblijf  der  kinderen  door,  die  van  het  gedruisch 
en  de  verstrooiing  van  het  gezellige  leven  verwijderd  gehouden 
werden.  Vroegtijdig  nam  het  onderwijs  van  de  kinderen 
eenen  aanvang.  In  de  steden  waren  scholen,  of  men  zond 
de  aankomende  jeugd  naar  de  dichtst-bij  gelegene  klooster- 
school; de  gegoede  adel  nam  een  jongen  priester  of  een 
opvoeder  in  huis,  aan  wien  alsdan  de  geheele  leiding  werd 
toevertrouwd.  De  adellijke  jeugd  werd,  in  die  dagen,  met 
groote  zorgvuldigheid  onderwezen.  Vooral  aan  het  aanleeren 
van  de  Latijnsche  taal  werd  veel  moeite  besteed  -,  de  knapen 
en  meisjes  namen  gemeenschappelijk  daaraan  deel,  en  beide 
geslachten  verkregen  zulk  eene  vaardigheid  in  het  Latijn, 
dat  zij  zich  met  gemak,  zoowel  in  het  mondelijk^  als  in 
het  schriftelgk  verkeer,  van  deze  vreemde  taal  bedienden, 
die  hun  meer  bekend  en  gemeenzamer  was,  dan  de  klank 
der  moedertaal. 

Zelden  kwamen  de  kinderen,  zoolang  zij  klein  waren, 
buiten  den  ouderlijken  burcht.  Zij  leefden  daar  in  hunne 
eigene  wereld ,  van  alles  afgezonderd  en  op  zich  zei  ven ;  met  de 
lieden  daarbuiten  kwamen  zij  bijkans  in  het  geheel  niet  in  aan- 
raking. Het  opgaan  naar  de  kerk,  wanneer  zij  op  den  leeftijd 
kwamen,  om  derwaarts  te  worden  medegenomen,  voerde  hen 
voor  de  eerste  maal  in  het  stadje,  voorbij  de  vreemde  lieden. 
Dan  viel  ook  voor  hen  de  ophaalbrug  aan  de  slotpoort,  en 
over  den  wal  en  de  gracht,  die  den  ouderlijken  burcht  tegen 
iederen  plotselingen  overval  beschutten,  mochten  zij  naar 
buiten  in  de  vreemde  wereld.  Met  eene  gracht  was  ook  het 
stadje  tegen  overrompeling  beveiligd.  Bij  zulk  eenen  kerk- 
gang hadden  de   kinderen  vroegtijdig  gelegenheid,  om  den 

DAXTOV.  5 


'34 


armzaligea  toeetiDd  der  bewoners  op  te  merken,  die  uit 
hunne  ellendige  hutten  naar  liuiten  traden,  wanneer  de  zonen 
van  den  slotheer  voorbijgingen ,  en  hen  in  diepe  onderwor- 
penheid groetten.  Hier  waren  het  de  arme,  vreesachtige 
Kmeten,  boeren,  die  zonder  eenigen  gron'i  in  eigendom  te 
bezitten,  torh  met  een  zeker  erfrecht  op  hun  hof.  aan  hun- 
nen landheer  cijns-  en  dienstplichtig  waren;  ginds  de  aan- 
hoorigen  van  het  goed .  die  in  eenen  toestand  van  nog  zwaar- 
der verdrukking  leefden,  geringe  handwerkers  en  leenmannen, 
die  als  brouwers,  bakkers,  kunstdraaiers,  steenbakkers,  bosch- 
wachters,  hond  en  op  passers,  paardenknechten  enz.  hunnen  heer 
ten  allen  tijde  moesten  ten  dienste  staan,  en  buitendien  nog 
eene  zware  schatting  hadden   op  te  hrengen. 

Bij  de  ellendige  aar<!en  en  bouten  hutten  van  het  stadje 
stak  de  steenen  kerk  inil  ruk  wekkend  af,  die  als  een  bij- 
kans bevreemdend  sieraad  in  die  armoedige  omgeving,  zelfs 
het  heerenhuis  in  zijn  uitwendig  voorkomen  overtrof.  Het 
moest  eenen  vroegtijdigen  en  duurzaoien  indruk  op  het 
vroom  gemoed  der  kinderen  maken,  als  zij  bespeunlen,  hoe 
hoog  in  eer  het  heiligdom  van  het  godshuis  gehouden  werd , 
en  met  welk  eene  offervaardige  zorg  zich  de  familie  aan  de 
verfraaiing  der  kerk  gelegen  liet  zijn. 

Hun  grootvader  Andreas,  zóó  werd  aan  de  opmerkzaam 
toeluisterende  kinderen  verhaald,  had,  reeds  meer  daneene 
halve  eeuw  geleden ,  eene  steenen  kerk ,  die  aan  de  heilige 
Anna  was  toegewijd,  op  dezelfde  plek  gebouwd,  waar  vroeger 
een  klein ,  armzalig  kerkje  van  den  heiligen  Michael  gestaan 
had.  Nog  grootere  offers  en  tevens  bepaalde  kunst  werden 
door  zijnen  zoon,  hunnen  oom  Johannes,  juist  in  dien  tijd 
aan  de  kerk  van  zijne  woonplaats  ten  koste  gelegd.  Met 
zijnen  levendigen  familiezin,  met  zijne  innige  gehechtheid 
aan  zijne  geboorteplaats  rustte  hij  niet,  voordat  hij  aan  de 
kerk  zijner  kindsheid  verhoogden  glans  en  roem  verleend 
had.  Hij  zette  het  door ,  dat  in  den  jaie  150Ü ,  de  Aarts- 
bisschop van  Gnesen  bij  de  kerk  een  collegiaat-sticht  vestigde. 
Zoodra  hij  zelf  aartsbisschop  geworden ,  en  van  zijnen  tocht 
naar  Rome  teruggekeerd  was,  liet  hij,  ten  deele  door  Italiaan- 


35 


sche   bouwmeesters   in   Krakau,    de  kerk  verbouwen  en  ver- 
grooten.     Het  vernieuwde  gebouw  ontving  den  naam  van  kerk 
van  de  onbevlekte  ontvangenis  der  maagd  Maria  en  van  den 
heiligen  Michaël.    Als  grootste  heiligdom,  behalve  vele  andere 
rehquieën  en  kostbare  vaten,  schonk  hij  haar  het  beeld  van 
Maria ,  uit  wit  marmer  vervaardigd ,  dat  hem ,  den  getrouwen 
katholiek ,  door  Paus  Clemens  VII  geschonken  was ,  en  waar- 
van   het   spoedig  —  gelijk   wij    reeds  gehoord  hebben  —  in 
den  bijgeloovigen  omtrek  ruchtbaar  werd,  dat  het  een  won- 
derdadig  beeld   was,   en   dat  hulpelooze  kranken  door  zijne 
aanraking    genezen     werden.     Allerminst    tot    nadeel    voor 
LaskI     Want   vele   tientallen    van  jaren  achtereen  ging  men 
uit   verren   omtrek  ter  bedevaart  naar  het  beeld,  dat  heden 
ten  dage  slechts  weinig  meer  bezocht ,  en  welks  hulp  slechts 
zelden   ingeroepen   wordt,    verscholen  als  het  daar  is  in  het 
door  de   wereld   vergeten  vlek,  en  bovendien  nog  verborgen 
achter   het   altaarstuk,    zoodat   het  slechts  aan  den  kundige 
zijne  schoone  trekken  vertoont.   Menige  andere  vrome  stichting 
van   zijnen   oom,   zooals   die   kostbare   Monstrans,   kon   den 
knaap    de    getrouwe   verknochtheid   der   zijnen  aan  de  Kerk 
voortdurend  in  herinnering  roepen.     Tot  aan  zijn  einde  bleef 
de   Aartsbisschop   deze   offervaardige   liefde  koesteren.     Nog 
terwijl  zijn  neef  den  omgang  met  Erasmus  genoot,  vergrootte 
hij   het   vóór  twintig  jaren   gestichte   college   tot   eene   der- 
gelijke   inrichting  voor  prelaten  en  kanunniken.     Ia  de  kerk 
koesterde    onze    Johannes    de    eerste    droomen    en    gedach- 
ten  in   zijn   vrome   kinderhart,    dat  ook  hij,  door  de  zijnen 
voor   de  geestelijke  loopbaan  bestemd,  eenmaal  zijne  krach- 
ten,  ten   behoeve   der  Kerk,   gewillig  aan   God   had  toe  te 
wijden,   terwijl   hij  destijds  ook  met  kinderlijk  verlangen  be- 
reid was ,  om  zulks  op  het  voetspoor  zijner  vaderen  te  doen. 
Want  in  andere  vormen  en  op  eene  andere  wijze  kon  hij  zich 
geen  godsdienst  denken;  deze  vervulde  geheel  zijne  jeugdige 
ziel.     Wel  trok    reeds   een   andere  luchtstroom  door   menig 
kerkgebouw,  ook  in  Polen,  gelijk  aan  den  zacht  wegstervenden 
toon  eener  Aeolusharp.    Wij  hebben  echter  geene  aanduiding 

gevonden,  dat  het  oor  van  den  knaap,  ook  reeds  in  de  kerk 

3* 


36 


van  den  Kanselier  te  Lask,  dien  wonderbaar  aangrijpenden  toon 
heeft  opgevangen,  welke  b.  v.  in  het  schrijven  van  Bern- 
hard  van  Lublin  aan  Sinion  van  Krakau  verneembaar 
was,  nog  voordat  Luther  zijue  Stellingen  aan  de  slotkerk  te 
Wittenberg  had  aangeslagen,  dat  men  alleen  het  Evangelie 
geloovig  heeft  aan  te  nemen,  en  dat  alle  menschelijke  instel- 
lingen ook  zonden  kunnen  worden  opgeheven. 


Slechts  hunne  kindsheid  brachten  de  knapen  in  landelijke 
afzondering  op  het  stamgoed  te  Lask  door.  Wellicht  reeds 
sinds  de  kroning  van  koning  Sigismnnd  (1507),  of  anders 
eerst  sinds  hun  oom  aartsbisschop  van  Gnesen  geworden  was 
(1510),  liet  deze  zijne  neven  in  zijne  aartsbisschoppelijke  re- 
sidentie te  Krakau  tot  zich  komen,  ora  hun  aldaar,  meestal 
onder  zijn  toezicht,  eene  hoogere  opvoeding  te  laten  ten  deel 
vallen  1).  Met  groote  liefde  was  de  Aartsbisschop  aan  zijne 
familie  gehecht,  inzonderheid  aan  zijnen  broeder ,  den  Palatijn 
van  Sieradz,  en  diens  talentrijke,  hoogbegaafde  zonen.  Gaarne 
liet  de  vader  aan  den  Rijkskansetier ,  ook  nadat  deze  vervolgens 
aartsbisschop  geworden  was,  de  vrije  hand  in  de  opvoeding 
van  zijne  zonen.  De  Aartsbisschop  behoorde,  in  die  dagen, 
tot  de  beroemdste  persoonlijkheden  aan  het  Poolsche  hof. 
Zijne  groote  verdiensten  ten  opzichte  van  zijn  vaderland  had- 
den hem  die  hooge  waardigheid  als  Primaat  des  rijks  be- 
zorgd ,  en  hij  bekleedde  dezen  rang  op  schitterende  wijze , 
gelijk  een  aanzienlijk  kerkvoogd  en  uitstekend  staatsman  past. 
Reeds  koning  Kasimir  wenschte  den  schrijver  en  kanselier 
van  zijnen  rijkskanselier  aan  zijnen  onmiddellijken  dienst  te 
verbinden,  en  evenzoo  ook,  maar  insgelijks  voorshands  te 
vergeefs,  koning  Johan  Albrecht.  Enkele  gezantschaps- 
reizen  kon  Laaki  intusschen  niet  van  de  hand  wijzen.  Hij 
bevond  zich  te  Rome,  toen  de  troepen  van  Karel  VIII  de 
stad  inrukten  (1494),  en  eene  tweede  maal  bij  het  groote 
jubelfeest  (150Ü);  evenzoo  zien  wij  hem,  in  1497,  te  Brussel. 


37 


In  1502  wordt  hij  eerste  geheimschrijver  des  Eonings ,  en  in 
het  volgende  jaar  reeds  rijkskanselier.  Wij  kunnen  den  bui- 
tengewonen  man  niet  van  schrede  tot  schrede  volgen  bij  al 
die  werkzaamheden ,  door  welke  hij  zich  in  deze  waardigheid 
zoo  hooge  verdiensten  ten  aanzien  van  koning  en  vaderland 
verworven  heeft ,  totdat  hij,  op  den  leeftijd  van  nog  slechts 
54  jaar,  de  hoogste  waardigheid  in  het  rijk  verkreeg. 

In  hem  aanschouwen  wij  het  belangwekkend  beeld  van 
eenen  invloedrijken  kerkvorst  uit  dien  tijd.  Zijne  beteekenis 
ligt  veel  meer  op  staatkundig,  dan  op  kerkelijk  gebied.  Met 
groote  schranderheid  neemt  hij  zijn  aanzienlijk  ambt  waar, 
en  is  daarbij  ten  allen  tijde  door  warme  vaderlandsliefde  be- 
zield. Bij  zijne  handelingen  laat  hij  zich  in  de  eerste  plaats 
besturen  door  zijne  beschouwingen  als  PooL  Als  zoodanig 
geeft  hij  den  Koning  zijnen  raad,  als  zoodanig  verheft  hg 
zijne  indrukwekkende  stem  in  den  senaat,  gelijk  op  de  bij- 
zondere landdagen.  De  Kerk  is  hem,  voorzeker,  allerminst 
onverschillig.  Hij  is  een  Poolsch  katholiek ,  en  wil  niets  an- 
ders zijn,  dan  dit.  Innig  en  trouw  is  hij  aan  zijne  Kerk 
verkleefd ,  en  ook  aan  hare  zoo  grove  dwalingen ,  gelijk  aan  hare 
zoo  bijgeloovige  gebruiken  dier  dagen ,  terwijl  zijne  geestelijke 
ambtgenooten  te  Rome  daarvoor  denzelfden  medelijdenden  glim- 
lach overhebben,  als  voor  de  waarheden  van  het  Evangelie. 
Het  is  niet  slechts  overleg,  dat  hem^  met  gunstig  gevolg, 
voor  zijne  uitgave  van  de  staatswetten  eene  goedkeurende, 
pauselijke  Breve  doet  aanvragen;  hij  wil  niets  gedaan  hebben, 
wat  den  Paus  onwelgevallig  zou  kunnen  zijn  ^).  Evenmin  is  het 
bij  hem  slechts  navolging  van  een  overgeleverd  gebruik ,  maar  hij 
koestert  werkelijk  de  vrome  meening  ^  dat  hij  in  meer  ge  wij- 
den grond  zal  liggen  ^  wanneer  hij  aarde  uit  Jeruzalem  en 
van  den  grafheuvel  van  den  heiligen  Gregorius  voor  zich 
medebrengt,  en  die  buiten,  vóór  de  kathedraal  te  Gnesen, 


1)  Verg.  Theiner,  II,  362;  waaruit  blijkt,  dat  de  AartsbiBschop  het  La- 
teraansohe  concilie  niet  Torlaien  beeft,  zonder  yan  Leo  X  de  absolutie  yer- 
kregen  te  hebben  yoor  alle  feilen,  die  somB  in  deze  yersameling  yan  wetten 
mochten  gevonden  worden. 


laat  ophoopen  ter  plaatse,  waar  eens  zijn  gebeente  zal  rusten. 
In  eene  werkelijk  goilsdieiiatige  stemming  neemt  hij  de  reli- 
quieën  in  ontvangst,  ilie  men  hem  te  Rome  vereert;  hij  heeft 
voor  zulk  eene  gave  geen  vernuftige  scherts  bij  de  hand. 
Niet  om  met  zoodiinig  goochelspel  eene  bijgoloovige  menigte 
te  esploiteeren ,  en  er  een  aanzienlijk  voordeel  voor  den  eige- 
nen Iniidel  uit  te  trekken  neemt  hij  die  reliquieëu  met  welge- 
vrtlleu  aan,  maar  hij  voert  ze  als  kostbare  herinneringen 
met  zii'h  naar  zijn  vaderland ,  en  is  zelf  één  der  eersten , 
die  bereidwillig  de  knie  voor  het  heiligdom  buigen,  i)  Met 
allen  ijver  stelt  hij  zich.  in  de  bres  voor  do  rechten  zijner 
Kerk,  en  wil  haar  tegen  het  gif  der  vakche  loer  hesnhutten. 
Zijn  vrome,  gehitene,  Slavische  geest  behoedt  hem  voor  den 
waan,  alsof  zulk  eene  beschutting  in  den  brandstapel  gelegen 
is,  die  het  lichaam  van  ileo  ketter  verteert, 

Als  een  Poolscb  kerkvorst  leefde  de  Aartsbisschop  op  eenen 
grooten,  schitterenden  voet.  Het  is  eene  breede  lijst  van 
kostbaarheden,  die  hij  in  een  testament  aan  vi-ienden  en 
verwanten  vermaakt.  *)  Die  lange  litanie  doüt  ons  haast 
vergeten,  dat  het  de  nalatenschap  van  eenen  dienstknecht 
is,  wiens  Meester,  armer  dan  vos  en  vogel,  niet  had,  waar 
hij  zijn  hoofd  zou  nederleggen.  Zijne  waardigheid  noodzaakte 
hem,  om  niet"  enkel  te  Gnesen  zijne  hofhon<iing  te  hebben; 
oük  te  Krakau  had  hij  zijne  residentie,  in  welke  de  aanzien- 
lijksten  des  lands  uit-  en  ingingen. 

Naar  laatstgeuoemdo  stad  liet  hij  zijne  drie  neven  over- 
komen, toen  zij  de  jaren  bereikt  hadden,  dat  zij  eene  hoogere 
opvoeding  moesten  ontvangen,  ten  einde  hen  voor  de  loop- 
haan te  bekwamen,  die  hij,  in  overleg  met  hunnen  vader, 
voor  hen  gekozen  had.  Hieronymua  en  Stanislaus  waren 
voor  eene  poHtieke  betrekking  liestemd,  terwijl  voor  onzen 
Johannes,  die  ook  de  lieveling  van  zijnen  oom  schijnt  ge- 
weest te  zijn ,  reeds  vroegtijdig  aan  eene  kerkelijke  loopbaan  de 


1)  Zoo  fiertt  hij  ook,  bij  gulegenlieid  rnn  nijne  rei<  nmir  Bomc.  in  151&, 
(OOP  de  licEOelters  van  de  kafliedraal,  hijnldien  ilj  bepimlde  ïoopaehriftBn 
in  «cht  namsn.  uiteebreide  ailrvtcn  verworreo.     Zie  TliBiiier,  II,  564. 

2)  Verg.  Zeiflsberg.  Ü.  J08,  ï. 


39 


voorkeur  gegeven  werd.  Wij  hebben  ook  zelfs  niet  den  minsten 
grond  om  te  meenen ,  dat  de  neef  zich  met  tegenzin  aan  zooda- 
nig besluit  onderworpen  heeft.  In  hooge  mate  had  de  goddelijke 
genade  hem  tot  het  voortreffelijk  ambt  toegerust,  al  zou  hij 
het  ook  zoo  geheel  anders  vervullen ,  dan  de  oom ,  dien  men 
niet  onverdiend  van  nepotisme  beschuldigd  heeft ,  ten  zijnen 
aanzien  gedroomd  had.  Hoe  menigmaal  heeft  hij  wellicht 
in  die  dagen  den  stillen,  zachtaardigen  knaap  met  zijne 
groote,  vrome  oogen,  vriendelijk  aangestaard,  als  den  erf- 
genaam ,  niet  alleen  van  den  naam ,  maar  door  zijnen  mach- 
tigen invloed  ook  eenmaal  van  zijne  waardigheid. 

Het  was   eene  groote  verandering,  inzonderheid  voor  het 
vatbaar  gemoed  van  een  knaap  ^  om  uit  de  stilte  van  het  land- 
leven, uit  de  afzondering  van  den  vaderlijken  burcht,  op  een- 
maal in  het  levendige  Krakau  en  in  het  paleis  van  den  hoogaan- 
zienlijken  aartsbisschop  verplaatst  te  worden.    Krakau  door- 
leefde destijds  de  dagen  van  zijnen  hoogsten  glans.     Koning 
Kasimir  de  Groote,  die  de  stad  zoozeer  bemind  had,  had 
haar,  bij  zijne  troonsbeklimming ,  uit  hout  en  leem  gebouwd 
aangetroffen,  doch  haar,  bij  zijnen  dood,  uit  steenen gemetseld 
achtergelaten.    In  de  voorafgaande  eeuw  was  de  welvaart  der 
stad  in  buitengewone  mate  toegenomen,  en  hand  aan  hand  daar- 
mede een  opgewekte  lust  tot  het  stichten  van  grootsche  ge- 
bouwen ,  die  een  schoon  getuigenis  van  den  levendigen  kunstzin 
afleggen ,  welke  aan  dezen  rijkdom  eene  duurzame  uitdrukking 
zocht  te  verleenen.    De  zoo   geheel  veranderde   omstandig- 
heden der  laatstvoorgaande  eeuwen  hebben  deze  uitdrukking 
niet  geheel   en  al  kunnen  uitwisschen.     Ook  nog  heden  ten 
dage   bUjft  de   stad   met  hare  oude,  aanzienlijke  gebouwen 
onze  belangstelling  boeien,  en  de  oudheidkundige  ontdekt  nog 
menigen  trek,   die  hem   de   schitterende  dagen  uit  den  tijd 
der   Jagello's   vertegenwoordigt.     Eén  trek,  die  inzonderheid 
veelbeteekenend  heeten  mag,  is  ook  thans  nog  te  bespeuren. 
De  dubbele   strooming   namelijk,   die  het  geheele  leven  van 
den  Poolschen  staat  en  van  het  Poolsche  volk  destijds  door- 
drong,   heeft    in    de   gebouwen   der   stad   eene   uitdrukking 
vol  leven  verkregen.   Op  den  Wawel,  waar  het  trotsche  slot, 


en  op  het  slotplein  de  dom  zich  verheft,  aldaar  heeft  de 
I'oolsche  Koning  zijne  paleizen  geboawd,  en  iii  aansluiting 
aan  hem ,  aan  den  voet  van  den  heuvel  en  in  enkele  aan- 
grenzende straten ,  de  hooge  adel  en  do  hooge  geestelijkheid. 
Beneden,  in  de  eigenlijke  stad,  trok  de  Duitache  handelaar 
en  handwerker  zijne  gebouwen  op,  die  op  welsprekende  wijze 
van  zijnen  rijkdom,  maar  ook  van  zijnen  burgerzin,  van  zijn 
zelfgevoel  getuigen.  Onder  de  bouwheeren  ginds  op  den  heuvel 
treedt  vooral  meester  Bartholomeus  van  Florence  op  den 
voorgrond ,  die  de  kapel  der  Jagello's,  een  pronkstuk  der  Re- 
naissance ,  voltooide.  De  Duitschers ,  beneden  in  de  stad ,  waren 
uiet  ingenomen  met  den  nieuw-opkomendeu  stijl,  noch  met 
de  vreemde  meesters  uit  Italië;  de  kunstenaars,  welke  zij 
van  ooode  hadden,  ontboden  zij  uit  Neurenberg.  Jaren  ach- 
tereen heeft,  in  bet  genot  van  eene  schitterende  bezoldiging, 
de  hoogberoemde  meester  Veit  Stoss  voor  hen  aan  zijn 
hoofdwerk,  het  hoogaltaar  in  de  Mariakerk  op  het  markt- 
plein, gearbeid.  Zij  hadden  groote  voorrechten  verkregen, 
deze  Duitsche  kolonisten  te  Erakau;  zij  bezaten  hun  eigen 
stadsrecht,  en  vormden  bijna  eenen  zelfstandigen  staat  in  den 
staat.  Zij  gingen  niet  op  in  Poten ,  maar  leidden  in  het  land 
een  leveu  op  zich  zelf,  zoo  geheel  gelijk  het  door  de  physi- 
ognomie  der  stad  werd  aangeduid.  In  de  benedenstad ,  op 
het  marktplein,  waren  zij  hunne  eigene  heeren,  en  slechts 
de  koninklijke  residentie  op  den  Wawel  verhief  zich  boven 
hen ,  terwijl  zij  door  dezelfde  borstwering  van  den  stadsmuur  om- 
geven waren.  De  vreemdeling ,  die  Krakau  bezocht ,  waande 
zich  in  Neurenberg  verplaatst.  De  lieden  op  de  straten  onder- 
hielden zich  in  zijne  vadorlandsche  klanken.  De  ontzaglijke 
handel,  die  in  dit  toenmalig  brandpunt  van  het  verkeer  tus- 
schen  het  Oosten  en  het  Westen ,  beide  te  water  en  te  land , 
zoo  uiterst  levendig  was,  berustte  in  Duitsche  handen.  Ook 
het  bloeiende  handwerk  was  op  zuiver  Duitsche  leest  ge- 
schoeid, met  de  oude,  op  vasten  voet  ingerichte  gilden  des 
vaderlands,  in  welke  de  van  oudsher  gewone,  nauwkeurig 
geregelde  instellingen  en  gebruiken  der  Duitsche  burgera 
werden  in  acht  genomen. 


41 


Overal  op  de  straten,  in  de  huizen,  in  de  gildekamers 
en  hallen  heerschte  het  opgewektste ,  bedrijvigste  leven.  Het- 
geen in  deze  dagen,  juist  in  eene  stad  als  Erakau,  gunstig 
in  het  oog  moest  vallen,  het  was,  nevens  de  schitterende 
pracht  en  heerlijkheid  der  residentie  van  eenen  Koning ,  wiens 
stem  zoo  veelvermogend  was  in  den  kring  der  gekroonde 
hoofden,  meer  bepaald  het  krachtig  optreden  van  het  bur- 
gerlijk element,  dat  zich  van  zijne  beteekenis  volkomen  be- 
wust was,  en  met  fierheid,  ook  tegenover  eenen  trotschen 
adel,  zijne  rechten  wist  te  doen  gelden.  Op  dusdanige  wijze 
kwam  genoemd  element  intusschen  volstrekt  niet  overeen  met 
de  overige  toestanden  in  het  land.  Destijds  ook  wist  men 
nog  niet,  dat  de  adel,  die  zooveel  machtiger  was,  tot  ver- 
derf des  lands  dit  zoo  gewichtige  element  allengs  van  zijne 
voorrechten  berooven  en  het  geheel  verdringen  zou. 

Met  groeten  ernst  en  met  nauwlettende  zorgvuldigheid 
hield  de  oom  het  toezicht  over  de  opvoeding  zijner  neven, 
die  aan  zijne  hoede  waren  toevertrouwd.  Hij  eischte  veel 
van  hen  en  daarbij  strenge  tucht,  omdat  hij  van  zins  was, 
om  hun  eenmaal  veel  te  schenken ,  en  hij  dit  slechts 
doen  wilde  aan  mannen,  die  door  hunne  kracht  en  be- 
kwaamheid geroepen  zouden  zijn,  om  een  sieraad  van  hun 
vaderland  te  worden.  Krakau  bezat  in  die  dagen  reeds 
zeer  flinke  scholen;  de  Aartsbisschop  gaf  echter,  gelijk  zulks 
bij  den  hoogen  adel  het  gebruik  was,  voor  zijne  pupillen 
de  voorkeur  aan  eene  huiselijke  opvoeding,  die  dan  aan 
eenen  paedagoog  werd  toevertrouwd.  Dit  werd  hier  des  te 
meer  gevorderd,  daar  de  oom  dikwijls  en  gedurende  langen 
tijd  zich  in  andere  oorden  moest  ophouden ,  terwijl  voor  zijne 
neven  Krakau  de  vaste  woonplaats  bleef.  Zulk  een  opvoeder 
werd  als  een  lid  der  familie  beschouwd.  Jaren  lang  bleef 
hij  in  het  huis,  begeleidde  de  zoons  naar  de  universiteit, 
en  vond  dan  in  den  regel  ook  op  zijnen  ouden  dag  de  eene 
of  andere  bezigheid,  gewoonlijk  als  secretaris  of  als  rent- 
meester bij  zijnen  vroegeren  kweekeling,  en  dan  ten  laatste 
eene  vriendelijke  verzorging.     Wellicht  mogen  wij,  reeds  ge- 


43 


durenile  Jen  tijil  van  hun  verblijf  te  Knikau.  denzelfden 
Johannes  Braniczky  ala  dezen  paedagoug  der  knapen 
beschouwen,  dien  wij  als  hun  begeleider  te  Bologna  weder- 
vinden, dien  daarop  later  de  oudste  der  broeders,  Hiero- 
nymus,  onder  zijne  huisgenooten  („familiai'is")  opgenomen, 
en  Tan  wien  zich  ook  de  oom  niet  zelden ,  als  van  een  soort 
van  vertrouwd  personage,  bediend  heeft.  ') 

Ondanks  ijverige  navorschingen  ontbreken  ons  onmiddellijke 
berichten,  aangaande  den  gang  van  het  onderwijs  bij  onze 
knapen  in  het  aartsbisschoppelijk  paleis.  Daar  wij  echter 
geenen  grond  hebben  om  aan  te  nemen,  dat  het  genoemde 
onderricht  zich  wezenlijk  zal  hebben  onilerscheiden  van  dat, 
hetwelk  de  jeugd  t((  Krakau  in  den  toenmaligen  tijd  gewoonlijk 
ontving,  zoo  mogen  wij  de  verkregene  indrukken,  betreffende 
den  heerschenden  vorm  van  het  onderwijs,  ook  op  het  onder- 
richt der  neven  toepassen.  Eene  voorzeker  niet  onjuiste 
voorstelling  verkrijgen  wij  uit  de  in  die  dagen  te  Krakau 
verschenen  leerboeken ,  die  in  hunne  titels  en  zelden  ontbre- 
kende opdrachten  spraakzamer  zijn,  dan  onze  hedendaagsche 
schoolboeken,  en  den  onderzoeker  alzoo,  op  naïeve  wijze, 
met  menigen  belangwekkenden  trek  bekend  maken.  Een 
opgewekt  leven  heerschte.  ook  op  dit  gebied,  in  de  hoofdstad 
van  Polen  bij  den  aanvang  der  zestiende  eeuw.  Reeds  spoedig 
na  de  uitvinding  der  boekdrukkunst  hadden  leeriingen  dezer 
kunst  nich  naar  Polen  begeven,  bijna  louter  Duitschei-s,  gelijk 
van  zelf  spreekt,  znoals  ook  de  namen  Ilaller,  Houhfeder, 
ünger,  Scharf fenberger  enz.  te  kennen  geven.  Hunne 
werkplaatsen  hadden  zij  te  Krakau  gevestigd.  In  het  tweede 
vierendeel  der  eeuw  begint  hunne  leveudigste  werkzaamlieid 
in  het  uitgeven  van  boeken;  van  1470 — 1525  is  het  echter 
ook  geen  gering  aantal  van  werken,  die  op  de  boekmarkten 
te  Frankfort,  te  Leipzig,  te  Thorn  eu  elders  voorkomen,  en 
die  als  plaats .  waar  zij  gedrukt  waren ,  het  vergelegen  Krakau 
opgeven.  Gelijk  elders  bij  de  herleving  der  wetenschappen, 
zoo   namen    ook   in   Polen  de  di'ukkers  en  uitgevers,  in  den 


l)Z 


iiberg,  8.  694. 


43 


regel  één  en  dezelfde  persoon^  eene  aanzienlijke  plaats  in 
onder  de  humanisten.  Met  de  eerste  liefde  voor  de  wonder- 
bare kunst  paarde  zich  bij  deze  mannen  de  levendigste  geest- 
drift  voor  het  opnieuw  ontwaakte  leven  der  oude  Romeinen 
en  Grieken.  Zij  droegen  de  bewustheid  met  zich  om ,  dat  zij 
boven  anderen  geroepen  waren ,  om  het  in  breede  kringen  als 
heilig  beschouwde  vuur  aan  te  blazen.  Nevens  Aldus  Manutius 
te  Venetië,  en  deFroben'ste  Bazel,  plaatst  zich,  wat  Polen 
betreft,  als  hun  evenknie  de  boekdrukker  Halier,  wiens  lof 
nog  op  de  titelbladen  zijner  boeken  weerklinkt ,  immers  in  de 
beschrijving,  die  men  aldaar  niet  zelden  kan  aantreffen:  dit 
werk  is  gedrukt  op  kosten  van  den  zeer  edelen  en  humanen 
man,  den  heer  Johannes  Halier,  burger  van  Erakau,  den 
uitstekendsten  beschermer  der  geleerde  mannen.  ^)  Uit  het 
groote  aantal  leerboeken ,  die ,  inzonderheid  voor  de  classieke 
talen,  in  die  dagen  te  Erakau  verschenen  zijn,  mogen  wij 
eene  gevolgtrekking  maken  ten  opzichte  van  de  toenmaals 
bestaande  navraag,  en  evenzeer  uit  de  vroegtijdig  alhier 
vervaardigde  uitgaven,  zoowel  van  Latijnsche,  als  ook  van 
Grieksche  schrijvers.  Wat  zoodanige  uitgaven  betreft,  hebben 
Johannes  van  Glogau,  leeraar  aan  de  universiteit,  ^)  en 
Johannes  Sommerfeld,  leerling  van  Geltes,  ^)  zich  hier 
bijzonder  verdienstelijk  gemaakt 

Het  onderricht,  hetwelk  onze  drie  knapen,  nadat  zij  van 
het  familieslot  te  Lask  naar  de  stad  waren  overgekomen, 
aldaar  genoten,  bewoog  zich  in  hetzelfde  spoor  als  tot  dus- 


1)  „Impressum  antem  est  hoc  opus  ad  impensas  optimi  humanissimique 
viri  Domini  Joaanis  Haller  Civis  Gracoyiensis  Tirorum  doctorum  fautoris 
exoellentissimi."    Yergel.  Jocher,  I,  72  en  eld. 

2)  Vergel.  b.y.  Jocher,  1,  14,  alwaar  wij,  in  den  medegedeelden  titel 
Tan  een  bij  Haller,  in  1504,  yerschenen  leerboek,  aldus  lezen:  „ut  igitur 
ingeniosis  adolescentibus  ejusdem  Forphyrii  de  qninque  nniyersalibus  intentio 
reaolutior  existat  Ego  magister  Johannes  Glogoyiensis  almae  florentissimaeque 
uniyersitatis  studil  Gracoyiensis  majoris  Gollegii  artistarum  collegiatus  pro 
laude  Dei  famaque  uniyersitatis  nostrae  in  oommunemque  adolescentum  pro- 
fectum  magiKtri  Johannis  Versoris  super  yeteri  arte  quaestiones  in  leyiorem 
modom  resolyere  institni.'* 

3)  YergeL  Zeissberg  (I),  S.  407,  en  Jocher,  I,  111. 


V. 


ü 


ver  I  alleenlijk  met  verhoogdu  eischen ,  die  met  de  meer  gerijpte 
krachten  in  overeenstemming  waren.  De  verschillende  vakken , 
welke  een  jongeling  te  beoefenen  had,  die  in  dio  dagen  eene 
hoogere ,  classiekc  beschaving  zocht  te  venverven ,  werden 
in  de  beide  hoofdafdeelingen  dor  Grammatica  en  der  Dialec- 
tica samengevat.  Tot  de  rubriek  der  Grammatica  werd  ge- 
bracht het  aanleeren  van  de  Latijnsche,  en  vervolgens  ook  van 
de  Griekache  taal ,  alsmede  de  lectuur  van  die  Latijnacbe  en 
Griekscbe  schrijvers ,  wetke  bij  den  leeftijd  pasten.  Als  spraak- 
kunst diende  voor  de  knapen  de  kleine  uitgave  van  „Donatus," 
aan  wiens  band  reeds  sedert  duizend  jaar  de  weetgierige  jeugd 
op  het  gebied  dezer  vreemde  taal  de  eerste  schreden  gezet  had. 
Keeds  in  1503  had  Jo hannes  Glogovienais  de  „achtdeelen 
der  taal"  van  dien  ouden  spraakkunstooaar  voor  de  Poolsche 
jeugd  uitgegeven ,  „opdat  de  lust  der  nieuwelingen  en  de  geest 
der  eerstbegionenden ,  naarmate  zij  van  de  lichtere  tot  de 
zwaardere  opgaven  voortgaan,  ook  des  te  meer  in  opgeruim- 
den  ijver  toenerae."  Mogelijk  heeft  hij  er  wel  aan  gedacht, 
hoe  zuur  het  eenen  levenslustigen  jongen  valt,  zich  met  die 
droge  vragen  gemeenzaam  te  maken;  daarom  roept  de  uit- 
gever, reeds  op  bet  titelblad,  de  hulp  in  van  Christus  Jezus 
en  van  zijne  moeder,  de  heilige  maagd  Maria,  opdat  het 
begin  der  studie  door  hen  gezegend  worde,  en  da  eeuwige 
God  met  zijnen  zegen  die  studie  tot  aan  het  eind  begeleide  i). 
Nadat  op  die  wijze  den  jeugdigen  knaap  een  vrome  moed  ia 
ingeboezemd,  en  bij  het  boekje,  benevens  eene  daar.mn  zich 
aansluitende  syntaxis  —  destijds  het  in  150-1  te  Krakau  ver- 
schenen tweede  deel  van  het  handboek  van  Alexander  Gal- 
licus,^)  —  ten  einde  gebracht  heeft,  wordt  het,  met  het 
toenemen    der  jaren,    meer   en    meer   het  doel,  om  zich  de 


1)  Jooher,  r.  59. 

2)  All  attabeveliüg  Tan  deie  ajntaiiB  voegt  de  uitgever,  Johaunea  Oio- 
(toviemi»,  het  rolgoude  hij  den  titel:  „AleiBniiri  Gallioi,  quom  plurimi 
ordinia  minuruni  sacroe  pngiiiae  profBsaorem  cicallontiaaimuni  oatalogoque 
aULClorum  iiiscriptum  affiraianl.  Secuad»  pHra  dortriiialis  uui  de  artiBoioaa 
dictiouum  ponalfuctioiie,  ordiiic  et  rtgimine  ciim  compcadioan  clacidatione 
pro  guniö 


45 


Latijnsche  taal,  in  gebonden  en  in  ongebonden  stijl,  in  die 
mate  eigen  te  maken,  dat  men  zich  op  eene  gemakkelijke, 
naar  het  voorbeeld  van  Cicero  gevormde  wijze  van  uitdruk- 
ken, zoowel  in  het  schriftelijk,  als  in  het  mondelijk  verkeer 
van  haar  bedienen  kan.  Ook  hierbij  ontbrak  het  niet  aan 
de  noodige  leerboeken.  Er  bestonden  reeds  verscheidene 
handleidingen  voor  briefstijl  („modus  epistolandi'*),  die  aan 
onze  hedendaagsche  „Briefschrijvers"  doen  denken,  en  aan- 
wijzingen behelzen,  wat  het  schrijven  betreft,  voor  bijkans 
alle  toestanden  des  levens ,  in  werkelijke  of  ook  in  ver- 
dichte voorbeelden.  Bovendien  waren  ook  te  Erakau  reeds 
verscheidene  uitgaven  van  de  Brieven  van  Cicero  versche- 
nen ,  met  name  van  zijne  ,,epistolae  familiares" ,  over  welker 
ontdekking  eenmaal  Petrarca  zich  zoozeer  verheugd  had ,  ter- 
wijl hij  de  grondige  studie  daarvan ,  ter  verkrijging  van  eenen 
goeden  stijl,  met  bezielde  woorden  aan  de  jeugd  had  aan- 
geprezen. Sommige  van  deze  Poolsche  uitgaven  waren  voor- 
zien van  nauwkeurige  aanteekeningen  en  van  eene  bloemlezing 
van  classieke  spraakwendigen  als  aanhangsel;  en  dat  onze 
Johannes  zich  reeds  vroegtijdig  in  de  kunst  moet  hebben 
geoefend y  dat  toont  zijne  voortreffelijke  schrijfwijze  in  latere 
jaren. 

Met  deze  drogere  grammaticale  studiën  ging  de  lectuur 
der  classieke  schrijvers  gepaard.  Een  blik  in  de  omstreeks 
dien  tijd  te  Krakau  verschenen  uitgaven  verleent  ons  ook  hier 
eene  nadere  aanduiding,  ten  aanzien  van  de  wijze,  waarop 
de  Poolsche  jeugd  met  de  Latijnsche  literatuur  werd  bekend 
gemaakt.  Reeds  in  1510  ziet  de  onvermijdelijke  „Eutropius" 
het  licht.  Yito  v.  Fürst,  keizerlijk  raadsheer,  en  Johan- 
nes Euchenmeister,  raadsheer  van  den  Aartsbisschop  van 
Mainz,  die  gedurende  den  winter  van  1509 — 1510  te  Erakau 
moesten  vertoeven ,  en  middelerwijl  den  genoemden  Latijnschen 
kroniekschrijver  der  vierde  eeuw,  die  vóór  eenen  menschen- 
leeftijd  het  eerst  te  Rome  gedrukt  was^  met  den  meesten 
ijver  bestudeerden,  bewogen  Haller  tot  deze  Poolsche  uit- 
gave. De  titel  doet  uitkomen,  dat  gedurende  het  drukken  de 
rijksdag  te  Petrikau  gehouden  werd;  dus  zal  de  Rijkskanselier 


46 


wel  niet  gedraald  hebben,  hot  geschrift  der  mannen,  met 
wie  hij  persoonlijk  liatl  omgegaan,  aan  zijne  leergierige  neven 
ter  hand  te  stellen,  Siillustius  eu  Coruelius  Nepus  werden 
ook  reeds  omstreeks  dien  tijd  te  Krakau  nagedrnkt;  alle 
prozaschrijvers  echter  werden,  wat  de  verspreiding  hunner 
werken  aangaat,  overtroffen  tloor  Cicero,  die  als  de  onover- 
trefbare meester,  als  weergaloos  model  eenstemmig  geprezen 
werd.  Het  zou  te  ver  voeren,  om  op  te  sommen,  hoevele 
Krakau'sche  uitgaven  van  afzonderlijke  geschriften  van  dien 
beroemden  man  reeds  beschikha^r  waren  voor  onze  jeugdige 
latinisten. 

Ook  met  de  Latijnsche  dichters  werden  zij  vroegtijdig  ver- 
trouwd. Vruchteloos  hebhen  wij  omgezien  naar  eene  Kra- 
kau'sche uitgave  van  Dionysius  Cato  uit  het  eerste  tiental 
jaren  der  zestiende  eeuw;  maar  de  vele  uitgaven,  die  in  het 
derde  en  vierde  decennium  snel  op  elkander  volgden,  geven 
genoegzamen  grond  om  te  onderstellen,  dat  deze  verzameling 
van  zedenspreuken ,  die  gedurende  al  de  Middeleeuwen  door 
de  jeugd  vlijtig  bestudeerd  werd ,  ook  aan  onze  jeugdige  lati- 
nisten niet  vreemd  zal  gebleven  zijn.  Tot  bewijs  daarvan  mag 
ook  Bti-ekken,  dat  eene  in  latere  jaren  (1531)  aan  onzen 
Johannes  gerichte  opdracht  van  een  geschrift  van  Luciaitus 
met  eene  zedenspreuk  van  Ca.tü  hegint,  en  de  uitgever  die 
kernspreuk  hij  zijnen  Maecena^i  als  bekend  vooronderstelt  Juist 
aan  dezen  schrijver  beproefden  bijkins  het  eerat  (153;i)  Pool- 
sche  en  Duitscbe  vertalers  te  Krakau  hunne  kunst,  die 
voor  den  leerling  de  moeilijkheden  der  taal  tracht  te  ver- 
lichten, en  toch  niet  in  staat  is,  om  woordelijk  de  spreuk  in 
dichtmaat    weer   te   geven  ^).     Bekend  is    de    lofspraak   van 


1)  Ter;ie].  de  voorrede  der  uitf^TP,  ander  den  titel 
morftlJB  Knsmo   Botnvdamo   Latino  cutigatore, 
msnico  idiomate 

noQQunqi 


negk 

rillinioram  oonclua 
miDR  diount,  —  I 
J}uitac)ie  TertAÜQg. 


CracoTÏBB  UDXLIIII:   ..Fideliter  iaterpretautes, 

Terbuni  vorbo  reddere,   turn  ob  difficilem  verborara 

urn  ob  inuaitataiD  et  disaonam  in  aimililcr  padonlctn 

em."     De   spreuk:   ,,8i  deus  est  aaimua,  nobia  uC  car- 

lïbi   pnecipue  >it  purn  meute  oolenduii,"  Inidt  iu  de 

iDieweii  Guit   iat  ei»   enig  Weaeii,  —  Als  wir  in  dcii 


47 


Lather  op  den  nu  geheel  vergeten  moralist  uit  de  zesde  eeuw, 
dat  hij  het  dankbaar  erkent  als  eene  bijzondere  genade  Gods , 
dat  hij  dit  boekje,  benevens  de  fabelen  van  Aesopus,  als 
twee  nnttige  en  heerlijke  werkjes,  in  de  scholen  heeft  mogen 
behouden  ^).  Ook  de  fabelen  van  Aesopus  in  het  Latijnsche 
gewaad,  dat  Phaedrus  haar  gegeven  heeft,  bleef  aan  onze 
jeugdige  beoefenaars  van  het  Latijn  niet  vreemd;  of  La  ski 
in  later  tijd  aan  die  fabelen  dezelfde  waardeering  geschon- 
ken heeft,  als  de  Duitsche  Hervormer  in  het  aangehaalde 
dischgesprek ,  weten  wij  niet  ^).  Terdege  moesten  de  jongens 
Yergilius  en  Horatius  bestudeeren.  De  Brief  van  den  laatst- 
genoemden aan  de  Piso's  had  reeds  in  1505  te  Erakau  het 
licht  gezien.  De  aesthetische  grondstellingen  van  den  hoog- 
geroemden  dichter,  welke  hij  in  dien  Brief  op  zulk  eene 
levendige  wijze  uiteenzet,  moesten  aan  de  knapen  tot  leid- 
starren strekken,  wanneer  zij  hunne  Latijnsche  oefeningen 
in  gebonden  stijl  hadden  te  bewerken. 

De  voortreffelijke  wijze,  waarop  de  drie  broeders  zich  van 
de  Latijnsche  taal  bedienden ,  gelijk  wij  die  ook  in  hun  later 
leven,  zoowel  wat  het  mon delijk,  als  wat  het  schriftelijk 
verkeer  betreft,  van  de  verschillendste  zijden  hooren  roemen , 
is  gewis  voor  een  deel  de  vrucht  van  die  vroegtijdige  oefening. 
De  hooge  begaafdheid  voor  vreemde  talen,  die  alle  Laski's 
onderscheidt,  werd  grootelijks  bevorderd  door  de  liefelijke 
gave,  die  Polen,  juist  op  dit  gebied,  aan  zijne  zonen 
op  hunnen  levensweg  medegaf  en  geeft.  Snel  en  gemakke- 
lijk maakt  de  Slavoniër  zich  met  een  vreemd  taaleigeu  ge- 
meenzaam ;  in  korten  tijd  gelukt  het  hem ,  om  de  andere  taal 


Gesehriftea  leeen,  —  So  wölst  denselbon  dorch  sein  gut  —  Eren  Toranss 
mit  lauterm  gemat."  Denzelfden  rijkdom  van  woorden  heeft  de  spreuk  in  de 
daftrbij  geroofde  Poolsche  overzetting. 

1)  Lather.  LXH,  459. 

2)  Lather,  LXII,  459:  Aesopus  hat  feine ,  liebliche  „res  et  picturaa  ac 
si  moralia  adhibeantur  adolesoentibus,  tum  mnltum  aedificant."  Und  als  viel 
ich  arteile  und  yerstehen  kann,  so  hat  man  nttchst  der  Bibeln  keine  bessere 
Bücher,  Aenn  das  ,,Catonis  scripta"  und  die  „^fthulas  Aesopi." 


4S 


in  zulk  eenc  mate  ta  beheerschen ,  alsof  zij  zijne  moedertaal 
geworrlen  was. 

Aan  de  studiën  iu  de  Qrammatica  paarde  zich  het  onder- 
richt in  de  Dialectica.  Deze  technische  uitdrukking  omvatte 
in  dien  tijd  méér,  dan  wij  tegenwoordig  in  engere  bepaling, 
ouder  dat  woord  verstaan:  behalve  de  wijsgeerige  studiën, 
ook  nog  mathematica  en  arithmetica.  Met  vele  wijsgeerige 
onderwerpen  werd  toenmaals  reeds  de  aankomende  jongeling 
gekweld.  Het  was  de  groote  leermeester  Aristoteles,  die, 
gelijk  zelden  eenige  menschelijke  geest,  eeuwen  achtereen  op 
zijn  gebied  als  onbestreden  alleenheerscher  gehuldigd  werd , 
wiens  leerstellingen  reeds  vroegtijdig  aan  de  scholieren ,  tot 
eene  oefening  van  den  geest ,  werden  medegedeeld.  Ook  te 
dezen  aanzien  had  de  magister  Johannes  van  Glogau  het 
zijne  gedaan,  om  dea  jongeling  het  betreden  van  de  ge- 
wijde voorhoven  der  philosophie  gemakkelijker  te  maken. 
Verachillende  schoolboeken  getuigen  van  zijne  werkzaamheid , 
zooals  o.  a.  zijn  werk:  „Liber  posteriorum  analecticorum 
Aristotelis", ')  hetwelk  reeds  in  1499  te  Krakan  versche- 
nen was.  Op  de  Logica  van  Aristotelea  werd  daarom  zulk 
een  nadruk  gelegd ,  omdat  men  den  opwassenden  jongeling 
alzoo  op  degelijke  wijze  wilde  voorbereiden  voor  de  studie 
van  Duns  Scotus,  wiens  grondstellingen  destijds  in  Polen 
het  hoogste  i-ezag  bezaten.  Ongetwijfeld  zal  ook  onze  Jo- 
hannes ,  de  toekomstige  priester ,  zich  ijverig  hebben  toegelegd 
op  de  „Vragen  der  ouda  en  der  nieuwe  Logica",  welke 
Johannes  Stobnicensis   in   1508   te  Krakau  in  het  licht 


1)  De  ToUedige  titel  vaa  het  book  (Jorlier,  I,  123)  brongt  ons  uagonueg 
Toldorode  op  dr  hoogte ,  loowet  irnt  den  inhoud ,  >U  ook  wat  de  bedoeliug 
TBD  deu  uilgever  betrett:  „Üt  ïtaque  Aristotelis  in  libris  posterionmi  pro- 
CDssus  et  ars  demonstrativa  sd  iulcIligeDduin  ail  facilis,  quaastlomimque  Ma- 
giatri  JohaaniH  versoria  in  lïbros  posteriaruin  Aristotelin  intellectua  siC  planior 
et  addiacentibna  levior,  ego  Magtater  Johaunes  Qlogovieiiaia  pro  laude  Dei, 
gloria  famaque  uuiversitatii  nostrae  communemque  adulescentum  profectum 
Dodoaam  et  perpleinin  quaentioaum  librorum  posteriomm  Ariatolelia  aeaten- 
lüm  ia  leTiorem  modum  reoaUigere  institui.  Egidii  romam  doctorin,  Tliouiae 
Aquinatia,  Pauliquc  de  Veitetüa  tiri  duotiaaimi  et  aUoriim  Inlflrprotationes 
et  eiplauationeij  adducam." 


49 


zond  y  en  in  de  opdracht  van  welk  geschrift  aan  den  vice-Kanse- 
lier  van  Ej-akau  hij  bekent,  dat  hij  voor  de  degelijke  vorming 
van  een  jongeling  geen  nuttiger  werk  kent ,  dan  deze  „logische 
onderzoekingen",  die ,  op  den  grondslag  der  Logica  van  Aris- 
toteles,  het  eerst  door  Michaël  Parisiensis  waren  uitgegeven. 
Ze  zijn,  volgens  zijn  gevoelen,  zoo  helder,  zoo  juist,  zoo 
veel  omvattend;  hij  kent  geen  ander  werk,  dat  zoo  gemak- 
kelijk en  zeker  als  dit,  den  leerling  de  meening  van  Duns  Sco- 
tus  doet  verstaan.  Uit  deze  onderzoekingen  heeft  hij  zelf ,  gelijk 
h^  verklaart^  de  eerste  beginselen  zijner  wijsgeerige  kennis 
gepot ,  en  vele  andere  jongelingen  hadden  zich  dit  geschrift  op 
gelijke  wijze  ten  nutte  gemaakt.  Of  in  het  vervolg  onze  Johannes 
zich  zelven  onder  deze  schare  gerekend  heeft,  weten  wij  niet; 
in  elk  geval  toonen  zijne  latere  werken ,  dat  hij  alle  scholas- 
tieke terminologie,  indien  hij  zich  die  ooit  heeft  eigen  ge- 
maakt, geheel  en  al  had  afgelegd.  Dit  alleen  wordt  ons 
bericht,  dat,  terwijl  de  jeugdige  godgeleerde  zich  mogelijk 
in  zulke  dialectische  studiën  verdiepte,  zijn  jongere  broeder 
Stanislaus,  met  groote  voorliefde  en  tevens  met  uitnemend 
gevolg,  zijne  krachten  aan  mathematische  studiën  wijdde. 
Juist  in  die  jaren,  in  welke,  als  één  der  schitterendste  sterren 
der  Erakau'sche  universiteit,  Albert  v.  Brudzewo,  deleer- 
meester van  Eopernicus,  voordrachten  hield  over  wis-  en 
sterrenkunde,  en  een  groot  aantal  bezielde  leerlingen  aan 
zijne  voeten  verzameld  zag ,  drong  de  lust  en  liefde  tot  dozo 
vakken  ook  reeds  tot  de  schoolvertrekken  door,  en  maakte 
zich  meester  van  de  jongelingen,  die  neiging  tot  dat  vak 
bezaten.  Wellicht  ook  van  onzen  Johannes,  zoo  wij  althans 
onder  de  redenen,  die,  in  1531,  Joseph  Struthius  be- 
wogen,  om  aan  hem,  als  zijnen  hooggeprezenen  Maeccnas, 
zijne  uitgave  der  Astrologie  van  Lucianus  van  Samosata  te 
wijden y  ook  deze  onderstellen  mogen,  dat  hem  het  bedoelde 
gebied  niet  vreemd  gebleven  was. 

De  strenge  en  geleerde  oom  lette  er  scherp  op,  dat  zijne 
neven,  onder  ernstige  tucht  en  oefening,  zich  de  noodige 
kundigheden  verwierven;  hunne  groote  leergierigheid,  de 
hooge    begaafdheid,   die  zij  reeds  vroegtijdig  aan  den  dag 

DALTOV.  4 


50 


legden,  vervulde  gemakkelijk  en  gewillig  de  gestelde  eischen. 
De  tijd  werd  niet  uitsluitend  in  wetenschappelijke  studiën 
gesleten;  ook  op  flinke  lichamelijke  ontwikkeling  werd  bij 
de  zonen  van  den  Poolschen  adel  bijzonder  gelet  Reeds 
vroegtijdig  zette  de  knaap  in  het  vaderlijk  slot  zich  in 
den  zadel,  en  bet  duurde  niet  lang,  of  hij  wist,  als  een 
geoefend  ruiter,  naar  hartelust  zijn  paard  te  besturen.  De 
paardenatal  in  het  aiirtabisschoppelijk  paleis  was  ruim  genoeg, 
dat  de  jonge  baronnen  de  kunst,  in  welke  zij  zich  geregeld 
geoefend  hadden ,  in  de  stad  niet  behoefden  vaarwel  te  zeggen. 
De  hanteering  der  wapenen  bleef  den  vrijgeborenen  knaap 
niet  lang  vreemd,  zoodra  hij  slechts  de  noodige  krachten, 
om  ze  te  voeren ,  verkregen  had.  Dan  werd  echter  ook  reeds 
tijdig  zijn  dringend  verlangen  verwezenlijkt,  om  nl,  aan  het 
jachtvermaak  der  grooten  te  raogen  deel  nemen.  Daarbuiten, 
in  het  onherbergzame  woud  met  zijne  ruwe  hindernissen,  of 
op  den  vochtigen  moerasgrond,  werd  het  jeugdige  lichaam 
gesterkt  en  gehard,  en  in  het  onverschrokken  overwinnen 
van  menig  gevaar  in  het  aan  wild  zoo  rijke  geboorteland , 
reeds  tijdig  de  zenuw  gestaald.  Hetgeen  de  knapen,  met 
betrekking  tot  het  jachtvermaak,  te  huis  genoten  hadden, 
daarvan  behoefden  zij ,  gedurende  hun  verblijf  te  Krakau , 
niet  geheel  en  al  afstand  te  doen.  De  schilderachtige  en 
vpild-romantiscbe  Karpathen  lokten  tot  menige  jachtpartij  uit, 
en  nahijgelegene  goederen  der  familie  van  moederszijde  (Lans- 
koron)  boden  de  gelegenheid ,  om  dezen  lust  te  bevredigen. 
Voor  zoover  het  ons  mogelijk  is,  om  uit  de  spaarzame 
mededeelingen  aangaande  de  opvoeding  van  den  Poolschen 
adel  van  den  toenmaligen  tijd  ons  een  helder  beeld  te  vor- 
men, herinnert  ons  dat  niet  zelden  meuigen  in  het  oog  val- 
lenden trek  der  opvoeding,  gelijk  die  nog  heden  ten  dage 
pluats  vindt  in  de  oude  scholen  van  Engeland ,  op  welke  de 
snel  wisselende  tijd  nauwelijks  eenigen  merkbaren  invloed  heeft, 
Ook  daarin  ontmoeten  wij  eenen  belangrijken  ü-ek  van  over- 
eenkomst, dat  in  de  huizen  van  den  adel,  zoowel  hier,  als 
ginds,  de  opwaaeende  zoon  verneemt,  wat  het  gemoed  der 
vaderen   beweegt    Nog    mogen  de  knapen  niet  persoonlijk 


51 


aan  het  onderhoud  deel  nemen ,  maar  ze  zijn  stille ,  opmerk- 
zame toehoorders ,  en  verkrijgen  op  deze  wijze ,  in  het  gezellige 
bijeenzijn  met  den  rijpen  leeftijd «  bijkans  zonder  inspanning, 
een  deel  van  hunne  bijzondere  ontwikkeling.  Hunne  vaders, 
destijds  in  Polen,  hedendaags  nog  in  Engeland,  waren  niet 
werkelooze  toeschouwers  van  hetgeen  in  de  wereld  voorviel. 
Zij  gevoelden  zich  geroepen,  om  ook  zelve  werkzaam  in  te 
grijpen  in  de  lotgevallen  des  vaderlands;  en  het  vaderland 
van  eenen  Pool  was  toen  minstens  van  even  groote  be- 
teekenis,  en  oefende  eenen  even  machtigen  invloed  op  de 
gebeurtenissen  des  tijds,  als  heden  ten  dage  de  stelling  van 
Engeland  in  den  raad  der  volken.  In  het  trotsche  gevoel 
hunner  nationaliteit  staan  echter  de  bewoners  van  beide 
landen  naar  waarheid  met  elkander  gelijk.  Het  bijkans  uit- 
sluitende zoogenaamde  classieke  onderricht  heeft  bij  de  zonen , 
ginds  van  den  Poolschen  senator,  hier  van  den  Engelscheu 
lord,  oog  en  oor  ontsloten,  en  geenszins  deze  organen  des 
geestee  door  eene  overmaat  van  voorwerpen  verzwakt  en 
verstompt;  en  met  het  aldus  gewekte  verstand  verkrijgt  de 
jongeling  vervolgens,  door  den  omgang  en  het  leven  zelf, 
de  noodige  ervaring  voor  zijn  bijzonder  beroep.  AUeeniyk 
in  meerder  ontzag  en  dieperen  eerbied  voor  de  volwassenen 
en  de  bejaarde  leden  der  familie  werd  de  Poolsche  jongeling 
opgevoed;  bij  het  levendigst  gevoel  van  piëteit  voegde  zich 
de  volstrekte  eerbiediging  van  den  wil  der  ouders  en  der- 
genen, die  in  hunne  plaats  de  opvoeding  bestuurden.  Ook 
in  dezen  trek  vertoont  zich  een  schoon  kenmerk  van  het 
Slavische  karakter  met  zijne,  op  innige  vroomheid  berustende, 
gewillige  onderwerping  aan  zijne  meerderen,  tegenover  het 
even  schoone,  krachtige  gevoel  van  onafhankelijkheid  en  de 
vrijheidszucht  van  den  Angelsakser. 

Ten  einde  aan  zijne  neven  het  groote  voordeel  te  kunnen 
verschaffen,  hetwelk  het  vroegtijdig  samenleven  met  de  aan- 
zienlijke mannen  des  vaderlands  voor  de  jeugd  oplevert, 
uit  dien  hoofde  voornamelijk  had  de  Rijkskanselier  en  Aarts- 
bisschop  de  veelbelovende  knapen  uit  hun  vaderlek  slot  op 


'ê 


bet  land  tot  zich  in  de  stad  laten  overkomen.  Het  buis  van 
den  hoogaatzienlijken  man  vormde  eene  verzamelplaats  van 
bet  uitgelezenste  gezelschap.  Reeds  zijne  hooge  waardigheid 
bracht  mede,  dat  de  toongevers  op  tweeërlei  gebied  ge- 
meenzaam met  bem  verkeerden.  Den  Aartsbisschop  kwamen 
de  bisschoppen  des  lands  bezoeken,  bij  den  Primaat  ont- 
moette men  de  staatsHeden  des  rijks  en  de  gezanten  der 
vreemde  hoven.  Nog  eene  bijzondere  aantrekkingskracht 
oefende  Laski's  persoonlijkbeid.  Zijne  groote  geleerdheid, 
zijn  rijp  oordeel,  ook  op  wetenschappelijk  gebied,  de  booge 
adel  van  zijne  denkwijze,  de  geheele  voortrefFelijkbeid  van 
zijn  wezen ,  in  vereeniging  met  zijn  verlangen  naar  geestrijkeo 
omgang,  maakte  het  gastvrije  huis,  dat  voor  elk  toegankelijk 
was ,  aantrekkelijk  voor  zoovele  begaafde  mannen  der  weten- 
schap en  der  kunst,  als  Krakau  destijds  binnen  zijne  muren 
bevatte.  En  in  dien  bloeitijd  van  Polen  waa  bun  getal,  voor- 
waar, niet  gering. 

Ook  op  geestelijk  gebied  bad  het  rijkgezegende  land  juist  toen 
bet  toppunt  zijner  ontwikkeling  bereikt,  en  maakte  zich  wel- 
licht in  datzelfde  tijdsgewricht  gereed ,  om  van  die  hoogte  weder 
af  te  dalen.  De  beschaving  van  den  Poolschen  adel ,  omstreeks 
dien  tijd ,  trok  de  verbaasde  blikken  der  andere  volken  tot 
zichj  hetgeen  buiten  Polen  de  geesten  in  beweging  bracht, 
vond  bier  levendigen  weerklank ,  geopenden  toegang  en 
vrijmoedige  bescherming.  Ook  het  Humanisme,  door  het 
herleven  der  wetenschappen  in  de  vijftiende  eeuw  ont- 
waakt, overschreed,  op  zijnon  tocht  door  de  beschaafde  lan- 
den van  Europa,  de  Poolache  grens,  vestigde  zich  in  het  ook 
te  zijnen  aanzien  gastvrije  land,  en  werd  spoedig  onder  de 
hoogere  standen  der  maatschappij  algemeen  gebiUdigd.  In- 
zonderheid was  dit  het  geval  in  Krakau,  werwaarts,  in 
het  jaar  1 400 ,  koning  W 1  a  d  i  s  t  a  w  de  universiteit ,  die 
reeds  in  1364  door  Kasimir  den  Groote  gesticht  was,  uit 
de  vochtige  stad  Kasimir  verplaatste.  Het  was  voor  de 
zonen  van  den  adel  de  mode  geworden,  om  zich  een  paar 
jaren  buitenslands,  in  de  hoofdzetels  der  wetenschap,  aan 
de   studiën  te  wijden;   leergierig   en  begaafd  als  zij  wai'en. 


53 


zg  BKt  eoA  TMbdULT  gemoed  de  iiieawe«  loo  diep- 
hoBumisdsoiie    beweging    dier    dd^A    in    lioh 
ofL     Duama  ^    in   hnn   groote   Tsderiand «   op   hunne    een- 
zune   sloüen   ttroggekeeid «   hielden    zg    de    door    hen   ver- 
Lidene  opvekking  lerendig,  gedeeltelijk  in  rereeniging  met 
hmne  leeizazne  zosters.  met   welke  zij   toch  ook  gezaweii- 
Igk    in    Troeger   jaien«    op    het    raderlijk    slot,    door   den 
paadagoog  des  huizes  in  de  Latijnsche  taal  onderwezen  wan>n« 
De  iQsteloozey  ongestadige  b^^eerte  om  te  reiien«  liie  zioh 
Tan  niet  weinige  humanisten  had  meester  gemaakt,  en  hou 
Tan  oord  tot  oord  deed  zwerren,  om  in  oude  kloosters  naar 
Terloren  geraakte  handschriften   onderzoek   te  doen,  of  om 
de  pas  verkr^ne  kundigheden  in  alle  richtingen  te  versprei- 
den, had  reeds  verscheidene  van  deze  ,,dolende  liodon'*  i>ok 
naar  het  verre  land  der  Sarmaten  gevoerd.  Hunne  verbazing 
was  dan  niet  gering,  wanneer  zij  op  de  burchten,  to  midden 
Tan  eene  ruwe  wildernis ,  zoo  veel  beschaving  en  konnis  aan* 
wezig  vonden,   en  wanneer  zij   in  Krakau  en  in  do  andere 
steden  met  eene  grootendeels  Duitsche  burgerij  oen  zoo  op« 
gewekt  leven,   eene  zoo  bedrijvige  beweging  aantroffen.     Do 
beroemde  geschiedschrijver  Dlugosz    kan   aan    Zbigneus, 
den  toenmaligen  (1450) ,  bijkans  alvermogenden  Bisschop  van 
Krakau,   aan  wien   de   Paus  den  kardinaalshoed  vorloondo, 
berichten,   dat  Aeneas   Sylvius,  de  latere  paus  Pius  II| 
die  als  één  der  voornaamste   schrijvers   van  zjjnen  tijd,  on 
tevens  door  zijne  welsprekendheid  in  het  Latijn  beroomd  was , 
zijne  verwondering  had   betaigd   over  het  schrijven,  dat  hij 
uit  het  gewaande  barbaarsche  land  ontvangen  had.    Volgens 
den  berichtgever  had   Aeneas  de  aanwezige  Duitschors  tot 
jaloezie  geprikkeld  door  te  zeggen ,  dat  deze  brief  eene  schande 
voor  hen  was,  want  hij  was  zoo  schoon  en  rijk  in  donkbool- 
den,  dat  hij  zelf  niet  wist,  of  hij  er  wel  in  slagon  zou,  om 
dien  geheel  naar  waarde  te  beantwooüden.    Do  brief  was  in 
zijn  oog  een  bewijs ,  dat  er  in  Polen ,  zoowel  wat  do  thoorio , 
als  wat  de  practrjk  betreft,  uitstekende  koppen  waron,  tor- 
wijl,  naar  zijne  meening,  in  geheel  Duitschland  wol  niemand 
zou  te  vinden  zijn,  die  in  staat  was,  om  in  oven  voortreffo- 


61- 


lijke  bewoordingen  te  schrijven  ^).  Toen  de  hooggeëerde  hu- 
manist Filippo  Buonaccorsa  da  Gemignano,  meer  be- 
kend onder  zijnen  auteursnaam  Callimachus,  uit  Rome 
vluchten  moest,  dewijl  paus  Paulus  II  van  het  Humanisme 
afkeerig  was,  begaf  hij  zich,  door  weetgierigheid  en  reislust 
gedreven,  naar  Polen  (1470),  vestigde  zich  te  Krakau  als 
student  aan  do  universiteit,  en  werd  opvoeder  en  nader- 
hand vertrouweling  der  koninklijke  prinsen.  Zijn  invloed  , 
dien  hij  aanwendde  om  het  Humanisme  in  Polen  te  versprei- 
den, was  niet  gering;  een  Italiaansch  bisschop  vervaardigde 
op  hem  het  niet  geheel  onjuiste  epigram: 


„Toea  ïODi 
Heeft  hij  6 


Terwijl  Callimachus  voor  het  Humanisme  in  Polen  den 
weg  baande,  vertoefde  te  Krakau  Koenraad  Celtes,  dit 
echte  type  van  eenen  zwervenden  humanist  uit  den  toenma- 
ligen  tijd.  Hij  was  te  Rome  een  leerhng  van  Pomponiits 
Laetus  geweest,  en  had  van  den  Duitschen  Keizer  bereids 
den  doctorshoed  ontvangen .  maar  achtte  bet  nochtans  niet 
beneden  zich ,  om  zich  aan  de  Poolsche  universiteit  als  student 
te  laten  inschrijven  (1497).  Zoo  was  hij  dan  nu  inderdaad 
leerling  en  leeraar  te  gelijk!  Terwijl  hij,  den  eenen  dag,  aan 
de  voeten  van  Albert  v.  Brudzewo  gezeten  was.  en  diens 
voordrachten  over  wis-  en  sterrenkunde  aanhoorde ,  verzamelde 
bij,  des  anderen  daags,  eenen  kring  van  bezielde  leerlingen 
rondom  zich,  voor  welke  bij  als  gast  voordrachten  hield  over 
dicht-  en  redekunst,  Ja,  zelfs  eene  loot  der  Platonische 
Academie  verplantte  hij  van  de  Tiber  naar  de  Weichsel,  ter- 
w^l  hij  te  Krakau  het  letterkundig  genootschap  stichtte ,  dat 


1)  I  ZeUsberg,  3.  2U. 

2]  BIJ  Bnacoe  il,  H)  luidt  het  atdtu:  „CHlUmaohus,  Biirbos  fugisna  ex 
iirin'  fiirorcB.  Barbsni  quae  ftierant  regna,  Lstin»  feeit."  Psulua  II  mw, 
gelijk  belceod  ii.  afkoniBtig  uit  het  huia  Bsrbo,  dnt  meemiHlaD  in  dea  loop 
des  tijda,  in  ea\e\e  TBrlugenwoordigsn ,  BDaUiding  tot  dergelijke  hekeleode 
tul  gcgereu  hocfL 


55 


zich  naar  de  Weichsel  noemde  („Sodalitas  litteraria  Vista- 
lana*').  Ook  eene  jonge,  edele  Poolsche,  Hasilina  v.  Rzy- 
tonicz,  treedt  in  nadere  betrekking  tot  den  Duitschen  hu- 
manist, de  in  zijne  Oden  hooggevierde  „noordsche  EIsala'\ 
van  wie  hij  de  Poolsche  taal  leerde ,  terwijl  hij  haar  in  zijne 
moedertaal  onderwees  0.  Het  is  een  voortreffelijk  schrijven, 
dat  de  Poolsche ,  vertoornd  over  zoodanige  openbaarmaking , 
aan  den  dichter  richtte,  een  ondubbelzinnig  getuigenis  van 
het  kiesche  gevoel  voor  eer  en  fatsoen,  hetwelk  de  Poolsche 
vrouw  bezielde,  en  haar  angstvallig  deed  terugbeven  voor 
elk  te  voorschijn  treden  in  het  openbaar^). 

Gallimachus  was,  wel  is  waar,  niet  meer  inleven,  toen 
de  jonge  La  ski 's  te  £j*akau  werden  opgevoed,  en  ook 
Celtes  was,  een  tiental  jaren  geleden,  weder  naar  Duitsch- 
land  vertrokken;  doch  de  invloed  van  zoodanige  mannen  en  van 
dienen,  die  van  eene  gelijke  gezindheid  waren  als  zij,  hield 
met  hun  heengaan  niet  op.  De  geestelijke  beweging,  die  zij 
hadden  opgewekt,  strekte  zich  in  eenen  broeden  kring  uit, 
en  de  frissche  en  krachtige  golfslag  liet  niet  na,  zijne  wer- 
king te  doen  gevoelen  aan  het  gezelschap,  dat  zich  ge- 
woonlijk in  het  huis  van  den  Aartsbisschop  vereenigde.  Deze 
laatste,  die  met  Gallimachus  in  zijne  krachtigste  jaren 
bekend  was  geweest,  was  zekerlijk  ook  niet  vreemd  aan  de 
„ Weichsel- Vereeniging."  De  opgroeiende  jongelingen ,  die 
zelven  met  den  meesten  ijver  zich  aan  de  studie  der  clas- 
sieken  overgaven,  moesten  natuurlijk  in  hooge  mate  door 
zulk  eene  omgeving  in  hun  streven  ondersteund  worden. 

Dat  was  de  geestelijke  lucht,  die  de  jonge  Laski's,  ge- 


1)  Jocher  (I,  467)  yenneldt  het  Tenje  yan  CelteB:  ^Candidus  interpres 
Hasilinae  stepe  fuisse  —  Germanam  lingnam  sprevit  ut  illa  meam.  —  Turn 
ego  oondidici  te  praeoeptore  puella  —  Sarmaticae  linguae  barbara  yerba  loqui." 
Terzelfder  plaatse  is  ook  zijne  XIII.  Ode  »,ad  Hasilinam''  afgedrukt. 

2)  De  brief  is  opgesteld  in  de  Boheemsche  taal,  die  destijds  yr\j  algemeen 
in  de  sloten  yan  den  Poolschen  adel,  ook  door  de  yronwen,  in  hot  schrijyen 
en  spreken  gebezigd  werd.  Aschbach  geeft»  in  zijne  boeiende  yerhandeiini; 
oyer  de  yroegere  omzwenringen  yan  Koenraad  Celtes»  het  origineel,  beneyens 
eene  yertaling.  (Bericht  aangaande  do  ycrgadering  dor  Koninklijke  Academie 
der  Wetenschappen  te  Weenen,  LX.  147). 


durende  hunne  vorming  te  Krakau,  inademden.  Hun  later 
leven  bewijat,  dat  deze  atmosfeer  hun  kracht  gegeven,  en  hen 
vooi'  de  toekomstige  levensroeping  terdege  voorbereid  heeft. 
Zij  hadden  in  den  loop  des  tijds  de  jaren  bereikt ,  dat  zij , 
au,n  de  huiselijke  opvoeding  ontwiiBsen,  op  eene  hoogeschool 
hunfie  laatste  vorming  verkrijgen  moesten.  De  Poolsche  univer 
aiteit  zou  wel  in  staat  gevïeest  zijn ,  om  hun  die  te  verleenen. 
Zij  telde  het  getal  harer  studenten  bij  vele  honderden , 
en  uitstekende  professoren  in  verschillende  vakken  droegen 
tot  het  aanzien  der  universiteit  niet  weinig  bij.  Maar  het 
was  nu  eenmaal  de  gewoonte  van  den  adel ,  om  zijne  zonen , 
tot  voltooiing  van  hunne  studiën,  naar  het  buitenland  te 
zenden.  Parijs ,  Bologna  en  Piidua  bezaten  voor  de  I'olen , 
die  gaarne  vreemde  landen  bezochten,  eene  grootere  aan- 
trekkingskracht, dan  de  vaderlandsche  universiteit  Voorheen 
behoorde  ook  het  stamverwante  Praag  tot  deze  bij  voorkeur 
bezochte  hoogescholen ,  maar  de  oorlogen  met  de  Hussieten  en 
de  dientengevolge  uitgevaardigde  verordeningen  tegen  het  be- 
zoeken van  deze  academieatad ,  die  door  de  ketterij  besmet 
was,  hadden  nadeelig  op  deze  voorliefde  gewerkt.  Wat  onxe 
jonge  Laski's  betreft,  lag  de  besUssing,  waar  hunne  studiën 
moesten  worden  voortgezet,  in  de  hand  van  hunnen  oom; 
zijne  ambtsbezigheden  in  dien  tijd  bepaalden  de  keuze  der 
universiteit. 


3. 


De  eerste  studiereis  in  het  Buitenland. 

a)   Te   Rome. 


Het  begin  van  het  jaar  1512  ging,  wat  Erakau  betreft, 
met  groote  feestelijkheden  gepaard,  en  voerde  eene  groote 
menigte  van  aanzienlijke  gasten,  vooral  uit  Hongarije  en 
Polen,  derwaarts.  Den  8"*«°  Februari  had  het  huwelijk  en 
de  kroning  plaats  van  prinses  Barbara^  de  éénige  dochter 
van  Stephanus  von  Zapolya,  welke  vorstin  met  koning 
Sigismund  in  den  echt  trad.  De  trou wrede  hield  Johannes 
Staphileus,  die  door  paus  Julius  II  gezonden  was»  om 
den  Koning  uit  te  noodigen  tot  het  zenden  van  afgevaardigden 
naar  het  Lateraansche  concilie.  Twee  punten  waren  in  de 
schriftelijke  uitnoodiging  op  den  voorgrond  gesteld.  Voor- 
eerst moest  het  de  taak  van  dit  laatste  concilie  vóór  de 
Reformatie  wezen,  om  „de  Kerk,  die  zonder  vlek  on  rimpel 
behoort  te  zijn ,  door  eene  heilige  reformatie ,  gegrond  in  de 
liefde  tot  God  en  den  naaste,  tot  hare  vroegere  waardigheid 
en  tot  ware  godsvrucht  te  vernieuwen,  en  vervolgens  alle 
krachten  der  gezamenlijke  Christenheid,  met  den  meesten 
ijver  en  eenparig ,  te  richten  tegen  de  vijanden  van  den  chris- 
telijken  naam",  i)   Koning  Sigismund  beloofde,  dat  hij  door 


1)  yfTomioiana /'  II»  15:  »,  .  .  .  quo  et  ecclesia  Dei  quae  debet  ctse  sine 
maoulB  et  sine  ruga,  per  sanctam  reformationem  in  caritate  Dei  et  proximi 
fandatam,  ad  pristinum  decus  et  reram  religionem  reformetur  et  tandem 
uniTersae  christianomm  Tires,  paccatis  inter  eosdem  rebus,  adiersus  chris- 
tiani  nominis  hostee  studiosissime  ac  unanimiter  convertantnr. .  **  Het  maakt 
eenen  berreemdeuden  indmk,  doch  is  tevens  kenmerkend,  dat  sulk  een  ont- 


zijne  gezanten  het  ontworpen  concilie  zou  laten  bijwonen,  en 
benoemde  daartoe  als  geestelijken  zendbode  den  Aartsbisschop 
van  Gnesen,  als  wereldlijken  den  Burchtïoogd  („Kastelein")  van 
Kalisch,  Stanialaus  Ostrorog.  Beide  afgevaardigden  maak- 
ten intUBSchea  ,  en  wel  met  toestemming  des  Konings ,  weinig 
haast  met  hun  vertrek ;  men  toonde ,  over  het  geheel ,  niet  veel 
ijver  om  deel  te  nemen  aan  een  concilie ,  dat,  in  den  grond  der 
Baak ,  allereerst  slechts  eene  demonstratie  van  den  Paus  tegen 
het  concilie  van  Pisa  was,  en  van  welks  reformatorische 
pogingen  de  reeds  al  te  vaak  ontgoochelde ,  en  eindelijk  mis- 
moedig geworden  volken  zich  slechte  weinig  beloofden.  Slechts 
een  paar  van  de  vreemde  gezanten  waren  aanwezig,  toen, 
op  den  3°  Mei  1512,  de  beroemdste  kanselredenaar  van 
zijnen  tijd,  Egidius  van  Viterbo,  de  openingsrede  hield. 
Het  zou  echter  wenschelijk  geweest  zijn,  dat  juist  bijzonder 
vele  en  volgzame  toehoorders  deze  belangrijke  rede  hadden 
bijgewoond,  in  welke  de  vrijmoedige  Generaal  der  Augustijners 
de  Kerk  en  haai-  toenmalig  zoo  krijgshiiftig  opperhoofd  opriep . 
om,  met  het  oog  op  de  voorgestelde  overwinning,  de  rechte 
wapenen  aan  te  gorden,  nl.  godsvrucht,  waarheidsliefde, 
gebed  als  het  pantser  des  geloofs,  en  het  zwaard  des 
lichts  1),  —  Gewichtige  onderhandelingen,  inzonderheid  met 
de  Duitsche  orde  en  haren  grootmeester,  Alhrecht  van 
Pruisen,  en  ter  oorzake  van  den  dreigenden  oorlog  met  de 
Russen,  Tartaren  en  Turken,  hielden  den  Primaat  des  rijks 
nog  op  den  rijksdag  te  Petrikau  terug.  Ook  bij  het  generaal- 
convent  van  Posen ,  dat  onmiddellijk  daarop  volgde ,  was  de 
Aartsbisschop ,  overeenkomstig  den  wenach  des  Konings ,  tegen- 
woordig. Berst  tegen  het  einde  van  Maart  1513  kon  Laski 
zijnen  tocht  naar  Rome  aanvaarden. 


EBgliJk  Toornemen .  nan  den  vooravond  der  Befoi'instiH  zAvc,  door  den 
kriJRahsftigeo  Faui  en  zijnen  ifgelant,  diu  gi'heel  in  liumnnisliseho  studiSn 
verdiept  waa,  liBrhaaldelijk  ap  gemceDplaataeu  vau  Cicero  gpgroud,  mnar  de 
Heilige  Schrift  diurentegeii  met  gevn  eukel  woord  remiold  wordt.  Voorwaar, 
dat    waren    de    monneu    niet,    om    de    Kerk    lol    di'    wnre  güdsvruehl  terug  te 


1)1 


.rdt.  IX, 


.79. 


59 


De  reis  voerde  allereerst  naar  Krakau.  Hier  bereikte  hem 
het  bericht,  door  den  Koning  hem  med^edeeld,  aangaande 
den  dood  van  Jnlins  II.  Sigismand  liet  het  aan  het  goed- 
danken  Tan  zijnen  gezant  over,  of  hij  zich,  al  dan  niet, 
^oor  die  onverwachte  gebeurtenis  wilde  laten  ophouden.  Laski 
spoedde  zich  na  echter  zooveel  te  meer,  ten  einde  de  ver- 
gadering der  kerkvorsten  in  de  beslissende  are  bij  te  wonen. 
Hi)  liet  den  Barchtvoogd  van  Kalisch  achter,  om  de  nieawe 
geloofsbrieven  af  te  wachten,  terwijl  hij  zelf  in  de  eerste 
week  van  April  zijne  reis  vervolgde.  Zijne  beide  oadste 
neven,  Hieronymns  en  onze  Johannes,  moesten  onder 
zijn  oog  te  Rome  hunne  stadiën  voortzetten ;  de  eerst  twaalf- 
jarige Stanislaus  bleef  vooreerst  bij  zijnen  vader  achter. 
Daarentegen  vernemen  wij  van  eenen  anderen  studiemakker, 
dien  de  Aartsbisschop,  op  zijne  kosten^  zijne  beide  neven  liet 
vergezellen.  Wij  zijn  echter,  ofschoon  een  paar  brieven  van 
zijne  hand  ons  bewaard  zijn  gebleven,  wat  de  persoonlijk- 
beid  betreft,  in  het  onzekere.  Laski,  die,  op  eigene  kos- 
ten, aan  de  universiteit  van  £j*akau  eenen  lector  in  de 
theologie  onderhield,  en  op  onbekrompene  wijze  de  weten- 
schappen en  hare  beoefenaars  ondersteunde,  verschafte  tege- 
lijkertijd aan  een  aantal  jongelieden  de  middelen,  om  zich 
aan  hunne  wetenschappelijke  studiën  te  wijden.  Het  was 
wellicht  één  uit  hun  getal ,  die  met  de  neven  van  den  Aarts- 
bisschop innig  bevriend  was,  mogelijk  een  lid  van  het  ge- 
slacht Korab  ^). 


l)  De  mededeeling  Tau  deze  brieven  hebben  wij  te  danken  aan  den  ge- 
leerden Domcapitularis  Korytkowski  te  Gnesen.  De  drie  in  het  Gne- 
Mnsche  archief  ontdekte  zendbriefen  aan  den  Aartsbisschop  zyn  onderteekend : 
^Joannes  Ba  serntor  humilis."  De  schrgfer  schetst  den  Aartsbissohop  ala 
„tanquam  dominus  et  patronus  noster  gratiosissimus."  Aangaande  zgucn 
ziek  geworden  broeder  zegt  hij,  dat  hem  eene  behandeling  ten  deel  gevallen 
was  „quasi  esset  proprius  nepos;''  aan  de  neven  en  studiemakkers  betuigt  hy 
zijnen  dank ,  omdat  zij  hem ,  orereenkomstig  het  verlangen  van  den  Aarts- 
bisschop ,  met  broederlijke  liefde  behandelden.  De  gelukkige  ontdekker  meent 
te  mogen  gissen,  dat  de  briefschrijver  niemand  anders  geweest  is,  dan  Jo- 
haanes  Bybienski,  een  zusterszoou  van  den  Aartsbisschop  (?).  Togen  deze 
onderstelling  is  echter  een  groot  bezwaar.   Want  de  genoemde  was,  biykens 


Wellicht  dat  de  beide  neven  in  tijds  reisvaardig  waren ,  om 
te  gelijk  met  hunnen  oom  den  verreu  en  vermoeienden  tocht 
te  ondernemen ,  welhcht  ook  dat  zij ,  in  geselschap  van 
zijnen  reisgenoot,  hem  eerst  te  Bruck  aan  de  Mur  inhaalden, 
werwaarts,  over  Olmiitz,  Stanislaus  von  Ostrorog  met 
de  nieuwe  volmachten  den  Aartsbisschop ,  zoo  snel  hij  kon, 
nareisde,  Van  het  schilderachtig  gelegen  stadje  in  Stier- 
marken begaf  zich  het  niet  kleine  reisgezelschap  vervolgens , 
midden  door  de  heerlijke  Alpenstreken ,  allereerst  naar  Ve- 
netië, een  geheel  nieuw,  ongewoon  schouwspel  voor  de  jonge 
lieden,  die  voor  de  eerste  maal,  uit  het  vlakke  land  van 
Polen,  de  wereld  der  hergen  betraden.  In  de  Lagunenstad 
moest  men  zich  gedurende  eenen  korten  tijd  ophouden; 
Laski  toch  had  zich  van  eene  opdracht  zijns  Eonings  bij  den 
Doge,  Leonardo  Loredano,  te  kwijten  ').  Polen  en  Venetië 
hadden .  in  die  dagen ,  tegen  denzelfden  machtigen  vijand 
de  wapenen  aangegord,  slechts  met  dit  onderscheid,  dat, 
gelijk  Laski  voor  den  Doge  uiteenzette,  Venetië  voor  zijnen 
roem,  voor  de  uitbreiding  van  zijne  macht,  ook  wellicht 
uit  heerschzucht  strijd  voerde ;  Polen  daarentegen ,  omdat 
het  zich  ats  het  bolwerk  der  Christfinheid  tegen  de  Heidenen 
beschouwde,  en  zijn  hoogste  geluk  vond,  niet  in  de  over- 
schrijding van  vreemde  grenzen,  maar  in  de  bescherming 
van  het  zijne  s).   Van  Venetië  ging  de  reis  vervolgens,  zonder 


bet  teattuneat  lui  dea  ABrtebiwchop  (Zeiaaberg,  8.  643),  reeds  iti  1S04 
ProoBt  van  Eruachviti,  en  alioa  wiurgchünlijlc  ciut  tien  juir  lat«r  atudeut  ta 
Bome  ea  te  Bologna.  Op  grond  van  de  afkorting  zouden  «ij  aan  den  zoon 
TBD  eene  zijner  zustere  kunnen  denkeu,  die  met  eeosa  Rambieszki  gehuwd 
gewewt  ia  (Theiuer.  Il,  348,  eu  „Toroiciana" ,  VI.  59).  Bén  tsd  deze 
zonen,  UaFtinns,  viena  uaam  door  deu  oom  meermalen  in  zyn  t4»tamoat. 
en  ook  tt^enorer  dou  Koning  gtmoemd  wordt,  waa,  gelijk  «ij  later  xullen 
hooren,  de  oorzaak  dnt  onze  Jobanues,  in  1517,  tn  Rome  geSicommuniceerd 
werd.  Wij  weten  evenwel  niet,  of,  en  bod  ja.  lioBvele  broedera  deze  Mwlino» 
beeft  gehad. 

1)  „Tomieian»,"  II,  178. 

2)  Bij  hot  laatste  deel  der  rade  maakt  Zeieaherg  !8.  biO)  de  niet  onjuiste 
opmerking,  dat  men  dit  rnii  Poolsohe  zijde,  we!  is  waar,  yaiik  beweerde, 
manr  dat  deze  verzekering  niet  altijd  met  de  feiten  in  orereensleraming  «as- 


61 


stoornis,   naar  Rome,    alwaar  men  in  het  begin  van  Juni 
aankwam  0- 

Vele  en  gewichtige  werkzaamheden  had  de  Aartsbisschop 
bij  den  Paus  en  in  tegenwoordigheid  van  het  concilie  te  veryol- 
len.  Het  zoude  ons  te  ver  van  onze  bijzondere  taak  afleiden, 
indien  wij  de  worstelingen  en  moeiten  wilden  beschrijven,  die  de 
machtige  Primaat  yan  Polen,  gedurende  zijn  verblijf  van  meer- 
dere jaren  te  Rome,  zoowel  tegenover  de  Curie,  ten  einde 
de  wenschen  van  zijne  lastgevers  in  het  vaderland  te  be- 
vredigen, als  ook  tegenover  deze  laatsten  zelven,  had  te 
wederstaan  ,  wanneer  het  ook  aan  zijne  groote  diplomatieke 
bedrevenheid  niet  altijd  gelukte ^  om  elke  .begeerte  door 
te  zetten.  De  zevende  zitting  van  het  Lateraansche  con- 
cilie, op  den  n^  Juni,  was  de  eerste,  die  hij  bijwoonde; 
in  deze  overhandigde  hij  ook  zijne  geloofsbrieven.  Tennjl 
zgn  metgezel,  Stanislaus  von  Ostrorog,  in  het  protocol 
onder  de  gezanten  gerangschikt  wordt,  vinden  wij  Laski 
in  de  opgave  van  de  patriarchen  en  assistenten  van  den 
Paos.  Leo  X  ontving  den  Primaat  van  Polen  met  groote 
eerbewijzingen;  h\j  benoemde  hem  in  de  gewichtige  commissie 
van  het  concilie,  in  welke  over  alle  vragen,  betreffende  de 
totstandbrenging  van  eenen  algemeenen  vrede  onder  de;christe- 
lijke  regenten,  alsmede  betreffende  de  uitroeiing  van  het 
schisma,  beraadslaagd  werd.  In  de  achtste  zitting,  den  19den 
December  1513,  had  Laski,  in  zijne  hoedanigheid  als  assis- 
tent van  den  Paus,  de  opdracht  ontvangen,  om  een  pauselijk 
schrijven  aan  de   vergadering  mede  te  deelen  ^).    Kenschet- 


1)  Laaki  rermeldt  den  Sden  Juni  1513,  als  den  dag  sljner  aankomat  te 
Some  (Zeissberg»  S.  664).  Deze  datum,  een  jaar  later  in  zyn  testament 
amngeteekend,  berust  vermoedeiyk  op  eene  feil  yan  het  geheugen,  daar  Laski 
reada  den  3n  Juni  door  den  Paus  aan  eene  bepaalde  commissie  ran  het  con- 
cilie wordt  toegeroegd.   (Hardt,  IX,  1681.) 

2)  Hardt,  IX,  1719.  De  rergadering  had  plaats  in  de  Basilica  yan  het 
Lateraan,  in  tegenwoordigheid  en  onder  yoorzitting  yan  den  Paus.  Eerst 
nadat,  oyereenkomstig  het  gebruik,  alle  diegenen  zich  yerw'uderd  hadden,  die 
alechts  zitting,  maar  geen  stem  in  de  yergadering  hadden,  kon  Laski  het 
paoaeiyk  document  beginnen  yoor  te  lezen.  In  den  yan  oudsher  gewonen 
onriaal-atyi  luidt  de  hoofdstelling  als  yolgt:  „contra  hiyuamodi  pestem  op- 


•5?- 


seuil  is  de  inhoud  van  het  schrijven ,  inzonderheid  voor  den 
oom  van  den  toekomstigen  Korkhervormer.  Het  liaiidelt  over 
de  bestrijding  van  het  heerscheude  ongeloof,  hepaaldelijk  van 
den  wijd  en  zijd  verspreiden  twijfel  aan  de  onsterfelijkheid 
der  ziel.  Leo,  die  zoozeer  het  gelukskind  van  zijnen  tijd 
waa,  dat  hij  aan  dien  tijd  zijnen  naam  geschonken  heeft ,  en 
die  even  weinig,  als  ?.ijn  vriend  en  geheimschrijver  Bembo, 
geneigd  was ,  om  den  wensch  der  geloovigen  te  vervullen ,  en 
het  werk  van  den  vermaardsten  wijsgeer,  Pietro  Pompo- 
nazzo,  hetwelk  de  onsterfelijkheid  der  ziel  loochende,  t^ 
veroordeelen  '  J ,  —  Leo  waande,  de  Kerk  tegen  het  gif  eener 
ongeloovige  leer  ddardoor  te  kunnen  beschermen,  dat  hij  aan 
hai'e  aanstaande  dienaren  in  het  vervolg  nog  slechts  eene 
tijdruimte  van  vijfjaren  vergunde,  om  zich  aan  de  humanis- 
tische studiën  te  wijden ,  terwijl  zij ,  na  afloop  daarvan ,  zich 
op  do  wetenschappen  van  hun  vak  moesten  toeleggen  3).  Met 
zoodanige  middeltjes  meende  men  toen  nog  in  Rome  den 
onheilspeilenden  geest  te  kunnen  bezweren,  en  de  Kerk  te 
kunnen  beschermen  en  hervormen.  En  dat  op  een  tijdstip, 
waarop  Luther  reeds  te  Wittenberg  zijne  bezielende  voor- 
drachten hield  over  de  Psalmen  en  den  Brief  aan  de  Romeinen, 
en  daarbij  reeds  voor  zich  zelven  en  voor  hen ,  die  hem  hoor- 
den ,  het  ruischen  des  Geestes  vernam ,  aan  wien  te  allen 
tijde  door  God  de  macht  gegeven  wordt,  om  de  Kerk  en  de 
wereld  te   hervormen! 

Wij  hebben  ook  zelfs  niet  de  geringste  aanduiding  kunnen 
vinden,  noch  te  Rome  zelve,  noch  ook  op  eenig  ander  spoor, 
dat  wij  daartoe  -gevolgd  hebhen,  hoedanig  wel  de  loop  der 
studiën  van  onze  jonge  vrienden  in  de  hoofdstad  mag  geweest 


poitmu  remediB  adliibers  onpieu(«s  hoc  uscro  spprobonte  concilio  damnamnt 
et  roprobtimus  omDSB  aHerentes  aniinkm  intellectirim  mortalem  ease  lut  uni- 
cani  in  cuoctis  hotninibus  et  hasc  in  dubiam  verteatea.  .  .  Omoes  hujusmodi 
erroria  udertïonibus  iiibkei«utes.  veluti  damnBtisiiiiiHs  liapjrtwis  acniiiBates, 
por  omuin  nt   deteïUbiles   et  aboniinnbiln  hHcreticüa  et  inSdelm,  CHtlialiinm 


Sdem  Ikbcfactantes  vilandoa  i 
1)  Roacoe,  IT,  2S2. 


.   pUDlEIK 


Aoa  fore  deccriiii 


63 


zijn.  De  éénige  zekerheid,  die  wij  bezitten,  dat  zij  nl.  bij 
hunnen  oom  te  Rome  geweest  zijn,  hebben  wij  te  danken 
aan  eene  toevallig  ontdekte  plaats  in  eenen  brief,  terwijl  wij , 
wat  betreft  de  omstreeks  15  maanden  van  hun  verblijf  te 
Rome,  ons  moeten  bepalen  tot  gissingen,  die  wij  suxn  het 
geestelijk  leven  der  stad  ontleenen. 

De  laatste  twintig  jaren  waren  voor  de  humanistische  studiën 
in  Rome  niet  gunstig  geweest  Een  verpestende  adem  voor 
elke  gezonde  ontwikkeling  eener  ernstige  wetenschap  was 
van  Alexander  VI  uitgegaan.  Julius  II,  die  hem  opvolgde, 
had  voor  alle  kunsten  des  vredes,  op  zijne  wijze,  in  groot- 
schen  stijl ,  gevoel  en  vatbaarheid ;  maar  toch  trok  hij  nog  liever 
het  zwaard  voor  de  bevrijding  van  Italië ,  voor  de  vergrooting 
van  den  Eerkelijken  Staat,  en  onder  het  aanhoudend  krijgs- 
rumoer  konden  de  studiën  niet  bloeien,  die  stilte  en  rustig 
nadenken  vereischen.  De  gunstige  tijd  daarvoor  brak  aan 
onder  den  fijn-beschaafden,  geestrijken  Mediceër.  Van  den 
b^inne  aan  schonk  deze  al  zijne  belangstelling  aan  het 
Gymnasium,  dat  reeds  vóór  meer  dan  70  jaren  te  Rome 
gesticht  was.  Juist  in  het  jaar ,  waarin  onze  jonge  studenten 
zich  te  Rome  ophielden,  bezat  deze  inrichting,  die  het  aan- 
kweeken  van  eene  grondige  geleerdheid  ten  doel  had,  bijna 
honderd  geachte  leeraren^),  die  hunne  voorlezingen  hielden 
over  godgeleerdheid,  burgerlijk  en  kerkelijk  recht,  artsenij- 
kunde,  zedeleer,  logica,  welsprekendheid  en  wiskunde.  De 
opmerkzaamheid  in  het  gymnasium  was,  in  dien  tijd,  hoofdza- 
kelijk gericht  op  de  studie  van  de  Grieksche  taal.  De  beroemde 
Johannes  Laskaris,  door  den  Paus,  welhaast  na  zijne 
troonsbeklimming,  daartoe  geroepen ,  bestuurde  het  Grieksche 
Ck)llege  te  Rome,  aan  hetwelk  vervolgens,  op  uitnoodiging 
van  den  Paus,  ook  één  van  zijne  voortreffelijkste  leerlingen, 
Markus  Musurus,  werkzaam  was.  Het  is  wel  aannemelijk, 
dat  onze  jeugdige  vrienden  de  voorlezingen,  zoowel  in  het 
gymnasium,  als  ook  in  het  Grieksche  college  op  den  heuvel 
Esquilinus  bijwoonden,  te  meer  daar  de  Paus,  door  hetver- 


1)  Botcoe,  II,  109. 


leeiien  van  voorrechten  en  vrijheilen ,  2dcli  beijverde  om  leer- 
ÜDgeo  voor  die  inrichting  te  winnen,  voor  welke  (ie  profes- 
soren, des  vóór-  en  des  uamiddags,  en  uog  bovendien  zou- 
der op  de  talrijke  feestdagen  den  arbeid  te  staken,  verplicht 
waren  om  hunue  voorlezingen  te  houden.  Indien  niet  reeds 
te  Krakaa  de  eerste  beginselen  der  Grieksche  taal  waren 
geleerd  geworden ,  dan  bood  zich  nu  daartoe  de  overvloedige 
gelegenheid  aan.  Niet  onwaarschijnlijk  is  het,  dat  reeds  hier 
onze  veertienjarige  Johannes  met  de  geschriften  van  Plato 
bekend  gemaakt  werd,  inzonderheid  daar  Musurus,  in  het 
jaar  L513,  de  eerste  uitgave  van  diens  werken  bij  den  be- 
roemden Maoutius  had  doen  verschijnen  i). 

Hoe  gaarne  evenwel  zouden  wij  het  zwijgend  duister  zien 
opgeklaard ,  en  wenschen  te  vernemen ,  welk  een  indruk  het 
verblijf  te  Rome  op  de  vatbare  jeugdige  gemoederen  gemaakt 
heeft.  Maar  niets  hoegenaamd  vinden  wij  dienaangaande 
vermeld.  Ën  toch  was  het  een  geweldige,  diep-ingrijpende 
tijd  voor  Rome ,  deze  vooravond  der  Reformatie ,  op  welken 
reeds  menigeen  uit  de  heerschende  zoele  luchtsgesteldheid 
den  naderenden  storm  voorspelde.  Heeft  dat  oponthoud  bij 
onze  jonge  Polen  geen  enkelen  blijvenden  indruk  achter- 
gelaten? Hebben  zij  zich,  in  deze  zoo  vatbare  jaren,  laten 
bezielen  door  den  ademtocht  der  boog-vereenle  Knnsfr'  Biif  aël 
had  juist  zijne  wonderbare  meesterstukken,  zoo  vol  ernstige 
diepzinnigheid  en  reine  schoonheid ,  in  de  „Camera  della 
Segnatura"  voltooid.  In  de  Sixtijnache  kapel  waren  de  steigers 
afgebroken,  en  onbelemmerd  kon  de  verbaasde  blik  de  schep- 
pingen beschouwen ,  die ,  als  eene  openbaring  op  het  gebied  der 
kunst,  door  Michel  Angelo  aan  de  zoldering  getooverd 
waren.  Voor  de  neven  van  den  Primaat  van  Polen  waren  de 
nu  gewijde  plaatsen  toegankelijk :  hebben  zij  aldaar  vol  geest^ 


I)  In  Mne  Griskaahe  wntetkaning,  saa  het  alot  der  uitere ,  woedt  1j«o 
gaprozen  als  berordBraar  van  vnarachtiga  opvoeding  en  aU  bemieuwer  dar 
Oriekeche  woteuichap,  ali  irtB  vaa  het  kranke  Italië,  als  berrijder  van  het 
onderdrukte   Griekenland,   en   als    weldoener   van   het   leven   der   menachén. 


(Ver 


.e.  II,  115.) 


65 


drift  geluisieTd  naar  de  geheel  ééoige  taal,  in  welke  deio 
beide  geliefkoosde  jongeren  der  kunst  het  geestelijk  leren  der 
menschen,  alsook  de  daden  Grods  Tolgens  de  Heilige  Schrift 
▼ertolkten?  VTij  weten,  dat  de  drie  jongelieden «  met  hunie 
bgzondere  begaafdheid  Toor  talen «  zich  ook  de  Italiaansche 
taal  spoedig  hebben  eigen  gemaakt  Welk  eenen  indruk  heeft 
dan  op  ben  de  zoete  welluidendheid  van  eenen  Petrarca«en 
bovenal  de  majesteit,  de  kracht,  de  verheTeno  schoonheid 
en  waarheid  van  eenen  Dante  gemaakt,  wiens  uitlegger 
Ariosto  kort  te  voren  de  eeuwige  stad  bezocht  had?  Op 
deze,  ^lijk  ook  op  zoo  menige  andere  vraag,  die  zich  aan 
ons  opdringt,  ontvangen  mj  tot  onze  teleurstelling  geen  ant- 
woord ^  en  zijn  bijkans  in  verzoeking  om  aan  te  nomen,  dat  de 
jongelieden  weinig  in  aanraking  kwamen  met  den  geest,  die 
ons ,  later  geborenen ,  met  zulk  een  vurig  verlangen  den  blik 
doet  wenden  naar  die  dagen  en  hunne  aesthetische  genietingen, 
voor  welke  velen  der  tijdgenooten  zelven  zich  onverschillig  be- 
toonden Is  dit  vermoeden  juist,  dan  mogen  wij  ook  aannemen, 
dat  het  vrome  gemoed  van  onzen  Johannes  niet  verontrust  is 
geworden  door  al  het  goddelooze  drijven ,  hetwelk  zich  in  die 
ongeloovige  dagen  bijkans  nergens  schaamteloozor  vertoonde , 
dan  onder  het  oog  van  den  gewaanden  Stedehouder  Gods.  (leon 
enkele  plaats  in  zijne  latere  geschriften  verraadt,  dat  hij  toen- 
maals gezien  en  gehoord  heeft,  wat  Luther  op  zijnen  pelgrims- 
tocht naar  Rome  heeft  opgemerkt,  en  wat  in  de  vertelling  van 
Boccaccio  dien  Jood  beweegt,  om  zich  te  laten  doopcn. 
De  geheimzinnige  sluier,  met  welken  God  zelf  het  oog  dor 
jeugd  zoo  zorgzaam  bedekt,  heeft  waarschijnlijk  voor  den 
jongeling  het  schouwspel  eener  godvergetene  wereld  verbor- 
gen ,  in  welke  juist  de  dienaren  van  den  AUerhoogsto ,  op  de 
onbeschaamdste  wijs ,  het  heiligdom  aan  bespotting  prijsgaven 
en  gruwelen  op  gruwelen  stapelden,  zoodat  Luther  zelf  al- 
daar uit  den  mond  van  pauselijke  hovelingen  de  bekentenis 
moest  hooren:  de  toestand  is  niet  langer  houdbaar,  de  Kerk 
moet  noodwendig  te  gronde  gaan^). 


1)  Lnth6r,  LXII,  435. 

DALTOV. 


L« 


De  oom  wonschte  niet,  dat  zijne  neïen  te  Rome  hunne 
studiën  zouden  voltooien.  Inzonderheid  voor  Johannea  waa  de 
nabij  gelegene,  wereldberoemde  universiteit  van  Bologna  van 
veel  belang,  ora  zich  aan  zijne  bijzondere  studiën  in  het 
kerkrecht  te  wijden.  De  Primaat  zelf  was  genoodzaakt, 
om  nog  eene  wijl  de  zittingen  van  het  concilie  bij  te  woneu , 
ten  einde  bij  het  pauselijke  hof,  dat  maanden  achtereen  on- 
genegen was  om  de  wenschen  van  Polen  in  te  willigen ,  de  vele 
en  zeer  moeielijke  opdrachten,  hem  uit  het  vaderland  ge- 
worden ,  ten  uitvoer  te  brengen.  Deze  taak  rustte  thans 
op  hem  alleen,  daar  reeds  aan  het  einde  van  het  jaar  1513 
zijn  metgezel,  de  slotvoogd  van  Ealisch,  op  bevel  van  den 
Koning  naar  Spanje  gereisd,  en  van  daar  onmiddellijk  naar 
het  vaderland  teruggekeerd  was.  Tegen  den  afloop  van  het 
jaar  1514'-)  kreeg  de  opvoeder  der  jongelingen,  Johaunes 
Braniczki,  den  last  om  met  hen  naar  Bologna  te  vertrekken. 

Het  voorname  reisgezelschap  had  vier  dagen  noodig,  om 
zich  van  Rome,  Wiiarschijnlijk  over  den  bergpaa  van  Fnrlo, 
naar  Bologna  te  begeven.  Slechts  langzaam  vervolgde  men 
den  weg,  die  thans,  in  de  late,  frissche  herfstdagen,  zoo 
veel  bezienswaardigs  aanbood. 

b)     Te    Bologna, 

Ook  in  die  lang  vervlogene  dagen  zou  een  student,  die  uit 
verren  lande  te  Bologna  was  aangekomen ,  niet  licht  verzuimen 
om  den  Torre  Asinelli,  één  der  beide  scheeve  torens  op  den 
Mercato  di  Mezzo,  te  bekUmmen.  Het  is  inderdaad  de  moeite 
waard ,  om  van  den  83  meters  hoogen  toren  den  blik  te  laten 
weiden  over  de  stad ,  en  verder  naar  olie  zijden  over  de 
vruchtbare,  goed  bebouwde  vlakte  aan  den  voet  der  Apen- 
nijnen. Het  beeld ,  dat  de  stad ,  uit  dit  verhevene  gezichts- 
punt,   aan   den    beschouwer   vertoont,   moest   op  onze  jonge 


I)  Wellicht  magen  wij  het  tijdstip  tot  op  het  midden  ^ 
■ohuivati ,  dur  liet  begin  der  Toorlexiageu  voor  de  dccretii 
op  den  dag  na  Bt.  Lucw  (19  October)iTai  vailgeateld.  (Tergel.  8  ■' 


in    OctOijCT   TCl- 

■en   to   Bolugna 

ieiiï,iii,23s.) 


67 


Polen,  die  tot  het  familiewapen  Korab  behoorden,  eenen 
zeer  eigenaardigen  indruk  teweegbrengen;  het  is  toch  een 
oud  gezegde,  dat  Bologna,  van  dit  standpunt  beschouwd, 
eenige  gelijkenis  heeft  met  een  schip,  van  uit  de  hoogte  der 
mars  gezien.  Alsof  het  hun  eigen  wapenbeeld  was,  op  reus- 
achtige schaal  vergroot,  zóó  deed  zich  aan  de  jonge  La  ski's 
de  muzenstad  voor,  in  welke  zij  zich,  ter  wille  van  hunne 
stadiën,  gedurende  een  paar  jaren  hadden  op  te  houden.  In 
Bologna  en  Padua  waren  de  studeerende  zouen  van  den  adel 
uit  alle  landen  der  wereld  gewoon,  om  bij  hun  vertrek  hun 
wapenschild,  als  een  soort  van  vrome  schenkiug,  in  de 
universiteitshallen  op  te  hangen.  Elen  herhaald,  opmerkzaam 
onderzoek  op  beide  plaatsen  heeft  mij^  tot  mijn  leedwezen, 
het  wapen  der  Laski's  onder  de  honderden  van  dergelijke 
onderscheidingsteekenen  niet  doen  ontdekken,  en  zoo  moest 
de  aanblik  der  stad  ook  als  eene  vergoeding  voor  het  ge- 
miste wapenbeeld  dienen. 

De  eerste  paar  dagen  van  hun  verblijf  te  Bologna  brachten 
onze  vrienden  in  de  openbare  herberg  door,  totdat  zij  eene 
woning  gevonden  hadden ,  die  aan  de  behoeften  beantwoordde. 
De  reis  en  de  vertering  in  het  logement  gedurende  deze  drie 
dagen,  die  zij  aldaar  gehuisvest  waren,  bedroeg  te  zamen 
dertien  en  een  halven  dukaat,  gelijk  de  opvoeder  bericht  aan 
den  Aartsbisschop ,  die  te  Rome  van  alles  nauwkeurige  reken- 
schap verlangt.  Wij  zien,  dat  de  vrijgevige  oom  de  zijnen 
niet  op  een  al  te  zuinigen  voet  laat  leven.  Eenige  toevallig 
ontdekte  brieven  verleenen  ons  een  klein,  belangwekkend 
kgkje  in  het  rustige  en  aan  de  studiën  gewijde  leven  van 
deze  onze  vrienden. 

Wij  zien  allereerst  een  paar  nieuwe  aankomelingen  in  den 
kring  onzer  oude  bekenden  verschijnen.  In  Mei  1514  had 
de  Aartsbisschop  zijnen  maarschalk,  den  slotvoogd  van  So- 
chawczew,  Nikolaus  Wolski,  die  met  groote  trouw  aan  hem 
was  verknocht,  en  die  later  ook  door  zijn  huwelijk  aan  hem 
▼ermaagschapt  werd ,  met  eene  belangrijke  boodschap  tot  den 
koniog  van  Polen  gezonden.  In  den  herfst  (8  September) 
gelukte    het    den    Poolschen    veldheer    Konstantijn    von 

5* 


Ostrorog,  om  den  Russen,  onder  aanvoering  van  den  groot- 
vorst Wasailij  Iwanowitsch,  bij  Orsza  eene  beslissende 
nederlaag  toe  te  brengen  ').  Daardoor  namen  ook  de  aan- 
gelegenbeden van  Polen  aan  bet  pauselijke  hof  eenen  gun- 
stigen  keer,  zoo  als  Laski  bij  zijne  onderhandelingen  weldra 
bespeuren  mocht.  Het  was  toch  eene  overwinning ,  niet 
slechts  over  den  dreigenden  vijand  van  bet  afgelegene  Polen , 
maar  voor  Rome  nog  meer  in  het  bijzonder  eene  overwinning 
van  den  getrouwen  zoon  der  Roomsche  kerk  over  den  af- 
vallige. In  de  vreugde  van  zijn  hart,  en  ten  einde  de  gunstige 
stemming  in  Rome  te  bevorderen,  zond  de  Koning  den  aarts- 
biss  eb  op  pel  ijken  maarschalk  met  een  aantal  adellijke  Russi- 
sche gevangenen,  om  die  aan  den  Paus  als  een  geschenk 
in  handen  te  stellen.  Een  koninklijke  geleibrief  moest  dienen, 
om  aan  den  slotvoogd  van  Socbawczew,  op  zijne  reis  naar 
Rome,  bescherming  voor  zich  en  zijn  eenigszins  eigenaardig 
geschenk  aan  den  Paus  te  verzekeren.  In  Weenen  was  men  niet 
geneigd .  ora  den  geleibrief  te  eerbiedigen-,  de  overwinning  bij 
Orsza  had  de  Oostenrijkscbe  politiek  gedwarsboomd,  en,  daar- 
over misnoegd,  bield  men  Wolski  met  zijne  gevangenen  te 
Hall  bij  Insbruck  aan.  Den  Poolschen  gezant  liet  men  nu , 
wel  is  waar,  ongehinderd  zijnen  weg  naar  Rome  vervolgen, 
doch  de  tien  gevangen  Russen  bevrijdde  men  van  de  ketenen , 
en  zond  ben  over  Lülieck  terug  aan  den  grootvorst  van  Mos- 
kau,  ten  einde  althans  op  deze  wijze  eene  uitdrukking  te  geven 
aan  bet  onbehaaglijke  gevoel  over  den  zoo  onverwacbten  af- 
loop van  den  veldslag.  In  Itome  billijkte  men  deze  handel- 
wijze des  Keizers  op  geenerlei  wijze.  Leo  X  eischte,  in  een 
schrijven  aan  Maximiliaan,  hetwelk  uu  nochtans  te  Iaat  de 
plaats  zijner  beslemming  bereikte,  de  uitlevering  en  overzen- 
ding van  de  gevangenen,  en  de  op  bet  noncilie  vergaderde 
vaders ,  met  den  Paus  aan  het  hoofd ,  vierden  de  schitterende 


I)  De  apostoliache  legaat  Pisa,  die  hij  de  icgefeealen  Ie  Wiln»  .lanwaiig 
WBB,  geeft  eeu  aitvoerig  bericht  vbii  den  alag  en  de  Bchitlerende  överwinüiug 
(„Toniiciaiis ,"  III.  202j.  Vet^l.  aldaar  ook  de  legeliedcreo  van  Ürioiusj 
eu  ToorU  „Tomiciuia ,"  III,  6. 


69 


overwinning y  die  Polen  behaald  had,  als  eene  ze^praal  der 
Kerk  over  de  ketters  ^). 

Daar  Wolski,   op  zijnen  boTengenoemden  tocht,  nch  had 
voorgenomen,   over  Bologna  te  reizen,  had  men  van  de  ge- 
schikte reisgel^enheid  gebruik  gemaakt^   om  het  gezelschap 
van  onze  vrienden  met  een  paar  studenten  te  vermeerderen. 
Allereerst  met  den  jongsten  broeder,  Stanislaus,  die  nu, 
volgens  het  oordeel  zijns  vaders,   oud  en  rgp  geno^  was, 
om  zijne  studiën  te  Bologna  voort  te  zetten.     Hij  werd  ver- 
gezeld  door  eenen  broeder  van   dien  Johannes,  aangaande 
wiens  familie  en   betrekking  tot  het  geslacht  Korab  wij  te 
voren  in  het  onzekere  gebleven  zijn;  ook  hij,  insgelijks  Sta- 
nislaus  geheeten,  studeerde,  evenals  zijn  broeder,  op  kosten 
van   den  Aartsbisschop.    Verder  bracht  Wol  ski  twee  jonge 
Radziwiirs^)  met  zich,  nl.  Stanislaus  en  Johannes,  die 
zich   reeds  een   tijdlang   te  Weenen  hadden  opgehouden,  en 
nu  in  Italië  hunne  studiën  moesten  voortzetten.     Ook  de  on- 
derwijzer van  Stanislaus,  met  name  Matthias,  waarschyn- 
lijk   de  opvoeder  van  den  jongen  Laski,  die  alleen  op  het 
vaderlijk  slot  was   achtergebleven,  behoorde  tot  het  reisge- 
zelschap, en  bleef  te  Bologna.    Zoo  bestond  de  kleine  huis- 
houding uit  tien   personen,   nl.  uit  de  drie  neven,  de  beide 
Radziwill's,   de  beide  verre  verwanten,   en  bovendien  uit 
den   opvoeder  Branizki,  uit  den  zoo  even  genoemden  leer- 
meester Matthias,   en  uit   eenen   arts  van  gelijken  naam, 
dien  de  zorgzame  oom  aan  zijne  hem  toevertrouwde  voedster- 
lingen  had  medegegeven.     Ook  een  kok  wordt  nog  genoemd , 
en  zeker  zullen   nog  wel  een  paar  andere  bedienden  bij  de 
vermogende  jongelieden   van   den  Poolschen  adel  aangesteld 
zijn    geweest.     Het   is  bevreemdend,   dat  een   andere    verre 


1)  Vergel.  „Tomiciana ,"  III,  7.  333. 

2)  Ook  de  uitroerige  monographie  over  de  Badziwill's  („Galorja  nioswieznIcA 
portretow  Badziwillowskich  przez  Kotlubaja.  Wilno,  1S57")  geeft  ons  gocn 
aitsluitflel  aangaande  deze  zonen  van  het  beroemde  geslacht.  Do  AartubiHschop 
is,  zooals  uit  zijn  testament  blijkt  (vergel.  Zei ss berg,  S.  611),  aan  de 
£ynilie  Tennaagachapt ,  en  dit  is  ook  waarschynlijk  de  reden,  dat  ecu  paar 
sooeu  uit  dat  huis  in  zulk  eene  nauwe  yereeniging  met  zijne  neven  studeeren. 


bloedTerwant,  tot  bet  wapen  Korab  hehoorende,  MatthiaB 
Slijwnicki,  die  destijds,  en  waarschijnlijk  op  koaten  van  den 
Aartsbisschop,  —  want  Bninizki  brengt  aan  dezen  bij  icekere 
gelegenheid  twintig  dukaten  in  rekening,  dour  hem  uitgegeven 
tot  betaling  van  eene  schuld  van  Slijwnicki,  —  te  Bologna 
in  het  Romeinsche  recht  studeerde,  niet  in  den  kring  der 
gemeenschappelijke  huishouding  i.s  opgenomen,  Wellicht 
is  de  genoemde  onderwijzer  Matthias  en  deze  Slijwnicki 
één  en  dezelfde  persoon,  die  in  het  beknopte  bericht  zich 
in  die  twee  gestalten  verdeeld  heeft,  volgens  Kijne  beide 
werkzaamheden  als  leeraar  en  als  leerHng.  De  Aartsbisschop 
hechtte  ook  in  latere  jaren  hooge  waarde  aan  deze  degelijke 
kracht,  die  hera  de  offers,  voor  hare  ontwikkeling  gebracht,  in 
rijke  mate  vergold.  Als  doctor  in  de  baide  rechten  werd  Slijw- 
nicki dombeer  te  Gaesen,  aartsdiaken  te  KaHsz,  ja  ten 
laatste  kanselier  van  Laski  en  proost  te  Posen,  tei-wij!  bij, 
in  zijne  wetenschappelijke  werken,  niet  weinig  tot  het  ver- 
dringen van  het  Maagdenburgsche  recht  in  Poleu  beeft  bij- 
gedragen. 

Daar  het  verblijf  te  Bologna  een  paar  jaren  moest  duren, 
kwam  het  er  op  aan ,  om  zich  huiselijk  eu  gemakkelijk  in  te 
richten ,  eu  wel  in  ieder  opzicht.  Aan  den  oom  wordt  dien- 
aangaande door  den  opvoeder  nauwkeurig  rekenschap  gege- 
ven. Allereerst  moest  de  kleeding,  die  nogal  geleden  had, 
door  eene  nieuwe  vervangen  worden,  welke  overeenkwam  met 
het  in  Bologna  gebruikelijke  fatsoen  ').  Zeventien  dukaten 
kosten  de  beide  opperkleaderen  van  gelijke  snede,  die  onze 
Johannes  en  zijn  vriend  Stanislaus  Radziwill  zich  laten 
maken,  ten  einde  alzoo  ook  reeds  op  straat  in  hun  uitwen- 
dig voorkomen  zich  als  gelijkgezinden  te  doen  kennen.     Ook 

1)  De  Btatuten  der  uoireralteit  beratten ,  t>ok  met  betrekkÏDi;  tot  de  bleediag 
der  etadenl«D,  Dsiinkeurige  ferardeningeu  ia  het  3e  boek,  pag.  !>2.  Zoo 
leest  mea  aldaar  o.  a.:  om  ootioodige  uitgaTC»  te  yoorkomen,  bepalen  wij: 
„Quod  unllai  acolaria  emat  alium  psanum  quam  paooum  qui  vulgariter  Tocatur 
pgiuma  de  BtHtulO  vel  de  paaao  coloris  nigri ,  queni  pannum  pro  habilii 
elipcriori  Capps  tabirdu  ve!  gabano  vel  conBimili  reete  coniLUetB  pro  tuac 
lonftiore  leate  ïuTeriori  et  clausa  a  lateribua  ac  etiam  fibulstu  seu  itinapiliila 
antenna  ciroa  collum  portare  l^neantur." 


71 


de  onderkleederen  en  het  schoeisel  werden  voor  het  geheele 
gezelschap  hersteld  en  vernieuwd,  het  paar  nieuwe  schoenen 
is  berekend  tegen  twee  dukaten;  de  haarsnijder  ontvangt 
wekelijks  drie  mark,  om  éénmaal  in  de  week  bij  het  zevental 
jongelieden  den  baard  in  orde  te  brengen.  De  gehuurde 
woning y  waarschijnlijk  een  afzonderlijk  huisje,  moest  van  de 
noodige  meubelen  voorzien  worden;  de  behoeften  in  dit  opzicht 
zijn  nog  zeer  eenvoudig ,  maar  toch  is  de  som  der  afzonder- 
lijke posten  in  het  kasboek  voor  al  deze  inkoopen  niet  gering. 
Bedden,  tafels,  stoelen  worden  aangekocht;  elk  der  jonge 
studenten  krijgt  zijne  eigene  werktafel,  van  eenen  lessenaar 
met  behoorlijke  sluiting  voorzien,  opdat  niet  de  een  den 
ander  bij  zijne  studiën  hindere.  Daarbij  verzuimt  de  opvoeder 
niet  om  op  te  teekenen ,  dat  hij  ook  zeven  geelkoperen  lam- 
pen heeft  aangeschaft,  opdat  ieder  zijner  kweekelingen  den 
arbeid  tot  negen  uur  des  avonds  (,^ad  tertiam  noctis")  zou 
kunnen  voortzetten. 

Behalve  voor  de  woon-  en  slaapvertrekken  wordt  ook  voor 
de  keuken  behoorlijk  gezorgd;  tafellakens^  handdoeken,  ser- 
vetten, messen,  vorken  enz.  worden,  zij  't  dan  ook  slechts 
in  eene  verwonderlijk  geringe  hoeveelheid ,  aangeschaft  ^).  Zij 
hebben  hunnen  kok  uit  Polen  met  zich  gebracht ,  en  koopen 
zelve  de  benoodigde  levensmiddelen  in.  De  jonge  Radziwill 
toont  daarvoor  eene  bijzondere  geschiktheid.  Wanneer  des 
morgens  de  handelaars  komen,  om  vleesch  en  visch  en  andere 
mondbehoeften  te  koop  te  bieden,  dan  ziet  hij  hun  scherp 
op  de  vingers,  en  weegt  hun  op  de  weegschaal,  die  voor  de 
huishouding  werd  aangeschaft,  nauwkeurig  na,  opdat  de 
listige  kramers  en  handelaars  hem  niet  bedriegen.  Want  zij 
moeten  spaarzaam  zijn:  slechts  iets  meer  dan  drie  dukaten 
wordt  wekelijks  voor  het  onderhoud  van  het  geheele  gezel- 
schap bestemd,  behalve  de  uitgaven  voor  wijn  en  hout.  De 
eerste  zes  weken,  toen  Wolski  nog  niet  met  de  andere 
jongelieden  was  aangekomen,   hadden   zij    vier  manden  met 


1)  t^mi  aatem  tres  scatollas   stagneas,  octo   talaria,  octo  cochlaria,  duo 
«gnaalia,  tria  manutergia,  deoem  serretaa  etc'' 


wijn  verbruikt,  iiii  echter  natuurlijk  meer.  Het  linnengoed 
wordt  buitenshuis  gewaaschen;  de  waschvruuw  ootvaogt  maan- 
delijks vier  caroüjnen. 

Het  duurde  niet  liiiig ,  of  de  jongelieden  waren  ook  geheel 
te  huis  in  hunne  wetenschappelijke  werkzaamhedea  aan  dezen 
zetel  der  Muzen,  Werpen  wij  allereerst  een  blik  op  hunne 
huiselijke  bezigheden.  Meestal  is  het  stil  in  de  studeervertrek- 
ken, waar  elk  met  zijnen  bijzonderen  arbeid  bezig  is.  Slechts 
wanneer  hij  daartoe  uitgenoodigd  wordt,  spreekt  één  hunner, 
en  wel  bij  afwisseling  den  eenen  dag  in  het  Italiaansch ,  den 
anderen  in  het  Latijn,  waarmede  zij  nog  beter  vertrouwd  zijn. 
De  Poolsche  taal  werd  volstrekt  niet  gehoord,  zij  scheen  in 
vergetelheid  geraakt  te  zijn.  Zelis  gedurende  den  maaltijd 
werd  het  onderricht  niet  gestaakt.  Gelijk  in  de  eetzaleu 
(„refectoriën")  der  kloosters  onder  den  eten  één  der  monniken 
eene  stichtelijke  beschouwing  voorleest,  zoo  werd  hier,  in 
onzen  kleinen  kring ,  aan  tafel  eene  afdeeliog  van  de  Boheem- 
ache  geschiedenis  voorgelezen,  met  grooter  opmerkzaamheid , 
zooals  te  hopen  is,  dan  ik  in  Russische  en  Romeinsche 
klooster-eetzalen  heb  aangetroffen.  Gelijk  van  zelf  spreekt, 
was  het  stuk,  dat  men  voorlas,  in  de  Boheemsche  taal  ge- 
schi'even,  die  in  de  verblijven  van  den  Poolscben  adel  van 
den  toenmaligen  tijd  door  mannen  en  vrouwen  met  eene  even 
groote  gemakkelijkheid  gebezigd  werd,  als  heden  ten  dage 
waarschijnlijk  de  Fransche  taal.  Na  tafel  disputeeren  de  jon- 
gelieden over  hetgeen  zij  des  voormiddags  gehoord  of  be- 
studeerd hebben,  en  éénmaal  in  de  week  ondervraagt  do 
professor  hen  in  alle  die  zaken,  welke  hij  hnn  gedurende 
dio  week  heeft  voorgedragen. 

Ia  zijne  brieven  aan  den  Aaiisbisschop  gewaagt  Briinizki 
met  veel  lof  van  de  jongelieden:  ze  zijn  zeer  vlijtig  en  deugd- 
zaam {„adolescentes  studiosisstmi  et  virtuosi  sunf).  Eene 
groote  leergierigheid  bezielt  de  beide  neven,  die  met  innige 
liefde  aan  elkander  gehecht  zijn.  De  kennis,  die  de  één 
zich  verworven  heeft,  wil  ook  de  ander  zich  eigen  maken, 
ofschoon  zij  nu,  hij  de  uiteenloopende  richting  vrin  hunne 
bijzondere   studiën,   afzonderlijke   wegen  bewandelen  moeten. 


73 


Wat  bekvaamheid  beti^ft^  stelt  Hieronjmus  hen  allon  in 
de  schaduw;  hem  fait  zonder  voorbehoud  do  lotVpmak  ton 
deel ,  dat  hg  een  zeer  begaafd  jongeling  !<;.  Van  zijnon  goliof- 
koosden  broeder »  onzen  Johannes«  Tornomon  wij  nit  don 
mond  Tan  den  opvoeder  de  getuigenis «  dat  hij  hom  do  liof^to 
z^ner  kweekelingen  en  ten  hoogste  deugdzaam  is.  Braniiki 
verklaart,  dat  hij  nimmer  zulk  eenen  jongeling  goxion  hooft, 
en  ontboezemt  den  vurigen  wensch,  dat  hem  oon  lang  lovon 
vergund  mocht  zijn.  (^Carissimus  dominus  Joannos  nepos  R 
P.  tnae,  ibi  est  summa  virtus,  nunquam  vidi  h^ju8  modi 
puerum;  utinam  esset  longe  vivens/*)  Dit  is  het  oersto  on- 
middellijke getuigenis^  hetwelk  wij  aanguando  onzon  hold 
hebben  kunnen  machtig  worden:  het  roert  die  snaar  van 
zijn  wezen  aan,  die  levenslang  eenen  zoo  zuiveren,  boeien- 
den  toon  heeft  doen  hooren,  een  toon,  die,  een  tiental 
jaren  later,  eenen  man  als  Erasmus  als  do  woUuiitonste 
klank,  vol  smachtend  heimwee,  in  het  diepst  zijnor  ziel  gegre- 
pen heeft,  en  naar  welken  wij  zelven  in  de  volgende  blad- 
zijden, wanneer  de  edele  gestalte,  tot  volle  ontwikkeling 
gekomen,  ons  in  woord  en  daad  gemeenzamer  worden  zal, 
meer  dan  eens  met  vreugde  zullen  luisteren.  Deze  adel  on 
beminnelijkheid  des  gemoeds,  die  de  jongeling  zoo  vroogtydig 
op  verrassende  wijze  aan  den  dag  legde,  oefenden  hunne 
uitwerking  niet  slechts  op  hen,  die,  zonder  hem  to  kounon, 
met  den  man  in  aanraking  kwamen,  maar  ovonzoer  ook  op 
de  naaste  aanhoorigen  des  huizes,  die  in  don  diigolijksc/hon 
omgang  met  hem  steeds  eenen  gelijken,  woldadigon  indruk 
van  zijne  zedelijk-reine  persoonlijkheid  ontvingen.  Toon  do 
beide  broeders  een  tijdlang  van  elkander  gCHcheidon  gewoiïHt 
waren,  schreef  Hicronymus  uit  Bologua  aan  zijnen  oom:  ,/roen 
mijn  veelgeliefde  broeder  J  o  hannes  alhier  terugkeordo ,  hen 
ik  een  geheel  nieuw  mensch  geworden;  door  hem  werd  allo 
tegenzin  in  het  leven  verre  van  mij  verwijderd,  alle  vorvcling 
verdween ,  en  al  mijn  lust  tot  den  arbeid  in  met  hem  in  ver- 
hoogde mate  wedergekeerd.  Zijnen  geest  en  zijne  kenriiM, 
van  welke  hij  in  gebonden  en  in  ongebonden  stijl  de  bewijzen 
levert,  heeft  hij,  gedurende  zijn  verblijf  in  LhiitHchland ,  in 


tt 


veel  hoogere  mate  vermeerderd,  daii  de  andere  joDgelieden; 
hij  Tieeft  inderdaafl  zijnen  tijd  niet  verbeuneld  en  verknoeid, 
maar  de  oitstekendste  schrijvers  gelezen  en  gehoord.  Bewon- 
deren niOBt  men  de  kracht  van  het  geheugen ,  de  vol- 
harding, den  ernst  („constautia  et  severitas"),  door  welke 
de  jongeling  hezield  is,  zoodat  wij  allen  met  ontnag  en 
eerbied  jegens  hem  vervuld  zijn  („ut  eum  omnes  facile 
timemus  et  veneramur")  ');  ééne  zaak  ameeken  wij  met 
den  meesten  aamlrang  van  God  af,  nl.  dat  hem  vele  levens- 
jaren mochten  vergund  zijn.  Ik  prijs  hem  niet  daarom , 
omdat  bij  mijn  broeder  is,  maar  veeleer  omdat  ik  hem  ken 
als  eeneu  voortreffelijken  en  hoogst  achtingswaardigen  jon- 
geling, met  wien  ik,  zoolang  wij  hier  te  zamenzijn,  met  al 
mijne  mannelijke  kracht,  mij  gemeenschappelijk  op  de  weten- 
schappen wil  toeleggen,"  Dat  ook  de  broeder,  evenals  de 
opvoeder,  den  wensch  dat  de  buitengewone  jongeling  lang 
mag  gespaard  worden,  niet  onderdrukt,  geeft  ons  maar  al 
te  veel  grond  om  te  vermoeden,  dat  het  lichamelijke  lijden, 
waardoor  wij  den  met  werkzaamheden  overladen  man  later 
bezocht  zullen  zien,  zich  waarschijnlijk  reeds  vroegtijdig 
heeft  doen  gevoelen. 

Doch   keeren  wij  terug  tot  onzen  leerling  en  zijne  studiën 
aan  den  zetel  der  Muzen  te  Bologna! 


Als  Polen  waren  onze  jeugdige  studenten  bij  de  universiteit 
der  „Ultramontani"  ingelijfd,  welke,  in  tegenoverstelling  aan 
de  universiteit  der  „Citramoutanï ,"  uit  leerlingen  van  18  ver- 
schillende vreemde  natiën  was  samengesteld.  Als  zoodanig 
genoten  zij  het  volle  burgerrecht,  te  gelijk  met  de  aanzien- 
lijke rechten,  die  Bologna,  in  onderscheiding  van  de  Sor- 
bonne,  aan  de  leerlingen  toekende.  Want  te  Bologna  vormden 
van   oudsher  de  scholieren  de  corporatie,  die  zelve  uit  haar 


l)  Mocht  ik  eeiien  theoloog  dei-  ncgeutieodo  txaw  üoemeti,  aan  wienB  rer- 
Bchijaiiig  Dok,  TBQ  zijne  jeugd  af  san,  deiellile  eerbiedige  bewondering  ten 
ileul  viel,  dan  (reedt  de  edele  geatalta  van  mijoea  onver  ge  telij  keu  leermeester, 
Karl  Immaniiel  Nitiaeh,  mij  voor  den  geeat.  (Vergel.  BejBclilag,  S,  7.) 


75 


midden  hare  hoofden  verkoos;  de  leeraren  waren  aan  hen 
onderworpen  ^).  Oorspronkelijk  slechts  eeae  dubl^ele  ivohts- 
school,  kwam  er  reeds  in  het  b^u  der  Teertiende  eeuw 
eeoe  ..artisten-uniTersiteit"  bij  voor  de  beoefenaars  der  wijs- 
begeerte en  voor  die  der  geneeskunde,  en  vervolgens,  als 
Tierde  universiteit,  de  theologische  school,  door  Innocentius 
VI  in  de  tweede  helft  derzelfde  eeuw  gesticht,  die  op  eigen- 
aardige wijze  naar  het  voorbeeld  der  Sorbonue  was  inge- 
richt, zoodat  derhalve  in  haar,  niet  de  leerlingen,  maar  de 
professoren  de  corporatie  vormden.  Zoowel  in  de  rechts- 
school, als  ook  in  de  artisten-  en  de  theologische  school , 
had  onze  Johannes  bepaalde  voorlezingen  bij  te  wonen ,  daar 
vooreerst  de  humanistische  studiën  nog  niet  ten  eimlo  ge- 
bracht waren,  terwijl  in  het  vervolg  de  verdere  studiën,  be- 
treffende het  canonieke  recht  en  hetgeen  de  theologische 
faculteit  aanbood,  zich  daarbij  aansloten. 

Juist  in  die  jaren  verheugde  zich  Bologna  in  een  eenigszins 
hoogeren  bloei  der  wetenschappen.  Don  grootsten  invloed 
hierop  oefende  het  edele  geslacht  Ben  tivoglio:  Bijkanseene 
halve  eeuw  had  Johannes  Bentivoglio  de  vorstelijke  waar- 
digheid bekleed ,  en  gedurende  al  dien  tijd  zich  aanmerkelijke 
verdiensten  met  betrekking  tot  de  bevordering  der  wetenschap- 
pen verworven;  nog  hoogeren  roem  behaalden  te  dezen  aan- 
zien zijne  drie  zonen  en  opvolgers,  Hermes,  Hannibal  en 
Galeazzo.  Humanisten  van  veel  beteekenis  werden  aan  de 
hoogeschool  verbonden.  In  een  vluchtig  bericht  in  een  brief 
vonden  wij  toevallig  een  paar  voorlezingen  vermeld,  die  in 
het  jaar  1516  aan  de  „artisten-faculteit"  gehouden  wer- 
den ,  en  wg  mogen  wel  aannemen ,  dat  onze  ijverige  leerlingen 
uit  Polen  daaraan  hebben  deel  genomen.  In  den  vroegen 
morgen  (de   ochtend- voorlezingen   eindigden   reeds   te  negen 


1)  Vergel.  hieroYer  Savigny  (III»  UI),  tot  wiens  meefiteriyken  arbeid» 
die  nu  reeds  60  jaren  ond  is,  wij  ons  nog  altijd  wenden  moeten,  wanneer 
wij  ons  een  nauwkeurig  beeld  van  de  ,,univcrBitaire''  toestanden,  ook  aan  de 
rechtsschool  te  Bologna,  ontwerpen  willen.  Wanneer  worden  toch  eens  ein- 
delijk de  rijke  archieven  der  aldaar  gevestigde  universiteit  geschift  en  produc- 
tief gemaakt? 


ureo)  werd  behandeld  „Cicero  ad  Atticum"  en  de  „Georgica" 
van  VergUiua;  in  de  namidtlag-voorleziugen  Thucydides  en 
AristopLanes ,  andermaal  Cicero,  en  Propertiua '}.  In  een 
schrijven  van  onzen  Johannes,  uit  ilen  eersten  tijd  van  zijn 
verblijf  te  fiologna ,  aau  zijnen  oom ,  ontlueot  de  jeugdige 
beoefenaar  der  humanistische  wetenschappen  eene  zedenspreuk 
aan  Salluatius,  en  de  volzin  eindigt  in  dichtmaat,  met  woor- 
den, wellicht  uit  de  vlugge  pen  van  den  briefschrijver  zelven 
gevloeid  2).  In  een  ander  schrijven  roemt  hij  professor  Mo- 
destus,  als  die  door  hen  allen  het  hoogst  vereerd  werd. 

Het  is  te  betreuren ,  dat  wij  onzen  aankomenden  geestelijke 
niet  bij  zijne  bijzondere  studiën  te  Bologna  kunnen  begeleiden. 
Alle  pogingen,  om  aldaar  het  juiste  spoor  te  vinden,  dat 
ons  tot  eene  voorstelling  der  toenmalige  theologische  studiën 
zou  hebben  gevoerd ,  zijn  mislukt.  Een  aantrekkelijk  beeld 
zou  het  niet  geworden  zijn;  geestdrift  voor  zijn  „treffelijk 
ambt"  kon  een  leerUng  in  die  dagen  zeker  niet  ontleenen 
aan  de  theologische  voorlezingen,  die  zich  bijkans  geheel  tot 
de  kennis  van  het  canonieke  recht  bepaalden,  Cochlaeus,  in 
de  volgende  jaren  een  zoo  verbitterd  tegenstander  van  Luther, 
en  op  meer  dan  indringende  wijze  werkzaam,  om  het  afge- 
legene Polen  tegen  het  gif  der  Reformatie  te  beschermen, 
hield  zich  tegelijkertijd  wegens  zijne  studiën  te  Botogna  op; 
reeds  na  korten  tijd  echter  is  hij  van  de  theologische  lessen 
aan  de  hoogeschool  verzadigd.  Aan  zijnen  weldoener,  den  be- 
roemden Wilibald  Pirkheimer  te  Neurenberg,  wiens  neef  hij 
als  opvoeder  op  zijne  reis  naar  Bologna  vergezeld  heeft,  geeft 
bij,  in  een  ongetwijfeld  eenigszius  overdreven  en  al  te  verdrietig 
schrijven  vol  jammerklachten,  eene  beschrijving  van  den  toe- 
stand  der   theologische   studiën.     „Het   is,"   zoo  schrijft  hij, 


1)  VergeL  Heumann,  S.  3. 

2)  De  plsRts  i»  aui  )iet  aadate  achriFtelIjke  documeut  rsn  Duzea  h^ld 
ontleend,  hetnelk  nog  onuitgegerea  in  het  ivchJeC  te  Qnesen  geronden  ircrd. 
De  beduolde  ptïBtn  luidt  aldus:  „Etenim,  ut  Salustiiu  inqutt.  diTitïarum  et 
formse  gloria  Saza  atque  fragiliB  eat,  lïrtus  olara  etemaque  hAbetur.  Idnireo: 
NomiaiH   atite   mei    veiiicut   obliFÏrv   in   orbem,  Peelure  guatn   pielas  ail   tua 


77 


^eene  ellende,  om  zich  hier  met  de  heilige  wetenschappen 
bezig  te  houden,  zonder  leeraren ^  zonder  boeken,  zonder 
hulp.  De  voorlezingen  worden  gehouden  door  erbarmelijke 
monniken;  met  hen  wil  ik  mijnen  tijd  niet  zoekbrengen, 
het  zijn  louter  sophisten,  zij  jagen  schaduwbeelden  na.  Uit 
dien  hoofde  woon  ik  geen  voorlezingen  bij,  maar  leef  als 
opgesloten  in  mijn  huis"  ^).  Gelijkluidende  klachten  uit 
hij  over  de  leeraren  van  het  canonieke  recht.  De  ge- 
leerdste van  hen  heeft  geene  geschiktheid  om  te  onder- 
wijzen, de  andere  spreekt  zoo  zacht,  dat  hij  niet  verstaan 
wordt,  de  derde  is  zoo  geleerd,  dat  hij  dikwijls  naar  de  verst 
verwijderde  onderwerpen  afdwaalt,  een  vierde  is  een  klapper, 
een  vijfde  een  jong  mensch  zonder  kennis. 

Ook  als  wij  van  het  aanmatigend ,  smadelijk  oordeel  van 
den  Duitscher,  die  tegen  de  Italianen  was  ingenomen,  iets 
afdoen ,  toch  blijft  er  eene  kern  van  over ,  die  ook  van  andere 
zijde  bevestigd  wordt  De  theologische  studiën  waren ,  in  die 
dagen,  geheel  en  al  overvleugeld  door  de  humanistische.  Ter- 
wijl hier  een  nieuw  leven  begon,  niet  ongelijk  aan  de  bo- 
wling en  herleving,  die  de  Profeet  aanschouwde,  toen  de 
Greest  de  dorre  doodsbeenderen  bezielde ;  terwijl  hier ,  in  ver- 
rassende schoonheid,  de  wereld  der  Grieken  en  Romeinen 
voor  den  opgetogen  blik  als  uit  een  graf  oprees,  en 
alle  geestelijke  energie  der  tijdgenooten ,  op  schier  kramp- 
achtige wijze  zich  daarop  richtte,  om  als  met  reuzenkracht 
dezen  éénen  zoo  wonderbaren  schat  op  te  graven:  was  de 
theologie  achtergebleven,  en  bleef  zij  haar  overoud  spoor 
vervolgen.  Ongeschokt  door  al  datgene,  wat  de  gemoederen 
der  tijdgenooten ,  als  met  de  kracht  van  eene  aardbeving ,  tot 
op  den  bodem  toe  bewoog,  naderde  zij,  op  bijkans  zorgelooze 
wijze,  zonder  iets  te  vermoeden,  het  punt,  waar  hare  scholas- 
tieke mijnlamp  door  den  rukwind  van  den  nieuwen  tijd  wordt 
uitgebluscht 

Juist  zulke  oude,  beroemde  hoogescholen ,  als  Bologna, 
vervallen   er  lichtelijk   toe,  om  aan  het  overgeleverde  hard- 


1)  fienmann,  S.  12, 


nekkig  vast  te  botiden.  Het  mogen  monniken  geweest  zijn, 
die  rondom  de  overgeleverde  leerstellingen  dene  oneindige 
reeks  van  vragen,  van  gronden  en  tegengronden ,  van  defi- 
uitiën,  distinctiën,  syllogismen  en  corollariën  opeenstapelden , 
gelijk  een  graf  door  den  herfstwind  met  dorre  bladeren  be- 
dekt wordt:  maar  onverdraaglijk  moet  zulk  een  getob  geweest 
zijn  voor  een  jengdig  gemoed .  dat  nn  reeds  sinds  jaren  de 
heldere,  zuivere,  verfrisschende  lucht  der  oude  auteurs  bad 
ingeademd,  dobbel  pijnlijk  in  eeneu  tijd,  toen  zicb  op  ieder 
gebied  een  nieuw  leven  openbaarde,  en  ook  de  Scholas- 
tiek, op  meer  dan  ééne  plaats,  de  kiem  der  zelfoplossing 
vertoonde.  Immers  had  reeds  het  pauselijk  ïichrijven,  hetwelk 
de  oom,  een  jaar  te  voren,  aan  de  vergaderde  vaders  van 
het  concilie  bad  mede  te  deelen ,  met  het  wezen  der  Scholastiek 
gebroken,  hoe  zeer  het  ook  nog  van  het  zelfgevoel,  dat  haar 
in  de  dagen  van  haren  glans  vervulde,  doordrongen  is,  zoo- 
dat het,  van  dit  gevoel  uitgaande,  eenvoudig  datgene  decre- 
teert.  wat  men  zich  te  zwak  gevoelt  om  te  bewijzen.  Slechts 
van  éénen  theoloog,  bij  wien  onze  leerling  zekerlijk  de  voor- 
lezingen heeft  bijgewoond,  hebben  wij  den  naam  kunnen 
machtig  worden:  het  is  Chrysostomus  Casalenua.  Leo  X 
had  aan  Petrus  Pomponatius  vergund,  een  verdedigings- 
schrift van  zijnen  reeils  vermelden  arbeid  over  de  onsterfe- 
lijkheid der  ziel  in  het  licht  te  zenden ,  doch  enkel  onder 
deze  voorwaarde,  dat  genoemde  professor  der  theologie  te 
Bologna  daaraan  antithesen  zon  toevoegen ,  en  deze  laataten 
te  zamen  met  dat  verweerschrift  zouden  worden  gedrukt.  Het 
18  te  bejammeren,  dat  wij  dit  werk  („defensorium")  niet 
konden  opsporen:  behalve  dat  zulk  een  zeldzaam,  op  pauselijk 
bevel  uitgegeven  geschrift,  waarin  het  vóór  en  het  tegen 
(„aic  et  non")  uiteen  gezet  wordt,  en  hetwelk  den  geest  van 
dien  tijd  in  helder  licht  stelt,  reeds  als  zoodanig  al  onze 
belangstelling  waardig  is ,  zou  bovendien  bet  boek  voor  ons 
gewichtig  geweest  zijn,  om  den  meester  te  leeren  kennen, 
aan  wiens  voeten  onze  Laski  gezeten  heeft. 

Voor  de  uitlegging  van  de  Heilige  Schrift  bezat  Bologna 
ook  eenen  leerstoel)  maar  reeds  sinds  langen  tijd  was,  onder 
den  invloed  der  Scholastiek,  dit  belangrijk  vak  ontaard  of 


79 


Terwilderd  tot   eene   uitlegging   van  de  uitloging,  in  welke 
de  spitsvondigheid   van  de  heerschende  theologische  richting 
eene   aangename,    uitgestrekte   speelplaats  had.     Doch  dese 
laatste  werd   haar   meer   en  meer  betwist     Reeds  in  1516 
verscheen  te  Genua  een  Psalterium  in  vier  talen ;  twee  jaren 
Yieeger  was  het  eerste  deel  van  den  grooten  Complutensischen 
Bgbel  van  den  kardinaal  Ximenez^  aan  paus  Leo  X  opge- 
dragen, in  het  licht  verschenen,  en  ook  de  Grieksche  uitgave 
van  het  Nieuwe  Testament  van  E  ras  mus   was  in  Italië  in 
veler  handen.    Men  las  en  verklaarde  het  boek,  evenals  zoo 
menigen    anderen    pas-ontdekten    Griekschen   schrijver,    wij 
zouden  zeggen:  uit  een  zuiver  philologisch  oogpunt,  zonder 
te    beseffen,    welke    ver   reikende    gevolgen  deze  studie  aan 
gindsche   zyde   der   bergen   reeds   zoo   spoedig   hebben  zou. 
Ook   het   Oude   Testament  begon   men   in    de   grondtaal   te 
lezen.     Men  kon  zich  daarbij ,  wat  Bologna  betreft ,  beroepen 
op   de   bekende   verordening   van  Clemens  V,  op  de  kerk- 
vergadering te  Yienne,  in  1311,  volgens  welke  ook  aan  deze 
universiteit    zes    leeraren    in    de    Oostersche    talen    moesten 
worden  aangesteld ,  niet  om  de  igeestelijken  in  de  gelegenheid 
te  stellen,   de  Heilige   Schrift  in  de  oorspronkelijke  taal  te 
leeren   verstaan,   maar   om  wél-toegeruste  kampioenen  tegen 
Joden   en   Mohammedanen  te  vormen.     Die  verordening  was 
in  den  loop  des  tijds  bijkans  vergeten.     Thans  echter,  juist 
in    hetzelfde  jaar,   toen   onze  vrienden   zich   naar  Bologna 
begaven,  was  Theseus  Ambrogius  —  een  soort  van  Mez- 
zofanti   der   zestiende   eeuw,  want  men  verhaalde  van  hem, 
dat  hij  in  achttien  talen  ervaren  was ,  —  door  den  Paus  als 
professor  in  de  Oostersche  talen  aangesteld  geworden  >).  Wij 
weten  zeker,  dat  onze  jonge  godgeleerde  zich  de  aldus  aan- 
geboden gunstige   gelegenheid   niet  ten  nutte  maakte,   want 
bökans  een  tiental  jaren  later  leerde  hij  het  Hebreeuwsch; 
de   Aartsbisschop    was    waarschijnlijk    van   gevoelen,  dat  de 
kennis  van  deze  taal  weinig  nut  zou  aanbrengen  met  betrek- 
king tot  de  loopbaan,  die  hij  van  zins  was,  om  voor  zijnen 
gelief  koosden   neef  in  de  vaderlandsche   Kerk  te  ontsluiten. 

1)  Bosooe,  II,  151. 


"15 


Eene  bijzondere  levendigheid  heerschte,  gedurende  het 
verblijf  van  onze  vrienden  te  Bologoa,  op  het  gebied  der 
wijsbegeerte ,  op  hetwelk  een  scherpziend  oog  reeds  destijds 
bovenal  de  werking  van  den  geest  zou  hebben  kunnen  be- 
speuren, die  aan  den  tijd  der  Middeleeuwen  een  einde 
maakte,  en  voor  Italië  zijne  herschepping  tot  i1e  gestalte 
der  Renaissance  krachtig  bevorderde.  Wij  mogen  nauwe- 
lijks aannemen,  dat  onze  jeugdige  beoefenaar  der  god- 
geleerdheid reeds  bet  ruischen  van  deinen  geest  gewaargewor- 
den  is.  Tot  dusverre  had  Aristoteles  en  zijne  dialectica 
eeuwen  achtereen  het  denken  op  znlk  eene  wijze  beheerscht, 
als  zeker  geen  ander  wereldwijze  ooit  eenen  invloed  geoefend 
heeft.  De  bedrevenheid  der  humanisten  in  het  opsporen  had 
nieuwe  geschriften  des  meesters  ontdekt,  die  den  kring  zijner 
kennis  belangrijk  vergrootten.  Inzonderheid  sedert  den  val 
van  Constant!  nop  et  had  zich  ook  de  kennis  van  Plato's  ge- 
schriften tot  ver  in  Itahë  verspreid ,  en  van  de  vurige  liefde 
Toor  dezen  wereldwijze  getuigde  zoo  menige  „Platonische 
academie,"  Beide  heroën  des  geestes  vonden  hunne  harts- 
tochtelijke vereerders ,  in  't  eerst  nog  niet  op  eene  elkander 
wederkeerig  uitsluitende  wijze,  maar  hoe  langer  hoe  meer 
met  scherper  accentueering  van  de  verschillen.  Er  is  toch 
eene  andere  richting  des  geestes  in  de  beide  Dioscuren , 
het  overoude  verschil ,  dat  zich  ook  in  de  krachtigste  dagen 
der  Scholastiek  geopenbaard  heeft.  Juist  te  Bologna  leerden 
destijds  voorname  vertegenwoordigers  der  beide  richtingen. 
Eenen  belangrijken  invloed  oefende  Alexander  Achilinus, 
zelf  een  Bologueezer,  die  in  1518  in  zijne  vaderstad  stierf. 
Uitter  oordeelt  aangaande  hem  ,  dat  zijne  wijsgeerige  geschrif- 
ten nog  geheel  en  al  den  stempel  der  Scholastiek  vcrtoonen, 
en  aan  de  leeringen  van  den  beroemden  Averroes  grooten 
invloed  op  zijne  onderzoekingen  toestaan  ').  Maar  de  tvrijfel 
aan  hare  stellingen  laat  zich  toch  reeds  gelden.  Achilinus 
wandelt  in  de  wegen  van  eenen  Duns  Scotus;  hij  vat  het 
realisme   weder   op;   in   dezen  zin  verklaart  hij  de  woorden 


1)  Bitter,  IX.  382,  f. 


81 


▼au  Aristoteles.  —  Nevens  hem  leerde  aan  de  hoogeschool 
in  die  jaren  de  reeds  herhaaldelijk  genoemde  Petrus  Pom- 
pon atius,  die,  ofschoon  nog  in  scholastische  stellingen 
bevangen,  toch  nog  meer  bepaald  voor  den  twijfel  toegan- 
kelijk was.  Door  den  bekenden  Platonischen  wijsgeer  Fici- 
nns  is  hij  met  Plato's  geschriften  vertrouwd  geworden;  hij 
vermoedt  wel,  dat  de  beide  wereldwijzen  niet  overal  van  het- 
zelfde gevoelen  zijn,  doch  het  ontbreekt  hem  aan  eene  ge- 
noegzaam ernstige  zucht  naar  waarheid,  om  de  verschiDen 
na  te  gaan,  en  zich  aan  de  voor  dien  tijd  zoo  belangrijke 
gevolgtrekkingen  te  onderwerpen.  Tusschen  Pomponatius 
en  Achilinus  ontspon  zich  te  Bologna  menigmaal  een  weten- 
schappelijke wedstrijd.  „Men  verhaalt,  dat  zij  zich  in  dis- 
patatiën  met  elkander  maten,  en  dat  gene  aan  het  gewicht 
der  wetenschappelijke  gronden,  welke  deze  wist  te  doen 
gelden,  zich  door  geestige  wendingen  zocht  te  onttrekken  ^)." 

Hoe  gaarne  zouden  wij  er  iets  naders  van  vernemen,  of, 
en  welk  eenen  invloed  deze  worstelingen  des  geestes  en  deze 
wetenschappelijke  pogingen  op  de  ontwikkeling  van  onzen 
held  geoefend  hebben!  Maar  alle  moeite,  om  nadere  berich- 
ten aangaande  den  loop  zijner  studiën  te  Bologna  op  te 
sporen,  was  te  vergeefs.  Ons  restte  slechts  de  zoo  even  in 
het  werk  gestelde  bescheidene  poging,  om  de  schrale,  ten 
opzichte  van  zoo  vele  vragen  onvoldoende ,  hier  en  daar  ver- 
strooide berichten  bijeen  te  zamelen,  ten  einde  daaruit  ten 
minste  den  aard  van  den  invloed  te  loeren  kennen,  aan 
welken  La  ski,  gedurende  zijn  verblijf  te  Bologna,  bij  zijne 
theologische  studiën  blootgesteld  was,  of,  gelijk  wij  ons 
wellicht  voorzichtiger  en  bescheidener  moeten  uitdrukken ,  zou 
hebben  kunnen  blootgesteld  zijn. 

Ook  wat  het  predikambt  betreft,  schijnt  onze  jeugdige 
godgeleerde  aan  de  hoogeschool  geene  bijzonder  geschikte 
voorbeelden  te  hebben  aangetroffen.  Wij  zien  ons  hier  weder 
uitsluitend  verwezen  naar  de,  zooals  het  ons  voorkomt,  over- 
dreven  voorstellingen   van  Gochlaeus,  die  de  gebruikelijke 


1)  Ibid.,  S.  427. 
DALTOir. 


preekwijze  in  de  volgende,  aterk  sprekende  trekken  geeselt: 
„De  meeste  vastenpredikera  zijn  op  den  kansel,  als  ik  het 
zeggen  raag,  meer  potsenmakers  of  declaraeerende  schouw- 
spelers,  dan  predikers,  dan  Apostelen,  dan  Aognstinusgen. 
Terwijl  velen ,  wanneer  zij  in  gesticulatiën  en  in  hunne  stem 
op  eeoe  dwaze  wijze  de  palen  te  buiten  gaan,  Paulus  of 
Cicero  reeenen  na  te  volgen ,  spreken  en  ageeren  zij  toch 
slechts  huichelachtig  voor  de  oogen  en  ooren  des  volks.  Is 
het  te  verwonderen,  ala  zij  op  deze  wijze  niets  uitrichten? 
Wanneer  zij  heftig  willen  zijn,  dan  jagen  zij  in  hunne  rede 
onophoudelijk  voort,  zonder  eenige  de  minste  rust;  af  en 
toe  bewegen  zij  hunne  hoofden  ala  kraaien,  springen  op, 
loopen  op  den  predikstoel  heen  en  weder,  schreeuwen,  scher- 
men met  hunne  armen,  en  keeren  aan  de  gemeente  don  rug 
toe,  inzonderheid  wanneer  zij  tot  het  kleine  crucifix,  dat 
achter  hen  staat,  voor  de  gemeente  bidden.  Uiterlijk  weenen 
zij ,  maar  innerlijk  lachen  zij ,  en  behagen  zich  zei  ven  uiter- 
mate ')." 

Niet  geheel  ongestoord  door  de  dingen  der  wereld,  gingen 
de  studiejaren  te  Bologna  voorbij.  Een  paar  gebeurtenissen 
moeten  hare  omtrekken  ook  in  het  rustige  leven  onzer  ken- 
nissen geworpen  hebben.  Meestal,  voorzeker,  leefden  zij 
afgezonderd  en  op  zich  zelven.  Branizki  had,  ten  einde 
zijne  kweekelingen  aan  hunne  woning  te  verbinden,  een  paar 
citers  aangeschaft,  welke  de  RadziwilI's  en  de  Laski's 
met  vaardige  hand  wisten  te  bespelen;  eene  plaats  in  een 
brief,  door  onzen  vriend  in  tateren  tijd  aan  Beatus  Rhena- 
nus  gericht,  doet  ons  zien,  dat  hij  veel  van  de  muziek 
hield,  en  ook  in  baro  theoretische  kennis  niet  onervaren 
was.  Maar  de  rang  der  famiJiën  van  onze  jonge  Poolsche 
edelen  was  in  hun  vaderland  van  te  veel  beteekeuis ,  dan  dat 
zij  geheel  onopgemerkt,  en  onder  ongestoorde  toewijding 
hunner  krachten  aan  de  studiën,  hunne  dagen  in  de  muzen- 
atad  zouden  hebben  kunnen  doorbrengen.  De  kardinaal-aarts- 
bisschop van  Bologna,  Achilles  de  Grassis,  was  Protector 


1)1 


83 


van  Polen  bij  den  pauselijken  stoel,  en  de  oom  stond  in 
voortdurende  vertrouwelijke  betrekking  met  deze  hoogaanzien- 
lijke persoonlijkheid;  eene  betrekking,  die  gewis  ook  aan 
de  neven  ten  goede  gekomen  is. 

In  December  1516  had,  zooals  bekend  is,  te  Bologna  de 
beroemde  en  belangrijke  samenkomst  plaats  van  Leo  X 
met  Frans  I.  Sedert  de  roemrijke  overwinning  van  den 
ridderlijken  held  en  koning  van  Frankrijk  bij  Marignano 
moest  de  Paus  alle  middelen  in  het  werk  stellen,  om  met 
den  overwinnaar  tot  eene  vriendschappelijke  verstandhouding 
te  geraken :  de  samenkomst  te  Bologna  moest  aan  deze  pogingen 
hare  uitdrukking  verleenen.  Groote  voorrechten  werden  hier 
aan  den  Franschen  koning  toegekend.  Wel  werd  de  vaak 
zoo  heftig  bestredene  pragmatieke  Sanctie  opgeheven,  maar 
de  belangrijkste  voorrechten  en  vrijheden,  welke  zij  bevatte, 
werden  door  eene  bijzondere  akte  vernieuwd,  die  vervolgens 
de  grondslag  van  de  „vrijheid  der  Gallikaansche  kerk"  ge- 
worden is.  Voor  den  levensloop  van  onzen  held  werden  deze 
dagen  d&drdoor  van  beteekenis,  dat  hier,  gelijk  wij  grond 
hebben  om  te  vermoeden,  zijn  jongere  broeder,  Stanislaus, 
voor  het  eerst  in  aanraking  kwam  met  den  koning  van 
Frankrijk:  door  wiens  tusschenkomst  dit  geschiedde,  kunnen 
wij,  bij  gebrek  van  de  noodige  gegevens,  onmogelijk  beslissen. 
Meer  dan  éénen  naam  zouden  wij  hier ,  met  meer  of  minder 
waarschijnlijkheid,  kunnen  noemen;  doch  waartoe  zou  het 
dienen,  zoolang  niet  de  minste  zekerheid  voorhanden  is? 

Weinige  weken  na  deze  plechtige  samenkomst  waren  onder 
de  Bologneesche  studenten  ernstige  botsingen  tusschen  de 
verschillende  corporatiën  van  landgenooten  ontstaan.  De 
Duitschers  stonden  tegen  de  Lombarden  op ;  het  jonge ,  vurige 
bloed  tastte  snel  naar  den  degen  en  het  zware  vuurroer; 
twee  dagen  duurde  het  bloedige  oproer  in  de  straten,  Aan 
de  zijde  der  Duitschers  stonden,  onder  andere  corporatiën 
van  landgenooten,  ook  de  Hongaren  en  Polen.  Of  ook  onze 
ridderlijke,  in  den  wapenhandel  bedrevene  Polen  naar  het 
zwaard  gegrepen  hebben,  weten  wij  niet;  in  ieder  geval 
echter  hoorden  zij,  in  die  stormachtige  dagen,  eenen  held- 

6* 


haftigen  Duitschen  ridder  als  pleitbezorger  der  Duitschers , 
en  DU  ook  der  met  hen  verbonden  Polen,  ter  zake  van  de 
krenking,  die  hun  was  aangedaan,  nadrakkelijk  hunne  be- 
langen verdedigen  tegenover  den  partijdig-gezindengoeverneur; 
het  was  niemand  minder,  dan  Ulrich  von  Hutten  i). 
Noch  hij  Laski,  noch  bij  Hutten  is  ons  eeiiige  aanduiding 
voorgekomen,  die  grond  geeft  om  te  onderstellen,  dat  zij, 
gedurende  bun  gelijktijdig  oponthoud  te  Bologna,  persoonlijk 
met  elkander  bekend  geweest  ziju.  Zoo  menigvuldig  ala  de 
aanrakingspunten  zijn ,  die  men  in  het  wezen  dezer  beide 
mannen  kan  vinden,  zoo  diepgaand  zijn  ook  de  verschillen, 
en  juist  op  dat  punt,  van  waaruit  een  schitterend  licht  op 
de  reine  gestalte  van  onzen  Laski  valt,  die  bovoudien  meer 
dan  een  tiental  jaren  jonger  waa ,  dan  de  dolende  Duitsche 
ridder.  De  naam  van  Hutten  doet  de  vraag  bij  ons  oprijzen, 
of  ook  in  de  woning  onzer  Polen  het  schijnsel  ia  doorge- 
drongen, dat  van  de  pas  verschenen  „Brieven  der  duister- 
lingen"  is  uitgegaan,  en  dat  geheel  den  geestelijken  horizont 
als  in  vlammen  zette,  bet  onvergelijkelijke  hanengekraai , 
hetwelk  verkondigt ,  dat  een  lange ,  duistere  nacht  verstreken 
is,  en  dat  in  het  zegevierend  schertsen  der  Humaniteit  het 
morgenrood  aanbreekt,  hetwelk  eenen  nieuwen,  achoonen 
dag  VOO  rapé  It.  Aan  de  sameua  telling  van  het  tweede  deel 
dezer  Brieven  heeft  Hutten  een  werkzaam  aandeel  genomen  '), 
en  wel  van  Bologna  uit.  De  portretten  van  de  briefschrijvers 
had  de  Duitsche  held  op  zijne  reizen  en  omzwervingen  door 
Duitscliland  genoegzaam  leeren  kennen,  en  bijaldien  soms 
in  het  zonnig  Italië  de  trekken  dezer  duisterUngen  voor  hem 
mochten  verbleekt  zijn,  dan  konden  hem  Rome  en  Bologna 
lieden  van  hetzelfde  soort  verschaffen.  Want  deze  duister- 
lingen  zwierven ,  zonder  vaste  woonplaats ,  overal  in  de  wereld 
rond;   evengoed   te    Keulen,    als    te    Bologna  ontmoette  men 


1)  Yrrgel.    het  bericht,   door  Hutleu   aou  Sraamus   ge\ 
treffelijke  uitgsre  zijoer  werken  bij  B5QkiDg,  I,  116. 

2)  Men  Tiudt  dil  tuuigetoond  bij  Strauaa,  I,  26G  f. 


85 


hnnne  gelaatstrekken^  en  vernam  men  hun  Latijn,  dat  ons 
telkens  opnieuw  het  Duitsch  der  Poolsche  Joden  herinnert^ 
eveneens  zulk  een  zwervend  volk  zonder  vaste  woonplaats, 
met  een  koeterwaalsch  ^  dat  half  dood  en  half  levend  is« 
Wanneer  wij  ons  de  schildering  van  de  vastenpredikers 
herinneren ;  gelijk  wij  die  bij  Cochlaeus  vinden,  op  wien 
Hutten,  met  zijne  frissche  scherts  en  zijn  talent  voor  satire, 
te  Bologna  zulk  eenen  sterken  indruk  maakte,  zoo  is  het  mij, 
alsof  zij  ons,  met  vleésch  en  bloed  bekleed,  in  de  Brieven 
van  Hutten  aanstaarden. 

De  zomer  van  1516  was  drukkend  heet^).  Het  schijnt, 
dat  onze  Johannes,  wiens  gezondheid,  gelijk  reeds  werd  aan- 
gestipt, niét  bijzonder  krachtig  was,  zich  door  de  gloeiende 
hitte  naar  noordelijker  streken  heeft  laten  verjagen.  De  groote 
vacantie,  die  zes  weken  duurde,  begon  in  Bologna,  wel  is 
waar,  eerst  den  dag  vóór  Maria-geboorte  (7  September)  2), 
doch  waarschijnlijk  heeft  Johannes,  uit  hoofde  van  de  groote 
hitte  en  wegens  zijnen  lijdenden  toestand,  zijne  studiën  reeds 
vroeger  geëindigd,  en  zich  voor  de  reis  naar  het  koelere 
noorden  gereedgemaakt.  Met  dezen  zomertijd  brengen  wij 
althans  die  aanteekening  in  den  als  handschrift  ons  bewaard 
gebleven  brief  van  Hieronyraus  in  verband,  die,  wat  wel 
te  betreuren  is ,  geene  opgave  van  dag  of  jaar  zijner  samen- 
stelling behelst,  en  in  welken  wij  die  schoone  uitdrukking 
van  vreugde  over  den  terugkeer  des  geliefden  broeders  ge- 
vonden hebben.  Naar  welke  deelen  van  Duitschland  de  reis 
gericht  was,  en  welke  persoonlijkheden  van  beteekenis  hij 
aldaar  heeft  leeren  kennen,  dienaangaande  vernemen  wij 
niets,  ondanks  alle  in  't  werk  gestelde  navorschingen. 

Het  verblijf  te  Bologna  naderde  intusschen  zijn  einde.    In 


1)  Heumann,  S.  9:  „annus  grayis  fait,  aestas  calidissima ,  hierna  frigidis- 
sima,  qaalin  in  hominum  memoria  non  fiiit,  nix  alta,  glacies  diutuma,  Pndus 
Telot  Hister  concretus,  ligna  cara,  qoaraquara  fumida."  Dose  winter  van 
1516  op  1517  zal  onzen  Polen,  die  aan  gestrenge  winters  in  het  yadorland 
gewoon  waren,  reeds  meer  naar  den  smaak  geweest  zijn. 

2)  SaTigny,  IH,  232. 


Mate   gevallen    bleven  de  vreemdelingen  drie  jaren  afui 

de  univei-siteit ;  dit  was  zoozeer  de  gewoonte,  dat  ieder  stndent 
het  recht  had,  om  drie  jaar  iu  zijne  woning  te  blijven,  ge- 
durende welken  tijd  de  biiisheer  hem  de  huur  niet  mocht 
opzeggen  '),  Onze  Polen  echter  brachten  hun  triennium  niet 
geheel  ten  einde.  De  oom  had  reeds  in  de  eerste  dagen 
van  Augustus  1515  Romo  verlaten,  en  na  een  kort  opont- 
houd te  Weenen  en  bij  den  kardinaal-aartsbisschop  van 
Gran,  in  October  zijnen  intocht  in  Krakan  gehouden,  alwaar 
hem  de  prelaten  en  kanunniken  aan  de  stadspoort  nabij  den 
Wawel  plechtig  verwelkomden.  Voor  het  onderhoud  van  zijne 
neven  en  studenten  te  Bologna  had  hij  eene  toereikende  som 
geldg  in  het  baukiershuis  der  Fugger's  te  Uome  nederge- 
legd.  Hij  was  in  voortdurende  schriftelijke  gedachten  wisseling 
met  hen  gebleven;  in  het  jaar  1517  beveelt  hij  in  zijn  testa- 
ment zijnen  neef  Johannes,  student  te  Bologna ,  aan  zijnen 
opvolger  op  den  aartsbisschoppelijken  zetel  aan.  Hij  noemt 
hem  leergierig ,  vroom  en  dankbaar  van  aard  ^. 

In  het  volgende  jaar  bevreemdt  ons  eene  afgebrokene  plaats 
in  hetzelfde  testament.  Vermoedelijk  dagteekent  zij  van  het 
begin  des  jaars,  en  heeft  het  bedoelde  voorval  plaats  gehad 
tegen  het  einde  van  1517.  „Onze  neef  Johannes  heeft  zich, 
ik  weet  niet  tengevolge  van  welke  afdwaling,  overreding  of 
aanleiding ,  van  de  universiteit  Bologna  verwijderd ;  ook  weet 
ik  niet,  werwaarts  hij  zich  begeven  heeft.  Ik  vrees,  dat  dit 
geval  mij  onkosten  veroorzaken  zal^)."  Geruimen  tijd  echter 
kan  onze  Johannes  niet  uit  Italië  afwezend  zijn  geweest,  want 
in  het  vooi^'aar  van  1518  was  het,  dat  hij  te  Rome  geës- 
commnniceerd  werd.  Zijn  neef,  Martinus  Rambiewski. 
bad  namelijk  te  Rome,  op  naara  van  onzen  Johannes,  zon- 
der dat  deze  er  iets  van  wist,  eenen  wissel  getrokken,  ten 
bedrage  van  670  gulden.  Rambiewski  schijnt  te  Rome  in 
eeuigszins  lichtzinnige  kringen  geraakt  te  zijn ,  en  in  lande- 


1)  Ibid.,  B.  1B5. 

2)  Zeiasharg,  3.  679. 

3)  Ibid. ,  a.  ess. 


87 


lijke  yermakeny  akook  in  het  aankoopen  Vcin  kostbare  schil- 
derijen méér  geld  te  hebben  uitgegeven,  dan  zijne  middelen 
hem  veroorloofden,  en  in  deze  omstandigheden,  door  zijne 
schuldeischers  gekweld  en  ook  in  een  kwaad  oogenblik  ver- 
leid ^  tot  dien  bedenkelijken ,  voor  onzen  Johannes  zoo  nood- 
lottigen  uitweg  zijne  toevlucht  genomen  te  hebben  *).  Daar 
deze  op  den  vervaldag  de  genoemde  som ,  op  welke  hij  geens- 
zins verdacht  was,  niet  betalen  kon,  werd  hem  deze,  in 
zulk  een  geval  gebruikelijke  straf  opgelegd,  en  wel  voor  zoo 
lang,  totdat  de  oom  voor  zijnen  onschuldigen  neef  de  wissel- 
schuld  voldaan  had  ^).  Voor  zulke  misslagen  werd  destijds  in 
Rome  de  excommunicatie ,  men  mag  wel  zeggen :  misbruikt.  Zij 
was  tot  eene  eenvoudige  politiestraf  ontaard,  tot  eene  soort 
van  arrest  wegens  schuld,  zonder  eenige  verdere  nadeelige  ge- 
volgen, zelfs  voor  eenen  priester,  zoodra  slechts  de  aanleiding 
was  opgeheven.  Zóó  werd  de  straf  ook  door  den  oom  be- 
schouwd. In  een  uitvoerig  schrijven  aan  zijnen  koning ,  waarin 
hij  ook  van  dit  voorval  melding  maakt,  zegt  hij :  ,, Zoowel  vele 
geestelijken,  als  ook  vele  leeken  van  hoogen  rang,  zijn  reeds 
door  deze  straf  getroffen  geworden,  zonder  dat  zij  deswege 
voor  slechte  menschen  zouden  mogen  gehouden  worden.  Reeds 
meermalen  zelfs  is  deze  straf  aan  keizers  en  koningen  opge- 
legd geworden,  zonder  dat  daardoor  de  minste  vlek  op  hen 
kleefde  ^y 

Ook  onzen  Johannes  schandvlekte  zij  niet,  vooral  daar  hij 
haar  zoo  onschuldig  onderging.  Ook  teen  hij  later,  wegens 
veel  ernstiger  oorzaak,  zich  de  straf  der  uitbanning,  zij 
't  ook  zonder  rechtstreeksche  vonniswijzing ,  op  den  hals 
baalde,  was  zij  echter  onmachtig,  om  zijn  karakter  aan  te 
tasten,  of  hem  door  zulk  eene  machtspreuk  der  Kerk  van 
zijnen  Heer  en  Heiland  te  scheiden. 


1)  YergeL  ook  „Tomioiana'',  YII,  23, 

2)  Zeissberg,  S.  701. 

3)  „Tomidana",  VI,  68. 


Weder  in  het  Vaderland. 


Na  eene  afwezigheid  van  vijf  jaren  koerde  onzo  Johnn- 
nes  in  het  vaderlaail  terug-  Wij  hebben  heoi  op  zijne  stuilie- 
reis  vergezeld,  en  zijn  hem,  voor  zooverre  bet  donker  der 
geschiedenis  de  sporen  niet  heeft  uitgewischt,  op  den  voet 
'gevolgd.  Zoo  dikwijls  als  eene  gunstige  beschikking  ons  ver- 
gunt, om  iieiu  van  meer  nabij  gade  te  slaüu,  herkennen  wij 
geheel  dezelfde ,  helaugwekkende  trekken  van  den  jongeling , 
die ,  rein  en  streng  van  zeden ,  met  een  Tfoom  gemoed  zijnen 
weg  bewandelt;  die  zich  door  zijne  hooge  afkomst,  door  de 
machtige  bescherming  zijner  familie  niet  laat  terughouden 
van  ernstige  studiën;  die  zijnen  tijd  uitkoopt,  gelijk  één, 
die,  zoo  bij  in  de  wereld  wil  vooruitkomen,  alleen  op  zijne 
eigene  kracht  heeft  te  steunen.  Op  tal  van  plaatsen  zouden 
wij  een  nauwkeuriger  inzicht  in  den  loop  zijner  studiën  be- 
geerd hebben,  ten  einde  wellicht  reeds  in  deze  jaren  en  in 
den  gedachtengang  des  jongelings  eenig  spoor  van  de  be- 
doeUngen  te  ontdekken,  die  de  man  daarna  met  zoo  vaste 
hand  heeft  aangegrepen.  Met  zulk  eene  geringe  winst  echter, 
als  vrucht  van  uitgebreide  onderzoekingen,  moesten  wij  ons 
tevredenstellen.  Of  gelukkiger  en  grondiger  navorschingen 
ons  een  nauwkeuriger  inzicht  in  de  ontwikkeUng  van  het 
zieleieven  van  onzen  held  verteenen  zullen,  is  twijfelachtig, 
dewijl  die  tijd,  in  zijne  modedeelingen  aangaande  zulke  in- 
nerlijke toestanden,  voor  ons  verlangen  maar  al  te  karig  is. 
Welke  bewijzen  van  zijne  geschiktheid  voor  de  aanvaarding 
van  'het  gekozen  beroep  Laski,  bij  zijn  huiswaarts  keeren, 
van  de  hoogeschool  met  zich  bracht,  weten  wij  niet    Wel- 


i 


89 


licht  hebben  wij  die  onkunde  niet  uitsluitend  aan  de  ongunst 
der   spaarzame   mededeelingen  te   wijten.     Examens,  in  den 
zin   yan  onzen   angtvalligen ,  omzichtigen   tijd,   werden   niet 
vereischt,  om  den  drempel  van  officieele  eere-  en  lastposten 
te    mogen   betreden.     Het   examen   voor  cle   verkrijging   van 
den  titel  yan  Licentiaat ,  of  zelfs  van  Doctor  in  het  canonieke 
recht  heeft  La  ski  te  Bologna  niet  ondergaan  ^),  waarschijn- 
lijk  dewijl   hij   het   niet  ondergaan   wilde,   daar  zijn  levens- 
weg,  zooverre  zich  voorzien  liet,  eene  andere  richting  nam, 
zoodat  hij   zulke   waardigheden  veilig  ontberen  kon.     Alleen 
had  het  voor  hem  zijn  nut,  zoo  hij  zich,  ter  wille  van  zijne 
studiën,   een   tijdlang   aan   eene   beroemde   hoogeschool  had 
opgehouden:   op   welke   wijze   men   zich   dan    werkelijk  deze 
jaren   ten  nutte  maakte,  dat  beteekende  niet  veel,  inzonder- 
heid  wanneer  men  zich  in  de  bescherming  van  invloedrijke 
persoonlijkheden   verheugen  mocht.     Aan  dien  steun  nu  ont- 
brak  het  ongetwijfeld  den  zoon  van  eenen  hooggeëerden  pa- 
latijn,  den  neef  van  den  Primaat  en  aartsbisschop  van  Gnesen, 
in  geenen   deele^  en  de  eerste  rijpe  vruchten  van  zulk  eene 
verwantschap   waren  hem  reeds  in  den  schoot  gevallen ,  nog 
voordat  hij  de  grenzen  van  zijn  vaderland  overschreden  had. 
Van    zoovele   verwijtingen,    die    aan   den   aartsbisschop  van 
Gnesen  door  zijne  vele  en  besliste  tegenstanders ,  die  meestal 
ook    benijders    waren,   gedaan   werden;   is   geen   enkele   ge- 
gronder, dan  deze,  dat  hij  het  nepotisme  gehuldigd,  en  van 
zijnen  hoogen  rang  gebruik   gemaakt   heeft,    om   zijne  ver- 
wanten in  hunne  loopbaan  te  ondersteunen. 

De  oom  was,  gelijk  reeds  vermeld  werd,  in  1515  van 
de  Lateraansche  synode  naar  Polen  teruggekeerd,  rijkelijk 
met  bewijzen,  zoowel  van  de  persoonlijke  gunst  van  den 
Paus,  als  van  de  erkenning  zijner  hooge  waardigheid  be- 
giftigd. Onder  andere  werd  bij  als  de  eerste,  en  na  hem 
alle  zijne  opvolgers  op  den  aartsbisschoppelijken  stoel,  tot 
een  ,4egatus  natus"  benoemd ,  eene  hooge  onderscheiding ,  die 
slecbts   aan  weinige  bisdommen  ten  deel  gevallen  is,  en  die 


1)  De  Tereischteii  tot  de  Promotie  besobrijfb  Savigny,  III,  193  i. 


90 


den  tijdeiijken  bezitter  van  den  aartsbisBchoppelijken  stoel 
tevens  met  den  rang  en  de  waardigheid  van  een  pauselijk 
gezant  beleent,  die  ook  als  zotulanig  in  onmiddellijke  betrek- 
king staat  met  den  paus  en  met  den  gebieder  des  laods. 
De  welwillende  aartsbisaohup  bleef  niet  in  gebreke,  zijnen 
neef  op  de  eerste  sport  der  ladder  te  verheffen,  wier  bovenste 
hij  zelf  beklommen  had ,  terwijl  bij  voornemens  was ,  om 
deze  zijne  plaats  eenmaal,  bij  zijnen  doud,  aan  den  veelbe- 
lüvenden  jongeling  in  te  ruimen.  Nog  terwijl  de  student  zich 
te  Bologna  aan  zijne  studiën  wijdde,  maakte  hij  hem  tot 
domheer  („canonicus")  aan  het  coUegiaat-sticht  te  Leczyc , 
de  hoofdplaats  van  het  palatinaat  van  gelijken  naam,  in 
hetwelk  de  vader,  van  15lX>  tot  op  dit  jaar  der  benoe- 
ming van  zijnen  zoon  tot  kanunnik  (1517),  de  waardigheid 
van  palatijn  bekleedde.  Evenmin  als  ile  vader,  zal  zich  waar- 
schijnlijk ook  de  zoon  in  dit  ongezonde,  overal  door  moe- 
rassen omgevene  oord  hebben  opgehouden.  Den  3U*'^"  Decem- 
ber 1517  kwam  er  reeds  eene  andere,  hoogere  waardigheid  bij. 
Terwijl  hij  zich  gereed  maakte,  om  de  terugreis  naar  aijn 
vaderland  te  aanviiarden,  werd  hij  tot  coadjutor  der  decanie 
van  Gnesen  benoemd  ')■  Eu  het  scheen,  dat  er  nog  altijd 
te  weinig  waardigheden  op  het  jeugdige  hoofd  vereenigd 
waren ,  hetwelk  op  dat  zelfde  tijdstip  nog  te  Bologna  over  de 
folianten  van  het  canonieke  recht  gebogen  was.  In  hetzelfde 
onheilspellende  jaar ,  waarin  de  hamerslagen  aan  de  slotkerk  te 
Wittenberg  zoo  krachtig  en  aanhoudend  het  geheele  gebouw  der 
Kerk  doordreunden ,  verleende  Leo  X  aan  den  nauwelijks  acht- 
tienjarigen jongeling  de  provisie  op  de  custodie  vau  Leczyc,  en 
buitendien  nog  de  canouicateu  van  Krakan  en  van  Plock  *). 
Waarlijk  genoeg  prebemlen  bij  het  begin  der  loopbaan ! 


1)  Yolgena  de  uittreksels  uit  de  ,.Aola  Capit.  Ghmq.".  die  mij  op  <lo  yoor- 
komeadate  wijie  door  den  domcïpituIftHa  Korjtkow«ki  werden  rentrekt. 

2)  Iheiner  (II,  37S)i  „I<«>  episcopua  etc  Dilect^  Hlio  Jaaaiii  Juvalai 
de  Laaoa,  cmtodï  ecol.  B.  Mariae  LaocitienïiB  Qntta.  dioeceai»  BFautero  etc. 
Confert  ip«i  diclHin  euatodiam  necQOQ  oaaonji-atura  et  prebeiidam  ia  Craeo- 
rieoii  et  Ploeensi  eceleaiis.  Datum  Bomse  apud  Sanctum  PstruiD.  anno  etc. 
UDXVn.  Frid.  Kal.  Deoembr.  FoutiftcBtus  nontri  aooo  quinto." 


91 


De  pauselijke  bekrachtiging  voor  deze  posten  zijns  neven 
te  verkrijgen ,  kwam  den  oom  op  niet  geringe  kosten  te  staan. 
Wij  zijn  nauwelijks  meer  verrast  of  verschrikt,  wanneer  wij 
onvoorziens  eene  afzonderlijke  plaats  aantreffen,  op  welke 
wij  den  post  van  uitgaaf  voor  zulk  eene  provisie  bij  den 
pauselijken  stoel  dier  dagen  met  eene  onschuld  geboekt  zien, 
alsof  er  sprake  was  van  het  koopen  van  een  hamel:  juist 
destijds  was  in  Rome  alles  veil,  en  alleen  hij,  die  den  prijs 
betaalde,  verkreeg  de  simonistische  koopwaar.  Veertienhon- 
derd gulden ,  —  zóó  teekent  de  zorgvuldige  oom  in  zijn  testa- 
ment aan,  onder  het  jaartal  1517,  —  in  duizend  goudguldens 
gewisseld,  heb  ik  naar  Rome  gezonden,  om  de  aangelegen- 
heid betreffende  de  custodie  van  Plock  en  Leczyc  te  bevor- 
deren. Mijn  maarschalk  Nikolaus  Wolski  kent  de  orde 
(„ordinem"  i),  in  welke  deze  duizend  gulden  moeten  worden 
uitgegeven,  en  dit  geschiedt  ten  voordeele  van  mijnen  neef 
Johannes  ^). 

De  welwillendheid  van  den  oom  bepaalde  zich  niet  tot  de 
verzorging  met  deze  prebenden  en  waardigheden.  Het  kwam 
er  op  aan,  om  aan  den  neef  toereikende  middelen  ter  be- 
schikking te  stellen,  opdat  hij  overeenkomstig  zijnen  stand 
zou  kunnen  leven.  Reeds  de  inkomsten,  die  hij  uit  de  zoo 
even  vermelde  posten  genoot,  waren  niet  gering.  De  eischen 
echter,  die  in  dien  tijd  reeds  aan  den  jeugdigen  kerkvorst 
gedaan  werden,  wogen  ook  rijkelijk  op  tegen  een  inkomen 9 
dat  door  opeenhooping  van  betrekkingen  tot  een  aanzien- 
lijk bedrag  was  opgevoerd.  Daarbij  kwam  de  zorgelooze 
vrijgevigheid,  de  vroolijke,  onbekrompene  gastvrijheid,  die 
den  Pool  eigen  is,  en  die  zijnen  adel  ten  allen  tijde  onder- 
scheiden, maar  ook  altoos  ernstig  benadeeld  heeft,  en  zulks 
waarlijk  niet  alleen  op  het  gebied  van  zijn  vermogen.  Het 
was  alzoo  noodig,  om  verdere  bronnen  van  inkomsten  te 
openen. 


1)  Het  woord  duidt  waanchijniyk  aan,  onder  welke  reeks  Tan  beambten, 
en  in  welke  erenredigbeid  die  som  moest  T^rdeeld  worden. 

2)  Zeissberg,  S.  676« 


92 


De  aartsbisschoppen  van  Gnesen  haddea  in  het  palatinaat 
Tan  Kawa,  in  Masovië,  groote  bezittingen,  vooral  in  Lowicz 
en  öiiuierniewice ,  welke  steden  hun  toebehoorden ,  en  alwaar 
zij  versterkte  sloten  bezaten  ').  De  inkomsten ,  die  zij  van 
deze  uitgestrekte  goederen  trokken ,  waren  niet  gering.  Reeds 
in  het  jaar  1517  verpachtte  („arreudeerde")  de  oom  de  beide 
goederen  aan  den  bisschop  van  Chelra,  Nicolaus  Kosc- 
zieleczky,  en  aan  zijnen  neef  Johannes,  terwijl  ileze  nog 
te  Bologna  was,  voor  3000  gulden  jaarlijks;  en  toen  in  het 
volgend  jaar  de  Bisschop  stierf,  ging  het  vrij  geworden  deel 
der  „arrende"  op  het  kapittel  van  Gnesen  over.  Zoo  was , 
ook  met  betrekking  tot  een  toereikend  inkomen,  voor  den 
geliefden  neef  gezorgd,  ilie  onder  omstandigheden,  zoo  gunstig 
als  slechts  mogelijk  was,  zijne  loopbaan  begon  ^). 

In  latere  jaren,  toen  onze  Johannes  in  het  hcht  des 
Evaugelie's  wandelde,  en  zijnen  hoogsten  roem  er  in  stelde, 
een  arm,  maar  getrouw  dienstknecht  van  zijnen  armen  en 
getrouwen  Meester  te  zijn,  had  hij  ook  een  open  en  helder 
oog  voor  het  ernstige  nadeel,  dat  de  Kerk  door  zoodanige 
verdeeliug  en  opeenhooping  van  bare  geestelijke  bedieningen 
geleden  heeft.  Bij  zulk  eene  ernstige  kwaal  is  het  slechts 
een  kranke  troost,  dat  in  dit  geval  niet  aan  één,  die  het  ambt 
geheel  onwaardig  was,  zoo  veel  onderscheiding  in  zulke  jonge 
jaren  te  beurt  viel.  Dat  echter  de  jeugdige  kanunnik  van 
Erakau   en   Plock,   die   van   zijnen    rang   van  een  eenvoudig 


1)  Ia  de  „Oollectio  msgns"  (II,  182.  483)  wordt  bij  Lo»icium  Termeldi 
,iArobiepUoo|ii  Snezii.  aedes.  cujus  nn  in  medüs  paludibui  site  eat";  bij 
BquiornieTirc!  .,ubi  Archiep.  Qiiezri  palatïam  habet."  Vbii  dit  oude 
pnleia  lieb  ik  goooo  sporen  meer  aanweiig  gevonden;  intusachBU  wsren  mij, 
bij  miju  slechti  kortntoadig  oponthoud ,  niet  alle  piutaen  vati  de  uitgoatrekta 
biMitling  toegBokdijk.  L  o  ir  ï  o  i  behoorde ,  in  het  begin  inn  deïe  eeuw 
(180;-IS14i  Tsrg.  Mülte-Brun,  I,  22G) ,  iian  mnarBchalk  Dsroust.  Ve 
gemaÜH  van  deu  grootvorst  KoiistaiitiJQ  Pawlüwitsch  had  vao  Aleiaiider  I 
den  (itol  van  Vorstin  van  Lowiei  oulvangeii.  Sqiiio  rni  evi  ce.  met  lijn 
heerlijk  park  du  rer  uilgeitTekle  wacdeld reren ,  wae  ia  bot  bezit  van  den  OD- 
UngB  overledeuen  veldmaarsi^hiilk,  vont  Bariatiniki,  en  lya  grliefkooad  Ter- 
blijf,  naar  hij,  in  zijne  laatite  teveasjaren,  lioh  meeiteiit|jda  ophield. 

2)  Ze'iBiberg.  S.  689. 


93 


coadjutor  te  Gnesen,  sedert  zijne  priesterwijding  in  1521, 
tot  dienstdoend  deken  aan  de  Metropolitaan-kerk  aldaar  was 
opgeklommen ,  boven  zijne  ambtgenooten  uitgeblonken ,  en  de 
oogen  van  het  kapittel  tot  zich  getrokken  hebben  moet,  is 
daaruit  af  te  leiden,  dat  hij,  als  vertegenwoordiger  van  het 
Metropolitaan  Domkapittel  te  Gnesen ,  aan  de  gewestelijke 
synode  te  Petrikau  deel  nam.  Eene  zoo  eervolle  zending 
had  hij  niet  maar  aan  zijne  verwantschap  met  den  Aarts- 
bisschop te  danken;  het  hoogaanzienlijke  kapittel  lette  er 
op,  dat  het  bij  zulk  eene  gelegenheid  door  eene  geleerde  en 
bekwame  persoonlijkheid  vertegenwoordigd  werd.  De  proto- 
collen der  synode  heb  ik  niet  bij  de  hand.  Van  de  sterke  > 
reformatorische  bewegingen,  die  Duitschland  sedert  bijkans 
▼ier  jaren  beroerden,  had  nog  geen  enkele  golf  den  verwij- 
derden oever  dezer  synode  bereikt;  eerst  in  het  volgende  jaar 
wordt  in  de  vergaderingen  een  weergalm  vernomen  van  het- 
geen in  zoo  menig  adellijk  slot  van  Polen,  gelijk  in  zoo 
menig  burgerhuis  zijner  steden  aireede  was  doorgedrongen. 
Het  waren  andere  vraagstukken^  die  de  gemoederen,  ook 
op  deze  gewestelijke  synode ,  in  beweging  brachten ,  o.  a.  eene 
oorlogsbelasting  ^  aan  welke  ook  de  geestelijken  verplicht 
waren  deel  te  nemen.  De  zware  oorlogen  met  de  Duitsche 
ridderorde ,  ofschoon  tot  dusver  voor  Polen  niet  onvoorspoedig , 
waren  nog  niet  geheel  en  al  beslist;  op  een  convent  te 
Bromberg  (het  Poolsche  Bidgostia) ,  den  4den  December  1520, 
was  de  belasting  vastgesteld  ^).  De  Aartsbisschop  had  zich 
naar  deze  verordening  geschikt,  en  zijnen  neef  en  deken, 
i-eeds  in  Maart  van  hetzelfde  jaar,  met  600  gulden  naar 
Tbom  gezonden,  alwaar  de  Koning  in  die  dagen  zijn  ver- 
blijf hield  2). 

Maar  ook  in  Polen  begon  de  geest  te  ontwaken,  die  in  de 


1)  „TomicianA" )  Y ,  338:  „a  dero,  a  plebanis,  a  oivibus,  a  colonia,  ab 
omni  denique  hominam  ordine  grave  tribntam  exactum,  quo  nunquam  antea 
majut  in  Polonia  fuisse  auditum  est."  Over  het  verloop  yan  den  bedoelden 
krijg,  sie  Yoigt,  IX,  575  f. 

2)  „Tomiciana",  V,  366. 


n 


Reformatie  zijnen  omtocht  hield  door  alle  landen.  Wij  behoeven 
hem  niet  op  zijnen  gang  door  het  land  te  vergezellen;  onze 
taak  bepaalt  ons  verhaal  binnen  engere  grenzen.  Ook  hier 
was  voor  de  Hervorming  de  vreg  gebaand  door  menige  voor- 
loopige  werkzaamheid ,  middellijk ,  gelijk  ook  overal  elders , 
door  de  zoo  duidelijk  in  het  oog  vallende  krackheden ,  aan 
welke  de  Kerk  en  hare  dienaren  op  schrikkelijke  wijze  leden, 
terwijl  zij  bovendien  hier  te  lande  bevorderd  werd  door  den 
vromen,  ernstigen  geest,  die  het  volk  en  ook  niet  weinigen 
van  zijne  uitnemendste  eu  aanzienlijkste  vertegenwoordigers 
van  den  adel  bezielde.  Op  m enigen  anderen  middellijken 
voorarheid ,  die  in  de  eigenaardige  verhoudingen  des  lands , 
waarin  nog  de  Hussitische  beweging  nawerkte,  gegrond  wae, 
heeft  de  inleiding  reeds  gewezen. 

Het  ontbrak  echter  ook  niet  aan  eene  onmiddellijke  aan- 
raking. Hoe  zon  deze  te  vermijden  geweest  zijn  bij  den  boogen 
rang,  welken  Polen  in  die  dagen  in  den  raad  der  volken  be- 
kleedde, en  bij  den  reislust  van  den  adel,  die  zijne  zonen 
bij  voorkeur  naar  vreemde  hoogescholen  zond  ?  Reeds  vroeg- 
tijdig worden  Poolache  jongelingen  ook  te  Wittenberg  onder 
de  honderden  van  studenten  aangetroffen ,  die  aldaar  uit  alle 
landen  der  wereld  samenvloeiden.  Daarbij  kwam  het  zoo 
krachtige  Üuitsche  element,  dat  in  schier  alle  steden,  in- 
zonderheid van  Groot-Polen,  den  toon  aangaf,  en  dat  voor 
de  gebeurtenissen  in  bet  oude  vaderland  eene  levendige  be- 
langstelling bleef  koesteren.  Dantzig  werd  het  aanvangs- 
punt dezer  beweging  op  Poolsch  grondgebied.  Reeds  in 
1518  verhief  aldaar  de  Dominicanermonnik  Jakob  Knade 
zijne  moedige  stem  tegen  de  misbruiken  der  Kerk;  onbevreesd 
verbreekt  bij  zijne  kloostergelofte,  en  is  één  van  de  eerste 
monniken,  die  zich  in  het  huwelijk  begeven.  De  door  hem 
veroorzaakte  beweging  deelde  zich  spoedig  mede  aan  de  stad, 
en  tastte  welhaast  de  andere  Duitache  zustersteden  van  Polen 
aan.  In  Thorn,  Posen,  Elbing  en  Braunaberg  vertoonen  zich 
gelijke  onheilspellende  voorteekenen ,  waar  maar  de  vurige  taal 
van  eenen  stontmoedigen  Evangelieprediker  in  aanraking  kwam 
met  de  brandstof,  die  in  de  steden  rijkelijk  voorhanden  was. 


95 


De  Poolsche  bisschoppen  ontdekken  reeds  hier  en  daar  den 
akeligen  Tunrgloed,  en  beginnen  het  dreigend  gevaar  te  be- 
speuren. Een  van  de  eerste  waarschuwende  roepstemmen 
Tan  hunne  zijde  is,  als  ik  mij  niet  bedrieg,  het  schrijven  van 
den  beroemden  vice-kanselier  Peter  Tomiczki  aan  den 
„castellaan'*  van  Posen  en  kapitein-generaal  van  Groot-Polen  *). 
Maar  hoe  weinig  beseft  nochtans  deze  bisschop  van  Posen 
den  eigenlijken  grond  en  het  gewicht  dezer  beweging,  hoe 
weinig  kent  hij  de  gezindheid  van  Lukas  v.  Gorka^  wan- 
neer hij  aan  hem  schrijft:  „Ik  hoor^  dat  de  Luthersche  sekte 
zich  in  het  gebied  van  Posen  dagelijks  verder  uitbreidt  („pul- 
lulare"),  ©n  ongestraft  alles  doet.  Uwe  Heerlijkheid  zal  inzien, 
hoe  verderfelijk  dit  gif  is,  daar  zulke  gebeurtenissen,  niet 
uit  de  deugd ,  maar  uit  de  schaamteloosheid  voortkomen  .... 
Zulke  kwade  gevolgen  zijn  te  wachten ,  wanneer  men  niet  aan 
de  eerste  Ibeginselen  wederstand  biedt"  Te  Krakau,  zóó  ver- 
meldt de  Bisschop ,  heeft  de  Palatijn ,  in  vereeniging  met  de 
burgers  en  de  geestelijken,  ijverig  en  met  groote  inspanning 
dergelijke  buitensporigheid  beteugeld.  Hij  kan  niet  begrijpen , 
waarom  men  in  Posen  ongestraft  gedoogt,  dat  de  verboden 
boeken  van  hand  tot  hand  gaan,  en  lijdelijk  toeziet,  hoe  in 
de  kerken  losbandige  en  godslasterlijke  redevoeringen  gehou- 
den worden,  die  daarna  bij  de  drinkgelagen  en  in  de  ver- 
eenigingen  haren  gereeden  weerklank  vinden. 

Het  schrijven  van  den  vice-Kanselier  was  een  voorbode  van 
de  strenge  maatregelen,  die  de  regeering  in  het  volgende 
jaar  in  het  werk  steWe,  toen  de  onweerswolken  der  Refor- 
matie zich  steeds  dreigender  boven  het  land  samenpakten.  Ook 
het  bevelschrift  des  Konings,  dat  in  den  zomer  van  1523 
verscheen,  vertoont  de  duidelijke  sporen,  hoe  de  raadgevers 
van  Sigismund  het  wezen  der  Reformatie  ook  nü  nog  niet 
begrepen,  en  deswege  aan  den  Koning  maatregelen  aanraad- 
den, over  wier  onmacht,  om  het  beoogde  doel  te  bereiken, 
wij  slechts  kunnen  glimlachen.  De  Koning,  aan  wiens  vrome 
gezindheid  ook  hierbij  niet  valt  te  twijfelen ,  koestert  bovenal 


1)  „TomidMis" ,  VI.  87. 


öfr 


den  wensch,  om  zijn  laml  ïoor  de  pest  der  ketterij,  die  in 
het  naburig  gebied  woedt,  onbevlekt  en  ongeschonden  te 
bewaren.  Hij  ia  van  raeening,  dat  hem  dit  nog  gelukken 
zal  door  den  invoer  van  de  geschriften  der  Hervorming  ge- 
streng te  verbieden.  Met  dit  oogmerk  stelt  hij  eene  soort 
van  geloof srechtb ank  in,  voor  welke  alle,  tot  dit  gebied  be- 
hoorende  zaken  gebracht  moeten  worden,  en  aan  welke  hij 
het  recht  toekent,  om  iu  alle  huizen  nasporingen  naar  zulke 
kettersche  boeken  te  doen  plaats  hebben  i).  Met  ongewone 
gestrengheid,  zóó  wordt  gedreigd,  zal  men  zoowel  tegen  de 
bezitters  van  zoodanige  hoeken,  als  tegen  de  verspreiders 
van  zulke  kettersche  dwaalleeren  te  werk  gaan.  Bij  den  blik 
echter  op  het  gevolg  van  den  maatregel ,  dat  de  overtreders 
met  den  dood  en  het  verlies  van  al  bunne  goederen  gestraft 
moeten  worden,  ziet  men  opnieuw  de  waarheid  van  het 
spreekwoord  gestaafd ,  dat  strenge  heeren  niet  lang  regeeren . 
De  geestelijkheid,  in  haar  aangenaam  leven  door  de  ver- 
ontrustende gebeurtenissen  in  het  naburige  land  opgeschrikt, 
keurde  zulke  maatregelen  goed,  en  vertrouwde,  dat  zij  van 
genoegzame  kracht  zouden  zijn.  Ook  de  man,  die  aan  het 
hoofd  der  Poolsche  Kerk  geplaatst  was.  Wij  moeten  beken- 
nen, dat  de  Aartsbisschop,  gedurende  eene  lange,  schitte- 
rende loopbaan  in  den  dienst  van  Staat  en  Kerk ,  al  te 
zeer  kerkelijk  staatsman  geworden  was,  dan  dat  bij  nog, 
aan  den  avond  zijns  levens,  een  goed  inzicht  in  de  refor- 
matorische denkbeelden  zou  hebben  kunnen  verkrijgen.  Het- 
geen daarvan  tot  zijnen  zoo  hooggeplaatsteu  stoel  doordrong, 
dat  kwam  hem,  den  kerkvorst,  voor  als  een  revolutionnair 
opzeggen  van  de  schuldige  gehoorzaamheid  aan  de  Kerk,  en 
alzoo,  naar  zijne  vaate  overtuiging,  aan  het  Hoofd  der  Kerk , 
Jezus  Christus  zelven.  Voor  zulk  een  misdrijf  kon  hij  geen 
straf  te  zwaar  achten.  Spoedig  na  de  uitvaardiging  van  het 
koninklijk  bevelschrift,  waarin  wij  gewis  ook  de  stem  van 
den    machtigen   Primaat    booren  weerklinken,  verzamelde  hij 


1}  Het  gebe«l«  beveiachrifl  is  aTgcdrukt  „Toruicisaa" ,  YI,  289  ,  en  op  vele 
uidsre  plutam. 


97 


de  geestelijkheid  tot  eene  synode  te  Leczyc  (7  October  1523)« 
alwaar  de  beruchte  bul  yan  Leo  X  tegen  Luther,  alsmede 
het  koninklijk  manifest  tot  richtsnoer  genomen  werden ,  op 
grond  waarvan  de  synode  „in  den  ban  doet  en  vervloekt  («.ex- 
communicamus  et  anathematizamus'')  iedere  ketterij ,  die  zich 
tegen  het  heilige,  orthodoxe  en  katholieke  geloof  en  tegen  de 
Boomsche  kerk  verheft,  inzonderheid  die,  welke  van  Luther 
en  Hns  is  uitgegaan"  ^}.  —  Alsof  zulke  machtspreuken  en 
banvloeken  in  staat  konden  zijn,  om  den  Greest  te  blusscheu, 
die  van  (jod  uitgaat! 

Onze  Johannes  woonde  deze  synode  reeds  niet  meer  bij. 
Niet,  dat  hij  destijds  aireede  aan  zulk  een  inquisitoriaal 
drjgven  opzettelijk  vreemd  zou  hebben  willen  blijven.  Wij 
hebben  volstrekt  geen  grond  voor  de  meening,  alsof  hy  zich 
in  die  jaren  van  de  beschouwingen  zgns  ooms  zou  hebben 
losmaakt,  en  alsof  hij  de  beweging,  die  in  de  verte  plaats 
greep,  met  andere  oogen  zou  hebben  aangezien,  dan  de 
voornaamste  vertegenwoordigers  zijner  Kerk.  Nog  was  hem 
de  prikkel  niet  in  het  hart  gedrukt,  tegen  welken  ook  een 
Saulus  zich  onmogelijk  heeft  kunnen  verzetten.  Langs  de 
ladder  van  kerkelijke  waardigheden  klom  hij  gedurig  hooger. 
Nauwelijks  was  hij  deken  te  Gneseu  geworden,  en  alzoo,  in 
zijn  24»^  levensjaar,  bereids  aan  het  hoofd  van  het  kapittel 
geplaatst,  of  de  oom  dacht  reeds  aan  nieuwe,  hoogere  waar- 
digheden voor  zijnen  neef,  die,  gelijk  hij  hoopte,  hem  een- 
maal zou  opvolgen.  De  bisschop  van  Plock,  Ë  rus  mus 
Giolek,  één  van  de  verbitterdste  tegenstanders  van  den 
Aartsbisschop,  met  betrekking  tot  wien  deze  laatste  zich, 
een  paar  maanden  te  voren,  in  een  op  zeer  waardigen 
toon  gesteld  verdedigingsschrift  tot  den  Koning  gewend  had , 
was  den  22*^^  September  1522  overleden.  Bijkans  een  jaar 
verliep,  zonder  dat  die  belangrijke  plaats  was  bezet  gewor- 
den, daar  toch,  betreffende  hare  begeving,  tusschen  den 
Paus  en  den  koning  van  Polen  oneenigheden  ontstaan  waren. 


1)  Vergel.   Wesyk,  pog.  273,  alwaar  ook  de  bul  ,,exurge  Domino"  ig  af- 
gedrukt. 

PAliTOV.  7 


98 


Gedurende  het  generaal -conveat  te  Krakau,  in  de  zomer- 
dagen van  15'23,  trachtte  de  Aartsbisschop  den  KonÏDg  er  toe 
over  te  halen ,  om  zijnen  neef  tot  coadjutor  van  het  IiisJom 
van  Piock  te  benoemen.  Dit  achtte  de  Koning  dan  toch  te 
veel  voor  den,  wel  is  waar,  veelbelosfenden ,  maar  niettemin 
nog  zoo  jongen  man.  Terwijl  hij  deze  bede  aan  zijnen 
Primimt  weigerde ,  stemde  hij  er  evenwïl  in  toe .  om  door 
een  schrijven  bij  den  Paus  er  op  ann  te  dringen,  dat  aan 
den  neef  van  den  Aartsbisschop,  bij  de  eerstvolgende  be- 
noeming,  de   proosdij  van  Leczyc  verleend  worden  mocht  i). 

Voor  den  hoogen  rang,  tot  welken  wij  den  Aartsbisschop 
onophoudelijk  bezig  zien.  voor  zijnen  neef  den  weg  te  banen, 
strekte  het  tot  aanbeveling ,  als  men ,  ook  wat  aangelegen- 
heden van  den  staat  betreft,  eene  goede  voorbereidingsschool 
had  doorloopen.  Aan  den  wensch  van  zijnen  oora ,  om  hem 
zulk  eene  oefenschool  te  ontsluiten,  had  onze  Johannes  het 
ongetwijfeld  te  danken,  dat  hij  reeds  in  1521  onder  do 
geheimschrijvers  des  Koniugs  werd  opgenomen.  Cromer  be- 
schrijft dezen  post,  kort  en  juist,  als  een  seminarie  van  den 
senaat.  ^)  Zoodra  de  geheimschrijvers  don  eed  hadden  af- 
gelegd, mochten  zij  de  verhandelingen  van  den  senaat  bij- 
wonen ,  zonder  evenwel  daarbij  zitting  of  stem  te  hebben. 

Alle  deze  onderscheidingen  waren  intusschen  niet  in  staat, 
om  den  jongen  man  in  het  land  te  kluisteren;  geeue  eer- 
gierigheid dreef  hem  aan ,  om  zich  nu  op  de  aangewezene 
plaats  te  onderscheiden,  en  vlug  de  verdere  trappen  te  be- 
khmmen,  in  eenen  tijd,  waarin  alle  omstandigheden  in  het 
vaderland  tot  zijn  voordeel  schenen  te  zullen  samenloopen. 
Een  onbedwingbaar  verlangen  dreef  hem  aan,  om  zich  we- 
derom naar  het  buitenland  te  begeven.  Wat  zijne  beweeg- 
redenen betreft,  zijn  wij  in  het  onzekere.  Vermoedelijk  had 
het  leven,  dat  hij  eenige  jaren  geleden  in  den  vreemde 
genoten  bad,  zulk  eenen  indruk  bij  hem  achtergelaten,  dat 
b^    smachtte    naar    den    ziel  verkwikkenden   omgang   met   de 


1}  Men  TBTiiel^ke  hierOTer  het  tioouend  berii^ht  v 
Tl,  2S2).  2)  Ciomer,  i»g.  506,  511. 


^>^ 


SAaser.,  Se,  iUkn  he?  hvx^fd  der  hainAuisiisoho  Ivwx^wjs 
ft^&AS'ie.  «xk  bij  hem  Ie  liefde  tot  de  siUvliëiK  al^^uKsie  x;eu 
veosch  EAar  een  n^awer  samenleven  met  hen  hadden  0|>)^s 
wekt.  Ma^ftr  er  was  ook  xeel  in  het  vaderlands  dat  \vx^l  v^^ 
schikt  was,  om  hem  daaruit  te  venirijven,  en  hem  xiit  eene 
maatschappij  te  veijagen,  in  welke  het  hatelijke  drijwn  van 
lage  intrige  eenen  diep  smartelijken  indruk  op  hom  maken 
moest.  Welk  een  nijd,  welk  eene  vijandschap  onder  de  hi>t\g- 
ste,  kerkelijke  waardigheidbekleeders  in  die  dagen  juui  het 
Poolsche  hof!  Met  welk  eene  meeiloogenUn^ze  satirt\  met  welk 
een  giftigen  hoon  en  spot  stond  de  eene  part(j  tegtMi  de 
andere  over,  en  wel  in  zulk  eenen  gn^ad  van  verhittering,  dat 
men  zich  moet  inspannen,  om  niet  uit  het  oog  te  verHey.en, 
dat  het  geestelijken ,  jongeren  van  den  zachtmoedigon  en  van 
harte  deemoedigen  Zoon  des  meuschen  zijn ,  dio  elkander  op 
die  wijze  bestrijden.  Het  zijn  oude  twisten  over  don  voor- 
rang,  die  telkens  weder  bij  vernieuwing  den  bissolïop  van 
Krakau  geneigd  maken  tot  verzet  togen  don  ntaclitigoron 
aartsbisschop  van  Gnescn,  en  die  dozen  laatston  wodorom 
met  argwaan  jegens  den  vermeenden  bonijdor  on  ondorstoldou 
▼erkorter  van  de  rechten  eens  priraaats  voi*vullon.  Hot  \h 
de  heftige  strijd,  dien  Laski  wedor  op  nieuw  doet  ontbran- 
den, dat  de  hoogere  kerkelijko  waurdighodon  HltMihlH  aan 
den  adel  voorbehouden  móesten  zijn;  en  evonwol  haddon 
reeds  mannen  van  geringe  afkomst,  hotzij  door  oigoiio  uit- 
stekende verdiensten,  of  door  niachtigo  boschorming,  zic^h 
tot  de  bisschoppelijke  waardigheid  vorhovuu,  (*n  vormdoii  oon 
gevaarlijk  element  tegen  de  voorrechten  van  d(jn  adel.  Daarbij 
kwam  eene  toenemende  persoonlijke  ontstemming  tuHschmi 
den  Aartsbisschop  en  den  zeer  invloedrijken  bisHcliop  van 
Krakau,  Tomiczki,  den  vice-kanselier  dos  rijks.  Wij  ach  ton 
bet  niet  noodig^  de  oorzaak  dezer  verand(!ring  vjin  oono 
vroegere  vriendschap  in  wederkoerige  ontHtemming  on  rniH- 
kenning  napier  in  het  licht  te  stellen.  Alle  benijders  van  don 
Primaat,  allen,  die  over  hem  misnoegd  waren,  von;onigdon 
zich  rondom  den  vice-Kanselicr ,  en  versterkten  zijnon  wrok. 
Niemand    schijnt   méér   olie  in  het  vuur  gegoten,  kni<;btiger 

7» 


100 

den  gloed  aangeblazen  eu  onderhouden  te  hebben,  ilan  de 
geestrijke,  eergierige  Andreas  Krzycki,  in  die  jaren  proost 
te  Posen,  en  weldra  reeda  bisBchop  van  Przemisl,  die  in 
het  troebele  vaarwater  van  huichelachtige  kuiperij  zich  naar 
hartelust  bewoog.  Ook  zelfs  van  de  bitterste  sarcasmen  is 
deze  geestelijke  niet  afkeerig ,  om  die ,  in  vertrouwelijke  brie- 
ven ,  of  in  naamlooze  zinspreuken .  over  den  primaat  des 
rijks  uit  te  storten:  er  is  nauwelijks  ééne  persoonHjkheid 
onder  de  aanzienlijke  mannen  der  Kerk  van  het  toenmalige 
Polen  zóó  geschikt,  om  ons  den  verdorven  toestand  der 
geestelijkheid  en  de  behoefte  aan  eene  reformatie  voor  oogen 
te  stellen ,  als  deze  meedoogenlooze  tegenstander  van  Luther, 
wiens  verschillende  vijandigheden  men  toch  altijd  weder  ge- 
neigd is,  aan  persoonlijke  ontstemming  of  zelfzuchtige  be- 
doelingen toe  te  schrijven  '). 


1)  Sme  r^ke  broa  roor  de  lieiuu*  ook  vut  drae  rywidsohsp  t^en  dm 
Aarts buaobop,  ii)a  de  kostbare,  au  reeda  toa  raak  ntet  Tracht  gebaiigde 
„Acts  Tomiciuia."  Eeue  volledige  en  onpurtijdtge  roorstelliiig  ïaa  den  stand 
van  lakon  bieden  zij  niet,  daar  ijj  meestal  slechts  de  bewiJBStukkeu  uit  bet 
archief  fan  Tamioki  leveren.  Maar  welk  ecnen  smarteiytea  blik  in  het  leveo 
der  gseatelijkheid  rerschafien  ona  deie  vertrouwelijke  lendbriereo,  in  welke  de 
proost  van  Poaen  en  biaecliop  van  Pnemial  rau  zijneu  meerdere  eu  autsbiA- 
achop  slechte  ale  van  eene  Hydra  spreekt  (lurgel.  b.  t.  „Tomidana ,"  VI.  291, 
en  eld.),  af  dat  beleedigende  paskwil,  hetwelk  de  nog  Jonge  mennch  aan  de 
alnzienlijkate  manneo  der  Kerk  Ie  dier  tijde  —  gciyk  van  zelve  spreekt  ano- 
njin  —  naar  hat  hoofd  slingerde,  en  waarin  eik  homier  slechts  bij  zlJQ  wapeo 
«n  met  eene  karakteristieke  beaobrijviug  genoemd  wordt,  welker  tegendeel  be- 
doeld is  („Tomicians ,"  T,  160;  de  Aartsbisschop  wordt  daarin  gehekeld  als 
iiintegra  corbita"),  of  dat  smadelijke  epigram  tegeu  Laeki,  hetwelk  eindigt 
met  de  woorden:  , 

„Singula  qnid  repetam,  te  major  hjpoorita  et  harpii; 
Hemo ,  aee  srdelio,  nee  sjcophanla  fuit. 
Beete  igitur  prae  te  fertur  cmcifiius  Jesus, 
Omne  tnnm  rursus  quem  crucifigit  opue." 

Ais  een  bewya  van  de  bedrevenheid  in  de  taal,  aan  dezen  smater  en  bia- 
iohop  eigen,  ma^  eindelijk  nog  dal  distiohon  tegen  den  Aartsbisschop  dieneo, 
hetwelk,  VBQ  achter  naar  voren  gelezen,  de  eigenlijke  meening  des  dichters 
□penburt  (vergel.  Taraowaki,  LVI): 


101 


Indieii  aan  onzen  Johannes,  die  zich  ook  in  die  jaren 
meestal  te  Erakaa  ophield,  de  gelegenheid  werd  aangebo- 
den, —  en  hoe  zon  zij  zich  aan  hem  niet  hebben  moeten 
aanbieden?  —  om  deze  ynilaardige  gezindheid  van  zoo  Tele 
aanzienlijke  geestelijken,  wier  drijven  inderdaad  met  alle 
macht  de  Kerk  tot  eene  hervorming  drong,  van  meer  nab\j 
te  leeren  kennen,  dan  kan  het  ons  niet  verwonderen,  dat 
hg  verlangde  om  zich  nit  zolk  eene  omgeving  te  verwijderen, 
en  dat  hij  niets  liever  wenschte,  dan  om  vreder  voor  eene 
poos,  verre  van  al  dat  schandelijke  agiteeren,  de  zuivere 
lacht  der  humanistische  studiën  in  te  ademen,  en  den  om- 
gang te  genieten  van  mannen,  tot  welke  hij  met  hoogachting 
kon  opzien. 


Ik  twijfelde ,  of  het  aan  Duitsche  bedrerenheid  in  de  taal  en  het  rertalen 
gelukken  soa,  om  het  Tenje  met  zijne  rernuftige  scherpte  weer  te  geren, 
maar  wendde  mij ,  om  er  de  proef  van  te  nemen ,  tot  het  in  ruimen  kring 
Tcrspreide  tydschrift  „Bie  Gegenwart"  (1879,  N^  47).  Beeds  na  8  dagen 
waren  bij  de  redactie  meer  dan  20  rertalingen  ingekomen.  Als  de  best  ge- 
slaagde daaronder  de  TertoUdng  ran  Dr.  Schauenburg,  directeur  der  reaal- 
school  te  Crefeld  („Gegenwart/'  1879,  N  .  49): 

JDich  nbersohüttete  Glans,  Fürstbischof,  heiliger  Lasko, 
Himmliwoher,  heut'  triomphiert  Tren'  über  Schelmeugesüoht." 


De  tweede  studiereis  in  het  Buitenland. 


Het  waren  beete  dagen,  in  ieder  opzicht,  de  tijd  van  den 
rijksdag,  die  iets  later  dan  gewoonlijk,  in  Juni  en  Juli  1523, 
te  Eralcau  was  gehouden  geworden,  dewijl  in  het  hegin  des 
jaars  zich  in  Petrikau  de  pest  vertoond  had.  In  ?.ake  de 
vervuUiog  van  den  bisschopszetel  van  Plock ,  welko  ook  in 
de  zwoele  zomerdagen  te  Krakau  ter  sprake  gekomen  was, 
kon  men  maar  niet  tot  eene  beslissing  koroen;  de  Primaat 
had  aan  menige  zware  tegenkanting  het  hoofd  te  bieden,  In 
gesloten  gelid  atond  de  machtige  tegenpartij  tegenover  hem , 
en  ook  bij  den  Koning  kon  hij  niet,  zooals  meermalen  te 
voren ,  zijne  wenschen  doorzetten.  Ook  ditmaal  weder ,  gelijk 
nog  hij  zoo  menig  volgend  convent,  was  de  Luthersche  ket- 
terij, nis  een  zorgwekkend  sclirikbeeld,  in  de  verhandehngen 
opgedoemd.  Deze  ketterij,  die  zich  steeds  verder  verspreidde, 
begon  als  eene  booze  nachtmerrie  veler  gemoed  te  bezwaren, 
en  wel  hoe  langer  hoe  drukkender,  omdat  geen  goed  geweten 
het  noodige  tegenwicht  bood ,  en  de  onzekerheid  aangaande 
den  eigenlijken  grond  der  beweging  hare  verderfelijke  uitwer- 
king op  verkeerd  gebied  vreesde.  Geestelijke  en  wereldlijke 
raadsbeeren  beraadslaagden,  onder  voorzitting  van  den  Aarts- 
bisschop, over  de  maatregelen,  die  genomen  moesten  wor- 
den tegen  deze  verwoestende  kmnkheid ,  tegen  welke  men 
voornemens  was  om  met  eene  even  onverbiddelijke  gestreng- 
heid te  handelen,  als  men  heden  ten  d;ige  tegen  de  pest, 
waar  zij  zich  vertoont,  zonder  versthooning  te  werk  gaat. 
Met  bijna  jeugdigen  ijver  nam  do  bedaagde  kerkvorst  deel 
aan    het    met    Poolache    levendigheid    gevoerde    debat    over 


103 


deze  hardnekkige  beweging,  die,  in  weerwil  van  de  macht- 
spreuken in  het  vorige  jaar,  niet  tot  rust  had  willen 
komen  ^). 

Na  den  ingespannen  arbeid  was  nu  de  reactie  gekomen. 
De  oude  heer,  die  zich  zeer  vermoeid  gevoelde  en  daarbij 
eenigszins  verdrietig  geworden  was,  had  dringende  behoefte 
aan  verademing.  Nauwelijks  waren  de  zittingen  geëindigd, 
of  de  Aartsbisschop  haastte  zich ,  om  de  enge ,  bedompte  stad 
te  verlaten,  ten  einde  de  heete  Augustusdagen  in  het  scha- 
duwrijke park  van  zijn  slot  te  Squierniewice  door  te  brengen. 
Hier ,  in  de  landelijke  stilte  en  de  voor  zijn  gemoed  zoo  wel- 
dadige afzondering,  werd  ook  het  testament  weder  eens  ter 
hand  genomen,  welks  inhoud  op  niet  weinige  plaatsen  de 
boeiende  waarde  van  een  dagboek  bezit.  Onder  den  datum 
van  17  Augustus^)  vinden  wij  aangeteekend ,  dat  zijn  neef, 
de  deken,  het  voornemen  koesterde,  om  zich,  ter  wille  van 
zijne  studiën,  wederom  naar  Italië  te  begeven.  De  neef 
schijnt  niet  in  de  nabijheid  van  zijnen  oom  vertoefd  te  heb- 
ben, om  zijne  bedoeling  nauwkeuriger  voor  hem  uiteen  te 
zetten.     Laat  ons  dan  trachten,  haar  nader  toe  te  lichten! 

Hieronymus,  de  lievelingsbroeder  van  onzen  Johannes, 
met  wien  deze  gemeenschappelijk  was  opgevoed,  en  in  ver- 
eeniging  met  wien  hij  ook  te  Rome  en  te  Bologna  gestudeerd 
had,  had,  gelijk  reeds  vermeld  werd,  de  loopbaan  van  een 
staatsman  gekozen.  Eene  hooge  begaafdheid,  die  hem,  reeds 
na  weinige  ja!ren,  als  één  der  talentrijkste  en  bekwaamste 
staatslieden  der  zestiende  eeuw  deed  kennen,  daarbij  de  in- 
vloedrijke rang  van  zijne  eigene  familie,  nog  versterkt  door 
zijne  echtverbintenis  met  de  edele  Anna  Koscielecka,  uit 
het  rijke  en  voorname  huis  der  Rituani's,  hadden  ook  voor 
dezen  neef  van  den  Poolschen  primaat  vroegtijdig  den  toe- 
gang tot  eene  schitterende  en  aanzienlijke  loopbaan  ontsloten. 
Reeds  in   1520   is  hij  koninklijk  voorsnijder  3).     Terstond  in 


1)  „Tomiciwia /'  VI,  291. 

2)  Zeissberg,  S.  692. 

3)  Orer  de  beteekenis  Tan  deze  betrelddng  TergeL  O  romer,  pag.  508. 


het  jaar  ilaarna  ontmoeten  wij  hem  reeda  als  PooUch  gezant 
jian  het  hof  va»  Karel  V  te  Brussel,  en  het  volgende  jaar 
in  gelijke  hoeiiaiiigheid  te  Keulen  ').  Gaarne  bediende  de 
Koning  zich  van  den  adellijken,  vluggen  en  in  de  talen  zoo 
geoefenden,  ja  in  alle  beschaafde  zeden  uitmuntenden  jongen 
man  tot  zendingen  aan  verschillende  hoven,  en  wel  in  klim- 
mende mate  tot  de  moeielijk^te ,  die  de  zeer  ingewikkelde 
toestand  der  wereld  in  die  dagen,  in  welke  de  stem  van 
Polen  zoo  veel «erm ogend  waa,  in  groote  menigte  aanbood. 
Zulk  een  moeielijke  last  van  zijoen  koning  voerde  den  be- 
dreven diplomaat,  in  het  voorjaar  van  1523,  een  jaar  nadat 
hij  kapitein  van  Inowlaclaweok  geworden  was  ^) ,  naar  Parijs 
en  naar  Rome.  Laski  was  zich  van  de  moeielijkheid  der 
ontvangen  opdracht  volkomen  bewust;  bescheidenlijk  verklaart 
de  jeugdige  staatsman  op  beide  plaatsen  met  zoo  veel  woor- 
den, dat  hij  in  de  wapenen,  wel  is  waar,  niet  ongeoefend, 
maar  daarentegen  onhandig  is  in  het  voeren  van  de  pen  ^). 
In  Rome  kwam  het  er  op  aan.  om  tegenover  eeneu  Adriaan, 
die  eerst  een  jaar  geleden  op  Leo  X  gevolgd  was,  en  die 
ernstig  en  rechtschapen,  in  eenen  konimervollen  tijd,  de  van 
alle  kanten  aangevallen  rechten  der  Kerk  zocht  te  bescher- 
men, de  oude  rechten  der  Poolsche  kroon  bij  het  bezetten  der 
bisdommen  te  doen  gelden.  Aan  het  hof  van  koning  Frans  I 
moest  van  den  val  van  Rhodus  gebruik  gemaakt  worden, 
om  tot  een  vredelievend  samengaan  van  Polen  en  Frankrijk 
den  weg  te  banen,  en  in  geval  van  eenen  goeden  uitslag, 
op  grond  daarvan  in  bet  geheim  onderzocht  worden  naar  de 
mogelijkheid,  of  niet  door  een  huwelijk  tusschen  de  beide 
koninklijke  faniiliën  de  band  der  aan  te  knoopen  vereeniging 
enger  zou  kunnen  worden  toegehaald  *). 

Het  schijnt,  dat  Hieronjmus  nog  in  den  zomer  des  jaars 
van   zijne  zending  teruggekeerd ,  en  bij  het  generaal-conveut 


2)  Zeiiiberg,  S.  606,  en  Gn 

3)  „TomicUna,  VI,  212. 
1)  Ibid.,  p.  20!.  iU. 


105 

te  Krakau  tegenwoordig  geweest  is.  In  den  naherfst  kwam 
het  er  op  aan ,  de  in  Parijs  aangeknoopte  draden  verder  te 
Tervolgen  i).  Ditmaal  werd  Rome  niet  meer  betreden ,  maar 
aan  den  koninklijken  afgezant  den  last  gegeven ,  om  zich  ook 
aan  het  hof  des  Keizers  te  begeven.  Mogelijk  geschiedde  het, 
ten  einde  den  argwaan,  dien  het  levendig  verkeer  tusschen 
Polen  en  Frankrijk  lichtelijk  kon  opwekken,  af  te  leiden  of 
geheel "  te  doen  verdwijnen.  Karel  V  bevond  zich  omstreeks 
dien  tijd  in  Spanje;  dus  kon  de  gezant  van  den  koning  van 
Polen,  zonder  veel  opzien  te  verwekken,  op  de  heen-  of  op 
de  terugreis  den  groeten  weg  over  Parijs  naar  de  Pyreneën 
inslaan.  In  het  gevolg  van  eenen  koninklijken  gezant  te  rei- 
zen ,  had  in  die  dagen ,  in  meer  dan  één  opzicht ,  eene  groote 
aantrekkelijkheid;  reeds  de  daardoor  gebodene  bescherming 
in  vreemde  landen ,  op  de  onveilige  heirbanen ,  op  welke  zoo 
vele  „zwervende  lieden"  doelloos  en  zonder  middelen  rond- 
doolden, werd  op  niet  geringeu  prijs  gesteld.  Zoo  behoefde 
het  dan  den  gezant  niet  veel  moeite  te  kosten ,  om  zijne  beide 
broeders  over  te  halen,  de  reis  in  zijn  gezelschap  te  doen. 

« 
a)    Eerste  verblijf  te  Bazel. 

Op  welk  tijdstip  onze  drie  Poolsche  vrienden  Krakau  ver- 
laten ,  en  langs  welken  weg  zij  hunnen  verren  tocht  aanvaard 
hebben,  is  niet  meer  met  zekerheid  na  te  gaan.  Op  eene 
verwijderde  plaats  2)  hebben  wij  hen  onvoorziens  onderweg 
ontmoet  Tegen  het  einde  van  December  1523,  of  in  het 
begin  van  Januari  1524,  treffen  wij  de  broeders,  nog  steeds 
op  hunne  reis  naar  den  Keizer,  te  Bazel  aan,  en  aldaar  in 
vertrouwelijkeu  omgang  met  E  ras  mus.  De  groote  huma- 
nist, die  zich  juist  in  die  dagen  in  de  verdrietigste  stem- 
ming bevond ,  dewijl  men  hem  openlijk  in  de  muzenstad  voor 


1)  De  herhaalde  reis  naar  Frankrijk  hinnen  het  tijdsrerloop  yan  een  jaar 
leid  ik  daamit  af,  dat  in  eene  aanteekening  bij  de  instructie  Tan  den  gesant 
de  hertogin  van  Milaan ,  Isabella,  als  overleden  wordt  aangeduid,  wier  dood 
eent  tegen  het  eind  van  1523  heeft  plaats  gehad. 

2)  Bij  Boeking,  II,  399. 


een  tweeden  Bileam  gescholden  had,  verbindt  den  oorsprong 
van  deze  voor  hem  zeer  ergerlijke  beuaniiiig  met  het  bij- 
eeDKÏjn  met  deze  Polen.  Met  Hteronymus  was  Ërasmus 
reeds  sedert  zijn  verblijf  te  Brussel  bekend;  thans  zagen  zij 
elkander  dikwerf.  Op  zekeren  dag,  terwijl  zij  in  de  boekerij 
van  den  grooten  geleerde  zitten  te  praten ,  komt  het  onder- 
hoitd  ook  op  den  eenvoudigen  prediker  ,  die  nu  reeds  sinds 
jaren  de  wei'eld  in  beweging  hield.  De  Pool  is  met  al  het 
vuur  van  zijn  karakter  tegen  Luther;  de  indrukken ,  die  hij 
np  het  generaal-convent  te  Kraknu  ontving,  zijn  hem  nog 
levendig  bijgebleven.  Hij  heeft  wellicht  bemerkt,  dat  zijn 
koning  dan  toch  niet  den  rechten  lust  bezit,  om  met  de- 
zelfde gesti'engbeid  in  de  uitroeiing  van  de  Luthersche  ketterij 
in  zijne  landen  te  werk  te  gaan,  als  de  beethoofden  van  den 
rijksdag  wel  zouden  willen.  Daarom  rekende  de  diplomaat 
het  van  belang,  zich  bij  zijnen  koning  te  kunnen  beroepen 
op  een  even  ongunstig  oordeel  van  den  man ,  op  wiens  in- 
vloedrijke stem  Paus  en  Keizer  on  Koning  gewoon  waren  te 
letten.  Maar  op  dit  punt  begon  de  beschroomde  stem  van 
den  geleerde  geweldig  te  trillen.  Op  de  tafel  lagen  een  paar 
brieven  van  den  Hervormer ,  die  onlangs ,  buiten  weten  en 
zonder  toestemming  van  den  briefschrijver ,  van  Straatsburg 
uit  door  den  druk  openbaar  gemaakt  waren,  en  in  welke 
opmerkingen  over  Erasmus  voorkwamen,  die  eenen  heldereu, 
ondubbelzinuigen  toon  aansloegen.  Ook  een  bijzonder  schrij- 
ven van  den  Wittenberger  moet  daar  gelegen  hebben'),  en 
de  huisheer  bemerkt,  boe  zijn  Poolsche  vriend  den  brief  be- 
geert met  zich  te  nemen ,  ten  einde  dien  in  het  vaderland 
te  gebruiken ,  om  zijnen  koning  tot  een  krachtiger  optreden 
te  bewegen.  Eraamus  belooft  hem  een  afschrift  van  den 
brief,  en  evenzoo  ook  van  de  beide  in  dmk  verschenen  bria- 


I)  Rrumus  legt  het  lelf;  bekcud  is  mij  uit  dien  tijd  tüééa  de  een  Tierea- 
drel  jaan  lator  guschreren  bri^f  Vïu  Liitlmr  aau  Enamua  (de  Wette,  II 
198),  die,  in  ïljaeu  ssnlief,  een  l&ngdurig  voorafgegaau  stïlzwijfKU  onderstelt. 
Db    beide  bOTeagenoemdc  in  druk   vcrschoneu   hrïevDTi   knii   men  i  iiideu  bij  do 

Watte,  II.  129.  200. 


107 


ves.   en  Teixoekt   den  gezant «  hunnen  inhoud  ook  aan  den 
KfiriT  mede  te  deelen. 

Het  boTenstAanJe  bericht  verleent  ons  eeneu  indruk  van 
de  atmosfeer,  in  welke  zich  onze  Johannes  omstreeks  dien 
tgd  noig  bewoog,  en  die  zoo  geheel  tegenovergesteld  is  aan 
den  frisschen,  heilzamen  luchtstroom  der  Hervorming,  Kras* 
mus  had  een  levendig  welgevallen  ia  do  drie  l\H>lsoho  jougi> 
mannen,  die,  tot  den  hoogsten  adel  behooroude,  zich  voor 
den  adel  des  geestes  vuu  den  humanist  met  eerbiedige  toe- 
genegenheid bogen  1). 

Slechts  korten  tijd,  naar  het  schijnt,  hobbon  do  bnuvlors 
op  hnnne  doorreis  zich  te  Bazel  opgehouden ,  maar  toch  lang 
genoeg,  om  in  dien  hoogst  opwekkenden  humanistischon  kring 
een  paar  vriendschapsbetrekkingen  aan  te  knoopen,  dio  sterk 
genoeg  waren,  om  onzen  Johannes,  na  oene  afwoxighoid  van 
meerdere  maanden,  gedurende  langei^en  tijd  in  do  vriondol\jko 
muzenstad  te  kluisteren.  Bij  zijnen  terugkeer  zullen  wij  go- 
legenheid  vinden ,  om  zelve  in  die  kringen  te  huis  to  gorakon. 
Slechts  op  ééne  persoonlijkheid  wenschton  wij  hier  to  w\j/.on  , 
met  welke  Laski  thans  in  aanraking  kwam,  doch  dio  liy 
bij  zijne  wederkomst  niet  meer  aanwezig  vond ;  zij  had  toon 
aireede,  ook  in  Bazel,  den  reeds  zoo  vaak  omklonulon  wan- 
delstaf der  verbanning  weder  mooton  opnomcn.  Hot  waH 
Farel,  de  vurige  held  uit  Frankrijk ,  dio  zijn  schocmo  vaderland 
vaarwel  gezegd  had ,  en  in  vreeindelingKchap  was  gaan  dolon , 
ten  einde  uit  zijn  geloof  te  kunnen  leven.  Hot  iH  oono  in 
hooge  mate  boeiende  verschijning,  deze  man,  dio  ,  uit  Frankrijk 
voortvluchtig,  zich  sedert  maanden  in  Zwitserland  opliiold  , 
alwaar  de  golven  der  Reformatie  zich  reeds  tot  aanmerkelijke 


1)  Dewijl  't  liet  eente  oordeel  van  ErasmuH  oyer  Joliaiineti  mi  jsijrio  }mHi' 
den  is,  vinde  het  hier  zijne  plaatn.  AUereerHt  luidt  het  aangaando  den  oud- 
sten: „Comperi  juTenem  quum  non  rulgariter  eruditum  tuni  eT^a  tri#flior«M 
lït^ra^  farore  sio^Iari  ac  reli^OM  quadam  Tcnoratione  afTecrturn.  lu  hun 
legatione  secum  ducehat  duo»  fratrcn  suon,  J'^anneni  aliquanto  natu  minorem 
et  Stanialaoin,  ntromque  pnlehrc  literatum  nee  aliter  affWHum  i,T((a  \tonMn 
literas  quam  erat  ip^e;  in  quitma  quoniam  omnea  nibi  pemuaaerant  me  tmttn 
aliqoid,  ipsiü  ocnlis  ac  fro:ite.  totoque  quo<l  diritur  orirpore  minim  quandam 
ia  me  «pirabaot  benerolentiam/'    (Boeking,  II,  400.) 


ti 


hoogte  verhieven,  en  die,  in  ile  eerste  weken  van  het  jaar 
1524,  herbergzaamheid  in  het  vrije  Bazel  gevonden  had, 
een  landgenoot  van  Calvijn,  en  tevens  zijn  voorlooper  en 
wegbereider  in  Zwitserland.  Zwijgen  kon  de  krachtvolle  zoon 
der  Daupbiné,  ook  in  de  stad,  die  bera  gastvrijheid  geschonken 
had ,  niet  lang.  Reeds  den  23»'e"  Februari  zette  hij  het ,  in 
weerwil  van  de  tegenspraak  der  universiteit,  door,  om  over 
dertien  stellingen ,  in  welke  de  geest  der  Hervorming  zijnen 
miichtigen  vleugelslag  deed  hooren,  eene  openbare  disputatie 
te  houden,  bij  welke  Oecolampadius  hem  als  tolk  ter  zijde 
stond  ').  De  zegevierende  uitslag  van  dezen  redetwist  voerde 
Bazel  eene  aanmerkelijke  schrede  nader  tot  het  gewichtige 
besluit,  waarbij  zich  de  stad  ten  gunste  der  Hervorming  ver- 
klaarde. Voor  den  levendigen,  onverschrokken  Franschman 
duurde  het  echter  te  lang,  totdat  bij  eene  rustige  ontwik- 
keling der  dingen  de  beslissende  teerling  zou  gevallen  zijn. 
Reeds  na  een  paar  maanden  had  hij ,  door  zijne  niets  ont- 
ziende rondborstigheid  en  zijn  onstuimig  aandringen  op  eene 
spoedige  beslissing,  zijn  gastrecht  in  de  stad  verspeeld.  Het 
was  dan  toch  nog  te  vroeg,  om  ongestraft  Erasmus  eenen 
nieuwerwetschen  Bileam  te  noemen.  Omstreeks  Pinksteren 
reeds  werd  aan  den  lastigen  man  het  verder  verblijf  in  de 
stad  ontzegd ;  de  telkens  opgejaagde  vluchteling  begaf  zich 
allereerst  naar  Straatsburg. 

Onze  Johannes  was,  gedurende  dit  eerste  oponthoud  te 
Bazel,  met  den  levendigen,  ernstig  gezinden  Franschman 
in  persoonlijke  aanraking  gekomen,  ja,  had  zijn  vertrouwen 
gewonnen.  Dit  kan  ons  wel  bevreemden,  met  het  oog  op 
de  destijds  nog  zoo  principieel  verschillende  verhouding  dar 
beide  jonge  mannen  ten  opzichte  van  de  Kerk.  Tot  ver- 
klaring mag  ook  gewezen  worden  op  de  innerlijke  verwant- 
schap  van   den    Stavischen    en    den    Eomaanschen  aard,  die 


1)  Ue  theses,  ïo  haren  Lat^aachen  tekst  op^noinen  door  Adam  (p.  13), 
kui  men  meermalen  riaden  oagedrukt  en  verUuld.  Den  loUedigan  afdruk  van 
de  apro^ing,  gelijk  die  destijds  upciibBar  gemaakt  irord,  treri  men  aua  by 
Serminjard,  I,  193. 


109 


destijds  reeJs  io  vele  trekken  te  bespeuren  wh;»^  DaArh\j 
kwam  de  iJTer,  die  den  Pool  bezielde  •  om  zijn  ih^  vinn*  aUo 
Terschijnselen  des  levens  op  geestelijk  gebie^l  jj^mjhmuI  to 
houden.  Wie  wil  bovendien,  bij  de  schrale,  uit  dien  tyd 
tot  ons  gekomene  berichten  de  mogelijkheid  UHKhonen^  dat 
dan  toch  wellicht  die  stellingen,  al  braohteu  asij  ook  in  het 
eerst  den  in  zoo  gansch  andere  beschouwingen  levenden  uoef 
van  den  Poolschen  kerkvorst  in  grooto  verbaxing,  niettemin 
een  lichtstraal  in  zijn  binnenste  wierpen ,  waainloor  ^hmio  tt^t 
dusver  nog  in  duisteren  nacht  gehulde  werelil  duidelijk  7.ioht' 
baar  werd?  Hoe  het  ook  zij,  de  aohtergelatone  indruk  was 
zóó  sterk,  dat  nog  na  het  vierde  eener  eeuw,  op  oonon 
tijd,  toen  de  dagen  van  zijn  verblijf  te  Bazel  als  met  fris- 
sche  kleuren  in  zijne  herinnering  herleefden,  Laski  ook 
aan  zijne  gesprekken  en  betrekkingen  mot  don  moodigtm 
Franschman  gedacht,  en  in  eenen  zendbrief  lum  Culv\jn 
den  onvermoeiden ,  onbevreesden  prediker  dos  ElvangoUü's  laat 
groeten  i). 

Tot  het  bittere  woord  van  Farel  over  I<Irasmu8,  wiuirin  liy 
hem  een  nieuwerwetschen  Bileam  noemt,  hebbon  do  roolHclio 
broeders,  zonder  het  te  vermoeden,  de  aanleiding  gogovou. 
Bij  hun  heengaan  uit  Bazel  gaf  llioronymUB  mot  PoolHcho 
mildheid  aan  den  hoogvereerden  humanist,  die  voel  liioM 
van  kostbare  gaven  te  ontvangen,  oen  zilveren  vuatw(^rk 
ten  geschenke.  Juist  in  die  dagen  had  zicli  to  Bazel  lust 
gerucht  verspreid,  alsof  Erasmus  zich  beroomd  had,  dat 
hij  in  het  bezit  was  van  een  middel,  om  met  oónon  slag 
den  Lutherschen  brand  te  kunnen  blusschen.  Dit  middel, 
zóó  verhaalde  men  nu,  had  hij  medegegeven  aan  <len  Pool- 


1)  CalTiJD,  XIV,  42.  Het  is  te  betreuren,  óbï  de  oornprtmktWjkn  hrlef 
Tmn  Lttki  niet  meer  heeft  kunnen  ontdekt  worden.  Uet  mf>ei  wol  emus  dwik 
ïiny  lijn,  Tcroorzaakt  door  den  Uugen  duur  ran  den  tuntmhtmïiKfi^tnuUru  tgd, 
wanneer  Laski  opgeeft:  ,,quam  apud  Kraitmum  degerct.''  Kun;!  werfJ  in  Ifi24 
uit  Basel  rerbannen,  welke  itad  hij  emt  na  de  tweedo  u^rtntAs  ir%u  \a%\l\ 
betnd.  Eent  bij  siju  tweede  Terblijf  te  Basel  munwiti  I^Mki  bij 
IQ 8;  bet  L4  nanwelijkn  te  denken,  dat  bij  gedurende  dezen  tijd  met  d«m  ver' 
bincrdan  tegenstander  Tan  zynen  gastheer  vertrouweiyk  zal  hebben  omg^^gaan* 


110 

schen  afgezant  aan  den  Keizer,  en  het  zilverwerk  was  de 
smadelijke  küüpprijs  geweest.  Erasmus  leed  geweldig  onder 
dit  gebabbel;  in  een  uitvoeng  schrijven  aan  den  rechtsgeleenlo 
Botzemius  te  Conatanz,  voor  wien  hij  zijn  bezwaarde  hart 
uitstort ,  zinspeelt  hij  slechts  van  verre  op  hem .  dien  hij 
verdenkt  van  de  bewerker  te  zijn  van  dezen  laster.  Hij 
moet  later  het  stellige  bericht  gekregen  hebben ,  dat  het 
bedoelde  woord ,  in  eenigszins  bruske  openhartigheid ,  door 
Farel  was  gesproken  geworden,  en  daarop  rustte  hij  niet, 
voordat  hij  den  tegenstander  uit  Bazel  verwijderd  had  '). 

Maar  dat  geschiedde,  toen  de  Laski's  reeds  geruimen  tijd 
de  stad  verlaten  hadden.  Wij  hebhen  geen  enkel  bericht 
betreffende  het  t^dstip,  waarop  zij  van  daar  vertrokken  zijn ; 
ja,  wij  tasten  nog  zoozeer  aangaande  de  volgorde  der  ge- 
beurtenissen in  het  duistere  om,  dat  het  alleen  waarschijn- 
lijkheidsberekening ia,  als  wij  onzen  Johannes  nu,  na  een 
slechts  kortstondig  verblijf  te  Bazel,  zijnen  tocht  naar  Parijs, 
waar  hij  zekerlijk  geweest  is,  laten  aanvaarden.  Toekomstige, 
gelukkiger  navorschers  doen  mogetijk  nog  de  ontdekking  van 
eeueo  zekeren  datum ;  tot  zoolang  vergunne  men  aan  de 
gissing  baar  bescheiden  plaatsje. 

b)  Te  Parijs. 

Is  onze  gissing  juist,  dan  was  het  omstreeks  den  vroegen 
lentetijd  van  15^4,  dat  onze  drie  Polen  de  hoofdstad  tan 
Frankrijk  betraden.  Niet  als  aanzienlijke  vreemdelingen,  die 
zich  eerst  in  de  hoogere  samenleving  hunnen  weg  moesten 
hanen.  Hieronymus  was  reeds  herhaaldelijk  aan  het  ko- 
ningshof geweest,  en  daareulioven ,  met  name  de  voorgaande 
maal,  in  eeue  zending,  die  noodzakelijk  den  gevolmachtigde  in 
vertrouwelijker  betrekkingen  bracht  tot  (leu  Koning.    Frans  I, 


1]  Tergul.  Haag,  V,  61,  alwiiiir  ook  bel.  ourdeL'l  van  EraHmuH  ovpt  FbtcI 
te  lezen  ie:  „nihil  vidi  unquara  mendacius,  tiruleutitm  aut  swlitloaiuii j"  en 
dit  oordeel,  vol  van  OTerachuimeuden,  anrechbnatigeu  wrok,  wordt  geriolit 
uu  Pen  OTerheïdaperaoon  (e  Besniifoa: 


111 


wien  aan  eene  nauwe  verbintenis  met  Polen  veel  gelegen 
was,  bewees  den  hoogbegaafden  zendbode  zijne  welwillend 
heid,  en  dat  te  meer,  daar  ook  de  ridderlijke  persoonlijkheid 
hem  boeide.  De  jongste  broeder  had  of  aireede  bij  eene 
vroegere  gelegenheid ,  gelijk  reeds  vermeld  werd ,  de  konink- 
lijke gunst  verworven,  5f  ontving  die  thans,  en  wel  in  zulk 
eene  mate ,  dat  hij  zich  in  den  dienst  des  Franschen  konings 
begaf,  en  in  zijne  naaste  omgeving  menigmaal  in  lateren  tijd 
bewijzen  gaf  van  zijne  oprechtste  verknochtheid  aan  Frans  I, 
ook  in  de  moeielijkste  dagen  van  zijnen  rampspoed.  Zoo 
was  het  ook  voor  onzen  Johannes  gemakkelijk  en  geheel 
natuurlijk,  dat  hij  aan  het  hof  uit>  en  inging. 

Het  was  voor  eenen  ijverigen  godgeleerde  een  belangwek- 
kende tijd,  in  welken  Laski  te  Parijs  vertoefde.  De  ont- 
zaglijke beweging,  die  vóór  een  paar  jaren  van  Duitschland 
was  uitgegaan,  had  aan  den  Rijn  niet  halt  gehouden;  hare 
sterke  kringen  bereikten  spoedig  ook  den  anderen  oever, 
en  reeds  kon  men  in  het  hart  van  Frankrijk,  ja  aan  het 
koningshof  zelf,  de  werking  dier  beweging  bespeuren.  Zij, 
die  als  de  geestelijke  zonen  en  erfgenamen  dezer  beweging 
in  dat  land  wonen,  zijn  zelfs  van  meening,  dat  de  eerste 
sporen  van  het  nieuw  opkomende  reformatorische  leven  in 
Frankrijk  zelf  zouden  moeten  gezocht  worden.  Op  onzen 
Poolschen  deken  moest  het  eenen  eigenaardigen  indruk  ma- 
ken, als  hij  zag,  hoe  door  de  Sorbonne  tegen  de  kettersche 
leer  geheel  dezelfde ,  zij  't  ook  machtelooze  maatregelen  ge- 
nomen werden,  tot  welke  hij  zelf,  het  vorige  jaar,  op  de 
synode  te  Leczyc  zijne  toestemming  gegeven  had.  Juist  het 
verbod  van  de  geschriften  der  Hervorming  was  destijds, 
evenab  heden  ten  dage,  een  zeer  dankenswaardige  hefboom 
tot  hunne  verspreiding.  Maar  aan  de  Seine  was  men  dan 
toch  eerder,  dan  aan  de  Weichsel  geneigd,  om  de  heftige 
woorden  ook  door  ruwe  daden  te  laten  volgen;  men  deinsde 
er  niet  voor  terug,  om  eene  inquisitoriale  hand  tegen  die- 
genen op  te  heffen,  die  niet  zonder  reden  verdacht  werden, 
dat  zij  aan  de  nieuwe,  gevaarlijke  leer  bedenkelijken  ingang 
verleenden. 


112 


Zij,  die  een  geopend  oor  hadden  voor  het  Kvangelie,  ver- 
zamelden zich  hoofdzakelijk  rondom  de  eerwaardige  gestalte 
van  den  bisschop  van  Meaux,  Bri^onnet,  den  geestelijken 
raadsman  van  de  zuster  des  Konings.Margareta  van  Valois. 
Inzonderheid  gedurende  de  eerste  jaren  van  zijn  bisschop- 
pelijk bestuur,  is  uit  de  handelwijze  van  deu  vromen  zielen- 
herder een  innig  medelijden  met  de  hem  toevertrouwde  kudde, 
alsmede  eene  diepe  smart  over  de  duidelijk  in  bet  oog  val- 
lende krankheden  zijner  Kerk  te  bespeuren.  Het  is  als  eene 
frissche  lentekoelte  in  de  Gallicaansche  kerk,  wanneer  men 
ziet,  hoe  deze  herder,  in  eene  bijkans  Evangelische  prediking, 
aan  zijne  gemeente  bet  Woord  Gods  laat  verkondigen;  hoe 
zijne  geestelijken,  door  eenen  gelijken  ijver  der  liefde  bezield, 
onophoudelijk  tusachen  Meaux  en  Parys  heen  en  weder  trek- 
ken, om  in  eene  getrouwe  herderlijke  zorg  hunne  roeping  te 
vervullen;  boe  uit  het  midden  van  dezen  evangelisch-gezinden 
kring  geschriften  uitgaan  door  het  geheele  land ,  die ,  al- 
hoewel nog  in  eene  voorzichtig-angstvallige  taal,  en  zonder 
een  zweem  van  den  luid  jubelenden  vrijheidstoon,  dien  wij  in 
de  ontvlammende  woorden  van  den  Duitschen  hervormer  ver- 
nemen, desniettemin  reeds,  als  een  leeuwerikszang  in  den  vroe- 
gen morgen,  tot  op  verren  afstand  in  bet  land  weerklonken, 
hetwelk  ook,  wat  althans  ile  ernstige  gemoederen  des  volks 
betreft,  reikhalsde  naar  het  aanbreken  van  den  nieuwen  dag. 

Onder  deze  mannen  ontmoeten  wij  ééne  van  de  boeiendste 
gestallen  onder  de  voorloopers  der  Hervorming.  Het  is  de 
destijds  reeds  hoogbedaagde  J.  Fabre  d'Etaples,  die,  van 
de  humanistische  studiën  uitgaande ,  moedig ,  als  één  der 
eersten,  zich  tot  het  onderzoek  der  Heilige  Schrift  had  be- 
geven, in  't  eerst  ongetwijfeld  slechts  met  de  belangstelling, 
welke  men  in  die  dagen  op  h&i'tstocbtelijke  wijze  aan  elk 
document  der  Oudheid  betoonde.  Juist  deze  nuchtere  "yze 
van  beschouwing,  die  enkel  de  juiste  beteekenis  der  woor- 
den in  het  oog  vatte,  maakte  hem  vrij  'van  de  ketenen, 
met  welke  men  sinds  eeuwen  het  Woord  Uods  bad  zoeken 
te  omvaugen,  opdat  het  alleenlijk  nog  aan  alle  mogelijke 
leerstellingen  en  bcpabngen  der  Kerk  zijn  zegel  mocht  becb- 


113 


ten.  Bij  het  verdere,  rusteloos  voortgezette  onderzoek  echter 
oefende  de  heilige  inhoud  van  het  Boek  zijne  onmisbare  wer- 
king op  den  vromen  man  uit.  Zoodra  hij  deze  zaligmakende 
werking  aan  zich  zelven  bespeurd  had,  rustte  hij  niet,  voordat 
hij  ook  den  grooten  kring  zijner  leerlingen  aan  de  Parijsche 
hoogeschool  onder  het  bereik  van  dien  zelfden  invloed  ge- 
bracht had.  Zijne  uitlegging  van  afzonderlijke  geschriften 
des  Nieuwen  Testaments  is  een  arbeid,  die  op  dit  gebied 
eene  nieuwe  baan  geopend  heeft  i).  Juist  in  die  dagen  (1522 
en  1523)  waren  zijne  verklaringen  op  de  vier  Evangeliën, 
en  in  eene  snelle,  verdere  voortzetting  die  op  de  Algemeene 
Brieven  in  druk  verschenen,  en  hadden  het  grootste  op- 
zien, en  aan  de  Sorbonne  niet  geringe  ergernis  teweegge- 
bracht. Deze  boeken  kwamen  nu  aan  onzen  Poolschen  vriend 
in  handen.  De  naam  van  den  schrijver  was  hem ,  reeds  sedert 
zijne  schooljaren ,  niet  vreemd.  De  schooluitgaven  en  de  ver- 
klaringen op  de  Latijnsche  en  Grieksche  classieken  van  Faber 
Stapulensis  werden  bijna  alle  te  Krakau  nagedrukt,  en 
uit  de  menigvuldige  oplagen  mag  men  afleiden,  dat  van  deze 
geschriften,  ook  in  het  vaderland  van  Laski,  door  velon  ge- 
bruik werd  gemaakt  ^).  In  die  dagen  van  zijn  verblijf  te  Parijs 
schijnt  Laski  met  den  erustigen,  vromen  onderzoeker  van 
den  Bijbel  ook  in  persoonlijke  betrekking  gekomen  te  zijn.  In 
de  éénige  plaats  uit  zijne  werken ,  zoover  ik  mij  althans  herin 
ner,  op  welke  hij  van  den  Franschen  Schriftuitlegger,  en  wel 
met  hoogen  lof  gewaagt,  doet  hij  ook  bij  den  Leroeindcu  man 
eigenschappen  uitkomen,  die  hem,  naar  alle  waarschijnlijk- 
heid ,  uit  eenen  persoonlijken  omgang  bekend  geworden  zijn  ^). 
Faber  was  destijds  nog  in  de  vaste  meening,  dat  hij  voor 
zijne  beschouwingen,  ook  al  werden  zij  door  de  tegenstan- 
ders reeds  op  de  heftigste  wijs  bestreden ,  toch  nog  op  toege- 


1)  Ver^l.  Graf,  S.  24  f. 

2)  Id  den  naowkeurigen  en  zorgmldigen  arbeid  yan  Graf  zijn.  in  de  chro- 
nologische opgave  van  de  geschriften  van  Faber,  de  in  Polen  verschenen  uit- 
gaven niet  vermeld  (vergel.  S.  222  f.j;  de  belangrijke  arbeid  van  Joch  er  is 
hem  ontgaan. 

3)  Kujper,  I,  53. 

DALTOV.  S 


i 


114 


venfUieici  en  verdraagzaamheid  io  zijne  moederkerk  aanspraak 
kon  maken.  Nog  was  het  moeielijk  oogeublik  der  beslissing 
voor  den  grijsaard  niet  gekomen.  Angstvallig  ontweek  hij 
de  gevreesde  stunde.  Maar  nog  op  zijn  sterfbed,  in  15i(ti, 
kwelde  den  86jarigen  man  de  gedachte,  dat  hij  in  de  ure 
des  gevaars  zwak  geweest  was,  en  hem  de  moed  van  een 
geloofsgetuige  ontbroken  had,  en  dat  hem  zóó  de  kroon 
des  levens  ontgaan  waa,  die  zijne  heldhaftige  leerlingen  en 
vrienden,  de  edele  Pauvant  en  de  onverschrokken  belijder 
Berquin,  door  hunne  getronwheid  tot  in  den  dood  op  den 
brandstapel  verworven  hadden. 

Uit  het  midden  dezer  evaugelisch  gezinde  mannen,  en  in 
denkwijze  en  streven  aan  hen  verwant,  verheft  zich  in  aan- 
trekkelijke Bchoonbeid  de  gestalte  der  beroemde  Margareta 
van  Valois.  Zij  behoort  tot  de  uitverkorene  dochteren  van 
baar  schoone  vaderland ,  en  in  gelijke  mate  ook  tot  de  ge- 
liefkoosde dochteren  der  Renaissance,  ter  stede,  waar  deze 
zich  naar  de  zijde  der  Hervorming  wendde.  De  strooming 
op  het  gebied  des  geestes  in  die  groote  dagen,  welke  bij 
haar  eene  fijn  gevoelende  vatbaarheid  aantreft,  maakt  op 
hare  bijkans  mannelijk  sterke  ziel  eenen  levendigen  en  diepen 
indruk.  Met  volkomen  verstand  van  zaken  en  tot  hare  ver- 
kwikking leest  de  hoogbegaafde  j  edele  koningsdochter  de 
Latijnsche,  Italiaansche  en  Spaausche  schrijvers^  in  het 
Grieksch  en  het  Hebreeuwsch  is  zij  niet  onervaren.  Een 
gelijke  hai'tstochteltjke  leerzucht,  als  de  humanisten  dier  dagen 
onophoudelijk  voortdrijft,  heeft  zich  ook  van  haar  meester 
gemaakt.  Maar  met  een  juisten,  vrouwelijken  tact  verliest 
zij  zich  niet  in  zulk  een  rusteloos  navorachen ;  hare  vrome 
geaarilheid  doet  liaar,  bij  de  voortzetting  van  hare  ernstige 
studiën,  in  de  diepte  van  het  Woord  Gods  doordringen, 
Zy  treedt  in  betrekking  met  de  vrienden  des  Heeren  te  Meaux. 
BriQonnet  is  voor  haar  meer  dan  een  biechtvader,  ja,  in 
den  schoonen,  evangelischen  zin  des  woords,  haar  zielver- 
zorger;  voor  hem  stort  zij  haar  heiibegeerig  hart  uit  in 
aangrijpende  brieven,  die  ons  bewaard  zijn  gebleven,  kost- 
bare getuigenissen  van  hare  vrome  ziel  en  tevens  van  haren 


115 


tyd.  Zij  geldt  als  beschermengel  der  machtige  reformato- 
rische beweging  in  Frankrijk;  doch  om  voor  deze  beweging 
de  baan  te  effenen  en  haar  de  overwinning  te  verschaffen , 
▼oor  zulk  eene  verhevene,  zware  taak  was  zij  te  zeer  ,,mig- 
nonne,'^  gelijk  de  Koning  meestal,  met  eene  juist  ken- 
merkende benaming,  gewoon  was  zijne  innig  geliefde  zuster 
liefkozend  te  noemen.  Ieder  oogenblik  verwachtte  men ,  haar 
de  beslissende  schrede  te  zullen  zien  doen ,  door  zich  openlijk 
▼oor  de  Hervorming  te  verklaren.  Zij  was  zóó  beslist  op 
den  voorgrond  getreden,  en  had  op  veelbeteekeuende  wijze 
zóó  stellig  hare  aanstalten  gemaakt,  dat  de  anderen  met 
eerbied  het  door  haar  te  geven  teeken  verbeidden,  en 
daardoor  zelven  besluiteloos  draalden.  Maar  ook  zij  zelve 
aarzelt;  in  het  laatste  oogenblik  deinst  zij  terug,  gewis  niet 
uit  vrees  voor  het  leed,  dat  haar  zou  kunnen  wedervaren; 
immers,  zij  heeft  eene  volle,  geschudde  maat  onderworpen 
gedragen.  Maar  zij  is  nu  eenmaal  de  „mignonne''  baars 
broeders,  en  de  Koning  bijna  haar  afgod.  Zijn  misnoegen 
op  te  wekken,  en  zich  van  hem  door  eenen  dergelijkeu 
stap  wellicht  te  moeten  scheiden,  de  gedachte  aan  zulk 
eene  mogelijkheid  rijst  niet  eenmaal  in  hare  hartstochtelijk 
liefhebbende  ziel  op.  Zij  zou  de  laatste  strophen  van  het 
Duitsche  Hervormingslied  wel  hebben  kunnen  zingen,  maar 
alleenlijk  niet,  wanneer  men,  in  stede  van  de  daar  gevor- 
derde goederen,  van  haar  het  offer  geëischt  had,  haren 
broeder  vaarwel  te  zeggen.  Evenals  de  rijke  jongeling  in 
het  Evangelie  zou  zij  zich  van  den  Heer,  wegens  zulk 
eenen  zwaren  eisch,  bedroefd  verwijderd  hebben.  Mocht  men 
den  vaak  onbegrijpelijken  loop  der  geschiedenis  in  den  weg 
treden  met  wenschen,  die,  bij  haren  ijzeren  gang,  recht 
dwaas  te  noemen  zijn,  het  zou  hier  wel  de  wensch  zijn,  dat 
toch  deze  verhevene  gestalte,  aan  den  ingang  der  Fransche 
Hervorming,  in  plaats  van  den  geestelijken  raad  van  eenen 
Brifonnet,  die  in  een  zeker  mysticisme  rust  vond,  den 
raad  van  haren  grootsten  tijdgenoot  en  landsman,  nl.  van 
den  groeten  Galvijn,  ontvangen  had,  en  dat  door  hem  de 
heilige  waarheid   weerklank  in   haar  geweten  mocht  hebben 

8* 


116 


gevonden,  dat  Christus  te  belijden  ook  het  offer  yan  de 
trouwste  broederliefde  waard  ia !  De  geschiedenis  beeft  voor 
bet  schoone  land  eenen  anderen  weg  ingeslagen.  Frankrijk 
heeft  de  Hervorming  gewehldadig  uit  ziju  rijk  gezegend  ge- 
bied verbannen,  en  moest  daarop  dientengevolge  de  Om- 
wenteHng  verdragen ,  wier  bloedige ,  noodlottige  stuiptrek- 
kingen tot  op  dezen  oogenbbk  bet  zwaar  beproefde  land  niet 
tot  rust  laten  komen. 

De  loop  der  gedachten  heeft  ons  op  aanraerkelrjken  afstand 
van  ons  uitgangspunt  verwijderd.  Wij  keeren  ijüngs  tot  dat  venv 
jaar  van  Laski'a  bezoek  aan  het  koningshof  terug.  Frans  I 
had  zeer  veel  met  zijne  hoogbegaafde  zuster  op,  eii  waar- 
deerde haren  wijzen  raad.  Dikwijls  geschiedde  het,  dat  hij 
de  vreemde  gezanten,  na  hunne  boodschap  te  hobbcn  aan- 
gehoord, ook  naar  zijne  zusier  verwees,  en  over  eene  be- 
slissing met  haar  raadpleegde,  ja  zich  daarin  door  haar  leiden 
lieti).  Inzonderheid  wegens  zijnen  geheimen  last  zal  Frans  I 
den  gezant  van  koning  Sigismund  aan  zijne  zuster  voor- 
gesteld hebben;  door  hem  verkreeg  ook  onze  Johannes  toe- 
gang aan  het  hof.  Dat  hij  de  hooghartige  Margareta  van 
Valois  in  die  dagen  persoonlijk  heeft  leeren  kennen,  getuigt 
die  plaats  in  bet  sehiijven  van  Erasmus  aan  de  Prinses, 
waarin  bij  melding  maakt  van  de  brieven,  die  zij  aan  hem, 
gedurende  zijn  verblijf  te  Bazel,  gericht  had*).  De  onge- 
twijfeld hoogst  l.elangrijke  briefwisseling  sehijnt  verloren  ge- 
gaan te  zijn;  eigene  en  anderer  navorschingeii  te  Parijs  en  te 
Ëazel  hebben  geen  enkel  spoor  van  haar  doen  ontdekken.  Dit 
is  te  betreuren,  want  de  gedachtenwisseling  der  beide  schrij- 
venden zou  gewis  het  intellectueele  leven  van  onzen  Laski  in 
die  dagen  in  een  belder  licht  gesteld  hebben.  Wij  mogen 
wel  aannemen,  dat  de  jeugdige  en  zoo  ernstiggezinde  Pool- 
sehe  geestelijke ,  met  zijne  warme  belangstelling  voor  de  studiën 
en  met  zyn  vrome  hart,  de  Vorstin  beeft  kunnen  boeien, 
gelyk  eveneens  de  eerbiedwekkende  vrouwelijke  gestalte  eenen 


1}  (I)  Merls  d'AubigD 
2)  BrasmUB,  ptg.  970. 


117 


diepen  indruk  bij  hem  heeft  moeten  achterlaten.  In  de  geestes- 
richting dezer  beiden  laten  zich  vele  innerlijk  verwante  trek- 
ken aanwijzen.  Laski  destijds  nog  ten  volle  in  de  Roomsche 
kerk  wortelend^  Margareta  tot  aan  haar  einde  in  de  ge- 
meenschap dier  Kerk  volhardend ,  beiden  door  de  overtuiging 
bezield ,  dat  het  erkende  diepe  bederf  nog  door  de  Kerk  zelve 
hersteld  .  kon  worden.  Ongeveer  de  lengte  van  een  hoofd  is 
zij,  de  oudere  ook  in  jaren,  den  man  op  den  weg  naar  de 
Hervorming  vooruit,  maar  aan  het  eind  wordt  de  Fransche 
vrouw  nochtans  door  den  enistigeren  Pool  voorbijgestreefd, 
die  de  éénige  is  van  deze  beiden,  die  het  schoone  doel 
bereikt ,  dewijl  hij  bereid  was  een  offer  te  brengen ,  voor  het- 
welk de  vrouw  terugdeinsde. 

Hoe  lang  onze  Laski  zich  nog  te  Parijs  ophield,  nad^it 
zijn  broeder,  ter  uitvoering  van  den  hem  opgedragen  konink- 
lijken last,  verder  gereisd  was,  konden  wij  niet  ontdekken; 
even  min,  of  hij  zich  van  daar  onmiddellijk  naar  Zwitserland 
terugbegeven ,  of  dat  de  loop  zijner  studiën  hem  nog  naar 
andere  plaatsen  gevoerd  heeft.  Wij  ontmoeten  hem  slechts 
tegen  het  einde  van  1524  te  Bazel,  en  het  is  ons,  als  het 
ware,  eene  verademing,  aldaar  met  hem  te  zijn  aangekomen, 
dewijl  wij  van  nu  aan  vasteren  grond  onder  onze  voeten 
hebben ,  en  er  op  dit  tweede  verblijf  dan  toch  een  helderder 
licht  valt,  dan  het  schemerlicht,  waarin  wij  tot  dusver  onzen 
onzekeren  weg  meestendeels  moesten  afleggen. 

c)  Het  tweede  verblijf  te  Bazel. 

Het  gelukkige  Bazel  ook  in  de  zestiende  eeuw,  en  juist 
in  die  dagen  in  het  tijdperk  van  zijnen  schoonsten,  rijkst- 
gezegenden  bloei!  Aan  de  grensscheiding  van  twee  landen 
gelegen,  ja,  in  beide  landen,  aan  deze  en  aan  gene  zijde 
van  den  Rijn,  vast  geworteld,  heeft  de  stad,  in  dien  tijd 
der  beslissing,  toen  zij  zich  aan  Zwitserland  aansloot,  zich 
in  het  bezit  van  het  burgerrecht  des  geestes  in  de  beide  nabu- 
rige staten  weten  te  handhaven.  De  burgers  zijn,  wat  hun 
wezen  betreft ,  van  eenen  Duitschen  geest  bezield  gebleven ,  en 


«8 

hebben  de  sterke  vnjheirlszuclit  van  den  Zwitser  in  zich  op- 
genomen: ten  allen  tijde  heeft  die  dubhele  gave  baren  goe- 
den naam  gerechtvaardigd.  Reeds  Aeneas  Sylvius  geeft  eene 
loftuitende  achildering  van  de  stad  en  hare  bewoners  uit  den 
tijd,  toen  hij,  gedurende  het  Bazelsche  concilie,  binnen  hare 
vroolijke  eu  levenslustige  murou  vertoefde,  Den  gezonden,  krach- 
tigen  nard,  dien  liij  roemt,  hadden  de  bewoners,  ir.  den  loop 
der  eeuw,  niet  verloren;  zij  onderscheidden  zich  thans  echter 
bovendien  door  eenen  grooteren  ernat  en  eenen  wetenschap- 
pelijken  ijver,  alsook  door  eene  levendige  belangstelling  in  de 
vrijen,  die  op  het  oogenhlik  de  geesten  in  beweging  brach- 
ten. Bazel  was  een  hoofdzetel  van  het  Humanisme  aan 
deze  zijde  der  Alpen  geworden,  een  toevluchtsoord  en  eene 
verzamelplaats  der  geleerden,  die  zich  hier  ongestoord  aan 
hunnen  hartstocht  voor  de  studiën  konden  overgeven.  Van 
den  trefltenden  ijver,  van  den  bijkans  ontstellenden ,  verslin- 
denden gloed  der  geestdrift ,  die  de  humanisten  ten  opzichte 
van  de  herleefde  wetenschappen  beüielde ,  levert  Bazel  ons 
meer  dan  één  boeiend  bewijs,  Of,  ia  liet  niet  eene  kostelijke 
verschijniug ,  die  Thomas  Platter,  van  wiens  trekken  de 
meesterhand  van  Freytag  in  het  beeld  van  een  zwervend  scho- 
lier der  zestiende  eeuw  gebruik  gemaakt  heeft')?  Wij  kun- 
nen ons  niet  onthouden,  eenen  anderen,  niet  gebruikten  trek 
hier  te  vermolden.  De  arme  herdersknaap ,  die,  als  /wer- 
vend scholier  zonder  vaste  verblijfplaats,  Duitachland  was 
ingetrokken,  is  nu,  na  vele  en  moeielijke  omdolingen,  bij 
het  touwslagers  ambacht  te  Bazel  beland.  Aan  den  strik, 
dien  hij  op  de  lijnbaan  te  draaien  heeft,  bevestigt  hij  eene 
houten  vork,  die  de  afzonderlijke  vellen  van  een  hem  ge- 
achonken  Plautua  vasthoudt.  Zoo  draait  hij  het  louw,  al 
achter" aarts  gaande,  en  houdt  te  gelijk  zijn  geest  zich  bezig 
met  de  bezielde  gestalten  van  den  Romeinschen  dichter.  Zóó 
heeft  hij  het  Latijn  ,  zóó  het  Grieksch ,  ja  ook  het  Hetireeuwsch 
beoefend ,  en  als  touwslagersgezel  ook  in  de  school  van  Dr. 
Oporinus  geleeraard.     En  nu  verhaalt  hij,  in  zijn  dagboek : 


1)  Freytag,  II,  2.  S.  13  C. 


119 

„lm  selben  jar  (het  was  omstreeks  den  tijd,  toen  Laski  zich 
te  Bazel  ophield)  kam  ein  Frantzosz  von  der  künigin  No  waren 
UBZgeschik  Hebraisch  zu  lemen  ^  der  kam  ouch  in  die  schuil 
un  wie  ich  inhe  ging  in  minen  schlechten  kleidern ,  satzt  ich 
mich  hinder  den  offen,  was  ein  fin  sitzlin  und  liesz  die  stu- 
denten bei  dem  tisch  sitzen,  so  sagt  der  Frantzosz :  „quando 
venit  noster  professor?"  („Wanneer  komt  onze  professor?")  Opo- 
rinus  zeigt  uff  mich .  do  gsach  er  mich  an  und  verwundert  sich , 
vermeint  an  zwifell,  ein  sömlicher  solt  anderst  kloidet  sin,  den 
80  schlecht,  do  die  letzgen  usz  was,  nam  er  mich  by  der 
hand ,  fürt  mich  über  das  biügglin  uszhi  und  fraget  mich ,  wie 
das  zu  gienge,  das  ich  so  bekleid  kamme,  sagt  ich:  „mea  res 
ad  restim  rediit"  („mij  schoot  maar  over,  een  strop  te  koopen"). 
do  sagt  er,  wen  ich  welt,  er  welt  fiir  mich  der  künigin  von 
rainet  wagen  schryben,  sy  wurde  mich  zu  einem  gott  ufif  werfen, 
ich  solt  im  nur  volgen;  aber  ich  wolt  im  nit  volgen..."*) 

Liever  destijds  fs  Bazel  een  arm  touwslagersgezel,  dan  te 
Parijs  als  een  koning  geëerd  zijn:  het  is  het  trotsche  ant- 
woord van  den  vrijen  humanist,  die  te  dezer  plaatse  gevon- 
den heeft  wat  hij  behoeft.  Niet  weinig  droeg  tot  dezen  roem 
der  stad  bij,  dat  zij  de  werkplaats  van  aanzienlijke  boek- 
drukkers geworden  was.  Bovenal  de  beroemde  Frobenius, 
en  vervolgens  ook  lieden  als  Amerbach,  Oporinus  en  zoo 
menig  ander.  De  drukkunst  was  nog  niet  oud,  en  die  in 
haren  dienst  stonden,  doorleefden  den  onvergetelijken  tijd 
der  eerste  Uefde  voor  de  nieuwe,  verwonderlijke  kunst.  Zij, 
die  de  wonderbare  uitvinding  in  toepassing  brachten,  be- 
schouwden zich  als  kunstenaars,  niet  als  handwerkers.  Zij 
waren  bezielde  herauten  in  den  dienst  der  humaniteit;  niet 
weinigen  onder  hen  waren  de  grootste  bevorderaars  der  we- 
tenschap, en  hunne  werkplaats  was  een  bornput  van  geleerd- 
heid. De  winst,  die  hun  beroep  opleverde,  was  voor  deze 
mannen  eene  bijzaak;  hunne  wijding  ontleenden  zij  aan  het 
bevredigend  gevoel,  eene  wezenlijke  schakel  te  zijn  in  de 
keten,  in  welke  de  grootste  geesten  dag  en  nacht  geschaard 


1)  Boos,  S.  55. 


stonden,  ten  einde  den  wedergevonden  schat  aan  het  licht  te 
brengen.  Zij  beschouwden  zich  zelveo,  in  zekeren  zin,  als 
ile  koninkhjke  muntmeesters,  die  het  verkregene  goud  tot  het 
gemeenachappelijk  goed  der  beschaafden  stempelden ;  op  ge- 
heel hun  doen  mat  in  die  dagen  nog  de  schoone  glans  van 
eene  daad  des  geestes,  die  in  zich  zelve  haar  loon  vinlt. 

De  boekdrukker  Frolienius  was  de  krachtige  magneet,  die 
in  die  jaren  eenen  Erasmus,  den  vriend  en  weikomen  gast 
der  koningen  en  der  hoogste  geestelijke  en  wereldlijke  waar- 
digbeidbekleeders ,  naar  Bazel  trok;  een  magneet,  die  sterk 
genoeg  was.  om  hem  ook  dan  nog  in  de  stille  stad  van  nede- 
rige burgers  te  boeien,  toen  Margareta  van  Oostenrijk,  in 
weerwil  van  de  keizerlijke  bevelen,  de  uitbetaling  van  de  toe- 
gelegde jaarwedde  afhankelijk  maakte  van  den  terugkeer  van 
dezen  koning  der  wetenschap  aau  het  Brabantsche  hof. ') 

Ten  tijde  van  zijn  verhuizen  naar  Bazel  werd  Erasmus 
algemeen  erkend  als  koning  op  het  gebied  van  het  weten  en 
van  de  humaniteit.  In  deze  schrale  gestalte,  raet  den  scherp 
vooruitstekenden,  spitsen  neus,  met  den  fijnen,  vastgesloten 
mond,  over  welken  een  lichte,  peinzende  glimlach  zweeft, 
gelijk  ons  de  stift  van  Holbein  den  man  als  het  echte  lieeld 
van  een  geestrijk  geleerde  geteekend  heeft,  was  als  in  een 
brandpunt  al  datgene  vereenigd ,  wat  aan  de  humanistische 
beweging  gestalte  en  leven  verleende.  Hetgeen  later  eenmaal , 
op  een  gansch  ander  gebied,  Zinzendorf  van  zich  zelven 
beleed,  dat  hij  nl.  slechts  éénen  hartstocht  had,  en  die  was 
Christus,  dat  woord  van  den  éénen,  alle  andere  bewegingen 
van  het  binnenste  verterenden  hartstocht,  het  geldt  ook  van 
Erasmus,  alleenlijk  juist  met  betrekking  tot  het  andere  voor- 
werp der  sedert  kort  herrezene  wetenschap.  Met  eenen  door- 
dringenden  geest,  met  een  schrander  inzicht  begaafd ,  en  daarbij 
van  de  perken  van  vroegere  tijden  ontslagen,  wierp  Erasmus 
zich  op  het  gebied ,  dat  zich  eerst  zoo  even  ontsloten  had ; 
met  grootere  onstuimigheid  heeft  geen  jongeling  ooit  zijne 
bruid   omklemd,    dan   hij  aan  de  pas  ontwaakte,  herlevende 


1)  FeugÈi 


121 

wereld  der  Ouden  den  kus  zijner  liefde  en  geestdrift  op  de 
lippen  drukte.  Het  is  eene  reusachtige  vlijt,  die  de  man 
met  het  ziekelijke  lichaamsgestel  levenslang  ontwikkeld  heeft; 
in  alle,  zelfs  in  de  verst  verwijderde  schuilhoeken  dringt  hij 
met  vorschend  oog  door,  niets  blijft  hem  vreemd,  op  het 
nieuw  ontdekte  gebied  is  hij  weldra  overal  te  huis.  Tegen- 
over zulk  eene  getrouwe  toewijding  is  de  geest  der  Ouden 
niet  ondankbaar:  hij  openbaart  zijne  schoonheid  aan  den  on- 
vermoeiden  aanzoeker,  zoodat  het  is,  alsof  de  Ouden  zelven 
door  hem  spraken,  zóó  zuiver,  zóó  helder,  zóó  gelijkmatig 
en  levendig  is  de  stroom  van  zijne  Latijnsche  rede. 

Ook  als  humanist  vertoont  Ërasmus  eenen  Duitschen  aard. 
Deze  is  ernstiger  en  diepzinniger,  en  dringt  meer  onmiddellijk 
tot  de  levensbronnen  zelven  door,  dan  het  andere  karakter , 
aan  gene  zijde  der  bergen,  in  het  zonnige,  levenslustige 
Zuiden.  Voor  eenen  Boccaccio,  of  zelfs  voor  eenen  Ar  e  tin  o 
hebben  wij  geen  eigenlijk  vaderland.  De  allereerste  uitwer- 
king van  de  Herleving  der  wetenschappen  laat  zich  in  al  de 
landen,  door  welke  zij  haren  zegetocht  liield,  vergelijken 
met  het  juichend  gejubel  van  eene  schaar  van  knapen,  die, 
na  langen  tijd  in  het  enge  schoolvertrek  met  zijn  stof  en 
mufheid  opgesloten  geweest  te  zijn,  plotseling  de  vrijheid 
herkrijgt,  en  nu  naar  buiten  stormt,  waar  het  intusschen 
lente  geworden  is,  en  aldaar  met  volle,  krachtige  teugen  de 
wonderbare  Meilucht  mag  inademen.  Gewis,  zóó  groot  was 
het  onderscheid  tusscheh  den  frisschen  ademtocht,  die  uit 
de  studie  van  de  levend  geworden  Grieken  en  Romeinen  den 
humanisten  tegenstroomde,  in  vergelijking  met  de  dompige 
stiklucht,  die  zich  allengs  in  de  onderzoekingen  der  Scho 
lastiek  opeengehoopt  had.  Wij  zullen  niet  al  te  streng  in 
het  gericht  mogen  gaan  met  de  eerste  uitbarsting  van  een 
ook  wellicht  <lol  gejubel  op  de  heropende  speelplaats,  en 
aan  den  eersten  tijd  der  uitgelatenheid  geen  al  te  gestrengen 
maatstaf  mogen  aanleggen.  Maar  het  leven  mag  niet  op 
deze  speelplaats  j^esleten  worden,  en  de  levenstaak  is  niet 
maar  een  aangenaam  genieten. 

Het  is   in  Duitschland  geweest,  dat  de  humaniteitsstudie 


te  rechter  tijd  ernstiger  wegen  inaloBg,  ea  ouder  degenen,  die 
ook  in  deze  richting  vooropging<in ,  rinden  wij  Erasmue. 
Op  zijne  onderzoekingstochten,  die  met  stouten  sprong  de 
platgetreden  sporen  der  Scholastiek  verre  achter  zich  lieten, 
verdiepte  hij  zich  in  de  geschriften  dor  Kerkvaders;  verbazend 
is  de  menigte  der  uitgaven,  welke  hij  i-an  die  onde  getuigen 
des  geloofs  in  het  licht  zond.  Frobeniua  had  nauwelijks  druk 
persen  genoeg,  om  bij  die  nijvere  vlijt  niet  ten  achteren  te 
blijven.  Bij  de  geachrifcen  der  Vadera  staakte  de  humanist 
geenszins  zijnen  rnsteloozen  gaug;  tot  aan  de  bron  zelve 
drong  hij  door.  Zijne  uitgave  vau  het  Nieuwe  Testament 
verscheel)  in  1516.  Het  is  een  haastige  arbeid,  Erasmus 
zelf  gaf  zulks  toe;  ')  maar  dat  de  uitgave  het  hcht  z^ig,  was 
in  die  dagen  eene  daad.  Het  was  de  zegevierende  terugkeer 
tot  het  Woord  Gods,  het  uit  den  weg  ruimen  van  al  dat 
oneindige  struikgewas  van  menschelijke  inzetting,  die  den 
toegang  tot  de  bron  zelve  belet  had.  Het  Nieuwe  Testa- 
ment wenl  lieschouwd  als  nu  óók  weder  uit  het  stof  verrezen, 
gelijk  een  pas  ontdekt  geschrift  van  Cicero  of  van  Plato, 
en  werd  door  velen  zóó  ook  gelezen.  In  den  beginne  was 
dit  bevorderlijk  aan  de  juiste  opvatting;  al  dat  ongelukkige 
allegoriseeren  der  Scholastiek  loste  zich  op  bij  de  nuchtere, 
graramnticale  behandeling  van  den  tekst  der  Schrift,  gelijk 
de  doordringende  zonnestraal  do  nevelbeelden  verstrooit.  Deze 
bevrijdende  werking  der  humaniteitsstudiën ,  in  haren  gunstigen 
invloed  op  de  Hervorming,  kan  met  de  beteekenis  der  tochten 
van  Alexander  ten  opzichte  van  de  eerste  uitbreiding  des 
Christeudoras  vergeleken  worden.  Ximenez  bad  de  voorbe- 
reidende werkzaamheden  voor  zijne  Polyglotte  van  het  Nieuwe 
Testament  veel  vroeger  begonnen,  en  iedereen  'verwachtte 
haar  verschijnen  met  ongeduld;  Erasmus  bad  zich  tot  den 
haastigen  arbeid  laten  verleiden  door  den  wensch,  om,  zoo 
mogelijk,  deu  Spanjaard  voor  te  komen.  De  Duitsche  huma- 
nist stelde   zich   echter   niet   tevreden  met  eene  uitgave  van 


ril«ert,  p.   95,  de  pltiatl  ui 
D  teatAmoutam  praecipitatun 


12S 


den  tekst:  vroom  van  gemoeil  vatte  hij  te  gelijk  de  ver- 
hevener taak  in  het  o<^,  om  den  juisten  zin  der  Heilige 
Schrift  voor  zijne  tijdgenooten  te  ontsluiten.  VoortrefFelqke 
wenken  te  dezen  aanzien,  die  tot  op  dit  oogenbUk  hunne 
hooge  waarde  hebben ,  laten  zich  uit  de  daarop  betrekking 
hebbende  geschriften  van  E  rasmus  bijeenverzamelen ,  mede» 
gedeeld  door  eene  van  den  heiligen  inhoud  des  Woonts  aan- 
gegrepene  ziel,  die  zich  aan  den  indruk  van  het  goddelijk 
Woord  overgeeft,  en  dat  nog  op  eene  zekere  naïeve  wyie , 
die  de  wijde  strekking  van  dezen  indruk  niet  vermoedt 
Door  deze  plaatsen  gaat  een  reformatorische  luchtstroom; 
niemand  kan  het  loochenen.  In  haar  openbaart  zich  een  geest, 
die  niet  bij  de  bescheidene  of  ook  angstvallige  zelfbeperking 
past,  die  Erasmus,  in  een  beeld,  als  de  hem  aangewezene 
levenstaak  aanduidt.  Hij  vergelijkt  ergens  zijne  stelling  mot 
de  beeldzuilen  van  Mercurius  in  het  oude  Romeinsche  rijk, 
die,  aan  de  kruiswegen  geplaatst,  den  wandelaar  den  weg 
wijzen,  zonder  dien  zelve  te  betreden.  De  humanist  heeft 
dien  betreden,  doch  week  helaas  verschrikt  terug,  toen  hy 
bemerkte,  wat  hem  op  dezen  weg  zou  kunnen  bejegenen. 

Zij,  die  daarna  dien  weg  onbevreesd  hebben  ingeslagen, 
hebben  dikwijls  op  bittere  wijze  over  den  achterblijvende 
den  staf  georoken.  Milder  en  ook  billyker  is  ons  oordeel  , 
na  een  tijdsverloop  van  meer  dan  driehonderd  jaren.  Wy 
hebben  den  groeten  humanist  niet  slechts  naar  den  m^iatstaf 
van  diegenen  te  beoordeelen,  rlie  van  het  Humanisme  tot  do 
Hervorming  zijn  doorgedrongen,  maar  wij  hebben  hem  ook 
aan  datgene  te  meten,  waardoor  het  streven  van  den  Duit- 
Bchen  humanist  zich  van  dat  der  humanisten  aan  gene  zijde 
der  Alpen  zóó  wezenlijk  en  voordeelig  onderscheidt.  Nog 
voordat  het  tusschen  den  Duitscheii  Hervormer  en  den  Duit- 
schen  Humanist  tot  eene  besliste  breuk  gekomen  was,  ver- 
klaarde Luther,  aireede  in  het  voorgevoel  der  naderende 
scheiding,  maar  nog  in  den  ban  der  hoogachting  voor  den 
buiteugewonen  man,  dat  E  ras  mus,  wel  is  waar,  als  een 
Mozes,  zijn  volk  uit  Kgyptelaud  bevrijd,  maar  het  niet  in 
het   land   der    belofte  had   overgebracht     Nooit   heeft   zich 


m 


Erasiiius  zoozeer  verontrust  over  de  zaligheid  zijner  ziel, 
als  de  Augiistijnertnonnik  te  Erfurt.  lu  geheel  zijne  ver- 
schijnJDg  is  hij  het  schitterend ,  onwedersprekelij k  bewijs , 
wat  loutere  pogingen  der  humaniteit  vermogen  tot  stand 
te  brengen,  hoe  onder  haren  bezielenden  ademtocht  eene 
schoone  wereld,  voor  eene  wijle  door  den  vollen  en  zui- 
veren glans  der  Kunst  verhehlerd,  te  voorschijn  treedt,  raa^r 
hoe  haar  licht  nimmer  in  staat  ia,  om  de  nevelen  der 
zonde  te  verdrijven ,  ons  met  God  te  verzoenen ,  ons  te  heili- 
gen. God  heeft  ons  echter  niet  tot  taak  gesteld,  om  eeu 
schoon  leven  te  genieten,  maar  om  heilig  te  zijn,  gelijk  Hij 
heilig  is.  De  humaniteit  is  wellicht  hij  machte,  om  vooreen 
oogenblik  de  ernstige  stem  des  gewetens  door  hare  wellui- 
dende raeloilieën  te  laten  verdringen,  maar  nooit  kan  zij  aan 
deze  stem,  die  tot  God  roept,  gelijk  het  hert  schreeuwt  naar 
de  waterbronnen,  een  troostrijk  antwoord  of  eene  zalige 
bevrediging  schenken.  De  stempel  van  dit  haar  onvermogen 
is  diep  in  hare  scheppingen  ingedrukt.  Ook  bij  Eraamus, 
die,  vol  angstige  vrees,  lafhartig  wegduikt,  als  het  ware, 
voor  de  waarheid  der  ilervorming.  Wanneer  de  heldere 
wateren  hem  daarop  overstroomen,  en  zijne  trekken  eeniger- 
mate  verwringen,  is  het  ons  vaak,  alsof  wij  ia  den  gr'ioten 
man  reeds  iets  zien  van  datgeue,  wat  vervülgeos  in  later  tijd 
op  het  gelaat  der  Bayle's,  der  Encyclopedisten,  in  lichten 
graad  zelfs  op  dat  van  een  Voltaire  te  lezen  is:  dien  „sar- 
kanten"  trek ,  die  er  behagen  in  schept ,  den  twijfel  te  wekken , 
en  toch  behoedzaam  zorg  draagt,  zijne  laatste  bedoeling  niet 
te  verraden,  die  wijze  van  handelen,  welke  Sainte  Beuve 
ergens  zoo  eigenaardig  als  a:inval  en  verdediging  te  gelijk 
beeft  aangeduid,  die  haren  weg  vervolgt  onder  het  masker 
der  geleerdheid.  '} 

Toen  Laski   zich  naai'  Bazel  begaf,  stond  Erasmus  aan 


l)  Feugère  (p.  236):  „Cette  mfiUioiie"  —  adon  Stc  BeuTP  —  „d'alU- 
que  et  de  «ape,  qui  tb  son  tmïn  aou^  sir  il'^rudition  et  que  Jane^nius  ddfi- 
niBMÏt  BÏ  bten  en  disHnt :  qu'elle  consUtait  i  produire  les  difllculUs  contre  la 
fbi  aoui  forme  óe  quoationi  ot  k  inadrer  »  qui  éUit  aoulevé  li^deaiiiu." 


125 


den  beslissenden  kruisweg  vóór  of  tegen  de  HervormiDg, 
welke  laatste  in  Duitschland  en  in  Zwitserland  reeds  genoeg 
in  kracht  had  aangewonnen,  om  den  vorst  der  humanisten 
tot  eene  pijnlijke  beslissing  te  noodzaken.  Wij  weten,  dat  hij 
zijnen  teerling  anders  wierp,  dan  Ulrich  v.  Hutten,  van 
wien  hij  zich  juist  in  die  dagen,  op  zulk  eene  in  het  oog 
loopende  wijze  had  afgewend.  De  humanist,  die  door  zijne 
openlijke  verloochening  van  de  Hervorming ,  en  dientengevolge 
door  de  verstoring  van  eene  gezonde  levensontwikkeling ,  zijne 
schreden  inhoudt,  ziet  zich  den  terugweg  tot  den  bescher- 
menden  schoot  der  Roomsche  kerk  afgesneden.  Beide  stroo- 
mingen werpen  hem  op  het  heete  oeverzand^  waar  hij  een- 
zaam wegkwijnt:  het  is  moeielijk  uit  te  maken  ^  of  de  pijlen 
van  Wittenberg,  dan  wel  die  van  de  Sorbonne  te  Parijs  en 
van  de  hoogeschool  te  Leuven,  kwetsender  waren  voor  den 
eenzamen,  diepgewonden  man. 

In  onze  schets  van  deze  boeiende  persoonlijkheid,  die  bij 
dat  groote  keerpunt  op  zulk  eenen  aanzienlijken  post  staat ,  dat 
haar  lot  eene  typische  beteekenis  verkrijgt,  zijn  wij  reeds  eenigs- 
zins  den  tijd  vooruitgeloopen,  in  welken  onze  La  ski  haar  van 
meer  nabij  leerde  kennen.  Wellicht  is  de  teekening  voor  ons 
paneel  te  breed  en  uitvoerig  uitgevallen;  wij  lieten  ons  door 
de  verzoeking  medesiepen ,  omdat  de  invloed  van  den  buiten- 
gewonen man,  gedurende  geheel  een  tiental  jaren,  in  den 
leTensloop  van  onzen  held  te  bespeuren  is.  Het  groote  besluit, 
waartoe  hij  eindelijk  kwam,  om  zich  aan  de  zijde  der  Her- 
vorming te  scharen,  werd  door  de  indrukwekkende  pei*soon- 
lijkheid  des  vereerden  meesters  wezenlijk  vertraagd :  gedurende 
geruimen  tijd  was  hij  in  het  oog  van  den  beschroomden  ge- 
leerde een  sprekend  bewijs «  dat  men  zich  aan  de  schoone, 
warme  strooming  der  humaniteitsstudiën  onverdeeld  en  met 
geestdrift  kon  overgeven ,  zonder  ontrouw  te  worden  aan  de 
moederkerk. 

Wij  hebben  reeds  gezien,  dat  La  ski  niet  eerst  bij  zijn 
tweede  verblijf  te  Bazel  met  den  gevierden  man  in  persoon- 
lijke aanraking  kwam;  de  oudere  broeder  had  hem  reeds  met 


bet  erkende  hoofd  der  weteDschappen  in  kenniB  gebracht. 
De  atreelende  erkenning  van  den  jongen  Pool,  in  het  vorige 
jaar,  schonk  hem  het  recht,  om  nu  andermaal  bij  den  meester 
den  toegang  te  vragen.  De  gunstige  indruk  werd  niet  iedere 
ontmoeting  versterkt,  en  wei  van  weerszijden,  Den  oudeu 
heer,  die,  juist  in  die  blagen,  van  alle  zijden  zoo  ruw  werd 
aangevallen ,  —  wij  herinneren  er  aan ,  dat  de  uit  den  twist 
met  Hutten  ontstane  slagen  nog  niet  verkropt  waren,  en 
het  er  nu  reeds  weder  op  aankwam,  zich  tegen  deu  Dnit- 
Bchen  hervormer  en  zijne  uitdagingen  te  wapenen,  —  den 
ouden,  veelszins  gekwelden  beer  deed  het  waarschijnlijk  aan- 
genaam aan,  door  dezen  fijn  beschaafden,  beminnenswaar- 
digen  Pool,  die  in  zijn  vaderland  tot  de  hoogste  kringen 
behoorde,  en  die  zich  hier  met  schuchteren  eerbied  in  de 
tegenwoordigheid  van  den  geleerde  bevond,  met  zulk  eene 
hartelijke,  oobekrorapene  welwillendheid  bejegend  te  worden. 
De  groote  humanist,  die  tot  dusver  als  een  koning  door  elk 
was  geprezen  geworden,  was  voor  hoof sche  hul  de  betooningen 
en  betuigingen  van  vereering  maar  al  te  toegankelijk.  De 
stroom  der  algemeene  gunst  was  bedenkelijk  aan  het  ebben; 
het  is,  alsof  de  zoo  lang  verwende  man  zich  des  te  harts- 
tochtelijker aan  de  hem  nog  verleende  gunstbewijzen  vast- 
klemde ,  en  er  zich  op  toelegde ,  om  uit  de  verte  de  schatting 
te  verzamelen,  die  de  naaste  omgeving  hem  dreigde  te 
weigeren. 

Erasmus,  die  ongehuwd  was,  had  de  gewoonte  om  kost- 
gangers in  zijne  huishouding  op  te  nemen.  In  zijne  woning, 
in  bet  buis  van  zijnen  drukker  Frobenius,  bad  bij  genoeg 
vertrekken ,  om  eene  kamer  aan  eenen  jongen  geleerde  af  te 
staan,  Daur  hij  het  deed  om  zijn  inkomen  te  vermeerderen , 
konden  slechts  rijke  jongelingen  de  gunst  deelachtig  worden, 
huisgenooten  van  den  beroemdstea  geleerde  te  zijn.  Onze 
vrijgevige  Pool ,  die  in  zijnn  jonge  jaren  reeds  in  het  bezit  van 
niet  onaanzienlijke  prebenden,  en  volgens  de  gewoonte  zijns 
volks  in  geldzaken  volkomen  zorgeloos  was,  zal  denkelijk  de 
genoemde  gunst,  die  hij  in  de  laatste  helft  van  zijn  verblyf 
te  Bazel  genoot,  duur  genoeg  betaald  hebben.     Dne  en  een 


127 


halTen  galden  gaf  hij  maandelijks  voor  zijne  kamer,  ^)  en  de 
kosten  der  kenken  schijnt  hij  geheel  met  zijne  middelen 
bestreden  te  hebben,  zoodat  Er  as  mus  bij  zich  zelveu  te 
gast  was,  en  den  ?ri;geYigen  gastheer  langen  tijd  smartelijk 
Tenniste,  toen  deze  Bazel  verlaten  moest.  Op  groothartige 
wijze  kocht  La  ski  voorts  van  zijnen  huisheer  diens  rijke 
boekverzameling ,  met  de  beminnelijke  vergunning,  dat  de 
geleerde y  tot  aan  zijn  einde,  het  vruchtgebruik  der  gedurende 
zoo  langen  tijd  bijeengezamelde  schatten  mocht  blijven  ge« 
nieten.  Den  geheele  koopprijs  heeft  La  ski  destijds  niet 
kannen  betalen;  er  bleef  nog  eene  som  van  tweehonderd 
galden  te  voldoen,  en  Erasmus  toekent  in  zijn  testament 
aan «  ')  dat  bij  zijnen  dood  de  boeken  slechts  dan  moesten 
worden  afgeleverd,  wanneer  de  resteerende  som  vooraf  aan 
zijnen  erfgenaam  betaald  was  geworden.  Die  betaling  schijnt 
achterwege  gebleven  te  zijn;  toen  Erasmus  stierf,  was 
Laski  bijkans  zonder  middelen,  en  op  het  punt  om  de 
Roomsche  kerk  te  verlaten. 

Het  waren  niet  deze  uiterlijke  voordeelen,  die  Erasmus 
aan  zijnen  nieuwen  huisgenoot  boeiden.  Iets  bijkans  overwel- 
digends kwam  den  ouden  man  in  die  jeugdige  gestalte  te 
gemoet  Erasmus  is  in  zijne  brieven  niet  gierig  met  woorden, 
als  hij  van  iemand  iets  lofwaardigs  wil  zeggen ,  inzonderheid 
dan,  wanneer  het  uitzicht  bestaat,  dat  de  geprezene  zelf  er 
inzage  van  verkrijgen  zal.  Wanneer  wij  echter  de  verschil- 
lende plaatsen  in  zijne  brieven  over  den  jongen  vriend  over- 
zien ,  dan  maken  zij  toch  den  indruk ,  alsof  de  woorden  niet 
slechts  de  pasmunt  van  het  gezellige  verkeer  zijn,  en  alsof 
veeleer  de  ernstig-zedelijke  persoonlijkheid  van  Laski  zelfs 
over  den  ouden  man  macht  verkregen ,  en  büjvenden  invloed 
op  hem  uitgeoefend  heeft.  Wat  Erasmus  in  onzen  vriend 
roemt,  het  zijn  dezelfde  trekken,  :illeenlijk  thans  verder  ont- 


1)  Yergel.  het  zeer  seidzame  f^chriftjc,  boTattoude  de  bijzondere  brieven 
▼BQ  Brasmas  aan  Amerbach  (Ba»  MDCCLXXIX),  dat  mij  in  de  stads- 
bibliotheek te  Bazel  in  handen  kwam. 

2)  In  de  zoo  e^en  aanjrehaalde  private  brieven  van  Amerbach  is ,  op  bladz. 
122 ,  het  testament  afgedrukt. 


wikkeld,  op  welke  wij  reeds  door  den  opvoeder  te  Bologna 
werden  gewezen ,  dezelfde  trekken ,  die  wij  versterkt  in 
liet  gerijpte  leven  van  den  man  zelven  terugvinden.  Dene 
getuigenis  heeft  nu  echter  bijzondere  waarde,  dewijl  wij 
haar  vernemen  uit  den  mond  des  mans,  die  maanden  lang 
op  den  meest  vertrouwelijkeo  voet  met  hem  heeft  omge- 
gaan. Het  is  bijkans  jeugdig  vuur,  aangrijpend  verlangen 
der  liefde,  wanneer  de  man  van  LiO  en  meer  jaren  aldus 
over  zijnen  hui-sgenoot  oordeelt:  Behalve  dat  hij  eene  niet 
alledaagsohe  geleerdheid  bezit,  is  Laski  in  zijn  leven  vlek- 
keloos rein,  als  versch  gevallen  sneeuw,  vriendelijk  en  be- 
mi nnens waardig ,  zoodat  iedereen  in  zijne  nabijheid  als  her- 
leeft, en  allen  bij  zijn  scheiden  een  gevoel  van  verlaten- 
heid hebben,  een  gemoed  van  goud,  een  echte  parel,  en 
daarbij  zóó  bescheiden  en  zóó  zonder  eenige  de  minste  aan- 
matiging, ofschoon  bij  geroepen  is,  om  eenmaal  in  zijn 
vaderland    ééne    der   hoogste    plaatsen   in   te    nemen,  'j     De 


1)  Bene  Ueias  bloemleziog  rsii  Braamisaoftohe  uitoprokeu  orer  Luki  viade 
hier  cene  plsaCa!  Aan  den  beroemden  Ignstius  achrijfl;  hij  (ï;9):  „Johaanw 
•  Iabco  PolanUB,  illustri  1<ko  iiatua  apud  euos,  brerique  surnmus  futurua , 
noribui!  ent  pluie  anti»,  aihil  mogia  anreum  sut  gemmeum  etae  potesl."  — 
Aan  Thoma*  Luptetue  beschrijft  hij  hem  (7SI}):  „Fraeter  eruditioarai  haud 
quequam  fulfprem  morihui  est  adea  faoiUbns.  cindidis  ut  amicia,  ut  mïhi 
jam  »il4  coeperit  adluheacere.  e»  ejus  domestjoo  eoovietu  veluti  ropubesoenti."  — 
Aia  den  liumaoist  LaanarduB  Casimbrotas  bericht  hij  (7S2}:  „Jurenia  citni 
aiTogiutifim  eruditiis,  eitra  auperci'.ium  migoua  ao  felix ,  aed  moribus  adco 
oandidia  >  amici^,  joeundis,  ut  per  ejua  amebilem  coasuetudinem  paene  repu- 
buerim,  alioqui  jam  morborum,  laborum  et  obtreotaMrum  Uedio  marcea- 
oena."  —  Aan  lijnen  broeder  Hieronymua  meldt  hij  :  „Ejiis  conïictua  qnaniam 
mihi  tam  fuit  jurunduB  ut  vii  aliud  in  vila  jucundiua,  non  poteat  oon  esae 
moleatisaimua  illius  abitua.  Sijua  nunvisaima  eojuuetudiae  propemodum  rcpu- 
buemni.  Uagia  hbet  vestrae  Polooiae  gratolari,  qoBin  meum  priTatuni  de- 
plorare  inmmmodum."  —  Aan  deu  hiaachop  van  Plook  wordt  medegedeeld 
(783):  „Joannea  a  Laaco  miiltos  hominea  et  inter  hoa  Eraemwn  hie  occidit , 
tantum  siu  deaideriam  reliqnil  abiena,  cura  quibuacunque  Imbuit  coDauetu- 
dinem."  —  In  eca  aohriJTen  aan  den  palat\jn  van  Erakau  wordt  de  reinheid 
Tan  tedeii  cu  de  bescheideulieid  van  Laaki  geprezDo:  „ut  parem  hactenua  noo 
temere  in  quoquam  alio  repereriin"  (I738J.  - —  Ten  beaiuite  eindel'jk  dau  aog 
het  achoone  woord,  dat  de  rtooIb  geleerde,  in  de  opdracht  van  lijnen  Am- 
broaiua    aan    deu    Aartabiaschop ,    met    betrekking   tot  diens  neef  duet  hooroii 


129 


jonge  Pool  met  zijne  ond-Roroeinsche  rechtschapenheid  van 
inhorst  („prisca  integritas")  dient  aan  Er  as  mus,  gelijk  hij 
zich  in  eene  opdracht  aan  den  woiwode  van  Krakau  uitdrukt, 
ten  bewijze y  dat  „Astraea,  de  aarde  ontvluchtende,  de  laatste 
sporen  van  haar  verblijf  onder  het  Poolsche  volk  heeft 
achtergelaten.*'  Nog  jaren  daarna  verklaart  de  beroemde 
man  onbewimpeld ,  dat  hij  in  het  samenleven  met  Laski  beter 
geworden  is ,  en  dat  hij ,  de  grijsaard ,  van  hem ,  den  jonge- 
ling, geleerd  heeft  wat  anders  gewoonlijk  de  jeugd  van  den 
ouderdom  ontvangen  moet^  nl.  de  nuchterheid,  matigheid, 
eerbied,  beteugeling  der  tong,  bescheidenheid,  kuischheid, 
zuiverheid  van  karakter. 

Met  groeten  eerbied  was  Laski  aan  den  meester  gehecht , 
en  beroemde  er  zich  in  die  dagen  op  ^  dat  hij  zijn  jonger  was. 
Door  hem  liet  hij  zich  verder  in  zijne,  met  zoo  groote  geest- 
drift voortgezette  humanistische  studiën  leiden;  maar  het  is 
niet  de  herinnering  aan  de  diepere  en  rijkere  kennis,  op 
dit  gebied  verkregen,  die  hem  in  latere  jaren  het  meest  tot 
dankbaarheid  stemt.  Hooger  nog  roemt  hij  het  in  den 
groeten  man ,  dat  hij  zijne  ziel  het  eerst  op  geestelijke  dingen 
gericht  heeft,  en  dat  hij  onder  zijne  leiding  begonnen  is^  op 
het  gebied  van  den  waren  godsdienst  den  weg  te  vinden,  i) 
Zeldzame,  en  toch  in  die  dagen  niet  verrassende  belijdenis 
uit  den  boezem  der  Roomsche  kerk.  Hij,  die  reeds  op 
jeugdigen  leeftijd  de  ladder  van  kerkelijke  waardigheden  tot 
aanzienlijke  hoogte  beklommen,  en  die,  jaren  geleden,  zich 
langen  tijd  te  Bologna  aan  de  theologische  studiën  gewijd 
heeft,  hij  leert  nu  eerst  te  Bazel,  en  aan  de  voeten 
▼an  den  Duitschen  humanist,  de  eerste  beslissende  be- 
ginselen van  zijne  betrekking!  Ook  hier  wederom  is  het 
Erasmus,   die   den   stoot  geeft   tot  eene   beweging,   welke 


(1585)t  „Illad  non  possum  non  fateri  senex  juyenifl  conTictu  factas  sum 
melior  ac  sobrietatem,  temperantiam ,  yerecundiam ,  lingnae  moderationem , 
modestiam ,  padicitiam,  integritatem ,  quam  jnyenis  a  sene  discere  debueratt 
a  juwtÈie  senex  didioi.    O  gentem  pietati  natam." 

1)  Kuyper,    II,    569:    „Erasmus    mihi   aator   fuit,  ut  animom  ad  sacra 
•dyioerem,  imo  vero  ille  primus  me  in  yera  religione  institaere  coepit." 

DALTOV.  9 


K 


130 


met  noodzakelijkheid  voert  langs  wegen,  die  de  meester 
zelf  niet  gewaagd  heeft  te  betreden.  Hoe  mild  en  schoon 
oordeelt  La  ski ,  in  latere  jareu ,  over  deze  zwakheid  en 
halfheid  van  den  Humanist ,  die  hij  gedurende  zijn  verblijf 
te  Bazel  reeds  genoegzaam  had  leeren  kennen.  „Een  ieder," 
zóó  schrijft  hij,  „heeft  zijne  hepaalde  mate  van  gaven,  en 
één  mensch  vermag  niet  alles  op  elk  gebied;  ook  voor  ous 
is  er  heden  nog  veel,  dat  wij  niet  weten.  Het  ia  onze  zaak, 
ons  zelven  geluk  te  wenschen  met  datgene ,  wat  God ,  naar 
bet  raadsbesluit  zijns  wils ,  ons  overeenkomstig  de  mate  van 
ons  geloof  gunstrijk  heeft  willen  verleenen.  Uit  dien  hoofde 
moeten  wij  ons  ook  verheugen  over  de  gaven  van  Erasmus, 
die  waarlijk  groot  en  belangrijk  genoeg  geweest  zijn,  en 
bebooren  God  in  haar  te  erkennen.  Wanneer  wij  echter 
meenen ,  dat  wij  verder  gevorderd  zijn ,  laat  ons  dan  beden- 
ken, dat  ook  dit  ons  enkel  van  God  verleend  is."  ')  Inder- 
daad, dat  is  de  bescheidene  wijze  van  spreken,  door  welke 
reeds  de  jongeling  den  grijsaard  tot  voorbeeld  gediend  heeft. 
De  geschriften  van  Erasmus  en  zijn  levend  woord  in  den 
persoonlijken  omgang  waren  wel  in  staat,  om  een  vroom 
gemoed  van  de  beerlijkheid  der  geestelijke  bediening  te  door- 
dringen, en  om  het,  met  vermijding  van  al  de  gegravene , 
bedriegelijke  bronnen  der  scholastische  geleerdheid ,  en  met 
voorbijgang  van  de  kerkvaders,  te  leiden  tot  de  levende 
bron  van  het  Woord'  Gods  zelf.  Hoe  zoude  een  geschrift, 
als  de  reeda  in  1515  verschenen  „Handleiding  om  tot  de 
ware  godgeleerdheid  te  komen,"  zijnen  invloed  op  Laski 
niet  hebben  uitgeoefend?  *)  En  welke  heerlijke  en  opwek- 
kende, verkwikkende  plaatsen  vindt  men  in  de  omschrijvingen 
en  verklaringen  van  enkele  deelen  der  Heilige  Schrift  door 
Ërasmus!  Ook  bij  deze  exegetische  onderzoekingen  is  het 
niet  moeielijk,  om  den  behoedzamen  tred  des  m:ins  op  te 
merken,  die  slechts  tot  aan  den  drempel  deï>  heiligdoms 
doordringt,   dan  zijnen  gang  staakt,    en  zich  met  uiterlijk- 


1)  Kuyper,  II,  5P4. 

2)  Vei^.  de  nanwkeurige  acheM  b 


131 

heden  tevredenstelt  Het  zgn  de  helden  der  Herrorming 
geweest,  die  onyerschrokken  den  dorpel  overschreden,  en 
daarop  in  het  heiligdom  Jezus  gezien  hebben,  en  Jezus 
alleen. 

Met  één  van  deze  helden  is  Laski  gedurende  zijn  verblijf 
te  Bazel  in  persoonUjke  aanraking  gekomen,  vermoedelgk 
slechts  zeer  vluchtig,  maar  toch  lang  genoeg,  om  zich  door 
hem  den  goddelijken  prikkel  in  de  ziel  te  voelen  di'ukken^  tegen 
welken  geen  mensch  ter  wereld,  al  ware  hij  ook  een  Saulus, 
zich  verzetten  kan.  In  zijn  verdedigingsschrift  tegen  West- 
phalns  gewaagt  hij  op  twee  plaatsen  *)  van  den  invloed,  dieh 
Zwingli  op  hem  geoefend  heeft.  Op  zijne  doorreis  naar 
Frankrgk,  zegt  hij  d4&r,  heeft  hij  hem  te  Zürich  ontmoet, ') 
en  is  door  hem  het  eerst  tot  het  onderzoek  van  de  Heilige 
Schriften  gebracht  geworden;  aan  hem,  zóó  verklaart  hij, 
heeft  hij  de  grootste  opwekking  te  danken.  Hij  verweert  zich 
echter  beslist  tegen  de  bewering  van  Westphalus ,  dat  hy  een 
Zwingliaan  is.  daar  hij  niet  in  den  naam  van  eenig  mensch 
gedoopt^  en  ook  Lnther,  zoomin  als  Zwingli  voor  hem 
gekruisigd  is,  terwijl  hij  bovendien  de  leer  van  den  laatstge- 
noemden ook  niet  in  alle  deelen  aanneemt.  Alle  pogingen, 
om  aangaande  deze  ontmoeting  met  Zwingli  te  Zürich  nader 
uitsluitsel  te  verkrijgen,  zijn  mislukt;  noch  in  de  brieven  van 
den  Hervormer,  noch  in  de  uitvoerige  brieven  van  hen,  die 
in  die  jaren  met  Zwingli  in  betrekking  stonden,  was  eenige 
aanwijzing  te  dezen  opzichte  te  vinden.  Het  gastvrije  huis 
van  den  edelen  Züricher  stond  voor  allen  open;  niet  licht 
sou  eene  persoonlijkheid  van  beteekenis  verzuimen,  om  aan 
den  stoutmoedigen  man  een  bezoek  te  brengen.  Doch  aan- 
gaande onzen  Laski  vernemen  wij  niets,  zoodat  wij  ons  met 
zijne  eigene,  stellige  verklaring  moeten  vergenoegen. 


1)  Kuyper,  I,  282.  338. 

2)  Zoa  dese  opgave ,  na  een  tgdsTerloop  taü  34  jaar*  ook  foms  op  eene 
ftnl  Tan  Laski's  geheagen  bemeten,  loodat  het  niet  op  de  doorreis  naar 
Frankrijk  geschied  is,  waarheen  hy  zich  in  gezelschap  Tan  zijne  broeders  be- 
gaf, maar  ran  Basel  uit? 

9* 


132 

De  dagen,  die  Laski  te  Bazel  in  wetenschappelijk  verkeer 
met  de  lieroemdste  mannen  doorleefde,  bleven  voor  zijne 
herinnering  onvergetelijk.  Door  zijnen  huisheer  kwam  hij , 
gelijk  van  zelf  spreekt ,  in  aanraking  met  het  huis ,  dat  voor 
Erasmns  de  grond  geweest  was,  om  zich  metterwoon  in 
Bazel  te  vestigen.  In  den  kring  der  Froben's  aloot  hij  zich 
bij  voorkeur  bij  Bonifacius  Amerbach  aan,  die  in  1Ó24 
hoogleeraar  in  de  rechten  te  Bazel  geworden  was.  Als  wij 
de  scbuone  beeltenis  van  den  jongen  rechtsgeleerde,  door 
zijnen  vriend  Holbein  geschilderd,  aandachtig  beschouwen, 
dan  is  het  ons,  alsof  wij  onzen  Johannes  in  het  tijdperk 
zijner  jeugd  vóór  ons  zagen  ').  En  ook  inderdaad,  indien  men 
ons  vroeg,  om  in  den  kring  der  bekenden  van  onzen  vriend  te 
Bazel  eene  persoonlijkheid  te  noemen,  van  nature  aan  onzen 
Laski  verwant,  zoo  zouden  wij  op  den  genoemden  hoog- 
leeraar moeten  wijzen  ,  die  bijkans  van  denzelfden  leeftijd  was 
als  hij.  en  die  in  geestelijk  opzicht  de  treffendste  trekken 
van  overeenkomst  met  hem  vertoont.  In  de  brieven  van  den 
beroemden  schilder  luiden  de  plaatsen,  waarin  bij  over  dezen 
zijnen  liefsten  vriend  handelt,  eveneens,  alsof  zij  op  Laski 
betrekking  badden  ^).  Daarin  wordt  de  zuiverheid  van  zijn 
wezen,  zijne  rechtschapenheid,  zijne  nauwgezetheid,  zijne  ge- 
trouwe pHchtsbetrachting ,  de  strengheid  zijner  zeden  geroemd. 
Dan  weder  doet  Holbein  zijne  liefelijke  gaven  voor  het  ge- 
zellig verkeer  uilkomen,  zijne  levendigheid,  bet  vroolijke  ver- 
nuft in  bot  onderhoud,  een  schoon  dichterlijk  en  muzikaal 
talent,  Gaarne  luisterde  men  naar  den  professor,  wanneer 
hij  op  de  luit  een  door  hem  zelven  gedicht  liedje  ,  misschien 
op    de   destijds   vaak  gezongene  melodie  „adieu  mes  amors" 


1)  Ben  oogenUik  hoopten  «ij  ,  in  de  nog  onbekende  beeltenis  in  de  Beielnche 
Tenameling,  No.  10.  de  trekken  lun  ooien  Laski  Ie  kunneu  onlcijrereu.  Dtt 
BOU  Toor  ona  oene  buileogewoon  kostbare  ontdekking  gewoeal  ïijn;  een  beeld 
vin  Luki  uit  die  dagen,  ca  door  de  mee^tcrhand  vun  Holbeiu,  niet  irien  bij 
in  den  kriag  vsa  Am«rbach  persooulyk  bekend  moet  geworden  e^d,  op  Toor- 
teeffelüke  w^jm  nilgeroerd!  Een  nauwkeurig  oiiderioek  ecliler  heeft  die  lioop 
veminigd. 

2)  Woltm&n,  I,  262. 


133 


voordroeg.  In  zulke  vrije  uren  van  gezellig  samenleven 
heeft  dan  wellicht  ook  onze  Laski  zijne  citer  ter  hand  ge- 
nomen, en  daar  hij  nog  sedert  zijnen  studententijd  in  het 
spel  ervaren  was,  aan  de  vrienden  zijne  Poolsche  volks- 
liederen voorgedragen.  Door  eene  gunstige  beschikking  is  ons 
een  aantal  brieven  van  Laski  aan  zijnen  vriend  Amerbach 
bewaard  gebleven  ^).  Het  zijn  voor  een  deel  slechts  haastige 
r^els  op  eene  strook  papier;  maar  juist  de  vluchtige, 
alledaagsche  inhoud  verleent  ons  heden  ten  dage  eenen 
boeienden  blik  in  de  aangename  vertrouwelijkheid  van  den 
wederzijdschen  omgang.  Bij  zijnen  gegoeden  vriend  leent  de 
zorgelooze  Pool  kleinere  en  grootere  geldsommen,  wanneer 
de  voorhanden  zijnde  voorraad  opgebruikt,  en  de  bode  nog 
niet  teruggekeerd  is,  dien  hij  naar  Augsburg  gezonden  heeft, 
om  bij  zijnen  bankier  aldaar,  den  vermaarden  Fugger,  geld 
ie  beuren.  Op  oenen  anderen  keer  meldt  hij  hem,  dat  hij 
bij  een  spel ,  om  zijne  lichaamskrachten  te  oefenen ,  met  den 
groeten  toon  tegen  eenen  steen  gestooten ,  en  nu  slechts  met 
moeite  de  trap  bij  Erasmus  beklimmen  kan.  Ook  nadat 
hij  van  Bazel  afscheid  genomen  heeft,  wordt  door  de  beide 
vrienden  eene  drukke  briefwisseling  onderhouden. 

Het  was  een  buitengewoon  opwekkend,  verstandelijk  verkeer, 
dat  in  die  dagen  te  Bazel  heerschte ,  en  in  welks  volle  stroo- 
ming de  huisgenoot  van  Erasmus  zich  geplaatst  vond.  De 
humanistische  en  de  reformatorische  beweging,  ofschoon  gewis 
reeds  op  het  punt  om  zich  van  elkander  te  verwijderen,  gin- 
gen hier  nog  vreedzaam  hand  aan  hand.  De  hoofden,  die 
morgen  reeds  gedwongen  werden,  om  elkander  beslist  het 
hoofd  te  bieden,  verkeerden  heden  nog  met  elkander,  ge- 
deeltelijk in  eene  naïeveteit,  die  ons  thans  vreemd  voorkomt. 
In  een  gezellig  onderhoud  konden  ook  aan  Er  as  mus  uitin- 
gen, b.  V.  over  het  heilige  Avondmaal,  ontvallen^  die  hem 
een  standpunt  aanwezen,  nog  verder  naar  de  linkerzijde,  dan 
Zwingli  zelf  innam.    De  tegenstellingen  en  verschillen  waren 


1)  Nog   onmtgegCTen   en   tot   dasver   ongebruikt    berinden  lij  zicb  in  het 
Archief  Tsn  het  antisteriam  te  Bazel. 


nog  niet  voor  aller  oog  duidelijk  aan  het  licht  getredeo,  eu 
hailden  zich  Dog  niet  van  elkander  losgemaakt.  Zoo  zag 
men  ook  nog  in  een  levendig,  wederzijdsch  verkeer  met  den 
beroemden  voorganger,  en  rondom  hem  geschaard,  ter  eener 
zijde  mannen  als  Oecolampadius  en  Pellicanus,  aan 
den  anderen  kant  mannen  als  Gl  are  anus  en  Beatus 
RhenanuE,  en  onze  Laski  ontving  en  genoot  den  zegen 
van  dezen  dubbelen  omgang.  Werpen  wij  eenen  vluchtigen 
blik  op  een  paar  van  deze  iijannen,  die  op  het  beweeglijke , 
vatbare  leven  des  geestes  van  onzen  vriend  eenen  blljvenden 
indruk  gemaakt  hebben. 

Wellicht  reeds  bij  zijn  eerste,  kortstondige  verblijf  te  Bazel 
was  Laski  met  Oecolampadius  in  aanraking  gekomen, 
waarschijnl^k  door  Farel,  die  dischgenoot  bij  deu  lateren 
Hervormer  van  Bazel  geweest  ia  i).  Laski  hield  den  uit- 
nemendon  man  voortdurend  in  vereerende  gedachtenis.  Nog 
na  twee  decenniën  verklaart  hij  aangaande  hem,  dat  hij  met 
den  hoogsten  eerbied  zijner  gedenkt  wegens  zijne  zeldzame 
eenvoudigheid  en  vroomheid,  niettegenstaande  al  zijne  groote 
geleerdheid  '^j.  De  werken  des  meesters  versieren  zijne  boek- 
verzameling;  hij  wenacbt  alles  te  bezitten,  wat  Oecolam- 
padius geschreven  beeft.  Eene  nauwkeurige  vergelijking  zou 
ons  doen  zien ,  welk  een  getrouw  en  ijverig  lezer  van  zijne 
werken ,  inzonderheid  van  zijne  uitlegging  der  Heilige  Schrif- 
ten, onze  Laski  geweest  is.  In  het  verre  vaderland  zullen  zij 
mogelijk  voor  den  Roomschen  priester  vriendelijke,  eenzame 
wegwijzers  geweest  zijn,  om  hem  tot  een  steeds  grondigere 
kennis  van  de  Schrift  te  voeren,  en  hem  alzoo,  als  natuur- 
lijk en  noodzHkelijk  gevolg  daarvan,  van  den  ban  der  Room- 
sche  overlevering  en  dwaalleer  langzaam,  maar  zeker  te 
bevrijden. 

Zoo    menigmaal    in  latere  jaren  de  dagen  van  zijn  verblijf 


1)  HBrmiajird,  I,  299,  itrmoedt,  dat  P.  Tduuüd  de  heriohtgiTer  v»a 
hat  aldair  Tennelde  dischgHprek  geveest  ia.  Zou  het  echter  niet  oom  Liiki 
kunnen  geweeet  i\)n,  de  „vir  integritatïs 

2)  Kayper.  II,  S76. 


135 


te  Bazel  in  aantrekkelijke  schoonheid  aan  Laski  vóór  den 
geest  kwamen  >  was  het  inzonderheid  de  herinnering  aan 
Conradus  Pellicanus^  die  zijn  hart  verkwikte.  Nog  in  het 
geestelijk  gewaad  van  eenen  gardiaan  der  Minorieten ,  en  met 
eene  oprechte,  aandoenlijke  verknochtheid  aan  het  stille ,  be- 
schouwelijke kloosterleven,  heeft  toch  de  rechtschapene , 
eenvoudige  geleerde  reeds  in  die  dagen,  als  een  heraut  der 
Hervorming,  zulke  luide  wekstemmen  door  het  land  laten 
weerklinken  !  Het  is  eene  schoone ,  zachtaardige ,  en  daarbij 
toch  besliste  en  eerlijke  verschijning  in  den  kring  dier  uit- 
stekende Bazelsche  mannen,  deze  Pellicanus,  die,  door  den 
treffendsten  ijver  voor  de  humaniteitsstudiën  bezield,  met 
steeds  inniger  overtuiging  en  met  steeds  klaarder  bewustheid 
den  weg  der  Hervorming  betreedt  ^).  Laski  gevoelde  zich 
in  hooge  mate  door  dezen  man  aangetrokken,  aan  wien  hem 
gelijkgestemde  snaren  zijns  gemoeds  boeiden.  Na  een  tijds- 
bestek van  twintig  jaar  knoopt  hij,  in  eenen  brief  aan 
zijnen  leermeester  en  studiemakker,  de  oude  betrekkingen 
weder  aan,  in  welk  schrijven  zulk  een  innige  toon  van 
verlangen,  bijna  zou  men  kunnen  zeggen:  van  heimwee, 
vemeembaar  is,  dat  men  daaruit  moet  opmaken,  dat  zij  op 
de  hartelijkste  wijze  met  elkander  hebben  omgegaan  ^).  Pel- 
licanus  had  den  Poolschen  deken  in  de  Hebreen wsche  taal 
onderwezen;  de  Hervormer  in  Friesland  betreurt  het  zeer, 
dat  deze  studiën  destijds ,  door  zijn  plotselinge  terugreis  naar 


1)  Welk  een  kostelijke  tegenhanger  bij  dien  boyenvermelden  ijver  van  Platter 
in  het  leereu  en  onderwij seu  is  het  boeiende  bericht,  hoe  Pellicanus  in  het 
beat  van  het  eerste  Hebreeuwsche  handschrift  geraakt.  Yergel.  Riggen- 
bacb,  S.  16:  ,.Post  aiiquot  dies  superveuiei  s  Paulus  Scriptoris,  magnum 
codicem  gestayerat  in  humeris,  talis  et  tantus  vir,  a  Moguntia  ad  Pfort^on, 
ot  stadiis  et  desideriis  meis  gratificaretur,  quae  probabat  yalde,  quum  ipse 
qooqoe  jam  antea  graoca  didicerat,  a  Renchlino  eateuns  instrnctus,  ut  epia- 
toUnm  graece  eidem  scriptum  a  Paalo  yiderim  et  legerim.  Nihil  in  eum 
diem  mihi  aociderat  gratins,  quam  ubi  eum  codicem  grandem  hebraicum 
Tiderem  mihi  allatam.  erat  autem  volumen  in  pergameno  scriptum,  elegan- 
tissimo  charactere,  magnifice,  et  eum  ma'^oreth,  tantao  amplitudinis ,  quantum 
praestare  posset  cutis  integra  vituiina. . .  /' 

2)  Kayper,  II,  583. 


136 


het  vaderland,  zóó  vroegtijdig  ziJD  gestaakt  geworden ;  sedert 
dien  tijd,  zóó  verklaart  hij,  heeft  hij  de  kenDÏs  van  deze  taal 
verloren.  Doch  uiet  slechts  tenBis  van  de  Hebreeiiwsche  taal 
verwierf  Laski  zich  aan  de  voeten  van  dezen  man.  Reeds 
Oecolainpadius  was  vóór  een  paar  jaren  begonnen,  Jesaia 
en  den  Brief  aan  de  Romeinen  in  wetenschappelijken  vorm 
Toor  de  studenten  uit  te  leggen ,  de  Brieven  van  Johauues 
echter  in  eene  reeks  van  stichtelijke  beschouwingen  voor  de 
burgers,  en  wel  onder  grooten  toeloop  des  volks.  Dat  op- 
wekkend voorbeeld  der  prediking  had  onze  gardiaan  der 
Minorieten  gevolgd ,  en  met  hem  deze  en  gene  vrome  klooster- 
broeder.  Juist  in  die  dagen  was  Pellicanus  aan  de  uitleg- 
ging van  Genesis').  Wij  dwalen  wel  niet,  wanneer  wij  ver- 
moeden ,  dat  Laski  zich  onder  de  talrijke  toehoorders  bevonden 
zal  hebben,  en  in  dat  geval  heeft  ook  hij  den  hartewenach 
des  leermeesters  kunnen  vernemen,  „dat  maar  het  rijk  van 
Christus  mocht  komen,  en  dat  het  Evangelie  gepredikt,  en 
door  geloovige  ooren  mocht  worden  aangenomen."  De  bis- 
schop van  Bazel,  Christoffel  v.  Utenbeïm,  wien  de  neef 
van  den  aartsbisschop  van  Gnesen  niet  vreemd  gebleven  is, 
waa  destijds  jegens  zulke  pogingen  nog  niet  vijandig  gezind; 
hare  noodwendige  strekking,  mogen  wij  zeggen,  was  nog  niet 
aan  het  licht  getreden,  en  Oecolampadius  mocht  aan  den 
vromen  en  tevens  geleerden  zielenherder  zijne  in  1524  in 
druk  versebenen  beschouwingen  over  dé  Brieven  van  Juhannes 
opdragen. 

Hadden  deze  beide  mannen  met  vasten  tred  den  weg  der 
Hervorming  ingeslagen,  zoo  ontmoeten  wij  in  den  upwekken- 
ilen  kring,  in  welken  Laski  te  Bazel  verkeerde,  twee  andere 
belangwekkende  gestalten,  die  zich  van  het  enger  omgrenad 
gebied  van  het  Humanisme  ia  den  hooggerezeu  vloed  der 
intellectueele  beweging,  aan  deze  zijde  der  Alpen,  ntet  lieten 
afdringen.  De  één,  Beatus  Rhenanus,  staat  ongetwijfeld 
op  den  tweesprong.    Weleer  een  hoogbegaafd  leerHng  van  Le 


1)  VergeL  E'unea  boeieadeu  brief  bui  Pirkheimi 


137 


FèTre  te  Parijs,  daarna  te  Bazel  innig  bomend  met  Eras- 
mii8,  heeft  hy  zijne  betrekking  met  dezen  beroemden  yoor- 
ganger  op  het  gebied  der  hamanistische  studiën  niet  afge- 
broken,  toen  deze  met  de  Hervormers  in  onmin  geraakte, 
en  zich  naar  Freiburg  begaf,  waar  hij  zich  als  in  eene  soort 
van  pmilhoek  terugtrok.  Dit  verhinderde  echter  onzen  wak* 
keren  Elzasser  niet,  om  voortdarend  met  den  opgewektsten 
ijver  de  geschriften  van  Luther  in  Zvntserland  te  versprei- 
den, en  Zwingli  in  een  belangrijk  schrijven  bij  de  aanvaar- 
ding van  zijn  predikambt  in  Zürich  geluk  te  wenschen  ^).  Zgne 
voornaamste  kracht  evenwel  lag  op  het  gebied  van  het  Hu- 
manisme. Erasmus  schatte  den  fijn  beschaafden  geleerde 
zeer  hoog.  Aan  hem  heeft  hij  zijne  schoono  «uitlegging  van 
den  eersten  Psalm  opgedragen,  met  de  woorden  in  lapidair- 
stijl: „Mitto  Beatum  Beato."  Deze  man  kon  aan  den  huis- 
genoot van  Erasmus  niet  vreemd  blijven.  Laski  nam  ook 
deel  aan  de  grondige  studiën  van  den  geleerde ,  en  zulk  eene 
vruchtbare  deelneming  vorderde  eene  nauwkeurige  en  liefde- 
rijke studie  van  de  Romeinsche  geschiedschrijvers.  Want 
Rh  en  anus  heeft,  gedurende  den  tijd  van  het  verblijf  van 
Laski  te  Bazel,  niet  onbelangrijke  critische  werken  over 
Tacitus,  Livius,  Plinius  den  oudei-en,  en  Veilejus  Paterculus 
uitg^even.  Ook  na  de  terugreis  naar  zijn  vaderland  bleef 
Laski  in  een  levendig  verkeer  des  geestes  met  den  humanist. 
De  aanzienlijke  Pool  werd  door  deze  mannen  als  een  soort 
van  Maecenas  beschouwd.  Rhenanus  doet  ergens,  in  eenen 
brief  aan  Laski,  met  nadruk  uitkomen,  dat  hij  den  verren 
vriend  niet  deswege  een  klein  geschrift  heeft  opgedragen ,  tcti 
einde  alzoo,  gelijk  het  bij  zoo  vele  humanisten  dier  dagen  op 
indringende  wijze  het  gebruik,  of  veeleer  het  erge,  stuitende 
wangebruik  was,  van  den  veel  vermogenden,  gegoeden  bescher- 
mer eene  gave  te  verkrijgen,  maar  in  dankbare  herinnering 
aan  de  weldaden ,  die  hij  van  hem  te  Bazel  genoten ,  en  aan 
de  hartelijke  liefde,  die  hij  hem  ten  allen  tijde  bewezen  had  '). 


1)  Zwingli,  \II,  57. 

2)  Gabbema,  pag.  10. 


De  andere  in  het  oog  vallende  gestalte  in  den  kring  der 
bekenden  van  onzen  Laski,  nl.  HeDri<m8  Glareanus,  keerde, 
op  evöB  besliste  wijze  als  Erasmus,  aan  de  Hervorraiog  bij 
hare  verdere  ontwikkeling  den  rug  toe.  Glareanus  was  een 
^n  beschaafd  humanist,  iti  den  beginne  evenneer  met  Zwingli, 
als  met  Erasmus  bevriend.  Dit  was  echter  reeds  wezenlijk 
anders  geworden,  toen  Laski  bij  Krasmus  zijnen  intrek 
nam.  De  reformatorische  beweging  was  hem  eene  pijnlijke 
Btoornis  in  zijn  aangenaam  studieleven.  Verdrietig  ontweek 
hij  haar,  en  alzoo,  gelijk  van  zelve  spreekt,  ook  hare  leiders, 
verbrak,  in  kwaden  luim,  de  oude  vriendschappelijke  Uetrek- 
kingen,  en  bewandelde,  hoe  langer  hoe  meer  van  de  anderen 
verwijderd,  haud  in  hand  met  Erasmus,  eenzame,  verbitterde 
wegen.  De  invloed  van  zulk  eene  persoonlijkheiil  moest  van 
zelf  hij  onzen  Laski  een  blijvend  spoor  achterlaten.  Voor  eene 
veelbelovende  toenadering  tot  de  Hervorming,  tot  welke  onze 
Pool  reeds  in  eene  niet  geringe  mate  de  opwekking  ontvangen 
had,  moest  zulk  een  omgan>:  eene  bepaalde  belemmering 
zijn  ;  de  groote  mannen  dor  Hurvonning  leerde  hij  niet  anders 
kennen,  dan  in  het  spiegelbeeld,  dat  hunne  gestalte  in  den 
gezichtskring  dezer  eenzijdige,  kleingeestige  humanisten  had 
aangenomen,  en  in  de  vergramde  stemming  van  de  zoo  heftig 
aangevallen  mannen  werd  dat  spiegelbeeld  bijkans  van  maaml 
tot  maand  doffer.  Do  getroffenen ,  ja  zwaar  gewonden  toonden 
aan  den  fijn  beschaaflen,  teergevoeligen  Pool  den  vaak  kwet- 
senden  prikkel  van  eene  ruwe  buitenzijde  in  den  verbitterden, 
meedoogenloozen  strijd.  Wij  behoeven  ons  dan  ook  niet  te 
verwonderen ,  dat  hera  de  lust  ontbrak ,  om ,  zonder  zich  door 
zulk  eene  onvriendelijke  buitenzijde  te  laten  afschrikken,  tot 
de  kern  van  den  aanv.al  door  te  dringen.  Met  zijne  gekrenkte 
vrienden  gevoelde  hij  zich  door  don  aard  van  den  strijd  terug- 
gestoüten,  en  bracht  dan  spoedig  den  opgevatten  tegenzin  op 
den  aanvaller  over.  Zijn  geheele  wezen,  versterkt  door  zijne 
positie  iu  de  vadeHandsche  Kerk,  moest  méér  behagen  vin- 
den in  het  uitzicht,  op  welks  verwezenlijking  deze  vrienden 
en  humanisten  toch  nog  bleven  hopen,  om  namelijk,  in  plaats 
van  openlijk  en  gewelddadig  met  de  Kerk  te  breken,  zich  te 


139 

begyeren,  haar  langs  vreedzamen  weg  te  zuiveren  van  de 
verkeerde  toestanden ,  die  ook  zij  niet  konden  loochenen.  Met 
Glareanus  schijnt  Laski  innig  vertrouwd  geweest  te  zijn. 
Ook  nadat  zij  reeds  jaren  lang  van  elkander  gescheiden  ge- 
weest zijn»  hondt  de  bedrijvige,  buitengewoon  vlijtige  huma- 
nist den  verwijderden ,  hooggeplaatsten  dienaar  der  Kerk  nog 
altoos  op  de  hoogte  betreffende  zijne  studiën ;  de  omstandige 
beschrijving  van  deze  laatsten  doet  zien,  hoe  veelzijdig  de 
studiëngang  van  onzen  vriend  te  Bazel  moet  geweest  zijn, 
en  hoe  hij^  ook  te  midden  van  de  vele  practische  bezigheden, 
die  zijne  hooge  bedieningen  hem  oplegden,  eenen  geopenden 
blik  en  eene  warme  belangstelling  ook  voor  ver  afgelegen 
domeinen  der  wetenschap  behouden  heeft  In  de  brieven  van 
z^nen  vriend  vindt  men  mededeelingen  over  de  rekenkunde 
bg  de  Ouden,  de  moeielijkste  vragen  betreffende  de  oude 
muziek  worden  toegelicht;  dan  weder  wordt  verslag  gegeven 
aangaande  z\jne  verzameling  van  aanteekeningen  op  Livius, 
studiën,  die  zelfs  nog  in  onzen  tijd  de  aandacht  van  eenen 
man  als  Niebuhr  tot  zich  getrokken  hebben,  en  die  Grla- 
reauus  gewis  aan  zijnen  vriend,  ook  nadat  zij  elkander  in 
geen  jaren  ontmoet  hadden,  niet  zou  hebben  medegedeeld , 
indien  h\j  niet  eene  hartelijke  belangstelling  bij  hem  bad  kun- 
nen onderstellen  '). 

Dooh  het  wordt  nu  eindelijk  ook  voor  ons  hoog  tijd,  om 
van  Bazel  afscheid  te  nemen,  en  den  schoenen  kring  der 
mannen  te  verlaten,  in  wier  midden  onze  Laski  zich  zoo 
l/yzonder  gelukkig  gevoeld ,  en  b\j  welke  zicii  ook  onze  schil- 
dering maar  al  te  lang  opgehouden  heeft  Spoediger  nog, 
dan  hy  zulks  verwacht  en  gehoopt  had,  moest  hij  de  hem 
lief  geworden  banden  losmaken,  eu  de  stad  verlaten,  in 
welke  hy  zich  in  eene  mate  tehuis  gevoeld  had ,  als  in  geene 
fmdere,  ook  niet  in  het  vaderland. 


1)  YergeL  Oabbema,  pag.  11  t.  Hersog,  V,  167. 


d)     De  teru 


Italië. 


Het  was  in  Septemljer  1525,  i!at  Hieronymus,  ile  veel- 
bereisde  kiiiiinklijke  gezant,  die  wederom  met  eene  diploiia- 
tieke  zeniting  belast  was,  zich  te  Bazel  bij  Erasmus  aan- 
meldde. Uit  het  vaderland  bracht  hij  voor  zijnen  broeder 
deo  stelligen  last  luede,  om  onTerwijM  Bazel  te  verlaten,  en 
zich  over  Itilië  met  kleine  dagreizen  huiswaarts  te  liegeven. 
De  verhoudingen  in  Polen  waren  ^oo  uiterst  gespannen  ge- 
worden, dat  zij  den  teragkeer  van  den  jeugdigen  en  begaaf- 
den proost  wensclielijk  maakten.  Gedurende  Laski's  afwe- 
zigheid had  men  strengere  maatregelen  genomen  tegen  het 
gif  der  Hervorming,  dat  zich  steeds  verder  verspreidde;  men 
achtte  het  dringend  noodzakelijk,  de  strijdkrachten  bijeen  te 
trekken ,  van  welke  men  hoopte  zich  in  den  aanstaanden 
strijd  te  kunnen  bedienen.  Ook  op  den  neef  van  den  Primaat 
en  den  vriend  van  Erasmus  werd,  als  op  een  bekwaam  kam- 
pioen der  bedreigde  Kerk,  gerekend.  Zijne  beide  broeders 
badden  reeds  openlijk  kleur  bekend;  het  was  de  beslist  ker- 
kelijke, aan  de  Hervorming  tegenovergestelde  kleur  van  het 
huis  Laski;  het  spvak  bijkans  van  zelf,  meende  inen,  dat 
de  jeugdige  kerkvorst  zich  aan  hunne  zijde  zou  scharen. 

De  koninklijke  gezant  bracht  aan  Erasmus  bet  heftige 
smaadschrift  over,  hetwelk  bisschop  Krzycki,  dien  wij  reeds, 
en  wel  van  ongunstige  zijde  hebben  leereu  kennen ,  tegen  Luther 
en  zijne  aanhangers  gericht  bad^).  Den  vriend  van  Ërasmua 
voor  znlk  eenon  ondergeschikten  dienst  te  bezigen ,  ten  einde 
dwrdoor  met  het  gevierde  hoofd  der  humanisten  in  persoon- 
lijke betrokking  te  komen ,  déArvoor  was  in  de  schatting  van 
den  laaghartigen  smader  de  neef  van  zijnen  gehaten  aarts- 
bisschop dan  toch  goed  genoeg!  Op  den  rijksdag  van  1523 
was  de  schrandere  en  in  het  schrijven  bij  uitstek  bedrevene 
bisschop,   zoowel  door   den   Koning,  als  ook  door  zijne  col- 

1)  Tot  myue  teleuretelling  heb  ik,  ook  in  de  rijke  bibliotheken  te  Pel«n- 
burg.  bet  genoemde  gesohrift  niet  kunnen  bernachtigen ,  zoodst  de  inhoud 
diartan  mij  iileohte  uit  uittreksels  eu  mededeelingen  iu  andere  werken  bekend 
ia  geworden. 


UI 

lega's  tot  het  veryaardigen  van  dit  geschrift  bewogen  gewor- 
den y  ofschoon  zij  daarbij  gewis  niet  bedoeld  hadden ,  dat  de 
inhoad   zich   door   zulk   eene   grofheid  zou  kenmerken.     Nu 
bekent  hij   aan  Erasmus  in  een  begeleidend  schrijven,  dat 
bij    de   samenstelling  ook  de  wensch  hem  geleid,  en  op  den 
vorm  niet  zonder  invloed  geweest  is,  om  nl.  de  verdenking, 
alsof  h\j  zelf  de  meeningen  van  Luther  heimelijk  huldigde, 
te    ontzenuwen  ^).     Gelijk   het  van   onedele   naturen ,   die  de 
waarheid  niet  liefhebben ,  te  verwachten  is ,  deed  hij  het  met 
de  diepste  verachting  van  zijne  tegenpartij.     Luther  schynt 
het  werk  niet  onder  de  oogen  gekregen  te  hebben ,  ten  minste 
in   zijne  geschriften   heb  ik  geen  enkele  plaats  ontdekt,  die 
daarop  betrekking  heeft.     Indien  hij  het  lasterlijke  boek  ge- 
zien  had,   dan  zou   hij   het  wellicht  ook  van  zich  geworpen 
hebben  met  het  woord:  ,,Teufel,  du  leugest!  Hanswurst ,  wie 
leogest  du!    O  Hans  Wolfenbüttel,  welch  ein  unverschampter 
Lugener  bist  du!     Speiest  viel  und   nennst  nichts,  lasterst 
und  heweisest  nichts"^).  E  ras  mus  heeft  zich  aan  eene  critiek 
van  het  geschrift  niet  gewaagd;  het  was  hem  dan  toch  wel- 
licht  al  te  kras  3).     Hij  beantwoordde  het  geschenk  met  de 
toezending  van  een  werk  van  den  bisschop  van  Londen,  T on- 
stal 1,  die  insgelijks  met  heftigheid  tegen  de  Hervorming  was 
opgetreden. 

Bezwaarlgk  heeft  de  Poolsche  vriend  en  contubemaal  nog 
den  tijd  gevonden,  om  dit  smaadschrift  uit  het  vaderland 
aandachtig  te  doorlezen.  Zijn  vertrek  was  ophanden.  Het  plan 
was ,  om  over  de  Alpen  naar  Boven-Italië  te  reizen ,  zich  een 
tijdlang  te  Padua  en  te  Venetië  op  te  houden,  en  aldaar 
nadere  voorschriften  af  te  wachten,  wanneer,  en  langs  welken 
weg  h\j  moest  terugkeeren.  Als  eenen  geliefden  zoon  voor- 
ziet Erasmus  zijnen  vriend  met  aanbevelingsbrieven  aan  de 
aanzienlijkste  humanisten,  in  de  steden,  in  welke  Laski 
voornemens  was  zich  op  te  houden.  En  mét  welke  harte- 
lijke woorden  beval  hij  hem  aan  mannen  als  Egnatius,  Lup- 


1)  YergeL  ,,TomioiaQA",  YII,  344. 

2)  Lather,  XXYI,  6. 

3)  £rasmii8,  pag.  783. 


14^ 


setus  en  Casimbrotus  aan,  hij,  de  meest  gevierde  huma- 
nist! ') 

Den  Ö^en  October  1525  rertrok  Laaki  uit  Bazel  ^).  Hij 
werd  op  zijne  reis  vergezeld  door  Karel  Ütenhove,  een 
begaafd  jong  man  uit  Gent,  die  als  een  soort  van  amanu- 
ensis bij  Erasraus  woonde,  dikwijls  door  dezen,  inzonder- 
heid tot  het  overbrengen  van  belangrijke  brieven,  gebruikt 
werd,  en  nu  ook  weder  met  eene  zending  naar  Rome 
belast  was.  Over  zijn  Latijn  had  de  meester  ongetwijfeld  te 
klagen;  van  de  classieko  taal  bediende  de  Gentenaar  zich 
niet  met  eene  gelijke  gemakkelijkheid  en  vlugheid,  als  de 
jonge  vriend  uit  Polen;  maar  Erasmus  verheugde  zich  in  de 
getrouwe  toewijding  van  den  Vlaminger,  en  bij  het  klimmen 
van  zijne  jaren  strekte  diens  bijzijn  hem  tot  troost'}.  One 
boeit  in  dezen  reisgenoot  vooral ,  dat  waarschijnlijk  bij  deze 
reis  naar  Rome  de  banden  met  de  familie  werden  aange- 
knoopt, die,  na  tientallen  van  jaren,  Karels  broeder,  Jo- 
hannes,  zoo  innig  en  oprecht  aan  Laski  gehecht  deden 
zijn.  Ook  Kaï-el  was  hem  als  tochtgenoot  lief  geworden;  met 
betrekking  tot  hem  berichtte  hij  aan  zijnen  Amerbach,  dat 
hij  zich  geen  getrouwer  gids ,  noch  ook  een  aangenamer  reis- 
gezel zon  hebben  kunnen  wenschen. 

De  eerste  brief  van  de  reis,  welke  ons  is  bew&ard  geble- 
ven, is  uit  Venetië  geschreven,  den  26*'*''  November  1525, 
en  vol  heimwee  naar  de  vrienden  te  Bazel  *).  Of  de  reizigers 
zich  zoo  lang  onderweg  hebben  opgehouden,  of  wellicht  een 


1}  Ibid..  p^.  719. 

2)  EraamUï  beschrijft  de  afreize  met  de  krachtige  woorden:  „moltoa  bon 
et  inter  hoa  Brasaiuin  uccidit,  tautura  aui  de«ïderium  reliquit  abieai, 
quibiiBCunquF  habuit  conauetudiDeiu"  (784). 

3)  Hermiajard.  XI,  183. 

4)  „Plaoe  TÏdeo,  Amerbachie  clariatiinie ,  «erum  etae  camitmi  volup 
moerorem .  qui  cum  incredibilem  aemper  ei 
capere  et  roluptatem  ut  frootum,  niiac  taol* 
litteri»  modo  «d  nee  Terbia  quidem  «tplicere 
amïcorum  amïcïasime  et  me  ot  coepisti  ama 
mendcs,  Olareano  uunc  profecto  acribere  nou  nsiraTlt.  Kaal 
ao  etiam  Pellieanimi  meum  ei  me  cupio  diligenter  >alut«ri." 


B  deeiderio  t< 


t  Erasmo  i 


. .  Jamque  vale 
o  snbïnde  com- 
taum  et  Beatum 


143 


irerblijf  yan  meerdere  weken  te  Padua  reeds  is  voorafgegaan , 
is   niet   met  zekerheid   nit  te  maken.    Voorshands  ziet  onze 
vriend   zich   genoodzaakt,   om  gedurende  langeren  tijd  in  de 
dogenstad   te   vertoeven ;   hij  heeft  eenen  bode  naar  Erakau 
gezonden,   wiens   terugkeer  hij   moet  afwachten.     Omstreeks 
dezen  tijd   echter  gevoelt  hij  eene  sterke  begeerte,  om  zich 
naar  Spanje   te    begeven.     Te  Madrid,  in  een  klein  vertrek 
Tan   één  der  vestingtorens,  met  het  troosteloos  uitzicht  over 
de  kale   oevers  der  Manzanares  ^),  verkwijnde  in  smadelijke 
gevangenschap   Frans  I,   wiens   trotsche  intocht  te  Bologna 
als  overwinnaar  van  Marignano  de  gebroeders  La  ski  mede 
aanschouwd  hadden,    zonder  destijds  te  vermoeden,  dat  één 
van   hen   de  getrouwe  metgezel  des  Eonings  in  zijne  gevan- 
genschap  zijn   zou.     Sedert  Hieronymus   zijne  beide  broe- 
ders op  zijne  gezantschapsreis  had  medegenomen  (1523)  ,  was 
Stanislans    aan  het   Fransche   koningshof  achtergebleven; 
Frans  I   had   in    den   jongen,    fijn   beschaafden   Pool,   die 
zoo     welbespraakt    was,     en     daarbij     in     alle     ridderlijke 
kunsten  uitmuntte,   behagen   gevonden,    en  hem  eene  plaats 
vergund  in  zijne  naaste  omgeving.  Stanislaus  week  voortaan 
niet  meer  van  des  Konings  zijde.  Hij  vergezelde  hem  op  zijnen 
tocht  naar  Italië,  en  bracht  met  hem  den  winter  van  1524 
in  LombardiJQ  door  ^),  doch  onderging  dan  ook  met  hem  den 
smaad  van  Pavia.     Laski  behoorde  tot  de  gevangenen;  als 
Pool  erlangde  hij,  wel  is  waar,  de  vrijheid,  maar  uit  eigene 
beweging  bleef  hij  in  de  omgeving  van  den  koninklijken  ge- 
vangene.    In   de  eerste  plaats  spoedde  hij  zich  naar  Parijs, 
om    de  treurige  tijding  over  te  brengen;  van  daar  reisde  hij 
naar   Madrid,  waarheen   men  den  Koning  gevoerd  had.     In 
de    sombere  winterdagen  werd  de  Koning,  zonder  eenig  uit- 
zicht op  bevrijding,  in  den  eenzamen  toren  gevangen  gehou- 
den.   Johannes  wilde  zijnen  edelmoedigen  broeder  bezoeken- 
waarschijnlijk  echter  kreeg  hij  in  die  dagen  het  bericht  van 


1)  Michelet,  YIII,  251. 

2}  Miohelet  (VIII,  228)  haalt  de  plaats  yan  Guiccardim  aan:  „Le  roi 
■'amoaait,  donnant  tont  au  plaisir,  rien  aux  affaires.  Un  hWer  d' Italië, 
passé  atnsi,  Ini  semblait  assei  doux." 


zijne  afteis.  Margareta  van  Valois  had  zich  in  Septem- 
ber ten  spoedigste  tot  haren  Ujdenclen,  zoo  innig  geliefden 
broeder  begeven.  De  reis  was  ontegenzeggelijk  een  waag- 
stuk, hetwelk  inlnsschen  de  zelfverloochenende  zusterliefde 
der  koninklijke  „mignonne"  geen  oogenblik  aarzelde  te  on- 
dernemen. Hare  tegenwoordigheid  wekte  bij  den  wegkwij- 
nenden broeder  de  levensgeesten  weder  op.  Toen  zij  een 
paar  weken  Later  naar  Frankrijk  terugkeerde ,  nam  zij  den 
trouwen  Pool  ais  reisgezel  met  zich  ').  Den  Poolschen  ge- 
zant te  Toledo,  den  beroemden  Johannes  Dantiscus,  was 
de  afreis  van  zijnen  invloedrijken  landgenoot  zeer  ongelegen 
gekomen;  hij  had  gehoopt,  door  zijne  tusschenkomst  aan  den 
Keizer  brieven  te  kunnen  doen  geworden,  als  deze  de  eerste 
samenkomst  met  zijnen  koninklijken  gevangene  hield,  by  welice 
een  gezant  geen  toegang  had. 

De  eene  week  na  de  andere  zng  onze  Laski  te  Venetië 
verstrijken,  zonder  dat  de  uitgezonden  bode  terugkeerde; 
nog  itt  Januari  van  het  volgende  jaar  was  deze  niet  te  Krakau 
aangekomen.  Laski  beklaagde  hem  als  één,  die  op  de  reis 
was  vermoord  geworden .  iets ,  dat  in  die  onrustige  dagen , 
toen  het  op  alle  heirbanen  onveilig  was ,  maar  al  te  dikwijls 
plaats  vond.  Een  winter  te  Venetië  doorgebracht  was  ook 
reeds  te  dier  tijde  een  genot,  dat  men  ook  met  de  onzeker- 
heid aangaande  hetgeen  men  in  de  naaste  toekomst  beginnen 
moest  niet  te  duur  betaald  achtte.  De  meeste  a.inzienlijke 
Polen  namen  in  die  dagen  hunnen  intrek  in  het  „Fondaco 
de  Tedesclii,"  het  schoone  gebouw,  dat,  ten  oosten  van  de 
Rialto-hrug  aan  het  Groote  kanaal  gelegen,  nog  heden  ten 
dage  den  blik  gekluisterd  houdt.  De  levendige  kunstzin  van 
de  rijke  Duilsche  kooplieden  had  geene  kosten  ontzien,  om  han 
eigendom  op  eene  wijze  te  verfraaien,  die  aan  de  toenmalige 
koningin  der  zeeën  niet  geheel  onwaardig  was,  en  Venetië 
huisvestte  in  die  dagen,  gelijk  wellicht  nauwelijks  ander- 
maal in  vroegere  of  in  latere  tijden,  eene  menigte  van  kun- 
stenaars ,  gereed  om  op  ieder  gebied  aan  zulk  een  streven  de 


l)  „TomiciaoB,"  'VIII, 


145 


schoonste  en  Tolkomenste  nitdrakking  te  ?erleenen.  Titiaan 
en  Giorgone  wedijverden  met  elkander,  om  de  beste  ?oort- 
brengselen  hnnner  knnst  in  het  koophois  der  Daitschers  te 
doen  bewonderen.  De  schilderingen,  met  welke  Giorgone 
het  gebouw  aan  de  zijde  van  het  kanaal  zoo  kunstig  ver- 
sierd had,  waren  nog  nieuw,  en  Titiaan,  wiens  genius 
juist  te  dier  tijde  zijne  hoogste  vlucht  begon  te  nemen, 
had  dien  arbeid  voortgezet  Wat  moet  dat  destijds  voor 
een  gondeltocht  geweest  zijn,  langs  het  „Ganale  grande,*' 
waar  al  deze  heerlijke  zaken,  eerst  kort  te  voren  ontstaan , 
in  eene  actualiteit  vol  leven  den  aanschouwer  begroetten, 
en  niet  gelijk  heden  ten  dage,  als  overblijfselen  eener  onder- 
gegane wereld,  vreemd  en  weemoedig  in  eene  zoo  geheel 
andere  omgeving  prijken.  Of  onze  Laski  met  Titiaan  nadere 
betrekkingen  heeft  aangeknoopt,  gelijk  hij  Holbein  te  Bazel 
bij  zijnen  vriend  Amerbach  heeft  leeren  kennen,  dienaan- 
gaande bezitten  wij  geen  enkel  bericht;  bijkans  zouden  wij 
geneigd  zijn,  om  het  te  betwijfelen.  Juist  omstreeks  dien 
tijd  kwam  Titiaan  in  kennis  met  dien  veraohtclijken  Are- 
tino,  en  zoo  lang  deze  omgang  duurde,  kon  Laski,  die 
zich  door  strengheid  van  zeden  onderscheidde,  geene  aan- 
knoopingspunten  bij  hem  vinden. 

Ongetwijfeld  hebben  wij  onzen  vriend  hoofdzakelijk  te  zoe- 
ken in  den  kring  der  hooggeachte  humanisten,  bij  welke  hij 
door  de  hartelijke  aanbeveling  van  Er  as  mus  zich  den  toe- 
gang verleend  zag.  Erasmus  betuigt  later  schriftelijk  zijnen 
dank,  zoowel  aan  Gasimbrotus,  als  ook  aan  den  beroem- 
den Egnatius,  voor  de  hartelijke  ontvangst,  die  deze  beide 
mannen  aan  zijnen  Poolschen  vriend  verleend  hebben.  ^)  De 
huisvriend  der  Froben's  en  der  Amerbach's  zal  gewis  te 
Venetië  in  het  huis  van  den  niet  minder  hoog  geachten  boek- 
drukker Aldus  gemeenzaam  verkeerd  hebben.  De  aanzien- 
lijkste huizen  stonden  voor  den  jongen  Pool  open.  De  Doge, 
bij  ¥den  de  oom,  vóór  meer  dan  een  tiental  jaren,  zich  van 


1)  YarfsL  Brttmni,  p.  IIOS.  1107. 

DALTOV.  10 


den  koninklijken  last  gekweten  had,  was  evenwel  niet  meer 
in  leïeo.  Ook  Kijn  opvolger,  de  bijkans  negentigjarige  Gri- 
mani,  wiens  vaste,  karakteristieke  trekken  wij  in  de  on- 
sterfelijke afbeeldingen  van  Titiaan,  tintelend  van  leven,  ons 
voor  oogen  gesteld  zien,  was  reeda  gestorven,  en  de  trotsche 
tiara  droeg  nu  Andreas  Gritti.  Deze  had,  in  vroegere 
jaren,  als  gevangene  in  Konstantinopel  gesmacht;  hij  bad  in 
het  wisselvallige  geluk  van  Frans  I  in  Italië  gedeeld,  en  was 
nochtans  sluw  en  behendig  genoeg,  om  zijn  Venetiaanache 
leger  van  den  slag  van  Pavia  verwijderd  te  houden.  Moeïe- 
lijke  dagen  waren  voor  Venetië's  macht  aangebroken;  ginds 
in  hot  Oosten  verliief  de  Sultan  op  onrustwekkende  wijze  zijn 
zegevierend  hoofd,  voor  beide  mogendheden  even  gevaarlijk, 
zoowel  voor  Polen ,  dat  oniniddellijk  aan  Turkije  grensde ,  als 
ook  voor  Venetië,  de  kouingin  der  Middellandsche  zee.  Te 
midden  van  het  gemeenschappelijk  gevaar  voor  beide  volken 
zai  de  tegenwoordigheid  van  den  neef  van  den  PooUchen 
primaat  te  Venetië  niet  onopgemerkt  gebleven  zijn,  al  bezit- 
ten «ij  ook  geen  genoegzaraen  grond  om  aan  te  nemen,  dat 
Laski  met  den  Doge  in  aanraking  gekomen  is. 

Reeds  naderde  de  maand  Februaii,  en  nog  steeds  was  de 
bode  uit  Krakan  niet  aangekomen,  noch  ook  eenig  bericht 
van  daar  met  nieuwe  voorschriften  ontvangen.  Vóór  Pinkste- 
ren verwachtte  Laski  stellig  eene  beslissing;  weUicht,  dat 
deze  zóó  uitvalt,  gelijk  hij  aan  zijnen  vriend  in  Bazel  meldt, 
dat  bij ,  vóór  zijn  huiswaarts  keeren ,  nog  eenmaal  Zwitser- 
land en  Frankrijk  bezoeken  zal.  Die  vertraging  was  hem 
pijnlijk.  Hij  had  van  Amerbach  voor  zijne  reis  geld  opge- 
nomen, en  was  door  het  uitblijven  van  den  bode  niet  in  staat, 
om  de  schuld  binnen  den  vastgestelden  termijn  af  te  lossen, 
In  Maart  eindelijk  ontving  hij  bet  lang  verwachte  bericht 
uit  het  vaderland ,  en  spoedig  daarop  werd  de  terugreis  aan- 
vaard. Reeds  den  8»*^°  April  kan  hij  zijne  aankomst  te  Posen 
melden.  Hier,  in  deze  bloeiende  handetstad,  heeft  hij  ook 
weldra  kooplieden  gevonden,  die  zich  naar  Bazel  begeven,  en 
die  bereid  zijn,  om  een  deel  van  de  gemaakte  schuld  aldaar 
af  t«  betalen.    Ook  kostbare  geschenken  nemen  zij  voor  de 


147 


Trienden  in  Bazel  mede:  twee  sabehellen,  en  twee  bundels 
hermelijnsvellen. 

Slechts  weinige  dagen  vertoefde  Laski  te  Posen,  en  spoedde 
zich  daarop  verder  naar  Erakau,  alwaar  hij,  na  eene  afwe< 
zigheid  van  twee  en  een  half  jaar,  omstreeks  het  midden  ?an 
April  aankwam. 


10* 


Het  laatste  tiental  jaren  als  Katholiek 

in  het  Taderland. 


a)    Moeielijko  ervaringen  te  huis 


Het  koatte  onzen  Laski  thans  vrij  wat  meer  moeite,  dan 
tien  jaren  te  voren,  om  zich  aan  de  oude  toestanden  in  bet 
vaderland  te  gewennen.  Ook  in  die  dagen,  in  welke  Polen 
zich  gereed  maakte,  om  het  toppunt  zijner  geachieilenis  en 
van  zijnen  bloei  te  beklimmen,  viel  het  zelfs  aan  een  lands- 
kind, dat  gedurende  een  paar  jaren  <le  andere  lucht  in  de 
hoofdzetels  der  humaniteitsstudiën  had  ingeademd,  in  't  eerst 
niet  licht,  om  zich  in  het  vaderland  weder  te  huia  en  op 
zijn  gemak  te  gevoelen,  Het  was  zulk  een  heerlijke  tijd,  dien 
onze  vriend  in  den  vreemde  had  doorgebracht,  vol  van  de 
belangrijkste  opwekking,  in  een  onvergetelijk  samenleven  met 
de  uitstekendste  mannen,  geheel  aan  het  genot  der  studiën 
overgegeven,  en,  overeenkomstig  de  neiging  van  zijn  hart, 
in  (te  aangename  rust  van  een  vrij  en  onbelemmerd  leven. 
De  scboone  levensdraad  wrs  als  door  eene  onvriendelijke  hand 
doorgesneden,  en  Laski  zag  zich  weder  verplaatst  in  de 
oude  toestanden,  die  hij  vóór  bijna  drie  jaren  ontvloden  was, 
en   die  zich  in  den  tusscbentijd  bijna  niet  gewijzigd  hadden. 

In  't  eerst  was  zijn  blik  voortdurend  achterwaarts  gericht , 
om  althans  in  den  geest  met  de  vrienden  te  blijven  verkeeren. 
Eene  levendige  briefwisseling  werd  onderhouden;  slechts  losse 
fragmenten  zijn  ons  door  eene  gunstige  beschikking  bewaard 
gebleven,  echter  meer  brieven,  aan  Laski  gericht,  dan  wel 
van  zijne  hand.    Eene  gelukkige  vondst,  wat  laatstgenoemden 


149 


betreft,  die  de  karige  proeTen,  in  de  complete  uitgHTe  nun 
's  mmns  werken  Toorkomende^)»  op  verblijdende  wgie  Mn* 
Tullen,  doet  ons  bopen,  dat  wellicbt  nog  hier  of  daar«  in 
oade  Yerzamelingen  Tan  geschriften ,  bricTen  Terborgen  xyn» 
die  mogelijk  Toor  een  later,  Toorspoediger  ondenoeker  tot 
eene  aangename  belooning  zullen  tijn  voor  dikwijls  zoo  mooie* 
lijke,  Tergeefsche  nasporingen.  Ook  uit  de  brieven  dervrien* 
den  Iaat  zich  opmaken ,  welke  de  inhoud  van  de  briovon  van 
Laski  naar  alle  waarschijnlijkheid  geweest  is.  De  oude  studie* 
makkers  laten  hem  deelnemen  aan  de  voortzetting  van  hunne 
wetenschappelijke  werkzaamheden;  ook  de  schijnbaar  verst 
verwijderde  gangen  hunner  onderzoekingen  houden  zij  niet 
voor  te  afgelegen^  om  door  nauwkeurige  mededeelingon  Laski 
uit  te  noodigen,  hen  te  vergezellen.  Nu  eens  draagt  oou 
studievriend  hem  een  werk  op  over  de  aardrijkskunde,  dan 
weder  wordt  hij  door  een  ander  op  de  hoogte  gehouden  aan- 
gaande zijne  uitgave  van  eenen  ouden  classieken  schrijver, 
of  ontvangt  hij  gevraagde  mededeelingen  over  de  muziek  b\j 
de  Ouden;  kortom,  wij  zien,  hoe  de  levendige  drang  naar 
kennis,  die  zijnen  meester,  E  rasmus,  bezielt,  ook  op  onzen 
Laski  is  overgegaan,  die  zich  met  geestdrift  zijnen  leerling 
noemt  Korter  en  schraler  zijn  de  mededeelingen  over  de 
groote  vraagstukken  van  den  dag,  die  de  wereld  in  beweging 
brengen.  Bijkans  slechts  voor  zoover  do  hooggaande  golven 
tot  in  het  studeervertrek  van  den  geleerde  doordringen,  ont- 
vangt de  neef  van  den  primaat  van  Polen  dienaangaande 
bericht,  meestal  in  eene  verdrietige  stemming  geschreven» 
immers  inzonderheid  van  de  zoodanigen,  die  zich  door  den 
geweldigen  gang  der  gebeurtenissen  in  het  nauw  gebracht, 
voelen,  en  die  nog  slechts  eenen  rustigen  hoek  op  aarde 
begeeren,  waar  zij  zich  van  de  wereld  kunnen  afzonderen, 
en  over  den  met  hunne  verwachtingen  zoo  geheel  strijdigen 
loop  der  dingen  kunnen  pruilen. 


1)  Kq  jper  (II,  547.  548)  heeft  ilechto  2  briereo  yaa  Leeki  voor  eeoe  tyd* 
mtmte  Tan  14  jaren,  atrikt  genonien  voor  de  eerate  40  Jaren  sijna  lerena. 
Ona  atondcp  nog  14  andere  brieten  van  den  Herrormer  ter  beacbikking. 


Het  bloot  schriftelijke  verkeer  bood  onzen  vriend ,  die  zich 
zoo  verlaten  gevoelde,  geenszins  eene  geuoegzame  vergoeding 
voor  het  rijke  genot  van  een  persoonlijk  samenleven,  Als  hij 
bericht  ontvangt  van  eene  bedenkelijke  krankheid  van  Eras- 
mus, zou  hij  'tliefst  alles  in  den  steek  laten,  en  zich  naar 
den  hoog  vereerden  meester  spoeden,  ten  einde  de  laatste 
uren  van  zijn  aardsche  leven  met  hem  door  te  brengen.  Maar 
de  plichten  van  zijn  ambt  houden  hem  na  met  onlosmake- 
lijke handen  in  het  vaderland  terug.  Daarom  tracht  hij  ile 
vrienden  te  bewegen,  om  zich  naar  Polen  te  begeven.  Het 
scheeMe  niet  veel,  of  zijn  liefste  studiemakker,  Amerbach, 
zou  zich  door  hem  tot  zulk  eene  verandering  van  woonplaats 
hebben  laten  overhalen.  Een  brief  van  den  laatstgenoemden 
aan  Zasius,  uit  het  jaar  1526,  is  nog  bewaard  gebleven  i), 
in  welken  de  Bazelsche  rechtsgeleerde  bericht,  dat  hij  een 
paar  dagen  te  voren  (de  brief  is  des  Dinsdags  vóór  Bartholo- 
meus  gesuhreven)  door  Johannea  a  Lasco  op  de  schitte- 
rendste voorwaarden  was  uitgenoodigd  geworden,  om  naar 
Polen  over  te  komen.  Hij  was  niet  ongeneigd,  om  de  zeer 
aanlokkelijke  uitnoodiging  op  te  volgen ;  aan  het  eind  besloot 
hij  evenwel  te  Bazel  te  blijven,  daar  hij  de  zijnen  uiet  wilde 
verlaten,  en  weerhouden  werd  door  zijn  levendig  gevoel  van 
gehechtheid  aan  het  vaderland,  dat  ons,  gelijk  hij  zich  zoo 
schoon  uitdrukt,  den  rook  van  het  vaderlijk  huis  heerlijker 
doet  voorkomen,  dan  het  vreemde  vuur  („dein  quod  ita  nobia 
natura  iusitum  est,  ut  fumum  patrium  igni  alieno  luculen- 
tiorem  credamua"),  Over  het  geheel  openbaarde  zich  in  die 
dagen  in  Polen  de  wensch ,  om  aan  mannen  van  beteekenis 
eene  vrijplaata  aan  te  bieden ,  inzonderheid  aan  zulke  ge- 
leerden, die,  met  den  woeligen  loop  der  gebeurtenissen  niet 
voldaan,  eeue  rustige  toevlucht  begeerden,  Krzycki  uoodigde 
Erasmus  in  warme  bewoordingen,  om  uit  de  onrust  daar- 
buiten naar  het  rustige  Polen  te  vluchten,  waar  Idj  ongehinderd 
voor  zijne  studiën  leven ,  ea  ongestoord  de  boege  achting  en 
bewondering  gemeten  kon ,  die  door  den  Poolschen  adel  aan 


I)  Stil 


151 


dezen  koning  der  wetenschappen  onbekrompen  werd  toegewijd. 
Maar  Erasmus,  en  dat  wel  te  recht,  beschouwde  ook  Polen 
reeds  niet  meer  als  zulk  een  veel  geprezen  toevluchtsoord  ^). 

Doch  onze  La  ski  was  niet  in  het  vaderland  teruggeroepen 
geworden,  om  in  het  schriftelijk  verkeer  met  zijne  vrienden 
in  het  buitenland  een  aangenaam  en  rustig  leven  te  leiden. 
De  neef  van  den  aartsbisschop  van  Gnesen  bekleedde  zelf 
reeds  eenen  te  hoogen  rang,  dan  dat  het  vaderland  in  de 
dreigende  verwikkelingen  niet  ook  op  hem  zou  gerekend  heb- 
ben. Naar  de  meening  van  Erasmus  had  de  Kerk  juist  zulke 
mannen  noodig,  gelijk  hij  er  éénen  gevonden  had  in  dezen 
zijnen  jeugdigen  vriend,  die  zich  door  zulke  schitterende 
gaven  onderscheidde.  Hij  schrijft  aan  den  bisschop  vanPlozk, 
dat  in  den  tegenwoordigen  tijd  niets  méér  voordeel  aanbrengt 
aan  de  Kerk^  dan  mannen  ^  die  zich  tot  hun  leedwezen  ge- 
roepen zien,  om  de  liefelijke  studiën  der  wijsbegeerte  vaar- 
wel te  zeggen ,  ten  einde  met  hunnen  raad  het  vaderland  van 
dienst  te  zijn  ^),  Deze  raad ,  voor  zoover  hij  voornamelijk  op 
Laski  doelde,  was  echter  mistrouwd  geworden,  en  onze 
vriend  had  zich  allereerst  van  den  argwaan  te  zuiveren,  die 
donkere  schaduwen  op  hem  geworpen  had.  Als  de  deken  van 
Gnesen  zóó  lang  in  het  buitenland  vertoefde,  en  inzonderheid 
te  Bazel,  van  waar  zoo  menig  kwaad  gerucht  tot  Krakau 
was  doorgedrongen ,  waaruit  viel  op  te  maken ,  dat  ook  d&dr 
reeds  de  snoode  dwaalleer  steeds  dieper  wortel  schoot,  en 
als  te  huis  zelfs  het  bericht  ontvangen  werd ,  dat  deze  priester 
der  vaderlandsche  Kerk  aan  Zwingli  te  Zürich  een  bezoek 
gebracht  had,  wiens  naam  intusschen  niet  zóó  bekend, 
en  daarom  ook  niet  zóó  gehaat  was,  als  die  van  Luther: 
toen  was  weldra,  voornamelijk  in  de  kringen,  die  op  den 
Aartsbisschop  verstoord  ,  en  vijandig  jegens  hem  gezind  waren , 
het  gerucht  ijverig  in  de  weer ,  om  den  neef  van  den  Primaat 


1)  Erasmus,  pag.  1127. 

2)  Era  sinus,  pag.  1127:  „Orbi  christiano  nalli  sant  magis  utiles  quam 
qai  reluctantm  a  Philosopliiae  duloissimis  stadiis  ad  patriae  consulendum 
iwocantar.*' 


tot  eenen  ketter  te  stempelen,  en  aangaanrie  hem  te  beweren, 
Hat  hij,  gelijk  reeds  zoo  menig  priester,  zich  in  het  huwelijk 
begeven  had.  Indien  hij  slechts  de  honderde  voorbeelden  in  de 
vadertandBohe  Kerk  gevolgd ,  en  zich  met  eene  vrouw  ver- 
bonden had ,  enkel  om  zijne  lusten  te  voldoen ,  dan  zou  de 
beschuldiging  niet  zóó  bezwarend  geweest  zijn ;  maar  om  met 
eene  echtgenoote,  in  eene  eerlijke,  Gode  welgevallige  verbin- 
tenis, leed  en  vreugd  levenslang  te  willen  deelen,  dat  be- 
echouwden  de  farizeërs  dier  dagen  als  een  doemwaardig  mis- 
drijf! Voor  den  bejaarden  Aartshisschop  zou  het  de  bitterste 
lijdenskelk  geweest  zijn,  als  hij  zijn  eigen  gelief  koosden  neef . 
van  wien  bij  jaren  achtei'een  gehoopt  en  gemeend  had ,  dat 
hij  zijn  toekomstige  opvolger  zijn  zou ,  in  de  rijen  der  afval- 
ligen had  moeten  aantreffen,  die  zich  van  de  moederkerk 
hadden  losgemaakt  Van  hem  ging  vermoedelijk  de  drin- 
gende aansporing  uit,  om  Bazet,  dat  in  eeaen  kwaden  reuk 
stond,  onverwijld  te  verlaten;  aangaande  Italië  had  de  Pool- 
sche  primaat  nog  niet  vernomen,  dat  zich  ook  reeds  dMr 
reformatorische  bewegingen  vertoond  hadden.  Daarom  moest 
de  terugreis  niet  over  Augsburg,  Leipzig  en  Wittenberg  naar 
Posen  volbracht  worden ,  maar  liever  langs  eenen  omweg  over 
de  Alpen  en  Italië,  en  wel  langzaam,  en  met  een  langduriger 
verblyf  te  Venetië,  opdat  eventueele  bedenkelijke  beschuldigin- 
gen door  de  nabijheid  van  Rome  zouden  ontzenuwd  worden. 
Toen  onze  Laski  eindelijk  in  het  vaderland  teruggekeerd 
was ,  kon  hij  zijnen  oom  vrijmoedig  en  zonder  eenige  terughou- 
ding onder  de  oogen  treden.  Een  huwelijk  had  hij  in  den 
vreemde  niet  aangegaan,  gelijk  waarschijnlijk  zijne  benijders 
hadden  uitgestrooid,  en  anders  dan  in  het  echtverbond,  he- 
geerde hij,  de  man  van  reine  en  strenge  zeden,  geenen  om- 
gang met  de  vrouw.  Maar  ook  wat  de  andere  beschuldiging 
betreft  gevoelde  hij  zich  onhozwaard.  Merle  d'Aubigné 
meent  den  zuiveringseed  van  den  jongen  Laski  te  moeten  be- 
schouwen als  eenen  afval  van  de  hoogte,  die  hij  in  den  om- 
gang  met   de   vrienden   in   Bazel  reeds  bereikt  had  ').     Een 


I)  Mei 


ubigDé,  Tn,  b72:  „ToatsFoie  ce  u 


it  prèté  par  de  Lisco 


153 


zoo  scherp  oordeel  kunnen  wij  op  geenerlei  wijze  vellen.  Bïj 
zijnen  terugkeer  in  het  vaderland  onderscheidde  zich  onze 
Laski,  wat  zijne  beschouwing  over  de  Hervorming  aangaat, 
nog  hoegenaamd  niet  van  zijnen  leermeester  Erasmus.  Met 
hem  was  hij  van  de  noodzakelijkheid  eener  hervorming  der 
Kerk  in  hoofd  en  leden  doordrongen;  zoowel  in  het  vader- 
land ,  als  op  zijne  vele  reizen ,  die  hem  ook  met  de  hoogste 
kerkelijke  persoonlijkheden  in  aanraking  gebracht  hadden, 
was  hij  ruimschoots  in  de  gelegenheid  geweest ,  om  de  diepe 
en  zware  wonden  op  te  merken,  aan  welke  de  Kerk  leed. 
Evenals  Erasmus  was  ook  hij  overtuigd ,  dat  de  grootste 
schade  door  de  dienaren  der  Kerk  zelve  aan  haar  werd  toe- 
gebracht, en  dat  de  heftigste  klacht  over  hen  en  hun  on- 
geestelijk leven  maar  al  te  rechtmatig  was.  Maar  met  zijnen 
leermeester  koesterde  hij  dan  ook  de  hoop,  dat  deze  nood- 
zakelijke hervorming  der  Kerk  kon  plaats  hebben  zonder  de 
scheuring,  die  hij  tot  zijn  diepste  leedwezen  van  dag  tot  dag 
grooter  zag  worden.  Met  al  de  innigheid  en  oprechtheid  van 
zijn  gemoed  was  La  ski  aan  zijne  moederkerk  gehecht,  bui- 
ten welke  hij  zich  geen  heil  kon  denken.  Voor  hem,  den 
Pool ,  die  in  de  kerkelijk-staatkundige  denkbeelden  van  zijnen 
oom  en  van  het  hof,  gelijk  van  geheel  de  geestelijkheid  zijns 
vaderlands  tot  man  was  opgegroeid,  was  elk  breken  met  de 
Kerk  een  breken  met  het  vaderland :  tot  zulk  een  stap  zou 
zijn  hart,  dat  voor  Kerk  en  Vaderland  gloeide,  destijds  on- 
mogelijk in  staat  geweest  zijn.  Dat  Christus  ook  zulk  een  zwaar 
offer  van  zijnen  jonger  kan  eischen,  kwam  niet  bij  hem  op; 
daartoe  was  hem  tot  dusverre  de  evangelische  geest,  die  de 
Hervormers  bezielde ,  persoonlijk  nog  te  zeer  vreemd  gebleven. 
In  het  buitenland  bewoog  hij  zich  allereerst  als  Pool,  die 
niets  gemeen  heeft  met  hetgeen  enkelen  in  de  omstandigheden 
des  vaderlands  bewoog,  om  steeds  verder  te  gaan  op  den 
weg,  die  tot  de  afscheiding  voerde.  De  aanraking  met  Zwingli 
kan  slechts  eene  zeer  vluchtige  geweest  zijn,  langdurig  ge* 


fat  ainsi  que  sa  mondaoité  ane  yéritable  chüte!"  Het  zou  den  hoogrereerden 
yerhaler  yan  de  Befonnatie  moeielijk  geyallen  zijn ,  ook  yoor  de  laatstgenoemde 
bewering,  nL  yan  Laaki't  wereldiche  geiindheid,  het  bewija  te  leyeren. 


154 


noeg,  om  hem  den  prikkel  in  de  ziel  te  drukken,  die  hem 
in  de  diepten  des  Evangelïe's  doet  indringen,  alsook  beslissend 
genoeg,  om,  nog  na  tientallen  van  jaren,  met  een  dankbaar 
hart  op  hem  te  wijzen,  als  op  den  man  Gods,  die  hem  met 
krachtige  hand  den  eersten  stoot  tot  die  heweging  gegeven 
heeft,  welke  slechts  in  i'e  Evangelische  kerk  kan  uitloopen. 
maar  toch  weder  niet  langdnrig  en  krachtig  genoeg,  om  reeds 
destijds  van  zijn  geweten  het  zwaarwichtige  offer  der  heslis- 
Bing  te  vordeien.  Van  die  belangrijke  plaats,  waar  Laski, 
dertig  jaren  later,  over  zijne  ontmoeting  met  Zwingli  spreekt, 
heeft  men ,  bij  gemis  van  uitvoeriger  berichten  aangaande  den 
gang  zyoer  ontwikkeling,  meestal  ten  koste  der  psychologi- 
sche waarheid  gebruik  gemaakt.  Oecolampadius  en  Pel- 
licanus  hadden,  gedurende  zijn  verblijf  te  Bazel,  zelve  nog 
niet  den  laatsten  stap  gedaan,  die  tot  eene  openlijke  breuk 
voeren  moest.  De  helden  ge  stal  te  van  den  Duitschen  Her- 
vormer was  onzen  Pool,  helaas,  slechts  te  gemoet  getreden  in 
de  straalbreking ,  in  welke  zij  in  de  omgeving  van  Erasmus 
«ch  vertoonde.  Dat  was  niet  meer  het  heldere ,  groote  licht, 
gelijk  ook  de  beroemde  humanist,  ten  tijde  van  bet  eerste  ont- 
vlammen der  Reformatie,  het  nog  zag  en  waardeerde;  reeds 
W88  de  nevel  opgerezen,  die  het  aan  Erasmus  hoe  langer 
hoe  meer  onmogelijk  maakte,  om,  achter  de  doffe,  onzekere 
omtrekken ,  de  ware  trekken  van  den  leider  der  Hervorming 
t«  onderscheiden  en  naar  waarde  te  schatten.  De  noodlot- 
tige, onherstelbare  breuk  tusachen  den  leider  der  Hervorming 
en  het  erkende  hoofd  der  humaniteitsstudiën  had  juist  plaats 
gegrepen  in  den  tijd  van  Laski's  samenwonen  met  Eras- 
mus. De  heftige,  toornige  taal  van  den  Wittenberger  kwetste 
ook  den  gastvriend ,  die ,  in  zijne  sympathie  voor  den  zoo  ruw 
aangevallen  meesier,  ridderlijk  partij  voor  hem  trok,  en  daar- 
door zich  zelven  de  beproeving  verzwaarde ,  om  van  het  om- 
hulsel, waardoor  hij  werd  afgeschrikt,  tot  de  gulden  kern  van 
den  Hervormer  door  te  dringen.  Door  den  vorm  temgge- 
stooten,  was  hem  de  toegang  tot  den  inhoud  zooveel  fe 
moeielijker.  Hetgeen  Erasmus  in  'teerst,  op  den  beschaaf- 
den,   bezadigden    toon,  van  welken  hij  zich  zoo  gemakkelijk 


155 


en  vaarclig  wist  te  bedienen,  op  Luther's  aanvallen  ant- 
woordde, dat  moest  behagen  aan  eene  beschouwing,  die,  in 
den  ban  van  het  zoogenaamde  gezonde  menschenverstand , 
nog  nimmer  eenen  blik  geworpen  had  in  de  huiveringwek- 
kende diepte  der  zonde  en  der  volkomene  verdorvenheid  der 
menschelijke  natuur,  en  die  nog  niet,  aan  dezen  afgrond 
staande,  enkel  om  genade  geroepen  had,  gelijk  een  hert 
schreeuwt  naar  de  frissche  waterstroomen.  Het  antwoord  des 
meesters  moest  behagen  aan  eene  beschouwing,  die  nog  niet 
den  weg  van  eenen  Paulus  en  eenen  Augustinus  gevolgd  was 
tot  op  het  punt,  waar  zij  erkent,  dat  wij  uit  genade  zalig 
worden,  alleen  door  het  geloof  in  Jezus  Christus.  Dat  was 
destijds  voor  onzen  Xa ski  nog  eene  verborgenheid,  die  met 
zeven  zegelen  gesloten  was,  en  de  harde,  meedoogenlooze  taal 
van  den  Hervormer  maakte  den  fijn  beschaafden  Pool  aller- 
minst begeerig,  om  deze  geheimenis  te  ontzegden.  God  leidde 
hem  in  die  dagen  nog  langs  andere  wegen,  maar  die  uit- 
liepen op  hetzelfde  doel. 

Eene  andere,  verzwarende  omstandigheid  kwam  daarbij. 
Onze  vriend  had  nog  in  Bazel  de  gelegenheid,  om  te  be- 
speuren, welk  een  bedenkelijk  verbond  de  reformatorische 
beweging  met  de  revolutionaire  beroering  en  gisting  in  den 
boerenstand  aanging,  en  wie  stond  er  hem  voor  in,  dat 
niet  de  op  godsdienstig  gebied  ontstane  strooming  op  po- 
litisch,  ja  op  demagogisch  gebied  uitloopen  zou?  Immers, 
het  waren  reeds  zeer  verontrustende  stemmen,  die  zich, 
bereids  in  1524  en  1526,  van  de  zijde  der  boeren  in  Opper- 
Zwaben  in  hunne  twaalf  artikelen  lieten  hooren.  Aan  gene 
zijde  van  den  Rijn,  in  het  nabijgelegene  Waldshut,  agiteer- 
den Hubmaier  en  Reublin;  in  Klettgau  bracht  Münzer, 
in  den  herfst  van  1524,  het  boerenvolk  in  beweging,  nadat 
h\j,  uit  Mühlhausen  verjaagd,  over  Neurenberg  en  Bazel 
derwaarts  getogen  was.  De  mannen,  die  aan  het  hoofd  der 
oproerige  volkshoopen  stonden,  waren,  nog  tot  voor  korten 
tijd,  met  de  Hervormers  in  Duitschland  en  in  Zwitserland 
bevriend  geweest.  Al  hadden  deze  laatsten  openlijk  met  hen 
gebroken,    hoe    gemakkelijk   en    dienstig   was    desniettegen- 


staande  voor  de  vijanden  Jer  Hervorming  de  beschuldiging, 
dat  rleze  zorgwekkende  opstanden  de  natuurlijke  vruchten  der 
Hervorming  waren.  Men  moest  reeds  eenen  ktiichtigen  indruk 
van  het  Evangolie  ontvangen  hebben .  om  met  deze  beschul- 
diging niel  in  te  btemmen.  Voor  Laski  echter  had  zoudanige 
meening  iets  aantrekkelijks,  en  hij  hail  zich  voornamelijk  in 
zulke  kringen  bewogen,  die  hera  in  dene  meening  versterkten- 
Met  zulke  indrukken  verrijkt,  waa  onze  vriend  naar  zijn 
vaderland  en  in  den  dienst  zijner  Kerk  teruggekeerd.  Zijnen 
oom  kon  hij  waarschijnlijk  spoedig  overtuigen,  dat  de  door 
zijne  mededingers  en  benijders  uitgestrooide  geruchten  aan- 
gaande zijne  overhelling  tot  de  Hervorming  valsch  waren. 
Dat  was  echter  voor  den  Aartsbisschop  niet  voldoende.  Het- 
geen de  tegenstanders  elkander  tamelijk  luid  toefluisterden , 
dat  moest  in  het  openbaar  wederlegd  worden ,  en  zoo  eischte 
hij  dan  van  zijnen  neef,  dat  deze.  hetgeen  hij  hem  onder 
vier  oogen  betuigd  had,  in  tegenwoordigheid  van  één  zijner 
meest  besliste  tegenstanders,  nl.  van  den  aartsbisschop  van 
Krakau,  door  eenen  zuiveringseed  bevestigen  zou.  De  oor- 
konde van  dezen  eed,  door  Laski  eigenhandig  geschreven, 
wordt  nog  in  het  geheime  archief  te  Königsberg  bewaard. ') 
In  deze  plechtige  verklaring  verzekert  hij,  dat  hij  met  ver- 
vergunning van  den  l'aus  („ex  indulto  Apostolico")  vele  ge- 
schriften ook  van  diegenen  gelezen  heeft,  die  de  Koomsche 
kerk  vaarwelgezegd  hebben,  maar  dat  hij,  althans  willens 
en  wetens ,  geen  enkele  meening ,  geen  enkele  leerstelling 
omhelsd  heeft ,  die  met  de  leer  der  Roomsch-Kathotieke 
kerk  in  tegenspraak  is.  Mocht  hij  door  onbedachtzaambeid 
gestruikeld,  mocht  hij  in  eene  dwaling  vervallen  zijn,  gelijk 
bet  toch  ook  aan  de  geleerdste  en  heiligste  mannen  kon 
overkomen,  zoo  herroept  hij  dit  openlijk  en  uitdrukkelijk, 
en  belijdt  uit  eigene  beweging ,  dat  hij  niet  den  minsten  lust 
gevoelt,  om  ooit  sekten  of  leeriugen  te  volgen,  die  met  de 
éénheid  der  Roomscbe  kerk  en  met  hare  instelUngea  in 
strijd    zijn,   en    dat   hij   alleen   datgene  wil  vasthouden,  wat 


1)  Afeedrukt  bij  Kujp 


157 


door  de  Roomsche  kerk  is  aangenomen  en  goedgekeurd.  Op 
gelijke  wijze  belooft  hij  aan  den  heiligen  stoel ,  aan  zijne 
meerderen  en  bisschoppen  in  alles ,  wat  geoorloofd  en  be- 
tamelijk is,  levenslange  gehoorzaamheid.  „Dat  zweer  ik; 
zoo  waarlijk  helpe  mij  God  en  de  heilige  Evangeliën  Gods.'* 
Het  was  onzen  Laski  in  die  dagen  heilige  ernst  met  dezen 
eed,  die  ten  volle  het  standpunt  afspiegelt,  dat  hij  ten  op- 
zichte zijner  kerk  nog  inneemt.  Niets  heeft  in  zijn  oog  zoo- 
veel waarde,  als  de  gemeenschap  met  de  ééne,  heilige,  apos- 
tolische moederkerk.  Buiten  haar  is  er  geene  andere.  Wel 
heeft  zij  dringende  behoefte  aan  eene  hervorming,  maar  als 
draagster  der  waarheid  draagt  zij  de  genezende  kracht  in 
zich,  en  zal  toonen,  dat  zij  zelve  bij  machte  is,  om  de 
krankheden  te  overwinnen  en  te  genezen ,  die  ook  zijn  vrome 
blik  bespeurd  heeft.  Waarlijk,  het  was  allerminst  vrees,  om 
zijne  prebenden  te  verliezen,  en  in  een  droevig  martelaar- 
schap zijn  geboorteland  te  verlaten,  wat  hem  het  woord  op 
de  onwillige  lippen  gelegd  heeft ,  en  even  min  de  achting  en 
de  kinderlijke  piëteit  jegens  zijnen  oom.  Het  was  zijne  volle 
overtuiging,  die  men  slechts  dan  als  eene  daling,  ja  als 
eenen  val  zou  mogen  kenschetsen ,  bijaldien  men  in  staat 
was,  om  het  onwedersprekelijke  bewijs  te  leveren,  dat  hij 
reeds  te  voren ,  innerlijk  vervreemd  van  de  Roomsche  kerk, 
de  hoogte  des  Evangelie's  bereikt  had.  Dat  bewijs  is  tot 
dusverre  niet  geleverd  geworden,  en  zal  ook  in  het  vervolg, 
wanneer  rijkere  bronnen  zullen  geopend  zijn,  zich  wel  vruch- 
teloos laten  wachten. 

Nadat  op  zulk  eene  in  het  oog  vallende  wijze  al  die 
boosaardige  verdachtmakingen  tot  zwijgen  gebracht  waren, 
wijdde  zich  onze  Laski  met  den  opgewektsten  ijver  aan 
zijne  beroepsplichten.  Krakau  zou  wel  in  staat  geweest  zijn, 
om  den  jeugdigen  kerkvorst  te  boeien,  indien  zijn  zin  op 
wereldsche  verstrooiing  en  genietingen  gericht  geweest  was. 
Hier,  aan  het  koningshof,  volgden  de  feesten  elkander  schier 
zonder  tusschenpoozen  op.  Bona,  de  nieuwe  koningin,  eene 
Italiaansche  vorstendochter ,  vol  van  dien  levenslust,  welke 


158 

den  zutdelijlcen  landaard  kenmerkt,  maar  ook  vol  lust  tot 
looze  streken  en  kuiperijen,  hield  veel  van  eene  schitterende 
hofhouding.  Daarbij  kwam  het  bei'rijvige,  onrustige  leven  in 
de  residentie,  gelijk  de  aanhoudende  vrees  voor  zware,  nood- 
lottige politieke  verwikkelingen  zulks  met  zich  brengt.  In  het 
noorden  stonden  dreigend  de  Pruisen,  die  onwillig  waren  om 
het  Poolsche  juk  te  dragen;  in  het  oosten  loerden  de  Russen, 
en  in  het  zuiden  verhief  de  zegevierende  Soliraan  op  angst- 
wekkende wijze  het  hoofd.  Overat ,  waar  zijne  wilde  horden 
doordrongen,  daar  was  het  voor  tientallen  van  jaren  met 
de  welvaart  des  volks  gedaan,  en  Polen  grensde  langs  eene 
verre  uitgestrektheid  onmiddellijk  aan  het  onklare  gebied 
van  den  dreigenden  Turkschen  nabuur.  Feesten  aan  het  hof 
en  wild  krijgsrumoer  waren  echter  niet  naar  den  smaak  van 
den  leerling  van  Erasmus.  Zuchtend  schrijft  bij  naar  Bazel: 
„hier  slechts  slagen,  vreeselijke  veldslagen,  en  anders  niets."  ') 
Hij  ontwijkt  het  koningshof,  en  wijdt  zich  geheel  aan  het 
bestuur  van  zijne  uitgebreide  kerkelijke  diocese.*)  Maar  als 
eene  opgejaagde  ree  wordt  hij  altijd  weder  met  geweld  daar- 
van afgetrokken,  en  moet  zijnen  blik  op  den  wilden  loop  dei- 
politieke  gebeurtenissen  gericht  houden.  Leden  van  zijn  ge- 
slacht hebben  op  beslissende  wijze  de  spaken  van  het  wente- 
lende rad  aangevat;  de  broederliefde  laat  hem  niet  toe,  het 
oog  te  sluiten  voor  datgene,  wat  de  familie  zelve  in  hun 
lijden  kan  doen  deelen.  Ook  wij  moeten  deswege  eenen  blik 
werpen  op  de  gebeurtenissen  op  het  wereldtooneel. 


b)     Laski'a   werkza 


imheid   op   staatkundig 
ibied. 


Deed  de  Hervorming  de  grondvesten  der  Kerk  dreunen, 
zoo  voer  gelijktijdig  door  het  leven  der  staten  een  schok, 
die   eene   geheele   omkeering    van  alle  bestaande  toestanden 


1)  „Hio  belU,  homd>  b«lU,  pruUras  nüiil." 

2)  Ata  Amerbrnch  meldt  hy  >  dat  hy  voor  eeae  reié  naai  Baiel  giarne 
de  ïdmiaistratie  lou  wUlea  overgoTtm,  „quim  in  primo  huc  rvditu,  kulam 
htgieiu,  >uBGep«nm." 


169 


dreigde  te  zullen  teweegbreDgen.  Het  Toorgeyoel  van  eenen 
nieawen  tijd  doortrilt  duidelijk  de  politiek  der  afzonderlgke 
staten.  Van  de  zijde  Tan  het  Oosten  scheen  de  beslissing 
te  zullen  komen.  In  die  richting ,  aan  de  grensscheiding  Tan 
twee  werelddeelen,  verhief  zich,  angstwekkend  als  een  ijzer 
noodlot,  de  ontzaglijke  gestalte  van  Soliman  den  Pracht- 
lievenden,  die  onder  alle  Turksche  heerschers  van  vroeger 
en  later  tijd  de  grootste  en  voornaamste  was.  Langs  den  van 
bloed  doorweekten  weg ,  langs  welken  eenmaal  de  Vandalen , 
en  in  den  jongsten  tijd  de  Tataren ,  hunne  invallen  in  Europa 
gedaan  hadden,  naderde  ook  hij,  de  stoutmoedige,  geweld- 
dadige en  door  de  overwinning  bedwelmde  Moslem ,  vergezeld 
van  scharen,  talloos  als  een  zwerm  sprinkhanen,  en  waar 
die  zich  ook  maar  voor  een  oogenblik  hadden  nedergeslagen , 
daar  was  vernield  en  vertreden,  wat  lange  tientallen  van 
jaren  met  ingespannen  vlijt  hadden  tot  stand  gebracht  Op 
Rhodus,  het  laatste  bolwerk  uit  de  tijden  der  Kruistochten, 
wapperde  de  Halvemaan;  in  Belgrado  had  de  Turk  reeds 
het  Beiramfeest  gevierd;  in  het  koninklijk  slot  te  Ofen  had 
Soliman  overnacht,  en  volgens  de  trotsche,  boenende  be- 
wering van  zijne  vizieren  behoorde  derhalve  Hongarije  aan 
den  Sultan,  dewijl  toch  de  plaats,  waar  het  hoofd  van  den 
beheerscher  der  geloovigen  ook  maar  één  nacht  gerust  had, 
zijn  onaantastbaar  eigendom  was.  Het  meest  had  Polen  te 
duchten,  hetwelk  over  zulk  eene  lange  grenslinie  de  naaste 
buurman  was  van  den  vermetele,  die  aan  den  koning  van 
Hongarije  eenmaal  geschreven  had:  ,Jk  heb  het  zóó  be- 
sloten, en  wil  van  het  ééne  einde  der  wereld  tot  aan  het 
andere  de  grenzen  mijner  heerschappij  uitbreiden."  ^)  De 
bezorgdheid  was  te  rechtmatiger,  daar  de  andere  staten,  in 
het  onzekere  verkeerend,  welk  eene  politiek  gevolgd  moest 
worden ,  en  met  argwaan  jegens  elkander  vervuld ,  aan  dezen 
Yooravond  van  eene  zoo  noodlottige  omkeering  ook  niet  eens 
t^n  dezen  erfvijand  van  hen  allen  tot  een  gemeenschappe- 
lijk handelen  konden  bewogen  worden* 


1)  Bneholti,  III,  14S. 


li 


De  koniDg  van  Hongarije,  Lodewijk,  de  jeugdige  neef 
van  den  koning  van  Polen,  had  zich  tot  een  haastig  handelen 
laten  bewegen,  en,  alvorens  nog  alle  strijdkrachten  bijeenge- 
trokken  waren,  zich  aan  de  dreigende  lawine  bij  de  heuvelen 
en  in  de  moerassen  bij  Mohacz  in  den  weg  geateld.  Zijne 
geringe  macht  werd  verpletterd,  en  de  heldhaftige  koning 
was  jammerlijk  in  bet  moeras  omgekomen.  Bij  al  de  vreeaelijke 
ellende  van  het  arme  lanil,  dat  aan  de  woede  van  den  over- 
winnaar was  prijsgegeven,  kwam  als  de  bitterste  slag,  dat 
twee  pretenilenten  met  gelijke  rechten  om  het  bezit  van  de 
kroon  strijd  voerden,  en  het  land  in  den  broedertwist  nog 
dieper  in  den  afgrond  stortten.  Aan  de  eene  zijde  stond 
Johanoes  Zapolya.  de  woiwode  van  Zevenbergen,  één  van 
de  rijkste  en  machtigste  magnaten  van  Hongarije ,  de  zwager 
van  den  koning  van  Polen,  —  want  zijne  zuster  was  de 
eerste  gemalin  van  Sigismund  geweest,  —  die  deels  op  zijne 
hoedanigheid  als  Hongaar,  deels  op  het  kiesrecht  des  volks , 
waarvan  hij  zich  door  eene  raasche.  besliste  daad  ten  fijnen 
vooideele  bediend  had ,  zijne  aanspraken  grondde.  Tegenover 
hem  stond  Petdinaud  van  Oostenrijk,  de  zwager  van  den 
omgekomenen  laatstvoorgaanden  koning  van  Hongarije,  die 
zijne  rechten  deed  steunen,  zoowel  op  de  oude  overeenkomsten 
aangaande  de  troonopvolging,  als  op  de  aanspraken  zijner 
gemalin  en  op  den  hem  gunstigen  uitshig  der  verkiezing ,  die 
hij  door  zijne  aanhangers  had  doen  plaats  hebben  ' }.  Rondom 
deze  beide  pretendenten  verzamelden  zich  de  andere  staten, 
volgens  de  stelling  der  partijen,  die  zij  bij  alle  politieke 
vraagstukken  van  die  dagen  innamen.  De  beide  machtigste 
factoren  stonden  ook  hier  tegenover  elkander.  De  keizer  van 
Daitschlund  begunstigde  zijnen  broeder,  en  Frans  1  daaren- 
tegen maakte  er  volstrekt  geen  geheim  van  dat  hij  voor 
Zapolja  partij  koos.  Het  scherpe  en  juiste  oog  van  Kaake 
ontdekt  ook  reeds  hier ,  in  de  ingewikkelde  gangen  der  staat- 
kunde,   wellicht  voor  de    eerste  maal,   de  werking  ea  den 


1)  De   nadere  uileeniettiug  k&u  men   vindea  l 


Lchultt,   III,    178   ff. 


161 


inyloed  der  Hervorming  n.  Wie  zou  echter  heden  ten  dage 
wel  willen  gelooven,  dat  de  Oostenrijksche  kroonpretendent, 
al  was  hij  ook  katholiek,  nochtans  eene  gematigde  houding 
in  acht  nam ,  en  bij  zijne  verkiezing  tot  koning  van  Bohemen 
het  verzoek  van  een  paar  Evangelische  vorsten  (Frederik  van 
Liegnitz  en  George  van  Brandenburg)  heeft  ingewilligd,  om  de 
geschillen  op  het  gebied  van  den  godsdienst  overeenkomstig 
het  Evangelie  en  het  Woord  Gods  te  beslechten? 

Nevens  Karel  V  en  Frans  I  stond  in  die  dagen  de  mach- 
tige koning  van  Polen,  Sigismund,  wiens  woord ,  wat  de 
vraagstukken  der  buitenlandsche  staatkunde  betreft,  een  niet 
minder  beslissend  gewicht  in  de  schaal  legde,  dan  het  hunne, 
en  die  bij  deze  tegenwoordige  vraag  nog  veel  meer  onmiddellijk 
belang  had,  dan  de  beide  andere  vorsten.  Elk  der  beide  pre- 
tendenten deed  zijn  uiterste  best,  om  den  invloedrijken  koning, 
die  met  beiden  nauw  verwant  was ,  gunstig  voor  zich  te  stem- 
men. De  keizer  van  Duitschland  en  de  koning  van  Frankrijk 
beijverden  zich  op  gelijke  wijze,  om  het  belangrijke  'gewicht 
van  Polen  voor  de  schaal  hunner  staatkunde  te  erlangen. 
Noch  bij  Karel  V,  noch  bij  Frans  I  zou  de  eventueele 
aansluiting  aan  ééne  der  partijen  zóó  noodlottig  voor  het 
eigene  land  geworden  zijn,  werwaarts  de  oorlog  zich  zoo 
licht  kon  verplaatsen,  als  bij  Sigismund.  Hij  besloot  zich 
onzijdig  te  houden,  maar  iedereen  wist,  dat  hij  in  zijn  hart 
met  Frans  I  de  partij  van  zijnen  zwager  was  toegedaan, 
en  dat  het  grootste  en  aanzienlijkste  deel  zijner  palatijns  en 
bisschoppen  eene  gelijke  gezindheid  koesterde. 

Om  zijne  neutraliteit  aan  den  dag  te  leggen,  werd  een 
streng  bevel  uitgevaardigd ,  dat  geen  enkele  Pool  zich  buitens- 
lands mocht  begeven,  opdat  niet  aan  ééne  van  beide  oorlog- 
voerende partijen  langs  dien  weg  bijstand  mocht  worden 
verleend 2).     Hoogst   onwelkom  moest  deswege  den  Koning, 


1)  Banke,  II,  337. 

2)  Belangrijk,  met  betrekking  tot  de  gebeurtenissen  aan  het  Poolsche  hof, 
xyn  de  berichten  van  den  voor  Ferdinand  te  Erakau  aanwezigen  gezant  Yon 
Logsclian,  die  Bucholtz  (III,  214)  in  voldoende  uittreksels  ons  biedt. 
Aldaar  yindt  men  ook  aangetoond,  dat  Sigismund  het  verbod,  om  naar  het 

DALTOK.  1 1 


Im|  de  beai  door  tgae  stutkonde  opgd^de  ten^wodnie.  de 
koeoe  en  agatuatiltigo  stap  jmM  Ttn  dim  gmnt  Tan  bem 
cga,  wieo  tn  de  laatstreiiooiMsi  jarea  de  beJaagrijkste  ten- 
dingea  aaa  de  meest  ferechüleode  boren  warm  toerertrotnrd 
geworden,  en  die  de  opmerkzaanbeid  do-  regeoders  tot  acb 
getrokken  bad. 

Tervrgl  de  gezanten  des  Konings  te  Obnntx  vogeefs  bsime 
pogingen  in  bet  v&k  steUen,  om  eene  vreedzame  bemid- 
deling  tnsBcben  de  beide  pretendenteo  toot  te  bemden  i)  — 
bet  was  m  den  zomer  Tao  1527  — ,  had  Hieronjrmas 
a  Lasco,  in  weervü  van  het  onlangs  mtgeiaardigde  hevel, 
van  den  Koning  de  vergonning  ontrangen ,  om  eene  boiten- 
landsche  reis  te  ondernemen.  Eene  bedevaart  naar  Lotetto 
was  het  geno^zaam  doorzicbdge  roonrendseL  Op  zijnen 
tocht  sloeg  de  eenigszias  zonderlinge  vrome  pelgrim  eenen 
anderen  weg  in,  en  begaf  zich  naar  Honganje,  onmiddellijk 
tot  Jobannes  Zapolya.  Sigismnnd  sch^'nt  dan  toch  van 
het  eigenlijke  doel  der  reis  niets  geweten  te  hebben.  Hg 
liet  ten  minste  aanstonds  door  zijnen  gezant  aan  het  hof  vao 
Karel  V  alle  medeweten  beslist  loochenea^).  En  toch  be- 
weerden Tomicki  en  zijne  aanhangers,  dat  zij  reeds  lang  de 
bemoeiingen  en  de  {naar  hunne  meeniag)  Terraderlijke  bedoe- 
lingen der  Laski's  ten  opzichte  van  het  vaderland  hadden 
doorzien  3).  Tomicki  en  Krzjrcki  smaalden  ook  deswege 
weder  op  bannen  aartsbisschop,  zij,  die  zich  niet  schaamden, 
om  zich  terzelfder  tijd  door  Zapolya  —  het  is  de  eenig  joiste 
oitdmkking  —  voor  geld  te  laten  omkoopen*).  Zapolya 
heette  den  aaozienUjken  Pool  met  blijdschap  welkom.  Zya  stap 
moest  hem  als  de  oitdmkking  van  de  eigeuUjke  gezindheid  van 


boiMuUiul  te  trcklen ,  tonder  Uonguije  te  noemen ,  il«chta  grondds  op  bet 
dmgende  geiaar  raa  eenea  intml  der  Tutum. 

1}  Tergel.  „Tomicians" ,  IX,  204.  Eén  nu  ds  tvee  PooUcbe  geiolnueh- 
tigden  «w  Knycki,  na  benida  luMchop  tsu  Floik,  de  loo  beiJirte  tegen- 
■UndiT  der  L*iki'*. 

ï)  „Tomicun»",  K,  150. 

3)  tbid.,  p&g.  249. 

4)  De  gelden  werden  oit  h«t  fondi  tsu  bet  opeugeiallen  büdom  tu  Ve»- 
priin  genomen.     Ycrgel.   OTer  dete  ilechte  uak  „Tomicitn»" ,  IX,  133,  ISO. 


163 


Polen  Yoorkomen,  die  in  elk  geval,  bij  den  snellen  loop  der 
gebeurtenissen,  spoedig  aan  het  licht  moest  treden.  Hiero- 
nymus  kon  hem  menig  vertrouwelijk  woord  zijns  konings 
mededeelen,  hem  zeggen,  hoe  zijn  oom,  de  machtige  pri- 
maat, zijnen  koenen  stap  had  goedgekeurd,  en  hoe  er  vele 
edellieden  in  Polen  waren ,  die  op  den  eersten  wenk  zich  aan 
zijne  zijde  zouden  schareü ,  ten  einde  hem  krachtdadig  te 
ondersteunen.  Van  Zevenbergen  spoedde  zich  Hieronymus, 
als  gezant  van  Zapolya^),  over  Zwitserland  naar  Parijs. 
Hetgeen  thans  in  Hongarije  plaats  greep  scheen  het  plan  te 
bevorderen ;  waaraan  Frans  I  reeds  herhaaldelijk  met  den 
bekwamen,  Poolschen  diplomaat  bij  diens  vroegere  zendingen 
gearbeid  had.  In  den  eenen  pretendent,  Ferdinand,  kon  de 
gehate  Karel  V  getroffen  worden.  Van  Parijs  haastte  La  ski 
zich  naar  Engeland,  tot  Hendrik  VHI,  om  te  beproeven, 
of  het  mogelijk  was  ook  dezen  koning  voor  Zapolya  te 
winnen.  In  den  herfst  zien  wij  Hieronymus  weder  in  Hon- 
garije, en  wel  te  Coloszar,  bij  den  aartsbisschop  Frangi- 
pani,  den  invloedrijksten  aanhanger  van  Zapolya.  Van  daar 
zendt  hij  eenen  hoogst  interessanten  brief  aan  zijnen  nabe- 
staande, Johannes  Tarnowski,  den  palatijn  van  Reuszen 
en  Sendomir,  den  beslisten  partijganger  voor  Zapolya,  bij 
wien  Laski  zijne  eigene  familie  in  veiligheid  gebracht  had  ^). 
Het  rustige  verblijf  in  het  schoone  Zevenbergen ,  welks  rijk- 
dom van  bodem  op  Laski  eenen  zoo  gunstigen  indruk  maakte, 
was  niet  van  langen  duur.  Reeds  in  November  spoedde  hij 
zich  naar  Venetië,  om  zich  het  bondgenootschap  van  den 
machtigen  staat  te  verzekeren ,  die  in  de  politiek  der  laatste 
jaren  de  zijde  van  Frankrijk  tegenover  den  Keizer  gekozen 
had.  Over  Griekenland  ondernam  Laski  vervolgens  zijne 
moeielijkste,  maar  ook  op  het  luisterrijkst  volbrachte  zending 
naar  Eonstantinopel ,  aan  het  hof  van  S  o  liman,  ten  einde 
diens  hulp  in  te  roepen.   Wij  schrijven  niet  eene  geschiedenis 


1)  YergeL   het    iatereesaiite    schriJTen   yan   Laski   aan    den  bisBcbop  van 
Xameneis,  ,,Tomiciana" ,  IX,  219. 

2)  De  brief  is  algedmkt  „Tomiciana'%  IX,  315. 


164 

der  staatkunde,  en  evenmin  eene  geschiedenis  van  het  leven 
van  Hieronymus,  en  zijn  uit  dien  hoofde  vrijgesteld  van  de 
taak,  om  dezen  noodlottigen  stap  in  zijne  oorsprongen  na  te 
gaan,  of  ook  om  ons  best  te  doen,  ten  einde  de  handelwijze 
van  den  Pool  te  verstaan,  of  om  haar  zelfs,  zoo  mogelijk,  te 
rechtvaardigen.  Het  oordeel  onzer  dagen  zal  zich,  in  elk  geval, 
kenmerkend  van  de  beschouwing  van  den  toenmaÜgcn  tijd 
onderscheiden,  en  ook  gestrenger  uitvallen  i).  Wij  hebben 
reeds  gewezen  op  het  ons  onverklaarbare  feit,  dat  tegenover 
dezen  aartavijand  de  christelijke  staten  niet  hunne  klein- 
geestige twisten  konden  laten  varen,  om  zich  te  verheffen 
tot  eene  gemeenschappelijke,  manhafte  daad.  Ook  de  andere 
pretendent  naar  den  troon  van  Hongarije  zond  eenei\  gezant 
aan  Solimau,  doch  van  minder  bekwaamheid  en  met  een 
minder  gunstig  gevolg.  Hoe  ook  immer  hel  oordeel  moge  uit- 
vallen, dezen  lof  kan  men  den  koenen  bode  niet  weigeren, 
dat  hij  het  verstaan  heeft,  om  geheel  zonder  vrees,  en  zonder 
ooit  aan  zijne  waardigheid  te  kort  te  doen,  den  tegenstand  van 
Ibrahtm  Pacha  te  overwinnen,  en  zijn  oogmerk  zelf,  de 
erkenning  van  zijnen  pretendent  door  Soliman,  te  bereiken^}. 


1)  De  toeumslige  tijd  oordeelde  op  dit  punt  veel  uciiter.  Miilath  (III, 
66)  mukl  opmerkzaBDi  op  de  rede  tsq  daa  Qrootrizinr ,  m  welke  h\}  melding 
mukt  vaii  brieT^n,  die  Frans  I  uit  lijae  gerangeiuchap  in  Spanje  aan  Soli- 
miD  gwicht  heeft,  in  weitc  hij  hem  smeett,  om  hem  toch  iu  zijnen  oood 
niet  te  rerlaten.  Ook  Luther  (XXXI,  102)  kou,  in  zijne  predikatie  tegen 
de  Turken,  caa  het  jaar  1^29,  ain  de  ODruatnekkcode,  dreigende  Terseh\j- 
ning  van  Solimaa  deieu  godadicnatigeu  trek  oulleenen:  „Evenwel  is  de  Tark 
ds  roede  Gods  en  eeue  bciooking  over  de  zonde,  beide  der  chriatmoa  on  der 
onchrislenen  of  der  valsaho  christeaeu."  Negen  jaren  vroeger  heeft  de  Eer- 
Tormer  lelfu,  in  lijn  geaehrift:  „Oruad  und  ürsach  aller  Artikel,  ao  dnrch 
die  rOtnisthe  Balie  unrechtlich  verdanimt  wordeu",  een  bijlander  ktpïttel 
geschreven:  „Tegsn  de  Turkeu  streden  is  niet  andera ,  dan  zieli  l^en  God 
versetl^n,  die  door  de  Tarkeu  oiiu  zonden  atrati"  (Luthor,  XXIV,  UI). 
De  eerlijka.  Duitsche  roan  heeft  met  weenin  hel  pauaelijke  drijven  gad^e- 
alsgen,  dat  eerat  met  een  vroum  klinkend  geroep  tot  eenen  oorlog  tegen  de 
Turken  opwekt,  en  rerfolgeuB  de  op  lulk  eene  w^ze  yerkregeue  geldau  voor 
gelieel  nndere,  bijzondere  bedoelingen  bezigt. 

2)  Hieronjoiufl  heeft  over  zijn  verblijf  «au  meerdtrre  maanden  te  Eonitan- 
tinopel  een  uiterst  boeiend  dagboek  gesohreren.  Ilamraer  (II,  62)  kent  te 
recht   aan  de  daario  TOorkomnDde  acbilderiog   van  da  reden  vau  den  Sullaa 


165 


Met  hoogst  gespannen  opmerkzaamheid  en  met  de  leven- 
digste  belangstelling  volgde    onze  Laski   de  gevaarlijke  en 
gewichtige  zendingen  van  zijnen  gelief  koosden  broeder,   dien 
ook   hij,    gelijk   geheel  zijn  huis,  ja,  wij  mogen  wel  zeggen: 
gelijk  geheel  Polen,  met  ingenomenheid  vóór  Zap  o  lya  partij 
zag  kiezen.     Ook  ingevolge  de  door  Hieronymus  ingeslagen 
wegen,  had  de  koning  van  Frankrijk,  in  den  herfst  van  1527, 
Rin(on    als  gezant   naar  Krakau   gezonden.     De   berichten 
van   wege   het  gezantschap,   die   Logschau   naar  Weenen, 
aan    zijnen   gebieder,   koning   Ferdinand    zond,  geven  ons 
een  aanschouwelijk  beeld ,  zoowel  van  het  veelbewogene  leven 
in  Krakau,  als  ook  van  den  bepaalden  voorrang,  in  welken 
de    Fransche    gezant    zich    aan    het    hof   en    bij    den    adel, 
tegenover  den  Oostenrijkschen,  verheugen  mocht  i).  Ook  onze 
Laski  was  weldra  met  Ringon  oprecht  bevriend.     Van  ge- 
boorte  een   Spanjaard,    was   hij   vroegtijdig   bij   den   koning 
van  Frankrijk  in  dienst  getreden,    die  den  begaafden  en  be- 
kwamen  man   menige   belangrijke  zending  opdroeg.     Hiero- 
nymus Laski  kende  en  waardeerde  zijnen  ambtgenoot;  de 
tocht   van  den  eerstgenoemden  naar  Parijs,  als  gemachtigde 
van  Zap  o  lya,   was   ook   het  antwoord  op  eene  boodschap, 
welke   Ringon,   in   het  begin  des  jaars,  over  Ragusa  naar 
Zevenbergen  gebracht  had.     Den  [6^^  September  verliet  de 
Fransche  gezant  Krakau,  en  begaf  zich,  waarschijnlijk  over 
Hongarije ;  weder  huiswaarts;  onze  Laski  deed  hem  tot  ver 
buiten   de   Kasimirpoort  uitgeleide,   en  spoedde  zich  daarop 
den  volgenden  dag  naar  Sigismund,  vermoedelijk  om  hem 
de  laatste  mededeelingen  over  te  brengen^).  Het  onderstelde 
misnoegen  van   den  Koning  tegen  de  Lask^i's  was  destijds, 
naar  het  schijnt,   reeds  geweken.     Ook   na  de  afreize  bleef 
onze  Laski  in  een  vriendschappelijk  schriftelijk  verkeer  met 
den  Franschen  zendbode.  Het  éénige  schrijven  aan  Ringon, 
dat  van  hem  bewaard  is  gebleven,  getuigt  van  den  vertrou- 


aa  Tan  xijae  vizieren  eene  hooge  waarde  toe.     Uitvoeriger  dan  de  door  hem 
gagerene  oittrekseU,  zijn  die,  welke  men  yindt  bij  Bucholtz  (III,  225—239). 

1)  Uittreksels  zijn  te  yinden  bij  Bucholtz,  III,  214  f. 

2)  „Tomiciana'\  IX,  298. 


weiijken  omgang,  dien  hij  met  hem  gehad  heeft;  het  bewijst 
tevens  ook,  hoe  grondig  onze  Roomsche  deken  in  de  geheime 
gangen  der  staatkunde  is  ingewijd,  en  hoe  zeer  de  jeugdige 
kerkTOrst,  die  weet,  dat  hij  eenmaal  geroepen  zal  zijn,  om 
zijn  vaderland  met  raad  en  daad  bij  te  staan,  zijnen  blik 
ook  voor  de  dingen  der  politiek  gescherpt  -heeft  ^).  Ook  in 
dit  schrijven  vinden  wij  eene  flauwe  aanduiding  van  de  hoop, 
die  de  Evangeliach-gezinden  in  Hongarije  koesterden,  dat  zij 
bij  Ferdinaud  eerder  bescherming  voor  hun  geloof  zouden 
vinden,  dan  bij  Zapolya,  die,  gelijk  Frankrijk  en  Polen, 
als  toevlucht  en  beschermer  van  i\e  Katholieken  werd  aan- 
gezien. Laski  vermeldt,  dat  de  inwoners  van  Wraklara  van 
Ferdinand  verlangden ,  dat  hij  hen  door  eenen  eed  iu  hun 
Evangehsch  geloof  bevestigen  zou.  Do  iloomache  deken  laat 
nog  op  het  woord  „Evangehsch,"  als  op  eenen  wreveligen 
toon,  volgen:  „ut  ipsi  dicunt,"  d.  w.  z. ;  „gelijk  deze  lieden 
althans  hun  geloof  verkiezen  te  noemen." 

Wij  houden  ons  niet  bezig  met  het  telkens  ziob  verheffende 
rumoer  van  den  krijg,  die  uu  jareu  achtereen  de  vruchtbare 
vlakten  van  Hongarije  met  bet  rijkelijk  vergoten  bloed  der 
tegen  elkander  strijdende  stamgenooten  en  der  Turken  door- 
weekte. Wij  volgen  ook  niet  Hieronymus,  gelijk  hij  nu 
eens  op  het  noodlottige  slagveld  van  Mohacz  Zapolya  aan 
zijnen  scbutsheer  Soliman  voorstelt,  die  met  zijne  wilde 
horden,  alles  te  vuur  en  te  zwaai'd  verwoestende,  tot  onder 
de  muren  van  Weenen  doordringt;  gehjk  hij  dan  weder  te 
Regensburg  verschynt,  ten  einde  de  aanspraken  van  zijnen 
pretendent  op  den  troon  te  doen  gelden,  terwijl  hij  met  vol- 
komene zelfopofTeHng  zijne  krachten,  zijne  rijke,  persoonlijke 
gaven,  zijne  eigene  have  en  bezitting  op  het  spel  zet  voor 
de  zaak,  die  hij  in  de  overtuiging  van  hare  rechtmatigheid 
zich  tot  levenstaak  gekozen  heeft.  Wij  spoeden  ons  voort 
naar  den  tragischen  afloop,  bij  welken  wij  onzen  Laskl 
weder  op  aandoenlijke  wijze  voor  de  zaak  zijns  broeders  zien 
tusscbenbeide  komen. 


1)  Euyper,  II,  H». 


167 

Aan  niet  één  zijner  aanhangers  was  Zapolya  zoo  warmen 
dank  schuldig,  als  aan  Laski.  Hij  had  zijnen  rusteloos  werk- 
zamen  medestander  dan  ook  inderdaad  beloond.  Kesmark,  in 
het  schoone  gebied  der  Zips,  aan  den  voet  der  Karpathen 
gelegen 9  destijds  echter  door  de  furie  van  den  krijg,  meer 
dan  andere  streken ,  verwoest  en  uitgezogen,  had  hij  ^an 
den  hoogverdienstelijken  Pool  in  leen  gegeven,  en  aan  zijnen 
broeder,  onzen  Johannes,  den  bisschopszetel  van  Vesprim 
verleend,  zoolang  nog  zijne  macht  zich  zóó  ver  uitstrekte. 
Maar  nu  was  het  anders  geworden.  De  zoon  van  den  Doge, 
Gritti,  die  bij  den  Sultan  zoo  veelvermogend  was,  en  wiens 
belangrijke  hulp  Laski  eens  te  Konstantinopel ,  langs  den 
bij  dit  kreatuur  alleen  mogelijken  weg  van  omkooping  had  ver- 
worven, had,  in  het  gevolg  van  Ibrahim  Pacha,  zich  eenen 
ontrustenden  invloed  in  de  Hongaarsche  geschillen  weten  te 
verschaffen.  Het  gerucht  was  in  omloop,  dat  hij  er  naar 
streefde ,  om ,  onder  Turksche  opperheerschappij ,  de  hoogste 
macht  in  Hongarije  te  verkrijgen.  ')  Één  zijner  vertrouwelingen 
vermoordde  Czibak,  den  stadhouder  van  Zevenbergen,  op 
wien  de  trotsche  Venetiaan  vertoornd  was.  Gritti  verheugde 
zich  over  deze  wandaad,  doch  moest  zijne  vreugde  weldra 
met  den  dood  bekoopen.  Laski  laakte  den  gruwzamen  moord, 
maar  Zapolya  hield  zijnen  ouden,  getrouwen  bondgenoot 
voor  medeplichtig,  en  wierp  hem  in  eenen  smadelijken  kerker 
te  Ofen  (1533).  Het  bericht  van  de  gevangenschap  zijns 
broeders  bereikte  onzen  Laski,  1534,  in  Polen.  Dadelijk 
maakte  hij  van  al  zijnen  invloed  gebruik ,  om  den  gevangene 
uit  zijne  onrechtvaardige  boeien  te  bevrijden.  H\j  schreef  aan 
koning  Sigismund,  om  hem  te  bewegen,  dat  hij  dezen 
smaad  van  zijnen  Poolschen  onderdaan  zou  trachten  af  te 
wenden;  hij  smeekte  den  senaat  om  zijnen  bijstand,  en 
spoorde  hem  aan,  niet  te  dulden,  dat  een  palatijn  en  se- 
nator van  Polen  zulk  eene  smaadheid  moest  verdragen. 
Dringend  verzocht  hij,  dat  men  een  gezantschap  aan  den 
koning  van  Hongarije  mocht  zenden.   Toen  hij  zag ,  dat  deze 


1)  Mailath,  III,  81. 


bede  vruehteloos  bleef,  begaf  hij  zioh  naar  Krakau,  ver- 
zocht aldaar  van  de  booge  geestelijkheid  aanbevelingsbrieven  , 
en  spoedde  zich,  van  deze  voorzien,  naar  Hongarije  zelf. 
Gedurende  zijn  verblijf  in  Hongarije  hield  hij  zich  in  het 
slot  te  Kesmark  op,  ééne  van  de  dertien  Duitsche  steden  in 
het  gebied  der  Zips,  die  Hieronymus  in  leen  ontvangen 
had  ').  Van  hier  uit  richtte  hij  naar  alle  zijden  smeekbeden 
aan  de  machtigen ,  dat  zij  toch  hunnen  invloed  ten  gunste 
van  zijnen  broeder  mochten  aanwenden.  Een  schrijven  van 
hem,  onder  dagteekening  van  IG  October  1534,  aan  koningin 
Bona  van  Polen  is  nog  bewaard  gebleven-).  In  warme  be- 
woordingen smeekt  hij  haar  om  hare  medebutp,  en  wijst 
daarbij  op  den  smaad ,  maar  ook  op  den  nood  en  de  ellende 
der  familie,  die  haar  geheele  vermogen  op  bet  spel  gezet 
beeft  voor  de  zaak  van  den  man,  die  op  zulk  eene  wijze 
zijnen  broeder  beloont.  Andere  brieven  werden ,  van  Kesmark 
uit,  aan  Frans  I,  aan  koning  Sigismund  en  aan  anderen 
verzonden. 

Frans  I  kwam  schriftelijk  bij  Zapoly a  tusschenbeide  voor 
den  gevangene,  wiens  broeder  zoo  trouw  eens  zijne  gevan- 
genschap gedeeld  bad ,  en  dien  bij  zelf  als  den  bekwamen , 
bebendigeu  en  schranderen  vertegenwoordiger  zijner  eigene 
staatkunde  beschouwen  kon.  Ook  de  koning  van  Polen  schreef 


1)  Tydim»  ecu  vlut^htig  beioek  oau  Kesmarli  Leb  ik  iu  bet  araliief  dier  atad 
vrncbtelooa  gezocht  nsar  sporeD  vbq  h«t  lerblijf  tdq  ooien  Laski  aldaar  ge- 
durende vencheideae  maandeiL  Het  BtedoLyke  arcbiet'  en  tneozoo  het  gebaime 
archief  Wratton  nug  eea  paar  documeutea  Tau  Hieron^ua,  zoo  ala  b.  r.  ééa 
Tsn  1535,  waarin  hij  asn  de  iniroiiera  Tsn  Keamsrk  alle  htmue  oude  rechten, 
togen  BODe  jaarlijkHche,  in  ivee  termijnen  te  belaleu  belasticg  Tan  600  11., 
iTiHrborgl.  De  leenbeiitWr  onderteekeut  lïoh  in  du  oorkonde:  „Hieronjmu» 
de  Laaeo,  Falatinaa  SieradieoiÜB ,  Bacratiss.  et  christianisa.  &uiciBui  regia  oquea 
ordiaibus  3.  Micbnelii,  et  couBiliariua ,  dominus  iu  Z^eamark  et  Duat^eci" 
(DuoiJecE  ia  het  );reniriviertje  tuaaclien  Hoogarije  co  Polea).  Iu  1563  heeft 
keiler  Uaiimiliaan  de  weduwe  Tan  ilieronjmus  en  hare  kiadereo  in  dit 
beiit  bereatigd.  Jan  a  Lssco  kon  te  Kcamark  de  ProlratBnlfttho  beweging 
iu  volle  werkiaambeid  lieu.  Sedert  1528  warun  de  priealera  gehuwd;  reeds 
aiada  de  tijden  der  HuaaietOB  l<)oadeii  de  BtadliewouorB  hunne  neiging  lot 
eeue  he.'corming. 

.iaki   te 


169 


aan  zijnen  zwager,  en  smeekte  hem  om  Laski  te  begena- 
digen. In  het  beantwoordend  schrijven  aan  Sigismund  be- 
roept Zapolya  zich,  tot  rechtvaardiging  van  zijn  gedrag, 
ook  op  het  woord  van  den  Profeet:  „Als  de  rechtvaardige 
zich  afkeert  van  zijne  gerechtigheid,  en  onrecht  doet,  doende 
naar  alle  de  gruwelen,  die  de  goddelooze  doet,  zoude  die 
leven?  Alle  zijne  gerechtigheden ^  die  hij  gedaan  heeft,  zul- 
len niet  gedacht  worden:  in  zijne  overtreding,  waardoor  hij 
overtreden  heeft,  en  in  zijne  zonde,  die  hij  gezondigd  heeft, 
in  die  zal  hij  sterven''  (Ezech.  18:24).  Zapolya  had  zich 
vast  ingebeeld,  dat  de  man,  die  ten  zijnen  behoeve  alles, 
zelfs  zijn  leven  in  de  gevaarlijkste  zending  op  het  spel  gezet 
had,  dat  deze  man,  in  verbinding  met  den  trouweloozen 
Gritti,  het  op  zijnen  ondergang  had  toegelegd,  ja  zelfs  be- 
reid geweest  was,  om  hem,  in  geval  van  nood,  door  moord 
uit  den  weg  te  ruimen  i).  Met  Jan  a  Lasco  was  de  palatijn 
van  Reuszen  en  Sendomir,  Jan  Tarnowski,  naar  Hongarije 
gekomen,  ten  einde  zich  persoonlijk  voor  zijnen  nabestaande 
in  de  bres  te  stellen.  Hij  kon,  om  aan  zijne  voorspraak  te 
meer  klem  bij  te  zetten,  Zapolya  aan  de  weldaden  herin- 
neren ,  die  hij  hem  zes  jaren  te  voren  bewezen  had ,  toen  hij 
hem,  den  vluchteling,  maanden  achtereen  bescherming  en 
steun  verleend  had;  hij  kon  hem  de  stellige  verzekering  geven, 
dat  de  gevangene,  zijn  bloedverwant,  niet  in  staat  was  tot 
datgene ,  waarvan  hem  de  achterdochtige  kroonpretendent  be- 
schuldigde. 

Eindelijk  zag  onze  Laski  zijne  ijverige  bemoeiingen  met 
den  gewenschten  uitslag  bekroond.  Tegenover  zulke  plei- 
dooien kon  Zapolya  niet  langer  doof  blijven,  indien  hij 
niet  zijne  voornaamste  medestanders  van  zich  vervreemden 
wilde.  Na  vele  maanden  lang  in  den  kerker  te  hebben  ge- 
smacht, werd  Hieronymus  uit  zijne  onrechtvaardige  en  sma- 
delijke gevangenschap  ontslagen.     Deze  heeft  aan  Zapolya 


1)  Althans  de  Turksche  tolk  Jonas  Begh  vermeldt,  dat  Soliman  van 
Zapolya  twee  brieren  tot  rechtTaardiging  van  zijne  handelwijse  ten  opzichte 
Tan  Gritti  ontvangen  heeft,  in  welke  brieven  ook  deze  beschuldiging  met  be- 
trekking tot  Laski  voorkomt.    (Bnoholts,  lY,  133.) 


bet  verlies  van  één  zijner  krachtigste,  voorspoedigste  partij- 
gangers gekost;  immers,  met  vaste,  besliste  band  sneed  de 
verbitterde  Poot  het  tafellaken  door.  en  verbrak  elke  betrek- 
king met  den  ondankbaren  man,  voor  wien  hij  alles  bad  op- 
geofferd'). Ja,  in  zijne  verbotgenheid  over  den  schandelijken 
boon ,  die  hem  was  aangedaan ,  en  daar  hem  middelerwijl  in 
den  kerker,  met  betrekking  tot  Zapolya  en  zijne  rechten 
op  de  kroon,  de  oogen  waren  opengegaan,  bood  hij,  nadat 
hij  eenigen  tijd  op  zijne  bezitting  te  Kesmark  in  rustige  afzon- 
dering had  doorgebracht ,  zijne  krachten  aiin  (ieu  tegenstander 
aan ,  die  de  aangebodene  hulp  niet  afwees. 


c)    Laski'a  werkzaamheid  op  kerkelijk  gebied. 

Tegen  zijnen  wil  was  onze  Laski  ook  in  de  verwikkelingen 
van  den  krijg,  en  in  al  de  onrust  van  de  onstuimige  woelin- 
gen der  partijschappen  betrokken  geworden.  Hij  zal  er  ver- 
moedelijk dikwijls  onder  gezucht  hebben,  dat  hij  zich  op  deze 
wijze  jaren  achtereen  moest  verwijderd  zien  van  het  stillere 
eiland  van  eenzame  studiën,  waarnaar  zijn  vurig  verlangen 
uitging.  Maar  de  zoo  hooggaande  zee  der  politieke  gebeurte- 
nissen vermocht  nochtans  niet,  den  moedigen  zwemmer  in 
bare  diepte  te  verzwelgen.  Wij  zien  hem  telkens  bij  ver- 
nieuwing uit  de  golven  opduiken,  en  zijn  best  doen  om  het 
anker  van  zijn  levensscheepje  te  laten  vallen  in  deu  vasten 
grond,  in  welken  God  hem  door  eene  bijzondere  leiding  zijns 
levens  bevestigen  wilde.  Wij  moeten  weder  een  paar  jaren 
teruggaan,  ten  einde  hem  verder  op  den  weg  zijner  innerlijke 
ontwikkeling  te  kunnen  vergezellen ,  voor  zoover  de  nog  steeds 
maar  al  te  weinig  samenhangende  sporen  zulk  eene  begelei- 
ding veroorloven. 

De  politieke  gebeurtenissen,  alsook  de  nooden  des  vader- 
lands, inzonderheid  door  de  voortdurende  diepgaande  gistin- 


1)  Bncholti  (IT,  G3)  wijst  op  enkele  feiten,  wnoruit  achijat  te  blijkeD, 
dit  Luki  reeds  eenigeu  tijd  VTOegei  (aedert  1530)  eene  Treedzune  sctiiUtiog 
tuMcben  de  beide  pretendenten  oBax  de  kroon  trachtte  roor  te  bereiden. 


171 


gen  en  de  krijgsverrichtingen  in  de  naburige  staten,  waren 
wel  bij  machte ,  om  de  belangrijke  godsdienstige  vragen  eenigs- 
zins  op  den  achtergrond  te  schuiven;  ^)  maar  ook  voor  Polen 
dreigden  de  genoemde  vragen  van  zulk  een  brandend  gewicht 
te  worden,  dat  zij  noch  met  stilzwijgen  voorbijgegaan,  noch 
ook  gewelddadig  gesmoord  konden  worden.  Stonden  zij  vooral 
in  Duitschlaud  op  den  voorgrond  van  geheel  de  beweging 
des  tijds,  zoo  vielen  hare  sombere  reusachtige  schaduwen 
ook  op  Polen,  dat  zich  als  eenen  zoo  vasten  burcht  van  het 
Katholicisme  beschouwde.  Wij  hebben  reeds  vroeger  ver- 
nomen, hoe  ook  hier  het  oude  gebouw  op  verontrustende  wijze 
op  zijne  grondvesten  begon  te  dreunen.  In  de  laatst  verloopen 
jaren  was  men  niet  op  eene  herstelling  van  de  bouwvallige 
plekken  bedacht  geweest;  men  meende  genoeg  gedaan  te 
hebben ,  wanneer  men  zich  beijverde  om  elk  gerucht  te  onder- 
drukken. De  verscherpte  maatregelen,  die  men  nam,  waren 
echter  van  geen  noemenswaardige  uitwerking  meer  tegenover 
den  geest  der  Hervorming,  die  zich  met  onwederstaanbare 
kracht  zijnen  weg  baande.  Ook  de  scherpste  bedreigingen 
bleken  slechts  slagen  in  de  lucht  te  zijn. 

Wij  hebben  reeds  vermeld,  hoe  de  Evangelische  beweging 
allereerst  te  Dantzig ,  destijds  de  belangrijkste  havenstad  van 
Polen,  hare  zegevierende  kracht  openbaarde.  Terwijl  onze 
vriend  zich  in  het  verre  land  op  zijne  studiën  toelegde,  had 
zich  de  aartsbisschop  van  Gnesen  zelf  naar  de  geheel  in 
verwarring  verkeerende  stad  begeven,  maar  zonder  wezenlijk 
gevolg.  Zulk  eene  gisting  te  dempen,  déértoe  was  de  Primaat 
ongeschikt,  reeds  daarom,  dewijl  hem  het  goede  inzicht  in 
de  zaak  ontbrak.  Dat  getuigt  duidelijk  een  document,  waarin 
hij  voor  den  Koning  zijne  meening  over  de  verdeeldheden  in 
Dantzig  uiteenzet.  ^)  Ter  eener  zijde  aanschouwt  de  rechts- 
geleerde kerkvorst  de  ééne   Kerk   met  hare  leer,   die  sinds 


1)  Ook  de  bisschop  van  Breslau  geeft,  in  een  schrijyen  aan  den  Paos,  van 
hei  jaar  1531  (Theiner,  II,  472),  er  zijn  leedwezen  over  te  kennen,  dat 
het  den  Koning,  door  den  oorlog  met  de  Torkeo,  aan  den  noodigen  tijd  ont- 
breekt, om  aan  de  kerkelyke  yenrarringen  een  einde  te  maken. 

2)  „Tomidana,"  YII,  387. 


den  tijd  der  Apostelen  ongeschonden  bewaard  is  gebleven ; 
aan  den  anderen  kant  ziet  hij  meeniagen  van  lieden,  die  op 
nieuwigheden  belust  zijn  („neoterici"),  wien  het  belieft,  om 
in  enkele  Rebruikeu  en  kerkelijke  instellingen  hun  eigen  hoofd 
te  volgen.  Bij  zulk  eene  splitsing  kan  in  het  hart  des  mans, 
die  in  <le  leerstellingen  zijner  Kerk  vergrijad  is,  geen  twijfel 
opkomen,  aan  welke  zijde  het  recht  en  de  waarheid  zich 
bevindt. 

Even  luttel  gevolg  had  ile  afvaardiging  van  vier  konink- 
lijke raadsheeren.  onder  welke  zich  ook  Hieronymns  Laski 
bevond  (1525),  Ook  de  behendigste  staatkunde  toont  zich 
overal  onmachtig,  wanneer  het  de  oplossing  van  vragen  geldt, 
die,  voortgevloeid  uit  een  waar  geloof,  door  een  geweten 
worden  opgeworpen,  dat  in  deu  vrede  des  Evaugelies  be- 
vestigd geworden  is.  Dat  zijn  nu  eenmaal  stemmen  uit  een 
rijk.  dat  niet  van  deze  wereld  is,  en  haar  blijvende  bescher- 
mer is  de  heilige  gestalte,  die  de  wereld  overwonnen  heeft. 
Waarschijnlijk  als  antwoord  op  het  vertoog  dezer  raadsheeren 
zonden  de  Evangelischen  van  Dantzig  een  lang  en  uitvoerig 
verdedigingsschrift  aan  den  Koning.  Kzrycki,  van  wiens 
scherpe  en  geoefende  pen  men  zich  gaarne  in  de  raoeielijke 
vragen  des  geloofs  bediende,  sedert  hij  door  zijn  smaadschrift 
tegen  Luther  zijne  sporen  verdiend  bad,  vervaardigde  het 
schriftelijk  antwoord ,  dat  daai'op  de  bisschop  van  Krakau 
aan  de  evangelische  afgevaardigden  van  Dantzig  voordroeg. 
Beide  documenten  zijn  belangrijke  stemmen  uit  de  eerste 
dagen  der  Hen^orming;  onwillekeurig  noodigen  zij  tot  eene 
vergelijking  uit.  ' )  In  het  eene  schrijven  verneemt  men  de 
taal  van  het  geweten,  dat  zich  tegen  verregaande  misvorming 
van  de  goddelijke  waarheid ,  tegen  hemeltei^ende  misbruiken 
in  de  Kerk  en  onder  hare  dienaren  verzet,  het  duidelijke, 
besliste,  stoutmoedige  woord  van  eenen  jonger,  die,  tot  de 
onuitputtelijke  keunis  van  Jezus  Christus  doorgedrongen,  van 
dit  vrije  standpunt  uit  bereid  is,  om  ook  de  Kerk,  die  hij 
door   het   wereldsche   drijven    verdorven   ziet,   prijs   te  geven 


1)  „Tomioiïna ,"  VII,  358.   100, 


173 


en  zich  van  haar  los  te  maken,  ten  einde  voortaan  alleen 
aan  den  Heiland  verbonden  te  zijn.  Bij  het  hooren  van 
deze  taal  gevoelt  men,  dat  deze  vrijgemaakten  den  bitteren 
weg  van  een  diep  bewustzijn  hunner  zonden  tot  aan  den 
afgrond  van  volslagen  vertwijfeling  aan  eigene  gerechtigheid 
betreden  hebben,  maar  dat  zij  aan  den  rand  van  dezen 
afgrond  uit  genade  zalig  geworden  zijn.  Het  bisschoppelijk 
antwoord  daarentegen  slaat  eenen  hoogen  toon  aan;  het 
is  in  koele  bewoordingen  vervat,  en  grondt  zich  op  het 
recht  der  Kerk,  als  het  éénige  lichaam  van  Christus,  ter- 
wijl het  vervolgens,  van  de  aristokratische  hoogte  van  dit 
wereldsche  standpunt  uit,  zonder  veel  omslag  de  beschul- 
digingen en  bezwaren  dezer  geringe,  ongehoorzame  lieden 
afwijst.  Geen  spoor  van  eenig  medelijden  met  hunne  nooden, 
geen  gevoel  voor  den  angstkreet  van  een  geweten,  dat  zich 
over  zijne  zaligheid  bekommerd  maakt;  alsof  zij  geen  ziel- 
verzorgers  waren,  maar  slechts  gerechtsdienaren  van  den 
man,  die  ginds  te  Rome  zetelde!  Doch  de  tijd  voor  zulke 
decreten,  de  dagen,  in  welke  zij  gehoorzaamheid  en  onder- 
werping konden  vinden  bij  hen,  die  de  vrijheid  der  kinderen 
Gods  gesmaakt  hadden,  de  „goede,  oude  tijd"  was  onher- 
roepelijk voorbij,  ook  voor  de  priesters  en  bisschoppen  van 
Polen.  Wie  de  noodlottige  kloof  wilde  dempen,  hij  moest, 
in  de  kracht  des  geloofs,  met  eene  barmhartige  hand  de 
zware  wonden  der  eigene  Kerk  trachten  te  genezen. 

Omstreeks  den  tijd  van  deze  onderhandelingen  keerde  onze 
Laski  huiswaarts.  Nog  gedurende  zijne  afwezigheid  was  hij 
door  de  zorg  van  zijnen  oom  administrator  van  Gnesen  ge- 
worden. Het  schijnt,  dat  hij  de  benoeming  tot  deze  nieuwe 
waardigheid,  als  eene  soort  van  welkomstgroet  bij  zijnen 
terugkeer,  in  Posen  gevonden  heeft;  althans  in  eenen  brief, 
van  daar  uit  verzonden,  voegt  hij  voor  het  eerst,  en  als  in 
zijne  vreugde  over  dezen  post,  den  genoemden  titel  aan  zijne 
onderteekening  toe.  Het  komt  ons  voor,  alsof  het  nieuwe 
ambt  aan  zijne  wenschen  beantwoord  heeft;  het  bood  hem 
de  vurig  gewenschte  gelegenheid,  om  het  leven  en  drijven 
aan  het  luidruchtige  koningshof  te  ontwijken,  en  in  grootere 


k. 


174 


afzondering  voor  zijn  ambt  te  leven.  Met  ernst  gi-eep  hij  in 
het  kerkelijke  leven  in.  Wij  hebben  tot  ons  leedwezen  niet 
de  minste  aanduiding ,  in  weiken  zin  hij  aan  de  nu  ras  op 
elkander  volgende  besluiten  tegen  de  vermeende  oproermakers 
heeft  deel  genomen,  eo  of  hij  alle  maatregelen,  die  van  zijne 
Kerk  uitgingen,  gebillijkt  heeft.  Met  betrekking  tot  enkele 
verschijnselen,  van  welke  hij  vernam,  kon  bij  in  elk  geval  op 
overeenkomstige  gebeurtenissen  in  Zwitserland  wijzen,  wier 
kwade  gevolgen  reeds  openbaar  geworden  waren. 

De  Koning  weifelde  nog  eene  korte  poos,  wat  betreft  het 
nemen  van  strengere  maatregelen,  nadat  bet  bisschoppelijke 
schrijven  tegen  de  opstandelingen  te  Dantzig  zonder  eenige 
uitwerking  gebleven  was.  Een  werkelijk  vrome  zin  kan  toch 
wellicht  ook  zijn  arm  weerhouden  hebben,  nm  in  zaken  des 
geloofs  ijlings  naar  bet  zwaard  te  grijpen.  Daarbij  kwam  de 
ongunst  der  tijden.  Overal  hooggaande  politieke  verwarrin- 
gen-, dre^ende  vijanden  bijkans  langs  geheel  de  breede  uit- 
gestrektheid van  zijn  grondgebied,  voornamelijk  in  het  oosten 
en  het  zuiden,  en  daarbij  de  ernstige  verwikkelingen  met  den 
Grootmeester  der  Duitsche  orde,  die  nog  maar  altijd  niet 
op  bevredigende  wijze  beslecht  waren.  Iedereen  gevoelde  dat 
een  beslissende  storm,  in  dien  loodzwaar  drukkenden  tijd, 
als  het  ware,  in  de  lucht  hing,  en  men  zocht  zich,  zooveel 
mogelijk,  de  handen  vrij  te  maken,  ten  einde  op  het  oogen- 
blik  der  losbarsting  met  vereende  kracht  op  het  slagveld  te 
verschijnen.  Sigismund  wist,  dat  bij  dezen  aanstaanden 
oorlog  zijn  rijk  in  de  eerste  plaats  bedreigd  zoude  zijn;  de 
staatkunde  moest  hem  ingeven,  om  niet  nu  nog,  aan  den 
vooravond ,  op  lichtvaardige  wijze  de  Dantzigera  al  te  zeer 
te  verbitteren,  en  zijnen  belangrijksten  sleutel  tot  de  zee 
en  voor  zijnen  handel  op  bet  spel  te  zetten.  Toch  mocht 
hij  niet  dralen,  met  vastberadenheid  te  werk  te  gaan,  toen 
het  aan  zijne  omgeving  getukte,  hem  voor  te  spiegelen,  dat 
de  laatste  grond  der  geheele  oproerige  beweging,  niet  van 
eenen  godsdienstigen ,  maar  van  eenen  revolutionairen  aard 
was,  de  gevaarlijke  tegenkanting  van  het  volk  tegen  de  over- 
geërfde   macht   des  adels  en  der  koningen.     De  aanval,  aan 


175 


welken  de  Kerk  ten  doel  stond,  bedreigde  tevens  op  gelijke 
wijze  de  beide  andere  steunpilaren  van  den  staat. 

Te  gelijk  met  de  verkondigde  vrijheid  des  Evangelie's  was 
bijkans  overal  in  de  lagere  klassen  des  volks  het  thans  zoo- 
veel te  drukkender  bewustzijn  van  zijnen  slaafschen  toestand 
doorgedrongen,  in  welken  het  zich  aan  de  willekeur  van  zijne 
heeren  en  machtigen  zag  overgegeven.  Door  verleiders  en 
door  dezulken,  die  zich  ook  zelven  hadden  laten  verleiden, 
opgeruid,  hadden  hier  en  daar  reeds  groote  scharen  van 
het  geringe  volk  op  gewelddadige  wijze  gepoogd,  het  on- 
draaglijke juk  af  te  schudden,  hetwelk  hun  nu  eerst  recht 
in  zijne  volle  zwaarte  voelbaar  was  geworden.  In  heftige 
woede  waren  de  opgehitste  boeren  bijna  gelijktijdig  in  de 
meest  verschillende  en  ook  in  geheel  afgelegen  oorden  in 
opstand  gekomen.  Alles  te  vuur  en  te  zwaard  verwoestende 
hadden  zij  de  vaan  des  oproers  ontplooid,  en  waren  uitge- 
trokken tegen  de  burchten  en  sloten  van  hunne  onderdruk- 
kers, als  eene  wilde,  bloeddorstige  schaar  van  wrekers,  die 
voldoening  kwam  vorderen  voor  een  eeuwen  heugend  onrecht, 
en  hadden  zich  daarbij  verstout,  om  tegelijkertijd  aanklagers 
en  rechters  en  beulen  te  zijn.  Hetgeen  de  Zwabensche  boeren 
gedaan  hadden ,  dat  beproefden  ook  hunne  Samlandsche  lot- 
genooten.  Niet  in  navolging  van  de  gebeurtenissen  in  het 
zuiden  van  Duitschland;  ten  minste  het  bewijs  daarvoor  is 
nog  niet  geleverd  geworden.  De  gelijke  omstandigheden  slechts 
hebben  de  luchtklep  geopend,  en  de  overal  rijkelijk  opeen- 
gehoopte  dampen  zijn  nu  met  een  schril  gefluit  uit  hunnen 
engen  kerker  ontsnapt.  Wie  kon  echter  de  gevolgen  bere- 
kenen, wanneer  de  schelle  toon  wellicht  nog  dieper  in  de 
wonden  en  tot  de  woeste  moerassige  laagten  van  Polen  door- 
drong, alwaar  de  onbeschrijfelijk  ellendige  Kmetonen  hun 
slaafsche  aanzijn  voortsleepten,  en  wanneer,  gelijk  niet  te 
betwijfelen  was,  die  toon  ook  di&r  eenen  luiden  weerklank 
wekte?  De  brandstof  lag  naar  waarheid  rijkelijk  opgesta- 
peld. De  adel  en  de  geestelijkheid  bespeurden  het  groote 
gevaar,  en  zoo  viel  het  hun  ongetwijfeld  gemakkelijk,  om 
ook   den   Koning   te   beduiden,   dat   elk  toegeven  op  ker- 


176 


kelijk  gebied  bevorderlijk  zijn  zoude  aan  het  dreigende  op- 
roer van  den  lageren  atand  tegen  de  overheid.  Die  voor- 
stelling en  de  wijze ,  waarop  men  partij  van  haar  trok , 
werd  noodlottig  voor  de  Roomsclie  kerk.  Wij  hebben  bet 
als  één  der  voornaamste  bewijzen  voor  de  goddelijke  waar- 
heid der  Hervorming  te  beschouwen,  dat  zij  met  denzelfden 
heiligen  ernst,  met  welken  zij  zich  had  losgemaakt  van  de 
humanistische  studiën ,  die  in  voorname  terughouding  zich  om 
het  volk  niet  bekreunden,  nu  ook  met  den  oproerigen  volks- 
boop  niet  gemeene  zaak  maakte,  maar  alleen  aan  het  Evan- 
gelie gehoor  gevende,  Gode  gaf  wat  Godes ,  en  den  Keizer 
wat  des  Keizers  is.  Maar  de  Roomsche  kerk,  ook  in  Polen, 
heeft  zich  zelve  in  den  waan  gebracht,  dat  zij  in  de  Her- 
vorming en  in  de  boerenopstanden  slechts  één  en  denzelfden 
revolutionairen  geest  zag  heerschen,  en  heeft,  in  deze  be- 
goocheling berustende,  den  tijd  harer  bezoeking,  in  welken 
zij  de  innerlijke  schade  had  moeten  trachten  te  herstellen, 
ongebruikt  laten  voorbijgaan. 

De  geestelijkheid  in  Polen  bewoog  den  Koning,  die  van 
het  dreigende  gevaar  overtuigd  was,  tot  snelle  en  scherpe 
maatregelen.  Zij  had  geen  tijd  meer  te  verliezen.  Hetgeen 
in  D.intzig  was  voorgevallen ,  dat  herhaalde  zich ,  zij  't  dan 
ook  in  zwakkeren  graad ,  in  Thorn ,  in  Elbing ,  in  Brauns- 
berg,  in  Polen  en  in  nog  zoovele  andere  oorden,  die  destijds 
aan  de  heerschappij  van  Polen  onderworpen  waren.  Ja,  zelfs 
in  Krakau  en  dieper  landwaarts-in  vertoonden  zich  veront- 
rustende verschijnselen.  Op  den  rijksdag  te  Petrikau,  bij  welks 
sluiting  eerst  onze  Laski  huiswaarts  keerde,  vormden  de 
verwarringen  op  godsdienstig  gebied  een  gewichtig  onderwerp 
der  onstuimige  beraadslaging.  Reeds  in  de  boodschap  aan 
de  gewestelijke  landdagen,  in  welke  de  Koning,  onder  mede- 
deebng  van  de  te  behandelen  zaken,  genoemde  lichamen 
uitooodigt,  om  afgevaardigden  naar  den  rijksdag  te  zenden, 
was  te  kennen  gegeven,  dat  de  Koning,  wel  is  waar,  met 
den  hertog  van  Pruisen  vrede  gesloten  had ,  maar  dat  noch- 
tans het  ganscbe  land  door  de  Lutherscbe  ketterij  in  ver- 
warring gebracht  en  verscheurd  was.     Ook  badden  reeds  de 


177 

landlieden^  op  het  voetspoor  der  boeren  in  Duitschland,  en 
onder  den  dekmantel  der  Evangelische  vrijheid,  de  wapenen 
tegen  hunne  heeren  opgevat,  velen  van  hen  omgebracht ,  en 
hunne  huizen  in  de  asch  gelegd.    Slechts  snelle  maatregelen 
van  geweld y  meende  de  Koning,  zouden  nog  bij  machte  zijn, 
onr  deze   wijd  en  zijd  heerschende  krankheid  te  onderdruk- 
ken. 1)     De    verschrikte   rijksdag  gaf   zijne   toestemming  tot 
zulke  maatregelen.     De  Koning  zelf,  aan  het  hoofd  van  een 
groot  gevolg,  trok  tegen  Dantzig  op.    Aan  zich  zelve  over- 
gelaten waagde  de  stad  niet,  tegenstand  te  bieden;  in  haren 
hulpeloozen  staat  moest  zij  zich  voegen  naar  alles,  wat  over 
haar   beschikt   werd.  ^)     De    reformatorische   beweging   was 
dientengevolge  voor  een  paar  jaren  gestuit;  gesmoord  echter, 
zoo  als  de  spoedig  gerustgestelde  Polen  meenden,  was  zij  in 
geenen  deele. 

De  geest,  die  den  laatst  gehouden  rijksdag  te  Petrikau 
bezield  had,  deelde  zich,  gelijk  van  zelve  spreekt,  ook  aan 
de  kerkvergadering  mede,  die  de  aartsbisschop  van  Gnesen 
tegen  het  volgende  jaar  (1527)  in  Leczyc  belegde,  en  aan 
welke  onze  Laski  deel  nam.  Als  in  bijzondere  mate  door 
de  pest  der  ketterij  besmet  werd  met  nadruk  op  de  bis- 
dommen van  Breslau  en  van  Gujavie  gewezen.  Men  besloot, 
krachtdadig  te  werk  te  gaan ,  zoowel  tegen  de  openbare  ket- 
ters, als  ook  tegen  hen,  op  wie  te  dezen  aanzien  ook  maar 
eenige  verdenking  rustte,  en  wel  op  grond  van  de  scherpe 
maatregelen,  die  in  de  vroegere  vergaderingen  waren  vast- 
gesteld. Men  nam  zich  voor,  om  alle  vrees  bij  het  tenuii- 
Toerleggen  van  die  maatregelen  ter  zijde  te  stellen,  alleen 
God,  het  geloof  en  den  heiligen  godsdienst  voor  oogen  te 
hebben,  en  daarbij  noch  geld,  noch  arbeid  te  ontzien. 3) 
Hier  vernemen  wij  voor  de  eerste  maal  ook  iets  van  eene 
pogmg,  om  niet  slechts  met  ruwe  hand  de  binnendringende 
ketterij   te   onderdrukken,  maar  om  ook  het  volk  te  onder- 


1)  „Tomiciana,"  VIII,  9. 

2)  Hartknoch,  S.  667,  en  uityoeriger  ,,Tomiciaiia  "  TUI,  40. 

3)  Friese,  S.  2,  47. 

DALTON.  *  12 


richten.  Mogen  wij  wellicht  dezö  wijziging  van  gedragslijn 
aan  den  invloed  van  onzen  deken  toeschriJTen ,  die  gelegen- 
heid genoeg  had  gehad,  om  tot  het  inzien  te  komen,  dat 
uitsluitend  met  maatregelen  van  geweld  de  geeat  zich  niet 
meer  liet  blusachen?  De  vergadering  besloot  namelijk:  „Daar 
nu  echter  ook  het  allernauwkeurigste  onderzoek  en  de  aller- 
strengate  bestraffing  weinig  baten  zou ,  om  deze  sekte  uit  te 
roeien ,  indien  niet  door  waarlijk  katholieke  mannen ,  die 
wegena  hunne  werken  en  hun  voorbeeld  aller  achting  waar- 
dig, en  die  tevens  door  hunne  gezonde  leer  tot  deze  taak 
geschikt  zijn,  de  rechte  weide  van  het  Woord  Gods  voor  de 
menschen  ontsloten  wordt,  en  zij  geleerd  worden  het  booze 
te  verwerpen,  en  het  goede  te  kiezen,  zoo  wordt  bij  dezen 
verordend ,  dat  de  heeren  aartabiaachoppen  en  bisschoppen , 
voornamelijk  die  van  Breslau ')  en  van  Cujavië,  iian  hunne 
hoven ,  alsook  aan  hunne  metropolitaan- ,  kathedrau,!-  on 
collcgiaalkerken ,  hoofdzakelijk  echter  in  die  plaatsen,  waar 
de  Luthersche  sekte  zich  nog  schijnt  uit  te  breiden ,  geleer- 
den ,  theologen  en  predikers  van  het  Woord  Gods  moeten 
aanstellen,  die  bekwaam  zijn  om  het  Evangelie  van  Christus, 
de  Heilige  Schrift,  door  grondig  onderricht  en  eene  goede 
voordracht  aan  de  rechtgeloovigen  bekend  te  maken  en  voor 
hen  te  verklaren." 

Wy  bezitten  volatrekt  geen  berichten,  in  hoeverre  de  bis- 
schoppen ,  elk  in  bet  bijzonder ,  in  hunne  diocesen  den  wijzen 
raad    hebben    opgevolgd;    verschillende    aanduidingen    geven 


1)  De  bÏHchop  VBD  Breilau  hid ,  reeda  twee  jiren  te  Toren ,  zijne  weeklacht 
OTBT  de  biniieiidringende  kettery  yóór  den  paueelljken  atoel  doen  «eerklinken. 
„üit  het  iiaburigB  Mdsiea,  tbu  waar  het  monster  to  Wittenberg  ia  Toort- 
gskomoQ ,"  —  IÓ6  klaagde  hij  aan  iljuea  opperlisrder,  —  „heeft  deie  ler- 
vloekte  aekte  ook  iIJdd  diaB«»e  betreden,  ec  hetgeen  men  giad»  in  boeken 
Tindt  uitgeiproken ,  dat  wordt  bij  hem  in  het  Ieren  verwerkelijkt"  (rergel. 
Theioer,  IT,  431).  Ook  hier  allljd  weder  aleohtB  bet  ggommer  oter  ver- 
«ndering  van  eenige  kerkelijke  gebmiken,  orer  oalatigheid  in  het  opbrouKen 
van  de  tienden .  oTor  rerkocting  van  het  wettige  geïag  der  Kerk.  maar  geen 
indringen  in .  immera  geen  b^rip  Tan  de  dieper  liggende  oorxaken,  ran  welke 
de  binnendringende  ongeregeldheden  loch,  welbeschouwd,  aleclita  de  nood - 
MkeUJke  gerolgen  lijn. 


179 


grond  om  te  vermoeden,  dat  het  bij  de  goede  voornemens 
gebleven  is.  Maar  onze  Laski  rustte  niet.  Herhaaldelijk 
trachtte  hij  den  vorst  der  humanisten  te  bewegen,  om  aan 
den  koning  van  Polen  wenken  en  adviezen  te  geven;  einde- 
lijk gaf  de  voorzichtige  man  aan  dien  aandrang. gehoor.  Zijn 
schrijven  is  met  bewonderenswaardige  kunst  opgesteld,  vol 
geest,  vervuld  met  herinneringen  uit  de  schoone,  vervlogene 
wereld,  die  de  humaniteitsstudiën  tot  een  nieuw  leven  ge- 
wekt hadden ,  innemend  en  waardig ,  en  daarbij  den  machti- 
gen koning  op  eene  hoffelijke  wijze  huldigend,  een  welriekende 
bloesem  van  den  tijd  der  Renaissance,  maar  met  al  zijne 
schoone  woorden  niet  bij  machte,  om  de  diepte  der  wonden 
te  peilen  en  mede  te  werken  tot  hare  genezing,  i)  Daartoe- 
was  Erasmus  ongetwijfeld  niet  de  man,  en  tragisch  is  de 
éénige  ons  bekend  geworden,  doch  gewis  niet  bedoelde  uit- 
werking van  het  schrijven,  nl.  een  koninklijk  geschenk  in 
geld  aan  den  humanist.  ^)  Door  nog  een  ander  levensteeken 
bewees  Erasmus,  in  hetzelfde  jaar  (1527),  zoowel  zijne  toe- 
genegenheid voor  de  familie  Laski,  als  ook  zijnen  wensch, 
om  door  middel  van  den  aartsbisschop  des  rijks  opwekkend 
op  de  Poolsche  geestelijkheid  te  werken.  Hij  droeg  aan  den 
Primaat  zijne  uitgave  van  Ambrosius  op,  niet  slechts  dewijl 
op  dat  tijdstip  juist  deze  kerkvader  voor  de  uitgave  gereed 
lag,  maar  omdat  de  humanist  tusschen  den  eersten  prefect 
der  Kerk  van  Milaan,  in  dien  lang  vervlogen  tijd,  en  den 
tegenwoordigen  primaat  van  Polen  menigen  trek  van  overeen- 
komst bespeurde,  en  hij  aan  den  aartsbisschop  van  Gnesen, 
zijnen  vromen  tijdgenoot,  het  geestelijk  beeld  van  den  waar- 
digen  aartsbisschop  van  Milaan  tot  zijne  bemoediging  voor 
de  ziel  wilde  plaatsen.  S) 


1)  „Tomicianft,  IX,  180. 

2)  Br  as  mus,  pag.  895. 

3)  ÊMn.  de  yoorrede  ontleenen  wij  (Erasmus,  pag.  1584)  de  daarop  be- 
trekkiiig  hebbende  plaats:  ,,Quem  mihi  dabis,  qoi  pari  sioceritate  tractet 
Mcras  literasy  qai  caatias  vitarit  suspecta  dogmata,  qui  sic  abique  gerat 
ehriBtianuxn  episcopam ,  qai  sic  spiret  patema  yiscera .  qui  summam  Praesulis 
aoctoritatem  cum  summa  mansuetudine  coiganzerit  ?  Ubiqne  sentiaa  illum  hoo 

12* 


ï\ 


De  kerkelijke  omstandigheden  schijnen  al  spoedig  eenen 
Terlammenden  invloed  op  onzen  La  ski  geoefend  te  hebben. 
Reeds  een  jaar  na  zijnen  terugkeer  in  het  vaderland  klaagt 
bij  zijnen  geliefden  Amerbach,  dat  op  het  gebied  des  ge- 
loofs  niet  de  minste  veranderingen  plaats  hebben.  Men  heeft, 
ziedaar  alles ,  den  grooten  buit  der  monniken  een  weinig 
verkleind.  De  senaat,  zóó  schrijft  hij,  heeft  namelijk  be- 
sloten ,  dat  geen  kloostergoed  onder  private  personen  verdeeld 
mag  worden,  maar  dat  het  bijzondere  eigendom  der  monniken 
en  der  nonnen  na  hnnnen  dood  weder  aan  hunne  nabestaan- 
den vervalt.  „Sic  forte  pauciores  monachos  habebimus"  („Zoo 
zullen  wij  dus  wellicht  wat  minder  monniken  hebbeu");  met 
dien  uiti-oep  zoekt  de  over  zijne  Kerk  leeddragende,  ernstig 
gezinde  deken  z'nh  te  troosten.  Het  was  slechts  een  kranke 
troost.  Hoe  langer  hoe  meer  begon  de  getrouwe  zoon  in  te 
zien,  hoe  de  moederkerk  stijfhoofdig  en  onverzettelijk  in  hare 
oude  sleur  volhardde,  en  de  verdrietig  geworden  blik  werd 
meer  en  meer  gescherpt  voor  de  gebreken  dezer  Kerk.  Het 
was  in  die  dagen,  dat  onze  vriend  in  Erakau  eenen  jeugdi- 
gen, aankomenden  priester  leerde  kennen,  destijds  nog,  op 
23jarigen  leeftijd.  Baccalaureus  der  hoogeschool,  en  gereed, 
om  tot  voltooiing  van  zijne  studiën  eonige  jaren  in  Padua  eo 
in  Bologna  te  gaan  doorbrengen.  De  begaafde  en  vrome 
jongeling  bad  reeds  de  welwillende  aandacht  van  den  bisschop 
van  Krakau  tot  zich  getrokken,  en  ook  voor  het  scherpziend 
oog  van  onzen  Laski  kon  de  student  niet  verborgen  blijven, 
die  door  zijnen  ernstigen  levenswandel  zich  zoo  voordeelig 
van  het  leven  en  dryven  zijner  studiemakkers  onderscheidde. 
Zeker  had  hy  destijds  niet  het  geringste  vermoeden,  dat  eens 


■(Bei  qaod  loqaitur  et  «dait  dictiocii  mo<lesta  quoedim  et  pin  jucuuditae  grs' 

Uque  cirilitu iMque  lisum  eat  pulchre  congruere  at  proScÏBceretur  Am- 

broiius  Praesul  nd  Praeaulem  ,  clkria  asUlibus  inaignis  ad  uobiliiaimum ,  pias 
«d  pielstis  sntintilem,  erudihia  ad  eruditiooia  eiimium  patronum.  vlrgo  et 
virginitatii  prawo  faoundisaimuB  ad  omoia  pudiciliae  axemplar  ïucompapsbiie, 
deDtque  paoificator  ad  Kpiacopum  pacis  ac  trauquillitntia  publieae  aludiosia- 
limuin ,  cui  rei  dicaa  Ambrüsium  djriiiitus  fuiue  datum/' 


181 


nit  dien  jongen    man,   aan  wien  hij  thans  zijne  vriendelijke 
toegenegenheid  bewees,  de  gevaarlijkste  tegenstander  van  hem 
zelven   en   van   de   geheele  reformatorische  ontwikkeling  van 
Polen    zou    groeien.     Die   jongeling   toch    was    Stanislaus 
Hosius.  Nog  na  eenen  menschenleeftijd  herinnert  Laski  zijnen 
wederpartijder  die  gesprekken,  welke  hij  met  hem  te  Erakau 
gehad,  en  waarin  hij  niet  slechts  den  levenswandel  van  vele 
valsche  dienaren  zijner  Kerk  (,,pseudoëccle8iasticus")  gelaakt, 
maar  zich  ook  reeds  over  verscheidene  liarer  geloofsartikelen 
geërgerd  heeft.   Op  dit  punt  bestond  destijds  tusschen  Hosius 
en  Laski   nog  eene  vriendschappelijke  gedachtenwisseling.  ^) 
Zoodra  Laski  in  zijn  innerlijk  leven  deze  paden  begon  te 
bewandelen,  en  zich  aan  zulke  inzichten  overgaf,  geschiedde 
het  van  zelf,  dat  zij  hem  steeds  verder  deden  afwijken  langs 
hunne,   voor   eenen  getrouwen  zoon  der  Roomsche  kerk  ge- 
vaarlijke   zijwegen.     Hij    was    niet    van    zins,    om    thans   in 
zijnen   practischen   werkkring   zijne  ernstige  studiën  vaarwel 
te    zeggen;    overeenkomstig    den   geheelen    aanleg   van   zijn 
gemoed   moest   hij ,   zij   't  dan   ook  in  het  eerst  slechts  van 
verre,  de  geweldige   strooming  op  geestelijk  gebied  volgen, 
die   zich    buiten    de  grenzen   van  Polen,  in  die  landen  liet 
waarnemen,    waar   het  Humanisme   en  de  Hervorming  oor- 
spronkelijk te  huis  behoorden.   Bijkans  ongemerkt  namen  de 
hooggaande   golven   hem    op,   die,   alhoewel  eerst  na  lange 
jaren,   den  ernstigen   man  den  oever  der  Evangelische  kerk 
deden  bereiken.     Het  eerste   schrijven  van  zijne  hand,  het- 
welk  wij   in  de   verzameling  zijner  brieven  bij  Kuyper  aan- 
treffen, is  gericht  aan   den   bekenden  Joh an nes  Hesz  in 
Bredau,  en  gedagteekend  uit  Kalisch,  de  hoofdstad  van  het 
palatinaat  van  gelijken  naam,  waartoe  ook  Gnesen  behoorde. 
Hesz  was  aan  de  humanisten  en  de  hervormers  in  Duitsch- 
land  en  in  Zwitserland  welbekend.    Zijne  beroemde  stellingen 
over  het  Woord  Gods,  over  het  Hoogepriesterlijk  ambt  van 
Christus  en   over  het  Huwelijk,  uit  het  jaar  1524,  ademen 


1)  Zóó  yersta  ik  den  zia:  ,,nec  raro  meoum  sermones  saas  ea  de  re  mifce- 
Ut."    Kayper,  I,  396. 


182 


eenen  fristichen  reformatorischen  geest ;  zij  drongen  tot  Jiep 
in  Frankrijk  door,  en  Lefèvre  betuigt  aan  Farel,  in  een 
boeiend  schrijven  uit  Meaux ,  zijne  warme  instemming  met 
huren  infaoud.  >)  Het  schijnt  bijkans  alsof  Laski,  gedurende 
zijn  verblijf  te  Bazel,  niets  ïan  dezen  Neurenberger  vemo.nen 
heeft,  voor  wien  Polen  tot  een  tweede  vaderland  geworden 
was ;  maar  in  Polen  zelf  sprak  men ,  in  de  vrijzinnige  krin- 
gen ,  veel  over  deu  beroemden  Breslauschen  doctor.  Zoo 
wendde  zich  ook  onze  Laski  tot  ham,  allereerst  bezield  door 
den  wensch,  om  met  den  friaschen,  opgewekten  man  in 
aanraking  te  komen,")  doch  vervolgens  ook,  ten  einde  door 
middel  vau  hem  de  nieuwste  zaken  van  de  boekenmarkt  te 
verkrijgen.  Voor  den  Gnesenschen  deken  schijnen  de  scherpe 
verbodsbepalingen  bolreffemle  deu  invoer  van  Luthersche  ge- 
schriften niet  bestaan  te  hebben.  De  „Hyperaspistes"  van 
Erasmus  tegen  Luther  heeft  hij  destijds  reeds  gelezen;  hij 
weuscht  alle  geschriften  te  ontvangen .  die  sedert  de  uitgave 
van  het  genoemde  werk,  hetzij  door  Krasmus,  hetzij  door 
Luther  in  het  Hebt  gezonden  zijn.  De  „Hyperaspistes"  was 
juist  in  die  dagen  verschenen,  in  welke  onze  Laski  van 
Venetië  vertrokken  was;  in  dat  geschrift  is  de  verwijdering 
tusschen  het  hoofd  der  Hervorming  en  den  vorst  der  huma^ 
nisten  tot  eene  volslagene  en  onherstelbare  breuk  geworden. 
Erasmus,  die  zich  anders  in  zijne  taal  door  eene  zoo 
groote  beschaafdheid  en  eene  voorname  kalmtfi  onderscheidt, 
spreekt  hier  op  zulk  eenen  bitteren  en  vergramden  toon , 
dat  hij,  reeds  wat  den  vorm  betreft,  door  het  vaarwel- 
zeggen van  zijne  gewone  gematigdheid,  in  welke  zijne  sterkte 
berustte,  zich  zelven  gevoelig  blootgaf.  Ook  ten  opzichte 
van  den  inhoud  staat,  tegenover  de  diepste  eo  geheimzin- 
nigste levensvraag,  betreffende  de  vrijheid  of  de  onvrijheid 
van  den  menschelijken  wil,  de  Humanist  op  een  lager  stand- 


1)  Men   ïiiidt   deii   brief  voor  de  eerst*  maal  gedrukt  bij  Hei 
I,  219,  ea  uil  het  eind  ook  de  Theees. 

2)  Zwingli   aohildert  hem,   in  eea   schriJTen   wn   Vadianua, 
lersiu  Moe  et  Blsoer"  (Zwingli,  YII,  342). 


183 


I 


pnnt,  dan  de  Hervormer.  Aan  den  eenen  kant  de  Humanist, 
die  zijne  wapenen  aan  de  kerkleer  ontleent,  maar  het  is  toch. 
meer  Pelagius,  dan  wel  Augustinus,  die  aan  het  woord 
komt;  aan  den  anderen  kant  de  monnik  en  held,  die  den 
renzeustrijd  tegen  Rome  aanvaard  heeft,  en  zijn  schild  en 
zwaard  is  alleen  het  Woord  van  God.  Calvijn  heeft  in  latere 
dagen  de  onvrijheid  van  den  menscheüjken  wil  nauwelijks  met 
zulk  eenen  nadruk  op  den  voorgrond  geplaatst,  als  dit  door 
Lathor  in  zijn  strijdschrift  geschiedt.  Vele  en  ook  ernstig 
gezinde  geloovigen  zullen  den  manhaften  held  niet  in  al  zijne, 
Boms  uiterst  koene  gevolgtrekkingen  vermogen  te  volgen,  en 
het  was  voor  Erasmus  vrij  gemakkelijk,  om  in  een  scherp, 
meedoogenloos  vertoog  den  bijval  van  diegenen  tegen  den 
Hervormer  te  verwerven,  wier  zoogenaamd  gezond  menschen- 
verstand  liever  met  eene  oppervlakkige  machtspreuk  over  die 
ernstige,  moeielijke  vragen  heen  loopt,  dan  ook  slechts  eene 
poging  te  doen,  om  over  hare  diepte  te  peinzen,  laat  staan 
dan  aan  hare  oplossing  te  denken.  Dorner  heeft  ontegen- 
zeggelijk gelijk,  wanneer  hij  over  dezen  strijd  aldus  oor- 
deelt: „Enismus  maakt  den  mensch  in  den  beginne  rijker 
dan  Luther,  maar  hoe  ver  is  toch  ten  slott«  Luther's  begrip 
der  vrijheid  boven  dat  van  Erasmua  verheven,  bij  wien  het 
hoogste  en  beste  van  baar  opgaat  in  de  vrijheid  om  te  kiezen, 
en  die  dus  bijgevolg  eene  eeuwige  mogelijkheid  van  het  vallen 
moet  leeren,  en  de  volmaking  eeuwig  onzeker  maakt.  Het 
vrijheids begnp  van  Luther  voert  tot  de  Godegel ijkvormi ge 
reëele  vrijheid  uit  genade:  te  haren  opzichte  zon  het  niet 
»\%  eene  meerdere  voortreffelijkheid ,  maar  slechts  als  eene 
onvolkomen  beid  kunnen  beschouwd  worden,  nog  in  het  kiezen 
en  weifelen  gewikkeld  te  zijn.  Ook  hier,  gelijk  in  de  Chris- 
tologie, is  't  bet  doel  der  volkomen  te  verwerkelijken  idee, 
wat  Luther  het  zuiverst  heeft  opgevat,  al  is  hij  er  dan  ook 
minder  in  geslaagd ,  om  de  tusschentiggende  trappen ,  die 
tot  dat  doel  voeren,  en  de  factoren,  die  daartoe  behooren, 
volledig  en  juist  te  schetsen.  Het  vrijheidsbegrip  van  Eras- 
mus,  met  zijne  eeuwige,  dubbele  mogelijkheid  en  met  de  on- 
zekerheid aangaande  het  heil,  kan  hem  niet  beaydenswaardig 


IS- 


ïoorkomen,  en  als  een  verlies  kan  hij  het  niet  beschouwen, 
wanneer  de  menscli,  door  de  macht  eener  van  God  geschon- 
kene  lieftle,  gelijk  God  krachtens  zijne  vrije  oorspronkelijke 
liefde,  eens  niet  meer  anders  vermag,  dan  het  goede  te 
willen."  ^) 

Behalve  het  tweede  deel  van  het  vermelde  geschrift,  dat 
in  het  volgende  jaar  verschenen  was,  had  Hesz,  ter  vol- 
doening aan  bet  tot  hem  gerichte  verzoek,  nog  verscheidene 
andere  werken  aan  onzen  Laski  te  zenden,  want  met  hoogst 
gespannen  opmerkzaamheid  volgde  men  in  de  humanistische 
en  reformatorische  kringen  den  loop  van  den  bealissenden 
strijd  tusschen  de  beide  aanvoerders,  eo  uit  de  beide  tegen- 
overgestelde legerplaatsen  verhief  zich  nu  de  eene,  dan  de 
andere  stem.  De  levensbeschrijver  van  Erasmus  wijst  op  een 
paar  losse  uitingen  van  dezulken,  die  door  de  verklaringen 
van  Lutber  zich  van  eene  aansluiting  aan  de  Hervorming 
lieten  afschrikken;  3)  de  definitieve  uitslag  echter  doet  ons 
zien,  dat  niet  Luther,  maar  de  Humanist  in  het  nauw  ge- 
bracht is,  welke  laatste  zich  spijtig  van  Bazel  naar  Freiburg 
teiTiggetrokken ,  en  alzoo  het  strijdperk  verlaten  heeft. 

Hadden  wij  slechts  eene  getuigenis  van  onzen  Laski  aan- 
gaande de  uitwerking,  die  deze  strijd  in  die  jaren  op  hem 
gehad  heeft !  Maar  geen  enkele  klank  uit  zijnen  mond  dringt 
tot  ons  door,  Slechts  dit  ééne  heeft  ons  getroffen,  dat  in 
de  betrekkingen  tasseben  Krasmus  en  Laski  reeds  vóór 
het  jaar  1530  een  Uchte  verkoeling  moet  zijn  ontstaan.  Eene 
lange  scheiding  doet  immers  ook  zoo  menige  briefwisseling 
van  lieverlede  verkwynen,  In  het  schi'iftehjk'  verkeer  tusschen 
den  meester  en  zijnen  leerling,  dat  aanvankelijk  met  zoo 
veel  ijver  en  warmte  onderhouden  werd,  ontstaan  steeds 
grootere  tusschenpoozen.  Dat  is  echter  niet  zoozeer  het  be- 
vreemdende ;   van   nog   meer   beteekenis  achten  wij  het ,   dat 


1)  Doraer,  8.  209.  Feugèrs  (p.  271)  valt  ale  Katholiek  de  Toontelling 
Tsn  deieii  Duitachen.  Frolmtaat,  eieueeos  als  die  van  Stichart  (B.  36S) , 
die  zich  op  haar  beroepen  heelt,  aan,  maar,  lOo  als  het  ooi  roorkomt,  met 
niet  onbetwistbare  groadeu, 

2)  Feugère.p.  2:3. 


185 


ErasmuS)  in  zijne  talrijke  brieven  naar  Polen,  zijnen  voor- 
maligen ,  zoo  hartelijk  vereerden  contubemaal  steeds  zeld- 
zamer van  zijnentwege  laat  groeten;  ja,  in  den  wel  wat  groot- 
sprekendeu  brief  van  den  bejaarden  Erasmus  uit  zijn  toe- 
vluchtsoord Freiburg,  van  het  jaar  1530,  in  welken  hij  van 
zijne  vrienden  en  bekenden  in  Polen  gewaagt,  is  van  La  ski 
hoegenaamd  geene  sprake.  ^)  Was  het  soms  het  politieke 
standpunt  der  Laski's,  als  aanhangers  van  Zapolya,  dat 
den  angstvalligen  man,  met  het  oog  op  den  Keizer,  het 
zwijgen  oplegde,  of  had  de  godsdienstige  denkwijze  wellicht 
eene  spanning  teweeggebracht? 

Een  ander  vluchtig  bericht  nog  verschaft  ons  de  mogelijk- 
heid,  om  onzen  Laski  bij  zijne  eenzame  studiën  te  bespie- 
den. Hij  had  zijnen  vriend  Amerbach  verzocht,  hem  de 
Lucubratiën  van  Sadoletus  toe  te  zenden^)  (1527).  Wij 
dwalen  wel  niet,  wanneer  wij  ons  Laski  in  die  dagen  op 
het  standpunt  van  den  rechtschapenen,  schranderen  en  be- 
kwamen bisschop  van  Garpentras  in  het  graafschap  Avignon 
voorstellen.  Sadoletus,  die  reeds  in  zijne  jonge  jaren,  ten 
tijde  dat  Laski  als  knaap  met  zijnen  oom  te  Rome  vertoefde, 
te  gelijk  met  Petrus  Bembus  tot  geheimschrijver  van  Leo  X 
was  benoemd  geworden,  had  zich,  zonder  rechtstreeks  aan 
den  strijd  tusschen  Luther  en  Erasmus  deel  te  nemen, 
in  de  belangrijke  vraag  op  een  onzijdig  standpunt  tusschen 
de  beide  strijdenden  trachten  te  handhaven.  Hij  kende  aan 
de  goddelijke  genade  eene  ruimere  plaats  toe  dan  Er  as  mus, 
verklaarde  zich  zelfs  vóór  de  leer  van  de  rechtvaardigmaking 
alléén  door  het  geloof,  ^)  en  stond  met  mannen  der  Her- 
vorming, als  Bucerus,  Sturm  en  Melanchthon  in  eene 
briefwisseling,  die  van  wederzijdsche  hoogachting  getuigde. 
Hij  bleef  aan  zijne  Kerk  getrouw ,  en  zocht  zijn  kerspel  van 
alle  aanraking  met  het  Protestantisme  te  zuiveren,  maar  tot 
eene  vervolging  van  de  Protestanten  wilde  hij  zich  niet  laten 


1)  Erasmus,  pag.  1383. 

2)  Gabbema,  pag.  7. 

3)  Herzog,  XIII,  299. 


i;. 


bewegen;  vee!  liever  wenschte  hij  do  handen  aan  het  werk 
te  slaan ,  om  aan  grove  gebreken  in  de  moederkerk  op 
liefderijke  en  zachtmoedige  wijze  een  einde  te  maken.  Wij 
kunnen  ons  nochtans  voorstellen,  dat  zijne  geschriften  bij 
gelijkgestemde  gemoederen  in  zekeren  zin  ala  eene  brug  dien- 
den, om  tot  een  geestelijk  verkeer  met  de  mannen  en  de 
leer  der  Hervorming  te  leiden,  hoe  beslist  ook  de  Bisschop 
tegen  zulk  eene  werking  zijne  stem  zou  verheven  hebben. 
Betrad  onze  Laski  wellicht  deze  brug,  toen  hij  zijnen  vriend 
in  Bazel  om  de  toezending  van  die  boeken  verzocht? 


d)    De  scheiding  van  Kerk  en  Vaderland. 

Zoo  snelden  de  jaren  voor  onzen  Laski  in  het  vaderland 
voorbij.  Onstuimig,  wat  het  uitwendige  betreft,  wanneer  het 
lot  der  zijnen  hem  opriep,  om  aan  de  wereldgebeurtenissen 
deel  te  nemen.  Onstuimig  echter  ook  in  zijn  gemoed,  dewijl 
hij  innerlijk  deel  nam  aan  den  strijd  der  geesten  in  zijnen 
tjjd,  en  dewijl  zijne  ziel  de  vragen  doorleefde,  die  de  Her- 
vorming opwierp  met  een  kracht  en  nadruk,  die  van  een 
vroom  hart  antwoord  en  ook  oplossing  vorderde.  Smartelijk 
viel  het  hem  bovendien,  bij  den  blik  op  zijne  vaderlandscha 
Kerk  te  moeten  bemerken ,  hoe  hare  dienaren  zonder  het 
noodige  inzicht,  onverschillig  voortleefden,  bereid  om  met' 
poHtiemaatregeleo  iedere  vrijere  beweging  te  keer  te  gaan, 
maar  zonder  eenigen  lust,  om  aan  het  eigene  leven  met 
ernstig  berouw  de  genezing  van  de  duidelijk  zichtbare  wonden 
der  Kerk  te  beginnen. 

Te  midden  van  deze  beweging  overkwam  hem  eene  zware 
beproeving.  De  laatste  levensjaren  van  zijnen  oom  waren 
veelszins  beneveld.  De  vijandige  stemming  van  zijne  invloed- 
rijke en  vast  aaneengesloten  te  werk  gaande  tegenstanders 
had  hij  meer  dan  ééns  op  grievende  wijze  moeten  onder- 
vinden. Hij  zag  de  verontrustende  schaduw,  die  de  Her- 
vorming ook  over  de  grenzen  van  zijn  geestelijk  gebied  deed 
vallen,  doch  wist  de  onzekere  omtrekken  niet  meer  te  ver- 
klaren, en  had  slechts  een  voorgevoel  van  het  groote  gevaar, 


187 


dat  de  aan  zijne  leiding    toevertroawde  Kerk  van  de  zijde 
dier  beweging  bedreigde.   Meer  nog  ging  de  grijsaard  gebukt 
onder   den  loop  der  gebeurtenissen  in  Hongarije.    Zijn  hart 
was  met  zijnen  neef  de  partij  van  Zapolya  toegedaan ,  en 
met  den  gloed  eener  Poolsche  vaderlandsliefde  heeft  hij,  tot 
ondersteuning  van  den  zwager  zijns  konings,  ook  zijne  woor- 
den en  zijne  middelen  de  richting  van  zijn  hait  laten  volgen. 
Ook  een  bitter  verlies  aan  aardsch  goed  kon  de  oude  man 
zich   getroosten;   smartelijker  was   het  hem   echter ,   als  hij 
zagy  hoe  ook  deze  zijne  houding  ten  opzichte  van  Zapolya, 
die  hij  nauwelijks  behoefde  te  verhelen,  en  in  welke  hij  zich 
bewust  was ,  met  de  aanzienlijkste  Polen  in  overeenstemming 
te   zijn,   door  zijne  nimmer  rustende  tegenstanders  gebezigd 
werd,  om  hem  in  Rome  verdacht  te  maken.     Hunne  moeite 
schijnt  niet  vergeefs   geweest  te  zijn.     Men  zegt,  dat  paus 
Clemens  VU  den  Aartsbisschop  en  zijne  familie  in  den  ban 
gedaan   heeft.     De   kardinaal  van  Ancona  zal  den  „Legatus 
natus"   naar   Rome   gedagvaard   hebben,   om  zich  aldaar  te 
verantwoorden,  en  wel  in  zulke  buitensporig  heftige  bewoor- 
dingen,  dat  hij   in  zijnen  indagingsbrief  Laski  zal  hebben 
beschreven   als    „slechts  wat  den  naam  betreft  een  aartsbis- 
schop,  maar  in   waarheid  een  aartsduivel,  op  gelijken  trap 
staande  met  Dathan,  Korach,  Abiram  en  Judas.*'  Ja,  terwijl 
het  schrijven  den  neef  Hieronymus  als  eenen  tweeden  He- 
rostratus   brandmerkte,   zal  de  kardinaal  niet  teruggedeinsd 
zijn  voor  de  beschuldiging,  dat  de  Primaat  uit  de  opbrengst 
van  vervreemde  kerkelijke  goederen  wapenen  had  laten  ver- 
vaardigen, die  aan  de  Turken  in  Hongarije  waren  gezonden 
geworden. 

De  schandelijke  oorkonde  zelve  heb  ik  nergens  kunnen 
vinden  O»  ^t^  betwijfel  haar  bestaan  om  vele  gewichtige  rede- 
nen.   Maar  dat,  in  het  algemeen,  zulk  een  gerucht  zich  zeer 


1)  Het  laaUt  nog  heeft  W  al  e  w  ski  de  geflohiedcnis  als  een  historisch  feit 
opgedischt  (vergel.  ,3ibliotheca ."  1872,  p.  360);  in  hot  door  den  niet  te 
yeriroawen  geleerde  aangehaalde  8ste  deel  der  „Tomiciana"  heh  ik  de  oorkonde 
niet  gevonden. 


vroeg  aan  den  naam  yan  Laski  heeft  kunnen  vastliechten , 
spiegelt  de  gezimlheul  der  tegenstanders  af,  die  hij  zelf  nug 
maar  al  te  zeer  moest  ondervinden ,  en  die  zijnen  laten 
levensavond  verduisterde.  In  Februari  1530  heeft  hij  nog  de 
kroning  van  den  lOjarigen  zoon  zijns  konings  voltrokken , 
later  ook  nog  eene  synode  te  Petrikau  gehouden,  v/olk  een 
en  ander  hij  niet  zou  hebben  kunnen  doen,  indien  hij  zich 
onder  den  ban  hevonden  had.  Den  ]9den  Mei  1531  ont- 
sliep hij,  in  den  ouderdom  van  75  jaren,  in  zijn  slot  te 
Kaliach. 

Slechts  onze  Johannes  schijnt  bij  het  sterven  van  den 
Aartsbisschop  tegenwoordig  geweest  te  zijn.  Stanialaus  was 
reeds  in  1527  uit  Frankrijk  naar  Polen  teruggekeerd;  zijne 
levensomstandigheden  echter  hielden  hem  meestal  van  zijnen 
oom  verwijderd.  Hieronymiis  bevond  zich  in  Hongarije; 
op  het  bericht  van  den  dood  zijns  ooms  spoedde  hij  zich 
naar  het  vaderland.  Tegen  het  einde  van  Juni  kwamen  de 
broeders  in  Krakau  bijeen,  om  een  soort  van  familieraad 
te  houden.  Het  testament  van  den  oom  was  door  dezen  tot 
weinige  dagen  vóór  zijn  einde  voortgezet  geworden;  het  kwam 
er  op  aan ,  om  de  zeer  nauwkeurige  bepalingen ,  die  ons  ook 
eenen  uiterst  boeienden  blik  in  de  kostbare  huishouding  van 
eenen  Poolschen  aartsbisschop  der  Ifi'^^  eeuw  vergunnen,  ten 
uitvoer  te  brengen,  en  te  gelijk  ook  hij  deze  gelegenheid  het 
vaderlijke  vermogen  te  regelen  en  te  verdeelen,  Johannes 
had  reeds  een  paar  jaren  te  voren ,  onmiddellijk  na  den  dood 
zijns  vaders,  vrijwillig  ten  gunste  zijner  broeders  van  zijn  deel 
van  het  erfgoed  afstand  gedaan.  Hieronymus,  als  de  oudste, 
kreeg  het  familieslot  te  Laak,  de  jongste  broeder  een  paar 
andere  goederen,  onder  welke  de  stad  Stiykon  met  alle  om- 
liggende landerijen  en  dorpen  het  belangrijkste  was.  Lang 
konden  de  broeders  niet  bijeenblijven,  Hieronymus  begal 
zich  van  Ki-akau  rechtstreeks  naar  Linz ,  ten  einde  me 
Sigismund  v.  Herberstein,  den  afgezant  van  Ferdinand 
over  de  plannen  tot  achadelooastelliBg  en  ruiling  voor  Jo- 
hannes Zapolya  te  onderhandelen.  Deze  onderhandeling» 
gevoegd  bij  al  de  aandoeningen  van  zijn  gemoed  in  de  laatst 


j 


189 


^erloopen  maanden ,  werkten  zoo  nadeelig  op  Laski,  dat 
hij  y  nauwelijks  naar  Zevenbergen  teruggekeerd ,  in  eene  zware 
krankheid  verviel,  die  zijn  leven  in  gevaar  bracht,  en  hem 
gedurende  zeven  weken  aan  het  leger  der  smart  gekluisterd 
hield.  De  arme  man!  En  terwijl  hij  nog  rouw  droeg  over 
het  verlies  van  zijnen  oom,  werden  hem  in  korten  tijd  een 
zoon  en  eene  dochter  door  den  dood  ontrukt,  en  uit  het 
schrijven,  dat  ons  uit  dien  tijd  is  bewaard  gebleven,  is  niet 
te  bespeuren,  dat  één  zijner  broeders  hem  heeft  kunnen 
verplegen,  i) 

Inzonderheid  voor  onzen  Johannes  had  het  overlijden 
van  den  Aartsbisschop  de  gewichtigste  gevolgen.  Door  zijnen 
dood  was  hem  de  invloedrijkste  steun  bij  zijn  opklimmen 
langs  de  hooge  ladder  van  kerkelijke  waardigheden  benomen. 
Nog  kort  vóór  zijn  verscheiden  had  de  welwillende  oom  hem 
de  aanstelling  tot  proost  van  Gnesen  en  Leczyc  bezorgd. 
Thans  echter  stond  hij  daar  als  neef  en  erfgenaam  van  den 
naam  van  den  gestorven  primaat,  en  daardoor  ook  gedeelte- 
lijk als  erfgenaam  van  de  vijandige  gezindheid,  die  van  zoo 
vele  zijden  tegen  den  overledene  gekoesterd  geworden  was. 
Hem  kon  men  nu  zonder  gevaar  den  wrevel  laten  gevoelen, 
dat  hij  zoo  langen  tijd  het  geliefkoosde  voorwerp  van  de  al 
te  vaderlijke  voorzorg  van  den  machtigen  primaat  geweest 
was.  Wij  vernemen  niet,  dat  zulk  eene  storing  in  zijne  snelle 
bevordering  hem  in  dezen  zijnen  verlaten  toestand  tot  mis- 
moedigheid gestemd  heeft;  zijne  ernstige  gezindheid  wees 
hem  op  eene  andere  en  hoogere  roeping,  en  bij  het  opvolgen 
van  deze  laatste  kon  hem  de  wangunst  zijner  benijders  niet 
deren.  Reeds  lang  ontleende  zijne  smart  over  de  Kerk  haar 
voedsel  aan  gansch  andere  en  diepere  bronnen,  dan  aan  het 
armzalige  lachen  eener  niet  bevredigde  eerzucht  I  Het  heen- 
gaan van  den  eerwaardigen  grijsaard  echter  had  den  band 
ontsnoerd,  met  welken   eene  innige,  kinderlijke  piëteit  den 


1)  Bncholts,  ,,ürkiiiidenbuch /'  S.  48.  Doch  er  is  eene  onoplosbare 
tegenstrijdigheid  tusschen  de  datums,  die  men  yindt  opgegeven  8.  48  (Wjsko, 
31  October  1531)  en  S.  49  (Weenen,  2  November  1531). 


a 


□eef  aan  zijnen  oom  met  diens  tronwe,  vaderlgke  liefde,  den 
deken  aan  zijnen  asrtebisscbop  rerhecbtte:  hij  koa  nu  onbe- 
lemmerder de  richting  zijner  gedachten  volgen,  die  bem  steeds 
dieper  in  het  Woord  Gods  deden  doordringen,  en  bem  daar- 
door steeds  verder  van  de  leerstellingen  zijner  Kerk  ver- 
wijderden. 


Snel  kwam  de  verandering  niet  tot  stand.  Om  Laski's 
wille  verblijden  wij  ons,  dat  er  nog  een  paar  jaren  verstreken 
zijn ,  alvorens  hij  zich  geheel  van  de  Kerk  losmaakte ,  want 
daardoor  vervalt  van  zelve  het  vervrijt,  hetwelk  zijne  tegen- 
standers bem  voor  de  voeten  geworpen  hebben,  alsof  hij 
toch,  als  een  soort  van  heimelijk  afvalhge,  sinds  zijn  verblijf 
te  Bazel  huichelachtig  de  gemeenschap  met  de  Roomscbe  kerk 
onderhouden  heeft,  zoo  lang  hem  de  hooge  waardigheid  van 
zijnen  oom  bet  uitzicht  geschonken  had ,  om  eenmaal  door 
opvolging  eenen  gelijken  hoogen  rang  te  verkrijgen.  Niet  bet 
verijdeld  worden  van  deze  hem  toegedichte  hoop  dreef  hem 
aan,  om  mismoedig  de  schepen  achter  zich  te  verbranden. 
Hij  streed  nog  den  reuzenatrijd ,  ten  einde  in  zijne  moeder- 
kerk te  kunnen  blijven;  hij  streed  dien  oprecht  en  ernstig, 
met  het  pijnlijke  gevoel,  dat  het  tevens  een  strijd  om  zijn 
vaderland ,  zijn  dierbaar  Polen ,  was ,  doch  ook  steeds  meer 
met  het  voorgevoel,  met  het  ontwakende  bewustzijn,  dat  de 
geheimzinnige,  nachtelijke  gestalte,  die  met  hem  worstelde, 
de  Heer  zelf  was,  en  van  dat  oogenblik  aan  met  den  bid- 
deuden  wensch:  „Heer,  ik  laat  u  niet  gaan,  tenzij  Gij  mij 
zegent!"  Toen  hij  daarop  als  de  gezegende  des  Heeren  den 
dageraad  mocht  zien  rijzen,  slaakte  hij  geen  enkelen  klaag- 
toon ,  dat  hem ,  en  wel  op  zulk  eene  wijze ,  zijne  heup  was 
verwrikt  geworden. 

De  dood  van  den  Aartsbisschop  bracht  voor  den  jongen 
proost  van  Gnesen  allereerst  eene  reeks  van  officieele  werk- 
zaamheden met  zich,  nog  voordat  zijne  huishoudelijke  aan- 
gelegenheden met  zijne  broeders  in  orde  gebracht  waren. 
Door  het  domkapittel  van  Gnesen  werd  hij  aan  den  bisschop 
Yan  Cujavië,  Matthias  Drzewicki,  afgevaardigd,  om  hem 


zijne  verkiezing  tot  aartsbisschop  te  metdeu. ')  Hij  maakte 
van  de  gelegenheid  gebruik,  om  met  dezen  opvolger  de  noo- 
dige  overeenkomsten  te  treffen ,  ten  einde  die  inkomsten  nit 
het  aartsbisdom,  welke  aan  de  erfgenamen  van  den  Primaat 
vervielen,  volgens  de  bepalingen  van  het  testament  te  regelen. 
Deze  schikkingen  zullen  waarschijnlijk  nog  al  eenige  moeite 
gekost  hebben.  De  bisachop  van  Cujavïë  behoorde  tot  de 
tegenstanders  van  den  overleden  primaat.  Het  vertoog ,  ^) 
door  de  hoofden  der  tegenpartij  eenige  jaren  te  voren  (1527) 
aan  konin^^in  Bona  gericht,  waarin  zij  haar  om  hare  onder- 
steuning tegen  Laski  verzocht  hadden,  vinden  wij  ook  door 
Drzewicki  onderteekend.  De  moeielijke  onderhandelingen 
werden  echter  op  vreedzame  wijze  ten  einde  gebracht.  Het 
schijnt,  over  het  geheel,  dat  de  nieuwe  aartsbisschop  zijnen 
langjarigen  wrok  niet  op  den  neef  overbracht,  en  dat  diens 
bekwaamheid,  ook  nadat  zijn  meer  dan  vaderlijke  beschermer 
ten  grave  gedaald  was ,  zich  wist  te  doen  erkennen  en  waar- 
deeren.  Nog  bijkans  zeven  jaren  na  den  dood  van  zijnen  oom 
werd  hem  de  betrekking  van  aartsdiaken  van  Warschau 
opgedragen  (21  Maart  1538).  ^)  Nog  kort  vóór  zijnen  dood 
had  Laski  bij  den  Koning  weten  te  bewerken,  dat  het 
patronaat  over  dezen  hoogen  post  aan  de  aartsbisschoppen 
van  Gnesen  verleend  werd ,  en  zulks  tot  groote  ergernis 
van  koningin  Bona,  die  beloofde,  er  voor  te  zullen  zorgen, 
dat  h^  tijdens  baar  leven  geen  enkele  van  zijne  praktijken 
meer  bij  den  Koning  zou  doorzetten.  *)  Zoo  greep  de  sluwe 
koningin  met  vrouwelijke  hand  in  de  kerkelijke  vraagstukken, 
zoo  kwam  er  aan  het  hof  geen  einde  aan  het  intrigeeren  van 
ijverzuchtige  prelaten,  en  dit  alles,  terwijl  reeds  in  het  rond 
de  vlammen  der  Hervorming  hoog  opflikkerden,  en  het  er 
bovenal  op  zou  zijn  aangekomen,  om  alle  huiselijke  verdeeld- 
heden  ter   zijde   te  stellen,   en  zich  van  de  vereende  kracht 


I)  De  paoumke  bekrachtiging  tbq  deze  kcuie  kan  meu  i 

n,  478. 

!)  Tergel.  Zetisberg.  B.  bS&. 

i)  ,^aU  capit.  QDesu.  et  Poid.  Lib.  inataU.,  I,  49. 

4)  Zeisaberg,  8.  SS9. 


Diltm  bij  Thei 


tegen  den  van  dag  tot  dag  sterker  wordenden  tegenstander 
te  bedienen!  De  waardigheid  van  aartsdiaken  van  Warschau, 
die  de  oom  ongetwijfeld  ann  zijnen  neef  had  toegedacht,  als 
hij  het  patronaat  verkreeg,  was  tie  laatste  onderscheiding, 
die  de  Roomsthe  kerk  aan  dezen  haren  begaafden ,  maar 
reeds  half  afvalligen  zoon  liet  ten  deel  vallen. 

Wij  dwalen  wel  niet,  wanneer  wij,  bij  de  zoo  uiterst  spaar- 
zame mededeelingen  juist  uit  dien  beslissenden  tijd,  aannemen, 
dat  onze  vriend  zich  reeds  met  éénen  voet  buiten  de  tent 
zijner  moederkerk  bevond.  Bereids  in  1536  bad  zich  het 
gerucht  verspreid,  alaof  Laski  bet  vaderland  verlaten,  en 
zich  naar  Wittenberg  zou  begeven  hebben,  ten  emde  zich 
bij  Lutber  en  Melanchthon  aan  te  sluiten.  Het  gerucht 
bleek  valscb  te  zijn,  maar  toont  nochtans,  waarop  men  tegen- 
over hem  reeds  destijds  in  Krakau,  van  waar  die  tijding  her- 
komstig  was,  meende  te  moeien  verdacht  zijn.  Een  boeiend 
schrijven  is  ons  bewaard  gebleven ,  dat  nader  over  dit  ge- 
rucht handelt.  ')  De  brief,  door  eenen  zekeren  Andreas  Fr, 
aan  Laski  gericht,  —  door  welke  verkorting,  gelijk  ik  ver- 
moed, de  ook  op  letterkundig  gebied  bekend  geworden,  in 
het  vervolg  tot  de  Evangelische  kerk  behoorende  Pool  en 
staatsman  Andreas  Fricius  Modrzewski  wordt  aange- 
duid,*) dien  wij  later  nog  een  paar  malen  zullen  ontmoeten, — 
houdt  bet  door  Sbigneus  te  Krakau  medegedeelde  gerucht 
voor  geenszins  onwaarschijnlijk ,  en  drukt  ook  niet  de  minste 
verwondering  er  over  uit.  Wij  kunnen  daaruit  opmaken,  hoe 
de  verandering,  die  bij  Laski  bad  plaats  gegrepen,  naar  de 
meenjng  zijner  vrienden  reeds  tot  genoegzame  rijpheid  gekomen 
was,  om  te  mogen  verwachten,  dat  hij  weldra  openlijk  voor 
haar  zou  uitkomen.  Reeds  destijds  bad  zich  in  Krakau  een 
kleine  kring  van  gelijk  gezinde  naturen  gevormd,  —  aan  het 
slot  van  ons  verhaal  zullen  wij  om  den  toegang  in  dien  kring 
verzoeken ,  —  die   bittere  klachten  —  de  brief  zelf  is  een 


I)  aabbenia,  psg.  19. 
Z)  Zie,  met  betrekking  tot 
p«g.  «1. 


aotcekeaiDgen  bij  Weagierski, 


J 


193 


bewijs  daarvoor  —  over  den  treurigen  toestand  van  Staat 
en  Kerk  aanhieven,  en  die  met  de  voortgangen  der  Her- 
vorming en  met  hare  leidslieden  in  nauwe  betrekking  ston- 
den. Wel  was,  omstreeks  een  jaar  te  voren,  door  een  zeer 
streng  koninklijk  bevelschrift  verboden  geworden  om  Witten- 
berg  te  bezoeken  i);  doch  daaruit,  dat  zulk  eene  verorde- 
ning noodzakelijk  geworden  was,  kan  men  opmaken,  welk 
eene  groote  menigte  van  Poolsche  studenten  zich  reeds  naar 
den  hoofdzetel  der  ketterij  begeven  had.  Zoo  als  de  men- 
schelijke  toestanden  nu  eenmaal  zijn ,  weten  wij ,  dat  ook 
de  strengste  bevelschriften  van  dien  aard  slechts  weinig 
baten,  gelijk  zij  ook  in  dien  tijd  slechts  weinig  hebben 
uitgewerkt. 

Modrzewski  schildert  in  zijnen  brief  op  uitvoerige  wijze 
de  dagen  der  Wittenbergsche  Concordia  (21 — 29  Mei  1536). 
Hetgeen  gedurende  deze  week  Bucerus  en  zijne  Opperduit- 
schers  met  Lu  the  r  verhandeld  hadden,  was  geheel  naar 
den  smaak  van  onzen  lateren  Laski,  en  het  is  als  eene 
schoone  voorspelling,  wat  het  gerucht  beweerde,  dat  hij  nl. 
juist  in  die  dagen  aireede  in  Wittenberg  geweest  was.  Eene 
zoo  verzoenlijke  hand  heeft  de  Duitsche  Hervormer  aan  de 
lieden  van  Straatsburg,  Augsburg  en  de  andere  Opper- 
duitsche  steden  nimmer  toegestoken,  als  op  dien  23»^i^  Mei, 
toen   hij  in  „eene  hoog  bezielde,  blijmoedige  en  vriendelijke 


1)  Vergel.  Kautz  (pag.  18),  en  aldaar  oit  het  aan  Peter  Kmita  gegevene 
berel  de  volgende  kenmerkende  plaats:  „quod  attinet  ad  eos,  qui  apud  Lu- 
themm  ve\  quoscunque  alios  factionum  istarum  principes  vitam  degunt,  iis 
omnino  aditum  ad  quas  vis  dignitates  et  magistratus  praecludemus  in  posterum. 
Qui  autera  post  publicatum  hoc  edictum  nostrum  vel  sua  voluntate  vel  jussu 
snomm  amicorum  ad  istos  ipsos  sectaram  novarum  anctores,  ut  eorum  dog- 
mata imbibant,  proficiscerentur ,  eos  vel  extorres  esse  jubemus  vel  severius  e 
consiliariorum  nostrorum  sententia  castigabimus ,  ne  illis  quidem  parcendo, 
qui  ipsis  auctores  ejus  rei  fuerint."  —  Acht  jaren  later  intusschen  heeft 
Sigismund  deze  Draconische  wet  verzacht,  en  aan  zijne  onderdanen  het  reizen 
naar  het  buitenland  weder  toegestaan.  Beeds  in  1539  bericht  de  bisschop 
van  Chelm  aan  den  Apostoliscben  nuntius  in  Duitschland,  Moroni,  dat  het 
koninklijke  bevelschrift  betreffende  het  bezoeken  van  Wittenberg  weinig  gebaat 
heeft.  Zijne  gronden  voor  deze  bewering  zijn  niet  geheel  hoven  allen  twijfel 
verheven.    (Vergel.  T  hein  er,  II,  527.) 

DALTOV.  13 


194 

stemming,  wier  gkns  hem  uit  de  oogen  straalde  en  op  z^n 
gelaat  lag  verspreid."')  niet  twisten  wUde  met  de  lieden, 
die  niet  konden  toegeven,  dat  de  goddeloozea  in  het  heilig 
Avondmaal  het  lichaam  des  Heeren  genieten.  Het  verschil 
tneschen  de  onderscheidene  gevoelens  was  innerlijk  niet  over- 
wonnen, maar  met  terzijdestelling  daarvan  kon  in  die  ééne  ure 
Lutber  aan  de  anderen  de  broederband  reiken.  Veel  vrijere 
meeningen  betreffende  het  Avondmaal,  dan  die  bier  werden 
toegelaten,  had  Laski  reeds  twaalf  jaren  vroeger  van  Ërasmas 
Tornomen,  alboe-vel  slechts  in  een  gesprek,  bij  gelegenheid 
van  een  symposion  met  eene  kleine,  uitgelezene  schaar;  uit 
de  wiJM  van  voorstelling  bij  Modrzewski  blijkt  duidelijk, 
dat  aan  onzon  Laski  de  ontwikkeÜDg  der  Avondmaalsleer 
sinds  die  dagen  niet  vreemd  is  gebleven. 

Niüt  rceda  in  \n3ü  verbrak  Laski  de  gemeenschap  met 
de  moederkerk.  ^}  Twee  jaren  later,  kort  nadat  hij  aartsdiaken 
van  Warschau  geworden  was,  verliet  hij,  voor  ons  oog  plot- 
seling, zijn  vaderland,  en  wel  met  het  bepaalde  voornemen, 
om  zich  zoodoende  te  gelijk  van  de  Roomsche  kerk  af  te 
scheiden.  Maar  die  ernstige  schrede  deed  hij  niet  heimelijk , 
als  oen  vluchteling.  Zijne  aanzienlijke  positie,  zoowel  in 
het  maatschappelijk,  nis  in  het  kerkelijk  leven,  had  hem 
vaak  in  persoonlijke  aanraking  met  den  Koning  gebracht , 
en  Sigiamund  bleef,  tot  bet  laatste  toe,  den  ernstigen  en 
zoo  uituemenden  man  zeer  genegen.  Een  bewijs  daarvan 
ie  de  roeping  van  Laski  tot  het  aartsdiakenschap,  nog 
in  1538;  ja,  daarbij  sluit  zich  de  verdere,  schitterende  onder- 
scheiding aan,  dat  do  Koning  hem  nog  in  hetzelfde  jaar  den 
vacanten    bisschopszetel   van  Cujavië  aanbood.     Het  feit  kan 


1)  KOBtliii,  II,  34a. 

2)  In  weerwil  van  de  Btellige  verklarïDg  van  UtciihoTu  ({"'S.  234:  „Pom> 
JuBniiea  a  Linco  l£i5G  tauduni  in  patriim  mvocalur,  uude  vigiiiti  VDplitu 
■UQoa  uomiao  religioois  apoule  aua  jam  eiuUrerat")  bctw'yfel  ik  de  juiath^d 
dor  tijd«bepalinK,  daar  Laoki  oouiogulijk  nog  twee  jiuir  nadat  hij  ap  eeoe  zoo 
iu  het  oog  loopüude  wijw  de  vaderlandBclio  Kerk  ïerlntcii  liad,  Wl  archidia- 
IWUII8  vau  Warscdiau  luu  hehben  kuuuun  beoodud  wurden.  Wij  mogea  in 
die  doguu  dersülijke  tijdubi-paliagHii  Diiit  loud  er  uaan keurig  otidenoek  aaunenieii. 


195 


toch  onmogelijk  geloochend  worden;  de  vriend,  die  twee  en 
twintig  jaren  later  de  lijkrede  over  hem  hield,  bevestigt  het 
luide  in  tegenwoordigheid  van  hen ,  die  tegen  het  gesprokene 
zouden  hebben  kunnen  opkomen.^)  Nauwelijks  was  Laski 
van  het  voornemen  des  Konings  verwittigd  geworden,  of  hij 
begaf  zich  tot  hem,  en  zette  onbewimpeld  de  gronden  voor 
hem  uiteen ,  die  hem  noodzaakten ,  om  zulk  eene  gunst  eer- 
biedig van  de  hand  te  wijzen.  Eergierigheid  prikkelde  hem 
niet,  althans  gewis  nu  niet  meer;  aan  den  vooravond  van 
zijnen  overgang  kon  hem  ook  do  bisschoppelijke  waardigheid 
niet  meer  weerhouden;  het  kruis  van  Christus  en  de  smaad 
en  vervolging,  aan  welke  een  prediker  des  Evangelie's  was 
blootgesteld,  kwamen  hem  begeerlijker  voor.  Het  strekt  ook 
den  Koning  tot  eer ,  dat  hij  zulk  eene  openhartige  verklaring 
wist  te  waardeeren,  en  alle  zijne  strenge  maatregelen  vergat 
en  voorbijzag  tegenover  den  adel  eener  gezindheid,  die 
aan  de  armoede  om  Christus'  wil  de  voorkeur  gaf  boven 
het  weelderige  leven  eens  bisschops.  De  Koning  wist,  dat 
hij  niet  vele  zulke  mannen  in  zijn  land  had.  Hij  verbood 
den  buitengewonen  man  de  reis  naar  het  buitenland  niet, 
ja,  hij  voorzag  Laski  goedgunstig  van  aanbevelingsbrieven 
aan  vreemde  vorsten.  Tot  aan  zijn  uiteinde  kon  Sigismund 
den  man  niet  vergeten.  2) 

Voorzeker  zal  onzen  vriend  het  afscheid  moeielijk  gevallen 


1)  Statorius,  pag.  6:  „Ipse  Johanncs  a  Lasco...  iustar  magni  illius 
iBraelitarum  ducis  probrum  Ghristi  fcrre  maluit  quam  adoptivus  Pharaonis 
filiae  guaturt  appellari.  Gum  enim  sibi  a  screnissimo  rcgc  Sigismnndo  Cuja- 
yenscm  cpiscopatum  iraditum  audivissct ,  ipsc  principem  adiit  et  ciir  id  munua 
•Qscipere  non  possct,  palam  ostondit,  quo  sapicntissimus  illc  rcx  non  modo 
non  est  oiTeiiüiiH,  «ed  et  ultro  commcndatias  litteras  ei  ad  omncs  principcH 
concessit." 

2)  Laski  zelf  sclirijft  dit  aan  den  zoon  des  Konings:  ,yAbii  ex  mea  patria 
et  scicntc  et  olementer  id  mihi  permittente  divo  olim  Majcstatis  tuac  patre, 
id  quod  tuae  ctiam  majestati  incognitum  non  esso  puto,  qui  me  ubi  jam  in 
Frisia  considissem,  honorifice  etiam,  pro  Begia  sua  in  me  dementia,  in 
patriam  nirsus  iiteris  suis  revoeabat,  egoque  illius  majestati  pariturus  cram, 
si  id  fidei  meae  professio  ministeriique  mei  in  Frisia  suscepti  ratio  passa 
fuioset"     (Euypcr,  II,  30). 

13* 


196 


zijn ,  toen  hij  aan  de  grena  van  zijn  land ,  eer  hij  Duitschland 
betrad,  het  laatst  vaarwel  aan  zijnen  geboortegrond  toeriep, 
en  nog  eenmaal  eenen  blik  achterwaarts  wierp  op  het  vader- 
land, dat  hij  met  al  den  vurigen  gloed  van  eenen  Pool  be- 
minde, en  van  hetwelk  bij  zich  thans  losrukte,  om  het  wellicht 
nimmer  weder  te  zien.  Nog  ééne  schrede,  en  de  beslissende 
teerling  is  gevallen.  Die  schrede  doet  hij,  gehoorzaam  aan 
de  goddelijke  stem  in  zijn  hart,  die  hij  reeds  spoedig  als 
Gods  genade  dankbaar  roemt.  Zij  hoeft  hem,  gelijk  eer- 
tijds den  Vader  der  geloovigen,  bevolen  om  uit  zijn  land, 
en  uit  zijne  maagschap,  en  uit  zijns  vaders  huis  te  gaan 
naar  een  hem  nog  onbekend  vergelegen  land ,  waarvan  hij 
slechts  wist,  dat  het ''t  land  zijn  zoude,  hetwelk  zijn  God 
hem  wijzen  wilde.  God  heeft  toch  van  velen  in  dien  heldentijd 
der  Hervorming  dat  zelfde,  zware  offer  geëiscbt,  en  de  schaar 
der  bannelingen  in  Genêve,  in  Zürich  en  in  zoo  menig  ander 
gastvrij  brandpunt  der  Hervorming,  die  tehuis  in  eenen  aan- 
zienlijken stand  hunne  dagen  aangenaam  hadden  doorgebracht, 
en  die  nu  het  schamele  brood  der  vreem delingschap  aten, 
strekt  ten  bewijze ,  dat  zij  gaarne ,  ter  wille  van  het 
heilige  kleinood  huns  geloofs ,  dat  offer  brachten ,  en  ook 
hunnen  Heer  daarvoor  prezen.  Maar  onder  die  blinkende 
beldengestalten  zijn  er  toch  niet  velen,  die  uit  zoo  machtig 
verleidelijke  omarmingen  zich  op  het  bevel  van  hunnen  Heer 
moesten  losrukken,  als  onze  Pool,  dien  wij  ginds  aan  de 
grens  van  zijn  vaderland  genaderd  zien.  Nog  lang  verneemt 
men  in  zijne  brieven  de  herinnering  aan  hetgeen  hij  destijds  heeft 
moeten  prijsgeven,  doch  het  is  niet  de  weemoedige  klaagtoon 
van  eenen  banneling,  die  den  ontweken  geboortegrond  vurig 
verlangt  weder  te  zien,  maar  veelmeer  de  juichtoon  van  hem, 
die  door  zulk  een  offer  tot  de  vrijheid  der  kinderen  Gods  is 
doorgedrongen.  Zoo  beschrijft  bij,  zes  jaren  later,  in  eenen  brief 
aan  zijnen  geloofsgenoot  BuUinger,  dien  tijd  met  de  vol- 
gende schoone  woorden:  „In  het  kort,  om  ook  u  de  weldaad 
en  goedheid  van  Christus  den  Heer  te  mijnen  opzichte  bekend 
te  maken,  ik  was  voorheen  een  hooggeëerd  Farizeër,  met 
vele  titels  en  waardigheden  versierd,  met  vele  en  rijke  pre- 


197 


benden  van  kindsbeen  af  overladen;  maar  nu,  nadat  ik  dit 
alles  uit  vrije  beweging  door  de  genade  Gods  achtergelaten , 
nadat  ik  mijn  vaderland  en  mijne  vrienden  vaarwelgezegd  heb  , 
dewijl  ik  zag,  dat  ik  in  hun  midden  niet  overeenkomstig  de 
dure  roeping  eens  christens  kon  leven,  nu  ben  ik  in  den 
vreemde  slechts  een  arme  knecht  van  mijnen  armen ,  voor  mij 
gekruisigden  Heer  Christus,  sedert  kort  alhier  (in  Friesland) 
dienaar  der  Kerk,  om  te  verkondigen  de  leer  des  Evangelie's, 
naar  den  wil  Desgenen,  die  mij  naar  zijne  barmhartigheid 
uit  de  strikken  der  Farizeërs  tot  zijne  kudde  geroepen  heeft"  ^) 
Aan  eenen  anderen  Zwitserschen  vriend  meldt  hij,  omstreeks 
deuzelfden  tijd,  den  beslissenden  stap  met  deze  woorden: 
„Op  jammerlijke  wijze  had  ik  al  mijnen  tijd  zoekgebracht 
in  velerlei  beslommeringen,  in  de  onrust  van  het  krijgsrumoer 
en  van  het  hofleven.  Maar  do  goede  God  heeft  mij  weder 
aan  mij  zelven  teruggegeven,  en  mij  midden  uit  het  Farizeïsme 
op  wonderbare  wijze  tot  de  ware  kennis  van  zijn  wezen  ge- 
roepen, —  Hem  zij  de  lof  in  eeuwigheid!  Amen.  Na  alzoo 
door  Gods  genade  aan  mij  zelven  te  zijn  wedergegeven,  waag 
ik  het,  de  Kerk  van  Christus,  die  ik  in  mijn  Farizeërschap 
uit  onwetendheid  liaatte,  naar  mijn  geringe  vermogen  te 
dienen,  en  ik  bid  God,  dat  het  Hem  in  zijne  barmhar- 
tigheid behage,  mijn  onaanzienlijk  penningske  nevens  de 
schitterende  gaven  van  anderen,  gelijk  eenmaal  het  pen- 
ningske der  weduwe  in  het  Evangelie,  niet  te  versmaden, 
maar  het  goedgunstig  tot  den  opbouw  van  zijne  Kerk  te 
doen  dienen.*'  ^) 

Zoo  heeft  ook  onze  vriend,  gelijk  alle  zijne  voorgangers, 
gelijk  ook  alle  zijne  navolgers  op  die  zelfde  moeielijke 
baan,  die  zij  in  den  naam  van  God  betraden,  nimmer 
eenig  leedwezen,  eenig  gevoel  van  smart  over  zulk  eene 
leiding  zijns  Heeren  ondervonden.  Integendeel,  hij,  gelijk 
al  de  overige   helden,   hebben   de  waarheid  mogen  ervaren 


1)  Kayper,  II,  569. 

2)  Ibid. ,  p.  583. 


van  bet  woord  liuns  Meesters  [Matth.  19:29]:  „Zoo  wie 
zal  verlaten  hebben  huizen ,  of  broeders  of  zusters ,  of 
vader  of  moeder,  of  vrouw  of  kinderen,  of  akkers,  om  mijns 
naams  wil,  die  zal  honderdvoud  ontvangen,  en  het  eeuwige 
leven  beëi-ven." 


II. 


^o^anne^  a  ^Sa^co 


afö  'PHoUsiani 


in  Puifscptanb  en  ingefanb. 


7. 


De  omzwerving  in  den  Vreemde. 


Het  was  in  't  jaar  1538,  waarschijnlijk  tegen  het  einde 
van  den  zomer,  dat  Johannes  a  Lasco  de  grens  van  zijn 
geboorteland  overschreed,  eu  den  Duitschen  bodem  betrad. 
Het  was  niet  slechts  een  vaarwelzeggen  van  het  vaderland 
en  een  trekken  naar  een  vreemd  gebied,  maar  veelmeer 
nog  een  verlaten  van  de  oude  Kerk,  een  losmaken  van  do 
innigste  banden  des  bloeds,  en  een  richten  van  zijne  schre- 
den naar  een  blauw  verschiet,  werwaarts  met  sterken  en 
onwederstaanbaren  aandrang  de  stem  van  God  hem  riep , 
die  hem  het  nog  onbekende  land  zijner  woning  zal  toonen. 
Onze  pelgrim ,  ginds  aan  de  grens  van  zijn  geboortegrond , 
bevond  zich  in  de  volle  kracht  van  zijnen  mannelijken  leef- 
tijd; weldra  heeft  hij  zijn  veertigste  jaar  achter  den  rug, 
een  schoone,  welgevormde  zoon  zijns  vaderlands,  met  een 
hoog  voorhoofd,  met  heldere,  groote  oogen,  met  een  scherp 
geteekenden  neus,  rondom  den  gesloten  mond  de  vaste  uit- 
drukking van  een  ongebogen,  sterken  wil,  geheel  zijne  krach- 
tige verschijning  vol  adel,  eene  belangwekkende,  ernstige 
mannelijke  gestalte.  Zij,  die  hem  in  die  moeielijke  dagen 
voor  't  eerst  gezien  hebben ,  bewonderen  in  zijne  mannelijke 
verschijning  de  ernstige  waardigheid,  die  op  zijn  gelaat  lag 
verspreid ,  verbonden  met  eenen  trek  van  beminnelijke  vrien- 
delijkheid, ja,  de  geheele  verhevenheid  van  zijn  voorkomen, 
dat  hem  aanstonds  als  eenen  held  deed  kennen.  ^) 


1)  Gerdes,  UI,  83. 


202 


Het  oog  zijns  geestes  vond  het  lantl  der  Hervorming  merk- 
baar veranderd  sedert  de  <lagen,  die  nu  echter  ook  reeds 
twaalf  jaren  achter  hem  lagen,  toen  hij  ginds,  op  het  aan- 
grenzend gebied  en  van  uit  het  stille  vertrek  bij  Ërasmus, 
de  hooggaande  beweging  opmerkzaam  had  gadegeslagen. 
Toenmaals  was  de  geheele  beweging  nog  in  volle  gisting, 
en  slechts  het  eerste  bobbelende  schuim  lag  voor  de 
poort  van  den  grooten  humanist  te  Bazel.  Erasmus  had 
zijnen  beslissenden  kamp  met  Luther  juist  aangevangen; 
den  huisgenoot  van  den  eerstgenoemden ,  die  in  die  dagen 
algemeen  als  het  hoofd  der  humanisten  erkend  werd,  kon 
het  nog  twijfelachtig  voorkomen,  of  de  zoo  duchtig  er  op 
inbouwende  Hervormer  aan  het  eind  als  overwinnaar  uit  den 
strijd  zou  wederkeeren,  —  en  van  de  overwinning  was  het 
bestaan  der  Kerk  afhankelijk.  De  geest  der  Hervorming, 
die  zich  met  de  kracht  van  een  stormwind  verhief,  en 
die,  uit  het  gemoed  voortgekomen,  nu  ook  de  geheele 
ziel  des  volks  in  haren  dicpsten  grond  aangreep,  had  ook 
andere  krachten ,  die  reeds  zeer  lang  opeengehoopt  waren , 
ontboeid.  Deze  baanden  zich  onstuimig  eenen  weg,  en  vor- 
derden onverbiddelijk  vrijmaking,  ook  van  de  Hervorming,  en 
toch  lag  hare  bron  op  verren  afstand,  op  een  ander  ge- 
bied. Het  was  nog  zeer  onzeker,  hoedanig  de  uitslag  zijn 
zoude,  en  of  het  aan  de  Hervorming  zou  gelukken,  om  aan 
de  verschillende  vreemdsooiidge  eischen  wederstand  te  bieden, 
en  de  onstuimige  strijdgenooten  van  zich  af  te  scheiden,  die 
vermetel  en  radicaal  ook  den  bodem  van  het  Evangelie  ver- 
lieten, en  hun  eigen  spoor  vervolgden. 

De  toestanden  waren  in  den  tusschentijd  wezenlijk  helder^ 
der  geworden.  Duidelijk  en  beslist  was  uit  de  worsteling  van 
tegenstrijdige  elementen  de  scherp  geteekende  gestalte  der 
Gereformeerde  kerk,  gelijk  zij  toenmaals  heette,  te  voor- 
schijn getreden.  Men  las  in  hare  trekken  den  heeten  strijd, 
in  welken  zij  zich  haar  recht  bevochten  had,  en  te  gelijk 
ook  de  heilige,  blijmoedige  geestdrift,  die  elke  strijd  om  het 
Evangelie  den  belijder  inboezemt.  De  jeugdige  kerk  der  Her- 
vorming, in   haar  hooggestemd  gevoel  en  bewustzijn  van  dit 


203 


haar  goddelijk  recht,  kon  nu  rustiger  de  behaalde  overwinning 
zichten  nutte  maken.  In  den  Retscher  te  Spiers  heeft  zij,  in  1529, 
tegen  het  besluit  van  den  rijksdag  hare  protestatie  ingebracht, 
en  hare  aanhangers  waren  nu  Protestanten  geworden,  tegen- 
partij voorzeker,  maar  ook  partij,  gelijk  in  rang  met  de 
tegenover  haar  staande  Roomsche  kerk.  Een  jaar  later  over- 
handigde reeds  de  jeugdige  heldin,  op  de  rijksvergadering 
te  Augsburg,  aan  Keizer  en  rijk  hare  confessie,  in  welke  zij 
nog  een  weinig  al  te  zeer  op  de  overeenstemming  met  de 
oude  moederkerk  den  nadruk  legde,  en  liever  de  verschillen 
nog  niet  scherp  deed  uitkomen ,  die  toch  reeds  duidelijk  aan 
den  dag  traden.  Maar  deze  handelwijze  was  wellicht  de  ver- 
standigste ;  de  tegenstander  voelde  zich  niet  genoopt  om  zijne 
pen,  gelijk  eenige  heethoofden  wenschten,  in  bloed  te  doopen; 
zijne  erbarmelijke  wederlegging  met  inkt  verhoogde  slechts 
den  moed  der  jonge  heldin.  Weder  een  jaar  later  'zien  wij 
de  protesteerende  Stenden  in  het  Smalkaldische  verbond  zich 
tot  onderlinge  bescherming  en  verdediging  enger  aaneen- 
sluiten; het  waren  manhafte  en  bekwame  vorsten,  die  dit 
Verbond  tot  zijne  hoofden  verkoos.  De  Keizer  en  zijne  lieden 
hadden  voortaan  met  dezen  bond  te  rekenen;  uit  den  godsdienst- 
vrede te  Neurenberg,  in  1532,  blijkt,  dat  Kar  el  V  inderdaad 
tot  zulk  een  rekenen  met  genoemden  bond  besloot.  Beide  partijen 
beloofden  plechtig,  den  vrede  te  zullen  bewaren,  totdat  een 
eerstdaags  zamen  te  roepen  concilie  over  deze  geheele  aan- 
gelegenheid eene  beslissing  zou  genomen  hebben.  De  prote- 
stantsche  Stenden  waren  in  die  dagen  reeds  zóó  machtig 
geworden,  dat  zij,  naar  het  oordeel  der  kundigsten,  den 
Keizer,  die  van  meer  dan  ééne  zijde  in  het  nauw  gebracht 
was ,  nog  veel  belangrijker  concessiën  zouden  hebben  kunnen 
afdwingen.  De  innig  godsdienstige  karaktertrek  der  Duitsche 
Hervorming  wederhield  hen  meerendeels ,  om*  zich  de  meer 
voordeelige  politieke  stelling  te  verwerven. 

Maar  de  geweldige  bewegingen  op  staatkundig  gebied,  die 
alle  landen  van  Europa  als  in  eenen  maalstroom  dreigden 
mede  te  slepen ,  bevorderden  op  onverwachte  wijze  het  duur- 
zaam   bestaan    der    naar    Gods    Woord    hervormde    kerk. 


Reeds  eenmaal  ytouden  wij  aan  de  plek,  waai'  deze  maal- 
atroom  zijne  geweldigste  golven  opwierp.  Op  de  uitgestrekte, 
vruchtbare  vlakten  van  Hongarije  scheen  het  eeu  oogenblik, 
alsof  het  lot  van  Europa  voor  eeuwen  beslist  moest  worden, 
en  wel  in  den  hloedigen  strijd  der  beide  pretendenten  naar 
de  kroon  van  dat  land,  een  strijd,  die  aan  de  eene  zijde 
den  zegevierenden  Soliman  met  zijue  bloeddorstige  horden 
tot  onder  de  muren  van  Weenen  deed  doordringen,  en  die  aan 
deu  anderen  kant  de  tegen  elkander  vijandige  staatkunde 
van  Karel  V  en  van  Frans  I,  en  van  hen,  die  zich  in  het 
wisselvallige  krijgsgeluk  rondom  hen  schaarden,  tot  een  be- 
slissend keerpunt  scheen  te  zullen  brengen.  Keizer  Karel 
mocht  bij  deu  ernstigen  strijd  aan  de  Duitsche  protestantsclie 
Steuden  geen  aanleiding  geven,  om  zich  zijnen  vijanden  in  de 
ai'men  te  werpen,  en  moest  uit  dien  Jioofde  aim  hunne  zijde 
zeer  veel  door  du  vingers  zien,  wat  hij  gewis  onder  andere 
omstandigheden  te  vuur  en  te  zwaard  zou  heblien  onderdrukt. 
Koning  Frans,  zelf  katholiek,  en  niet  voornemens  om  de  evan- 
geUsche  beweging  in  zijn  rijk  in  't  minst  te  bevorderen,  dong 
naar  de  gunst,  en  in  den  diepsten  grond  der  zaak  naar  het 
bondgenootschap  der  Proteatantsche  vorsten.  Dit  laatste  ont- 
ging hem,  wel  is  waar,  doch  liet  voordeel  van  deze  politieke 
strooming  kwam  aan  de  Protestanten  in  die  jaren  ten  goede. 
Voor  het  Protestantisme ,  wat  zijue  staatkundige  positie 
betreft,  waren  de  gebeurteoiasen  op  het  wereldtooneel  in 
dit  vierde  decennium  slechts  bevorderlijk  geweest.  Datgene 
wat  het  belette ,  om  de  volle  vrucht  van  zijnen  arbeid  te  ver- 
krijgen, kwam  in  zijn  eigen  midden  op  eene  wijze  aan  den 
dag,  die  voor  de  geheele  toekomst  onheilspellend  moest 
heeten.  De  samenkomst  te  Marburg  had  duidelijk  de  ver- 
schillende geestesrichting  van  de  beide  hoofden  der  beweging, 
Luther  en  Zwingli,  op  een  beslissend  punt  in  het  licht 
gesteld ;  de  schaduwen  dezer  beide  gestalten  legerden  zich 
van  nu  voortaan  op  de  scharen,  die  hunne  leiding  volgden, 
eo  gaven  haar  verschillende  omtrekken.  Het  recht,  om  hunne 
persoonlijke  overtuiging  te  hebben  laten  gelden,  wordt  aan 
geen  van  deze  beide  mannen  betwist;    de  grootste  en  harte- 


205 


lijkste  gympaihie  echter  koesteren  wij  voor  de  handelwijze  van 
dien  leider^  die,  met  terzijJestelling  van  het  onbeslecbte  ge- 
schilpunt, aan  den  Duitschen  Hervormer  de  broederband 
reikt,  en  die  met  tranen  zien  moest,  dat  zij  geweigerd  wordt. 
Hoe  onuitsprekelijk  veel  leed  heeft  sinds  dien  dag  de  Evan- 
gelische kerk  getroffen,  die  in  die  afgewezene  hand  de  ver- 
deeldheid  in  baar  eigen  binnenste  zag  overgebracht.  „Gijlieden 
hebt  eenen  anderen  geest ,  dan  wij !"  Dat  noodlottige ,  betreu- 
renswaardige woord  werd  tot  een  soort  van  parool,  hetwelk  de 
strijdgenooten  in  twee  legers  verdeelde,  tusschen  welke  ver- 
volgens de  gemeenschappelijke  tegenstander  op  de  behendigste 
wijze  zijne  gevaarlijkste  wigge  indreef.  Wel  gevoelde  men, 
zoowel  aan  de  eene,  als  aan  de  andere  zijde  de  behoefte, 
om  de  nog  nauwelijks  merkbare  scheur  eerder  aan  te  vullen, 
dan  te  verbreeden,  ten  einde  niet  zelve  door  eigene  twee- 
dracht de  Roomsche  kerk  in  de  hand  te  werken.  Bij  de 
steden  in  Opper-Duitschland  en  in  de  Zwitsersche  gewesten 
was  die  behoefte  het  levendigst;  bij  de  anderen  bleef  de  neiging 
zich  openbaren,  om  zich  voor  de  vermenging  met  dien  ge- 
waanden  anderen  geest  te  wachten.  Maar  ook  Lu t her  erkende 
de  noodzakelijkheid  eener  toenadering,  en  overwon  voor  eenen 
tijd  zijne  bedenkingen  tegen  iedere  aanraking  met  de  Sacra- 
mentisten.  Bucerus,  die  onvermoeid  werkzaam  was,  om 
eene  verzoening  tot  stand  te  brengen,  vond  in  Wittenberg 
aan  Melanchthon  eenen  wezenlijken  steun  bij  zijne  edele 
pogingen.  Luther  zag  zwijgend  toe,  en  liet  aan  de  zaak 
haren  vrijen  loop,  ja  —  wij  hebben  daarvan  reeds  gespro- 
ken, —  men  meende,  dat  Laski  zich  reeds  in  Duitschland  be- 
vond op  dien  belangrijken  dag,  die  voor  een  oogenblik  in  het 
leven  scheen  geroepen  te  hebben,  wat  dan  later  de  ijverigste 
levenstaak  van  onzen  vriend  geworden  was.  Den  298*en  Mei 
1536  werd  in  de  Wittenbergsche  Concordie  eene  soort  van 
Unie  tot  stand  gebracht,  en  ook  mede  door  Luther  onder- 
teekend. Welk  eene  vreugde  heeft  deze  stap,  alsmede  de 
brieven  van  Luther,  die  zich  voorts  daarbij  aansloten, 
in  Zwitserland  en  in  geheel  Opper-Duitschland  teweegge- 
bracht!    Zürich    zond,    in    den    zomer    van    1538,    eenen 


gouvernementsbode ,  in  de  Ziirichsche  kleureu  en  met  de 
Zürichscbe  eereteekenen ,  uaar  Wittenberg,  met  een  schrijven 
van  den  edelen  BuUiuger,  hetwelk  met  deze  schoone  woor- 
den eindigt:  „God,  onze  heraelsche  Vader,  die  de  Heer  is 
der  legerscharen ,  de  Vader  aller  barmhartigheid  en  aller  ver- 
troosting, ontsteke  in  ons  wederzijds  door  zijnen  Heiligen 
Geest  het  vuur  zijner  goddelijke  liefde,  opdat  wij  het  christe- 
lijke werk  dezer  Coneordie  tot  heiliging  en  eer  van  zijnen 
heiligen  naam ,  alsook  tot  zaligheid  veler  zielen ,  ten  spijt  van 
den  Satan  en  van  de  wereld,  mitsgaders  van  alle  hunne 
factiën,  door  de  genade  Gods  gelukkig  mogen  in  staud  bou- 


Omstreeks  dezen  tijd  betrad  Laski  bet  geboorteland  der 
Hervorming.  Alsof  in  de  leiding  zijns  levens  God  dat  oogen- 
blik  had  afgewacht,  waarin  de  persoonlijkheid  op  bet  tooneel 
der  handeling  verschijnen  moest,  die  in  haren  geheelen  aanleg 
bet  uitverkoren  werktuig  scheen  te  zijn,  om  op  den  grond- 
slag dezer  Coneordie  aan  het  gebouw  der  Hervorming  verder 
te  ai'beiden!  Maar  Gods  wegen  zijn  toch  niet  onze  wegen. 
De  vreemdeling,  die  aan  Polen  en  aan  de  Roomsche  kerk 
den  rug  heeft  toegewend,  werd  eerst  langs  verre  omwegen 
tot  zijnen  arbeid  geleid. 

Laski  richtte  zijne  schreden  niet  allereerst  naar  Wittenberg, 
alwaar  hij ,  volgens  het  vermoeden  van  zijnen  vriend ,  reeds 
twee  jaren  te  voren  zou  hebben  vertoefd.  Het  schijnt,  dat  bij 
den  grooten  Hervormer  opzettelijk  ontweken  is,  hetzij,  dat 
hij  de  herinnering  aan  het  beeld  van  Lutber,  dat  hij  zich 
voorheen  in  de  omgeving  van  Erasmus  gevormd  had,  nog 
niet  geheel  te  boven  gekomen  was,  hetzij,  dat  bij  aan  zijnen 
koning,  die  het  hoog  aanzienlijke  landskind  had  laten  trek- 
ken, beloofd  bad,  om  den  onmiddellijken  omgang  met  dezen 
meest  gevreesden  ketter  te  vermijden.  Maar  ook  wat  de  Her- 
vormers op  de  andere  linie  betreft,  vermeed  hij  nog  in  het 
eerst  hunne  persoonlijke  ontmoeting.  In  Zwitserland  zou  hij 
spoedig   de   oude    betrekkingen   weder   hebben   kunnen  aan- 


207 


knoopen.  De  onversaagde  Zwingli  was,  wel  is  waar,  reeds 
op  het  bloedige  slagveld  als  een  dappere  Zwitser  gevallen, 
en  ook  Oecolampadius,  de  wakkere  Hervormer  in  Bazel, 
was  door  zijnen  Heer  en  Meester  reeds  uit  de  strijdende 
Kerk  in  de  triomfeerende  opgeroepen.  Maar  Pel  lic  anus 
stond  daar  nog  trouw  en  onwankelbaar  op  zijnen  post  aan 
den  Rijn,  en  Bazel,  waaraan  onze  vriend  zich  in  vroeger  dagen 
zoozeer  gehecht  had,  als  een  student  aan  zijne  muzenstad, 
had  zonder  veel  strijd,  met  bedaarden,  gelijkmatigen  tred 
het  pad  der  Hervorming  ingeslagen,  terwijl  in  Zürich  Bul- 
linger  arbeidde,  die  in  latere  jaren,  als  een  geestverwant 
van  Laski,  zoo  innig  met  dezen  verbonden  was.  Verder  in 
het  zuiden,  aan  de  bekoorlijke  oevers  van  het  meer  van 
Genève ,  werkte  met  onvermoeiden  ijver  en  in  de  kracht  van 
eenen  profeet  des  Ouden  Testaments  F  ar  el,  dien  onze  Pool 
voorheen  in  Bazel  als  vluchteling  had  leeren  kennen ,  nevens 
hem  echter  ook  reeds  zijn  leermeester  Cal v ij n,  beide  helden 
kort  te  voren  uit  Genève  verdreven,  omdat  zij  te  groot  en 
te  streng  waren  voor  het  volk,  dat  aldaar  in  uiterlijke  ver- 
makelijkheden zijn  leven  genieten  wilde,  beiden  met  helden- 
moed vervuld,  want  zij  hadden  hun  lot  in  den  trouwen  dienst 
van  hunnen  Heer  ondervonden.  Met  dezelfde  onverbiddelijke 
gestrengheid,  met  denzelfden  vurigen  ijver  der  liefde  stond 
Farel  reeds  weder  aan  den  anderen  oever  van  het  meer, 
en  spande  onophoudelijk  zijne  krachten  in,  om  den  wandel 
der  christenen  in  Neuenburg  [Neuch&tel]  Gode  te  heiligen. 
Calvijn  was  verder  getrokken;  te  Straatsburg  had  hij  eenen 
kansel  gevonden,  om  het  Evangelie  te  verkondigen.  Welk 
eenen  machtigen  indruk  zou  hij  op  den  vluchteling  uit  Polen 
hebben  moeten  maken!  En  nog  zoo  menige  andere  aanzien- 
lijke gestalte  zou  ginds,  in  de  schoone  Duitsche  rijksstad, 
onzen  Laski  in  die  dagen  geboeid  hebben,  gelijkgezinde 
naturen,  die  wel  spoedig  aan  zijn  denken  en  trachten  haar 
bijzonder  merk  zouden  hebben  ingedrukt,  niet  zeer  ver- 
schillend van  den  eigenen  stempel,  dien  hij  in  de  toekomst 
vertoonen  zou. 

Wij   kennen,  helaas ,  de   beweeggronden   niet,   die   onzen 


208 


vriend  bewogen  hebben,  om  eenen  anderen  weg  in  te  slaan. 
Op  den  eersten  aanblik  komt  die  weg  ous  voor  als  een 
spel  des  toevals,  als  het  tergend  uit  den  koers  geslagen 
worden  van  een  schipbreukeling;  bij  een  dieper  doordringen 
echter  erkunnen  wij  de  leiding  des  Heeren,  die  het  lot  der 
menscheu  bestiert  als  waterbeken.  Allereerst  zien  wij  de 
gestalte  van  onzen  zwerver  in  Frankfort  aan  de  Main  te 
voorschijn  komen,  ongeveer  omstreeks  den  tijd,  waarin,  tegen 
het  einde  van  den  herfst,  uit  de  meest  verwijderde  plaatsen 
de  boekdrukkers  met  hunnen  voorraad  van  nieuwe  boeken 
in  de  reeds  toenmaals  zoo  belangrijke  koopstad  op  de  mis 
plachten  bijeen  te  komen.  Ook  uit  Krakau ,  uit  Thorn ,  uit 
Posen  en  uit  Breslau  trokken  de  lieden  naar  de  Main, 
meestal  in  engere  aaneensluiting,  ten  einde  zich  zelven  en 
hunne  waren  op  de  onveilige  heii-banen  gemakkelijker  te 
kunnen  verdedigen.  Laski  nam  zijnen  intrek  in  het  huis 
van  een  zekereu  Hadrianus,  die  een  boekhandelaar  op  den 
Lieve- Vrouwenberg  moet  geweest  zijn,  en  die  ook  nog  in 
latere  jaren  inkoopen  van  boeken  voor  hem  bewerkstelligde , 
en  zich  ook  met  andere  commisaiea  voor  hem  belastte,  een 
Nederlander  van  afkomst,  die  echter  Frankforter  burger  ge- 
worden was  '),  Wellicht  had  juist  de  boekenmis  den  Pool 
bewogen,  om  zich  naar  de  stad  aan  de  Main  te  begeven. 
Want  immers  niet  juist  ieder  nieuw  verschijnsel  op  het  ge- 
bied van  de  literatuur  der  Hervorming  had  door  de  scherp 
bewaakte  versperring  aan  de  vaderlandsche  grenzen  heen 
kunnen  dringen,  en  zulk  eene  mis  bood  de  gunstigste  gele- 
genheid aan ,  om  de  eene  of  andere  tehuis  verbodene  en 
ontbeerde  vrucht  te  genieten,  en  zich  met  den  tegenwoor- 
digen  stand  der  geestelijke  dingen  vertrouwd  te  maken.  Of, 
gu  met  welke  aanzienlijke  persoonlijkheden  der  stad  Laski 
bij  dit  zijn  eerste  verl)lijf  te  Frankfort  in  aanraking  kwam, 
dienaangaande  bieden  ons  de  goed  geordende  archieven  der 
stad  volstrekt  geen  uitsluitsel,  üe  vrije  rijksstad  met  hare 
krachtige   zouen,   die   door   een  levendig  onafhankelijkheids- 


1)  „Rdtgiaoilisadluiigen ," 


leilage,  S.    50. 


209 


gevoel  bezield  waren,  had  zich,  wat  de  meerderheid  harer 
inwoners  betreft,  aan  de  Hervorming  aangesloten,  destijds 
nog  met  eene  sterke  voorliefde  voor  de  richting,  die  van 
Zwingli  en  van  de  steden  in  Opper-Duitschland  uitging. 
Binnen  de  muren  der  stad  leerde  hij  eenen  vreemdeling  ken- 
nen, en  sloot  met  hem  een  innig  vriendschapsverbond,  dat 
in  zeker  opzicht  voor  geheel  zijn  volgend  leven  beslissend 
werd.  Op  reis  naar  Italië  was  Albert  Hardenberg  uit  de 
Nederlandeu  door  eene  hardnekkige  koorts  aan  het  ziekbed 
gekluisterd  geworden.  Mogelijk  lag  hij  wel  krank  in  dezelfde 
herberg ,  waar  onze  vriend  zich  bevond.  Ongeveer  een  tiental 
jaren  jonger  dan  La  ski,  en  in  een  niet  al  te  verren  graad 
met  paus  Adriaan  verwant,  had  Hardenberg  zich  reeds 
als  knaap  in  het  beroemde  fraterhuis  te  Groningen  begeven, 
dat  aan  den  edelen,  hoogbegaafden  Johannes  Wessel  zijn 
ontstaan  en  aanzien  te  danken  had.  Toen  hij  tot  een  ernstig 
jongeling  was  opgegroeid^  verwisselde  hij  het  vrome  fraterhuis 
met  het  nabijgelegen  klooster  der  Bernardijnen  te  Aduard, 
dat  in  die  dagen  insgelijks  in  hoog  aanzien  stond.  Zijn  leer- 
meester, Gosuinus  van  Halen,  had  hem  wellicht  den  raad 
gegeven,  om  zich  in  dit  klooster  te  vestigen,  waar  mannen 
als  Rudolf  Agricola,  Johannes  Wessel  e.  a.  eenmaal 
gearbeid  hadden,  en  aangaande  hetwelk  hij  zelf  verklaard 
heeft:  .,Als  gij  vroeger  in  Friesland  een  geleerde  gezocht 
hadt,  dan  zoudt  gij  hem  in  Aduard,  of  anders  nergens  ge- 
vonden hebben."^)  Toen  hij  twintig  jaren  oud  was,  begaf 
zich  Hardenberg,  in  de  witte  monnikspij  met  het  zwarte 
scapulier  der  Bernardijnen  gehuld^  naar  Leuven,  ten  einde 
.den .  achtjarigen  cursus  in  de  theologie  tot  aan  het  bacca- 
laureaat te  doorloopen.  Wegens  zijne  meer  vrijzinnige  denk- 
beelden was  hij  bij  de  strenggeloovige  professoren  in  dis- 
krediet geraakt,  en  had  het  plan  gevormd,  om  ten  tijde  van 
de  herfstmis,  in  1Ö38,  over  Frankrijk  naar  Italië  te  reizen. 
Zijne  hardnekkige  krankheid  deed  hem  van  voornemen  ver- 
anderen.   In    plaats    van    naar   Italië    begaf   hij    zich  naar 


1)  Spiegel,  S.  11. 

DALTON.  14 


210 


Mainz,  ten  einde  aan  de  hoogeschool  aldaar  de  doctorale 
waardigheid  te  verwerven.  Zijn  nieuwe  vriend  vergezelde  hem 
naar  de  niet  ver  verwijderde  stad,  die  in  die  dagen,  hoofd- 
zakelijk door  den  glans  harer  universiteit,  den  bijnaam  van 
„het  gulden  Mainz"  verkregen  had. 

Juist  destijds  waren  woelige  dagen  voor  Mainz  aangebro- 
ken. Na  eene  afwezendheid  van  verscheidene  jaren  had  ein* 
delijk  keurvorst  Albrecht  van  Mainz  voor  den  steeds  onstui- 
miger aandrang  moeten  zwichten ,  en  was  van  Halle  uit 
naar  zijne  bisschopsstad  teruggekeerd.  Van  Februari  tot  Juni 
1539^)  hield  hij  zijn  verblijf  in  Mainz,  niet  als  een  geestelijk 
herder,  die  bovenal  voor  het  zielenheil  der  hem  toevertrouwde 
kudde  zorg  draagt,  maar  veeleer  als  eén  wereldlijk  vorst,  in 
wiens  aderen  het  bloetl  van  het  geslacht  Hohenzollem  bruist, 
ijverig  zich  bezig  houdende  met  huurlingen  te  werven,  en 
hen  zoo  spoedig  mogelijk  voor  den  krijgsdienst  te  dresseeren. 
Is  de  meermalen  voorkomende  opgave  juist,  dat  nl.  Laski 
door  zijnen  Koning  bij  zijne  reis  van  aanbevelingsbrieven  is 
voorzien  geworden,  dan  was  daaronder  gewis  óók  een  schrij- 
ven aan  des  Konings  bloedverwant,  den  Keurvorst  en  Kar- 
dinaal, in  wiens  hand,  meer  dan  ééns,  het  toekomstig  lot 
van  Duitschland  zou  hebben  berust,  indien  de  zedelijke  ernst, 
de  godsdienstige  diepte  van  zijn  karakter  in  evenredigheid 
geweest  ware  met  zijne  macht.  Omstreeks  dien  tijd  kon  de 
wereldschgezinde  kerkvorst  onzen  Laski,  indien  hij  al  met 
hem  persoonlijk  in  aanraking  gekomen  is,  niet  meer  tot  weg- 
w\jzer  strekken.  Vijf  en  twintig  jaar  vroeger  zou  het  mis- 
schien anders  geweest  zijn.  Dat.  was  nog  de  schoone  tijd , 
toen  de  van  ijver  voor  de  wetenschap  blakende  en  kunst- 
lievende  vorst  met  Hutten  bevriend  was,  en  met  oprechten 
eerbied  aan  den  koninklijken  geest  van  E  ras  mus  zijne  innige 
hulde  bewees.  Destijds  was  de  hooggeplaatste  kerkvorst  bezield 
door  den  vurigen  wensch,  om  zijne  hoogeschool  te  Mainz  in 
eene  modelschool  voor  de  humaniteitsstudiën  te  herscheppen , 
en  te  gelijk  ook,  geheel  in  den  geest  van  den  groeten  Duit- 


1}  May,  II,  331. 


211 


schen  humanist,  eenen  reformatorischen  invloed  op  de  Kerk 
uit  te  oefenen.  Het  Humanisme  betoonde  zich,  ook  onder  zijne 
machtige  handen,  buiten  staat,  om  zulk  een  groot  werk  te 
volvoeren.  Ook  aan  dezen  zijnen  bezielden  jonger  ontbrak 
daartoe  de  zedelijke,  heilige  ernst,  die  den  mensch  bekom- 
merd doet  zijn  over  de  zaligheid  zijner  eigene  ziel;  ook  hij 
moest  zijn  voornemen  zien  mislukken,  omdat  hij  vergat,  dat 
het  heiligdom  niet  door  geleerde  of  huifianitaire,  maar  slechts 
door  heilige  handen  gereinigd  kan  worden.  De  praalzieke 
keurvorst  wilde  het  leven  genieten  op  gelijke  wijze,  als  in 
die  dagen  de  Mediceër  op  den  pauselijken  stoel  zulks  deed, 
wellicht  met  wat  meer  Duitschen  ernst,  maar  beider  geestes- 
richting is  in  den  grond  dezelfde.  Keurvorst  Albrecht  en 
onze  La  ski  waren  van  de  humaniteit  en  haren  grootmeester 
uitgegaan;  de  verdere  loop  hunner  geestelijke  ontwikkeling 
voerde  hen  echter  steeds  verder  van  elkander  af,  en  in  dat 
zelfde  voorjaar  van  1539  was  er  tusschen  deze  beiden  reeds 
geen  aanrakingspunt  meer.  De  een  was  opgeklommen  tot 
de  waardigheid  eens  kardinaals,  ja  had  zelfs  de  vurig  ge- 
wenschte  gouden  roos  van  den  Paus  mogen  ontvangen,  maar 
had  tevens  op  de  ondubbelzinnigste  wijs  met  de  Hervorming 
gebroken.  Hij  stierf,  diep  geërgerd  over  den  loop  der  ge- 
schiedenis, die  hem  in  haar  streng  gericht  onverbiddelijk 
ter  zijde  geschoven  had,  terwijl  hij  tot  in  zijn  stervensuur 
door  zijne  schuldeischers  gekweld  werd.  Bovendien  valt  op 
zijn  zielloos  overschot  de  sombere  schaduw  van  den  ellendigen 
aflaatkramer  met  zijn  smadelijk  bedrijf,  waarvan  de  opbrengst 
voor  de  helft  in  de  geldkist  van  den  pronkzieken  keurvorst 
terechtkwam,  zonder  die  echter  te  kunnen  vullen.  De  levens- 
weg van  den  ander  bracht  hem  in  de  Evangelische  kerk.  Alle 
zijne  kerkelijke  prebenden  en  waardigheden  —  en  hij  zou 
wellicht  in  zijn  vaderland  tot  een  even  hoogen  rang  hebben 
kunnen  opklimmen,  als  Albrecht  in  Duitschland,  —  had  hij 
uit  eigen  beweging  en  in  een  heiligen  drang  des  gewetens 
prijsgegeven,  om  niets  te  zijn  dan  een  arme  knecht  van  zijnen 
éénigen  Heer,  van  nu  voortaan  ten  allen  tijde  gereed  en 
bereid,  zich  een  krijgsknecht  van  Christus  te  toonen. 


Ge()urende  bijkans  een  jaar  schijnt  Laski  zicli  in  Mainz 
op  zijne  ernstige  studiën  te  hebben  toegelegd,  terwijl  hij 
zich  verre  hield  van  hetgeen  in  de  bisschoppelijke  staatsie- 
vertrekken de  geesten  in  beweging  bracht,  indien  wij  hem 
althans  niet  ook  reeds  in  dien  tijd  bereids  in  de  Nederlanden 
te  üoeken  hebben.  Onze  bronnen  laten  ons  met  betrekkin"  tot 
dat  jaar  in  den  steek;  alles  schijnt  echter  aan  te  duiden,  dat 
het  verblijf  in  Leuven  langer  gedunrd  heeft,  dan  het  korte 
tijdsverloop,  dat  overblijft,  wanneer  wij  onderstellen,  dat  Laski 
tot  aan  de  promotie  van  zijnen  vriend  in  Mainz  getoefd  heeft, 
en  niet  liever  aannemen ,  dat  hij  zich  voor  die  plechtigheid 
nit  de  Nederlnn'len  derwaarts  gespoed  heeft.  Tijdens  zijn 
dingen  naar  den  dnctoralen  hoed  hield  zijn  vriend  voor- 
lezingen over  de  hoeken  der  Sententiën  en  over  eenige  Brie- 
ven van  Paulus.  Vooral  de  laatstgenoemden  moesten  nood- 
zakelijk de  beide  mannen  in  hunne  reformatorische  denkbeel- 
den bevestigen.  Vóór  het  einde  des  jaars  h.id  Hardenberg 
de  vurig  verlangde  waardigheid  verkregen.  Laski  was  bij  de 
promotie  tegenwoordig.  De  Eradensche  bibliotheek  bezit  nog 
het  boek,  dat  hij  bij  deze  gelegenheid  aan  den  met  den 
doctoralen  hoed  gekroonden  ten  geschenke  gaf:  het  zijn 
Reuchtin'a  eerste  beginselen  der  Hebreeuwsche  taal.  Weleer 
was  bet  kostbare  bock  het  eigendom  van  Eraamus,  wiens 
handschrift  („snm  Erasmi  nee  muto  dominum")  het  nog  ver 
toont.  Het  had  niettemin  eenen  anderen  bezitter  gekregen , 
toen  de  vrijgevige  Pool  op  eene  zoo  groothartige  wijze  den 
beroemden  geleerde  zijne  boekverüameling  had  afgekocht. 
Hardenberg  waardeerde  het  geschenk  dubbel,  ter  wille  des 
gevers ,  en  beeft  acht  jaren  later  op  het  titelblad  dit  inschrift 
terneitergeschreven :  „Daarom"  —  dewijl  hij  het  van  Laski 
bij  die  plechtige  gelegenheid  ten  geschenke  gekregen  had,  — 
„zal  dit  boek,  zoolang  ik  leef,  nooit  in  andere  handen  over- 
gaan, hetgeen  ik  door  deze  mijne  eigene  handteekening  be 
tuig."  ')  Toen  in  het  volgende  jaar  de  kettermeesters  in  Leuven 
althans  de  boeken  van  Hardenberg  verbrandden,  in  hunnen 


213 


wrevel,  dat  de  ketter  zelf  hun  was  ontsnapt,  was  dit  door 
hem  zoozeer  gewaardeerde  boek  aan  het  vuur  ontkomen. 

Reeds  spoedig  na  de  promotie  vertrok  Hardenberg  naar 
zijn  vaderland.  Zijn  trouwe  vriend  vergezelde  hem  Rijn- 
afwaarts.  Zij  wilden  elkander  niet  verlaten;  de  Nederlanden 
zelve  bezaten  menig  punt  van  aantrekking,  dat  onzen  La  ski 
bij  den  verderen  voortgang  zijner  geestelijke  ontwikkeling 
kou  aanlokken.  Het  geboorteland  van  Ërasmus  was  hem 
bij  zijne  humaniteitsstudiën  en  in  zijn  samenwonen  met  den 
destijds  meest  gevierden  zoon  van  dat  land  niet  vreemd  ge- 
bleven; menigen  telg  van  dit  volk  —  wij  herinneren  ons, 
om  een  voorbeeld  te  noemen,  zijnen  omgang  met  Uten- 
hove,  —  had  hij  leeren  kennen  en  waardeeren.  Zijn;eigen 
broeder,  Hieronymus,  had  zich  van  meer  dan  ééne  moeie- 
lijke  diplomatieke  zending  te  Brussel  te  kwijten  gehad,  en 
zijn  naam  had  ook  daar  in  de  hoogste  kringen  eenen  goeden 
klank 

Landvoogdes  der  Nederlanden  was  de  zuster  des  Keizers, 
Maria,  de  weduwe  van  den  ongelukkigen  koning  van  Hon- 
garije, die  op  eene  zoo  deerniswaardige  wijze  zijn  jeugdig, 
veelbelovend  leven  in  de  moerassen  bij  Mohacz  verloren  had. 
Nog  als  jonkvrouw  had  zij,  de  hoogbegaafde,  leergierige  dis- 
cipelin  van  het  Humanisme,  Ërasmus  hoog  gewaardeerd 
en  hem  ook  geprezen.  De  vrome  zin,  die  haar  bezielde,  had 
de  jonge  koningin  tot  de  studie  der  Heilige  Schrift  geleid ;  ten 
opzichte  van  de  Evangelische  bewegingen,  die  zich  nu  ook 
in  Hongarije  openbaarden^  getuigde  hare  houding  geenszins 
van  afkeer,  en  Luther  meende  groote  dingen  van  haar  te 
mogen  verwachten.  Toen  hij  de  tijding  vernam  van  de  zware 
bezoeking,  die  de  vrome  weduwe  getroffen  had,  zond  hij, 
gelijktijdig  met  de  uitlegging  van  vier  Psalmen ,  dien  bekenden 
schoonen  troostbrief  aan  haar  te  Weenen  toe,  werwaarts  zij 
voor  de  wilde  scharen  van  Soliman  gevlucht  was.  ^)    Het  was 


1)  YergeL  Luther,  XXXYIII,  370  f.    De  bedoelde  Psalmen  zijn  37,  62, 
94  en  109. 


eeuc  valsche  positie,  in  welkü  keizer  Karel  zijne  zuster  door 
hiire  benoeming  tot  Gouvefnante  der  Nederlanden  geplaatst 
had.  omdat  met  dezen  post  door  hem  de  taak  verbonden 
wii!^.  om  het  Protestantisme  in  het  geboorteland  des  Keizers 
op  alle  mogelijke  wijze  te  onderdrukken.  Op  dit  punt  toonde 
de  Keizer  zijne  geheele  onverbiddelijke,  heerschzuchtige  en 
onverdraagzame  natuur,  die  ten  minste  in  het  geliefde  ge- 
boorteland wilde  doorzetten  hetgeen  hem  in  Duitschland, 
ondanks  al  zijne  pogingen,  niet  gelukte.  Tot  zelfs  wat  den 
stoet  harer  bedienden  betreft,  zuiverde  hij  de  verdachte 
omgeving  zijner  zuster,  die  zich  aan  den  harden  wil  baars 
broeders  onderwierp,  en  te  onmachtig  was,  om  die  schrik- 
barende taak  van  de  hand  te  wijzen,  of  om  desnoods  om 
haientwil  van  den  glans  der  hofhouding,  en  dan  ook  van  de 
vriendschap  baars  broeders  afstand  te  doen.  i)  In  welk  eenen 
pijnlijken  toestand  zagen  toch  in  die  groote,  maar  ook  on- 
stuimige dagen  diegenen  zich  geplaatst,  die  uit  zwakheid 
halverwegen  bleven  staan,  en  die  daarom  op  zulk  eene  smar- 
telijke wijs  onder  het  gericht  van  Jezus'  woord  vervielen:  „Wie 
met  mij  niet  is,  die  is  tegen  mij."  -  De  naam  van  Laski 
zou  gewis  voor  de  Landvoogdes  geen  onbekende  naam  ge- 
weest zijn.  Geen  andere  naam  werd  in  de  bloedige  twisten , 
die  haar  schoon  Hongarije  verscheurden,  vaker  door  vriend 
en  vijand  genoemd,  dan  deze,  en  ongetwijfeld  zou  zij  ook 
aan  deu  edelen  l'ool  eene  schitterende  ontvangst  aan  haar 
hof  geschonken  hebben.  Maar  niet  om  het  hofleven  en  den 
gunat  van  vorsten  te  genieten,  had  Laski  aan  het  Poolsche 
koningshof  den  rug  toegekeerd,  en  had  hij  het  leven  van 
een  behoeftigen  balling  verkozen.  Waarschijnlijk  zal  bij  ook 
geen  lust  gehad  hebben,  om  eene  vrouw  te  ontmoeten,  die 
zich  afmatte  in  het  behartigen  van  de  onnatuurlijke  taak, 
welker  vervulling  slechts  tot  den  prijs  van  de  verloochening 
van  hare  betere  aspiratiën  verkregen  kon  worden.  Zulke  men- 
schen  zocht  bij  niet  op,  maar  vermeed  hen  veeleer.  Üok 
andere   schitterende   aanbiedingen   wees   hij   zonder  aarzelen 


1)  Vergcl.  het  sciirljren  dea  Keizere  aaa  zijne 


■.  bij  I 


,  r,  418. 


215 


yan  de  haud.  Toen  hij  io  de  ssomerdagen  van  1540  zich  ge- 
durende korten  t\jd  te  Antwerpen  ophield,  bezocht  hem  de 
Aartskanselier  en  ook  de  markgraaf  van  Brandenburg,  die 
aldaar  vertoefde;  in  naam  zoowel  van  den  Keizer,  als  ook 
van  koning  Ferdinand  werden  hem  vergeefsche  aanbiedingen 
gedaan.  ^) 

Met  vermyding  van  Brussel  en  zijne  schitterende  hofhou- 
ding^ begaf  La  ski  zich  naar  Leuven»  Deze  vriendelijke  zetel 
der  Muzen  moest  hem  gedurende  een  jaar  tot  eene  gewenschte 
schuilplaats  strekken,  om  er  in  stilte  innerlijk  tot  rijpheid 
te  komen.  Reeds  Ërasmus  had  weleer  in  zijne  tegenwoor- 
digheid de  zoo  beroemde  universiteit  en  hare  schoone  ligging 
geprezen.  Nergens  kon  men  zich,  volgens  hem,  zóó  rustig 
en  ongestoord  aan  de  studiën  toewijden  als  te  dier  stede, 
en  bovendien  was  de  landstreek  liefelijk  en  gezond,  terwijl 
een  Italiaansche  hemel  zich  over  haar  uitbreidde.^)  Meer 
dan  drieduizend  studenten  uit  alle  landen  der  wereld,  destgds 
voor  het  meerendeel  uit  Frankrijk,  en  ook  niet  weinigen  uit 
Spanje,  verzamelden  zich  in  de  verschillende  gehoorzalen. 
Met  dat  groote  aantaL  studeerenden  kwam  de  menigte  der 
hoogleeraren  en  ook  hunne  wetenschappelijke  beteekenis  over- 
een; eene  ryke  bibliotheek  bood  gewenschte  hulpmiddelen  tot 
grondige  studiën.  Maar  Leuven  was  destijds,  wat  zijne  theo- 
logische faculteit  betreft,  en  door  hare  woordvoerders,  het 
voornaamste  bolwerk  tegen  de  Protestantsche  kerk  en  leer 
geworden,  de  alleszins  waardige  strijdgenoot  der  Sorbonne 
en  van  Keulen  tegen  iedere  Evangelische  beweging.  Wat  in 
dat  jaar  reeds  gebruikelijk  was,  werd  in  1545  door  de  wet 
bepaald,  dat  nl.  geen  enkel  student  aan  de  universiteit  zou 
worden  toegelaten,  die  niet  met  eenen  plechtigen  eed  ver- 
zekerde, dat   hij    een  vijand  was  van  alle  leerstellingen  van 


1)  Knyper,  II,  552.  Over  de  chronologie  van  dezen  brief  vergel.  de 
grondige  opmerkingen  bij  Böhmer,  I,  166,  die  afdoende  bewijzen  levert 
Toor  de  tijdsbepaling  van  iLixjper  tegenover  die  van  Scrinium,  I,  478, 
e&  van  Spiegel,  S.  30. 

2)  De  Bam,  p.  12. 


216 


Luther  en  CalvijnJ)  Aan  de  spits  van  deze  meest  ver- 
klaarde en  strijdbare  tegenstanders  stond  Latomus,  de 
woordvoerder  der  faculteit,  dien  Luther  als  den  Leuvenschen 
sophist  en  eenen  tweeden  Jisbi  (2  Sam.  21 :  16)  gebrandmerkt 
heeft,  en  dien  een  vlugschrift,  dat  zich  in  mijn  bezit  bevindt, 
als  een  aanmatigend  sycophant  beschrijft.  ^) 

Doch  niet  om  op  zijnen  leeftijd  nog  eenmaal  als  student 
aan  de  voeten  van  geleerden  te  zitten,  die  eene  versletene, 
scholastische  theologie  voordroegen,  had  Laski  zich  naar 
Leuven  begeven.  Niets  verraadt,  dat  hij  ook  maar  in  het  minst 
eenigen  omgang  gehad  heeft  met  mannen ,  met  wier  kerkelijk 
standpunt  hij  reeds  ten  eenenmale  gebroken  had,  en  die 
reeds  spoedig  bespeurd  zullen  hebben,  welk  een  verdacht 
persoon  deze  vreemdeling  uit  Polen  was.  Althans  wordt  ons 
bericht,  dat  zij  Hardenberg  zijnen  vertrouwelijken  omgang 
met  hem  kwalijk  genomen  hebben,  en  dat  voor  dezen  moeie- 
lijkheden  uit  dien  omgang  zijn  ontstaan.  Onder  de  stu- 
denten, die  voor  een  deel  veel  bejaarder  waren,  dan  met 
de  jongelingschap  aan  onze  universiteiten  gewoonlijk  het  geval 
is,  kon  reeds  eerder  de  eene  of  andere  energieke  persoon- 
lijkheid ontdekt  worden,  die,  afkeerig  van  den  onnatuur- 
lijken  dwang  op  het  heilig  gebied  des  geloofs,  eene  toe- 
neiging tot  de  leer  des  zuiveren  Evangelie's  openbaarde. 
Steelswijze  ging  zoo  menig  reformatorisch  boek  van  hand  tot 
hand,  en  gretig  werd  door  de  jeugdige,  vrome  gemoederen 
het  vrije,  zaligmakende  woord  ontvangen.  Wij  weten  van 
een  paar  jongelingen,  die,  ofschoon  met  grooten  eerbied 
en  diepe  hoogachting  voor  den  edelen  Pool,  toch  reeds  in 
Leuven  vertrouwelijk  met  hem  hebben  omgegaan.  Onder  hen 
treedt   vooral  Francisco   de   Ënzinas  op  den  voorgrond, 


1)  Ibid.,  p.  62. 

2)  „Epistola  de  magistris  nostris  LoTaniensibas  quot  et  quales  Bint,  quibus 
debemus  magistralem  illam  damnationem  Lutherianam."  Het  zendscbrijTen 
is  aan  Zwingli  gericht,  een  boeiend  bewijsstuk,  welk  eenen  yroegtijdigen , 
blijden  weerklank  de  moedige  daad  Tan  Luther  zelfs  in  Leuven  geronden 
beeft.  Het  geschrift  is  vijf  maanden,  nadat  Luther  zgne  Stellingen  had 
aangeslagen,  verschenen;  de  schr\jver  heeft  zijnen  naam  niet  genoemd. 


217 


die  reeds  in  1537,  als  17jarig  jongeling,  in  zijne  Spaansche 
vaderstad  Burgos  Protestantsche'  indrukken  ontvangen  had , 
en  die,  twee  jaren  later  aireede  geheel  voor  het  Evangelie 
gewonnen,  gelijktijdig  met  La  ski  te  Leuven  gekomen  was, 
om  aldaar  zijne  studiën  voort  te  zetten.  Weldra  had  hij 
van  den  edelen  Pool  gehoord,  die  om  des  geloofs  wille  zijn 
vaderland  verlaten,  en  van  de  glansrijke  hoogte,  waarop  hij 
zich  als  kerkvorst  geplaatst  zag,  blijmoedig  in  een  zoo  be- 
scheiden en  stil  leven  was  afgedaald.  Een  brief  van  'zijne 
hand  aan  Laski  —  twee  jaren  later  geschreven  —  schildert 
op  welsprekende  en  schoone  wijze,  welk  eenen  blij  venden, 
diepen  indruk  onze  Pool  op  den  vatbaren,  vurigen  Spanjaard 
gemaakt  heeft.  ^)  Enzinas  hield  zich  reeds  destijds  met  het 
vertalen  van  de  Heilige  Schrift  in  zijne  moedertaal  bezig, 
een  hooggeprezen  arbeid,  die  den  geloovigen  jongeling  eene 
moeielijke,  maar  standvastig  doorgestane  gevangenschap  be- 
rokkende. Ook  onder  de  Vlamingers  was  menig  vroom  jon- 
geling, op  wien  de  levenwekkende  adem  des  Evangelie's  niet 
zonder  gezegende  uitwerking  gebleven  was,  en  die  dan  ook 
tot  Laski  in  vriendschappelijke  betrekking  trad.  Wij  denken 
aan  den  zachtzinnigen  Gassander,  die,  minder  beslist  dan 
Enzinas,  in  het  vervolg  zich  levenslang  moeite  gaf,  om  de 
pijnlijke  kloof  tusschen  de  beide  vaneengescheurde  kerken 
te  overbruggen,  een  vruchteloos  pogen,  waardoor  hij  geen 
van  beide  partijen  aan  zich  verplichtte. 

De  kringen,  in  welke  Laski  zich  te  Leuven  bij  voorkeur 
bewoog,  en  in  welke  hij  het  meeste  voedsel  voor  zijn  ziele- 
leven  vond,  hebben  wij  niet  te  zoeken  in  de  schaduw  van 
de  gehoorzalen  der  universiteit.  Zij  lagen  ter  zijde,  destijds 
nog  met  minachting  over  het  hoofd  gezien  en  onaangevochten 
gelaten  door  de  leidslieden  der  Kerk;  verborgen  bronbak- 
keUy  in  welke  het  levende  water  zich  verzamelde,  dat  voor 
eeuwig  den  dorst  lescht.  Een  belangwekkend  kijkje  in  deze 
kleine,    bescheiden   kringen   zien    wij   ons   vergund;    gaarne 


1)  Gerdes,  III,  82;  yergel.  ook  Böhmer,  I,  134. 


vertoeven    wij    vour   een    oogenlilik   iinit  onzen  vriend  jn 
midden. 

Reeds  anderhalve  eeuw  te  voren  was  in  de  Nederlanden 
een  vuur  ontglueid,  welks  licht  en  warmte,  velen  ten  zegen, 
zich  tot  op  verren  afstand,  en  zelfs  tot  over  de  grenzen  des 
lands  deed  bespeuren.  Die  bet  vuur  in  den  tempel  ontstoken 
had,  was  Gerhard  Groot,  deze  „et ht  christelijke  volksman, 
eene  edele,  diep  ernstige,  en  ook  bij  alle  zachtheid  en  vrien- 
delijkheid L'ener  zielen-zoekende  liefde,  nochtans  krachtige, 
besliste,  strenge  persoonlijkheid,  zonder  menschenvrees,  wars 
van  oogendieust,  een  man  van  de  meest  uitgebreide  kunde 
en  van  veelzijdige  ervaring ,  van  groote  scherpzinnigheid  en 
eene  aangrijpende,  indrukwekkende  welsprekendheid."  'j  Ware 
het  niet  gewaagd,  om  voortreffelijke  mannen  uit  verschillende 
tijden,  die  den  stempel  van  hunnen  tijd  vertoonen,  met  elkan- 
der te  vergelijken,  men  zou  Groot  mogelijk  den  Spener  der 
Roomache  kerk  ten  tijde  van  haar  verval  kunnen  noemen. 
Niet  gering  wüs  de  opwekking,  die  van  hem  uitging;  men 
bespeurt,  hoe  zeer  hij  aan  eene  behoefte  van  de  uitnemend- 
Bteu  zijns  tijds  en  ook  van  zijn  vrij  en  vroom  volk  te  gemoet 
kwam,  toen  hij  de  broeder-  en  zusterhuizen  stichtte,  tegen- 
over de  erg  vervallen  kloosters  met  hunne  bedelachtige,  arm- 
zalige bewoners.  Zij,  die  zich  in  deze  nieuw  gestichte  hui- 
zeu  vestigden,  waren  waarachtig  vrome  zielen,  die  met  de 
wereld  en  al  het  genot  en  aanzien,  dat  zij  in  staat  is  te 
bieden,  op  vreedzume  wijze  gebroken  hadden,  ten  einde  stil 
en  in  het  verliorgen.  bijkans  gelijk  een  piëtistische  kring, 
voor  den  vrede  van  het  eigene  hart  te  leven.  Maar  toch 
niet  uitsluitend  in  eene  bespiegelende,  werkelooze  rust.  Een 
diep  medelijden  met  de  kommervolle  toestanden  van  den  tijd 
bewoog  hunne  ziel,  en  bij  hun  streven  om  het  heerschend 
verderf  te  keer  te  gaan,  maakten  zij  het  liefst  eeneii  aan- 
vang met  de  opvoeding  der  jeugd.  Waar  hunne  fraterhuizen 
stonden,  —  en  dat  was  welhaast  bijkans  overal  ïn  het 
land,  —  daar  zag  men  ook  de  vreedzame,  vlijtige  bewoners 


.  E<»l-Knc7ltl.  i,2-^  Aufl.)  I, 


219 


weldra  in  de  scholen  werkzaam,  en  de  zegen  hunner  werk- 
zaamheid was  allerwegen  te  bespeuren,  inzonderheid  onder 
de  burgers,  die  omstreeks  dien  tijd  de  bloeiende  steden  der 
Nederlanden  met  welvaart  vervulden.  Eene  stem  uit  deze 
fraterhuizen  heeft;  aan  de  eigenaardige  soort  van  gezindheid, 
die  daarbinnen  heerschte,  eene  zoo  verwonderlijk  classieke 
uitdrukking  gegeven,  dat  zij  daarna  niet  meer  verstommen 
kon,  en  dat  zij,  beide  in  de  Evangelische  en  Roomsche  kerk, 
nog  altoos  eene  tallooze  menigte  aandachtig  luisterende  toe- 
hoorders vindt.  Het  is  de  innige,  welluidende,  vrome  en  diep 
beschouwende  taal  van  Thomas  a  Kempis,  die  zich  op 
geheel  éénige  wijze ,  als  eene  eenzame  stem  tusschen  de  beide 
kerken,  heeft  weten  te  doen  hooren,  een  nachtegaal  in  de 
schemering  van  den  aanbrekenden  dag.  Wij  kunnen  den 
welbekenden  klank  onzer  dierbare  Evangelische  kerk  niet  in 
al  zijne  kracht  in  het  woord  van  den  vromen,  stillen  man 
van  den  Agnietenberg  bij  Zwolle  terugvinden;  wij  bemerken 
op  meer  dan  ééne  plaats,  dat  zijne  taal  niet  geheel  met  de 
prediking  van  eenen  Paulus  overeenkomt:  die  geestesrichting 
was  juist  de  Hervorming  niet,  en  kon  haar  pjemis  ook  niet 
vergoeden,  alhoewel  zij  ongetwijfeld  een  wezenlijke  voorarbeid 
in  de  Nederlanden  blijft. 

Ook  in  Leuven  is  in  de  opvoeding  der  jeugd  de  machtige 
invloed  van  deze  fraterhuizen  te  bespeuren.  Ook  hier  was 
de  vrije  zin  der  burgers  ontwaakt,  en  de  diepe,  vrome  ernst, 
die  de  goddelijke  waarheid  uit  hare  bron  trachtte  te  leeren 
kennen,  krachtig  opgewekt.  Juist  in  de  kringen  der  een- 
voudige burgerij  openbaarde  zich  een  sterk  zelfgevoel,  dat 
zich  niet  meer  blindelings  wilde  onderwerpen  aan  alle  wille- 
keurige  bepalingen   der   Kerk   en   aan   hare  heerschzuchtige 

■ 

priesters,  wier  onzedelijke  wandel  aan  de  eerzame  burger- 
lieden  zooveel  ergerlijken  aanstoot  gaf.  Het  gild  der  laken- 
wevers  inzonderheid  was  ook  in  Leuven  sterk  vertegenwoor- 
digd; het  Vlaamsche  laken  werd  overal  op  hoogen  prijs  ge- 
steld; tot  zelfs  naar  Krakau  zonden  de  rijke  kooplieden  de 
balen  van  deze  kostbare  koopwaar,  en  nu  ook  reeds  over  zee 
naar  de  verste  kusten.   Ook  de  andere  bedrijven  bloeiden  in 


220 


de  volkrijke  Academiestad:  er  heerschte  een  opgewekte,  werk- 
zame ijver,  welke  zich  nu  op  de  groote,  godsdienstige  vraag- 
stukken begon  toe  te  leggen,  die  duidelijk  verneembaar  aan 
de  stille  burgerhuizen  aanklopten,  en  ook  daar  den  toegang 
en  eene  oplossing  zochten.  Treden  wij  zulk  een  huis  binnen, 
in  hetwelk  onze  vriend  veel  verkeerde,  ja  waarin  hij  zelfs 
geruimen  tijd  zijn  verblijf  hield. 

Het  eenvoudige  burgerhuis  ligt  niet  in  het  middelpunt  der 
stad  en  van  haar  intellectueele  leven,  déAr,  waar  destijds 
in  frissche,  rijke,  vroolijke  pracht  het  raadhuis  zich  verhief , 
nog  heden  ten  dage  het  schoone  gedenkteeken  van  den  buiten- 
gewoon wakkeren y  levendigen  burgerzin  dier  dagen;  wij  heb- 
ben het  te  zoeken  aan  den  uitgang  der  stad,  dicht  bij  den 
vestingwal ,  waar  de  kleine  beek  de  Voer  zich  met  het  riviertje 
der  stad,  de  Dyle,  vereenigt.  Aldaar,  aan  den  BoUeborre, 
woonde  Antoinette  van  Rosmers,  die  met  de  aanzien- 
lijkste familiën  der  stad  nauw  verwant  was.  Het  jaar  te 
voren  (1539)  had  zij,  bij  eene  heerschende  ziekte ,  haren  man 
en  een  paar  kinderen  verloren;  slechts  ééne,  volwassene 
dochter,  Gudula,  was  haar  gespaard  gebleven.  Ook  haar 
vermogen  had  de  vijftigjarige  weduwe  verloren;  zij  moest 
naar  eene  kleinere  woning  omzien;  wellicht  dat  zij  ook  door 
het  verhuren  van  kamers  zich  eene  geringe  verdienste  ver- 
schafte, want  wij  weten  door  Enz i nas,  dat  Laski  ten  harent 
gewoond  en  verkeerd  heeft.  ')  De  zware  bezoeking,  die  over 
haar  gekomen  was,  had  de  vrome  weduwe  en  hare  gelijk- 
gezinde dochter  slechts  te  dieper  in  het  Woord  Gods  doen 
doordringen;  hetgeen  de  Kerk  met  hare  priesters  haar  niet 
schonk,  bood  haar  de  Heer  in  het  Evangelie,  waarvan  zij 
zich  in  het  geheim  eene  Hoogduitsche  vertaling  had  weten 
te  verschajïen.  Het  goede  Woord  Gods  werd  haar  trooster 
en  ook  haar  éénige  leermeester,  aan  welks  voeten  zij  zich 
had  nedergezet,  om  met  biddenden  geest  het  Ééne  te  leeren, 


1)  Campan,  I,  102:  ,, Antoinette  était  presque  de  la  plus  honeste  et  prin- 
cipale familie  de  toute  la  rille;   Monsieur  Jan  Laski  ayoit  quelquefois  logé 


en  sa  maison.'^ 


221 


dat  noodig  is.  Eu  God  liet  haar  de  parel  van  groote  waarde 
vinden.  Haar  huis  werd  het  middelpunt  van  eene  schare  van 
geloofsgenooten ,  die  op  vaak  wonderbare  wijze  met  elkander 
in  aanraking  kwamen,  alsof  God  zelf  hen  te  zamen  bracht. 
Slechts  geheel  in  het  verborgen,  steelswijze  ontmoette  men 
elkander  in  de  kleine  achterkamer  der  weduwe,  bij  gesloten 
deuren^  gelijk  de  Apostelen  tijdens  het  Paaschfeest  uit  vreeze 
der  Joden.  Voor  ons  behoeven  de  stille,  geloovige  lieden 
geene  vrees  te  koesteren,  en  ongestoord  mogen  wij  met  Laski 
op  eenen  avond  aan  hunne  kleine  vergadering  deelnemen. 

Het  zijn  er  altijd  slechts  weinigen,  die  in  het  huisje  aan 
den  BoUeborre  bijeenkomen ,  om  geen  opzien  te  baren ,  want 
niet  ver  van  het  huis  staat  de  kerk  van  Sint  Quintijn,  en 
wie  weet,  of  niet  de  argwanende  priesters  achterdocht  krij- 
gen, of  in  de  nabijheid  hunne  verklikkers  hebben.  Heden 
hebben  zich  ten  huize  der  weduwe  vereenigd  allereerst  de 
zelden  ontbrekende  Josse  van  Ousberghen,  een  bontwerker 
van  beroep,  diep  geworteld  in  het  Evangelie,  vol  vrede  der 
ziel,  stil  van  aard,  maar  onwrikbaar  vast  en  sterk  in  zijn 
geloof.  Met  hem  treedt  binnen  de  beeldhouwer  Jan  Beyarts 
met  zijne  reeds  bedaagde  vrouw  Katharina  Metsys,  en 
ook  de  huisgenoot  Jan  Schats  ontbreekt  dezen  avond  niet. 
Indien  wij  een  anderen  keer  ons  bezoek  herhaalden,  zouden 
wij  nieuwe  gezichten  ontmoeten:  toen  de  vijanden,  een  paar 
jaren  later,  hunne  bloedgierige  hand  naar  dit  hoopje  geloo- 
vigen  uitstrekten,  namen  zij  eene  schare  van  43  geloofsge- 
nooten gevangen. 

De  onderlinge  stichting  begint  daarmede^  dat  Josse  eene 
plaats  uit  het  Nieuwe  Testament  voorleest  en  tracht  te  ver- 
klaren. De  aanwezigen  nemen  deel  aan  de  uitlegging;  met 
vereende  krachten  leggen  zij  er  zich  op  toe ,  het  Woord  Gods 
goed  te  verstaan,  en  men  bemerkt  aan  het  in  hooge  mate 
stichtelijke  gesprek,  dat  de  aanwezenden  niet  meer  kin- 
deren zijn  in  het  verstand.  Daarop  wordt  de  Postille  ter 
hand  genomen,  die  reeds  sinds  lang  als  stichtelijk  boek 
bijzonder  hoog  bij  hen  staat  aangeschreven.  Van  den  schrijver 
van   het  boek,   den   grooten  Duitschen  hervormer,  weten  zij 


ï!22 


slechts  weinig,  en  staan  ook  in  geenerlei  betrekking  tot  hem ; 
maar  hetgeen  zij  daar  lezen,  dat  komt  zoo  ten  ïolle  overeen 
met  het  hun  dierbare  Woord  van  God ,  en  de  krachtige  taal , 
waarin  bet  is  uitgedrukt,  verkwikt  hunne  ziel  meer  dan  zij 
zeggen  kunnen.  Gelukkig  is  het  boek  aan  de  bespiedende 
blikken  der  censoren  en  priesters  ontgaan;  in  Amsterdam 
waren  destijds  reeds  vele  boekhandelaars ,  die  de  verboden 
reformatorische  geschriften  in  voorraad  hadden  en  aan  den 
man  wisten  te  brengen,  en  menig  bezielend  vertoog  had, 
ook  in  Leuven ,  tot  zelfs  in  de  werkplaatsen  zijnen  weg  ge- 
vonden. Langs  liatig  gekozen  sluipwegen  was  het  aan  de 
bespieders  ontgaan.  Een  middel,  waarvan  men  zich  zeer 
dikwijls  en  met  goed  gevolg  bediende  was  dit,  dat  men  het 
gewenschte  Evangelieche  viugschrift  met  een  lijvig  boek  van 
oubeduidenden  inhoud  in  denzelfden  band  vereenigde,  tot 
verspreiding  van  welk  laatste  de  censor,  na  vluchtige  inzage, 
argeloos  de  vergunning  verleende,  i) 

Op  deze  voorlezing  uit  de  Postille,  of  uit  eenig  ander 
atichtelijk  boek  volgde  dan  nog  de  vrije  gedachtenwi  speling 
over  het  een  of  ander  geloofsartikel.  Ten  aanzien  van  de 
verwerping  van  het  vagevuur  was  men  het  onderling  geheel 
eens.  Het  heilig  Avondmaal  wilden  de  meesten  slechts  als  een 
gedachtenismaal  beschouwd  hebben;  zij  bonden  geen  enkele 
plaats  in  hun  Nieuwe  Testament  vinden,  die  hen  noodzaakte, 
de  werkelijke,  lichamelijke  tegenwoordigheid  des  Heeren  in  het 
teeken  van  brood  en  wijn,  veelmin  de  Transsubstantiatieleer 
der  Roomsche  kerk  aan  te  nemen.  Deze  denkbeelden  waren 
voor  Laski  niet  nieuw.  Hij  had  die  reeds  te  Bazel,  io  den 
byzonderen  kring  van  Erasmus  en  zijne  vertrouwde  vrienden 
hooren  uitspreken.  Men  kon  ze  destijds  op  verschillende 
plaatsen  vernemen,  ook  daar,  waar  men  volstrekt  geen  ver- 
moeden had  van  de  scherper  omgrensde  gestalte,  die  zij  bij 
Zwingli  hadden  aangenomen.  —  Mogelijk,  dat  men  tot  besluit 
van  de  vergadering ,  na  het  gebed ,  zachtkens  één  der  psalmen 
zong,    die  in  het  Vlaamsch  vertaald  waren  door  een  geeste- 


1)  Tcrgel.  C&Djpiti,  II.  33a. 


223 


lijke  aan  de  Kathedraal,  Paul  van  Roverc,  een  bejaard, 
▼room  heer,  zwak  van  lichaam,  maar  frisch  van  geest,  die 
jegens  de  Evangelischen  in  Leuven  welwillend  gezind  was.  ^) 
Deze  samensprekingeu  hield  men  met  heiligen  ernst.  Toen 
eens  één  der  aanwezigen  zich  een  woorrl  van  spot  over  de 
leer  van  het  vagevuur  liet  ontvallen,  van  welker  valschheid 
allen  overtuigd  waren,  berokkende  zich  de  spotter  eene  ge- 
strenge berisping.  Men  wilde  de  betrekking  met  de  Kerk 
niet  afbreken,  maar  veeleer  in  goede  verstandhouding  met 
haar  blijven,  zoolang  zij  slechts  niet  in  hun  onderzoek  van 
den  Bijbel  en  in  de  onderlinge  opbouwing  huns  geloofs  ver- 
hinderd werden.  Zij  hadden  zeer  zeker  reeds  de  door  de 
Kerk  vastgestelde  grenzen  overschreden ,  en  waren  ook  reeds 
verder  gegaan  dan  de  Broederen  des  gemeenen  levens,  door 
wier  bezielenden  arbeid  op  geestelijk  gebied  zij  ongetwijfeld 
het  eerst  tot  het  onderzoek  van  de  waarheid  geleid  waren, 
maar  men  wilde  de  geheele,  beslissende  vraag  laten  rusten, 
als  zij  slechts  ongehinderd  volgens  hun  geloof  konden  leven. 
Dit  deden  zij  dan  ook  onder  elkander  op  eene  even  liefelijke 
wijze,  als  de  eerste  kleine  gemeenten  in  den  tijd  der  Apostelen. 
Als  één  van  hen  krank  werd,  dan  pasten  de  anderen  hem 
op,  en  paarden  aan  eene  onverpoosde  lichamelijke  verpleging 
van  den  kranken  broeder  de  teederste  zorg  voor  het  heil  zijner 
ziel.  Zij  hadden  hunne  kleine  kas ,  uit  vrijwillige  liefdegaven 
opgericht,  en  ondersteunden  daaruit  diegenen  in  hun  midden, 
die  in  nood  verkeerden;  ook  andere  hulpbehoevenden  en 
noodlijdenden  in  de  stad  zochten  zij  volgaarne  op ,  ten  einde 
hun  handreiking  der  liefde  te  doen.  Zij  leefden  in  het  Woord 
Gods  met  geheel  hunne  ziel.  Wanneer  zij,  na  het  volbren- 
gen van  hunnen  dagelijkschen  arbeid ,  elkander  soms  op 
hunne  avondwandeling  in  den  omtrek  der  stad  ontmoetten, 
en  onbespied  meenden  te  zijn,  dan  haalde  één  hunner  zijn 
welbewaard  Testament  uit  de  lederen  tasch,  en  las  een  paar 
verzen  voor,  die  vervolgens  aan  de  wandelaars  overvloedige 
stof  tot   een  gewenscht  onderhoud  verschaften.     Uit  de  tot 


])  Campan,  II,  466. 


234 


ons  gekomen  berichten  bespeurt  men  de  innige  vreagde  der- 
zulken,  die,  ua  langen  tijd  op  een  dwaalweg  verkeerd  te 
hebben,  zich  nu  door  den  Heer,  hunnen  Herder,  in  eene 
grazige  weide  en  aan  frisache  wateren  geleid  zien. 

Laski,  die,  evenals  Hardenberg  en  Enzinas.  zich  met 
dezen  Ëvangelischen  kring  in  betrekking  gesteld  had,  vond 
hier  verwerkelijkt  hetgeen  hij  gezocht  had:  eene  kleine,  ge- 
loovige  gemeente,  gegrond  op  het  Woord  Gods,  die  zich  met 
ernst  op  de  heiliging  des  levens  toelegde;  trouwhartige  lieden, 
onbezweken  in  het  geloof,  bereid  om  reeds  des  anderen  daags 
den  brandstapel  te  betreden,  en  met  den  dood  hnn  geloof 
te  bezegelen.  De  schemering  van  dezen  aanbrekenden  dag 
lag  reeds  over  hunne  geestelijke  trekken  verspreid ,  hot  mor- 
genrood van  hun  martelaarschap:  zulks  is  ten  allen  tijde 
een  verkwikkende,  bezielende  aanblik.  Zij.  die  wij  daar 
straks  de  woning  der  edele  Antoinette  hebben  zien  bin- 
nentreden, om  aan  de  stichtelijke  samenkomst  ten  harent 
deel  te  nemen,  zij  hebben  allen,  reeds  drie  jai-en  daarna, 
de  vreugde  gesmaakt,  door  hunnen  dood  den  naam  des 
Heeren  groot  te  maken.  De  genoemde  mannen  ondergingen 
standvastig  den  dood  door  vuur  en  strop;  de  heldhalftige 
vrouwen  werden  levend  begraven.  Zóó  strafte  de  Roomsche 
kerk  de  misdaad,  dat  zij  bet  Woord  Gods  liefhadden,  en 
volgens  zijne  waarheid  een  geheiligd  leven  zochten  te  leiden. 
De  gruwzame  straf  heeft  echter  het  heilige  vuur  niet  uit- 
gedoofd, integendeel,  de  vonkeu  hebhen  zich  door  het  ge- 
heele  land  verspreid,  en  hebben  de  vlammen  slechts  verder 
gedragen, 

Hoe  gelukkig  zich  onze  vriend  te  midden  van  deze  vrome 
lieden  gevoelde ,  is  ook  daaruit  te  zien ,  dat  tijdens  zijnen 
dagelijkscben  omgang  met  hen  het  besluit  bij  hem  tot  rijp- 
heid kwam ,  om  zich  den  terugkeer  tot  het  oude  priesterleven 
voor  goed  onmogelijk  te  maken ,  door  het  celibaat  vaarwel 
te  zeggen.  Door  dezen  stap  verzaakte  hij  openlijk  de  instel- 
lingen der  Roomsche  kerk,  en  verbrak  hij  voor  goed  elke 
betrekking  tot  haar.  Uit  de  eenvoudige  burgermeisjes  der 
stad    koos    bij    zich   zijne   levensgezellin.     Tot  ons  leedwezen 


225 


mochten  wij,  ondanks  vele  navoi*schingen,  er  niet  in  slagen, 
om  ook  maar  het  geringste  spoor  aangaande  hare  familie  en 
haar  voorleden  te  ontdekken;  zelfs  haar  meisjesnaam  is  ons 
onbekend  gebleven.  Alleen  mogen  wij  aannemen,  dat  het  schoone 
beeld  van  het  geestelijke  leven  van  dezen  vromen  kring  zich 
met  vaste  trekken  ook  in  h&ar  zieleleven  had  afgeteekend; 
wellicht  mogen  wij  gissen,  dat  zij  eene  vriendin  en  vroegere 
speelgenoote  van  Gudula  was,  ook  gelijk  deze  in  den  bloei 
der  jaren,  van  de  hooggeprezene  schoonheid  der  Vlaamsche 
vrouwen  en  met  een  edel  voorkomen,  i)  Het  schijnt,  dat 
zij  in  Leuven  aanverwanten  gehad  heeft.  Nadat  Laski  reeds 
een  jaar  de  stad  had  verlaten,  keerde  zij  voor  korten  tijd 
als  gast  in  hare  vaderstad  terug,  en  bracht  haar  eerst- 
geboren dochtertje,  geheel  des  vaders  evenbeeld,  met  zich,  ten 
einde ,  voorzeker  vol  moedervreugde ,  aan  de  grootouders  hun 
kleinkind  te  toonen.  Enzinas  kende  de  vrouw  van  Laski 
nog  uit  den  tijd  van  vóór  haar  huwelijk.  Nauwelijks  vernam 
bij,  dat  zij  in  Leuven  logeerde,  of  hij  spoedde  zich  tot  haar, 
om  haar  te  begroeten  en  tijding  aangaande  haren  man  te  ont- 
vangen, dien  hij  juist  van  plan  was,  in  zijne  nieuwe  woon- 
plaats in  Friesland  te  gaan  opzoeken.  ^) 

Na  de  voltrekking  van  zijn  huwelijk  vertoefde  a  La  se  o 
niet  lang  meer  in  Leuven.  Den  raad,  dien  hij  een  paar 
jaren  later  aan  zijnen  vriend  gaf,  die  besluiteloos  in  het 
klooster  bleef  dralen,  bracht  hij  nu,  snel  besloten,  zelf  ten 
uitvoer.  „Ik  geloof,  dat  het  woord,  in  Jesaia  52  en  II  Gor.  6 
geschreven:  „Gaat  uit  het  midden  van  hen,  en  scheidt  u 
af,"  door  den  Geest  Gods  is  ingegeven.  Indien  gij  dit  woord 
op  de  vlucht  in  den  geest  toepast,  voorzeker,  wie  deze 
vlucht  slechts  eenmaal  waarlijk  en  in  het  diepst  zijner 
ziel  heeft  volvoerd,  hij  kan  dan  ook  niet  meer  vrijwillig 
onder  diegenen  verkeeren,  door  wie  hij  de  verdienste  van 
Christus  voortdurend  ziet  onteeren."  ^)  Er  braken  moeielijke 
tijden   aan.     In  Gent  waren  oproerige  bewegingen  ontstaan; 


1)  Zóó  beschrijft  althans  de  Spaniaard  de  dochter  der  weduwe  Antoinette. 

2)  Gerdes,  III,  82.  3)  Kiijper,  II,  557. 

DALTOH.  1 5 


226 


de  Evangelisch-gezinclen  in  de  stad  hadden  beproefd,  het 
zware  juk  der  onverdraagzame  kerk  met  geweld  af  te  schud- 
den. Op  het  bericht  daarvan  had  keizer  Kar  el  zich  in  allerijl 
naar  zijn  geboorteland  begeven,  ten  einde  op  gewelddadige 
wijs  de  gevaarlijke  ketterij  te  onderdrukken.  Van  alle  zijden 
drong  de  heerschende  kerk  er  bij  hem  op  aan ,  dat  hij  ge- 
streng en  onverbiddelijk  zou  te  werk  gaan,  en  daartoe  be- 
hoefde men  bij  hem  geen  sterken  aandrang  te  bezigen.  Harde 
wetten  werden  uitgevaardigd.  Alle  boeken,  die  gedurende 
de  laatste  twintig  jaren  in  Duitschland  waren  uitgegeven, 
werden  verboden;  niemand  mocht  voortaan  geestelijke  lie- 
deren in  de  landstaal  vervaardigen,  of  ook  dergelijke  lie- 
deren zingen;  de  conventikelen  *)  werden  niet  langer  gedoogd, 
zelfs  de  gedachten  mochten  niet  meer  tolvrij  zijn.  ^)  In 
Leuven  draalde  men  niet,  deze  Draconische  wetten  ten  uit- 
voer te  brengen.  Één  van  de  eersten,  die  hare  gestrengheid 
moest  ondervinden,  was  Hardenberg.  Met  vrijmoedigheid 
en  welsprekendheid  had  deze  jeugdige  doctor  in  de  theologie , 
na  zijn  terugkeer  uit  Mainz,  de  Brieven  van  Paulus  voor 
een  talrijk  studentengehoor  verklaard;  ook  de  burgers  luister- 
den gaarne  naar  de  rondborstige  taal  van  den  welbespraakten 
man,  die  „niet  sprak  als  de  Leuvensche  schriftgeleerden.** 
Hij  werd  bij  het  hof  verklaagd.  Men  wilde  hem  als  gevan- 
gene naar  Brussel  voeren,  en  bijaldien  dit  plan  was  door- 
gegaan, zou  men  ook  zijn  lot  vooruit  hebben  kunnen  be- 
rekenen ;  de  hoofdstad  des  rijks  had  zich  destijds  den 
treurigen  roem  verworven,  dat  men  haar  de  „slachtbank  der 
christenen"  noemde.  De  burgers  van  Leuven  stelden  zich 
voor  hem  in  de  bres;  zij  wisten  te  bewerken^  dat  men  zich 
voor   ditmaal   tevredenstelde   met   zijne  kettersche  boeken  te 


1)  Het  schijnt,  dat  de  naam  hier  Toor  het  eerst  in  deze  beteekeuis  Toor- 
komt :  „Prohibentur  congressus  hominum  de  religione  loquentium ,  quae  ab 
illis  (de  deelnemers)  conyenticula  appellantur."  (Ca m pan,  I,  130.) 

2)  Ibid.:  „Praeoipiunt  leges  ne  qaicqoam  aliud  hominea  ant  aentiant, 
aut  loquantur,  aut  faciant  siye  in  articulorum  fidei  aententia,  aiye  in  oere- 
moniarum  et  legum  obserratione ,  quam  quod  Ecclesia  Bomana  statuit,  l^gea 
sanciyerunt,  et  magistri  nostri  ao  monachi  in  suis  synagogis  profitentor." 


227 


verbranden,  en  hem  de  proceskosten  te  laten  betalen.  Tevens 
werd  hij  uit  de  stad  verbannen;  hij  vertrok  van  daar,  en 
begaf  zich  naar  zijn  klooster  Aduard. 

Nu  kon  ook  Laski  het  niet  langer  meer  uithouden  in 
het  ongastvrije  Leuven  en  onder  mannen,  die,  in  stede  van 
naar  de  stem  der  waarheid  te  luisteren^  liever  speurhonden 
der  inquisitie  zijn  wilden.  Hij  zocht  een  land,  waar  hij  onge- 
stoord, in  de  diepste  afzondering,  volgens  zijn  geloof  kon  leven. 
Vlak  aan  de  grens  der  Nederlanden  lag ,  als  een  verborgen 
uithoek  der  wereld,  een  klein,  onafhankelijk  gebied,  Oost- 
Friesland  genaamd,  hetwelk  in  die  dagen  van  vervolging  eene 
vriendelijke  schuilplaats  bood.  Op  nieuw  nam  onze  vriend 
den  pelgrimsstaf  ter  hand,  en  richtte  derwaarts  zijne  schreden. 

De  weg  daarheen  voerde  hem  in  noordelijke  richting  over 
(ht)mngen.  Meer  dan  waarschijnlijk  is  het,  dat  a  Las  co, 
van  uit  deze  stad,  een  bezoek  bracht  aan  het,  slechts  drie 
uren  gaans  vandaar  verwijderde  klooster  Aduard,  binnen 
welks  muren  Hardenberg  huisvesting  gevonden  had.  Het 
klooster  was  verdraagzamer  en  toegevender  dan  de  Hooge- 
schooL  De  uit  Leuven  verbannene  had  niet  slechts  eene 
schuilplaats  in  de  vriendelijke  cel  van  het  klooster  gevonden, 
men  liet  den  vrijzinnigen  monnik  niet  slechts  ongemoeid  in 
zgne  Evangelische  denkbeelden ,  maar  de  Abt  verleende  hem 
zelfs  het  recht  om  te  prediken  en  voordrachten  te  houden, 
en  gretig  luisterden  nu  de  monniken  naar  eene  taal,  die  het 
den  studenten  verboden  was  aan  te  hooren.  Reeds  sedert 
twaalf  jaren  stond  het  wijd  en  zijd  beroemde  klooster  onder 
de  leiding  van  Johannes  Reekamp,  die  in  de  opeen- 
volgende reeks  der  abten  het  meest  heeft  uitgeblonken.  ^) 
Ook  onze  fijnbeschaafde  Pool  gevoelde  zich  door  deze  schran- 
dere, edele  persoonlijkheid  krachtig  aangetrokken.  Hij  wenscht 


I)  £oppiu8y  p.  37:  „Yir  haud  dubie  quin  unus  omnes  superiores  longe 
antecellaerit  et  naturae  dotibus  et  eruditione,  quaeqae  res  in  gubernando 
plurinmm  possunt,  gratia  et  eloqueatia;  naturae  quodam  priyiiegio  adeo 
flsimios,  ut  quae  praestantissima  uniyerso  hominum  generi  dona  erogari  a 
iummo  Deo  aolent,  in  hunc  unum  velut  augustissimum  sapientiae  adytum 
eollita,  onuMt  ono  ore  affirmarent." 

15 


228 


aan  alle  kloosters  zulke  abten  toe,  die  zich  met  gelijken 
ijver  en  gelijke  bekwaamheid  aan  de  opvoeding  der  jeugd 
toewijden;  ja,  hij  houdt  oprecht  veel  van  den  vriendelijken 
abt,  en  roemt  de  reinheid  en  rechtschapenheid  van  zijn 
karakter.  ^)  Maar  geen  klooster  kan  hem  meer  boeien ;  het 
duurt  niet  lang,  of  hij  brengt  zijnen  vriend  onder  het  oog, 
dat  een  verblijven  ook  in  het  verdraagzaamste  klooster  voor 
een  man  van  zijne  gezindheid  huichelarij  is,  welke  ieder,  die 
in  de  waarheid  wenscht  staande  te  blijven,  verplicht  is  om 
onbevreesd  te  verzaken.  Gelijk  dit  klooster,  vlak  aan  de  land- 
scheiding gelegen ,  in  zijn  doen  en  streven  reeds  de  grenzen  der 
Roomsche  kerk  overschreden  had, zoo  zou  het  niet  moeielijk  zijn, 
elders  vele  soortgelgke  kloosters  te  vinden,  voor  de  ontmoe- 
digde geesten  in  die  sombere  dagen  geschikte  toevluchtsoorden , 
in  welke  men  de  Evangelische  gezindheid ,  die  men  den  moed 
niet  had  te  belijden,  in  het  verborgen  koesteren  en  daarby 
nochtans  het  genot  van  een  onbezorgd  leven  smaken  kon. 
Zulke  zwakke  naturen  verdienen  dan  ook  geen  beter  lot^  dan 
om,  achter  kloostermuren  aan  de  vergetelheid  prijsgegeven,  in 
ieder  opzicht  langzaam  weg  te  kwijnen  en  te  gronde  te  gaan. 
Onze  vriend  zag  zich  door  zijnen  Heer  een  liefelijker  lot 
bereid.  Hij  liet  het  klooster  achter  zich  en  begaf  zich,  om 
den  wille  van  zijn  geloof,  verder  in  het  land  der  vreemde- 
lingschap,  dieper  in  den  strijd  en  in  moeielijk  lijden,  maar 
om  tevens  langs  dien  weg  meer  en  meer  versterkt  te  worden 
in  het  troostvolle  bewustzijn,  dat  zulk  een  leven  tot  Gods 
verheerlijking  strekt. 


1)  Kajper,  II,  553. 


8. 


In  Oost-Eriealaiid. 


„Ëala  fria  Fresena"  („wees  welkom,  vrije  Fries"):  zóó 
luidde  de  groet ,  met  welken  de  afgevaardigden  uit  de  zeven 
zeegewesten  van  Oost-Friesland  elkander  in  oude  tijden  be- 
groetten ,  wanneer  zij  des  Dinsdags  van  de  Pinksterweek  van 
ieder  jaar  bij  Upstallsboom,  eene  hoogte  in  de  nabijheid  van 
Anrich,  bijeenkwamen,  om  te  beraadslagen  over  de  rechten, 
welke  iedere  Fries  verplicht  zou  zijn  te  houden.  Ja,  het  was 
een  vrij  volk,  dat  aldaar  in  de  schaduw  van  overoude  eiken 
woonde!  Eeuwen  achtereen  hebben  zij  zich  manhaftig  verdedigd 
tegen  de  wilde  baren  der  gulzige  zee ,  die  de  laaggelegen  land- 
streken dreigde  te  verzwelgen,  en  die  ook,  in  spijt  van  dijken 
en  dammen,  zoo  menig  stuk  land  aldaar  in  den  loop  der 
eenwen  verzwolgen  heeft.  Even  manmoedig  hebben  zij  weer- 
stand geboden  aan  hen,  die  het  sterke,  onbuigzame  geslacht 
onder  het  juk  wilden  brengen :  hun  vaste  antwoord ,  met  het 
zwaard  in  den  bloedigen  kampstrijd  bezegeld,  was  de  fiere, 
schoone  taal:  „Wij  willen  vrij  en  Friesch  blijven."  Volgens  de 
verklaring  van  Jakob  Grimm  duidt  de  naam,  evenals  die 
der  Franken,  een  vrij  volk  aan.  De  Friezen  waren  ijver- 
zuchtig op  dit  hun  kleinood :  zelfs  de  hoogte  der  huizen  was 
voorgeschreven,  opdat  geen  enkele  uit  het  volk  zich  boven 
de  anderen  zou  trachten  te  verheffen.  Reeds  Tacitus  be- 
schrijft met  welgevallen  dit  geslacht,  tusschen  Wezer  en  Eems 
en  Maas,  hoog  in  het  noorden,  aan  de  zeekust  woonachtig. 
Hij  noemt  het  een  edel  volk  onder  de  Germanen,  recht- 
vaardig,  niet  belust  op  vreemd  goed,  wars  van  gewelddadig- 


heid,  doch  heldhaftig  en  schier  onbedwingbaar ,  wanneer  zij 
hunne  vrijheid  en  hunnen  grond  zien  aangetast.  Karel  de 
Groote  heeft  al  zijne  Itrachten  moeten  in  het  werk  stellen; 
het  was  ook  een  dertigjarige  oorlog,  dien  hij  tegen  dit  volk 
gevoerd  heeft,  en  de  overwinnaar  zag  zich  toch  genoodzaakt, 
om  aan  den  sterken  volksstam  zijne  oude  wetten  en  rechten 
te  laten  behouden. 

Verscheidene  eeuwen  waren  sedert  dien  tijd  vervlogen.  Het 
volk  duldde  geenen  Heer;  bijkans  ieder  dorp  had  zijnen 
hoofdling,  die  burchten  voor  zich  heten  bouwen ,  en  aan  de 
dorpsbewoners  bescherming  beloofden.  Maar  deze  hoofdlingen 
deden  nu  hun  best,  om  elkander  in  macht  en  invloed  te 
overtreffen.  Er  braken  zware  tijden  aan,  gedurende  welke 
de  kracht  des  volks  in  eindelooze  inwendige  veeten  verlamd 
werd,  zoodat  het  niet  langer  in  staat  was,  om  den  uitwen- 
digeu  gemeenscbappelijken  vijand  zegevierend  het  hoofd  te 
bieden.  Bevriende  hoofdlingen  sloten,  op  Martini-avond  van 
het  jaar  1430,  onder  den  Üpstallsboom  een  bond  tot  hand- 
having der  vrijheid,  en  kozen  tot  opperhoofd  van  het  verbond 
den  zoon  van  den  edelen  Enna  Cirksena,  die  zelf  wegens 
zijnen  hoogen  leeftijd  voor  de  benoeming  bedankt  had.  Het 
was  eene  gelukkige  keus.  In  korten  tijd  was  het  geslacht  Cirk- 
sena tot  hoog  aanzien  gekomen;  schrander  van  geest  en  ver- 
vuld met  eenen  vurigen  ijver  voor  het  welzijn  des  volks, 
badden  zij  door  de  bescherming  en  verdediging  van  deszelfs 
rechten  en  vrijheden  zoowel  den  roem  van  hun  huis  geves- 
tigd, ale  ook  tevens  den  invloed  gefnuikt  van  die  hoofdlin- 
gen, welke  zich  aan  hun  gezag  niet  verkozen  te  onderwer- 
pen. De  beide  zoons  van  den  eerbiedwaardigen  Enna,  Edzard 
en  Ulrich,  voerden,  de  een  na  den  ander,  de  heerschappij; 
na  den  dood  van  laatstgenoemden  aanvaardde  diens  weduwe  — 
eene  kleindochter  van  Foko  Ukena,  weleer  de  machtigste 
tegenstander  van  den  ouden  Enna,  —  Theda,  eene  echte  „fry- 
san  vife,"  met  krachtige  mannelijke  hand  de  teugels  van  het 
bewind,  in  afwachting  van  de  meerderjarigheid  van  haren 
zoon  Edzard. 

In  1494  stierf  Theda,  de  hoogvereerde  landsvorstin.     De 


231 


prelaten  en   hoofdlingen   des  lands   traden  met  elkander  in 
overleg y   en   huldigden,  met  toestemming   des    volks,  haren 
zoon,  graaf  Edzard,  als  Heer.    Gedurende  meer  dan  dertig 
jaren  bestuurde   hij   de   aangelegenheden   des  lands,  en  dat 
op  zulk  eene  uitnemende  wijze,  dat  het  dankbare  volk  hem 
den  bijnaam   van   „de    Groote"  geschonken   heeft,   en   zijne 
nagedachtenis  nog  steeds  in  het  land  voortleeft.    Geducht  in 
den  krijg,  machtig  in  vredestijd,  was  hij  de  bestendige  schuts- 
heer  van  zijn  volk,   zelf  een   echte   Fries,  getrouw,  matig, 
schrander,  rechtvaar()lg ,  door  eene  vurige  vaderlandsliefde  be- 
zield,  innig  godvruchtig  en  met   welwillendheid  vervuld,  ook 
jegens   de  geringsten   in   het  land.     In  1528  ontsliep  hij  in 
vrede,  met  de  woorden   van  Simeon  op  de  stervende  lippen. 
Hg  had  met  geloovigen  zin  den  Heiland  gezien ,  gelijk  Hij  door 
de  Hervorming  bekend  was  geworden,  en  gelijk  Hij  de  Duitsche 
landen  zegenend  en  ontfermend  doorwandelde.    Nu  wenschte 
hjj  als  zijn  dienstknecht  in  vrede  henen  te  gaan.     Z\jn  zoon 
Enno  II  volgde  hem  in  de  regeering  op;  deze  was  niet  in  allen 
deele  het  evenbeeld  van  zijnen  vader,  en  wijdde  zich  méér  aan 
een  leven  van  zingenot,  dan  aan  den  ernstigen  arbeid  voor  het 
welzijn   des  vaderlands.     Voor  de  moeielijke  tijden,  in  welke 
zijne  tienjarige  regeering  plaats  vond,  met  hunne  groote  en 
gewichtige   eischen  was   hij   niet  genoegzaam   berekend;   h\j 
handelde   zonder  energie,   en   zijne   daden  droegen  maar  al 
te  zeer  blijk   van   zijn  gebrek   aan  ijver  voor  zijne  roeping, 
van  welke  hij  trouwens  ook  geen  helder  begrip  had.    Hij  liet 
liever  aan  de  zaken  haren  loop ,  en  rustig  betijen  wat  hij  te 
traag   en  te  lusteloos  was   om  te  keer  te  gaan.    Dientenge- 
volge zag  zijn  volk  zich  vele  brandschattingen  opgelegd,  en  leed 
ook  het  land   onherstelbare   schade:  het  was  tot  een  strijd- 
perk geworden  voor  de  meest  verschillende  denkbeelden,  die 
hier  met  elkander  om   den  voorrang  dongen;  er  was  gisting 
onder  alle   standen,    en   men   gevoelde,   dat  er   eene  sterke 
hand  ontbrak ,  die  de  opgewekte  geesten  in  dien  veelbewogen 
tijd  vermocht  te  beteugelen  en  op  den  rechten  weg  te  leiden. 
In  1540  stierf  Enno,  nog  slechts  35  jaar  oud.    Zijne  weduwe, 
gravin  Anna,  uit  het  huis  van  Oldenburg,  in  meer  dan  één 


opzicht  het  evenbeelrl  van    de  kloeke  Theda,  aanraardde  als 
Toogdes  van  hare  zonen  de  regeering. 


De  ïrije,  onbuigzame  zin  van  het  Friesche  volk  treedt  ook 
in  zijn  godsdienstig  leven  duidelijk  aan  den  dag.  Het  is  een 
■ïroom  volk,  dat  voor  zijnen  God  in  den  hemel  zich  neder- 
btiigt ,  maar  er  een  afkeer  van  heeft  om  zich  aan  eenige  men- 
scbelijke  inzetting  te  onderwerpen.  Aan  den  ingang  zijner 
geschiedenis  staat,  als  een  sprekend  beeld  van  deze  zijne 
denkwijze,  zijn  koning  Radbod.  Hij  had  de  vrijheden  zijns 
volks  moedig  tegen  Karel  Martel  verdedigd,  maar  de  over- 
macht was  te  groot;  de  Friesche  koning  moest  voor  den 
Fraiikischen  hertog  bukken.  Met  den  overwinnaar  waren  de 
christen- zen  delingen  in  het  land  gekomen.  De  overwonnen 
koning  moet  de  prediking  van  het  kruis  aanhooren ,  en  stemt 
er  eindelijk  in  toe,  zich  te  laten  doopen.  Reeds  staat  hij  in 
het  water,  op  het  punt  om  het  zegel  des  doops  te  ontvan- 
gen, als  hij  plotseling  de  vraag  tot  den  Bisschop  richt;  „Waar 
mogen  zich  mijne  voorzaten  bevinden,  in  den  bemel,  of  in 
de  hei';'"  —  „Uwe  voorzaten  stierven  als  heidenen,  en  zijn 
derhalve  allen  ter  helle  gevaren!"  Vergramd  stijgt  Radbod 
uit  het  water,  en  spreekt:  „Dan  wil  ik  liever  bij  mijne  stam- 
genooten  in  de  hel  zijn,  dan  bij  de  weinige  christenen  in  den 
hemel."  Door  geen  verdere  pogingen  was  hq  te  bewegen  om 
den  doop  te  ondergaan. 

Reeds  weinige  jaren  daarna  konden  zijne  stamgenooten  de 
prediking  van  het  kruis  niet  langer  wederstaan.  De  grijze 
Winfried  betrad  bij  vernieuwing  het  land,  waar  hij  eens 
als  jongeling  had  gearbeid ,  en  zag  thans  zijne  werkzaamheid 
onder  de  Friezen  met  beteren  uitslag  bekroond ,  dan  eenige 
tientallen  jaren  vroeger,  Liudger  en  WiUehad  waren  leer- 
lingen van  Winfrieil  en  ook  reeds  zonen  van  liet  Friesche 
volk,  die  bij  de  christenen  in  den  lande  veel  genegenheid 
en  ondersteuning  raochten  vinden;  in  steeds  grootere  scharen 
naderden  de  lieden  tot  den  doop.  Nadat  het  volk  de  Chris- 
tenleer  eenmaal    omhelsd    had ,  bleef  het  van  harte  aan  zijn 


233 


geloof  getrouw.  Ook  op  kerkelgk  gebied  handhaafden  de  Friezen 
eeuwen  achtereen  hunne  privilegiën.  Er  was  geen  bijzondere 
bisschopszetel  in  het  land  gevestigd;  de  eene  helft  des  lands 
stond  onder  den  kromstaf  van  den  bisschop  van  Bremen, 
de  andere  onder  dien  van  den  bisschop  van  Munster;  van 
eenigen  invloed ,  door  deze  kerkvorsten  op  de  lotgevallen  des 
lands  uitgeoefend,  was  niet  veel  te  bemerken.  Op  de  eischen 
van  eenen  Gregorius  Vu,  die  het  celibaat  wilde  invoeren, 
gaven  de  Friezen  kort  en  bondig  ten  antwoord:  „De  priesters 
zijn  even  goed  menschen  als  wij,"  en  zelfs  de  pauselijke 
macht  moest  op  dit  punt  onderdoen  voor  den  onbuigzamen 
zin  van  het  volk,  dat  vast  besloten  had  om  zich  geene  pries- 
ters, die  tot  den  ongehuwden  staat  veroordeeld  waren,  te 
laten  opdringen.  Van  de  zware  stormen,  die  de  Kerk  in 
andere  oorden  zoo  menigmaal  teisterden,  bemerkte  men  hier 
slechts  weinig.  Men  leefde,  gelijk  de  vrome  vaderen  geleefd 
badden;  op  tal  van  plaatsen  in  den  lande  verrezen  kerken 
en  vervolgens  ook  kloosters.  Slechts  aan  deze  indrukwek- 
kende steenen  gebouwen  was  vrijwillig  het  recht  toegestaan, 
om  zich  hoog  boven  de  eenvoudige  woonhuizen  der  burgers 
te  verheffen ;  want  hooger  dan  de  Fries  mag  alleen  zijn  God 
wonen ! 

In  de  dagen  van  Lu t her  werd  het  anders.  Reeds  vroeg 
kwamen  de  bezielende  geschriften  van  den  Duitschen  her- 
vormer den  wakkeren  graaf  Edzard  I  in  handen,  en  met 
klimmend  genot  en  instemming  verdiepte  hij  zich  in  den 
vromen ,  moedigen  geest ,  die  hem  ongedacht  daaruit  te  gemoet 
kwam.  De  onverschrokken  mannentaal  van  Luther  klonk 
zoo  krachtig  en  vrij,  alsof  het  een  Fries  was,  die  zóó  sprak. 
De  Graaf  verlangde  van  Luther  eenen  prediker  der  Evan- 
gelie^s.  In  het  land  zelf  bevond  zich  reeds  de  meest  geschikte 
persoonlijkheid ,  een  leerling  van  de  Broederen  des  gemeenen 
levens  te  Zwolle,  magister  A  port  anus.  Hij  bleef  niet  lang 
alleen.  Op  de  meest  verschillende  plaatsen  des  lands  open- 
baarde zich  het  verlangen  naar  de  prediking  van  het  Evan- 
gelie ;  spoedig  werden  er  ook  predikers  gevonden ,  meestal  vrij- 
zinnige priesters ,  die  in  hunne  jeugd  door  den  geest  van  de 


234 


Broederen  des  gemeenen  lérens  waren  beziel^  geworden.  Aan 
eene  scheiding  werd  nog  volstrekt  niet  gedacht.  B[et  kon  ge- 
beuren,  dat  in  dezelfde  kerk ,  waar  van  den  kansel  de  zuivere 
prediking  van  het  Evangelie  weerklonk,  misschien  een  uur 
vroeger  een  andere  priester  aan  het  altaar  de  mis  had  ge- 
lezen. Het  hart  des  volks  echter  keerde  zich  welhaast  en 
voor  goed  van  den  man  aan  het  altaar  tot  dien  op  den  kan- 
sel en  tot  den  heiligen  inhoud  zgner  prediking.  Want  de  Fries 
is  ernstig  in  alle  dingen ,  en  niet  het  minst  op  het  punt  van  het 
geloof.  Het  is  een  bekend  gezegde:  ,, Friesland  zingt  niet'';  maar 
zgne  bewoners,  met  hun  degelijken,  volhardenden,  moedigen 
en  werkzamen  aard,  denken  over  de  hoogste  levensvragen 
na,  en  wat  zij  op  dat  gebied  door  eigen  inspanning  tot  het 
hunne  gemaakt  hebben ,  dat  beschermen  zij ,  evenals  hun  land, 
tegen  elk  vreemd  element,  tegen  elke  gevaarlyke  branding. 
Van  uitertgk  vertoon,  ook  in  de  kerk,  zijn  ze  afkeerig; 
daarentegen  z\jn  ze  geneigd,  het  woord  der  waarheid  te 
onderzoeken,  en  zich  daardoor  tot  bekeering  en  vergeving 
van  zonden  te  laten  leiden.  Hun  in  zichzelf  gekeerd,  schier 
ongenaakbaar  karakter  doet  niet  licht  afstand  van  hetgeen 
zjj  zich,  ook  op  geestelijk  gebied,  met  zooveel  inspanning 
verworven  hebben. 

Bij  den  dood  van  Edzard  was  de  leer  des  Ëvangelie's 
door  het  geheele  land  verspreid;  de  stervende  graaf  was 
haar  van  heeler  harte  genegen.  Nog  op  zijn  doodbed  ver- 
maande hjj  zijne  zonen,  bij  deze  leer  te  volharden.  Zijn 
opvolger  hield  woord.  Het  was  daarbij  echter  zijn  voornaamste 
streven,  om  de  rijke  kloostergoederen  in  beslag  te  nemen, 
en  zich  door  middel  daarvan  de  genietingen  te  verschaffen, 
die  zijn  hart  begeerde^).  In  vele  gevallen  heeft  hij  eigen- 
machtig en  wederrechtelijk  gehandeld.  Nochtans ,  de  geheele 
beweging,  ook  in  Friesland,  was  in  haar  diepste  wezen  te 
rein  en  te  waar,  dan  dat  zulke  daden  van  geweld  bij  machte 


1)  Over  deie  secnlariMtios   en  berooviagen  Tan  de  kloosters  yergel.   ook 
„Arohiv'*,  8.  5.  139. 


236 


zonden  geweest  zijn,  om  haar  karakter  te  bezoedelen  of  te 
misvormen. 

De  vroegste,  in  bnnne  soort  geheel  éénige  reformatorische 
geschriften  van  Luther,  alsmede  zijn  kloekmoedig  optreden, 
alleen  in  de  kracht  des  geloofs,  tegen  Keizer  en  rijk  en 
Paos,  hadden  ont^enzeggelijk,  ook  in  deze  Nederduitsche 
gewesten ,  het  eerst  de  reformatorische  beweging  in  het  leven 
geroepen.  Maar  deze  beweging  bleef  in  Oost^Friesland  niet 
angstig  en  slaafsch  aan  de  renzengestalte  van  den  Duitschen 
hervormer  gebonden.  De  vrije  Fries  bewandelt  gaarne  zijne 
eigene  wegen;  de  bijkans  oppermachtige  invloed  van  den 
Wittenbei^er  was  aan  gene  zijde  van  de  Wezer  en  de  Eems 
veel  minder  groot  dan  aan  deze  zijde. 

Ook  b\j  magister  Aportanns,  wiens  machtige  persoonlijk- 
heid onloochenbaar  den  stempel  harer  theologische  richting 
op  zijn  land  gedrukt  heeft,  ten  deele  ook  omdat  hij  zelf  een 
echte  Fries  was,  komen  reeds  vroegtijdig,  op  het  ééne,  be- 
slissende pnnt,  denkbeelden  voor  den  dag,  die  Luther  als 
dwaalleer  der  Sacramentisten  aireede  beslist  had  wedersproken. 
Reeds  in  1526  schrijft  de  Ëmdensche  prediker  stellingen  ter- 
neder als  de  navolgende:  „God,  die  steeds  gezorgd  heeft, 
dat  zijne  groote  werken  en  wonderdaden  door  eenig  teeken 
of  z^el  in  de  herinnering  van  het  menschdom  bewaard  ble- 
ven, heeft,  gelijk  aan  Noach  den  regenboog,  aan  Abraham 
de  besnijding,  aan  de  kinderen  Israëls  het  eten  van  het 
paaschlam,  evenzoo  aan  de  Christenen  den  Doop  en  het 
Avondmaal  gegeven.  Gelijk  het  eerstgenoemde  slechts  tee- 
kenen en  zegelen  z\jn,  zoo  zijn  ook  doop  en  brood  en  wijn 
niet  de  goddelijke  reiniging  en  heiligmaking,  maarlftlleen 
gewisse  en  onbedriegelijke  teekenen  en  zegelen  Gods  van  de 
genoemde  dingen  .  .  .  Christus  erkennen,  en  Hem  van  gan- 
scher  harte  door  het  geloof  aannemen,  d^t  is  zijn  bloed 
waarlijk  drinken,  en  zijn  vleesch  waarlijk  eten.  Het  uitwen- 
dige brood  eten,  en  den  uitwendigen  kelk  drinken,  is  niets 
anders  geweest,  dan  voor  alle  christenen  betuigen  hetgeen 
wij  inwendig  gelooven ,  eten  en  drinken.  Daar  Christus  licha- 
melijk  in    den  hemel  is,  ter  rechterhand  zijns  hemelscben 


236 


Vaders,  zoo  is  Hij  in  het  brood  niet  lichamelijk ,  maar  gees- 
telijk tegenwoordig."  Hetgeen  Aportanus  in  dezen  vorm  te 
Eraden  verkondigde,  -vertolkte  (in  1527)  zijn  wakkere  geloofs- 
en  strijdgenoot  in  Norden,  Hendrik  Rese,  in  het  geeste- 
lijk lied,  dat  spoedig  van  mond  tot  mond  ging,  en  waarin 
o,  a.  gezegd  wordt:  „Der  glove  is  dat  rechte  ethen,  —  Sus 
mogen  wij  uns  nicht  \ermethen,  —  Tho  nutten  Irjflijker 
w\jze  —  Salck  eyn  heylzame  spijze.  —  De  glove  nimt  Chris- 
tnm  sulvest  an  —  ünde  allent  dat  he  heft  vor  uns  gedan,  — 
SiJD  vlesch  unde  bloth,  sijn  lijf  unde  sel,  —  Ja  in  em  Godt 
snlveat  alhel,"  ')  Dat  is  echter  niets  anders,  dan  de  luide 
weergalm,  hoog  in  't  noorden,  van  de  leer  van  Zwingli.  Zij 
vond ,  wel  is  waar,  tegenspraak ,  zoowel  van  Roomache  zijde , 
als  ook  van  den  kant  van  zulke  Evangelische  predikers ,  die 
zich  nauwer  aan  Luther  hadden  aangesloten,  maar  toch 
verkreeg  zij  de  overhand,  gelijk  wij  haar  ook  wedervinden 
in  de  oudste  Gteloofstielijdenis ,  die  de  Evangelische  predikers 
van  Oost-Friesland ,  kort  na  den  dood  van  graaf  Kdzard 
(1528),  iu  het  licht  zonden  3),  welke  belijdenis  nog  in  het- 
zelfde jaar  door  eene  daarbij  behoorende  uitvoerige  Verkla- 
ring gevolgd  werd. 

Overeenkomstig  het  levendige  vrijheidsgevoel  zijner  bewoners 
werd  tViesland  welhaast  het  asyl  van  allen,  die,  om  den 
wille  van  hun  geloof,  in  de  naburige  staten  aan  vervolging 
waren  blootgesteld.  De  toevloed  der  zoodanigeu  was  zeer 
aanzienlijk.  Het  kleine  landje  vertoonde  eene  bonte  staalkaart 
van  voorstanders  van  de  meest  verschillende  godsdienstige 
denkbeelden,  in  die  dagen  een  gansch  éénig  verschijnsel,  alsof 
ginds   aan   de    zee    een    eiland    uit   de  diepte  was  opgerezen 


1)  CorQBlius,  B.  20. 

2)  Met  betrekking  tot  liet  uiitHtann  tui  dit  belangrijk  sjtobottauh  geadirift. 
zie  men  Buimiui,  |)Dg.  3*6.  De  belijdenin  nelve  niut  hare  33  Artikelen  vindt 
mea  afgedrukt  bij  UeinerB,  I,  53,  Het  llUe  Artikel  luidt  sldne:  „Het 
ATondtBiaal  de»  HiMren  dient  tot  do«  Heeron  gcdnohteniise  en  tot  Tsrkondi- 
gÏDge  VBii  lijnen  doijdt,  (o  lang  tot  dnt  liij  wederkomt.  Ook  om  't  geloTe 
te  betuigen,  welk  gelOïe  is  het  rechte,  eüige  eteu  en  drinken  vsn  Chrielus 
Tlewch  en  bloedt.     Het  dieal  mede  tot  de  brordwlijke  liefde." 


237 


met  weiten,  gelijk  die  elders  eerst  in  den  nieuwsten  tijd  zijn 
vastgesteld.  Uit  de  Nederlanden  stroomden  de  Evangelischen 
in  groeten  getale  naar  de  gastvrije  herberg  der  gewetensvrij- 
heid. Zij  werden  vergezeld  door  de  Wederdoopers :  Hendrik 
Niclaes  ^verde  hier  een  tijdlang,  daarna  weder  David  Joris; 
overal  elders  vervolgd,  rustte  Karlstadt  hier  een  tijdlang 
uit:  bet  was  een  rechte  verzamelplaats  van  de  meest  verschil- 
lende geestdrijvers.  Hunne  werking  op  het  volk  was  welhaast 
te  bespeuren,  inzonderheid  onder  de  regeering  van  Enno, 
die  de  dingen  gaarne  op  hun  beloop  liet  Uit  Bremen  waren 
predikers  overgekomen ,  die  de  ontstane  verwarring  en  tuch- 
teloosheid  door  eene  nauwe  en  onvoorwaardelgke  aansluiting 
aan  de  leer  van  Luther  meenden  te  kunnen  stuiten:  maar  met 
onstuimigheid  verhief  zich  de  gemeente  tegen  zulk  oenen  eisch. 
Ook  de  wetten,  die  door  de  regeering  in  aansluiting  aan  de 
Marborgsche  Artikelen  werden  uitgevaardigd ,  misten  de  be- 
doelde uitwerking.  Daarop  werd  door  den  Graaf,  een  jaar 
of  wat  later,  eene  poging  gedaan,  om  door  een  paar  predi- 
kers uit  Lunenburg  aan  het  Lutherdom  de  overhand  te  ver- 
schaffen. Doch  insgelijks  te  vergeefs.  Reeds  in  1538  moesten 
de  vermeende  redders  het  land  weder  verlaten;  alle  hunne 
pogingen,  ofschoon  door  de  macht  der  overheid  ondersteund, 
leden  schipbreuk  op  den  vrijen  zin  van  het  volk.  Maar  de 
verwarring  nam  ook  op  bedenkelijke  wijze  toe;  waar  bleef 
bij,  die  zich  in  staat  zoude  toonen,  om  orde  te  scheppen  en 
vrede  te  schenken  aan  het  land? 

Zoodanig  was  de  toestand  van  Oost-Friesland ,  toen  Jo- 
hannes  a  Lasco  zich  uit  Groningen  derwaarts  begaf,  om 
hier  in  stille  afzondering  voor  zijne  studiën  te  leven. 

a)    De  tijd  van  afwachting. 

Het  moet  in  den  naherfst  van  het  jaar  1540  geweest  zyn, 
dat  onze  vriend  den  gastvrijen  bodem  van  Friesland  betrad. 
Het  juiste  tijdstip  zal  men  bezwaarlijk  meer  kunnen  te  weten 
komen.  De  geleerJe  geschiedschrijver  zijns  volks  is  van 
meening,   dat  onze  Pool  zelfs    reeds  in  het  begin  van  dat 


238 


jaar  te  Emden  gekomen  is,  en  verhaalt,  hoe  nog  Enno, 
kort  vóór  zijn  overlijden ,  den  hooggeschatten  man  de  leiding 
der  Friesche  kerk  heeft  willen  toevertrouwen,  maar  hoe  deze 
de  eervolle  opdracht  van  de  hand  heeft  gewezen,  terwijl  hij  zich 
tot  zijne  verontschnldiging  inzonderheid  zal  hebben  beroepen  op 
zijne  onbekendheid  zoowel  met  de  taal,  als  met  de  eigenaardige 
toestanden  des  lands  ^).  Zoolang  geene  meer  afdoende  bewij- 
zen voor  deze  bewering  worden  bijgebracht  dan  tot  dusver, 
is  zij  aan  zeer  gronden  twijfel  onderhevig.  Enno  stierf  reeds 
in  September  1540,  op  een  tijdstip ,  dat  La  ski,  gelijk  uit  alle 
andere  berichten  bijkans  met  zekerheid  kan  worden  opgemaakt, 
zich  nog  in  Leuven  bevond.  Het  is  moeielijk  aan  te  nemen , 
dat,  gelijk  Emmius  bericht,  Laski  den  Graaf,  in  zijne  plaats, 
zijnen  vriend  Hardenberg  voor  dien  gewichtigen  post  zal 
hebben  aanbevolen,  den  man,  die  destijds  nog  de  pij  der 
Bemardijner-monniken  droeg,  en  juist  kort  te  voren  zijne 
toevlucht  gezocht  had  achter  de  beschermende  kloostermu- 
ren, die  hij  eerst  in  het  volgende  jaar,  op  aanhoudenden 
aandrang  yan  onzen  vriend,  besluiten  kon  te  verlaten. 

Emden  was  in  die  dagen  een  weinig  uitlokkende  verblgf- 
plaats.  Destijds  stuwde  nog  de  zee  hare  wateren  onmiddellijk 
tot  aan  de  stadsmuur;  in  de  koude  najaarsstormen  en  in  de 
donkere  winternachten  sloeg  de  hooggaande  vloed  met  hui- 
veringwekkend geweld  tegen  de  stad  aan.  Vochtige  en  koude 
nevels  bedekten  voortdurend  de  laaggelegen  landstreek.  De 
nauwe  straten,  de  kleine,  onaanzienlijke  woonhuizen  boden 
nauwelijks  genoegzame  beschutting  aan  de  bewoners ,  die  van 
hunne  vroegste  jeugd  af  tegen  alle  zoodanige  onaangenaamheid 
van  het  ruwe  klimaat  gehard  waren;  aan  den  vreemdeling 
echter  moesten  zij  al  zeer  onherbergzaam  toeschijnen,  inzon- 
derheid aan  eenen  Pool,  die  aan  de  gerief elijkheid  van  de 
woningen  der  Erakau'sche  patriciërs  gewoon  was.  Wanneer 
wij  heden  ten  dage  de  zindelijke,  nette,  tamelijk  eenzame 
straten    van  Emden   doorwandelen ,   dan   wordt  het   óns   te 


1)  Bmmiüs,  pag.  915. 


239 


moede,  alsof  de  stad  drieboDderd  jaren  achtereen  in  eenen 
diepen  slaap  is  verzonken  geweest,  en  alsof  wij  door  dezelfde 
straten  gaan,  in  welke  ook  La  ski  eens  gewandeld  heeft  In 
dat  geval  zouden  wij  den  toestand  der  huizen  in  zijnen  tijd 
veel  gunstiger  moeten  afschilderen.  Maar  de  hoogere  bloei 
der  stad,  waarvan  hare  oude  huizen,  inzonderheid  het  schoone 
raadhuis ,  zoo  welsprekend  getuigen ,  dagteekent  eerst  van  de 
tweede  helft  der  zestiende  eeuw,  en  was  niet  voor  het  ge- 
ringste deel  het  gevolg  en  tevens  de  dankbare  vrucht  van 
den  geest,  dien  Laski  voortdurend  met  al  zijne  krachten 
heeft  zoeken  aan  te  wakkeren.  Want  Emden  verkreeg  door 
hem,  meer  nog  dan  te  voren,  recht  op  den  schoenen  eere- 
titel,  de  herberg  te  zijn  van  hen,  die  om  huns  geloofs  wiHe 
vervolgd  werden,  en  de  voortvluchtige  Nederlanders  en  En- 
gelscben  beloonden  die  gastvrijheid  rijkelijk  door  hunne  vlgt 
en  bedrijvigheid. 

Ook  de  middelen  van  onzen  banneling  schijnen  in  dien  tgd 
niet  toereikend  geweest  te  zijn,  om  zich  door  eéne  meer  ge- 
riefelijke  inrichting  tegen  den  nadeeligen  invloed  van  wind 
en  weder  te  beschutten.  Hij  had  naar  huis  geschreven,  met 
het  verzoek,  dat  men  zijne  boeken  over  Frankfort  naar  Emden 
zou  sturen,  en  zond  nu  aan  zijnen  vriend  in  Aduard  eene 
opgave  van  zijne  doubletten  ter  aanvulling  van  de  rgke 
kloosterbibliotheek,  waarschijnlijk  echter  ook  tevens  om  met 
het  geld,  dat  hij  daardoor  in  handen  zou  krijgen,  in  zijn 
levensonderhoud  te  voorzien.  Tegenover  de  bewoners  van 
Emden  gevoelde  hij  zich  tamelijk  vreemd.  Met  de  beschaafden 
onder  hen  kon  hij  zich  in  de  moedertaal  der  humanisten 
gemakkelijk  onderhouden ;  maar  van  het  volk  was  hij ,  als 
door  eene  onoverkomelijke  klove,  gescheiden  door  de  Neder- 
duitsche  Uial,  die  zoo  geheel  anders  luidde,  dan  hetgeen  hij 
zich  weleer  in  Bazel  van  de  Hoogduitsche  taal  had  eigen 
gemaakt.  Dit  was  van  te  meer  gewicht,  omdat  hij  hier  in 
Friesland  een  volk  aantrof,  dat  men  niet,  gelijk  eenen  Pool- 
schen  Kmetoon,  onopgemerkt  kon  voorbijgaan,  en  Laski 
zou  zulks  thans  gewis  ook  niet  gewild  hebben. 

B{j   al  deze  bezwaren ,  die  onzen  vriend  verhinderden  om 


240 


zich  in  deze  ruwe,  onherbergzame  streek  tehuis  te  gevoelen , 
voegde  zich  een  smartelijk  lichaamslijden.  Wij  moeten  hem 
ons  in  dit  opzicht  voorstellen  gelijk  Paulus ,  met  eenen  doorn 
in  het  vleesch ,  doch  mogen  hem  ook  hierin  met  den  grooten 
Apostel  vergelijken,  dat  hij,  evenals  deze,  in  de  school  des 
lijdens  en  door  het  onderricht  des  Evangelie's  geleerd  had^ 
zich  met  de  genade  zgns  Heeren  te  vergenoegen.  Reeds  uit 
de  eerste  berichten,  die  wij  in  Bologna  aangaande  hem 
vernomen  hebben,  blijkt,  dat  hij  eene  zwakke  gezondheid 
bezat,  zoodat  ook  zijne  naaste  betrekkingen  zich  over  hem 
bezorgd  maakten.  Gedurende  de  laatst  verloopen  dertien  jaren , 
die  hij  in  zijn  vaderland  doorbracht ,  had  hij  zich  lichamelijk 
wel  gevoeld.  ')  Maar  nu,  in  deze  Inaggelegen,  vochtig • 
koude  streken,  waren  de  koortsen  met  vernieuwde  hevigheid 
teruggekeerd.  Het  voedsel,  waaraan  hij  niet  gewoon  was, 
bleek  nadeelig  te  zijn  voor  zijne  maag,  wier  toestand  nog 
verergerde  door  de  geneesmiddelen,  die  hem  de  doctoren 
tegen  de  hevige  koorts  voorschreven.  Een  voortdurend  braken 
kwelt  den  lijder;  het  opgaan  naar  de  nabijgelegen  kerk  doet 
hem  bijkans  in  onmacht  vallen;  na  slechts  een  weinig  gelezen 
te  hebben ,  wordt  het  hem  duister  voor  zijne  oogen ;  een  brief 
van  enkele  regels  kost  hem  eene  langdurige  inspanning,  en 
daarbij  komt  dan  nog  het  aanhoudend,  smartelijk  haemor- 
rhoïdaal-lijden.  Maar  al  dit  lijden  droeg  hij  zonder  morren. 
„Gode  zy  de  eer,  die  mij  door  zulke  lichamelijke  vermanin- 
gen mijne  schuld  en  verplichting  tegenover  Hem  zoo  genadig 
herinnert"  Reeds  meende  hij  dat  hij  verplicht  zoude  zijn, 
aan  den  aandrang  der  zijnen  gehoor  te  geven,  en  ter  wille 
van  zijne  gezondheid  Emden  te  verlaten.  Toen  echter  de 
winter  voorbij  was,  en  de  lente  beterschap  aanbracht,  bleef 
hij.  Emden  had  reeds  zijn  hart  gewonnen;  hier  had  hij  ge- 
vonden hetgeen  hij  gezocht  had ,  een  afgelegen  toevluchtsoord , 
waar  hij  ongestoord  voor  zijne  studiën  kon  leven. 

Aangaande  den  loop  dezer  studiën  gedurende  het  rustige  jaar, 
dat  nu  volgde ,  kunnen  wij ,  tot  onze  spijt ,  geene  nadere  bijzon- 


1)  Kuyper,  II,  552. 


241 


derheden  mededeelen.  Alleen  zien  wij,  dat  nieuwe ,  belang- 
rijke voortbrengselen  op  theologisch  gebied  niet  lang  voor 
hem  verborgen  blijven.  Bij  zekere  gelegenheid  roemt  hij  de 
vrijmoedigheid  der  taal  in  het  ten  jare  1539  verschenen 
werkje  van  Melanchthon:  „Die  fürnembste  Unterschied  zwi- 
schen  reiner  christlicher  Lehre  des  Evangeliums  und  der 
abgöttischen  papistischen  Lehre/'  een  geschrift ,  dat  ook, 
gelijk  hij  aan  zijnen  vriend  in  het  klooster  mededeelt,  de 
Keizer  met  levendige  belangstelling  gelezen,  en  in  hetwelk 
Melanchthon  met  bewonderenswaardige  beknoptheid  de  voor- 
naamste geloofspunten  ter  sprake  gebracht  heeft.  Van  zijnen 
afgelegen  wachttoren  aan  de  zee  volgde  La  ski  den  loop 
der  gebeurtenissen  op  kerkelijk  gebied.  Het  was  destijds  aan 
de  orde  van  den  dag^  om  de  moeielijkste  en  duisterste  vra- 
gen der  theologie  in  lange  bijeenkomsten  te  bespreken.  Wie 
den  loop  van  eene  zoodanige  discussie  wilde  volgen,  zag 
zich  onverhoeds  vóór  de  belangrijkste  problemen  geplaatst, 
en  werd  er  onwillekeurig  toe  geleid,  om  zich  van  zijne  ge- 
voelens dienaangaande  rekenschap  te  geven.  Hoeveel  te  meer 
was  dit  het  geval  met  onzen  vriend ,  wiens  ernstige  studiën 
hem  onophoudelijk  noopten,  om  aan  de  beantwoording  van 
de  opgeworpen  vragen  tot  zijne  eigene  onderrichting  en  beves- 
tiging in  het  geloof  te  arbeiden.  In  November  1540  waren 
afgevaardigden  van  de  verschillende  stenden  tot  het  houden 
van  een  godsdienstgesprek  te  Worms  bijeengekomen.  Ranke 
wijst  daarbij  op  de  buitengewone  omstandigheid,  dat  hier 
de  vertegenwoordigers  van  het  Pausdom  onderling  verdeeld, 
die  van  het  Protestantisme  daarentegen  eensgezind  waren.  ^)  De 
Wittenbergsche  Concordie  hield  de  geesten  nog  bijeen;  Cal- 
yijn  en  Melanchthon,  die  heiden  aanwezig  waren,  sloten 
zich  met  oprecht  vertrouwen  bij  elkander  aan.  De  voornaamste 
vraag,  bewoog  zich  op  kerkrechtelijk  gebied ^  en  was  deze: 
welke  der  beide  kerken  in  de  gemeenschap  der  ware,  oude 
kerk  volhardde,  en  bijgevolg  op  den  naam  van  de  „katho- 
lieke" aanspraak   mocht   maken.     Deze  vraag   moest   Laski 


1)  Ranke,  IV,  I5G. 

DALTON.  16 


242 


in  bijzondere  mate  boeien ,  en  hem  aanleiding  geven  tot  stu- 
diën, welker  vrucht  aan  zijne  latere  belangrijke  werkzaam- 
heid  ten  goede  kwam.  Op  dit  gesprek  te  Worms  volgde  reeds 
in  het  begin  des  anderen  jaars  het  godsdienstgesprek  te  Re- 
gensburg, bij  welk  laatste  zelfs  de  Keizer  tegenwoordig  was. 
Sedert  jaren  waren  de  beide  kerken  niet  op  zulk  eene  verzoe- 
nende wijze  tot  elkander  genaderd,  als  bij  deze  gelegenheid. 
Mannen  als  Granvella  en  Gontariniaan  den  eenen,  Bucer 
en  Melanchthon  aan  den  anderen  kant  waren  geneigd  tot 
concessies ,  die  heden  ten  dage  de  eerstgenoemden  op  de  bank 
der  oud-Katholieken ,  de  laatstgenoemden  in  de  nabijheid  der 
Centrumspartij  zouden  geplaatst  hebben.  Ter  eener  zijde  was 
men  geneigd ,  om  aan  de  priesters  het  aangaan  van  een  huwelijk 
en ,  wat  Duitschland  betreft ,  aan  de  leeken  het  gebruik  van 
den  kelk  bij  de  Avondmaalsviering  te  vergunnen ;  ter  anderer 
zijde  waren  eenige  vorsten  niet  ongenegen ,  om ,  onder  zekere 
voorwaarden,  het  primaat  van  den  paus  te  erkennen.  Ja,  zelfs 
op  het  cardinale  punt  van  de  leer  der  rechtvaardigmaking 
lieten  Gontarini  en  zijne  geestverwanten  zich  uitdrukkingen 
ontvallen,  die  ontegenzeggelijk  vrij  dicht  tot  de  leer  des  Evan- 
gelie's  naderden.  Bij  de  leer  van  de  Transsubstantiatie  kwam 
't  eerst  de  niet  te  bedekken  tegenstelling  weder  scherp  te 
voorschijn;  de  zichtbaar  geworden  kloof  nam  grooter  afme- 
tingen aan.  Ook  dit  godsdienstgesprek  had  niet  geleid  tot 
datgene ,  waartoe  men  van  weerskanten  de  meest  verzoenlijke 
bereidwilligheid  getoond  had.  Een  vergelijk  was  nu  eenmaal 
niet  meer  mogelijk. 

Onze  vriend  in  zijn  afgelegen  toevluchtsoord  voelde  zich  door 
dit  gesprek,  waarvan  het  gerucht  zich  spoedig  door  geheel 
Duitschland  verspreid  had ,  aangedreven,  om  al  de  geschilpunten 
nog  eens  vóór  zijn  eigen  geweten  aan  het  ernstigst  onderzoek 
te  onderwerpen.  De  uitslag  kon  niet  twijfelachtig  zijn;  het 
resultaat  van  zijn  onderzoek  noopte  hem,  om  de  Boomsche 
kerk  nog  nadrukkelijker  te  verzaken,  en  nog  meer  klem  te 
leggen  dan  tot  dusver  op  het  Protestantsche  standpunt. 

Naarmate  Laski  krachtiger  nadruk  begon  te  leggen  op 
de  leer  van   het  Protestantisme*  des  te  meer   drong  hij  bij 


243 


xijnen  vrien«1  in  het  klooster  op  oene  beslisson^lo  keiizo  atuu 
Laski  had  zijnen  Triend  mondeling  aangemaand «  om  hot 
klooster  te  verlaten;  Hardenbei^  weifelde  nog,  maar  do 
prikkel,  tegen  wélken  hij  zich  op  den  duur  niet  kon  ver- 
zetten, was  hem  door  zijnen  vriend  in  do  ziel  gedrukt. 
„Wat  gij  mij  schrgft  over  schaamte ,  smart  en  al  do  ellende , 
die  n  voortdurend  pijnigt,  hoe  ter  wereld  kan  ik  dat  geloo- 
ven,  daar  gij  zelf  verzekert,  dat  Christus  de  gi*ondon  van  uw 
voornemen  ontwijfelbaar  goedkeurt?  Tegenover  Hem  zijt  g\j 
alsoo  zeker  van  nwe  zaak,  en  tegenover  mij  schaamt  en 
beangstigt  gij  n?  Hoe,  ben  ik  dan  soms  grooter  dan  H\jf 
Wie  in  Christus'  gemeenschap  de  ware  zielsrust  deelai'htig 
werd,  hem  kunnen  menschen  haar  niet  meer  ontrooven.  Als 
gij  het  in  uw  gemoed  hiermede  eens  zijt,  waarde  Alliert, 
dan  behoeft  gij  n  tegenover  mij  over  uw  voornemen  niet.  te 
schamen;  doch  indien  het  soms  anders  is,  dan  hebt  gy  n 
waarlijk  veel  meer  voor  Christus  te  schamen ,  en  het  zou  be- 
grijpelijk zijn ,  waarom  gij  u  in  uw  hart  zoo  beangstigt ,  vooral 
indien  gij  niet  zeker  zijt,  dat  de  gronden  van  uwe  handelwijze 

eemnaal  voor  Gods  gericht  zullen  kunnen  bestaan Daar 

gij  zelf  bekent,  dat  gij  zoo  onbeschrijfelijk  geslingerd  wonlt, 
zoo  vrees  ik,  dat  gij  nog  verder  van  de  ware  rust  verwijdcjrd 
zijt,  dan  gij  zelve  meent.  Gij  overlegt  nog,  of  uw  leven  wel- 
licht eene  godslastering  is,  en  laat  intusschen  de  ergNie  mJH- 
bruiken  plaats  hebben ,  alsof  misbruiken ,  door  welke  de  naam 
en  de  verdienste  van  Christus  gehoond  worden,  geene  gods- 
lastering  zijn.  Ma^ir  gij  m;iakt  u  niet  srtbuldig  aan  zulke 
misbruiken,  en  laakt  ze  ook,  zoo  God  wil,  onl)eH(!liroomd. 
Zoo  wilt  gij  u  dan  tegenover  ons  op  uwe  vrijheid  Ihtoo- 
men,  alsof  wij  niet  wisten,  binnen  welke  grenzen  zij  beperkt 
is.  Grij  verwerpt  het  voorbeeld  van  Ilizkia,  als  niet  van  Uie- 
passing  op  uw  ambt,  uit  hoofde  van  de  geheel  veiKchillende 
omstandigheden,  in  welke  gij  u  bevindt.  I)o(;h  wat  bij,  de 
handhaver  van  uiterlijke  tucht,  met  bet  zwaard  gedaan  be^sft, 
dat  moet  gij  niet  maar  met  zulke  vage  verwijtingen  in  uwe 
voonlrachten  doen,  maar  met  dien  geheel  éénigeii  hamer, 
die   ook   de   rotsen   vermorzelt.     Het  i.s  de  roeping  van  iU'ji 


244 


godgeleerde,  om  aan  aan  elk  zijn  schuld  en  plicht  onder 
het  oog  te  brengen.  Indien  uwe  overheid  aan  de  vermaning 
geen  gehoor  geeft,  ja,  indien  zij  zich  niet  l&dt  vermanen , 
en  zij  u  zelfs  d>vingt,  om  te  vergoelijken  en  te  bedekken, 
en  gij  aan  haren  eisch  toegeeft:  kan  dat  nog  vrijmoedig 
berispen  heeten?  De  vergelijking,  die  gij  maakt  tasschen 
Babyion  en  Babyion,  is  ook  in  het  geheel  niet  juist  Want 
wij  hebben  geen  enkel  afgodsbeeld,  dat  wij  vereeren,  maar 
gijlieden  bewijst  goddelijke  eer  aan  dien  gruwel,  dien  gij  ter 
gewijder  plaatse  in  de  openbare  godsdienstoefening  ten  toon 
stelt ,  en  zijt  dienaren  van  zulk  eenen  afgodsdienst.  Indien  er 
nog  afgodsbeelden  bij  ons  zijn  overgebleven,  dan  worden  zij 
klaarblijkelijk  door  allen  veracht  en  veronachtzaamd.  Op  welke 
trekking  des  Geestes  gij  nog  wacht,  weet  ik  niet.  Ik  voor  mij 
gelooi,  (lat  het  de  Geest  Gods  is,  die  spreekt  (Jes.  52: 11. 
2  Cor.  6:  17):  „Gaat  uit  het  midden  van  hen,  en  scheidt  u 
af."  Dezelfde  Geest  spreekt  het  gelijkluidende  woord,  in  de 
Openbaring  (18:4):  „Gaat  uit  van  haar,  mijn  volk,  opdat 
gij  aan  hare  zonden  geen  gemeenschap  hebt."  Indien  gij 
dit  toepast  op  de  vlucht  in  den  geest,  zoo  staat  het  vast, 
dat  wie  deze  vlucht  ook  slechts  éénmaal  waarlijk  in  zijnen 
geest  heeft  volvoerd ,  ook  niet  meer  vrijwillig  onder  diegenen 
kan  blijven  verkeeren ,  door  wie  hij  voortdurend  de  grootheid 
en  verdienste  van  Christus  ziet  ontheiligen.  Wat  mij  betreft, 
waarde  Albert,  ik  heb  u  even  lief  als  immer  te  voren,  maar 
uw  weifelen  is  mij  gansch  niet  lief."  ') 

Dat  is  de  rondborstige,  mannelijke  taal  van  eenen  echten 
strijder  van  Christus ,  die  zich  het  Evangelie  niet  meer  schaamt, 
maar  vrijmoedig  en  onverbloemd  den  Heer  belijdt  en  om  zij- 
nentwil  blijmoedig  en  met  vaste  overtuiging  alle  banden  ver- 
broken heeft ,  die  hem  aan  de  wereld  konden  kluisteren ,  om 
zich  voortaan  slechts  door  dien  éénen  band  te  voelen  om- 
kneld,  die  de  verloste  ziel  met  haren  Heiland  verbindt.  Op 
zulk  een  nadrukkelijkeu  en  beslisten  toon  zou  Laski  in 
den   kring   der  Evangelische  bijbellezers  te  Leuven  nog  niet 


1)  Kuyper,  II,  557. 


245 


gesproken  hebheo ;  met  rassche  schreden  snelt  hij  voort  in  de 
loopbaan,  vergetende  hetgeen  achter  is,  zich  strekkende  tot 
hetgeen  vóór  is,  wetende,  dat  zijne  sterkte  daarin  berust, 
dat  hij  van  Christus  gegrepen  is. 

Hij  rust  dan  ook  niet ,  voordat  hij  zijnen  weifelenden  vriend 
tot  het  doen  van  denzelfden,  beslissenden  stap  heeft  overge- 
haald. Hardenberg  oppert  eene  reeks  v.in  bedenkingen, 
die  ons  doen  zien,  welk  een  zwaren  strijd  zijne  ziel  had  te 
strijden  ^);  in  den  zoo  even  medegedeelden  brief  vinden  wij 
vermoedelijk  de  wederlegging  van  enkele  punten,  die  wel- 
licht in  het  mondeling  onderhoud  te  Emden  nog  niet  ten  volle 
waren  afgehandeld.  Mogelijk  had  Hardenberg  in  de  kerk 
te  Emden  de  nog  niet  weggenomen  heiligenbeelden  gezien; 
vandaar  de  meening,  of  de  voorgestelde  verandering  toch 
niet  per  slot  van  rekening  slechts  oen  trekken  van  het  eene 
Babel  naar  een  ander  Babel  was,  eene  raeening,  die  zoo 
licht  in  een  weifelend  hart  kon  oprijzen.  De  briefwisseling 
werd  maanden  achtereen  voortgezet:  het  is  een  aandoenlijke 
strijd,  dien  La  ski  onvermoeid  met  zijnen  vriend  kampt.  — 

Dezen  sterken  aandrang  kon  de  weifelende  Hardenberg 
op  den  duur  niet  wederstaan.  Evenwel  was  't  eerst  in  de 
lente  van  1543,  dat  hij  zich  in  zijne  monnikspij  ten  huize 
van  Laski  aanmeldde.  Het  monnikskleed  werd  hier  afgelegd 
en  weggeborgen,  en  de  vrouw  van  Laski  droeg  zorg,  dat 
de  motten  het  wollen  gewaad  niet  verteerden.  ^)  Na  een  kort 
verblijf  te  Emden  begaf  Hardenberg  zich  naar  Wittenberg, 
ten  einde  zich  aldaar,  onder  de  leiding  van  Melanchthon, 
met  wien  hij  spoedig  zeer  bevriend  werd,  grondiger  bekend 
te  maken  met  de  leer  der  Evangelische  kerk. 

Ook  de  nonnenkloosters  werden  omstreeks  dien  tijd  door 
onzen  Laski  niet  gunstiger  beoordeeld,  ook  niet  die  der 
mildste   observantie,   gelijk  wij  ze  in  die  dagen  aan  den  be- 


1)  De  bibliotheek  te  Munehen  is  in  het  bezit  van  het  belangrijke,  door 
Hardenberg  eigenhandig  geschrevene  Stuk.  Spiegel  (S.  27)  geeft  er  een 
aittreksel  van. 

2)  Kuyper,  II,  577. 


246 


neclen-Rijn  m  de  Begijnenhuizen  ontmoeten;  vereenigingen , 
wier  leden,  zonder  zich  daartoe  door  eene  bepaalde  gelofte 
voor  het  geheele  leven  te  verbinden,  in  gemeenschappelijke 
huizen,  op  eenvoudigen  trant  ingericht,  een  vroom  leven 
leidden.  In  het  naburige  Groningen  woonde  in  het  eerste 
Begijnenhof  de  schrandere  en  vrome  Geertruid  Syssinge, 
uit  eene  oude,  aanzienlijke  Groningsche  familie  gesproten. 
Laski  had  haar  leeren  kennen,  en  hield  briefwisseling  met 
haar,  welke  de  beschaafde  Begijn  in  de  Latijnsche  taal  wist 
te  voeren ;  niet  minder  was  zij  ook  in  huishoudelijke  werkzaam- 
heden bedreven,  zoodat  het  hanteeren  van  spinrokken  en 
weefgetouw  haar  gansch  niet  vreemd  was.  Laski  dringt  er 
ook  bij  haar  op  aan,  dat  zij  het  vrouwenstift  zal  verlaten; 
zijn  huis  in  Emden  stelt  hij  als  toevluchtsoord  voor  haar 
open.  Meer  aanhoudend  werd  de  bede,  toen  de  krijg  zich 
naar  Groningen  dreigde  te  verplaatsen.  „God  zal  u  niet  ver- 
laten ,  waar  gij  u  ook  moogt  bevinden ,  indien  gij  Hem  slechts 
in  waarheid  en  van  ganscher  harte  wilt  volgen,  en  ik  tw^fel 
er  niet  aan,  of  gij  zulks  wilt.  Van  mijnen  mannelgken  bij- 
stand moogt  gij  u  verzekerd  houden."  In  een  nader  schrij- 
ven ^)  klinkt  het  reeds  op  dringender  toon:  „Hoewel  ik  geens- 
zins een  heer  en  rechter  van  anderer  geweten  kan ,  noch  ook 
\\i\  zijn ,  zoo  begrijp  ik  toch  niet ,  hoe  iemand ,  die  eenige  kennis 
van  de  waarheid  bezit,  en  de  verborgenheden  der  goddeloos- 
heid in  de  kloosters  kent,  zijn  geweten  voor  God  kan  recht- 
vaardigen, als  hij  in  het  midden  derzulken  blijft,  van  wie 
hij  dagelijks  ziet  en  hoort,  dat  de  verdienste  en  roem  van 
onzen  Heer  Jezus  door  hen  gesmaad  worden". . .  Onze  Begijn 
kon  minder  spoedig  tot  eene  beslissing  komen,  dan  de  Ber- 
nardijner  uit  het  klooster  Aduard ;  menige  omweg ,  op  welken 
ons  bestek  ons  echter  niet  toelaat  haar  te  volgen,  werd  door 
de  weifelende  vrouw  gemaakt,  voordat  zij  den  dorpel  van 
het  klooster  voor  altijd  overschreed.    Zij,  wier  beider  kloos- 


1)  Ibid.  II,  562.    Eea  uitvoerig  bericht  vaa  den  geheelen  loop  dezer  zaak 
vindt  men  bij  Spiegel,  S.  91 — 105. 


247 


ters  op  niet  verren  afstand  van  elkander  gelegen  waren, 
zagen  vervolgens  hunne  wegen  tot  elkander  geleid ,  en  moch- 
ten hun  verder  leven  onder  hetzelfde  dak  doorbrengen;  in 
1547  werd  Hardenberg  met  zijne  „Truijtje"  i)  in  den 
echt  verbonden,  en  volgde  zij  hem  als  levensgezellin  naar 
zijne  Bremer  pastorie. 

De  twee  jaren,  die  Laski  nog  in  Emden  sleet,  voor- 
dat hij  zich  geroepen  zag,  om  eenen  energischen  en  be- 
slissenden  invloed  op  den  loop  der  gebeurtenissen  uit  te 
oefenen,  verliepen  evenwel  niet  zoo  rustig  en  ongestoord ,  als 
hij  waarschijnlijk  wel  gewenscht  had.  Naar  het  aangrenzend 
gebied  der  Nederlanden  werd  nu  en  dan  een  uitstapje  door 
hem  gemaakt.  Een  kort  verblijf  te  Amsterdam  bezorgde 
hem  menig  verleidelijk  aanbod.  Ook  eene  reis  naar  zijn 
oude  vaderland ,  zijn  geliefd  Polen ,  vond  in  dit  tijdperk  zijns 
levens  plaats.  De  aanleiding  tot  laatstgenoemde  reis  was  van 
treorigen  aard.  Reeds  eenmaal,  een  paar  jaren  te  voren, 
was  de  gewichtige  werkzaamheid  van  zijnen  beroemden  broe- 
der Hieronymus  en  diens  tragisch  lot  ook  op  het  leven 
van  onzen  Johannes  van  grooten  invloed  geweest:  wij  her- 
inneren ons,  met  welk  eenen  rusteloozen  ijver  onze  Johan- 
nes al  het  mogelijke  had  gedaan,  om  zijnen  geliefden  broe- 
der uit  de  smadelijke  gevangenschap  te  bevrijden,  tot  welke 
Zapolya  hem  gedoemd  had.  De  schandelijke  bejegening 
van  de  zijde  van  hem,  voor  wien  hij  alles  had  opgeof- 
ferd, en  die  schier  alles  aan  hem  verplicht  was,  had  den 
zwaar-gekrenkten  Pool  bewogen,  om  zich  aan  den  anderen 
pretendent  aan  te  sluiten.  Al  zijn  streven  was  er  van  nu  voortaan 
op  gericht,  om  aan  het  als  uit  duizend  wonden  bloedende, 
maar  nochtans  zoo  schoone  Hongarije  eindelijk  toch  genezing 
en  vrede  te  verschaffen.    Keizer  Kar  el  betuigt  zelf  in  eenen 


.  1)  Z66  luidt  haar  Toornaam  Geertruid,  in  zijnen  meer  alledaagachen  vorm, 
op  hel  éénige  adres  van  een  brief  aan  haar,  dat  ons  bewaard  is  gebleyen; 
in  zijne  Latijnsche  brieven  zelve  noemt  Laski  zijne  vriendin  altijd  Drusilla. 


248 


zendbrief  iian  Hieronymus,  die  ons  is  bewaard  gebleven ,  i) 
welk   een    gewichtig   aandeel  Laski  aan    de    bijlegging    van 
den  jaren   lang   voortgezetten   twist   tusschen   de   beide   pre- 
tendenten  en   aan  het  sluiten   van  den  vrede  tasschen  Fer- 
dinand  en  Zapolya  gehad  heeft    Deze  vrede  was  zonder  de 
voorkennis  en  goedkeuring  van  Soliman  tot  stand  gekomen* 
Men  achtte  niemand  beter  geschikt  dan  Laski,  om  naar  Eon- 
stantinopel  te  gaan,  ten  einde  aan  den  gevreesden  Soliman 
de  tijding  mede  te  deelen.    De  moedige  Pool  nam  de  gevaar- 
lijke  zending   op   zich.     Onbevreesd    bood   hij  het  hoofd  aan 
de  smaadredenen  van  den  vertoornden  Sultan;  de  oorlog  werd 
verklaard,  Laski  in  den  kerker  geworpen;  men  dreigde  hem 
neus  en  ooren  te  zullen  afsnijden.    Slechts  een  gunstig  toeval 
behoedde   hem  voor  zulk  eene  wreede  verminking,  en  stelde 
hem  in  de  gelegenheid ,  om  naar  zijn  vaderland  terug  te  kee- 
ren.  ^)    Zoo  groot  en  belangeloos  was  de  zelfopoffering  van  den 
Pool  voor  het  welzijn  van  Hongarije ,  dat  hij ,  in  weerwil  van 
het  eerst  kort  te  voren  doorgestane  levensgevaar,  zich  in  het 
volgende  jaar  (1540)  bereid  verklaarde,  om  met  eene  nieuwe, 
even  gevaarlijke   boodschap  in  het  hol  van  den  leeuw  terug 
te  keeren.    Zapolya  was  namelijk,  in  den  ouderdom  van  53 
jaren,  gestorven;  een  paar  weken  vóór  zijnen  dood  had  zijne 
jeugdige   gemalin  Isabella,   de    schoone   dochter    van    den 
koning  van  Polen  ^  hem  eenen  zoon  geschonken.    Een  renbode 
werd  naar  Konstantinopel  gezonden,  ten  einde  den  pas  ge- 
boren erfgenaam   onder  de   bescherming    van  den  Sultan  te 
plaatsen;  Laski  was  met  de  moeielijke  taak  belast,  om  den 
Sultan  gunstig  te  stemmen  voor  koning  Ferdinand.  Indien  nu 
slechts  de  Habsburger  met  den  aanvang  der  vijandelijkheden 
tegen  Isabella  zóó  lang  gewacht  had,  totdat  Laski  zijnen  last 
had  volbracht,  en   zich  aan  het  bereik  van  den  gevaarlijken 
tegenstander  had  onttrokken!    De  onverschrokken  trouw  van 
den  bode  zou  wel  zulk  eene  oplettendheid  verdiend  hebben.  Nu 
echter  deden  de  vijandelijkheden  tegen  de  weduwe,  die  zich 


1)  Afgedrukt  in  het  «^Kerkhistoriach  Archiof,"  1855,  blz.  171. 

2)  Vergel.  Ham m er,  II,  167. 


249 


en  haren  zoon  onder  de  bescherming  van  den  Sultan  gesteld 
had,  de  woede  ontbranden  van  den  woesten  overwinnaar,  die 
zich  als  Heer  van  Hongarije  beschouwde.  Aan  Ferdinand  werd 
de  oorlog  verklaard ;  het  eerste  gevolg  daarvan  was  de  inhech- 
tenisneming van  den  afgezant.  Ook  de  vijand  had  achting  voor 
den  stoutmoedigen  man,  en  waardeerde  zijne  buitengewone 
begaafdheid.  Men  bood  den  gevangene  eene  hooge  betrekking 
aan,  indien  hij  zich  in  den  dienst  van  den  Sultan  wilde  bege- 
ven; maar  Laski  was  geen  renegaat  en  ook  geen  loondienaar, 
die  voor  geld  en  eer  aan  elkeen  zijn  zwaard  en  pen  ter  be- 
schikking stelt.  Standvastig  verduurde  hij  zijne  gevangenschap. 
Zijn  broeder  in  het  verre  Emden  schijnt  daarvan  in  die  dagen 
niets  vernomen  te  hebben;  hij  verkeerde  in  de  meening,  dat 
Hieronyraus  zich  in  de  omgeving  van  Ferdinand  bevond.  *) 
Langzaam  verstreek  de  winter  voor  den  gevangene,  die  in 
het  huis  van  den  Grootvizier  was  opgesloten,  en  enkel  des 
Zondags  in  de  kerk  van  den  Griekschen  patriarch  de  mis  mocht 
bijwonen.^)  Eindelijk,  omstreeks  het  midden  van  Juni  1541, 
trok  Soliman  met  zijn  leger  tegen  Hongarije  op;  zijne  wilde 
horden  overstroomden  de  landen,  alles  vernietigend,  waar 
zij  zich  nedersloegen.  De  beklagenswaardige  gevangene  werd 
medegesleept  tot  aan  Belgrado.  In  lijdenden  toestand  smachtte 
hij  daar  in  den  kerker,  terwijl  Soliman  zijnen  zegevierenden 
intocht  hield  in  Ofen.  In  toornige  stemming  was  deze  uit 
Belgrado  opgebroken,  want  hij  had  het  bericht  ontvangen, 
dat  de  beide  boden,  die  koning  Frans  tot  hem  gezonden  had » 
onderweg  in  Italië  verraderlijk  waren  vermoord  geworden  door 
bandieten,  die  daartoe  door  Marchese  Guasto  waren  om- 
gekocht. Eén  van  die  beiden  was  Rin^on,  de  reeds  genoemde 
vriend  van  onzen  Laski,  die  op  zulk  eene  jammerlijke  wijze 
zijn  leven  moest  eindigen,  terwijl  zijn  vroegere  ambtgenoot 
in  den  kerker  van  Belgrado  smachtte.  3)    Toen  Soliman  uit 


1)  £uyper,  II,  554. 

2)  Hammer,  II,  169. 

3)  Volgens  Sleidanus  (I,  344)  zal  Laski  eerst  te  Belgrado  gevangea  ge- 
nomen zijn,  als  daad  yan  weerwraak  van  den  yertoomden  Sultan  OTer  den 
sloipmoord ,  op  Bin^on  gepleegd ,  omdat  Soliman  yermoedde ,  dat  £arel  Y  en 


250 

Ofen  naar  Belgrado  teruggekeerd  was,  ontfermde  hij  zich  over 
den  gevangen  gezant  van  zijnen  onlangs  verslagen  tegenstander, 
en  liet  hem  in  vrijheid  stellen.  Met  eene  geknakte  gezondheid 
en  in  eenen  deerniswaardigen  toestand,  het  gevolg  van  zijne 
gevangenschap,  keerde  L  as  ki  naar  zijn  oude  vaderland  terug, 
en  bereikte  hij  Krakau.  Hij  voelde  den  dood  naderen ,  en  had 
een  reikhalzend  verlangen,  om  zgnen  geliefden  broeder  nog 
eenmaal  te  spreken.  ^)  Zoodra  onze  Johannes  in  Emden 
het  treurige  lot  zijns  broeders  vernomen  had ,  spoedde  hij 
zich  tot  hem.  Ofschoon  men  in  Polen  niet  onkundig  was 
van  z\jn  huwelijk  en  z\jn  geheelen  overgang,  verhinderde 
hem  nochtans  niemand,  de  grenzen  des  lands  te  over- 
schrijden, en  zich  in  de  hoofdstad  en  in  de  nabijheid  van 
den  stervenden  op  te  houden.  Men  hield  het  Igden  van  dezen 
laatsten  voor  het  gevolg  v^Ch  een  langzaam  vergif,  dat  den 
gevreesden  bode  reeds  in  Eonstantinopel  of  in  Belgrado  door 
de  handen  der  Turken  was  toegediend,  ten  einde  hem  op 
zulk  eene  lafhartige,  ellendige  wijze  uit  den  weg  te  ruimen. 
Hoe  gaarne  zouden  wij  de  gesprekken  beluisteren,  die 
Johannes  waarschijnlijk  met  zijnen  stervenden  broeder  ge- 
voerd heeft !  Meer  dan  ééne  aanduiding  doet  ons  gissen ,  dat 
Hieronymus  niet  verre  van  het  Evangelie  verwijderd  was,  en 
dat  hij  mogelyk  denzelfden  stap  zou  gedaan  hebben,  dien 
zgn  broeder  gedaan  had,  indien  slechts  zijne  omstandigheden 
hem  meer  rust  en  gelegenheid  tot  nadenken  geschonken  hadden. 
Melanchthon  kende  den  bekwamen  diplomaat;  hij  zal,  gelijk 
verhaald    wordt,    eene   rede  over   hem  gehouden  hebben.  ^) 


Ferdinand  in  dexe  zaak  de  hand  hadden  gehad.  Velen,  zooals  onlange  nog 
Fessier,  hebben  deze  opgave  yan  den  beroemden  sohryyer  geyolgd.  Maar 
Hammer  (II,  171)  had  meer  nauwkeurigo,  onwraakbare  bronnen  tot  zijne 
beschikking.     Laatstgenoemden  hebbon  wij  daarom  gevolgd. 

1)  Kuyper,  II,  30:  „ipso  id  a  me  petente." 

2)  „Scrinium,"  I,  480.  De  bedoelde  rede  is  niet  in  de  compleete  uit- 
gave van  Melanchthon's  werken  opgenomen,  en  is  my,  tot  mijn  leedwe- 
zen, evenmin  onder  de  oogen  gekomen,  als  de  terzelfder  plaatse  vermelde 
brief,  in  welken  Melanchthon  Hieronymus  zal  hebben  beschreven  als  „virum 
illustrem,  magniftcum  et  reveretidum,  nobilitate  geueris,  virtute  et  sapientia 
praestantem,  patronum  snum  coleudum.*' 


251 

Hieronymus  was  geenszins  ontevreden  op  zijnen  broeder,  noch 
vanwege  zijn  huwelijk,  noch  vanwege  zijnen  overgang,  door 
welke  heide  daden  hij  zich  zelven  voor  het  oogenblik  de  ge- 
legenheid had  afgesneden  y  om  in  de  eene  of  andere  betrek- 
king zijn  vaderland  te  dienen.  Hij  is  niet  tegen  het  aan- 
vaarden van  eene  betrekking  in  den  vreemde,  maar  smeekt 
zijnen  broeder,  dat  hij  zulk  eene  betrekking  slechts  onder 
die  voorwaarde  zal  aannemen,  dat,  wanneer  het  vaderland 
hem  noodig  heeft,  en  hij,  bij  eene  eventueele  verandering 
van  den  kerkelijken  toestand,  onverhinderd  in  zijn  geboorte- 
land volgens  zijn  geloof  kan  leven ,  hij  alsdan  van  iedere  aan- 
gegane verplichting  zal  ontheven  zijn,  en  hij  zijne  krachten 
weder  ten  nutte  van  Polen  zal  kunnen  aanwenden.  ^)  Het 
verzoek  van  den  stervenden  strookte  geheel  met  zijne  eigene 
wenschen ,  gelijk  ook  met  zijne  vurige  vaderlandsliefde ,  die  het 
groote  offer  der  verbanning  om  zijns  geloofs  wil  in  onze  schat- 
ting des  te  belangrijker  en  kostbaarder  maakt. 

Na  den  dood  zijns  broeders  vertoefde  onze  La  ski  niet 
lang  meer  in  Krakau.  In  het  voorjaar  van  1542  bevindt 
hij  zich  reeds  weder  te  Ëmden.  Uit  eene  vluchtige  mede- 
deeling  in  een  brief  blijkt  ons,  dat  hij  met  de  bisschoppen 
in  zijn  vaderland  ernstige  onderliandelingen  gevoerd  heeft.  ^) 
Het  was  zijne  bedoeling,  deze  onderhandelingen  openbaar  te 
maken ;  jammer,  dat  hij  dat  voornemen  niet  heeft  ten  uitvoer 
gebracht,  althans  tot  dusver  is  er  geen  enkel  document  ont- 
dekt, dat  op  deze  zaak  betrekking  heeft.  A  Lasco  meende, 
dat  zijn  vriend  Hardenberg  over  den  inhoud  van  deze  on- 
derhandelingen zou  moeten  glimlachen ;  in  elk  geval  was  door 
haar  nu  ook  in  het  andere  leger  openbaar  geworden,  dat 
zijne  scheiding  van  de  oude  kerk  een  voldongen  feit  was. 
Dit  schijnt  ook  ten  gevolge  te  hebben  gehad,  dat  een  paar 
kleine  inkomsten,  die  hij  tot  hiertoe  onverkort  en  ongestoord 


1)  Kayper,  II,  587,  588.   Zie  ook  de  schoone  plaats,  II,  IK),  en  ia  het 
algemeen  den  gebeeien  brief  aan  zijnen  kotiing. 

2)  Ibid.  II,  556. 


252 


genoten  had,  in  het  vervolg  uitbleven.  Zóó  althans  zou  ik 
die  opgave  van  den  weinig  geloofwaardigen  Walewski  wenschen 
te  verklaren;  de  uitbreiding,  die  hij,  met  beroep  op  zwakke 
bewijsplaatsen,  aan  de  zaak  geeft,  is  stellig  overdreven.  *) 

Met  den  dood  van  zijnen  broeder  was  een  sterke  band 
verscheurd ,  die  onzen  La  ski  met  zijn  vaderland  verbond;  door 
de  onderhandelingen  met  de  Poolsche  bisschoppen  kon  hem 
voldoende  gebleken  zijn,  dat  eene  vrije  verkondiging  van  het 
Evangelie  nog  niet  zoo  spoedig  in  zijn  vaderland  zou  worden 
gedoogd,  en  slechts  onder  deze  voorwaarde  dacht  hij  aan  de 
mogelijkheid  van  een  terugkeer.  Hij  bereidde  zich  op  een 
langer  verblijf  in  den  vreemde  voor;  het  gastvrije  oord  aan 
de  onherbergzame  zeekust  was  hem  toch  ook  reeds  lief  ge- 
worden. Zijne  gezondheid  was  een  weinig  vooruitgegaan,  en 
daardoor  beter  in  staat,  de  ruwheid  van  het  klimaat  te  ver- 
dragen. De  lust  tot  werkzaamheid  werd  in  hem  wakker. 
Het  was  toch  ook  van  den  beginne  aan  te  voorzien,  dat 
eene  natuur  als  die  van  onzen  vriend  niet  lang  werkeloos 
kon  blijven,  zoodra  zij  slechts  innerlijk  de  vragen,  die  zich 
aan  haar  opdrongen,  had  doorworsteld,  en  de  Heer  haar  de 
vastheid  van  een  beslist  standpunt  gegeven  had. 

Hij  zou  dan  ook  niet  lang  werkeloos  blijven ;  de  Heer  had 
hem  noodig  als  een  uitverkoren  werktuig. 

Wij  hebben  reeds  getracht,  in  korte  trekken  een  beeld  van 
de  toestanden  in  Oost-Friesland  te  ontwerpen.  Graaf  Enno 
was,*  in  1539,  in  vollen  mannelijken  leeftijd  gestorven;  zijne 
weduwe,  gravin  Anna,  uit  het  huis  van  Oldenburg,  had  als 
voogdes  van  hare  jeugdige  zonen  de  regeering  op  zich  genomen. 
Het  was  een  moeielijk  waagstuk,  inzonderheid  voor  eene 
vrouw,  en  bovendien  in  zulk  eenen  drukkenden  tijd ,  de  leiding 
te  aanvaarden  van  de  ongeordende  toestanden  van  een  land , 
dat  overal  in  gisting  verkeerde.  Gravin  Anna,  vroom  en 
ernstig  van   zin,  deinsde   voor   de   moeielijkheid  niet  terug; 


l)  „Bibliotheca,"  p.  361. 


253 


met  mannelijk-sterke  hand  omklemde  zij  de  teugels  yan  het 
bewind.  Door  bijzondere  omstandigheden  werd  hare  taak  nog 
verzwaard.  Haar  zwager,  graaf  Johan,  een  broeder  van  den 
overleden  vorst,  maakte  aanspraak  op  de  voogdijschap  over 
zijne  minderjarige  neven,  niettegenstaande  hij,  bij  gelegen- 
heid van  zijn  huwelijk  met  eene  natuurlijke  dochter  van 
keizer  Maximiliaan,  plechtig  met  brief  en  zegel  voor  zich 
en  z\jne  nakomelingen  afstand  gedaan  had  van  het  recht  van 
opvolging  in  Oost-Friesland.  De  vereeniging  met  de  keizers- 
dochter had  hij  eenen  jammerlijken  terugkeer  tot  de  Room- 
sche  kerk  waard  geacht;  door  dezen  terugkeer  en  door  z\jn 
huwelijk  beide  had  hij  volgens  de  meening  van  Karel  Y  zich 
waardig  gemaakt ,  om  als  leenhouder  van  het  graafschap  Oost- 
Friesland  erkend  te  worden.  Des  te  onwaardiger  daarentegen 
was  hij  in  het  oog  der  Friezen ,  die  aan  de  grafelgke  weduwe 
reeds  getrouwheid  beloofd  hadden;  met  zware  geldelijke  offers , 
die  het  vermogen  van  het  door  talrijke  oorlogen  en  brandschat- 
tingen uitgezogene  landje  bijkans  te  boven  gingen,  trachtten 
zij  zich  los  te  koopen  van  den  regent,  die  t;;gen  hunnen  zin 
hun  werd  opgedrongen.  Het  geld  had  graaf  Johan,  wel  is  waar, 
géïncasseerd ,  maar  zulks  verhinderde  hem  niet,  een  loeren- 
den  blik  op  het  land  gericht  te  houden,  en  de  opmerkzaam- 
heid van  den  vertoornden  keizer  en  van  de  achterdochtige 
landvoogdes  der  Nederlanden  gedurig  op  het  kleine  hoekje 
der  wereld  te  vestigen,  dat  in  die  dagen  de  schoone  eigen- 
schap bezat,  het  toevluchtsoord  te  zijn  van  allen,  die  om 
des  geloofs  wille  vervolgd  werden.  Het  was  goed,  dat  de 
Gravin  in  haren  wakkeren  broeder,  den  bekenden  graaf 
Chris  tof  fel  van  Oldenburg,  eenen  getrouwen  raadsman  en 
manhaftigen  beschermer  bezat,  die  aan  al  te  grove  eischen 
van  den  renegaat,  die  door  de  dreigende  gestalte  des  Keizers 
gerugsteund  werd,  moedig  het  hoofd  bood. 

Graaf  Christoffel  was,  evenals  zijne  zuster,  van  ganscher 
harte  der  Hervorming  toegedaan,  een  schoon  erfdeel  van 
hunne  vrome  moeder.  Beiden  erkenden,  dat  men  in  het  be- 
lang van  het  zwaarbeproefde  landje  allereerst  op  kerkelijk 
gebied  eene  betere  orde  van  zaken  moest  trachten  tot  stand 


254 


te  brengen.  Den  Poolschen  baron,  die  zicb  in  Emilen  ont- 
hiell ,  kenden  zij  zeer  goe  1 ;  het  was  hun  voortdurend  streven , 
om  hem  voor  de  Kerk  te  winnen.  Er  moest  eene  nieuwe  pre- 
dikantsplaats  in  de  gemeente  te  Emden  gesticht  worden.  Laski 
wees  de  aanbieding  van  de  hand ,  terwijl  hij  zich  tot  zijne  veront- 
schuldiging op  zijne  gebrekkige  kennis  van  de  landstaal  beriep ; 
dit  zou  het  tweede  weigerachtige  antwoord  zijn ,  indien  nl.  het 
reeds  vermelde  gevoelen  bewaarheid  werd,  volgens  hetwelk 
hy  reeds  met  den  overleden  gemaal  der  Gravin  in  persoon- 
lijke aanraking  zal  zijn  gekomen,  en  diens  verzoek ,  om  de 
landskerk  te  willen  besturen ,  zal  hebben  afgewezen.  In  zgne 
plaats  koos  men  Thomas  Bramius,  ^)  een  bekwaam  en 
vroom  man.  wiens  voortreffelijke  hoedanigheden  ook  door 
onzen  vriend  hoog  gewaardeerd  werden.  Graaf  Ghristoffel 
rustte  evenwel  niet,  voordat  hij  de  zoo  belangrijke  persoon- 
lijkheid toch  nog  voor  de  Kerk  had  gewonnen.  Op  zijnen  raad 
deed  de  Gravin,  met  toestemming  van  de  aanzienlijkste  man- 
nen in  Emden,  hem  den  voorslag,  dat  hij  het  bestuur  van 
alle  kerken  des  lands  {.Jcpopsixv  ecclesiarum  omnium  totius 
regionis")  op  zich  zou  nemen.  Deze  derde  noodiging  oor- 
deelde Laski  nu  niet  meer  te  mogen  afwijzen;  ditmaal  meende 
hij  de  stem  van  den  Heer  te  vernemen.  Onder  ééne  voor- 
waarde verklaarde  hij  zich  bereid ,  den  z waren  post  ^  aan- 
vaarden, dat  nl.  zoowel  de  Gravin,  als  ook  de  geheele  kerk 
enkel  de  eere  Gods  bij  zijne  benoeming  beoogd  hadden.  ^) 
Dat  geschiedde  in  het  begin  van  het  jaar  1543 ,  tot  vreugd 
van  allo  weidenkenden  in  het  land,  gelijk  de  kroniekschrijver 
daarbij  aanteekcnt 

De  arbeid,  dien  Laski  aanvaardde,  was  lang  niet  gemak- 
kelijk, en  ging  met  eene  zware  verantwoordelijkheid  gepaard. 
Hij  was  zich  zelven  daarvan  ten  volle  bewust.  Het  was  echter, 
mogen  wij  wel  zeggen,  een  arbeid ,  voor  welken  onze  vriend 


1)  Zie  Bmmius,  p.  916,  en  ook  Meiners,  I,  218. 

2)  EmmiuB,  p.  9IG:  ,,sed  addidit  oonditionem,  si  experiretur  ipsa  re, 
gloriam  Dei  et  ab  eccleflia  et  a  principe  in  hac  sui  vocatione  spectari,  tuin 
■o  in  munere  mausurum,  caeteroqui  dimissionem  esae  ab  utraquo  flagitatarum.*' 


255 


boYen  velen  door  God  was  toegerust  Zijne  bijzondere  en  hooge 
begaafdheid  kwam  juist  bij  dezen  arbeid  tot  hare  ?oUe  ont- 
plooiing, en  de  wijze,  waarop  zij  zich  ontplooit,  wijst  hem 
onder  de  Yoormannen  der  Hervormers  van  den  tweeden  heir- 
ban  voor  alle  tijden  eene  aanzienlijke  plaats  aan.  Gaarne 
volgen  wij  den  vriend,  dien  wij  zoolang  vergezeld  hebben, 
nu  ook  ter  middaghoogte  van  zijn  handelen.  Er  ving  voor 
hem  in  Oost-Friesland  eene  werkzaamheid  aan ,  bij  welke  hg 
evenals  de  bouwlieden  bij  den  tweeden  tempelbouw  onder  Ne- 
hemia  moest  zijn  toegerust  (Neb.  4: 17).  Met  de  eene  hand 
bevorderde  hij  den  bouw,  met  de  andere  hield  hij  schild  en 
lans  tegen  hen,  die  den  bouw  zochten  te  verhinderen.  Het 
een  ging  voortdurend  met  het  ander  gepaard.  In  onze  schil- 
dering echter  moeten  wij  de  beide  zijden  van  deze  gewich- 
tige werkzaamheid  elk  afzonderlijk  beschouwen.  Staan  wij 
dan  allereerst  stil  bij  hetgeen  Las ki  tot  verdediging  van  den 
tempelbouw  verricht  heeft. 

b)    De  arbeid  met  het  zwaard  in  de  hand. 

Gelijk  elders,  zóó  geschiedde  het  ook  in  Oost-Friesland, 
dat  het  verbreken  van  de  gemeenschap  met  de  oude  kerk  niet 
allerwegen  op  zulk  eene  gewelddadige  en  in  het  oog  vallende 
wijze  plaats  greep,  dat  men  klaar  en  duidelijk  de  grenslijn 
zou  kunnen  trekken  tusschen  het  oude,  dat  voorbij  gegaan, 
en  het  nieuwe ,  dat  daarvoor  in  de  plaats  gekomen  was.  Niet 
zelden  kwam  het  voor,  en  wij  zouden  het,  wat  Friesland 
betreft ,  met  voorbeelden  kunnen  staven ,  dat  in  dezelfde  kerk 
de  eene  prediker  als  met  nieuwe  tongen  het  Evangelie  ver- 
kondigde, en  met  geestdrift  de  heilige  banier  der  Hervor- 
ming —  de  rechtvaardiging  van  den  mensch  uit  genade  alleen , 
door  het  geloof  in  Jezus  Christus,  —  ontplooide,  terwijl 
beneden  aan  het  altaar  de  priester  af  en  toe  als  naar  gewoonte 
zijne  mis  las.  Zoo  was  het  ook  in  Emden.  Sinds  twee  decenniën 
nu  reeds  had  stad  en  land  zich  gekeerd  tot  de  prediking  van 
het  Evangelie;  zulks  verhinderde  echter  niet,  dat  de  Francis- 
canermonniken der  stad ,  zoovelen  hunner  als  aan  het  klooster 


256 


trouw  gebleven  waren,  hunne  kerkelijke  handelingen  op  de 
van  oudsher  gewone  wijze  voortzetten.  Zij  predikten  nog  ten 
hunnent,  zij  doopten  kinderen,  zij  dienden  aan  stervenden 
het  laatste  oliesel  toe ,  zij  beschermden  en  vereerden  de  beel- 
den der  heiligen:  juist  alsof  de  geheele,  groote  beweging  niet 
het  minste  spoor  hij  hen  had  achtergelaten.  Niet  weinigen 
werden  er  gevonden ,  die  in  hunne  besluiteloosheid  de  dingen 
op  hun  beloop  wenschten  te  laten,  en  die  deze  zonderlinge 
onklaarheid ,  dezen  valschen  toestand  wilden  bestendigd  zien. 
Slechts  tot  schade  evenwel  van  de  jeugdige  Evangelische  kerk  , 
gelijk  nu  duidelijk  werd.  Door  graaf  Johan  aangeprikkeld , 
en  in  het  rustige  gevoel,  in  hem  eenen  machtigen  toeverlaat 
te  bezitten,  staken  de  monniken ,  meer  dan  tot  dusver,  het 
hoofd  omhoog.  Wat  men  gedurende  de  laatste  jaren  stilzwy- 
gend  bij  hen  door  de  vingers  had  gezien,  daarop  pochten 
zij  nu,  alsof  't  hun  van  rechtswege  toekwam. 

De  nieuwe  superintendent  trad  hun  weldra  onverschrokken 
in  den  weg;  hunne  houding  kwam  hem  als  een  anachronisme 
voor.  Hij  verbood  hun  het  prediken  en  doopen ,  en  vaardigde 
een  gestreng  bevel  uit,  om  de  beelden  der  heiligen,  die  men 
tot  dusver  nog  in  de  kerk  geduld  had,  van  daar  te  verwij- 
deren. De  overmoedig  geworden  monniken  verzetten  zich 
daartegen.  Allereerst  maakten  zij  Laski  verdacht  als  een 
vreemdeling,  die  nieuwe  gebruiken  wilde  invoeren.  Aan  hem^ 
den  Pool,  met  zijnen  tot  op  de  borst  reikenden  baard,  waren  zij, 
naar  hunne  meening ,  volstrekt  geen  gehoorzaamheid  schuldig. 
De  sluwe  Franciscaners  kenden  zeer  goed  de  waarde  der  kaart , 
die  zij  daarmede  tegen  den  gehateu  tegenstander  uitspeelden ; 
want  de  Fries  is  bijkans  ongenaakbaar  voor  den  vreemdeling, 
en  ik  beschouw  het  als  één  van  de  grootste  bewijzen  van  de 
voortreffelijkheid  van  onzen  vriend ,  dat  deze  taal  de  bedoelde 
uitwerking  miste,  en  men  zich  in  den  lande  gewillig  aan 
den  invloed  van  dezen  „vreemdeling'  overgaf.  Laski  wilde 
aan  de  monniken  in  een  openbaar  gesprek  de  valschheid 
hunner  leer  bewijzen;  de  monniken  gevoelden  zich  echter 
tegen  den  groeten  godgeleerde  niet  opgewassen ,  en  wisten  op 
behendige  wijze  het  gesprek  tot  in  den  herfst  uit  te  stellen, 


257 


in  de  hoop,  <1at  alsdan  hun  beschermer,  graaf  Johan,  zou  zijn 
teruggekeerd,  en  hen  van  de  gewaagde  disputatie  zou  ontslaan. 
Ook   onder   de   Evangelischen  zelven  waren  niet  weinigen, 
die  er  nog  niet  toe  konden  komen ,  om  de  pauselijke  gebruiken 
onvoorwaardelijk  te  verzaken.  Hunne  meening  kunnen  wij  nader 
leeren  kennen  uit  een  geschrift,  dat  a  Las  co  waarschijnlijk 
omstreeks  dezen  tijd  in  het  licht  zond,  en  waarin  hij  handelt 
over  het  vermijden    van  de  pauselijke  godsdienstoefeningen.  M 
Het  belangwekkend  vertoog  verplaatst  ons  in  het  midden  van  de 
toenmalige  beweging ,  en  doet  ons  zien ,  hoe  't  voor  velen  uiterst 
moeielijk   geweest   is,   om   zich  los  te  maken  van  gebruiken, 
die,  ook  al  begrepen  zij  ze   slechts  ten  halve,  hun  nochtans 
sinds   hunne  vroegste  jeugd  lief  geworden  waren.    Voor  deze 
zwakken  eischte  men  geduld;  men  kon  toch  ook,  zóó  meende 
men ,  in  die  vormen  eenen  christelijken  zin  vinden ,  en  moest 
ze  slechts  ongestoord  hun  natuurlijken  dood  laten  sterven.  Op 
onwederlegbare  wijze  toont  Las  ld  het  onhoudbare  en  bedrie- 
gelijke  van  zulke  meeningen  aan,  en  legt  de  ernstige  schade 
bloot,  die  voor  het  godsdienstige  leven  voortspruit  uit  het  deel 
nemen  aan  eenen  godsdienst,  die  in  den  grond  der  zaak  niet 
bouwt  op  het  fundament  van  het  Woord  Gods.     Hij  beroept 
zich  ergens  in  zijne  bewijsvoering  op  het  schoone  woord   van 
Calvijn:  dat  wij  in  ons  leven  volstrekt  niets  zóó  hoog  schatten 
of  zoozeer  beminnen  mogen,  dat  wij  ons,  om  den  wille  daar- 
van, zouden  willen  bevlekken  meteenige  afgoderij.  Op  dit  gebied 
was  onze  Laski  bezield   door  den  heilig-ernstigen  geest  van 
den  Geneveeschen  hervormer,  die  niet  gezind  is  om  in  onder- 
handeling te  treden,  maar  enkel  voor  de  vlekkelooze  eer  van 
God  wil  strijden.  Het  vertoog  eindigt  met  deze  woorden:  ,,Ik 
ben   bereid,    op  iedere  tegenspraak  te  letten,  in<lien  iemand 
mocht  meenen,  dat  mijne  zienswijze  hierin  niet  juist  is;  want 


l)  „Het  glievoelen  Joaimid  a  Liwco,  of  het  den  Cliri^tiMieii,  iiadi«ii  zij  liet 
word  Godes  ende  de  ^odlooszheit  des  Pauwstdoms  bekent  hebben,  eeniphseins 
verorloft  is,  dat  zy  ziek  in  den  Pauwfltlicken  godsdiensten,  cndc  in  zonder- 
heit  indcr  Misse,  yiuden  laten.''  Zie:  Kuyper,  I,  63 — 95,  alwaar  ook 
(p.  LXVII  sqq.)  het  afdoende  bewijs  geleverd  wordt,  dat  dit  geschrift  tot 
den  vroeg9tcn  tijd  van  Laski's  werkzaamheid  behoort. 

DALTOK.  1 7 


258 


ik  zoek  niet  mijne  eer,  aan  welke  niets  gelegen  is,  maar 
enkel  de  eer  van  Hem,  voor  wien  alle  knie  zich  moet  bui- 
gen, nu  en  in  eeuwigheid.  Amen." 

Zulk  eene  mannelijkkloeke ,  besliste  taal,  als  in  dit  ge- 
schrift vernomen  werd ,  was  voor  de  lieden  in  Emden  iets 
ongewoons.  Zij  behaagde  niet  aan  allen;  zij  was  te  zeer  in 
strijd  met  de  gewone  en  geliefkoosde  denkwijze ;  zij  drong  aan 
op  eene  cordate  keuze,  tot  welke  slechts  diegenen  den  moed 
hebben,  die  de  gewoonte  niet  met  de  waarheid  verwarren, 
en  enkel  aan  deze  laatste  gehoor  willen  geven.  In  het  oog 
van  deze  wankelmoedigen  was  het  verlangen  van  den  vreem- 
deling tevens  eene  beperking  van  de  vrijheid ,  en  op  dit  punt 
is  de  Fries  onverzettelijk.  Zij  moesten  echter  toch  gevoelen, 
dat  het  woord ,  hetwelk  zij  vernomen  hadden ,  inzonderheid  de 
strekking  had,  om  opmerkzaam  te  maken  op  eene  keten, 
die  zij  tot  dusvei'  nog  getorst  hadden ;  alleenlijk  ontbrak  hun 
de  geloofsmoe»! ,  om  deze  keten  te  verbreken.  Ook  de  Gravin 
was  besluiteloos.  De  bevreesde  vrouw  zag  het  gevaar,  dat 
haar  en  haar  volk  van  uit  de  naburige  Nederlanden,  van  de 
zijde  des  Keizers  i^edreigde,  wanneer  zij  tegen  de  monniken 
en  hunne  ongoddelijke  instellingen  eene  al  te  strenge  houding 
aannam.  Als  moederlijke  landsvorstin  wilde  zij  geduld  oefenen 
met  de  zwakken ,  gelijk  Paulus  dit  vordert ,  maar  zij  zag  voorbij  , 
dat  dit  recht  en  deze  plicht  door  den  Apostel  slechts  aan 
dengenen  wordt  toegekend  en  voorgeschreven,  die  sterk  is 
in  Christus,  niet  aan  hem,  die  zelf  zijne  wankelmoedigheid 
nog  niet  kan  overwinnen.  Zij  beval ,  dat  de  beelden ,  gelijk 
tot  dusver,  in  de  kerk  zouden  blijven,  en  dat  niemand  er 
de  hand  naar  zoude  uitstrekken.  Naar  Laski's  overtuiging 
was  met  dit  bevelschrift  nog  iets  meer  gemoeid,  dan  de  beelden 
alleen;  hij  zag  in  dit  flaiiwhartige  toegeven  eene  aanranding 
van  de  Evangelische  vrijheid;  het  was,  naar  zijn  oordeel,  een 
verdrag,  waarin  monschclijke  berekening  met  het  zuivere  Woord 
van  God  onderhandelde.  Dat  beschouwde  hij  echter  als  een 
gruwel  in  het  heiligdom.  Rondborstig,  onbevreesd,  met  al 
de  vrijmoedigheid  eener  ziel,  die,  door  Christus  verlost, 
enkel  zijn  dienaar  zijn  wil,  trad  hij  ook  tegen  de  Gravin  in 


259 


het  strijdperk.  Het  schrijven  zelf,  dat  hij  aan  haar  richtte, 
is  ons  slechts  nog  in  uitvoerige  uittreksels  bewaard  gebleven  i) : 
een  belangrijk,  kostbaar  blad  uit  den  tijd  der  Hervor- 
ming, dat  ons  den  al-verwinnenden  geloofsmoed  van  eenen 
Luther  in  zijne  beste  voortbrengselen  voor  den  geest  roept. 
Laski  herinnert  de  Gravin,  hoe  hij  tot  de  aanvaarding 
van  zijnen  zwaren  post  is  bewogen  geworden  door  de  over- 
tuiging, dat  de  Gravin  godvreezend  was  en  begeerig,  om 
de  eer  van  Christus  allerwegen  te  bevorderen.  Maar  dit 
moet  hij  in  haar  misprijzen,  dat  zij  zich  in  zaken  van 
den  godsdienst  al  te  gemakkelijk  tot  het  een  of  het  ander 
laat  overreden,  en  dat  zij  eerder  het  gevoelen  van  hare 
raadgevers,  dan  den  wil  van  God  meent  te  moeten  volgen. 
En  toch,  zóó  gaat  hij  voort,  is  slechts  God  de  opperste 
rechter  ook  der  koningen,  en  zijn  zij  als  zijne  dienaren  ge- 
roepen, om  bovenal  het  recht  des  Almachtigen,  en  niet  de 
inzetting  der  menschen  te  handhaven.  God  eischt  van  ons ,  dat 
wij  den  afgodendienst  zullen  vlieden:  hoe  zouden  wij  dan  de 
afgoderij  der  monniken  in  onze  kerken  mogen  dulden?  Hoe 
lang  zullen  wij  nog  op  twee  gedachten  hinken?  „Ik  ben  bereid , 
niet  slechts  het  mijne,  hoe  gering  het  ook  zijn  mag,  zonder 
het  minste  uitzicht  op  eer  of  belooning  prijs  te  geven,  maar 
ook  mijn  leven  voor  de  eer  van  Christus  aan  alle  gevaren 
bloot  te  stellen,  evenwel  slechts  onder  deze  ééne  voorwaarde, 
dat  gij,  Gravinne,  onbewimpeld  verklaart,  dat  gij  u  door 
het  Woord  Gods  alleen  wenscht  te  laten  leiden  en  daaraan 
gehoor  te  geven.  Wilt  gij  zulks  echter  niet,  acht  gij  het 
raadzamer,  u  aan  menschelijke  inzettingen  en  aan  de  wijs- 
heid dezer  wereld,  dan  aan  den  goddelijken  wil  te  onder- 
werpen ,  dan  kan  en  wil  ik  voortaan  niet  meer  mijnen  arbeid 
u  ten  dienste  stellen.  Ik  ben  een  dienaar  van  de  leer  des 
Evangelie's  en  der  Apostelen,  en  daarbij  schroom  ik  niet, 
ook  van  den  geringsten  broeder  terechtwijzing  aan  te  nemen; 
doch   een    dienaar   van  menschelijke  wijsheid  of  usantie,  die 


1)  Zie  bij  Emmius,  p.  910,  aan  wieu  Kuyper  (II,  558)  het  Ycrvolgens 
ontleend  heeft. 


17 


"« 


260 


zich  eeiie  plaats  aanmatigt  nevens  het  Woord  GoiJs ,  begeer 
ik  in  vollen  ernst  üiet  te  zijo.  In  menschelijke  dingen  is 
menschelijke   wijsheid   op   hare    plaats,   in   goddelijke  echter 

gaan    Gods  majesteit  en  zijn  heilige  wil  boven  alles Ik 

ken  alleszins  den  toestand,  in  welken  ik  mij  bevind:  ik 
ben  een  vreemdeling,  ik  bezit  eene  familie,  ik  behoef  eene 
vaste  verblijfplaats;  tot  dit  laatste  heb  ik  welwillendheid  van 
noode.  geenszins  haat  of  vijandschap.  Hst  is  dan  ook 
mijn  oprechte  streven,  vriendelijk  te  zijn  jegens  allen,  en 
mij  naar  hunne  levenswijze  te  schikken ,  maar  slechts  tot  aan 
het  altaar;  ook  nog  deze  grens  overschrijden,  uit  zorg 
voor  mijne  tijdelijke  belangen,  zulks  kan  ik  niet,  al  moest 
ik  deswege  ook  aller  vriendschap  verliezen,  en  al  moest  ik 
ook  raijne  familie  in  de  diepste  ellende  en  armoede  achter- 
laten; de  Heer,  die  allen  spijzigt,  zal  ook  voor  de  mijnen 
zorgen ,  ook  wanneer  ik  hun  niets  nalaat."  . , . ,  Hij  zou  — 
zóó  besluit  onze  Laski  zijn  merkwaardig,  treffelijk  schrij- 
ven, —  niet  aldus  geschreven  hebben,  indien  hij  niet  den 
vromen  zin  der  Gravin  kende;  ja,  hij  is  ook  overtuigd,  zóó 
voegt  hij  er  bij,  dat  zij  begrijpt,  boe  zijn  ambt  met  zich 
brengt,  getrouwelijk  tot  datgene  op  te  wekken,  wat  naar  zijn 
inzien  zoowel  tot  haiu*  heil,  als  tot  dat  der  Kerk  behoort,  en 
dat  zij  ook  deze  zijne  vrijmoedigheid  in  bet  schrijven  niet  euvel 
zal  opnemen.  Van  ontrouw  zou  hij  te  beschuldigeo  zijn  ,  indien 
hij  't  niet  had  gedaan;  hij  wenscht  liever  ondankbaar,  dan 
ontrouw  te  zijn,  en  voedt  de  hoop,  dat,  al  behaagt  hij  ook 
minder  aan  de  andere  menschen,  oradat  bij  niet  innemend 
genoeg  schryft,  hij  nochtans  niet  in  haar  oog  een  ondankbare 
zijn  zal.  Hij  heeft,  zegt  hij,  gedaan  hetgeen  hij  verplicht  was, 
indien  al  niet  iu  eeoen  gelukkigen  vorm,  dan  toch  meteene 
eerlijke  bedoeling;  zijn  arbeid  staat  der  Gravin  ten  dienst-e, 
maar  slechts  onder  deze  voorwaarde,  dat  zij  Gode  meer  ge- 
hoorzamen zal,  dan  den  menschen;  mocht  die  voorwaarde 
ouuitvoerlijk  zijn,  dan  vraagt  hij  zijn  ontslag.  Hij  smeekt  ten 
laatste  van  God  den  Heiligen  Geest  over  haar  af,  opdat  Hij 
hare  gedachten  en  daden  tot  eer  van  zijneu  naam  en  tot 
opbouwing  der  Kerk  besture. 


261 


En  God  verhoorde  het  gebed  van  zijnen  vromen  dienaar. 
De  Gravin  onderwierp  zich  aan  het  ernstige  en  tevens  beris- 
pende woord  van  den  koenen  raan;  zijn  brief  verleende  haar 
den  moed ,  om ,  zelfs  op  het  gevaar  af,  dat  zij  het  misnoe- 
gen des  Keizers  tegen  haar  arm  landje  gaande  maakte,  alle 
angstvallige  overwegingen  vaarwel  te  zeggen ,  en  aan  de  stem 
van  God,  die  zij  in  dit  schrijven  meende  te  vernemen,  ge- 
hoorzaam te  zijn.  Het  antwoord,  dat  zij  aan  Laski  deed 
geworden,  strekt  beiden  tot  eer.  Het  luidt,  in  zijne  trouw- 
hartige taal,  woordelijk  aldus:  „Onze  groetenisse  voor  af, 
Waardige,  Lieve,  Aandachtige.  Gy  hebt  ons  onlangs  door 
uw'  Schryven  dapper  en  ernstig  erinnert,  wat  ons  van  wegen 
de  ere  Godts  en  onze  Regeringe  te  doen  betaamt,  namelyk 
dat  wy  Me  afgolische  beelden  -nar  het  voorbeeldt  van  vele 
Christelyke  Koningen  uit  de  Kirken  zouden  wegdoen  etc.  Wy 
hebben  nu  zulk  ene  vermaninge  wel  opgenomen,  en  willen 
Godt  bidden,  flat  hy  ons  zulk  een  hart  en  geest  geve,  om 
alles  te  doen ,  wat  hem  welgevallig  is.  Wat  de  beelden  aan- 
gaat, mogen  we  lyden,  datge  die  by  nacht,  doch  niet  alle 
tegelyk,  uit  de  oogen  wegzet;  en  dat  men  het  dolle  volk 
«laar  niet  laat  bykomen;  maar  datge  den  Burgermeesteren  en 
Kerkvoogtlen  zulk  bekent  maakt;  en  dat  het  zonder  geschreeuw 
worle  uitgevoert:  dus  geschiet  onze  welgevallige  meininge."  i) 

Het  bevel  der  Gravin  werd  ten  uitvoer  gebracht.  Nog  gaven 
echter  de  monniken  de  hoop  op  eenen  gunstigen  uitslag  hunner 
zaak  niet  geheel  op.  Een  paar  weken  na  de  uitvaardiging 
van  het  bevelschrift  kwam  hun  beschermer,  de  afvallige  graaf 
Johan,  wederom  te  Emden,  verheugd,  dat  hij  eene  gele- 
genheid had ,  om  zich  in  de  aangelegenheden  van  het  landje 
te  kunnen  mengen.  De  Gravin  bleef  echter  standvastig.  Ook 
bedreigingen  waren  te  vergeefs;  de  vrome  hervormer  had  haar 
eenen  sterken  moed  ingeboezemd ,  den  heiligen  moed  om  Gods 
wil  te  volbrengen,  en  die  maakt  ook  eene  vrouw  ten  allen  tijde 
tegen  den  man  bestand.  Ja,  zelfs  graaf  Johan  gevoelde 
de   wonderbare   kracht,    die  van  den  getrouwen  dienaar  des 


1)  Meiuers,  I,  249. 


262 


Ileerou  uitging.  Hij  had  een  onderhoud  met  hem;  wij  kennen 
slechts  het  gevolg  daarvan,  dat  nl.  de  Graaf  stilzwijgend, 
als  gevoelde  hij  zich  overwonnen,  aan  de  dingen  hunnen 
vrijen  loop  liet.  De  steun  der  monniken  was  verbroken.  Zij 
moesten  laten  geschieden  hetgeen  zij  onmachtig  waren  te  ver- 
hinderen. Wrevelig  trokken  zij  zich  terug,  —  gelijk  ouden 
van  dagen,  op  lijftocht  gesteld  in  hun  eigen  huis,  als  de 
kinderen  meerderjarig  geworden  zijn.  Aan  de  monniken  werd 
nog  slechts  een  asylrecht  in  het  klooster  toegestaan;  zonder 
invloed,  zonder  werkzaamheid  sleten  zij  hunne  dagen,  per- 
soonlijk meestal  ongemoeid  gelaten,  maar  bestemd  om  uit 
te  sterven.  — 

De  renegaat  was  intusschen  niet  voornemens,  om  voor  goed 
de   wapenen   af  te  leggen   tegenover  den  man,  die  hem  wel 
tot  zwijgen  kon   brengen,  do(h  dien  hij  ook  als  het  sterkste 
bolwerk   moest   aanzien,    dat    hem    verhinderde,   zijne   baat- 
zuchtige   plannen   te    volvoeren.     Zoolang   die   man  ongehin- 
derd aan  het  hoofd  stond  van  de  Evangelische  kerk  in  Oost- 
Friesland,   —   dit   kon   de   Graaf  gemakkelijk   beseffen,  — 
zou    de    Roomsche    kerk    aldaar    in    machtelooze    vernede- 
ring   blijven.     Met    open    vizier    tegen    hem    op    te    treden , 
daartoe   ontbrak   aan   den    afvallige   de   zedelijke    moed ;  hij 
nam   zijne   toevlucht   tot   kuiperij    en  list.     Aan  het  hof  van 
de  landvoogdes  der  Nederlanden  vond  hij  voor  zijne  plannen 
een  toegenegen  oor!    De  arme,  gewezene  koningin  van  Hon- 
garije,   voorheen   zoo    dicht   tot   de  kennis  der  waarheid  ge- 
naderd,  maar   nu   in   de   hand  des  KeizcM-s  een  willig  werk- 
tuig,  om    ook   met   de  vreeselijkste  middelen  deze  waarheid 
des  Evangolie's  in  de  aan  haar  bestuur  toevertrouwde  landen 
te   onderdrukken!     Het  was   haar  eene  groote  ergernis,  dat 
zij    die   door   hare  handlangers   opgejaagd   en  om  huns  ge- 
loofs  wil    uit   huis    en    hof  verdreven   werden,    in  het  nabu- 
nge   Oost  Friesland    een  toevluchtsoord  vonden.    En  het  was 
voornamelijk  deze  Pool,  die  de  Gravin  in  zulk  eene  handel- 
wijze  versterkte!     Het   kwam   er  alzoo  op  aan,  hem  te  ver- 
wijderen, en  daardoor  de  onderdrukte  lloomsche  kerk  in  haar 
recht  te  herstellen.  Wat  de  middelen  aangaat,  behoefde  men 


263 


niet  kieskeurig  te  zijn.  Zoo  verscheen  in  Augustus  1544,  op 
aansporing  van  graaf  Joh an,  een  afgezant  van  de  Landvoogdes 
aan  het  hof  der  Gravin,  om  aan  te  dringen  op  de  verdrij- 
ving van  Laski  als  van  eenen  meineedige  en  rustverstoor- 
der.  1)  Het  viel  den  aangeklaagde  gemakkelijk,  zijne  onschuld 
te  bewijzen.  De  Gravin  verzocht  hem  dringend,  zich  door 
zulke  verdachtmakingen  niet  te  laten  afschrikken,  en  toch 
slechts  bij  haar  te  blijven;  haren  listigen  zwager  gaf  zij  te 
verstaan,  dat  zij  den  raad  en  de  medewerking  van  dezen  man 
niet  kon  missen.  ,,Maar  ik  weet,"  zóó  schrijft  Laski,  „dat 
deze  lieden  met  hunne  aanslagen  niet  zullen  rusten,  totdat 
het  hun  gelukt  is ,  mij  van  hier  te  verdrijven."  ^) 

Zóó  spoedig,  als  deze  machtige  tegenstanders  waanden, 
zou  het  hun  echter  niet  gelukken,  dezen  strijder  te  ver- 
dringen. Hoe  langer  hoe  moer  bleek  hij  een  uitverkoren 
werktuig  des  Ileeren  te  zijn  voor  dit  kleine  lau<l.  Nog  me- 
nigen  strijd  had  hij  te  strijden,  ten  einde  het  terrein  voor  zijne 
opbouwende  werkzaamheid  van  tegenstanders  vrij  te  houden. 

Een  belangwekkenden  aanblik  biedt  ons  zijn  strijd  met  eenen 
anderen,  in  die  dagen  zeer  gevaarlijken  tegenstander.  Wij 
zouden  te  breedvoerig  worden ,  indien  wij  trachtten  aan  te 
toonen,  hoe  juist  in  de  Nederlanden,  reeds  sinds  langer  dan 
eene  eeuw,  mannen  gevonden  werden,  die  met  vromen  ernst 
zich  verzetten  tegen  de  verbasterde  kerk  en  hare  snoode 
dienaren ,  en  die ,  terwijl  zij  met  innerlijken  toorn  den  gruwel 
der  verwoesting  in  het  heiligdom  aanschouwden,  op  verschil- 
lende, vaak  zonderling  wanstaltige  wijze  op  verbetering  be- 
dacht waren,  of  ook,  buiten  fle  kerk  om,  een  stil,  bekrompen 
leven  leidden,  gotlzalig  op  hunne  wijze,  en  zonder  dat  zij  door- 
gaans bemoeielijkt  werden.  Zij  bleven  nog  tot  de  Kerk  behoo- 
ren,  maar  schenen  te  onbeduidend,  om  een  opmerkzaam  oog, 
zij  't  ook  slechts  van  den  kant  van  het  herderlijk  ambt,  op  hen 


1)  Vergel.  Emmiuti,  pag.  926.  en  hctgeea  Laski  zelf'  daarover  aan  zijnen 
Triend  Ilardenberg  mededeelt,  bij  Euyper,  II,  574. 

2)  Kuyper,  II,  581. 


363 


te  richten:  mot  een  Uictitliartig  gemued  gingen  zij,  lÜe  liuniie 
zieUerzorgers  behoorden  to  zijn,  het  kleiiio,  geringe,  onop- 
gemerkte troepje  voorbij.  Sedert  de  dagen  der  Hervorming 
was  aulks  anders  gewonlen.  De  doorrl ringende  steiu  van  den 
Augustijnermonnik  had  alie  geesten  doen  ontwaken ;  het  ven- 
tiel, (lat  zoo  lansen  tijd  was  gesloten  gebleven,  was  eindelijk 
getjjiend,  en  met  een  schrilleu  toon  kwamen  nu  ook  deze 
tot  dusver  ondenlrukte  krachten  te  vooi-sühijn.  Zij  üijn  niet 
kortweg  kinderen  der  Hervorming  te  noemen,  en  de  bloedige 
wandaden,  tot  wlke  zij  vaak  iu  gedrochtelijk  fanatisme 
vervielen,  mogen  niet,  even  min  als  Me  onlusten  onder  de 
loeren,  die  allerwegen  ontbrandden,  op  haar  schuldregister 
geliuekt  worden.  Ze  zijn  kinderen  der  verwilderde,  ontaarde- 
kerk ,  tegen '  welke  de  Hervormers  hun  heilig  protest  deden 
hooreu.  len  die  zich  niet  zelden  in  beslisten  opstand  be- 
vonden tegen  de  Evangelische  kerk,  welke  uit  al  die  gis- 
tende, verbasterde  elementen  zicb  met  jeugdige  schoijnheid 
zegevierend  in  het  licht  der  waarheid  verhief.  De  meeste 
gistende  elementen  verzamelden  zich  iu  de  wederdoi>perij.  Het 
was  niet  in  de  eerste  plaats  het  verzet  tegen  de  rechtma- 
tigheid vau  den  kinderdoop ,  wat  de  verschillende  schakee- 
ringen in  dit  punt  vereenigde,  m;iar  veeleer  het  streven  naar 
ceno  beilige  gemeenschap,  als  heftig  protest  tegen  de  in  on- 
deugd verzonken  kerk,  dat  hun  in  den  doop  uitsluitend  der 
wei  iergeborenen  een  bolwerk  tegen  zulk  eene  untaai'ding  scbeeu 
aan  te  bieden.  Maar  hoe  weinig  wa^  zulks  werkelijk  bet 
geval!  En  welke  gruwelen  van  een  ontketend  fanatisme ,  dat 
iu  het  slijk  van  de  diepste  onzedelijkheid  nitloopt  en  ver- 
smiiort,  werden  er  achter  dit  gewaande  bolwerk  gepleegd? 
Het  gerucht  van  de  bloedige  schamldadeu ,  die  in  de  nabïj- 
gelegene  stad  Munster  hadden  plaats  gegrepen,  bracht  ook 
in  Oost-Friesland  niet  «einig  onsteltenia  teweeg. 

Wij  hebbeu  er  reeds  op  gewezen,  hoe  de  vrije  bewoners 
van  Friesland  hun  landje  in  een  schoon  tehuis  voor  alleu 
herschapen  hadden,  die  in  die  ruwe,  sombere  dagen  om 
huns  geloofs  wille  uit  bun  vaderland  verdreven  werden.  Deza 
handelwijze   kun    men    niet   hoog   genoeg    prijzen.     Iu  groüte 


265 


scharen  begaven  zij  zich  naar  Oost-Friesland,  de  ernstige, 
kloeke  geloofshelden ,  die  huis  en  liof  en  vaderland  om  den 
wille  van  hunnen  Heer  en  Heiland  verlieten,  en  hier  in  het 
zoo  welwillend  ontsloten  asyl  een  rustig  plaatsje  zochten  en 
vonden ,  ten  einde  van  de  hun  toegebrachte  wonden  te  herstel- 
len, en  golzaliglijk,  op  stilte  en  ingetogene  wijze ,  volgens  hun 
geloof  te  leven.  Te  gelijk  met  hen  kwamen  echter  ook  ande- 
ren, fanatische  woelgeesten,  die  als  echte  geesttlrijvers  zich 
van  het  eene  land  naar  het  andere  spoedden,  en  die,  zonder 
zich  door  eenige  vervolging  te  laten  ter  neer  slaan,  hunne  leer 
in  conventikels  en  in  de  huizen  verkon;ligden,  en  eene  groote 
verwarring  onder  de  onoordeelkundige  menigte  aanrichtten.  Op 
hunne  omzwervingen  hielden  zij  gaarne  halt  in  Oost-Fries- 
land, niet  om  te  rusten,  maar  om  zich  het  verleende  gast- 
i*echt  ten  nutte  te  maken,  ten  einde  den  giistvriend  in  een 
deelgenoot  van  hun  bijzondere  gevoelen  te  veranderen.  En 
zulks  vaak  op  eene  zeer  luidruchtige ,  aanmatigende  wijze, 
in  eenen  tijd ,  waarin  de  verhoudingen  der  Evangelische  kerk 
in  het  land  nog  zoo  onvast  en  weinig  geordend  waren. 

Met  steeds  grooter  aandrang  eischte  de  landvoogdes  der 
Nederlanden  de  verdrijving  van  hen,  die  uit  haar  gebied 
gevlucht  waren.  Zij  kon  haren  wrevel  niet  verkroppen,  dat 
zij  aan  de  grens  van  haar  land  de  deur  geopend  zag  voor 
alle  degenen ,  voor  wie  zij  geen  anderen  weg  wenschte  te 
zien  opengelaten,  dan  die  naar  den  kerker  en  den  brand- 
stapel voerde.  Er  werden  keizerlijke  bevelen  in  Emden  ont- 
vangen, in  welke  de  verdrijving  van  de  sektarissen  op  gebie- 
denden toon  werd  geëischt.  In  geval  aan  dezen  eisch  geen 
gehoor  werd  gegeven,  dreigde  men  met  de  onderdrukking 
van  den  geheelen  handel  met  Oost-Friesland,  een  soort  van 
continentaal-stelsel  te  water  en  te  land,  toegepast  op  het 
arme ,  onvruchtbare  landje.  De  bedreiging  miste  hare  uitwer- 
king niet,  inzonderheid  onder  de  hovelingen,  die  beducht  waren, 
dat  zij  zich  in  hunne  aangename  levenswijze  zouden  moeten 
bekrimpen.  Maar  onzen  Laski  kon  ze  niet  aan  het  wan- 
kelen brengen,  en  zijn  geloofsmoed  vond  ook  weerklank  in 
het  hart  der  Gravin.    Met  scherpe  bewoordingen  berispte  hij 


266 

de  yreesachtigec ,  die  hij  Epicuristen  noemt,  die  zich  meer 
laten  beangstigen  door  het  bevel  van  eenen  keizer,  dan  door 
de  bedreigingen  Gods,  die  eene  nalatige  overheid  straft  „Ze 
zijn  bereid,  als  God  het  toelaat,  sekten  te  verbannen,  niet 
om  den  wille  Gods.  maar  om  den  wille  des  Keizers."  ')  In- 
dien men  voorheen  slechts  ter  rechter  tijd  toogevendheid  ge- 
bruikt had,  dan  zou  meu,  volgens  Kijne  meening,  de  lieden  ge- 
makkelijk binnen  de  perken  hebben  kunnen  houden;  toen  liet 
e.cht«r  de  overheid  aüea  betijen ,  doch  nu  zijn  ze  bereiti ,  met  zulk 
eene  gestrengheid  te  werk  te  gaan ,  dat  zij ,  zonder  naar  schuld 
of  onachnld  te  vrijen,  tegen  alle  vreemdehngen  methefligb^d 
woeden.  Laski  bewoog  de  Gravin,  het  drijven  daai-door  te 
keer  te  gaan ,  dat  allereerst  bij  de  beoordeeling  een  onderscheid 
tus8chen  gev.tarÜjke  en  niet  gevaarlijke  sekten  en  sektarisseo 
gemaakt,  en  slerhts  de  eerstgenoemd  en  verilreven  zouden 
worden.  De  geestelijkheid  moest  elk  in  het  biizonder  onder- 
zoeken; ieder,  dien  zij  verklaarde,  onschuldig  en  voor  kerk 
en  staat  onschadelijk  te  zijn .  mocht  ongehinderd  ook  in  het 
vervolg  de  gastvrijheid  des  lands  genteten.  Eene  schoone 
overwinning  van  den  innig- christelijk  gezinden  hervormer,  die, 
daar  hij  God  vreesde,  voor  geen  mensch  ter  wereld,  ook 
voor  geenen  keizer  meer  beangst  was,  tegenover  de  onver^ 
draagzaamheid  der  werehlsche  lieden,  die  bereid  waren  voor 
elk  gezag  te  bukken. 

Het  was  een  veel  omvattende,  bezwaarlijke  arbeid,  dien 
Laski  en  zijne  ambtgenooten  zich  zagen  opgedragen.  Onze 
vriend  koesterde  de  hoop,  dat  men  in  eene  milde,  verzoenende 
stemming  tocli  met  de  eene  of  andere  richting  tot  eene  over- 
eenstemming zou  kunnen  komen.  Met  zijnen  helderen ,  openen 
blik  vermocht  hij  ook  bij  de  verschillende  sekten  iL-ts  gemeen- 
schappelijks te  vinden ,  dat  aan  het  wezen  der  Evangelische  kerk 
uanw  verwant  was.  Uitgaande  van  ilit  door  hem  op  den  voor- 
grond geplaatste  gemeenschappelijke  bezit,  meende  hij  door 
overtuiging  de  ilwalenden  te  kunnen  bewegen ,  om  hunne  kettór- 
sche  leeringen  prijs  te  geveu;  de  adel  van  zijne  gezindheid ,  de 

1)  Ibid.  II,  B74. 


267 


oprechtheid  van  zijn  wezen  mochten  als  waarborg  van  eenen 
gunstigen  uitslag  dienen;  zijne  heilige  liefde  voor  den  Ver- 
losser, zijn  vurig  verlangen,  om  elke  scheuring  in  de  Evan- 
gelische kerk  te  voorkomen,  en  haar  in  gesloten  eenheid 
sterk  te  maken  tegen  den  gemeeuschappelijken  vijand,  boe- 
zemden hem  den  moed  in,  om  voor  den  omvangrijken  ar- 
beid niet  terug  te  deinzen.  Aan  zijnen  geestverwant  Bucer 
was  onlangs  in  Straatsburg  eene  dergelijke  poging,  om  de 
anabaptistische  elementen  van  die  streek  door  verzoenende 
mildheid  voor  de  Evangelische  kerk  te  winnen ,  gelukt ;  waarom 
zou  zulks  niet  ook  in  Oost-Friesland  mogelijk  zijn? 

Eéne  van  de  eerste  pogingen,  om  tot  eene  overeenstemming 
te  geraken,  was  gericht  op  de  in  grooten  getale  in  het  land 
verspreide  aanhangers  van  David  Joris,  één  van  de  won- 
derlijkste en  gevaarlijkste  sektehoofden  van  don  toenmaligen 
tijd.  1)  Ingevolge  van  den  hem  opgedragen  last,  om  de 
sektarissen  aan  een  onderzoek  te  onderwerpen,  hield  a  Las  co 
met  eenige  voorname  aanhangers  van  Joris  in  Oost-Fries- 
land eene  samenspreking  in  het  huis  van  één  zijner  ambt- 
genooten.  De  afloop  van  het  gesprek  scheen  eenen  gunstigen 
uitslag  te  beloven.  De  Joristen  waren  het  met  den  Super- 
intendent eens,  dat  de  leer  des  Evangelie's  van  Christus, 
volgens  welke  aan  het  eind  alle  menschen  zullen  geoordeeld 
worden,  ook  in  dezen  als  rechter  van  allen  behoorde  erkend 
te  worden.  2)  Op  dezen  gemeeuschappelijken  grondslag  volgde 
de  eene  concessie  op  de  andere ,  zoodat  er  ten  laatste  slechts 
één  punt  overbleef,  waaromtrent  men  het  niet  ééns  kon  worden, 
nl.  de  bovennatuurlijke  autoriteit,  op  welke  zij  voor  hunnen 
meester  aanspraak  maakten,  welke  autoriteit,  naar  hunne 
meening,  op  zijne  buitengewone  zending  berustte.  Laski  koes- 
terde de  hoop,  dat  het  sektehoofd  dit  onschriftuurlijke  punt 
zou  prijsgeven.  Joris  zelf  hield  zich  waarschijnlijk  omstreeks 
dien  tijd,  nu  hier,  dan  daar  in  het  land  op;  althans  nog 
heden  ten  dage  toont  men  in  de  stad  Norden  bet  huis,  waarin 


J)  Vergel.  over  hem  o.  a.  Nippold,  „Zeitschrift"  etc,  1863,  S.  163. 
2)  Kuyper,  II,  567. 


hy  zal  gewoond  hebben.  Laski  wendde  zich  schriftelijk  tot 
Joris:  zijn  schrijven  is  een  treffend  bewijs  van  zijne  diep- 
christelijke  overtuiging;  de  bewoordingen,  waarin  het  vervat 
is,  vertüonen  het  eilele  kenmerk  van  eene  humane  gezind- 
heid, die  den  tegenstander  nog  weet  te  eeren,  en  hem  recht 
wil  laten  wedervaren.  Hij  legt  nadruk  op  de  verkregene  over- 
eenstemming, stemt  toe,  dat  Christus  verschillende  gaven  aan 
de  zijnen  verleent,  maar  hij  eischt  van  het  sektehoofd,  dat 
hij  zijne  vermeende  bjzundere  roeping  of  met  klare  getuige- 
niesen  uit  de  Heilige  Schrift  stave,  of  ander»  van  haar  af- 
stand doe,  opdat  niet  de  Kerk  vaoeengescheurd  worde?  „Wij 
bidden  u.  Broeder,  om  den  wille  van  Jezus  Christus,  dat 
gij  ernstig  overweegt  wat  gij  doet.  De  laatste  tijden  ziju  aan- 
gebroken, in  welke  de  brullende  leenw  omgaLt,  zoekende 
vrien  hij  zou  mogen  verslinden ;  hij  verandert  zich  in  eenen 
bode  des  lichts,  ten  einde  op  allen  eenen  indruk  temaken, 
en  paart  aan  zijne  list  nog  de  voorspiegeling  van  het  wonder, 
om  diegenen  tot  zijn  valsch  geioof  te  verleiden,  die  de  waar- 
heid, ons  door  Christus  en  zijne  Apostelen  geopenbaard,  niet 
willen  gelooven.  Wij  verwachten  van  u  de  aanwijzing  van  uwa 
bpondere  roeping  uit  het  Woord  Gods ,  maar  verlangen  deze 
aanwijzing  ia  eenvoudige  taal,  met  duidelijke  woorden,  niet 


Het  sohiijven  Viin  Laski  werd  gekruist  door  een  gelijk- 
tijdig schrijven  van  Joris  aan  hem.  Nauwelijks  had  de  dweper 
bei-icht  ontvangen  van  het  gebonden  gesprek,  of  de  begeerte 
liet  hem  geene  rust,  oiu  met  bot  hoogaanzienlijke  hoofd  der 
landskerk  in  onmiddellijke  connezie  te  treden;  hij,  die  zich 
bij  al  de  Hervormers,  bij  don  Keizer,  bij  den  rijksdag  op 
de  aanmatigen dste  wijze  had  zoeken  in  to  dringen,  hoe  zou 
hij  de  gunstige  gelegenheid  ongebruikt  laten  voorbijgaan,  om, 
zoo  mogelijk,  den  edelen  hervormer  van  Friesland  in  zijn  net 
te  vangen.  Zijn  brief  scheen  te  zijn  verloren  geraakt;  aan 
de  ijverige  nasporiugon  van  zijnen  jongsten  levensbeschrijver 
gelukte  het  echter,  dien  terug  te  vinden.  Hij  biedt  ons  eene 
oitnemende  vergelijking  tusachen  de  vrome,  ernstige  en  ook 
deemoe:hge  denkwijze  van  Laski,  en  de  trotschbartigheid 


269 


van  den  verblinden  dweper,  wiens  matelooze  zelfverheffing 
zich  op  eene  stuitend-tegenstrijdige  wijze  met  het  kleed  van 
den  deemoed  had  omhangen.  „Indien  mijn  verstand"  —  zóó 
roept  Joris  den  hoogbeschaafden  Laski  toe,  —  „het  uwe 
overtreft,  en  ik  dichter  bij  de  waarheid  ben  dan  gij,  wil  u 
dan  zonder  aanzien  des  persoons  laten  raden  en  leiden.  Maar 
indien  uw  verstand  het  mijne  overtreft,  dan  wil  ik  aan  uw 
woord,  uwe  leer  en  uwen  raad  vrijwillig  gehoor  geven,  en 
alles  herroepen,  wat  ik  verkeerdelijk  geleerd  of  geschreven 
heb.  Ja,  ik  heb  er  niets  op  tegen,  wanneer  alle  schrift- 
geleerden en  Evangelische  leeraars  u  te  hulp  komen,  want 
ik  ben  vast  verzekerd,  dat  de  eeuwige  waarheid  en  wijsheid 
Gods  met  mij  is."  ' ) 

Per  omgaande  beantwoordde  Laski  den  brief  van  Joris. 
Wij  bezitten  nog  slechts  een  uittreksel  van  zijn  uitvoerig  schrij- 
ven, in  het  geschrift  van  Bles  dijk,  den  schoonzoon  en  voor- 
maligen  vurigen  aanhanger  van  Joris ,  hetwelk  door  hem  tegen 
zijnen  schoonvader  gericht  werd.  2)  Nog  heeft  de  edelaardige 
Laski  zich  door  den  aanmatigenden  toon  van  zijnen  tegen- 
stander niet  laten  afschrikken ;  zijne  taal  is  ook  nu  beschaafd 
en  waardig,  en  getuigt  van  den  diepen  ernst,  die  hem  bij 
deze  discussie  beziehle.  Het  is  zijn  wensch,  aan  de  Joristen 
eene  plaats  in  de  kerkelijke  gemeenschap  te  gunnen ,  indien 
zij  slechts  eerlijk  en  eenvoudig  en  zonder  huichelarij  met 
de  kerkleer  in  overeenstemming  willen  blijven.  Maar  hij  kan 
het  niet  goedkeuren,  dat  Joris  op  eene  nieuwe  en  gansch 
bijzondere  soort  van  roeping  schijnt  aanspraak  te  maken, 
krachtens  welke  hij,  naar  zijne  meening,  noch  zélf  dwalen, 
noch  door  anderen  misleid  worden  kan.  Aanmatigend  acht 
hij  ook  de  bewering  van  Joris,  alsof  de  waarheid  zeer  ze- 
kerlijk in  hem  zou  wonen;  de  waarheid  is  slechts  in  zooverre 
in  ons  allen,  als  Christus  door  zijnen  Geest  in  ons  leeft  en 
ons   bezielt.     Hij    wijst   voorts  den  hooghartige  op  de  macht 


1)  „Zeitschrift,"  1863,  S.  154. 

2)  Yergel.  Euyper,    II,   570,   en   de   karakteritieering  van  dit  voornaamste 
geschrift  over  en  telgen  Joris,  „Zcit schrift,"  1863,  S.  5. 


270 


(Ier  zonile  in  ons,  die  ons  bedriegt  en  oorzaak  is.  dat  wij 
anderen  op  het  dwaalspoor  brengen.  Voor  zoover  de  zonde 
in  ons  heerscht,  kunnen  wij  niet  in  de  waarheid  zijn.  Dea- 
niettegenstannde  üijn  wij  van  de  waarheid  niet  geheel  uitge- 
aloten,  dewijl  Chriatua,  onze  Heer,  door  zijnen  dood  ons  ver- 
zoend heeft. . . .  Niet  daarom  heeft  Christus  onze  zwakheid 
op  zich  genomen ,  opdat  Hij  ona  in  dit  leven  volkomen  van 
haar  hevrijde.  maar  op^lat  Hij  voor  ons  tot  aan  het  einde 
onzes  levens  de  Hoogepriester  mocht  zijn,  die  door  zijn  bloed 
onze  zonde  verzoent. . . . 

Maar  reeds  genoeg ,  om  te  doen  zien ,  met  welk  eenen 
zachtmoedigen  ernst  L:iski  den  geestdrijver  te  woord  staat. 
Later  ontvjnjj;  hij  nog  het  antwoord  van  Joris  op  zijn  eerste 
schrijven;  het  was  reeds  uit  Bnzel  gedagteekend ,  werwaarts 
de  verblinde  mensch  ;^idi  in  stilte  liegeven  had. ')  Dit  tweede 
schrijven  is  voor  de  karakterachildering  van  Joris  van  het 
hoogste  belang*);  bijkans  nergens  elders  vertoont  zich  zijne 
raadselachtige  gestalte  zoo  ten  volle  in  hare  eigenaardige, 
mismaakte  trekken.  Laski  achtte  het  nutteloos,  op  dezen 
brief  te  antwoorden;  uit  de  geheele  onderhandeling  en  ook 
door  eene  meer  nauwkeurige  kennismaking  met  het  voor- 
naamste geschrift  van  Joris,  dat  deze  hem  had  doen  toe- 
komen, was  't  hem  duidelijk  geworden,  d.tt  er  aan  eene  ver- 
eeniging  met  hem  en  zijne  vurigste  aanhangers  niet  te  denken 
viel,  en  dat  men  ook  onverantwoordelijk  handelen  zou,  indien 
men  deze  geestdrijvers  rustig  hunnen  gang  liet  gaan.  De  in 
1545  door  de  Gravin  uitgevaardigde  politievei-ordening ,  die 
geheel  in  den  geest  en  met  goedkeuring  van  a  Lasco  is 
opgesteld,   besluit   daarom,    dat,    dewijl    de  Davieten  (onder 


1)  Odijk  liekead  ia ,  aloet  JurU  zljiie  laatste  Wonajeren  riiatiR  in  Bnzet , 
geheel  onbeiend ,  immera  ouder  eonen  fnlschpii  dsbih  ,  aianv  op  de  wijzo  ïaii 
eenen  eerzsmeii  burger,  en  ïL>nnt>edelljk  ander  deii  bedriegelijkea  aehün ,  als 
warf  hy  eea  Troom,  Hervormd  gemeentelid.  Eerat  psn  zija  lijk  word  het 
■trafgericht  toltrokken,  waBnaii  do  levende  in  de  dngen  vtii  Serret  uiet  licht 
Eou  lijn  ontkomen. 

2)  Den  (tedaphlengsiig  vindt  men  uilvtierig  modcpedeeld  in  het  „Eeitschrift" 

ises,  s.  las  ^. 


271 


deze  benaming  worden  de  aanhangers  van  Joris  aangeduid) 
en  hunne  leer  niet  te  betrouwen  zijn,  men  het  onnoodig 
acht,  hen  voor  den  Superintendent  te  onderzoeken.  Door 
deze  wet  zagen  zij  zich  uit  het  land  verbannen  Gestrenge 
straf  trof  de  jonkers,  ambtlieden  en  beambten,  die  zulk 
eenen  verbannene  herbergden;  indien  één  van  de  verbannenen 
in  het  land  gegrepen  werd,  moest  hij  onthalsd  worden.  ^) 

Op  eene  andere  en  vriendelijker  wijze  kon  men  te  werk 
gaan  ten  opzichte  van  de  talrijke  Mennonieten.  Reeds  in 
1528  waren  er  Wederdoopers  in  het  land  gekomen,  en  had- 
den daar  een  gastvrij  onthaal  gevonden.  In  het  begin  trok- 
ken ze  weinig  de  aandacht.  Zij  leidden  een  rustig  leven , 
en  vermeden  alle  aanraking  met  de  wereld;  na  de  vervolging, 
aan  welke  zij  eerst  kort  te  voren  in  hun  vaderland  hadden 
blootgestaan ,  waren  de  meesten  hunner  blijde ,  dat  zij  een 
weinig  tot  verademing  konden  komen.  Dit  werd  anders,  toen 
(in  1531)  Melchior  Hofman  te  Emden  kwam,  eene  ruwe, 
driftige,  fanatieke  persoonlijkheid,  die  reeds  sinds  acht  jaren 
als  bontwerkersgezel  en  prediker  overal  had  omgezworven. 
Op  zijne  rustelooze  omzwervingen  was  hij  ook  te  Dorpat  ge- 
komen; de  kleine  aaphang,  dien  hij  daar  spoedig  gewonnen 
had,  ging  kort  na  zijn  heengaan  weder  te  niet;  niet  het 
minste  spoor  van  zijne  werkzaamheid  is  op  dezen  verwijder- 
den voorpost  der  Evangelische  kerk  overgebleven.  Weldra 
stond  Hof  man  n  aan  het  hoofd  van  de  Wederdoopers  in 
Oost-Friesland;  zijne  zendboden  doorkruisten  het  landje,  en 
verl)reidden  zijne  leer  tot  in  de  afgelegenste  dorpen.  Na  zijn 
vertrek  naar  Straatsburg  werd  zijne  plaats  ingenomen  door 
Jan  Matthijsen,  die  kort  daarop,  als  profeet  Henoch,  de 
zoo  beruchte  rol  in  Munster  gespeeld  heeft.  Het  gerucht 
van  het  bloedige  treurspel,  dat  aldaar  had  plaats  gegrepen, 


1)  ,,Zeitschrift ,''  1864,  S.  535.  Hoe  kan  echter  de  brief  van  Laski  aan 
gravin  Anna  worden  aangevoerd  als  bewijsstuk,  dat  a  Lasco  zijnen  bijval  go- 
Achonken  lieeft  aan  het  verbannen  van  de  sektarissen,  gelijk  zulks  in  Aan- 
merking 76  geschiedt?  Eenigszins  nnder»  luidt  het  aangcliaalde  Artikel  der 
politieverordening  bij  fier  tram,  pag.  180. 


bracht  ook  in  Ooat-Frieslan'l  ontsteltenis  teweeg.  In  (lie 
omstaniligbeden  was  het  een  geluk  voor  de  Friesche  wRder- 
doopers,  dat  Menno  Symons  zich  aan  hun  hnofd  plaatste, 
zelf  een  Fries,  en,  evenals  zijn  volk,  krachtig,  verstandig 
en  vrijheiillieveud.  Ernstig  en  nuchter  van  aard,  was  hij 
tegenstander  van  dweperij  en  fanatisme;  met  groote  wijsheid 
richtte  bij  den  opgewonden  zin  zijner  medestanders  op  het 
voornaamste  punt  van  hnnne  gemeenschap,  nl.  op  de  vol- 
komene iifzonriering  der  reine,  geloovige  gemeente  van 
de  wereld,  van  de  ongeloovigen  en  van  de  met  ongeloof  en 
onzeilelijkheid  al  te  zeer  vermengde  Evangehscbe  en  Boomsebe 
kerk.  De  doop  der  wedergeborenen  was  het  middel,  waar- 
door men  in  deze  geloovige  gemeente  werd  ingelijfd;  de 
strengste  kerkelijke  tucht  trachtte  de  reinheid  der  gemeente 
te  bewaren.  Het  onhoudbare  en  verkeerde  van  deze  afzon- 
dering, bet  antichristelijke,  dat  zich  in  deze  eigenaardige 
leerstellingen  openbaart,  behoeven  wij  te  dezer  plaatse  niet 
in  bet  licht  te  stellen ;  hierop  echter  moeten  wji  met  nadruk 
wijzen,  dat  deze  gemeenschap  ook  gezonde  en  ware  elementen 
in  zich  heeft  opgenomen,  aan  welke  zij  baar  voortdurend 
bestaan  tot  op  den  huldigen  dag  te  danken  beeft. 

Deze  gemeente  van  Mennonieten  verkeerde  in  de  dagen 
van  Laski  in  eeuen  bloeienden  toestand.  Bijna  gelijktijdig 
met  bem  was  ook  Mennn  te  Emden  gekomen.  Brave,  rus- 
tige, zedelijk  strenge  burgers  telde  de  gemeente  in  baar  mid- 
den, Tegen  hen  ai  de  strengheid  der  keizerlijke  bevelen  in 
toepassing  te  brengen,  en  liet  land  van  deze  zijne  vlijtige, 
rechtschapene  en  vrome  ingezetenen  te  berooven ,  daartoe  zou 
Liiski  nimmer  de  band  geleend  hebben.  Hij  stond  tegen- 
over hen  op  het  schoone  standpunt,  hetwelk  Lutber  in  de 
glansrijkste  dagen  zijner  werkzaamheid  innam ,  toen  hij  den 
Wartburg  verliet,  en  zich  naar  Wittenberg  spoeilde,  ten  einde 
den  gevaarlijken  brand  aldaar  te  blusschen,  „Door  het  Woord 
is  hemel  en  aanie  geschapen;  betzelfde  Woord  moet  het  ook 
hier  doen;  door  het  Woord  ia  de  wereld  overwonnen.  Daarom 
prediken,  zeggen,  schrijven  wil  ik  bot;  maar  dwingen,  met 
geweld  noodzaken  wil  ik  uiemand." 


273 

In  dezen  echt  Evangelischen  zin  werd  La  ski  niet  moede, 
met  de  Mennonieten  te  handelen.  Met  toodtonnning  der  G  ravin 
en  met  goedkeuring  zijner  ambtgenooton  had  hij,  in  tegen- 
woordigheid van  velen,  een  breedvoerig  gesprek  met  M on no. 
De  onderhandeling  was  vruchteloos;  het  waren  hoofdzakelijk 
drie  punten,  over  welke  men  het  niet  ééns  kon  worden: 
over  de  menschwording  van  Christus,  den  doop,  en  het  recht 
om  den  dienst  des  Woords  in  de  gemeente  te  aanvaarden. 
Elk  der  beide  partijen,  gelijk  het  in  zulke  gevallen  doorgaans 
geschiedt^  schreef  zich  de  overwinning  toe.  Vooral  onder  do 
Mennonieten  werd  de  vreugde  over  den  behaalden  triomf  luido 
geuit,  en  aan  recht  hatelijke  oordeelvellingen  over  do  Evan- 
gelische kerk  en  hare  leeraren  schijnt  het  niet  ontbroken  to 
hebben.  Nog  in  hetzelfde  jaar  gaf  Menno  eenzendschrijven 
aan  Laski  in  het  licht,  in  hetwelk  hij  het  eerstgenoemde 
verschilpunt  uitvoerig  behandelde.  Laski,  dio  tot  dusver 
gezwegen  had,  meende  deze  uitdaging  te  moeten  beantwoor- 
den, te  meer  dewijl  Menno  het  ook  hier  niet  had  laten  ont- 
breken aan  smaadwoorden  tegen  hem,  zijne  ambtgenooton 
en  de  gcheele  Evangelische  kerk,  terwijl  zijne  aanhangers 
stoutweg  beweerden,  dat  Laski  door  zijn  stilzwijgen  zelve 
erkende,  het  onderspit  gedolven  te  hebben.  Ondanks  den 
smadelijken  toon  van  zijnen  tegenstander,  bewaarde  Laski 
zijne  zachtmoedige,  edele  kalmte.  „Ik  zal  meenen,  naar  eisch 
geantwoord  te  hebben,  niet  wanneer  ik  belccdiging  met  beleo- 
diging  vergolden,  noch  ook  wanneer  ik  u  en  de  uwen  aan  do 
kaak  zal  gesteld  hebben,  maar  wanneer  h(;t  blijken  mag, 
dat  ik,  naar  mijne  geringe  krachten,  den  roem  van  Jezus, 
mijnen  Heer,  in  een  of  ander  opzicht  bevorderd  heb,  en  ook 
een  stap  nader  gekomen  ben  aan  de  bijlegging  van  dit  ge- 
schil in  de  leer,  door  hetwelk  de  kerk  van  Christus  zoozeer 
verdeeld  wordt,  op  welke  wij  toch  immers  veel  meer  hebben 
acht  te  geven,  dan  op  onze  eigene  belangen."  ^) 

Het  genoemde  geschilpunt  vervulde  in  de  leer  der  weder- 
doopers   eene  gewichtige  rol.    De  Muustersche  wederdoo][>ers 


')  Karper,  I,  7. 
DALTON.  1 H 


hadden  eene  munt  laten  slaan  met  het  omschrift:  „Verbum 
caro  factum  habitavit  in  nobia,"  d.  w.  z. :  „het  Woord  ia 
Yleesch  geworden ,  en  heeft  in  [onder]  ona  gewoond."  De 
tweede  helft  yan  den  zin  werd  door  niet  weinigen  onder 
hen  op  pantheïstische  wijze  aangewend ;  de  eerste  helft  diende 
hun  als  voornaamEte  steunpunt  voor  hunne  diepingrijpende 
bijzondere  leer,  dat  niet  de  Zoon  van  God  eene  menachelijke 
geataltenis  had  aangenomen ,  maar  dat  liot  Woord  van  God 
mensch  geworden  waa.  lïecda  Hofmann  had  de  hemelsche 
afkomat  van  het  vleesch  van  Chriatua  sterk  op  den  voorgrond 
geplaatst;  Menno  had  die  zelfde  leer  weder  opgevat,  en 
had  haar  inzonderheid  trachten  te  staven  door  haar  in 
verband  te  brengen  met  de  leer  vaa  de  zonde.  Christus 
kon,  zóó  beweerde  hij,  onmogelijk  onze  schuldige,  met 
vloek  beladene,  zondige  natuur  aangenomen  en  bezeten 
hebben,  anders  zou  nij  ons  in  't  geheel  niet  hebben  kunnen 
verlossen.  Hij  moeat  eene  reine,  Goddelijke  menachheid,  niet 
de  verdorveno  natuur  van  Adam's  geslacht  bezitten,  omdat  Hij 
eerat  alzoo  de  tweede  Adam  zijn  kon  ').  In  zijn  schriftehjk 
antwoord  ")  vat  Laski  de  tegenstelling,  wat  betreft  bun  bei- 
der leer,  in  de  volgende  woorden  samen:  „Dit  is  derhalve 
het  tusschen  ons  aanhangige  veracbil.  Wij,  die  aan  Christus, 
den  Heer,  zoowel  vtfare  godheid,  als  ware  menachheid  toe- 
Bchrijven,  wij  zeggen:  dat  aanbiddenswaardige  Woord,  het- 
welk, wat  zijn  wezen  aangaat,  van  eeuwigheid  en  tot  in 
eeuwigheid  God,  en  daarom  ook  Geest  is,  ia  ook  nu  hetgene 
het  was,  maar  nu  heeft  het  zich  voor  ons  op  zulk  eene  wijze 
met  Christus,  den  fleer,  verbonden,  nadat  het  ons  vleesch 
heeft  aangenomen,  dat  het  in  waarhoid  is,  wat  zijn  naam  te 
kennen  geeft,  Immanuël,  d.  w.  z. :  God  met  ona.  Gij  echter 
leert:  het  Woord,  dat  voorheen  Geest  was,  is  door  de  eene 
of   andere    verandering    vleesch    geworden,  doch  het  ie  niet 

>)  Dorner,  II,  637.  Vergnl,  ook  ErbkDin,  S.  DTI. 

1)  Verg.  Kuiper,  I,  p.  S— 00.  »ij  Cïlvijn,  X[l,  50,  vindt  mcB  de  opgiTs, 
dst  de  «nrlibUscliDp  vdo  Keulen,  die  ^ïcb  dootgkHDB  op  ign  jiehUloC  nkby 
Hddb  opfaiold,  op  luiiirtdBn  van  Hurdenberg  voor  dun  druk  i&d  het  gtsuhrirt 
hoeft  Utoii  larg  drngen;  dnarom  is  hot  ank  zekerlijk  te  Bonn  gtdrukl. 


275 

ons  yleesch,  maar  uit  den  Heiligen  Geest  ontvangen  en  af- 
geleid." «) 

Het  geschilpunt  ligt  heden  ten  dage  te  ver  van  ons  af, 
dan  dat  wij  lust  zouden  gevoelen,  om  de  geheele  wijdloopigo 
uiteenzetting  in  bijzonderheden  weer  te  geven.  Laski  hield 
hetgeen  hij  in  de  inleiding  beloofd  had.  Nadat  de  hoofdstel- 
ling in  deze  quaestie  duidelijk  was  omschreven,  trachtte  hij 
op  eene  ernstige,  waardige  en  onbevooroordeelde  wijze  het 
recht  van  zijne  opvatting  tegenover  de  meening  van  zijnen 
tegenstander  te  staven.  Zijn  éónigst  wapen  ontleent  hij  aan 
de  Heilige  Schrift.  Met  veel  kennis  van  de  Schrift  toont 
hg  aan,  dat  zijne  meening  uitsluitend  aan  den  Bijbol  is 
ontleend.  Zijne  uitlegging  is  bezadigd,  verstandig,  en  ademt 
tevens,  gelijk  bij  den  groeten  uitlegger  Calvijn,  eenou  geest 
van  stichting,  die  ons  den  heiligen,  vromen  ernst  geeft  te 
bespeuren,  met  welken  zijn  geest  in  de  beschouwing  van  het 
Woord  Gods  verzonken  is.  Men  vindt  hier  allerminst  die  zal- 
vende taal,  met  welke,  meer  dan  eene  eeuw  later,  zoo  menige, 
overigens  degelijke  Schriftverklaring,  juist  niet  tot  haar  voor- 
deel, vermengd  is,  maar  men  verneemt  hier  eene  taal,  die 
door  de  verhevene  majesteit  van  het  Woord  Gods  geheel 
doordrongen  is,  en  ernstig,  mannelijk,  krachtig  van  de  om- 
helsde waarheid  getuigenis  aflegt.  Hot  is  eene  verkwikking 
voor  eiken  echten,  gezonden  zin,  eene  lafenis,  gelijk  ons  die 
in  onvergankelijke  frischheid  door  Calvijn,  alsook  door  do 
andere  hervormers  en  kerkvaders  van  den  eersten  rang  wordt 
aangeboden. 

Het  geschrift  vond  onder  de  toenmalige  geleerden  veel  bij- 
val. *)  In  een  schrijven  aan  hertog  Alb recht  van  Pruisen 
noemde  Melanchthon  het  een  prijzenswaardig  geschrift, ') 
ja,  hij  beval  het  zelfs  aan  Lu t her  ter  lezing  aan.  Zulks 
deed  hij  omstreeks  dezen  tijd  (het  was  in  den  zomer  van 
1545)  slechts  dan,  wanneer  hij  geheel  zeker  kon  zijn,  don 
ouden  heer  door  zulk  een  aangeprezen  geschrift  geen  nieuwe 

*;  Kujper,  I,  p.  10. 

*)  Verg.  Bert  ram,  p.  163. 

3)  Melaachthon,  V,  791. 


276 


ergernis  te  bereiden.  Want  immers  de  Sacramentastrijd  was 
kort  te  voren,  door  Luther'a  toedoen,  weder  met  ongedachte 
hevigheid  uitgebroken,  en  Melanchthon  en  zijne  vrienden 
badden  langen  tijd  in  angst  verkeerd,  dat  de  schaal  des  tooma 
van  den  geweldigen  man  ook  over  hunne  hoofden  zou  voorden 
uitgegoten,  en  welk  oene  onuitsprekelijke  ellende  voor  de 
Evangelische  kerk  zou  zulk  een  openlijko  twist  na  zïch  ge- 
sleept hebben!  Luther  aehijnt  het  werk  niet  gelezen  te 
hebbeu ;  ook  in  zijne  brieven  vindt  men  nergens  eenig  oordeel 
daarover  uitgesproken,  en  toch  zou  de  eene  of  andere  stelling, 
in  het  bedoelde  geschrift  vervat,  hem  wel  bedenkelyk  hebben 
kunnen  toeschijnen.  A  Lasco  waagt  zich  een  paar  malen  op 
dat  grensgebied,  waar  het  gevaar  dreigt,  dat  de  beide  gestal- 
ten in  Christus  vaneengesoheiden  worden;  Luther  hield 
daar  een  streng  toezicht,  on  meende,  niet  ernstig  genoeg  voor 
dat  smalle  grensgebied  te  kunnen  waarschuwen. 

Oorspronkelijk  koesterde  a  Lasco  het  voornemen,  om  ook 
de  beide  andere  punten,  aangaande  welke  hij  met  Menno 
in  geschil  was,  met  dezelfde  uitvoerigheid  te  behandelen.  Te 
midden  van  de  vele  andere  werkzaamheden  echter,  waarmede 
hij  van  allo  zijden  overladen  werd,  vond  hij  den  noodigen  tijd 
daartoe  niet,  terwijl  bovendien  welhcht  ook  de  lust  er  toe 
langzamerhand  bij  hem  verdoofde.  Kennelijk  toch  ontbrak 
het  zijnen  tegenstander  aan  de  noodige  studie,  om  zulko  ern- 
stige, diepzinnige  vragen  wetenschappelijk  toe  te  lichten; 
zijne  meeningen  en  beweringen  waren  niet  genoegzaam  ge- 
staafd uit  de  Heilige  Schrift,  en  hora  ontbrak  het  bewustzyn 
van  dit  gebrek.  Tegenover  zulk  een  onvermogen  verlamt 
echter  ook  de  meest  gemoedelijke  ijver  om  een  ander  voor 
te  lichten. 

Na  deze  briefwisseling  bleef  Menno  niet  lang  meer  in 
Emden.  Hij  was  het  erkende  hoofd  der  sekte,  die  uit  de  bloe- 
dige vervolgingen  gelouterd  en  gereioigd  te  voorschijn  was 
gekomen,  wier  leden  voortaan  naar  zijnen  naam  genoemd 
werden,  en  die  het  vooral  aan  zijnen  vromen  ijver  te  danken 
hebben,  dat  z^  in  die  voor  hen  zoo  ongunstige  dagen  zgn 
blijven  bestaan,  totdat  zij  eindelijk  een  tijd  vangrootere  ver- 


277 


draagzaamheid  mochten  zien  aanbreken.  Als  een  toon  van 
dezen  meer  verdraagzamen  tijd  bewees  onze  Laski  hun 
reeds  in  de  dagen  der  Hervorming  zijne  vriendelijke  viH>r- 
zorg.  Slechts  weinige  wederspannige,  woelzioke  leden  werden 
ait  het  land  verbannen:  het  meerendeol  werd  moedig  en 
standvastig,  ook  tegenover  den  dreigenden  keizer,  in  bescher- 
ming genomen.  Tot  op  den  huidigen  dag  hebben  deze  Men- 
nonieten, inzonderheid  in  Emden,  ongehinderd  overeenkomstig 
hun  geloof  geleefd,  als  stille,  vreedzame  lieden,  die  zooveel 
mogelijk  de  aanraking  met  de  zondige  wereld  vermijden, 
ofschoon  zij  zelven  niet  meer  zoo  gestreng  het  voetspoor  hun- 
ner voorvaderen  volgen,  en  ofschoon  zij  de  kerkelijke  tucht  niet 
meer  zoo  onverbiddelijk  handhaven,  aan  welke  weleer  M  e  n  n  o 
zelf,  al  was  het  ook  schier  met  tegenzin,  zich  had  moeten 
onderwerpen. 

c)   De   arbeid   met   den   troffel   in  do  hand. 

Wij  willen  thans  den  blik  vestigen  op  het  andere  gewich- 
tige gedeelte  van  het  hervormingswerk  van  a  Lasco,  nl. 
op  hetgeen  hij  tot  opbouw  van  het  hem  toevertrouwde  werk 
in  zijn  tweede  vaderland  gedaan  heeft.  Dit  deel  zijnor  werk- 
zaamheid is  niet  in  dier  voege  geheel  van  het  andore  onder- 
scheiden, dat  hij  op  den  grondsteen,  door  do  Hervorming  ge- 
legd, slechts  rustig  heeft  behoeven  voort  te  bouwen :  ook  hier 
kwam  het  er  op  aan,  zich  met  mannelijke  stoutmoedigheid 
eenen  weg  te  banen,  en  met  vaste  hand  de  maar  al  te  shippo 
teugels  strak  aan  te  halen. 

De  kerk  van  Oost-Friesland  had  zware  tijden  doorleefd; 
het  gevoel  van  onzekerheid  bij  het  besef,  dat  men,  ondank» 
tal  van  proefnemingen  in  verschillende  richtingen ,  nog  niet 
gekomen  was  tot  een  helder  inzicht  aangaande  den  weg,  dien 
men  moest  volgen,  had  zijn  toppunt  bereikt.  Overal  vertoon- 
den zich  de  noodlottige  sporen  van  den  onhoudbaren ,  ver- 
warden toestand  op  kerkelijk  gebied:  tucht  en  orde  ontbra- 
ken, ieder  handelde  naar  goeddunken,  en  de  gemeenten  werden 
in    de    wisseling   der  op  elkander  volgende  meeningen  mede 


27&- 


betrokken.  De  oude,  wakkere  graaf  E  d  z  a  r  d  waa  een  oprecht 
voorstander  van  de  Hervorming ;  de  wonderbare  eerste  ge- 
schriften van  Luther  en  zijn  atoutmoedig  optreden  in  de 
kracht  des  geloofa  hadden  het  hart  van  dezen  echten  Fries 
geheel  voor  zich  gewonnen.  Aportanus,  die  het.  eerst  op 
den  kansel  met  bezielde  welsprekendheid  voor  de  Hervorming 
had  geijverd,  helde,  wat  zijne  theologische  denkbeelden  be- 
treft, sterk  over  naar  de  zijde  van  do  steden  aan  den  Boven- 
Rijn  en  van  Zwitserland;  zijne  belangrijke  persoonlijkheid 
drukte  dezen  haren  stempel  onnitwischbaar  op  zijn  vaderland. 
De  Friezen  gevoelden  zich  sterk  en  vrij  genoeg,  om  zich  tegen 
den  oppermacht! gen  invloed  van  den  Duitschen  hervormer  te 
verzetten,  en  do  oudste  belijdent»  des  lands  doet  ons  zien,  hoe 
goed  zij  op  beslissende  hoofdpunten  daarin  geslaagd  waren. 
Daarop  kwamen  er  echter  leeraren,  die  hunne  opleiding  in 
Wittenberg  ontvangen  en  aan  de  voeten  van  Luther  en 
Mclanchthon  gezeten  hadden,  en  die,  hetgeen  zij  daar 
geleerd  hadden,  met  ernst  en  ijver  in  het  vaderland  ingang 
trachtten  te  doen  vinden.  Graaf  Enno  legde  wel  gaarne 
beslag  op  do  rijke  kloostergoederen,  maar  hem  ontbrak  de 
onwrikbare,  kloeke  kracht  eener  eigene  overtuiging.  Liefst 
van  al  liet  hij  aan  de  zaken  haren  vrijen  loop,  zoodat  ver- 
Bchillendo  etroomingen  zich  ecnen  weg  baanden.  Ei5no  van 
deze  verlangde,  dat  men  zich  zoo  nauw  mogelijk  aan  Luther 
zoude  aansluiten.  Zij  verkreeg  tijdelijk  de  overhand  door  den 
invloed,  dien  hertog  Karel  van  Gelder  door  zijne  over- 
winning op  Fnno,  in  1534,  op  de  aangelegenheden  des  iands 
verkregen  had.  Tot  de  harde  eischen  van  den  overwinnaar 
behoorde  ook  het  herstel  van  de  onde  kerk  in  Oost-Friesland; 
slechts  voorshands  gaf  de  Katholieke  hertog  de  toezegging, 
dat  hij  nog  voor  den  tgd  van  een  jaar  in  de  invoering  van 
de  Augsburgsche  confessie  met  de  Saksische  kerkorde  genoegen 
zou  nemen  ').  Ten  gevolge  van  dit  harde  besluit  moesten 
de  Sacramentistische  predikers  het  land  verlaten ,  terwijl  de 
streng  Luthersche  hertog  van  Lunenburg,  de  zwager  van  den 


i)Coi 


279 

Roomschen  hertog  van  Gelder,  predikers  zenden  zou,  om  het 
Lutherdom  in  Oost-Friesland  in  te  voeren.  Hetgeen  de  Lu- 
nenburgers  raet  ruwen  ijver  zochten  tot  stand  te  brengen, 
was  in  het  oog  der  Friezen  als  een  geschenk  der  Danaörs; 
aan  de  vreemde  predikanten,  die  onder  de  bescherming  van 
den  Katholieken,  gestrengen  overwinnaar  stonden,  boden  zij 
eenen  halsstarrigen  tegenstand.  In  1588  stierf  de  Herti^; 
zijn  dood  maakte  een  einde  aan  den  invloed  der  Lunenburgers. 
Hunne  kerkorde,  die  nimmer  wortel  geschoten  had,  verviel; 
maar  nu  was  de  verwarring  nog  grooter,  en  de  trotsche  vrij- 
heidszin in  teugelloosheid  ontaard.  Zou  het  zwaar  beproefde 
landje  niet  geheel  en  al  te  gronde  gaan,  dan  was  hot  moer 
dan  tijd,  dat  de  wanorde  krachtig  te  keer  gegaan  word. 

A  Lasco  was  óók  een  vreemdeling,  evenals  do  bij 
het  volk  gehate  Lunenburgsche  predikanten,  doch  geen 
vreemdeling,  die  onder  do  bescherming  stond  van  eenen 
Roomschgezinden,  hardvochtigcn  overwinnaar,  maar  uit  zijn 
vaderland  verbannen,  arm,  zonder  bescherming,  slechts  in  do 
wapenrusting  van  zijnen  Heer,  aan  wien  hij  alles  blijmoedig 
had  ten  offer  gebracht.  De  Friezen  hadden  den  vreemden , 
vrijmoedigen  man  lief  gekregen,  die  ten  behoeve  van  do 
vrijheid  des  volks  zijne  stem  onverschrokken  ook  tegen  den 
machtigste  verhief,  die  dit  recht  waagde  aan  te  tasten.  Do 
diepe  verdorvenheid  der  toestanden  was  voor  niemand  ver- 
borgen;  ieder,  wien  het  welzijn  des  lands  ter  harte  ging, 
moest  erkennen,  dat  die  toestandfjn  allerdringendst  verbc^te- 
ring  vereischten.  Er  was  een  sterk  verlangen,  dat  er  eene 
verbetering  mocht  worden  tot  stand  gebracht,  en  een  vast 
vertrouwen,  zoowel  bij  de  Gravin,  als  ook  bij  het  volk,  dat 
de  vrome,  edele  Pool,  die  sedert  oen  paar  jaren  rustig  en 
bescheiden  in  het  land  leefde,  daartoe  de  meeste  geschiktheid 
bezat. 

Hierin  tastte  men  geenszins  mis.  A  Lasco  had  inge/ien, 
wat  de  landskerk  van  noode  had,  en  met  ontzaglijke  be- 
kwaamheid gaf  hij  haar  eene  vaste  gedaante,  zoodat  hij  met 
recht  als  de  Hervormer  van  Oost-Friesland  te  beschouwen  is. 
Vastberaden,  zonder  te  weifelen,  als  één,  die  zich  van  den 


beginne  aan,  zoowel  van  zijne  taak,  aU  van  de  vcreischte 
naiddelen  tot  hare  vervulling  helder  bewust  is,  treedt  hij  te 
voorschijn,  aan  oenen  bouwmeester  gelijk,  die  zijn  ontwerp 
voltooid  hoett  en  nu  tot  de  uitvoering  daarvan  overgaat.  De 
voorname  positie,  die  hij  jaren  achtereen  in  do  oude  kerk 
reeds  had  bekleed,  was  vermoedelijk  geen  onvoordeelige 
oefenachool  voor  hem  geweest;  zijn  blik  was  voor  de  leiding 
van  eene  kerk  in  hoogere  mate  gescherpt,  dan  doorgaans  bij 
een  eenvoudig  Evangelisch  prediker  het  geval  is.  De  erva- 
ring, die  hij  had  opgedaan,  moest  nu  echter  aan  eenen  ganech 
anderen  geest  dienstbaar  zijn.  Laski  staat  op  eenen 
vasten,  Evangelischen  bodem;  hetgeen  de  Hervorming  tot 
dusver,  met  betrekking  tot  de  leor  aangaande  de  Kerk, 
uit  de  groeve  der  goddelijke  waarheid  had  opgedolven,  heeft 
hij  zich  ten  nutte  gemaakt,  den  schat  vermeerderd,  en  hem 
den  stempel  van  zijnen  geest  ingedrukt.  Van  den  invloed, 
dien  Zwingli  op  hem  heeft  uitgeoefend,  kunnen  wij  de  spo- 
ren nog  aanwijzen;  duidebjker  nog  valt  zijne  enge  verwant- 
schap met  Calvijn  in  het  oog.  Hoe  sterk  echter  ook  zijn 
arbeid  in  Oost-Friesland  ons  de  werkzaamheid  van  den  grooton 
hervormer  aan  den  grenspaal  van  Zwitserland  herinnert, 
Koodat  men  niet  zelden  in  vroegere  dagen  Emden  het  Genève 
van  het  Noorden  genoemd  heeft,  zoo  zal  ons  de  loop  der 
gebeurtenissen  nochtans  doen  zien,  met  welk  eenen  zelfstan- 
digen geest  toch  ook  weder  a  L  a  s  c  o  op  het  hem  aange- 
wezen gebied  gearbeid  heeft.  '} 

De  nood,  die  op  kerkelijk  gebied  in  Friesland  hecrschte, 
noopte  a  Las  co,  om  zich  vóór  aüe  dingen  ernstig  bezig 
te  houden  met  dè  verbetering  van  de  kerkelijke  tueht.  De 
tuchteloosheid  had  van  lieverlede  eene  schrikbarende  hoogte 

')  In  zijne  icer  lorgvulilig  en  grondig  bewerkte  diBserUlie;  „Diagaieitio 
hiitaricD-tbaologica  eihiliens  JouBiiiB  Caliini  et  Joiinni<!  a  LucD  de  ecclesia 
ecntentiaium  inter  se  roinpoMtionem"  (Amiteloddmi ,  IflflS,  168  ppO,  beeft 
Kuiper  iciaivel  da  overceDatemming,  als  bet  Tersehil  tusscben  de  beide 
bervormera .  irit  dit  puat  i!er  leer  betreft,  doen  uitkuoicn.  Wij  kunnon  biiir 
slechts  naar  dien  degelijkeD  ürbeiil  verwijlen,  en  mniten  ons  voor  ona  doel 
rergenocgen  met  in  den  luDp  onzer  Ecbildering  op  het  eene  of  mdere  punt 
opmerkzaam  te  mitkEQ. 


281 

bereikt.  Het  schimpen  en  schelden  der  predikanten  op  de 
kansels,  hun  niet  geheel  onberispelijke,  vaak  ergerlijke  levens- 
wandel^ de  diep  ingewortelde  zorgeloosheid  in  de  gemeenten, 
wat  betreft  de  scholen  en  de  armverzorging,  dit  een  en  ander 
had  vele  en  ernstige  gemoederen  van  de  Kerk  vervreemd. 
Zij  leefden  een  tijdlang  in  stille  afzondering,  terwijl  zij  zich 
alleenlijk  op  het  onderzoek  van  het  Woord  Gods  in  hunne 
huizen  toelegden ;  aan  de  wederdoopers,  die  onder  de  hunnen 
zulk  eene  gestrenge  kerkelijke  tucht  oefenden,  gelukte  het 
ter  gelegener  tijd  doorgaans  gemakkelijk  hen  mede  te  sleepen. 
De  scherpe  blik  van  a  Las  co  doorzag  dit  euvel.  „Ik  zeide 
tot  de  raadslieden,  dat  het  ons  nimmer  aan  soktarissen 
ontbreken  zou,  zoolang  wij  streng  waren  tegenover  ande- 
ren, maar  daarentegen  toegevend  tegenover  de  ondeugden 
in  ons  eigen  midden.  Ik  voegde  er  bij,  dat,  zoo  lang  zulke 
ondeugden  onder  ons  heerschten,  wij  ook  in  onze  kerk  een 
onderscheid  zouden  moeten  maken  tusschen  degenen,  die  zich 
naar  de  kerkelijke  verordeningen  voegen,  en  degenen,  die  de 
kerk  Gods  en  hare  tucht  verachten."  ^)  Dusdanige  eisch  bracht 
eene  geweldige  opschudding  te  weeg;  men  achtte  de  vrijheid 
bedreigd,  terwijl  de  bedoeling  toch  slechts  was,  om  aan 
de  losbandigheid  een  breidel  aan  te  leggen,  ten  einde  alzoo 

de  ware  vrijheid  te  beschermen. 

> 

Eindelijk  evenwel  zag  a  La  se  o  zijn  streven  met  gewenscht 
gevolg  bekroond,  allereerst  in  de  hoofdstad  des  lands.  Er  be- 
stonden nog  oude  gebruiken,  die  zijne  pogingen  begunstigden, 
on  van  welke  hij  op  schrandere  wijze  partij  wist  te  trekken. 
Reeds  sedert  de  dagen  der  middeneeuwen  hadden  de  Friezen 
zich  een  veel  grootcr  aandeel  in  de  kerkelijke  aangelegen- 
heden weten  te  verzekeren,  dan  de  Roomsche  kerk  elders,  on- 
der meer  handelbare  volken,  nog  geneigd  was  aan  de  leeken 
toe  te  staan.  Van  oudsher  kozen  de  gemeenten  zelve  hare 
predikers,  die  zij  langer,  dan  men  zulks  ergens  elders  ver- 
mocht, tegen  den  eisch  van  het  celibaat  wisten  te  vrijwaren.  Zoo- 
gen, kerkelijke  gezworenen  namen  deel  aan  de  uitoefening  van 


1)  Kujper,  [J,  574. 


de  kerkelijke  tucht;  op  synoden  outmoette  men  stemgerech- 
tigde loeken.  ')  Het  bewustzijn,  dat  men  gerechtigd,  ja  ook 
verplicht  was  om  werkzaam  deel  te  nomen  aan  de  aangele- 
genheden der  gemeente,  was  ateeda  levendig  gebleven.  Ook 
de  Lunenbnrgache  kerkorde  had  zich  genoodzaakt  gezien,  om 
op  deze  diep  ingewortelde  toestanden  acht  te  geven.   ') 

Steunende  op  dit  oude  'gebruik,  wist  a  Lasco,  in  den 
zomer  van  15i4,  te  bewerken,  dat  aan  de  predikers,  die  aan 
de  hoofdkerk  in  Emden  verbonden  waren ,  vier  mannen  uit 
de  gemeente  werden  toegevoegd ,  ernstige ,  waardige ,  vrome 
lieden,  aan  wio  vanwege  de  gansche  gemeente  de  taak  was 
opgedragen,  om,  in  vereeniging  met  de  leeraren,  het  opzicht 
te  houden  over  den  levenswandel  der  burgers,  en  elk  aan 
zijnen  plicht  te  herinneren,  terwijl  zij  tevens  gemachtigd 
waren ,  om ,  namens  de  geheele  kerk ,  diegenen  uit  de  ge- 
meente uit  te  sluiten,  die  zoodanige  vermaning  verachtten.  ') 

De  jammerlijke  toestand,  dien  hij  bij  zijn  optreden  aantrof, 
had  a  Las  co  tot  deze  inrichting  doen  besluiten;  zij  was 
echter  bij  hem  in'  waarheid  de  vrucht  van  zijn  voortdurend 
onderzoek  van  het  Woord  Gods ,  evenals  bij  C  a  1  v  ij  n.  Hg 
had  de  vaste  overtuiging,  dat  er  zonder  kerkelijke  tucht  on- 
mogelijk eene  ware  gemeente  van  Christus  bestaan  kan.  •) 
Daarom  liet  hij  ook  zijn  blijven  in  Emden  afhangen  van  de 
instandhouding  van  deze  zegenrijke  inrichting.  „Indien  de 
onzen  zich  de  kerkelijke  tucht,  overeenkomstig  het  Woord 
van  God,  laten  welgevallen,  zullen  ze  mij  als  prediker  in 
hun  midden  behouden ;  maar  indien  niet,  dan  zullen  zij  den- 
kelijk ook  mij  verdrijven.  Want  willens  en  wetens  zal  ik  nie- 
mand sparen,  en  daarom  vrees  ik,  dat  ze  mij  niet  lang  zullen 
verdragen.  Ik  laat  echter  alles  aan  den  lieer  over,  en  smeek 
Hem,  dat  Hij  mijne  bediening  doe  strekken  tot  roem  van 
zijnen  heiligen  naam  en  tot  opbouwing  van  zijne  gemeente."  ") 


■)  „Ktrchenzcitung",  IBTO,  S.  346. 

))  Mtrluerg.  I.  bU.  603. 

*)  Kiiyper,  II,  p.  B7B. 

<)  Hierop  wnrdt  door  Leohlsr,  S.  5T,  t«  [«ebt  met  Dadrak  fcwcien. 

'I  Kuypor,  II,  p.  5TG.  Mogtlük  heeft  Lneki  wsl  bij  deie  pluti  uo  igncn 


283 

Met  vasten  tred,  en  zonder  zich  door  de  menigvuldige 
moeielijkheden  en  hinderpalen  te  laten  ophouden^  ging  La  ski 
voort  op  de  ingeslagen  baan.  Hij  en  zijne  ambtgenooten 
doorreisden  het  geheele  land,  om  overal  kerkvisitatie  te  hou- 
den. Op  deze  reizen  werd  een  nauwlettend  onderzoek  inge- 
steld naar  den  staat  der  bezittingen  en  den  toestand  van 
elke  gemeente  in  het  bijzonder,  alsmede  naar  de  leer,  den 
wandel  en  den  ijver  der  leeraren.  Na  op  deze  wijze  een 
nauwkeurig  inzicht  in  de  vaak  zeer  treurige  toestanden  ver- 
kregen te  hebben ,  nam  L  a  s  k  i  welhaast  met  ernst  de  taak 
ter  hand,  om  ook  te  dien  opzichte  eene  hervorming  tot  stand 
te  brengen.  Overeenkomstig  zijne  geheele  richting  beijverde 
hij  zich  voornamelijk,  om  allo  geschillen  bij  te  leggen,  en 
rondom  de  kerken  des  lands  en  hare  leeraren  eenen  band 
van  heilzame  eendracht  te  strengelen.  Ook  hierin  ging  hij 
te  werk  met  al  den  heiligen  ernst  eens  hervormers,  in  wiens 
schatting  de  kerkelijke  tucht  de  levenszenuw  van  het  ker- 
kelijk organisme  is,  en  die  de  Kerk,  wat  haar  wezen  aan- 
gaat, als  de  vrije  en  broederlijke  vereeniging  der  kinderen 
Gods  beschouwt,  welke  dienen  moet,  om  het  geheele  men- 
8cheli|ke  geslacht  tot  heiliging  te  leiden.  Daarom  had  hij 
zich  ten  doelwit  gesteld,  den  levenswandel  der  leeraren  door 
wettige  voorschriften  te  regelen,  ergernissen  onder  hen  te 
voorkomen ,  onwaardigen  van  het  ambt  uit  te  sluiten,  en  de 
rechte  leer  onder  hen  te  bevorderen.  *) 

Om  dit  oogmerk  te  bereiken,  stichtte  hij  met  goedkeuring 
van  de  Gravin  en  van  den  hoogston  Senaat  de  prcdikanten- 
vereeniging,  den  zoogen.  „coctus",  ongetwijfeld  de  belangrijkste 
en  meest  ingrijpende  instelling  van  La  ski,  die  een  schitte- 
rend getuigenis  aflegt  van  zijne  reformatorische  begaafdheid. 
Het  is  alleszins  de  moeite  waard,  dat  wij  van  deze  gansch 
bijzondere  „synode''  ons  een  juist  begrip  zoeken  te  vormen. 
Van    Paschen    tot    Michaëlis    waren    de    leeraren  des  lands 


grooten    geestverwant    Calvijn  gedacht,  die,  een  paar  jaren  te  voren  uit  Ge- 
nève  verdreven,  zich  naar  Straatsburg  begeven  had. 
1)  Emmius,  p.  927. 


gebonden,  om  eiken  Maandag,  des  voormiddag^,  in  Ëmden 
bijeen  to  komen.  De  vergadering  koos  uit  haar  midden  eenen 
voorzitter  en  oenen  aocretaris,  beidon  voor  den  geheelen  zo- 
inertijd.  De  zitting  werd  met  een  gebed  geopend,  hetwelk 
door  den  voorzitter  werd  uitgesproken.  Zulk  een  gebod  is 
ons  nog  bewaard  gebleven  ^  ')  in  deze  krachtige,  innige  pas- 
torale woorden  vernemen  wij  zonder  moeite  de  stom  van 
Laski,  vooral  wanneer  wij  dit  gebed  vergelijken  met  de 
talrgke  geboden,  die  in  zijne  later  te  vermelden  liturgie  voor- 
komen. Onder  den  gewijden  indruk  van  znlk  een  gebed  ging 
dan  de  vergadering  over  tot  een  ondorzook  naar  de  zeden 
van  ieder  der  leeraren  in  het  bijzonder.  Hetgeen  ten  opzichte 
van  het  leven  en  don  wandel  van  elk  hunner  bekend  ge- 
worden waa,  werd  met  collegiale  openhartigheid  ter  sprake 
gebracht  en  nauwgezet  onderzocht.  Bleek  het,  dat  de  klach- 
ten gegrond  waren,  dan  volgde  er  eene  ernstige,  broederlijke 
vermaning.  Van  deze  „conaura  morum"  was  niemand  vrij- 
gesteld; ieder  was  verplicht,  om,  zoo  hem  iets  verkeerds 
was  ter  oore  gekomen,  zulks  ter  sprake  te  brengen,  en  ook 
aan  de  gemeenteleden  was  het  geoorloofd,  hunne  eventneele 
klachten  aan  den  „coetus"  te  doen  toekomen.  Nadat  dit  ge- 
wichtige punt  was  afgehandeld ,  ging  de  vergadering  over 
tot  het  onderzoek  van  de  candidaton  tot  het  predikambt. 
Niemand  werd  tot  het  ambt  toegelaten,  die  niet  genoegzaam 
bevredigende  getuigschriften  aangaande  zijnen  godzaligen, 
ïngetogenen  levenswandel  kon  overleggen.  Do  candidaat,  die 
voldoende  blijken  van  bekwaamheid  gegeven  had,  moeat  daarop 
voor  den  „coetus"  eene  korte  rede  houden,  ten  einde  men  over 
zijne  gave  voor  de  prediking  zou  kunnen  oordeelen.  Van 
het  oordeel  der  vergaderden  bing  het  vervolgens  af,  of  men 
aan  don  candidaat,  al  dan  niet,  een  getuigschrift  kon  afgeven, 
dat  hij  do  noodige  rijpheid  bezat. 

Na  afdoening  van  deze  practische  zaken  volgden  er  ver- 
handelingen over  de  voornaamste  punten  der  Christelijke  leer, 
hoofdzakelijk    over    strijdvragen    van  den  dag.    De  „coetus" 


■B,  I,  bd,  2S*. 


285 

stelde  de  onderwerpen  vast,  die  men  behandelen  zou;  twee 
predikers  werden  tot  referenten  en  eorreferenten  benoemd, 
en  hunne  theses  acht  dagen  te  voren  bekend  gemaakt,  ten 
einde  een  ieder  in  de  gelegenheid  te  stellen,  zich  op  de  dis- 
cussie voor  te  bereiden. 

De  protocollen  uit  de  eerste  honderd  jaren  van  het  bestaan 
der  vereeniging  zijn  helaas  verloren  geraakt  ^);  inderdaad 
een  zeer  betreurenswaardig  verlies.  Immers  van  hoe  groot 
belang  zou  het  geweest  zijn ,  indien  wij  juist  de  vroeg- 
ste beginselen  van  eene  inrichting  hadden  kunnen  nagaan, 
die  zich  gedurende  den  loop  der  eeuwen  heeft  staande  ge- 
houden, en  van  welke  vooral  in  den  eersten  tijd  zulk  een 
rijke  zegen  voor  de  kerk  des  lands  is  uitgegaan!  Nog  inde 
zeventiende  eeuw  verklaarde  F  r  e  m  a  u  t,  Fransch  prediker  in 
Emden,  aangaande  dezen  „coetus" :  „Deze  vergadering  dient 
tot  het  bewaren  van  de  eendracht  en  den  vrede  tusschen  de 
leeraren  en  de  gemeenten  onderling.  Zij  is  eene  goede  school 
voor  jeugdige  predikers,  die  lust  hebben  zich  verder  te  ont- 
wikkelen ;  ik  beken,  dat  ik  in  die  samenkomsten  méér  geleerd 
heb,  dan  aan  de  hoogeschool."  ^)  De  inzage  van  deze  vroeg- 
ste protocollen  zou  ons  echter  ook  een  aanschouwelijk  beeld 
van  La  ski's  handel  en  wandel  in  den  kring  zijner  ambtgo- 
nooten  verschaft  hebben.  Want  onze  vriend  was  —  hetgeen 
de  beroemde  geschiedschrijver  van  Oost-Friesland  in  hem 
roemt,  ^)  —  van  een  oprecht  karakter,  en  gewoon  zijne  ge- 
voelens, inzonderheid  over  goddelijke  dingen,  in  duidelijke 
en  onbewimpelde  bewoordingen  bloot  te  leggen.  Uit  den  in- 
houd der  bedoelde  protocollen,  die  in  zijnen  tijd  nog  voorhan- 
den waren,  heeft  Emmius  zich  ongetwijfeld  zijn  oordeel 
gevormd  over  de  wijze,  waarop  a  La  se  o  in  deze  vergade- 
ringen gewoon  was,  allen  tot  eensgezindheid  aan  te  sporen. 
In  ongekunstelde,  ronde  bewoordingen  heeft  hij  zijne  mee- 
ning uitgesproken,  en  hare  waarheid  op  degelijke  gronden 
gestaafd;  degenen,  die  twijfeldenof  eene  andere  meening  koes- 

1)  Het  oudste  notulenbuek,  dat  voorhanden  is,  begint  met  den  18<*'"  April  1642. 
>)  Meiners,  J,  biz.  283. 
3)  £mmius,  p.  927. 


terden,  heeft  hij  rustig  aangehoord,  hen  terechtgewezen,  hea 
ook  verdragen,  wanneer  hij  ze  niet  kon  overtuigen ,  en  hen 
als  broeders  erkend ,  wanneer  zij  slechts  den  vrede  bleven 
bewaren,  terwijl  hij  do  anderen  heeft  zoeken  te  overtuigen, 
dat  men  aldus  moest  handelen,  ten  einde  toch  maar  niet, 
wegens  verschil  van  meening,  de  eendracht  te  verstoren  of  de 
eenheid  in  de  waagschaal  te  stellen.  —  Op  zulk  eene  wijze 
verkroeg  onze  hervormer  in  deze  voorbeeldig  ingericht-e  predi- 
kanten-synode de  meestal  veronachtzaamde  en  toch  zoo 
onmisbare  aanvulling  van  elke  waarlijk  gezegende  kerke- 
lijke tucht:  zij,  die,  in  vereeniging  met  de  ouderlingen, 
over  don  levenswandel  der  gemeenteleden  hadden  te  waken, 
stonden  zelven  bij  voortduring,  gelijk  de  Gemeente  wist,  onder 
gestrenge  kerkelijke  tucht. 

Indien  al  niet  ala  eene  vergoeding  voor  de  we^eraakte 
oudste  protocollen,  dan  toch  als  een  doffe  naklank  van  de 
theologische  discussiën  in  den  „coetus"  mogen  wij  wellicht 
Laski's  verhandeling  over  de  leer  der  kerken  van  Oostj- 
Priesland  beschouwen.  ')  In  ieder  geval  kunnen  wij  uit  dezen 
belangrijken  arbeid  het  theologisch  standpunt  van  onzen 
a.Lasco  in  die  dagen  leeren  kennen,  hetwelk  hij  zich  tevens 
beijverde,  om  door  de  aan  zijne  leiding  toevertrouwde  kerk  te 
doen  innemen.  De  éénige  bron  der  christelijke  leer  ia  God  en 
hetgeen  Hij  met  duidelijke  woorden  in  de  Heilige  Schrift  ver- 
kondigd heeft.  Menschelijke  meeningen  zijn  slechts  in  zoo- 
verre geldig,  als  zij  zich  aan  de  analogie  des  geloofs  en  aan 
het  Woord  Gods  onderwerpen.  Twee  hoofdpunten  zijn  het,  om 
welke  de  gehoele  christelijke  leer  zich  beweegt:  de  kennis 
van  God  en  van  ons  zelven.  God  kan  alleen  uit  het  Woord 
van  God,  hetwelk  is  Christus,  recht  gekend  worden.  Het 
leert    ons    God    kennen    als   onzen    Heer,    als    rechtvaardig 

■)  In  de  editio  Van  Ea;piir  (D.  I,  p.  Ml  eo  verv.)  voor  de  eerste  mul  in 
druk  verBchenen,  Doder  den  litel ;  .Epitome  doctriiiae  eeeleiiirum  Pbriiise 
orientnlis,  Anlare  .ToRane  n  Lïbcd,  IBil."  Vergclyk  daarbij  het  lerslag  van  den 
gelaktci^en  vinder  helreffende  lijnB  venaoeiendc  naaporingen .  p,  IX — XII,  en 
itjne  opmerkiogcn   tor  inlsiding,  p.  XLVII — LUI. 


287 

en  waarachtig  en  barmhartig.  Aan  do  kennis  van  GchI  «luit 
de  kennis  van  ons  zelven  zich  aan ;  gene  houdt  aan  dozo  don 
spiegel  voor.  God  heeft  den  nionsoh  naar  zijn  ovonbwld  go- 
schapen,  en  wel  goed,  alhoewel^  in  oudersohioiiing  van  Hom 
zelven,  met  de  mogelijkheid  van  te  zondigen.  In  Adam  hob- 
ben  wg  allen  gezondigd;  sinds  dien  tijd  zijn  wij  dooraango- 
borene  en  werkelijke  zonde  bevlekt.  Wij  zijn  aan  don  oouwigon 
dood  ter  prooi,  indien  wij  geonen  gcneosmoostor  hobbon, 
die  ons  leven  van  den  vrceselijken,  en  anders  onvorniijdolijkon 
ondergang  verlost.  God  heeft  in  zijnen  Zoon  ons  verlost,  niet 
om  onzentwil,  en  nog  veel  minder  wegons  onzo  vordionston, 
maar  alleen  om  den  wille  van  zijnen  heiligen  naam.  Allo 
beloften  Gods  zien  op  Christus.  Hij  alleen  is  do  wog,  do  waar- 
heid en  het  leven,  de  éónige  middelaar  tussehon  (ïod  on  do 
menschen;  zonder  Hem  komt  niemand  tot  don  Vador.  Hot 
geloof  is  eene  aandoening  („aiFect^^)  van  onzon  geest,  door 
den  Heiligen  Geest  in  ons  teweeggebracht  door  middel  van 
de  prediking  van  het  Woord  Gods;  deze  werking  van  don 
Geest  leert  ons  in  God  te  gelooven,  Hom  lief  te  hebben,  on 
doet  ons  het  voornemen  opvatten,  om  Hem  voortaan  ten  all(»n 
tijde  aan  te  hangen,  ofschoon  wij  uit  oorzaak  van  onzo  zwak- 
heid voortdurend  zondigen.  Om  aan  deze  cmzcs  zwakheid  to 
gemoet  te  komen,  geeft  God  ons  middelen,  door  welke  wij 
ons  geloof  versterken  en  vernieuwen.  Zulke  middelen  zijn  de 
prediking  van  het  Woord  Gods,  en  de  zichtbare  tciokenen 
zijner  genade,  door  welke  Hij  in  onze  harten  bezegelt  het- 
geen Hij  door  de  getuigenis  zijns  Woords  ons  beloofd  heeft. 
In  het  Nieuwe  Verbond  vinden  wij  twee  Ha<;ramenten,  Doop 
en  Avondmaal,  die  overeenkomen  met  de  Hesnijding  (;n  het 
Pascha  onder  het  Oude  Verbond.  Hierop  handelt  ijaski 
verder  uitvoerig  over  den  kinderdoop,  en  wederlcsgt  do  Ikj- 
denkingen  der  tegenstanders,  die  zich  in  Ëmden  zoo  nadruk- 
delijk  lieten  hooren. 

Minder  breedvoerig  wordt  bij  deze  gelegenheid  over  het 
Avondmaal  gehandeld,  wellicht  omdat  Laski  zir'h  ongeveer 
omstreeks  denzelfden  tijd  had  genoopt  gezien ,  om  daarover 
uitvoeriger    in    een    openlijk    zendsi:hrijven   tegenover  eenen 


vriend  zich  uit  te  spreken  ').  De  brief  is  een  kostbaar 
bewijsatuk  met  betrekking  tot  zijnö  meeiiing  aangaande  een 
leerstuk,  waarover  zooveel  gestreden  ia,  en  meer  nog  eon 
uitnemend  getuigenis  van  de  miide  gezindheid  van  onzon 
vriend.  Het  geschrift  dagteekent  van  het  jaar  1544,  dei^ 
halve  van  eenen  tijd,  toen  de  rampzalige  Avondmaalsstrijd , 
kort  te  voren  op  nieuw  ontbrand,  overal  in  Duitschland  in 
vollen  gang  was.  Naar  aanleiding  van  het  Keuhche  her- 
vormingsplan, hetwelk,  gelijk  wij  zien  zullen,  niet  zonder 
medewerking  van  Laaki  waa  tot  stand  gekomen,  en  bij 
uitweidingen  over  het  Avondmaal,  in  dit  geschrift  voor- 
komende, had  L  ut  hei'  verklaard:  „^ot  boek  is  voor  de 
geeatdrijvers  niet  alleen  draaglijk,  maar  ook  troostelijk,  veel 
meer  voor  hunne  leer,  dan  voor  de  onze."  '')  Op  dit  scherpe 
oordeel  volgde  weldra  het  diep  betreurenswaardige  geschrift 
van  den  Hervormer;  „Kniz  Bekenntnis  Dr.  Martin  Luthers 
vom  heiligen  Sakrament,"  in  hetwelk  hij  zelfs  niet  schroomt 
te  verklaren:  „Want  ik,  als  die  nu  niet  ver  meer  van  het 
graf  verwijderd  ben,  wil  deze  getuigenis  en  dezen  roem  met 
mij  brengen,  wanneer  ik  vóór  den  rechterstoel  van  m^uen 
Heer  verschijn,  dat  ik  de  dwepers  en  vijanden  van  het  sa- 
crament, Karlstadt,  Zwingli,  Oecolampadius,  Schwenkfeld  en 
hunne  volgelingen  te  Zurich,  en  waar  zij  zich  bevinden,  met 
al  den  emat,  die  in  mij  is,  veroordeeld  en  gemeden  heb, 
overeenkomstig  zijn  bevel  (Tit.  3  :  10},"  ^)  Van  zulk  eene 
onchriatelijke  bitterheid  dea  groeten  hervormers,  welke  zich 
van  toen  af  als  eene  heillooze  schaduw  over  zijne  naaste  vol- 
gelingen verbreid  en  krachtig  medegewerkt  heeft,  om  de  Room- 
Bohe  kerk  wedor  tot  bloei  to  doen  komen,  vindt  men  in 
Laski's  schrjjven  ook  niet  den  minsten  weerklank;  het  ge- 
rucht   van    den    pas    ontbranden  stryd  dringt  tot  het  rustig 


1)  Ku 

ïper  iT.8 

,.oo  gelukkig. 

m  ook 

dit  schrij. 

BD, 

hetw 

Ik  acheeo  te  lij a 

TBrioren 

op    het   Bpoor 

e  kum 

ea;  hut  fae 

ft 

tot  ti 

el :  „Epiitoli  ad 

■micum 

doctum    script 

duDi 

«egrotrrem 

ie 

cerbiB 

Coenie  Domini, 

ut  ïocon 

t,  qui  nos 

ram  dd  CorDk 

itoetrin 

ïm   ei  PDt 

um 

et  C 

UU  [mp 

UgDHFC,    ÜH 

ice  Urnen,  cun 

Irntur' 

(Verg.  Ku 

ÏP 

er.  r 

p.  667). 

>)  tu 

her,  LV 

,  lai. 

3)  Ibid 

.  XXXII, 

39B, 

289 

verblijf  van  den  schrijyer  niet  door.  Hij  schrijft  aan  zijnen 
vriend^  dat  er  geen  inniger,  oprechter^  duurzamer  liefde  is, 
dan  die,  welke  uit  de  beschouwing  van  de  goddelijke  gaven 
in  ons  voortkomt.  Het  is  de  plicht  van  eiken  christen,  allo 
zijne  gaven  tot  eer  van  den  Gever  te  bestedon.  Doch  dozo 
taak  is  verre  van  gemakkelijk,  overeenkomstig  het  oudo 
spreekwoord:  „het  schoone  is  moeielijk"  („;^jiAfT;B  rx  xjcAjc"). 
De  kennis  van  het  goddelijke  hangt  niet  zoozeer  af  van  de 
scherpzinnigheid  van  onzen  geest  ^  van  do  bevattelijkhcid 
van  ons  oordeel,  van  den  onverdroten  ijver  van  ons  streven; 
dat  alles  heeft  gewis  ook  daarbij  zijne  waarde  en  betookenis, 
want  het  zijn  immers  gaven  van  Qod,  maar  zij  nemen  toch 
slechts  eenc  ondergeschikte  plaats  in,  vergeleken  met  do 
vrome  gezindheid,  de  godsvrucht  of  ^sotrefSeix^  gelijk  do  Grie- 
ken zeggen De  leer  van  Christus  moeten  wij  vast  in  onzo 

herinnering  bewaren,  daar  Hij  slechts  die  kerk  voor  do 
zijne  erkent,  welke  luistert  naar  zijne  stom.  Zóó  moeten 
allen  gezind  zijn,  die  in  het  heiligdom  van  het  Woord  Gods 
wenschen  te  verkeoren.  Want  het  woord,  dat  eenmaal  uit 
de  hemelen  weerklonk :  „Hoort  hem,"  heeft  slecht  op  óónen, 
nl.  op  Christus  betrekking. 

Maar  wij  zouden  den  gcheolen  brief  moeten  wedergeven , 
indien  wij  de  edele,  zuivere,  milde  gezindheid,  die  Laski  te 
midden  van  het  gedruisch  van  den  zoo  heftig  ontbranden  strijd 
bezielde,  in  allen  deole  naar  eisch  wilden  doen  uitkomen.  Vij 
de  verdere  uitvoering  van  zijne  taak  vermeldt  hij  alleen  Chry- 
sostomus,  met  wien  onze  vriend  in  zoo  menig  opzicht  eone 
geestelijke  verwantschap  vertoont,  vooral  wat  betreft  do  op- 
merkelijke vereeniging  van  verstandige  helderheid  in  zijne 
Schriftverklaring  met  de  innigheid  van  een  vroom,  christelijk 
hart,  welke  op  bezielde  en  bezielende  wijs  zich  in  zijne  ge- 
schriften openbaart.  Vooral  de  bekende  83»*^  homilie  over 
het  Evangelie  van  Mattheüs  wordt  aangevoerd  ten  bewijze, 
dat  ook  de  bisschop  van  Konstantinopel ,  tegen  het  eind 
der  vierde  eeuw,  van  een  louter  geestelijk  ontvangen  van 
den  Heer  in  het  heilig  Avondmaal  gesproken  heeft.  Maar 
Laski    wil    zijne    opvatting   ook  niet  op  Chrysostomus 

DALTON.  19 


gronden:  „Al  waren  ook  alle  kerkvaders  en  alle  conciliën 
tegen  ons,  zoo  is  ons  de  Heilige  Schrift  volkomen  genoeg- 
zaam tot  staving  van  onze  leer,  en  op  haar  alleen  grondon 
wy  ons  gevoelen."  Ook  Karlstadt  en  Zvfingli  beschouwt 
hg  niet  als  zijne  leeraars  of  autoriteiten.  Beacheidenlijk 
erkent  hij  bij  beide,  door  de  tegenpartij  zoo  heftig  bestre- 
den mannen  de  vroomheid  hunner  gezindheid,  en  bij  den 
Zwitser  bovendien  nog  in  hot  bijzonder  zijne  met  de  grootste 
geleerdheid  gepaard  gaande  buitengewone  oordeelva ve :  maar 
met  hunne  leer  betreffende  het  Avondmaal  kan  hij  zich  niet 
vereenigen.  Juist  zijn  onwrikbaar  vasthouden  aan  het  be- 
ginsel, zich  uitslaitend  te  beroepen  op  het  "Woord  van  God, 
maakt  a  Laaco  zoo  onafhankelijk  van  alle  menschelgke 
instelling ,  en  toch  ook  weder  zoo  rechtvaardig  en  billijk  in 
de  beoordeeling  ook  van  den  tegenstander. 

By  de  ontwikkeling  van  zijne  eigene  opvatting  komt  ook 
reeds  in  deze  vroegste  getuigenis  het  Hevelingsdenkbeeld  van 
Laski  duidelijk  te  voorachijn,  om  nl.  de  uitdrukking:  „dit 
is"  niet  te  bepalen  tot  „brood",  maar  haar  in  verband  te 
brengen  met  de  geheele  voorafgegane  handeling  van  de  breking 
des  broods,  do  dankzegging  en  de  nitdeeling:  eene  zinrijke, 
maar  nochtans  (verg.  1  Cor.  2  :  25)  onhoudbai'e  uitlegging, 
hoe  belangrijk  en  juiat  het  ook  zijn  mag,  den  nauwen  samen- 
hang tuBschen  de  woorden :  „het  brood ,  dut  wij  breken ,' 
nadrukkelijk  te  doen  uitkomen.  Het  Paulinische  woord 
„gemeenschap  dea  lichaams  en  bloeds  van  Christus,"  wil 
Laski  in  het  verband  der  plaats  slechts  in  passieven  zin 
hebben  verstaan,  zoodat  de  beteekenis  dor  woorden  deze  ia: 
„Wg,  die  het  brood  dea  Heoren  bij  zijnen  maaltijd  eten, 
hebben  daardoor  ook  te  gelijk  gemeenschap  aan  de  verbor- 
genheid („mysteria")  van  dit  brood,  d.  i.  aan  het  lichaam 
des  Heeren."  ')  „Met  Paulus  noemen  wij  do  teekenen  van 
het  Avondmaal  zegelen,  d.  i.  zegolen  van  onze  gemeenschap 
met  den  Heer  zehen,  welke,  wanneer  wij  ze  overeenkomstig 
de    inzetting   des  Heeren  gebruiken,  ona  in  de  heilige  han- 


i)Kuïpb: 


I,  609. 


291 

deling  („mysterinm'*)  deze  gemeenschap  zelve  voor  oogen 
stellen  en  haar  in  onze  zielen  vernieuwen,  terwgl  zij  ons 
door  de  werking  van  den  Heiligen  Geest  volkomen  beves- 
tigen in  een  vast  en  ontwgfelbaar  geloof  in  Christus,  al 
kunnen  wg  ook  volstrekt  niet  aannemen,  dat  zij  het  lichaam 
en  het  bloed  des  Heer  en  op  physische  en  reeele  wijze  in  zich 
sluiten."  ^) 

Het  zendschrijven  over  het  Avondmaal  ging  van  hand  tot 
hand,  en  werd  aan  den  Rijn,  in  Zwitserland  en  elders  ge- 
lezen. Tot  veel  kleineren  omtrek  daarentegen  beperkte  zich 
de  mededeeling  van  de  zoo  even  vermelde  verhandeling,  en 
wel  uit  eenen  hoogst  eervollen  beweeggrond.  Laski  wist 
wel,  dat  hij  hier,  op  gewichtige  punten,  met  bijzondere 
opvattingen  in  het  strijdperk  trad.  Hij  deinsde  er  voor 
terug,  de  juist  op  dat  tijdstip  zoo  hooggeklommen  ver- 
deeldheid op  theologisch  gebied  door  het  te  berde  brengen 
van  nieuwe  geschilpunten  nog  te  doen  toenemen,  en  wilde 
daarom,  alvorens  hij  zijn  werk  in  druk  gaf,  eerst  het  ge- 
voelen van  diegenen  vernemen,  wier  oordeel  voor  hem  van 
gewicht  was.  Slechts  drie  of  vier  afschriften  werden  er  ver- 
vaardigd. Het  eene  ontving  zijn  vriend  Entfelder  in 
Koningsbergen  ^);  een  tweede,  op  zijn  verzoek,  hertog 
Alb recht  van  Pruisen,  die  in  dien  tijd  Laski  trachtte 
te  bewegen,  zich  in  zijnen  dienst  te  begeven  ^);  een  derde 
afschrift  werd  aan  H  a  r  d  e  n  b  o  r  g,  die  toon  juist  in  Straats- 
burg vertoefde,  toegezonden,  mot  verzoek,  om  het  ook  aan 

1)  Ibid.,  p.  571.  Ebrard  (II,  S.  684)  wijst  nog  in  het  bijzonder  op  die 
plaats  in  het  onderhoud  van  Laski  met  Brenz,  hetwelk  later  ter  sprake  zal 
komen,  waar  Laski  zegt:  „Wij  gelouven  en  bekennen,  dat  Christas,  de  Ilfer, 
evenzeer  waarachtig  God  als  waarachtig  mensch,  waarlijk  en  in  realiteit  ook 
in  het  Avondmaal  bij  ons  tegenwoordig  is,"  om  daarmede  aan  te  toonrn, 
dat  ook  a  Lasco  van  meening  is,  dat  te  gelijk  met  het  eten  van  het  brood  en 
het  drinken  van  den  w\jn  eene  reeele,  b^zondcre  werking  van  Christus  plaats 
heeft,  door  welke  Hij  zich  aan  de  geloovigen  mededeelt.  Zeer  kenmerkend  en 
juist  is  de  hier  gebezigde  uitdrukking:  „tegenwoordig  in  het  Avondmaal;" 
eene  soort  van  verbetering  en  toelichting  van  Laski's,  hier  boven  aangestipte 
uitlegging  van  de  woorden:  „dit  is." 

»)  Kuyper,  II,  766. 

^  Ibid.,  p.  675. 


293 


de  Trienden  Bucer  en  BuUinger  te  laten  lezen.  ')  Het 
oordeel  was  niet  gunstig,  notih  in  Wittenberg,  werwaarta 
hertog  Albrocht  zijn  exemplaar  aan  het  adres  van  Mclanch- 
thon  gezonden  had,  noüh  ook  in  Zurich.  Uit  laatstgenoemde 
plaats  schreef  men  aan  den  auteur:  „Alhoewel  ik  niet  twijfel, 
dat  gij,  die  in  de  Heilige  Schrift  zoo  grootelijks  eryaren 
zijt,  eene  rechtzinnige  denkwijze  koestert,  moet  ik  noch- 
tans oprecht  bekennen,  dat  ik,  na  uw  jongste  geschrift  door- 
lezen te  hebben ,  daarin  niet  ééne  meening  vind ,  welke  ik 
met  onvoorwaardelijke  tocatemming  zou  kunnen  omhelzen, 
belijden  en  verdedigen ,  als  ona  duidelijk  door  het  Woord 
Gods  geleerd  wordende"  =).  Nog  ongunstiger  luidde  het  oor- 
deel van  Molanchthon  ^).  Hij  betreurt  het,  dat  Laski 
eene  vroegere  waarschuwing  ■•),  met  betrekking  tot  zijne 
leer  van  den  Doop,  onopgemerkt  gelaten  heeft;  wel  is  waar 
overdrijft  hij ,  wanneer  hij  uit  L a a ki's  woorden  afleidt , 
dat  de  schrijver  de  leer  is  toegedaan,  dat  de  kinderen  van 
alle  volken  zondeloos  zijn  en  behouden  worden;  maar  toch 
heeft  Laski  zich  ontegenzeggelijk  zoowel  op  dit  punt,  ala 
ook  bij  zijne  onderscheiding  tussi-hen  vergeeflijke  zonden  en 
doodzonden,  bloot  gegeven  op  eene  wijze,  die  duidelijk  doet 
zien,  dat  zijne  voornaamatc  kracht  niet  op  speoulatief  gebied 
gelegen  was,  maar  die  tevens  getuigt  van  zijn  levendig  ver- 
langen, om,  van  zijn  meer  vrij  dogmatisch  standpunt,  de 
hem  omringende  sekten  zooveel  mogelijk  te  gemoet  te  komen, 
ten  einde  hen  vervolgens  tot  de  leer  van  het  Evangelie 
te  brengon  en  voor  do  Kerk  te  winnen.  Laski  luisterde 
naar  de  adviezen  van  zijne  vrienden;  het  geschrift  werd 
niet  in  druk  gegeven.  Thans  eerst,  na  meer  dan  300 
jaren,  nu  van  eenen  bedonkelijken ,  verwarrenden  invloed 
van    dit   geschrift   op  de  gemeente   geen    sprake  meer  z^n 

1)  Ibid.,  p.  seo.  G83. 

1)  GabbcniK,  p.  &9. 

1)  McUDcbthoD.  T,  574,  T9n. 

•)  Ds  beaosldc  biicr  na  Melsuehthon,  i 
ia  hdauB  tot  duiver  niet  ontdokt  goirordoo, 
makt;  manr  bet  ntitwoord  vmn  i  Luco  ii  om 
per,  II,  p.  563). 


p  welken  dezn  plaatB  zinspEelt, 
en  wellirbt  gebeal  fcTlDien  ge- 
bawaird  geblevoa  (rerg.  Ka;- 


293 

kan,  is  het,  na  toevalligerwijs  in  zijnen  schoilhoek  te  zijn  ont- 
dekt, onder  Laski's  gezamenlijke  werken  opgenomen  geworden. 

De  genoemde  verhandeling  verschaft  ons  eenen  juisten 
blik  op  het  streven  van  a  L  a  s  e  o,  om  door  de  theologische 
discussiën  in  den  „coetus"'  zooveel  mogelijk  eenheid  in  de 
leer  onder  de  predikers  des  lands  te  bevorderen.  Doch  deze 
onderlinge  overeenstemming  in  de  leer  tusschen  de  dienaren 
des  Woords  moest  vóór  alle  dingen  der  gemeente  tot  zegen 
verstrekken,  ook  aan  dè,t  deel  der  gemeente,  aan  hetwelk  de 
Evangelische  kerk,  van  den  beginne  af,  hare  bijzondere 
aandacht  gewijd  had^  nl.  de  schooljeugd. 

Oost-Friesland  verheugde  zich  reeds  vroegtijdig  in  don  ze- 
gen van  goede  scholen.  Het  was  toch  de  voornaamste  werk- 
zaamheid van  de  „Broederen  des  gemeenen  levens,''  hot 
schoolwezen  van  hunnen  tijd  te  hervormen  ^  en  ons  landje 
lag  te  dicht  bij  het  vaderland  dezer  Broeders,  dan  dat 
het  hunnen  weldadigen  invloed  op  dit  gebied  niet  als  uit 
de  eerste  hand  zou  hebben  ondervonden.  Reeds  ten  tijde 
van  den  groeten  Edzard  waren  er  zelfs  op  de  dorpen 
scholen,  en  de  eerste  Evangelische  predikers  des  lands,  die 
voor  het  meerendeel  bij  de  Broodoren  in  Zwolle,  Deven- 
ter, of  Groningen  hunne  opvoeding  genoten  hadden,  behar- 
tigden met  grooten  ernst  de  belangen  van  het  onderwijs.  In 
hunne*  voetstappen  trad  a  Lasco.  De  beroemde  politiever- 
ordening van  gravin  Anna,  uit  het  jaar  1545,  op  welker 
uitvaardiging  de  Superintendent  en  veelvermogende  raadsman 
der  Gravin  zulk  eenen  wezenlijken  invloed  heeft  uitgeoefend, 
bepaalt,  met  betrekking  tot  de  scholen,  het  navolgende: 

„Wy  willen  juw  Pastoren  und  Kerkon-Dienor  ok  ernstlik 
vermahnt  hebben,  dat  ji  eene  flietige  IJpsicht  hebben  up  ju 
hussittende  Armen,  die  in  juwer  Stadt,  Flock  oder  Dorp  ge- 
bohren  und  wohnhafftig  sinnen,  die  sick  des  Brodes  schamen 
tho  bidden,  und  die  durch  Oltheit  und  Kranckheit  mitihren 
Leden  nichts  vordencn  können.  Wor  ak  die  Oldern  mit  Kin- 
der beladen,  de  vyf  offte  sosz  Jahr  oldt  sindt,  tho  der  Scho- 
len gesettet  werden,  dat  die  den  Geloven,  die  tein  Gebade 


Gadea  uad  dat  Vater  Unse  lehreii;  ao  die  OMern  dajegon 
streven  und  nicht  wolden,  scholen  von  dio  Borgemeosteren  und 
Amt-Luiden ,  8o  ghy  öhne  dat  vcratendigen,  darhen  gedran- 
gen  werden,  und  dat  Scholc-Oeld,  eo  denn  de  Olderen  bo 
vermogen  nich  sind,  gy  vorae  scholen  uht  geven.  Und  wenn 
sie  dat  Vader  Unae,  die  tein  Gebade  und  den  Geloven  ge- 
lehret,  und  se  oldt  und  starck  eind,  beide  Fentckens  und 
Magdekens,  dat  sie  die  Kost  verdeenen  können,  ao  achall  man 
sie  in  einen  Dienat  brengen,  und  nicht  lenger  vergünnet  wer- 
den, by  dem  Huse  so  te  bedelen  laten.  So  dann  oek  van  don 
Oldern  gescheye,  dat  ae  de  Kindera  nicht  wolden  in  einen 
Dienat  tehcn  laten,  datselviges  achall  der  Overigheit  ange- 
seyt  werden,  dat  die  Olderen  darum  geatrafft  werden,  Man 
BoU  oeck  Bodanige  Oldern  geene  Handreeckinge  doen,  se  heb- 
bon denn  Öre  Kinders  in  einen  Dienat  gebracht,  ein  jeder  na 
ayner  Starckheit  und  Golegenheit.  Worde  oeck  van  den  Pas- 
toren und  Karken-Deenern  in  Wahrheit  befnnden,  dat  under 
den  armen  Kindern  1,  2  oder  3  weren,  de  dorch  den  Al- 
mechtigen  mit  ein  aonderiyck  Verstand  begavet,  de  achall  men 
na  Oelegenheit  der  Stadt,  Flecken  oder  Dorp,  mit  Hülpe 
der  Gemeino  boy  der  Schole  holden,  und  blyven  laten  tho 
der  Tydt,  dat  se  ao  oldt,  und  ein  Fundament  tho  lehren  er- 
langet,  und  vor  nutte  wert  angesehen,  buten  Landes  se  in 
andere  Scholen  tho  sendon,  dat  men  aladenn  der  Ovrigheit 
tho  erkennen  geven  achall,  up  dat  sy  wieder  mit  Nothdurfit 
veraehen  werden."    ') 

Als  de  voornaamste  taak  van  dezo  scholen  wordt  opgegeven, 
dat  de  kinderen  aldaar  het  Onzo  Vader,  de  tien  Geboden  en 
de  Geloofsartikelen  moesten  leeren.  Het  zijn  de  oude,  bekende 
stukken  van  het  christelijk  onderwijs.  Uit  den  vorm  der  be- 
woordingen   kan    worden    opgemaakt ,    dat   ten  tijde  van  de 


■)  BartfllB  (!},  S.  T.  üit  hoorde  vko  bure  belangrijkheid  hebben  wij  de  plub 
in  bsar  geheel  medegcdeeJd;  met  recbt  wijal  Barteli  er  op,  dat  wq  hierge- 
wii  cén  ïan  de  vroegste  ïoorbeeUcn  van  achoolplicbtighoid  aantreffen.  Opmer- 
kBlijii  U  ook,  dat  de  geheele  gemeente  de  verplichting  beeft,  om  voor  de  schonl 
op  te  koffloD,  en  Toorts  de  tviju,  ivaarop  van  ovcrbcidairege  de  bijionder  be- 
gufdïn  worden  Toortgebolpen. 


295 

afkondiging  van  deze  politieverordening  v^*^**^)  *  La*oo 
zijnen  Catechismus  nog  nier  had  opgesteld.  De  behoefte  aai\ 
zulk  eenen  catechismus  moest  zich  echter  van  diig  tot  dag 
dringender  doen  gevoelen.  De  uitgiwe  van  zijn  ^Vittreksel 
der  christelijke  leer"  zou  wel  voor  een  tijdh^ng  de  bestaande 
behoefte  in  zooverre  hebben  kunnen  bevreiligen,  dat  althans 
de  predikers  eenen  gemeenschappelijken  leiddraad  op  leerstel- 
lig gebied  zouden  gehad  hebben;  dewijl  echter  de  druk  van 
het  boek  achterwege  bleef,  kon  de  uitgave  van  eoueu  cate- 
chismus te  minder  uitstel  lijden.  Tn  154lMianvaarddo1ia8ki, 
in  vereeniging  met  zijne  ambtsbroeders,  maar  zóó,  djit  liij  als 
de  ontwerper  te  beschouwen  is,  do  genoemde  taak,  en  bracht 
haar  ook  met  groote  bekwaamheid  ten  uitvoer,  liet  werk 
werd  vooreerst  slechts  in  handschrift  verspreid;  het  is,  alsof 
La  ski,  inzonderheid  na  do  ervaringen,  die  hij  kort  to  voren 
had  opgedaan,  huiverig  geworden  was,  om  to  midden  van  do 
verwikkelingen  van  den  tocnmaligon  tijd  met  een  werk  te 
voorschijn  te  treden,  in  hetwelk  hij  duidelijk  en  onomwonden 
zijne  meening  had  uitgesproken,  en  hetwelk  zou  hebben  kun- 
nen bijdragen,  om  do  verwarring  te  vermeerdoren.  Kr  werd 
verordend,  dat  de  leeraren  eiken  Zondagnamiddag  over  dozen 
Catechismus  in  geregelde  volgorde  mooHten  prediken,  en  wel 
in  dier  voege,  dat  tweemaal  binnen  het  verloop  van  eenjaar 
de  geheele  inhoud  ten  aanhoore  van  de  geme(»nto  uitgcïlogd 
en  aan  de  schooljeugd  ingeprent  werd.  De  boweegnuhintjn , 
die  een  tiental  jaren  later  naar  het  oordecïl  van  den  „cocjIuh" 
eene  dusdanige  verordening  noodzakelijk  maakten  '),  wansn 
ook  reeds  in  154G  van  kracht.  Met  allen  ernst  zull(;n  de  huza- 
ren, tot  heiliging  van  den  sabbat,  in  de  namiddag-godsdienHt- 
oefeningen  den  Catechismus  verklaren,  ten  einde  eene  gc^nfu^nte 
Gods  te  vergaderen,  en  haar  van  der  jeugd,  ja,  van  kindshoen 
af  in  al  den  wille  Gods  in  Christus  Jezus  te  onderwijzen,  on 
haar  daardoor  voor  de  ijdelheid  en  den  lust  dezc;r  wereld  te 
behoeden  '^).  Van  die  geschreven  exemplaren  is  ons  geen  en- 

i>  Ku  vpe  r,  II,  40G. 

>)  Ibid.,  II,  VJO:  „Bidd«o  derhalven. ..,  g/  willen  ufi»*:n  üyih  juw  K<;ffell«a 
Uten,    QDde    dessen   Catechiimum . . . .    kui    sftbbkth   Dtge,  io  juwer  Geioeoc, 


396 


kei  bewaard  gebleven ;  het  werk  zou  derhalve  voor  ons  ver- 
loren zijn,  indien  niet  Utonhovo,  de  vriend  van  onzen 
Laski,  voor  de  gemeente  der  vreemdelingen  in  Londen  eene 
YlaamBcbe  overzetting  had  vervaardigd,  die  in  1551  te  Lon- 
den het  licht  zag.  ') 

De  zeer  uitvoerige  Catechismus  —  immers,  hij  bevat  250 
Vragen  en  Antwoordenj  deze  laateten  dikwijls  van  zulk  eonen 
omvang,  dat  van  een  van  buiten  leeren  bij  de  meesten  moet 
worden  afgezien,  —  is  in  4  Deelen  verdeeld:  de  Geboden 
(1—103),  de  Geloofsartikelen  (104—193),  het  Gebed  (194— 
214),  de  Sacramesten  (215 — 250).  Het  is  de  oude  verdeeling, 
van  welke  men  zich  zoo  menigmaal  bediend  heeft.  Hoe  gaarne 
zouden  wij  vernemen,  wat  Laski  bewogen  heeft,  om  de 
verdeeling  van  C  a  l  v  ij  n ,  die  in  zijnen  Catechismus,  tusaohen 
de  leer  van  het  Gebed  en  de  leer  van  do  Sacramenten,  als 
afzonderiijk  hoofddeel  nog  de  leer  van  het  Woord  Gods  op- 
nam ^) ,  vaarwel  te  zeggen,  en  toch  ook  niet  de  verdoeling 
in  drieën  te  verkiezen ,  die  nog  in  de  politieverordening  van 
het  voorafgaande  jaar  doorschemert,  en  die  vervolgens  in  den 
Heidelbergachen  Catechismus  in  zelfstandigen  en  tevens  zoo 
voorbeeldigen  vorm  werd  opgenomen.  Reeds  in  Londen  deed 
^ch  de  behoefte  gevoelen,  om,  inzonderheid  ten  dienste  vaa 

den  kindurkcDS  unde  lUrüldigou  tho  güdc,  mith  fljte  khrcn  oude  drjvca:  up 
dït  jk  ds  kÏDiIer,  dem  Heren  ia  der  Üöpe  thogedrsgeii,  mogen  in  rcjoer  unde 
rBchtcr  Lnhre,  tbo  ilUr  Godtailicbett  dcm  Heren  upgetogon  wcrdtsn,  nnde  dn 
gemsne  Man  aick  isn  di^r  enthiUiglDge  des  «abbath  dagci,  vtin  druncken  drÏDfiken, 
■pelen,  lopen,  kopen,  srbeyden ,  unde  sndern  knecbtlïeken  wereken  entWde, 
ande  den  «nbbath  in  dem  debl  nhs  dem  befele  Gid(!s  hilljgo." 

■)  Over  het  ontatiuiD  VAn  deze  vertaling,  gelijk  mede  orer  de  verhouding 
Tan  den  LandeDBchen  Cateehiamua  tot  den  Ëmdengclien,  vergel.  bet  voorlredK- 
lijk  onderioek  vnn  Kuyper,  1,  LXXSl— XCVllI.  Hoe  gunme  ion  men  door 
talk  eenen  nuvorBcher  ook  een  verder  onderioek  aangnnnile  <le  lerbouding  vin 
den  Citecbiimng  van  Luki  tot  dien  vun  CdIiIjd  en  <!cn  Heideibergschen 
hebben  üno  in  het  tierk  gesteld  I 

')  Over  dcia  oigenmrdïgheid ,  die  ook  in  ïndere  citeebisuiiisaen  der  Iterior- 
vorming  ii  u  vergen  om  en ,  vergel^ke  men  Zezschwiti,  II,  SQB,  wiens 
confetaioneel  itandpuot,  belus,  &1D  lijnen  voort  re  (Tel  ij  ken  irbeid,  watnimrlijk 
de  beoordeeling  van  de  Diet-Lutberecbe  catectiiBmuaBen  aangaat,  geen  voordeel 
gedaan  hoeft;  a*n  deie  lastit genoemden  km  hij  niet  in  alle  oplichten  recht 
Iiten  wedervaren. 


^ 


de  jeugd,  een  uittreksel  oit  dezen  Oatechismua  te  vervaardigen, 
oohq  taak,  die  aan  Micronius,  predikant  aldaar,  werd  toe- 
vertrouwd '),  De  groote  CatechÏBnius  wordt  Bamengetrokkon 
in  41  Vragen  en  Antwoorden,  op  zelfstandige  wijze  bewerkt, 
zopder  juist  woord  voor  woord  do  punten,  die  zij  met  elkan- 
der gemeen  hebben,  weer  te  geven,  —  zulk  eene  angstige 
gebondenheid  aan  don  tekst  van  een  of  ander  Byroboliacli  go- 
Buhrift  kondo  men  niet  in  de  groote,  vnje  dagen  der  Hervor- 
ming, —  maar  in  volkomen  harmonie  met  den  geest  en  de 
gezindheid ,  die  den  groeten  Ca-techismus  doordringt.  Het 
krachh'ge,  zuivere  gevoel  van  dezo  eenheid  overschreed  lich- 
telijk en  gaarne  de  perken  van  eene  nauwkeurige  overeen- 
stemming in  den  vorm.  —  Het  uittreksel  was  niet  bestemd, 
om  de  breedere  niteenzettiiig  van  don  grooten  Cateehiamus 
te  verdringen;  het  vormde  slechts  een  soort  van  voorportaal, 
hetwelk  dienen  moest,  om  de  jeugd  tot  eene  diepere  en 
grondigere  opvatting  van  de  heilswaarheid  te  leiden  en  aan 
te  sporen. 

Met  hetzelfde  oogmerk  werd  ook  door  de  Emdensche  predi- 
kanten, in  het  jaar  1554,  een  dergelijk  uittreksel  vervaardigd. 
De  verdienstelijke  uitgever  van  La  ski's  geschriften  heeftop 
Bcberpzinnigo    wijne    aangetoond,   hoe  dit  werk,  al  doet  het 


I)  Q.t 


imde  nittfFkscl  is  met  ncht  onder  de  gKachriftea  van  I'ïelii  op- 
vindt  brt  in  hit  Vlinmm-li  bij  Kuypcr,  II,  177— lOS.  Bovna- 
cn   nol  in  de  Litijnicfae  tasl,   te  vindea  ia  bat  ncrk  ï*D  Liski 
io"  (t.  B.  ]).,  IS7 — ISS).  Us  beide  teketen  itsnimcn  niet  woardclyk 
per  karakterigcBrt  bet  donrgajind  verschil  op  juiile  wijie  tldai: 
observntu  dignuuj  ett  ia  editinne  bdgica  omnin  magis  sd  rum, 
I  qaï  reapoadere  debent,  ipsnm ,  —  in  ed.  latina  mapa  id  aDiveraam  nccleaiam 
1   referri."  Een  aader,  neieDlijk  onderacheid  ia  dit,  dat  de  Latijaache  aitgave  IB, 
I    da  VJaamaohB  alechta  41   Vragen  en  Aotwoordea  bevat.  De  Lat.  uitgave  ia  ver- 
mmnlerd  met  de  belangrijke  11*  vraag;  ^Q^'d  eat  Ëdea?"  kUook  met  de  12°: 
„Quidnam  igilur  nobia  eat  credendnm ,  ut  aervari  poaaimaa?"  met  hare  jnïate 
aatlraerdsn,  die  ia  den  Hoidelb.  Cat.  talk  eenen  aeboonen  neerklanli  govonden 
babbsD;    vDorta   ia   er   bijgevoegd    de    30°   vraag:    „Quomodo  est  Coona  Dom, 
Chriali  JDadlDtio?"  en  eindelijk  de  41*:  „E<t  igitur  Magiatrataa  minister  gUdii 
in  Ercl.  Chrtsti,  perinile  atijne  Doctarci  ac   Paatorea  auut  verbi  Divini  Mioiitri, 
Bt  quemidum  isti  llagilïa  omnia  verbi  Div.  anturitateet  Eccl.  proflignre  debent 
jute  diaciplinae  Apaatolicae  naam,  ita  Magistratua  qooqne  per  gUdii  miniatorium 
flla  pnniat  et  publicam  tranquillitatem  cum  omni  pielste  coDJuaetam  iDratar?" 


zich  ook  in  de  schoone  Voorrede,  aan  de  geestelijkheid  van 
Oost-F ricsinnd  gericht,  als  een  gemeenaehappelijke  arbeid 
voor,  nochtans  hoofdzakelijk  uit  de  pen  van  Laski  moet 
zijn  gevloeid.  ')  Het  Emdenacho  uittreksel,  met  zijne  94  Vra- 
gen en  Antwoorden,  is  rijker  van  inhoud  dan  het  Londensche; 
het  beweegt  zich  nog  vrijer  en  zelfstandiger  in  het  wedergeven 
van  de  stof,  gelijk  te  recht  ia  opgemerkt,  ale  een  sprekend 
bewijs,  dat  het  door  Laski  vervaardigd  ia,  dewijl  de  schrgver 
van  beide  werken  zich  gemakkelijker  en  onbelemmerder  be- 
wegen kauj  dan  de  vreemde,  die  met  piëteit  een  bestaand 
werk  in  beknopteren  vorm  tracht  weder  te  geven, 

De  Cateuhismua  vnn  onzen  Laski  neemt  in  dit  soort  van 
geschriften  eene  zeer  belangrijko  plaats  in,  vooral  wat  be- 
treft het  Emdensche  uittreksel,  dat  voor  lange  jaren  de  Ca- 
techismus der  landakerk  in  Oost-Friesland  geworden  ie ,  en 
als  zoodanig  eenen  kraehtigen  en  beslissenden  invloed  op  het 
leven  des  volka  geoefend  heeft.  Eiken  Zondag-namiddag  werd 
in  het  kerkgebouw  door  den  dienaar  dos  Woords  de  inhoud 
van  het  bock  verklaard ;  tehuis  onderwees  de  huisvader 
zijn  gezin  in  de  belijdenis  zijner  kerk,  en  de  onderwijzer  in 
de  school  begon  reeds  tijdig  de  kinderen  in  te  prenten  het- 
geen zij  eenmaal  hadden  te  belijden,  om  als  waardige  leden 
der  gemeente  beschouwd  te  worden.  Want  alleen  hij  mocht 
bij  de  Kerk  zich  aansluiten  en  aan  de  Avondmaalsviering 
deelnomen,  die  de  Vragen  van  den  Catechismus  nauwkeurig 
beantwoorden  kon,  '')  Uit  was  eene  ernstige,  heilzame  tucht, 
zonder  welke  er  nimmer  eene  krachtige,  levende  gemeente, 
die  ook  om  haars  geloofs  wil  kan  lijden,  ontstaan  en  be- 
staan zal.  Want  eene  Christelijke  gemeente  is  niet  eene 
vereeniging  van  duizendvoudige  mceningen  en  zienswijzen 
betreffende  de  waarheid ;  zij  ia  huisbezorgater  over  de  ver- 
borgenheden  Gods,  die  zy  in  hare  gemeenschappelijke  belijdenis 


>)  Kuyper,  I,  XC  rgg.   Den  tck.t  lelïen  —  onder  den  titd:  „CnUthiBinm,  j; 

elfte  EinderlebrE,  thn  natte  der  Jügct  in  OaUnesaliiadt,   dorcli  da   Denen  du  ■ 

hilügon  GoaHioken  Wordoa  tho  Embden.  (Uppet  korlesls  ïervalot.)"  —  Tindt 
men  t.  a.  p„  ![,  iflS— 543. 

')  Ibid..  II,  135. 


299 

bewaart,  onder  welke,  als  onder  de  waarheid  Gods,  zich 
alle  diegenen  blijmoedig  buigen,  die  levende  leden  van  deze 
gemeente  zijn.  Het  hooge  aanzien,  hetwelk,  een  paar  decen- 
niën later,  de  Heidelbergsche  Catechismus  zich  welhaast  in 
bgkans  alle  hervormde  landen  verwierf,  drong  den  Emden- 
schen  Catechismus  op  den  achtergrond;  aan  dezen  laatsten 
echter  kan  de  roem  niet  ontzegd  worden,  dat  hij  op  de  wijze 
van  inkleeding  van  verscheidene  punten  in  het  jongere  mees- 
terstuk eenen  niet  on  wezenlij  ken  invloed  heeft  uitgeoefend.  ^) 
Het  was  Laski's  voornemen,  om  aan  de  verschillende 
verordeningen,  die  strekken  moesten,  om  eene  naar  Evan- 
gelische grondstellingen  ingerichte  kerkelijke  organisatie  tot 
stand  te  brengen,  eene  vaste  „kerkorde"  tot  grondslag  te 
leggen.  ^)  Te  midden  van  de  vele  werkzaamheden,  met 
welke  hij  overladen  was,  en  bij  zijne  afmattende  pogingen, 
om  voor  zijne  instellingen  in  Oost-Friesland  het  burgerrecht  te 
verkrijgen,  was  hij  in  Emden  daartoe  niet  in  de  gelegenheid ; 
eerst  veel  later,  en  na  de  verdere  ervaringen,  die  hij  op  dit 
gebied  elders  had  opgedaan,  vond  hij  den  noodigen  vrijen  tijd 
voor  dit  gewichtige  werk.  Uit  dien  hoofde  zullen  wij  over  dezen 
zijnen  meest  voltooiden  arbeid  eerst  later  uitvoerig  handelen. 

Het  was  voorzeker  eene  bezwaarlijke  taak,  om  voor  deze  zoo 
zegenrijke  kerkelijke  instellingen  in  Oost-Friesland  den  bodem 
te  eifenen ,  en  zorg  te  dragen ,  dat  zij  behoorlijk  wortel  vat- 
teden.  Al  zijne  geloofskracht,  in  welke  hij  zijnen  arbeid,  als 
eene  taak,  door  God  hem  opgelegd,  met  bezielde  toewijding 
van  zich  zelven  verrichtte,  al  zijne  zachtmoedigheid  en  ge- 
duld, al  de  onwankelbare  vastheid  van  zijne  overtuiging 
moest  L  a  s  k  i  te  hulp  roepen,  om  niet  te  verlammen,  en  om 

^)  Seisen  (S.  177  f.)  biedt  ons  zulk  eene  onderlioge  vergelijking  van  som- 
mige Vragen,  uit  welke  op  de  duidelijkste  wijze  blijkt,  dat  de  opstellers  van 
den  Heidelbergschen  Catechismus  zich  den  Emdenschen  hebben  ten  nutte  gemaakt. 
Uitvoeriger  handelt  hierover  S  u  d  h  o  ff  (S.  89),  maar  ook  zijne  uiteenzetting 
dienaangaande  voldoet  niet  meer  aan  de  tegenwoordige  eischen.  Wij  hebben  er 
reeds  ons  leedwezen  over  uitgedrukt,  dat  wij  niet  van  de  hand  van  K  u  y  p  e  r 
eene  nauwkeurige  behandeling  van  deze  interessante  vraag  bezitten. 

»)  K  u  y  p  e  r,  II,  575. 


aan  de  heftige  aanvallen  zijner  tegenstanders  manmoedig  liot 
hoofd  to  bieden.  Vaak  meende  onze  vriend,  het  strijdperk  te 
zullen  moeten  verlaten,  en  was  hij  geneigd,  om  deze  of  gene 
roeping  naar  elders  op  te  volgen;  want  dit  stond  bij  hem  vast, 
dat  hij  op  geenerlei  wijze  met  verzaking  ook  slechts  van  één 
enkel  punt  van  datgene,  wat  hij  als  goddelijke  waarheid  erkend 
had,    met  den  tegenstander  in  onderhandeling  wilde  treden. 

De  trekken  van  een  deel  der  tegenstanders  zijn  niet  onbe- 
kend aan  hen,  die  de  worstelingen  van  Calvijn  ïn  Qenöve 
hebben  gadegeslagen.  Het  zijn  de  volle  aangezichten  der 
wereldiingen,  —  der  Epicuristen,  gelijk  onze  ernstige  strijder 
voor  de  eere  Goda  hen  noemt,  ^)  —  die  van  alle  tucht 
welke  in  Goda  Woord  gegrond  is,  eenen  afkeer  hebben, 
daar  zij  zich  in  hun  aangename  leven  door  nieta  willen  zien 
belemmerd.  Zulke  lieden  bevonden  zich  ook  in  grooten  ge- 
tale in  Oost-Friesland;  door  de  verwarring  en  teugelloosheid, 
die  gedurende  de  laatste  jaren  op  kerkelijk  gebied  haddon 
geheerscht,  waren  zij  verwend  geworden,  terwijl  het  drijven 
aan  hot  naburige  Nederlandsche  hof  hen  in  hunne  gevoelens 
versterkt  had.  Niet  bij  machte,  om  met  ernstige,  gewichtige 
wapenen  zich  te  verzetten  tegen  hen ,  die  in  de  kracht  van 
een  waarachtig  geloof  den  goeden  strijd  streden ,  waren  zij 
gewillige,  en  daarom  niet  ongevaarlijke  trosknechten,  ter  be- 
schikking van  hen,  die  uit  ernstige  overtuiging  des  gewetens 
den  strijd  tegen  zulke  instellingen  meenden  te  moeten  aanbinden. 

Ook  met  zulke  ernstige  tegenstanders  had  onze  vriend  te 
strijden.  Immers,  zoolang  wij  niet  door  duidelijke  bewijzen  van 
het  tegendeel  overtuigd  worden,  moeten  wy  ons  wel  wachten, 
bij  deze  wederpartijdera  de  oprechtheid  van  hunne  overtuiging 
in  twijfel  te  trekken,  hoe  diep  wij  ook,  ter  vrille  van  de  Evan- 
.  gelische  kerk,  dien  strijd  ook  nog  heden  ten  dage  betreuren. 
Reeds  herhaaldelijk  hebben  wij  gewezen  op  de  verschillende 
kerkelijke  stroomingen,  die  zich  in  het  landje,  ook  te  midden 
van  de  wisseling  der  politieke  omstandigheden  in  de  laatste 
jaren  eenen  weg  gebaand  hadden.  De  Lunenburgsche  periode 


")  Ihid,.  IT,  B74. 


301 


met  haron  ijver,  ora  de  zuivere  Lutherache  loer  te  doen  zegevie- 
ren, vras  niot  voorbijgegaan  zonder  duidelijk  merkbare  sporen 
achter  te  laten ;  hier  en  daar  vond  men  nog  eene  gemeente, 
welke  eenen  leeraar  bezat,  die  een  getrouw  aanhanger  van 
Wittenberg  was  en  zich  in  zijn  geweten  verplicht  gevoelde, 
om  zijne  zienswijzo,  zoowel  op  don  kansel,  als  in  het  dago- 
lijksch  leven,  krachtig  voor  te  staan,  zonder  er  naar  te 
vragen,  of  niet  aoms  zijn  voorganger  in  de  bediening  van 
ecn6  andere  richting  geweest  was,  en  de  gemeente  deze 
laatste  wellicht  reeds  sinds  jaren  gevolgd  had.  Geen  vaste 
kerkorde  verhoedde  zulk  een  streven.  Zoolang  do  weldadige 
werking  van  de  Witten  bcrgsch  o  Concordie  in  do  Duitsche 
landen  aanhield,  kwam  het  verschil  van  richting  ook  in 
Oost-Friesland  niet  scherp  aan  den  dag.  Thans*  echter  was, 
door  de  houding  van  Luther  gedurende  zijne  laatste  levens- 
jaren, de  ongelukkige  Sacramentsstrijd,  die  een  tijdlang  slechts 
in  stilte  had  voortgesmeuld,  bij  vernieuwing  aangeblazen  ge- 
worden, en  allerwege  verhieven  zich  de  flikkerende  vlammen. 
Ook  in  Ooet-Friesland  achtten  üij ,  die  het  oude  spoor  dor 
Lunenburgors  volgden,  zich  geroepen,  om  zich  voor  de  be- 
dreigde leer  in  de  bres  te  stellen,  en  tegen  do  nieuwe, 
presbyteriale  verordeningen  op  to  komen.  Hun  woordvoerder 
was  Lemsius,  predikant  to  Norden,  geboortig  van  Antwer- 
pen, die  in  de  Lunenburgsche  periode,  1536,  in  het  land 
was  gekomen  en  den  kansel  beklommen  had,  van  welken  een 
tiental  jaren  vroegor  het  bovenvermelde  Avondmaal slied  ') 
van  den  toenmaligen  predikant,  of,  gelijk  zijne  gemeente  hem 
liever  noemde,  „Nordensch  en  Evangelist,"  Hendrik  Rese, 
weerklonken  had.  Eenige  v^'einigc  andere  pastoraten,  zooals 
Anrich,  Strickhaunse,  Friedehurg,  Brockmer,  ■")  sloten  zich 
bij  den  ijverigen  tegenstander  aan.  Allereerst  weigerde  men 
uitdrukkelijk,  aan  den  „coetua"  deel  te  nemen;  daarop  viel 
men  de  leer  van  La  ski  openlijk  aan,  terwijl  men  hem 
voop  een  sacramentiat  uitmaakte.  "Wel  werd  in  een  grafelijk 


I)  Vtrg.  bierbovo 


302 

bevelschrift  aan  de  nalatige  leeraars  geboden,  den  ,,coetu8'' 
bij  te  wonen,  doch  daaraan  werd  door  de  wederspannigen 
volstrekt  geen  gevolg  gegeven.  Zij  wisten  trouwens,  dat  zg 
onder  de  hovelingen,  van  welke  velen  ontevreden  waren  over 
de  kerkelijke  tucht,  eenen  niet  geringen  aanhang  bezaten, 
die  hun  in  hun  verzet  tegen  den  lastigen  tuchtmeester ,  die 
zoo  gestreng  te  werk  ging,  eenen  gewenschten  steun  bood. 
In  geschrifte  werd  de  strijd  verder  voortgezet;  jammer,  dat 
de  oorkonden,  die  hierop  betrekking  hebben,  zgn  verloren 
geraakt:  op  hoedanige  wijze  deze  strijd  door  a  Las  co  ge« 
voord  werd,  kan  ons  blijken  uit  meer  dan  ééne  treffende 
plaats  uit  zijne  talrijke  brieven  van  die  dagen.  Eén  enkel 
voorbeeld  moge  hier  volstaan.  Ten  tijde^  dat  hij  de  zwaarste 
aanvallen  moest  verduren,  schrijft  hij  aan  zijnen  vriend 
Bullinger:  „De  zoon  van  onzen  PelUcanus  heeft  hier  de 
nog  gebrekkige  inrichting  onzer  kerken  gezien  ^  en  v^as  ge- 
tuige van  den  heftigen  tegenstand  van  sommigen,  die  nog 
steeds  de  overeenstemming  in  onze  leer  trachten  te  ver- 
storen. Ik  voor  mij  geloof  ^  dat  zulke  lieden  deswege  aan 
ons  worden  toegevoegd,  ten  einde  ons  alzoo  te  oefenen  en 
ons  bekwaam  te  maken,  om  de  ware  leer  te  verdedigen. 
Wij  trachten  onze  tegenpartgders,  zooveel  wij  kunnen,  door 
zachtzinnigheid  en  geduld  te  overwinnen,  en  bidden  voor  hen, 
dat  zij  nog  eens  tot  een  beter  inzicht  mogen  komen."  *) 

Met  betrekking  echter  tot  het  zwaartepunt  van  zijne  leer 
was  La  ski  onverbiddelijk.  Hij  wist  zeer  goed,  dat  inzon- 
derheid voor  de  wereldsche  lieden  zgne  vordering  betref- 
fende de  kerkelijke  tucht  een  steen  des  aanstoots  was.  „De 
laatste  grond  van  alle  aanvallen,  ik  weet  het,  is  geen  andere, 
dan  dat  zij,  die,  zonder  zich  om  eenige  wet  te  bekreunen, 
tot  dusver  alles  meenden  te  mogen  doen,  wat  hun  slechts 
gelustte,  het  zich  nu  niet  willen  laten  welgevallen,  door  ons 
bestraft  en  tot  de  orde  geroepen  te  worden,  hetgeen  ik  noch- 
tans doen  moet,  als  ik  mij  naar  eisch  van  mijne  roeping  vnl 
kwgten ....  Maar  ik  houd  dit  alles  voor  het  zekerste  bewijs. 


1)  Kuyper,  II,  595. 


303 

dat  ik  een  dienaar  van  Christus  ben,  wien  wereld  en  Satan 
met  zooTele  kunstgrepen  belagen,  en  ik  danke  God,  mgncn 
Vader,  door  Jezns  Christus,  mgnen  Verlosser,  dat  Hij  mij 
op  deze  wijze  wil  oefenen,  terwijl  ik  Hem  smeek,  dat  Hg 
mg  kracht  geve,  om  zijnen  naam  te  verheerlijken,  hetzg  door 
mgn  leven,  hetzg  door  mijnen  dood/'  *)  —  Voor  zijnen  vriend 
Herman  Lenthius,  den  geheimschrijver  der  Ora vin, stort 
hg,  op  het  meest  benarde  tijdstip,  zijn  overkropt  gemoed  in 
de  volgende  mannelgk-schoone  regelen  uit:  „Ik  begin  mij 
zelven  af  te  vragen ,  waarde  Herman,  of  het  ook  soms  aan 
haat  tegen  mij  is  toe  te  schrijven,  dat  ik  hier  op  kerkelijk 
gebied  volstrekt  geen  vorderingen  kan  maken.  Wat  toch,  ik 
bidde  u,  is  de  vrucht  van  mijnen  arbeid  alhier,  gedurende 
nu  al  dezen  tijd  mijner  bediening,  behalve  dat  er  eenige  meer- 
dere overeenstemming  in  de  leer  gekomen  is  P  En  nu  trachten 
sommigen,  naar  ik  hoor,  ook  deze  weder  te  verstoren!  In- 
dien de  Vorstin,  of  de  overheid,  of  iemand  anders  mij  min- 
der bekwaam  of  niet  getrouw  acht  in  mijne  bediening,  waarom 
mg  dan  niet  eenvoudig  gezegd:  leg  uw  ambt  neder!  Indien 
de  zaak  aan  de  Gravin  niet  ter  harte  gaat,  on  zij  soms  meent, 
dat  het  niet  tot  hare  roeping  behoort,  den  waren  dienst  van 
God  met  al  haar  vermogen  te  bevorderen,  waartoe  heeft  zij 
dan  mijnen  dienst  van  noode?  Dit  is  zeker,  dat  ik  niet  lan- 
ger de  dienaar  verkies  te  zijn  van  deze  overheid  hier,  die 
zich  van  alle  vroomheid  afkeerig  toont.  Ik  had  mijne  hoop 
gevestigd  op  de  Gravin,  die  mij  ook  bewogen  heeft,  hier  te 
blijven:  maar  ook  haar  zie  ik  verslappen,  en  indien  zij  niet 
spoedig  andere  bewijzen  van  haren  ijver  aan  den  dag  legt, 
zoo  zal  ik  inderdaad  genoodzaakt  zijn,  dienaangaande  te  ge- 
looven  hetgeen  ik  liever  niet  zoude  aannemen.  Ik  althans, 
waarde  Herman,  wensch  allerminst  een  verachtelijk  dienaar 
des  Goddelijken  Woords  te  zijn.  Indien  anderen  het  in  hunne 
bediening  willen  gedoogen,  dat  het  gezag  van  hot  Woord 
Gods  gering  geacht  wordt,  dan  ben  ik  wel  gedwongen,  zulks 
te   dulden;   maar  dat,  uit  vijandschap  tegen  mij,  hot  gezag 


1)  Ibid.,  p.  588. 


yan  het  Woord  Gods  in  mijne  bediening  alhier  geminacht 
wordt ,  waarlijk ,  dat  kan  ik  niet  verdragen.  Of  is  het  niet 
oene  schande,  dat  ik  het  maar  niet  gedaan  kan  krijgen,  dat 
er  behoorlijk  voor  de  bchoeftigen  gezorgd  wordt,  nofh  ook  dat 
de  beelden  worden  weggenomen ,  welker  aanbidding,  als  tot 
bespotting  van  onze  bediening,  wy  met  onze  eigene  oogen  moe- 
ten zienP  TJlieder  zaak,  zóó  voegt  men  ons  telkens  toe,  is 
alleenlijk  te  prediken.  Mijn  antwoord  luidt,  dat  wij  geensziiw 
voor  zwijnen  en  honden  te  prediken  hebben,  d.  i.  voor  zulke 
lieden,  die  de  slecht  verduwde  spijze  hier  of  daar  uitbraken. 
Reeds  zoovele  jaren  achtereen  is  hier  gepredikt  geworden: 
welke  vrucht  kan  er  dan  nu  van  deze  prediking  getoond  wor- 
den? Wij  zien  nog  altooa  den  openbaren,  afachuw el  ijken  af- 
godsdienat  der  monniken,  en  het  is  niet  geoorloofd,  dien  aan 
te  tasten.  Alle  kerkelijke  tucht  KÏen  wij  afgeschaft  en  onder- 
drukt. Wij  zien  bijkans  ailes  geroofd  en  verspild,  wat  tot 
instandhouding  van  den  openbaren  godsdienst  en  tot  bevor- 
dering van  de  studiën  der  jeugd  bestemd  waa.  Wij  zien  eene 
vergaderplaats  van  allo  sekten;  de  muggen  onder  haar  heb- 
ben wij  vervolgd,  de  wespen  echter  en  zelfs  de  horzels  onder- 
houden wij,  terwijl  wij  de  raven  ongestoord  haren  gang  laten 
gaan.  Ja,  wij  zien  zulk  eene  toegevendheid  voor  de  ondeugden, 
dat  ieder,  die  een  weinig  ingetogener  wenscht  te  leven,  aan- 
stonds voor  een  partijganger  gehouden  wordt.  Dat  zgn  da 
vruuhten,  die  wij  hier  zien  van  het  nu  reeds  zoo  lang  ge- 
predikte Evangelie,  en  nog  steeds  wordt  ons  toegeroepen :  Qg 
moet  slechts  prediken!  Wij  behooren  de  mensohen,  zóó  hoor  ik 
zeggen,  te  leoron,  dat  do  bedelden  geen  afgoden  zijn.  Maar  zullen 
wij  dat  wei  doen  inzien  aan  hen,  volgens  wie  het  heil  des 
vaderlands  staat  of  valt  met  het  behouden  of  het  wegnemen 
van  de  beelden?  Kan  er  wel  grover  afgodadienat  zijn,  dan 
te  meenen,  dat  alles  veihg  zal  zijn,  als  de  beelden  behouden 
blijven,  maar  dat  daarentegen  het  vaderland  te  gronde  zal 
gaan,  als  zij  worden  weggenomen?  Of  zijn  soms  de  beelden 
werkelijk  bij  machte,  om  ons  te  beveiligen,  indien  wij  ne  be- 
houden, of  om  ons  in  het  verderf  te  storten,  indien  wij  ze 
verwijderen  ?  Is  dit  alles  niet  bare  goddeloosheid  en  godslas- 


305 

tering?  En  dan  daarbij  nog  te  beweren,  dat  er  niemand  is, 
die  deze  beelden  vereert!  Indien  dit  niet  een  yereeren  van 
de  beelden  is,  ik  bidde  u,  w^t  is  dan  beeldendienst?  —  Doch 
de  zielesmart  en  lichaamszwakte,  onder  welke  ik  gebogen 
ga,  nopen  mij,  hier  af  te  breken.  Ik  zou  echter  wel  wen- 
schen,  waarde  Herman,  dat  gy  de  Gravin  onder  vieroogen, 
en  wel  met  den  meesten  ernst,  over  dit  een  en  ander  onder- 
hieldt.  Want  dit  staat  bij  mij  vast:  indien  ik  niet  andere 
bewijzen  van  vroomheid  bij  de  Gravin  mag  bespeuren,  dan 
zult  gij  mij  niet  lang  meer  hier  zien/'  ^) 

Met  deze  bedreiging  was  het  onzen  strijder  volkomen  ernst. 
Nog  een  paar  maanden  oefende  hij  geduld;  toen  hy  echter 
by  de  leeraren  nóch  de  gewenschte  overeenstemming  in  de 
leer,  nóch  ook  de  handhaving  van  eenige  de  minste  onder- 
linge tucht  bespeurde,  en  hij  ook  de  overheid  in  dit  opzicht 
nalatig  bevond,  legde  hij,  in  het  begin  van  het  jaar  1546  ^), 
zgnen  post  als  Superintendent  neder,  en  bleef  slechts  als 
eenvoudig  prediker  in  de  Groote  kerk  te  Emden  werkzaam, 
en  ook  dit  slechts  onder  deze  ééne  voorwaarde,  dat  hem 
hierbij  geheel  de  vrije  hand  werd  gelaten.  Een  toestand  als 
deze  kon  natuurlijk  niet  lang  voortduren.  Algemeen  zag  men 
in,  welk  eene  bedenkelgke  schade  de  Kerk  door  dit  besluit 

1)  Ibid.  II,  596. 

>)  Het  moet  omstreeks  het  einde  van  Februari,  of  in  het  begin  van  Maart 
zgn  geweest,  want  den  23°  Maart  scbrgft  hij  aan  Ballinger:  „Ofschoon  zeer 
ongaarne,  heb  ik  toch  eindelgk  datgene  gedaan,  waartoe  ik  zoo  langen  t\jd 
achtereen  niet  kon  besluiten.  Ik  heb  het  opzienersambt,  wegens  de  ouvrome 
gezindheid  („impictas")  onzer  overheid  en  van  eenige  valsche  broeders  neder- 
gelegd.  De  overheid  wenschte,  dat  ik  den  titel  van  Opziener  (de  benaming 
luidt  bij  afwisseling  nu  eens  „episcopus,"  dan  weder  „8uperintendens,"of  soms 
ook,  gelijk  hier:  „inspector")  behouden  zou,  maar  zij  vergunde  m\j  volstrekt 
niet,  dat  ik  de  kerkelijke  tucht  zou  toepassen  op  openbare  goddelooze  en 
godslasterlijke  huurlingen ,  om  niet  te  zeggen :  herders.  Daar  ik  nu  de  waar- 
digheid van  Christus,  onzen  Heer,  in  mijne  bediening  niet  langer  aan  bespot- 
ting wilde  prijsgeven,  zoo  heb  ik  het  ambt,  dat  ik  niet  naar  eisch  kon  vervullen, 
vrijwillig  nedergelegd.  Mijne  bediening  als  prediker  heb  ik  echter  niet  ncder- 
gelegd,  en  zal  die  ook  niet  nederleggen,  tenzij  dan,  dat  ik  van  hier  verdreven 
worde,  waarop  de  zaak,  naar  het  mg  voorkomt,  wel  eens  zou  kunnen  nitloopen. 
Doch  ik  geef  mij  geheel  aan  Ood  over,  en  zal  ook,  door  Gods  genade  gesterkt, 
voor  de  woede  van  Satan  en  wereld  niet  zwichten."  (Ibid.  II,  602.) 

DALTON.  20 


306 


ondervond,  l'as  was  lij  begonnen,  tot  vastheid  te  komen  en 
den  rijken  zegen  van  zulk  eene  kloeke  ]dding  te  genieten, 
en  nu  werd  de  ervarene  hand  aan  het  roer  gemist.  Reeds 
in  de  maand  Mei  worden  er  oDderhandclingcn  geopend.  Slecbts 
bgajdien  men  genegen  is,  om  met  een  oaverdeeld  hart  den 
Heer  te  volgen,  wü  onze  vriend  weder,  zooveel  hij  vermag, 
der  landskerk  van  dienst  zijn.  Omstreeks  het  midden  van 
Juni  waren  de  onderhandelingen  tot  een  gewenscht  einde 
gekomen;  ')  aan  den  heftigsten  tegenstander,  Lemsius, 
werd  door  de  Vorstin  het  stilzwijgen  opgelegd,  terwgl  aan 
alle  leeraren,  onder  bedreiging  van  te  worden  ontslagen  oit 
hunne  bediening,  bevolen  werd,  aan  den  „coetus"  deel  te 
nemen;  geen  prediker  mocht  in  zijn  ambt  bevestigd  worden, 
die  niet  met  zijne  handteekening  verklaard  had,  dat  hij  in- 
atemde  met  de  leer  der  Kerk.  De  wederspannigen  onderwier- 
pen zich  aan  de  gestrenge  verordening  der  overheid;  immers, 
zij  konden  niet  besluiten ,  om ,  ter  wille  van  hun  gevoelen , 
hunne  betrekking  neder  te  leggen.  Toch  hadden  zij  ook  weder 
volstrekt  geen  last,  om  het  hoofd  geheel  in  den  schoot  te 
le^en.  Uit  Bremen,  Hamburg,  Bronswijk  en  Wittenberg, 
dat  nog  treurde  bij  het  pas  geslotene  graf  van  Luther, 
verzamelden  zg  adviezen  tegen  het  hervormingswerk  van 
La^ki.  Ket  mocht  hun  echter  niet  baten.  „De  waarheid  is 
cnoverwinnelyk,  en  zij  wijkt  niet  voor  menschelijke  wgshoid, 
al  bezweken  ook  de  grondvesten  der  aarde"  („etiamsi  fractus 
illabacnr  orbis"),  tAü  schrijft  onze  humanistisch  gevormde 
vriend  aan  zijnen  Kardenberg,  op  den  toon  van  een 
blijmoedig  en  vastverzekerd  geloofsvertrouwen.  *) 

Het  heeft  bijkans  den  schijn,  alsof  de  ernstige  str^d  en 
de  scbynbare  nederlaag  van  Laski  slechts  beeft  moeten 
dienen ,  om  te  doen  zien ,  boe  diep  het  reformatorische  stre- 
ven ,  ook  in  dezen  bepaalden  vorm ,  reeds  in  het  land  had 
wortel  geschoten.  De  tegenstanders  waren  met  geheel  ten 
onder  gebracht,  —  te  dezen  opzichte  maakte  ook  a  Las  e  o 
zich  hoegenaamd  geene  iUusiën,  —  zij  waren  slechts  terug- 


*)  Ibid.  II, 
*)  mi.,  p. 


fl07. 


307 

gedrongen  en  op  den  achtergrond  geschoven  door  de  machtige 
persoonlijkheid,  die  door  de  verhevenheid  van  haar  streven, 
door  de  zuiverheid  van  hare  gezindheid  en  door  hare  on- 
verbiddelijke energie  in  het  doorzetten  van  datgene  ^  wat  zij 
als  den  wil  Gods  en  als  noodzakelijk  tot  verheerlijking  van 
zijnen  naam  beschouwde  ^  den  grootsten  invloed  uitoefende. 
Onwillekeurig  en  bijna  van  schrede  tot  schrede  roept  de 
werkzaamheid  van  a  Lasco  ons  Calvijn  voor  den  geest. 
Hetgeen  onzen  a  Lasco,  in  vergelijking  met  zijnen  groeten 
geestverwant,  in  scherpzinnigheid  en  diepte  van  speculatieve 
kennis  ontbreekt,  wordt,  zij  't  ook  niet  ten  volle,  vergoed 
door  eene  rijkere  mate  van  zachtzinnighoid  en  vatbaarheid, 
om  ook  aan  het  standpunt  van  anderen  recht  te  laten  we- 
dervaren. Maar  beide  mannen  zien  wij,  naar  de  verschillende 
mate  van  de  hun  toevertrouwde  talenten,  geheel  door  deze 
ééne  gedachte  bezield,  om  de  heilige  majesteit  Gods,  gelijk 
zij  zich  in  de  overgave  van  den  ccngeboren  Zoon  verheerlijkt 
heeft,  met  zelf  verloochenende  toewijding  van  al  hunne  gaven 
en  krachten,  in  de  gemeente  des  Heeren,  welke  Hij  door 
zijn  leven  en  sterven  verlost  en  gekocht  heeft,  door  hare 
heiliging  tot  haar  recht  te  doen  komen.  Beide  mannen  waren 
tot  dusver  in  geenerlei  persoonlijke  aanraking  met  elkander 
gekomen;  zij  staan  ook  niet  tot  elkander  in  de  verhouding 
van  leermeester  en  discipel,  gelijk  eenigermate  het  geval 
was  bij  de  betrekking  tusschen  Calvijn  en  Enox.  Wel 
kan  men  den  invloed  bespeuren,  dien  de  voortreffelijke  ge- 
schriften van  Calvijn,  gelijk  op  zoo  talloos  velen,  ook  op 
a  Lasco  hebben  uitgeoefend,  maar  toch  in  eenen  zelfstan- 
digen geest  hebben  zij  beiden  den  gelijken  noodzakelijken 
arbeid,  dien  zij  zich  in  den  loop  der  Hervorming  zagen 
toegewezen,  aanvaard,  om  nl.  de  Evangelische  kerk  der 
Reformatie,  die  onder  de  gemeenschappelijke  banier  van  de 
rechtvaardigmaking  alléén  door  het  geloof,  verzameld  was, 
te  ontwikkelen  tot  eene  gemeente,  die  zich  wcnscht  toe  te 
wijden  aan  haren  Heer. 

Het  gerucht  van  de  worstelingen  on  den  wasdom  der  Oost- 
friesche  kerk  onder  de  leiding  van  a  L  a  s  c  o  verspreidde  zich 


30H 


heinde  en  ver,  en  drong  ook  tot  Genève  door.  Met  leven- 
dige deelneming  sloeg  C'alvijn  eene  ontwikkeling  gade, 
die  mot  zijn  eigen  streven  zulk  eene  treffende  overeenkomst 
vertoonde.  Hij  had  bericht  ontvangen  aangaande  de  vorming 
van  den  „coetua"  ');  eenige  leden  van  deze  vereeniging 
hadden  hem  iiitgenoodigd ,  om  eenen  catechiamus  voor  do 
jeugd  op  te  stellen;  de  Zwitaerache  hervormer  gaf  aan  dien 
vrenBch  gehoor,  en  droeg  zgnen  Catechismus  aan  de  g02a- 
menlijke  leeraren  der  Onstfriesche  kerk  op  ^).  In  breeden 
omtrek    sprak    men    op    de    meest  vaardeerende  wijze  over 


■}  Dit  D 


Doctn",  Ecoc  DitdtiikkiT 
geeste  lij)!  beid  gcricbt  * 
vsn    TC  reen  i  ging    zoa    br 


de   moadetinge    I 

>)  Vorg.  C»l 
ber  1645;  roods 
luo  sis  Gerard  zi 


du  woorden  (CaWiJn,  VI.  T):  „nDnnttlli  ts  vrat» 
;,  nelke,  iodiüu  sij  niet  hiipa&ld  tat  de  DoBtfriesche 
19,  f,ems  niet .  noodukelijk  op  Acte  bijiondore  soort 
loeven  te  worden  toegepast.  In  de  briefiriBBeiing  vïd 
109  nog  eenige  plaateen  benaard  gebleven,  welke,  afgeiion  van 
bericbten,  die  bij  voorseker  ootianguu  bad,  om  de  brannsD 
ande  Oüst-Friealand  en  s  Lnsco  aantoouen. 
ij  n,  VI,  7.  De  gpdrukte  opdracht  ia  gedateerd  van  Decem- 
Juli  van  dat  jaar  bevond  lij  ticb  in  handschritC  te  Emdsn, 
.  Canipb,  een  vriend  van  Laeki,  aan  BuilingerbericUt  (rel^ 
Calvijn,  XII,  154).  De  behoefte  am  eenei  uatcvhisinus  liet  lich  weldra 
levendig  gevoelen,  nadat  a  Laaco  begonnen  waB,  zijne  reforniatamche  bedoe- 
lingen te  verwerkelijken.  De  ongnnsliga  beoordceling  van  r.ijn  (slechts  in 
nanosenpt  verzonden)  „Epitome"  had  hem  den  moed  benomen  .  om  onmid- 
dellijk   tot    de    uitgave    van    eenen    zoo  belangrijken  arbeid  over  te  gaan.    Na 

zich  smartelijk  gevoelen  deed,  aan  te  vnllen,  ^  want  er  is  volstrekt  geen 
Vwijs  voorhanden,  dat  men  het  plan  gehad  hteft,  om  dezen  Catechiamua  in 
Ooat-Friealand  in  te  voeron,  —  maar  wellicht  om  aU  voorbeeld  te  dienon  bij 
de  Bamenitelliag  van  eenen  eigenen  catechiamua.  Ue  Catech.  van  C  a  1  v  ij  n 
kan  bU  voorbocld  dienen,  in  hoever  ook  hoofdpunten  der  leer  op  den  achlct- 
gmnd  moeten  treden,  wanneer  bet  er  op  aankomt,  om  eene  teedere  jeugd,  naar 
de  mate  van  hare  vatbaarheid,  in  de  kennis  der  heibwaarheid  in  te  nijdea. 
Calvijn  trarhtte  door  de  uitgave  van  dezen  Catechismns  de  herinnering  aan 
lijnen  Catech.  van  1537  nit  te  wiBSchen;  hierin  slaagde  hij  dan  ook  zoo  vul- 
komeo,  dat  zelfs  de  onvermoeide  navonchsre  Renai  en  Baum  voor  hunne 
msesterlijtie  uitgave  van  de  werken  van  C  a  I  v  ij  n  geen  enkel  eiemplaar  van 
de  oorspronkelijke  Franache  uitgave  konden  opsporen.  Kerst  voor  een  paar 
jaren  heeft  eene  gunstige  beschikking  zolk  een  exemplaar  in  de  nationale  bi- 
bliotheek te  Parijs  aan  het  licht  doen  komen,  en  Albert  R  i  1 1  i  e  t  en 
Theophile  Dufour  hebben  door  veortrelTelijke  inleidingen  den  herdruk 
nu  dit  geschrift  verrykt.  („Lo  cntóchisme  franïaia  de  Calvin."  Genere,  1878, 
CCtXXÏVlI  en  143  pp.) 


309 

hetgeen  in  Oost-Friesland  geschiedde ;  de  kerk  aldaar  oefende 
eene  sterke  aantrekking,  inzonderheid  op  de  omliggende 
landen  uit,  en  bepaaldelijk  de  meest  degelijke  jongere  krachten 
streefden  er  naar,  om  in  het  verband  dezer  kerk  te  worden 
opgenomen,   i). 

d)  De  Hervormer  in  zijn  private  leven  in 

Oost-Friesland. 

Slechts  spaarzaam  zijn  de  berichten,  die  wij  met  moeite, 
en  vaak  op  zeer  afgelegen  punten,  over  het  private  leven 
van  onzen  vriend  hebben  kunnen  opzamelen.  In  die  groote 
dagen  was  men  niet  mild  met  dergelijke  mededeelingen ;  bij 
de  ontzaglijke  gebeurtenissen,  die  op  het  wereldtooneel 
plaats  grepen,  trad  het  private  leven  ook  van  de  voor- 
naamste getuigen  bescheiden  op  den  achtergrond.  Slechts 
hier  en  daar,  en  bijna  toevallig,  vindt  men  daarvan  gewag 
gemaakt,  meestal  met  eene  korte  opmerking  in  eenen  par- 
ticulieren brief  aan  dezen  of  genen  vriend,  en  dan  ook  door- 
gaans zoo  vluchtig  en  zoo  abrupt,  dat  het  de  hoogere  eischen 
onzer  dagen  ook  in  dit  opzicht  ganschelijk  niet  bevredigen 
kan.  Dit  is  geen  verwijt  tegen  dien  groeten  tijd,  maar  slechts 
een  bejammeren  van  de  wellicht  niet  gerechtvaardigde  wen- 
schen  onzer  dagen. 

Het  eerste  openlijke  bewijs,  dat  hij  de  gemeenschap  met 
de  Roomsche  kerk  voor  goed  verbroken  had,  is  ook  bij  a  Lasco, 


1)  Kuyper,  II,  595:  ,,De  Brabantsche  godgeleerden  ergeren  zich  zeer 
dat  van  dag  tot  dag  velen  zich  van  daar  tot  ons  begeven ,  en  voor  zulk  een 
besluit  m^nen  naam  als  pretext  bezigen.  Zij  geven  zich  daarom  alle  mogeljjke 
moeite,  opdat  ik  van  hier  verdreven  worde,  want  zij  vreezen,  dat  het  Oro- 
ningsche  gebied  en  West-Friesland  door  mijne  tegenwoordigheid  alhier  mede 
tot  onze  ketterij  zullen  vervallen.  Immers,  de  voortreffelijkste  priesters  in  de 
beide  genoemde  gewesten  nemen,  met  verzaking  van  hunnen  afgodsdienst,  tot 
mij  hunne  toevlucht  en  worden  door  mijn  toedoen  aan  het  hoofd  onzer  ge- 
meenten geplaatst.  Niet  weinige  anderen  worden  door  hen  bewogen,  om  insge- 
lijks tot  ons  over  te  komen...  Ik  word  echter  voor  dat  alles  aansprakelijk 
gesteld,  terwijl  zg  meenen,  dat  door  mijne  verdrgving  van  hier  aan  dat  alles 
een  einde  zou  komen." 


gelijk  wij  reeds  vernomen  hebbon,  zijn  huwelijk  { 
met  eene  burgerdochter  uit  Leuven,  Dezen  voor  de  Evauge- 
Üsehe  kerk  zoo  bolangrijkon  stap  hebben  in  die  dagen  bijna 
allo  hervormers  en  predikers  van  het  Evangelie  gedaan:  de 
Evangelische  pastorieën,  die  voor  het  gcheele  gemeonteleven 
der  volgende  tijden  de  bron  van  eenen  rijken,  duurzanien 
zegen  geworden  zijn,  wortelen  reeds  in  den  aanvang  der 
Hervorming,  en  zijn  ten  nauwste  met  haar  geheele  wezen 
verbonden.  Twaalf  jaren  slechts  duurde  deze  echtverbintenis, 
In  het  jaar  1551  vertoonden  zich  in  Londen  bij  Laaki's 
echtgenoote  do  eerste  sporen  van  tering,  waarschijnlijk  een 
gevolg  van  kort  te  voren  doorstane  rotkoorts,  die  omstreeks 
dien  tijd  in  de  stad  aan  de  Theems  zoo  vreeselijk  woedde. 
Een  jaar  later  bezweek  de  lijderes  onder  hare  krankheid  in 
den  vreemde.  A  Lasco  heeft  haar  hartelijk  lief  gehad; 
haar  heengaan  drukte  hem  diep  ter  neder,  en  de  smart  over 
haar  vcrliea  bracht  voor  een  oogenblik  zijne  eigene ,  zoo 
zwakke  gezondheid  in  gevaar.  Hij  noemt  haar  zijn  ander 
Ik,  dat  de  dood  van  zijne  zijde  heeft  weggerukt,  en  roemt 
in  haar  inzonderheid  hare  vroomheid  en  de  geheele  recht- 
schapenheid van  baar  wezen.  ') 

Dit  huwelijk  was  rijk  met  Idnderen  gezegend.  Het  eerste 
kind,  zijn  dochtertje  Barbara,  hebben  wij  reeds  bij  gele- 
genheid van  een  bezoek  aan  de  grootouders  begroet ;  '■')  volgens 
Dry  and  er  vertoonde  de  kleine  in  hare  trekken  eene  spre- 
kende gelijkenis  met  haren  vader;  in  1558  ontmoeten  vry 
haar  weder,  on  wel  te  Krakau,  in  gezelschap  van  hare 
jongere  zuster  Ludovica,  beiden  verloofd.  =*)  In  1546  werd 
H  Lasco  grootelijks  verblyd  door  de  geboorte  van  eenen 
zoon.  „He  heb  den  wonderschoonen  jongen  nog  niét  gedoopt,  — 
zóó  schrijft  hij  aan  zijnen  vriend  Hardenberg,  —  „dewijl 
ik  verwachtte,  dat  gij  herwaarts  zoudt  bomen,  gelijk  gij  mij 
Bchreeft.  Daar  gij  echter  niet  komt,  zal  hij  tbana  gedoopt 
worden    en  den  naam  van  Paulus  ontvangen,  en  och  of  hg 


')Kuïp- 


II.  075. 


>)  V(t[g.  liierbaven  bli.  Züt, 


311 

de  voetstappen  van  Paulus  mocht  volgen,  maar  van  dien 
Paulus  van  Tarsen,  en  niet  van  dien  anderen,  die  nu  in 
Rome  op  den  troon  des  Satans  gezeten  is."  ^)  Reeds  na 
een  vierendeel  jaars  stierf  het  knaapje,  in  eenen  tijd,  toen 
onze  vriend  onder  een  zwaar  liehaamslijden  gebukt  ging. 
„Hij  is  ons  voorgegaan  naar  den  hemel,  en  wij  zullen  hem, 
indien  het  Gode  behaagt,  welhaast  volgen,  want  mijne  krank- 
heid is  mij  een  zeker  voorteeken,  dat  ik  mijne  woonstede 
hier  op  aarde  zal  moeten  verlaten,  om  reeds  binnen  kort, 
gelijk  ik  hoop,  met  Christus  te  zijn."  '^)  Nog  twee  jongens 
door  deze  vrouw  hem  geschonken,  bleven  hem  gespaard, 
Johannes  en  Hiëronymus,  aan  wier  namen,  gelijk 
ook  aan  die  zijner  beide  dochters,  dierbare  familie-herinne- 
ringen uit  het  vaderland  verbonden  waren.  Toen  de  beide 
knapen  zoo  ver  gekomen  waren,  dat  zij  een  grondig  onder- 
richt van  noode  hadden,  nam  hij  eenen  degelijken  opvoeder, 
Wengius  geheeten,  bij  zich  in  huis.  Bij  de  later  te  ver- 
melden schandelijke  verdrijving  uit  Denemarken  heeft  het 
weinig  gescheeld,  of  deze  beide  knapen,  aan  welke  men 
eerst,  uit  hoofde  van  hunnen  teederen  leeftijd,  had  toege- 
staan om  in  Denemarken  te  overwinteren,  maar  die  niette- 
min, op  stuk  van  zaken,  te  midden  van  de  hevigste  koude 
in  het  treurig  lot  der  overigen  moesten  deelen,  zouden  in 
het  pak-ijs  der  zee  zijn  omgekomen. 

Nadat  a  Las  co  met  zijne  jonge  vrouw,  in  1539,  uit  Leu- 
ven naar  Emden  verhuisd  was,  woonde  hij  aldaar  gedurende 
de  eerste  jaren  in  een  particulier  huis.  Hij  geloofde  niet, 
dat  zijn  zwak  lichaamsgestel  de  ruwheid  van  het  vochtige, 
koude  klimaat  in  deze  door  den  storm  gegeeselde  laagten 
der  Eems,  en  bovendien  de  onherbergzaamhoid  der  eenvou- 
dige, bijkans  armoedige  woningen  op  den  duur  zou  kunnen 
verdragen,  en  geruiraen  tijd  achtereen  dacht  hij  er  ernstig 
over,  om  naar  eene  gezondere  streek  te  verhuizen.  Maar 
vruchteloos  zocht  hij  naar  een  zoodanig  gewest,  dat  te  gelijk 


1)  Kuyper,  II,  607. 
»)  Ibid. .  p.  609. 


'ttf 


TOor  zijn  geloof  tot  een  veilig  toGvluchtsoord  zou  hebben  kuncen 
verstrekken.  Zoodra  hij  vervolgena  aan  de  dringende  beJen 
gehoor  had  gegeven,  en  Superintendent  dos  landa  geworden 
was,  zag  hij  zich  eene  woning  aangewezen  in  het  Frandska- 
nerklooster,  hetwelk  achter  zijne  etorke  muren  reeds  eene 
betere  beschutting  tegen  storm  en  koude  kon  bieden.  Te  mid- 
den van  de  worHtcIingen  der  eerste  jaren  meende  hy  vaak, 
het  land  te  zullen  moeten  verlaten,  en  iedere  gedachio,  zich 
hier  voor  goed  in  eene  eigene  woning  te  veatigen,  bleef  hem 
vreemd.  Als  echter  ook  do  laatste,  zware  aanval  zijner  te- 
genstanders, die  hem  van  zijne  plaats  zochten  te  verdringen, 
zegevierend  waa  wederataan,  en  er  alzoo  eene  meer  gegronde 
hoop  mocht  worden  gevoed,  dat  hij  in  het  land  zou  blijven, 
toen  besloot  hij,  —  't  was  in  den  herfat  van  1546,  ~  een 
klein  landgoed  in  de  nabijheid  van  Emdcn  te  koopen. 

Niet  ver  van  den  straatweg,  die  van  Emden  naar  Aurich 
voert,  in  de  nabijheid  van  Loppersum,  ligt  de  hoeve  Abbing- 
wehr  '),  een  eenvoudig  landhuis  met  omliggend  bouw-  en 
weiland.  De  koopprijs  bedroeg  vierduizend  vyfhonderd  thaler.^) 
A  Lasco  was  onvermogend  om  de  geheele  som  zelf  te  be- 
talen. Wij  weten,  dat  hij,  die  in  de  schitterendste  omstandig- 
heden geboren  en  opgegroeid  waa,  in  eenen  behoeftigen  staat 
kerk  en  vaderland  had  verlaten.  Van  zijnen  broeder  was  hem, 
wel  is  waar,  eene  kleine  erfenis  ten  deel  gevallen,  maar  door 
de  oneerlijke  handelwijze  van  oenen  bloedverwant  moest  hij 
nog  een  aanmerkelijk  deel  van  zijne  erfportie  missen.  ^)  Om 

')  Zg  is  rsn  den  weg  af  duideUjk  zichtbsari  de  postiljon  nees  fansr  mg  ia 
ie  margeaaehemeriiig ;  een  uitstapje  dentaarte  to  maken  loont  niet.  dewijl  er, 
valglne  de  getuigenis  van  hen ,  die  met  de  pluts  bekend  tija ,  boe^nuknid 
geene  herin neringen  iftn  den  «ooToialigen  beroemden  eigenaar  meer  voarbandeil 
zijn,  en  ook  de  lorsnderlngen ,  door  verbouwing  teireeggebraclit,  de  sporen 
der  tDenmaligs  inricbting  reeds  lang  hebben  uitgenïsciit. 

>)  Kuiper,  11,  609,  Hoe  groot  het  goed  i«  geweest,  is  uit  de  tot  dd> 
gekomoD  berichten  niet  meer  nn  to  gsaoj  de  waarde  van  den  koopprijt  kan 
wellicht  daaruit  worden  opgemnakC,  dat  men  omstreeks  dien  tijd  (a°.  154&) 
150-170  paar  oasen  voor  de  genoemde  som  ion  hebben  kunnen  koopen. 
(Verg.  Klopp,  I,  411.) 

')  Kujper,  1[,  5SS.  Door  de  mossten  wordt  de  vrouw  tan  a  Laaco  ali 
«De  arme  bargerdocbter  uit  Lonvon  besehreren.  Nooh  bij  fim  m  i  u  s  (p.  Uio], 


318 

dén  gevorderden  kooppenning  te  betalen^  moest  hij  derhalve 
vreemd  geld  opnemen.  Na  veel  moeite  en  getob  kwam  de 
koop  op  deze  wijze  tot  stand,  dat  hij  nog  meerdere  mede- 
koopers  vond,  tegenover  welke  hij  slechts  het  voorrecht  had, 
zich  van  hen  ter  gelegener  tijd  door  betaling  van  hunnen 
inleg  te  mogen  vrijkoopen.  Op  dit  kleine,  vriendelijke  landgoed 
richtte  hij  zich  nu  naar  zijn  genoegen  in.  De  buitenlucht, 
het  verblijf  in  de  vrije  natuur,  de  meerdere  lichaamsbewe- 
ging hadden  eenen  weldadigen  invloed  op  zijnen  verzwakten 
gezondheidstoestand.  Juist  gedurende  den  laatsten  tijd  van 
zgn  verblijf  in  de  stad  was  hij  weder,  te  midden  van  de  moeie- 
lijkste  worstelingen,  zoozeer  door  zijne  oude  kwaal  geplaagd 
geworden,  dat  hij,  in  Mei  1546,  ten  gevolge  van  eene  oog- 
ziekte bijna  blind  geworden  was;  ook  nadat  die  ziekte  was 
geweken,  was  alles  voor  hem  als  in  eenen  nevel  gehuld.  Slechts 
met  behulp  van  eenen  bril  was  het  hem  mogelijk,  om  met 
moeite  een  paar  onleesbare  regels  op  het  papier  te  brengen ; 
slechts  met  groote  voorzichtigheid  en  met  langere  tusschen- 
poozen  mocht  hij  lezen  en  schrijven,  de  arme  lijder,  die  in 
die  dagen  zijn  superintendentschap  had  nedergelegdl  Een 
jaar,  nadat  hij  grondbezitter  was  geworden,  was  zijne  gezond- 
heid allengs  zooveel  sterker  geworden,  dat  hij  gedurende  de 
koude  winterdagen  een  paar  malen  den  weg  van  de  stad 
naar  huis  te  voet  kon  afleggen.  Zijne  trouwe  levensgezellin 
zorgde  voor  de  huishouding,  die  nu  zooveel  grooter  gewor- 
den was.  In  de  melkerij  weet  zij  zich  uitnemend  van  hare 
taak  te  kwijten ;  aan  den  ouden  huisvriend,  die  middelerwijl 
predikant  in  Bremen  geworden  was,  wordt  een  potje  boter, 
benevens  eenige  eigengemaakte  kazen  toegezonden.  ^)  Het 
schijnt,  dat  de  vlijtige  huisvrouw  de  opbrengst  van  het  veld 
en    het    door  haar  gesponnen  vlas  naar  de  markt  gezonden 


noch  ook  bij  6  er  des  (III,  147)  wordt  iotasschen  met  zoovele  woorden  van 
lutre  armoede  gewaagd;  het  eerst,  als  ik  wèl  heb,  geschiedt  zulks  bij  Bertram 
(p.  9),  en  na  hem  bij  Meiners  (blz.  229);  maar  zou  de  plaats  bij  K  u  y  p  e  r, 
II,  597 :  „etiamsi  uxor  mea  in  sua  navi  partem  quandam  habeat,"  niet  wellicht 
grond  bieden  om  te  onderstellen,  dat  zij  eenig  vermogen  bezeten  heeft? 
>)  Kuyper,  II,  617. 


en  op  die  wijze  medegewerkt  heeft,  om  ile  nehuld,  die  op 
het  goed  rustte,  af  te  loBsen.  In  eene  opgeruimde  stemming 
Bchrijft  a  Lasco  aomwylen  selierteend  onder  zijne  brieven 
uit  dien  tijd;  „ijx  regno  nostro  Abbingweerenai"  („uit  ons 
rijksgebied  Abbingweiir"). 

Onze  a  La  se  o  was  voorzeker  allerminst  de  man  om  spaar- 
zaamheid te  oefenen.  Dit  valt  toch  ook  dubbel  moeielijk  aan 
eenen  Pool,  vanwege  do  zorgeloozo  vrijgevigheid,  aan  welko 
hij  van  oudsher  gewoon  is,  en  ook  in  dit  opzicht  verloochende 
onze  vriend  zijn  vaderland  niet.  Ook  thans,  onder  zoo  aan- 
merkelijk gewijzigde  omstandigheden,  die  hom,  bij  het  aan- 
wassen van  zijn  gezin,  sleuhts  een  sober  bestaan  vor- 
schaften,  verzaakte  hij  zijne  edele  onbaatzuchtigheid,  zijne 
grootmoedige  offervaardigheid  niot.  Zijn  oude  vriond  Har- 
denberg  was  nalatig  in  het  terugbetalen  van  eene  schuld. 
„Ik  zend  u  hierbij  niettemin  nog  20  thaler,"  —  zóii  aohryft 
hem  onze  Laski,  —  „want  méér  heb  ik  op  het  oogenblik 
niet  beauhÜLbaar.  Wanneer  gij  ons  eens  bezoekt,  zullen  wy 
van  een  en  ander  eene  rekening  opmaken.  Als  ik  u  eenmaal 
gefortuneerd  mag  zien,  dan  zal  ik  van  u  terugvorderen  wat 
gij  mij  schuldig  zïjt.  In  het  tegenovergestelde  geval  wil  ik 
u  nog  verder  helpen.  Want  reeds  lang  geloden  heb  ik  u  ver- 
zekerd, dat  ik  u  als  medebezitter  van  al  het  mijne  wensch 
te  beschouwen ;  zoo  wanneer  gij  dua  iets  nondig  hebt,  waar 
gij  u  ook  bevinden  moogt,  dan  behoeft  gij  alechts  te  spre- 
ken." ')  In  goed  vertrouwen  had  hij  aan  iemand  van  adel- 
lyke  afkomst  eene  schriftelijke  aanbeveling  aan  zijne  vrien- 
den in  Zwitserland,  en  met  name  aan  Calvjjn,  medege- 
gevon,  van  welke  aanbeveling  de  bedoelde  persoon  op  schan- 
delijke wijze  misbruik  gemaakt  en  zich  bediend  bad,  om  aan 
verschillende  vrienden  geld  af  te  zotten.  Zoodra  zulks  ter 
kennisse  van  a  Lasco  kwam,  verklaarde  hij  zich  tot  achade- 
vergoeiiing  bereid.  „Wees  vernekord,"  —  zóó  achrijfthij  aan 
C  a  1 V  ij  n ,  —  „dat  het  mij  grootclijks  tot  dankbaarheid  zal 
stemmen,  indien  ik  weten  mag,  dat  ik  u  in  dezen  op 


1)  Ibid,  11,  6 


315 

wijze  kan  te  hulp  komen ;  wil  het  mij  slechts  ter  wille  van 
onze  broederlijke  liefde  en  wederkeerige  openhartigheid  doen 
weten"....  En  aan  Bullinger:  „Dat  de  huichelaar  mij  be- 
drogen heeft,  kan  ik  nog  lichter  verdragen,  dan  dat  hij,  om 
anderen  te  bedriegen,  mijnen  naam  en  zelfs  mijn  handschrift 
misbruikt  heeft;  ik  kan  niet  zeggen,  hoe  diep  mij  zulks 
smart/'  i) 

Met  deze  beminnelijke  onbaatzuchtigheid  ging  eene  treffende 
nederigheid  met  betrekking  tot  zijne  eigene  waardeering  ge- 
paard. Het  is  hem  volkomen  ernst  met  de  schoone  belijdenis : 
Naar  mijne  zwakke  krachten  tracht  ik  de  kerk  van  Christus 
te  dienen,  en  ik  bid  Qod,  dat  het  Hem  in  zijne  barmhartig- 
heid moge  behagen,  mijn  geringe  offer  nevens  öe  schitterende 
gaven  van  anderen,  gelijk  eenmaal  het  penningske  der  weduwe 
in  het  Evangelie,  niet  te  versmaden.  ^) 

Alle  deze  en  meer  soortgelijke  trekken  van  zijn  wezen  wa- 
ren bij  hem  verheerlijkt  en  gewijd,  ja,  eerst  tot  hunne  volle, 
schoone  ontwikkeling  gekomen  door  de  volkomene  overgave 
zijns  harten  aan  Christus  als  zijnen  Heiland.  Slechts  zijn  die- 
naar wenscht  hij  te  zijn.  Dat  maakt  hem  onbevreesd  en  blij- 
moedig tegenover  alle  menschen,  dat  verleent  hem  rust  en 
zelfstandigheid  onder  al  de  zware  beproevingen  van  zijn  veel- 
bewogen leven.  Doordien  hij  Christus  als  zijnen  éénigen  Mees- 
ter, en  het  Woord  Gods  als  het  éénige,  maar  ook  onvoor- 
waardelijke richtsnoer  van  zijn  loven  en  zijn  geheele  denken 
erkende,  kon  hij  ook  mot  een  onbenevelder  oog,  dan  dat 
van  zoo  menigon  tijdgenoot,  de  hooggaande  golven  van  den 
strijd  dier  dagen  gadeslaan,  niet  als  een  werkeloos  toeschou- 
wer, die  uit  eene  veilige  plaats  den  strijd  aanziet,  maar 
veeleer  met  het  ernstige  verlangen,  om,  zooveel  hij  slechts 
vermag,  tot  bijlegging  van  het  geschil  mede  te  werken,  opdat 
slechts  de  zaak  van  Christus  en  zijn  rijk  bevorderd  worde. 
Eene  reeks  van  belangwekkende  gestalten  treedt  omstreeks 
dien  tijd  te  voorschijn,  geheel  wier  edelaardig  streven  daarop 


1)  Ibid.  II,  650,  654. 
»)  Ibid.,  p.  583. 


gericht  iB,  de  gapande  klove  in  de  Evangeliache  kerk  te 
dempen:  onder  deze  helden  kennen  wij  er  nauwelijks  één, 
die  ons  in  zulk  een  ToortrefFeiijk  atreven  beminnelijker  en 
ook  teïcns  uitoemender  zon  zijn  voorgekomen,  dan  onze  Laski. 
Met  scherpen  blik  —  de  volgende  gebeurtenissen  zullen  ona 
meer  dan  één  belangrijk  bewijs  daarvoor  leveren,  —  zag  hij 
in,  welk  een  ernstig  nadeel  de  splitsing  van  do  ééne  kerk 
der  Hervorraing  moest  teweegbrengen;  aan  geen  ander  is, 
in  den  loop  zijner  bijzondere  levenaleiding,  het  zwaard  dezer 
verdeeldheid  zoo  diep  en  pijnlijk  in  de  borat  gedrongen,  als 
aan  hem,  toen  hij  zijn  vurigst  verlangen  voor  do  Kerk  en 
zijn  vaderland  op  deze  vroeselijke  klip  moest  zien  schipbreuk 
lijden.  Nochtans  begeerde  hij  allerminst  vrede  tot  eiken  prijs. 
In  zijne  vredelievende  gezindheid  toonde  hij  veel  overeenkomst 
met  den  edelen  Bucer  in  Straataburg,  met  wien  hij  bevriend 
was,  maar  hij  kon  dien  bedrijvigen  mau  niet  altoos  de  hand 
reiken  in  zyn  onverdroten  streven  om  formuiea  te  vinden  en 
woorden  te  smeden,  die  meer  gesehikt  waren  om  voor  het 
oogenblik  de  klove  te  bedekken ,  dan  om  haar  duurzaam 
■aan  te  vullen.  Op  eenen  tijd,  dat  hij  van  de  zijde  van  con- 
feasioneelo  heethoofden  de  zwaarste  kwelling  te  verduren 
had,  kon  hij  nochtans  met  volle  overtuiging  aan  zijnen  vriend 
het  volgende  schrijven:  „Het  streven,  om  aan  den  strijd  op 
leerstellig  gebied,  en  zoodoende  aan  de  innerlijke  verdeeldheid 
in  de  gemeenten  een  eindo  te  maken,  heeft  en  had  ten  alle 
tijde  zoozeer  myne  sympathie,  dat  ik  in  dit  opziiiht  voor 
niemand  behoef  onder  te  doen,  maar  toch  slechts  onder  deze 
voorwaarde,  dat  de  waarheid  tot  haar  volle  recht  kome, 
zonder  in  de  schaduw  geplaatst  of  op  eenigerlei  wijze,  uit 
zueht  om  menschen  te  behagen,  onkenbaar  gemaakt  te  wor- 
den. Wat  my  althans  betreft,  ik  ben  niet  gezind,  om,  ter 
wille  van  de  toejuiching  van  menschen ,  uit  het  getal  der 
dienaren  van  Christus  te  worden  uitgesloten."  '} 


Kenschetsend    voor   deze  zyne  edelaardige  gezindheid  zyn 


317 

de  oordeelyellingen,  die  hij  hier  en  daar  over  de  helden  van 
zijnen  tijd  heeft  geuit.  Uit  den  rijken  voorraad  kiezen  wg 
er  slechts  een  paar  als  voorbeeld.  Zijn  levensweg  had  aLasco 
nimmer  in  nadere  aanraking  met  L  u  t  h  e  r  gebracht.  De  in- 
drukken, die  hij  te  Bazel,  in  den  dagelijkschen  omgang  met 
Erasmus,  verkregen  had,  zijn  waarschijnlijk  gedurende 
geruimen  tijd  op  zijne  beoordeeling  van  deze  heldengestalte 
des  Uuitschen  hervormers  van  invloed  geweest,  en  toen  hg 
daarna  zelf,  op  rijpen  leeftijd,  tot  den  arbeid  inging,  sprak 
het  bijkans  vanzelf,  dat  hij  de  richting  volgde,  aan  welke 
de  verdere  ontwikkeling  van  de  reformatorische  denkbeelden 
als  eene  schoone  erve  was  ten  deel  gevallen.  Sedert  het  jaar 
1543  zette  de  Evangelische  kerk  der  Reformatie  haren  ver- 
overingstocht voort  in  de  richting,  die  haar  door  Calvijn 
was  aangewezen,  en  in  welke  deze  haar  was  voorgegaan. 
Ook  onze  vriend  bleef,  in  zelfstandigen  geest,  aan  deze 
richting  getrouw.  Maar  hij  waarschuwde  zijne  geestverwanten, 
dat  zij  zich  niet  door  partijdige  vooringenomenheid  in  hun 
oordeel  zouden  laten  verblinden.  Hoe  schoon  is  zijn  verzoek 
aan  Bullinger,  wiens  leer  juist  weder  op  de  allerheftigste 
en  smartelijkste  wijze  door  Luther  was  veroordeeld  gewor- 
den! „Bij  het  doorbladeren  van  uwe  Confessie" — hij  bedoelt 
het  antwoord  van  de  Zurichsche  godgeleerden  op  het  „Kurz 
Bekenntnis  Dr.  Martin  Luthers  vom  heiligen  Sakrament,"  — 
heb  ik  eenige  uitdrukkingen  tegen  Luther  gevonden,  die 
een  weinig  scherper  zijn,  dan  ik,  om  de  waarheid  te  zeg- 
gen, wel  zou  hebben  gewenscht.  Ik  ontken  niet,  dat  Luther 
zich  al  te  zeer  aan  smaadredenen  tegen  ulieden  heeft  schul- 
dig gemaakt,  en  dat  hij  de  grenzen  der  Christelijke  liefde 
zeer  verre  is  te  buiten  gegaan,  maar  zulks  behoorde  hem, 
uit  hoofde  van  zijne  overigens  uitstekende  verdiensten  jegens 
de  kerk  van  Christus,  vergeven  te  worden,  ook  opdat  wij, 
die  deze  handelwijze  in  Luther  afkeuren,  ons  niet  stoeten 
aan  denzelfden  steen.  Het  was  voldoende  geweest,  de  dwa- 
lingen in  het  licht  te  stellen,  hetgeen  gij  ook,  naar  mijne 
meening,  op  veclszins  uitnemende  wijze  gedaan  hebt,  maar 
zonder   zoodanige  smaadwoorden ,  door  welke  wij  toch  niets 


318 


anders  teweegbrengen,  dan  dat  wg  de  leer  zelve  en  den 
dienst  dea  Evangelie's  in  onze  gemeenten  bij  de  tegenstan- 
ders in  eenen  kwaden  reuk  brengen.  MijOB  inziens  zou  hot 
voldoende  geweest  zijn,  te  zeggen:  „hier  dwaalt  Lnther," 
of  iets  dergelijks,  wat  onze  onschuld  kan  beschermen,  en 
daarbij  echter  den  naam  en  do  eer  van  den  ander  onge- 
krenkt laat."  ')  Toen  daarop  weinige  maanden  later  de  tij- 
ding kwam  van  het  overlijden  van  den  groeten  man,  schreef 
onze  vriend  aan  de  Zwitsers,  dat  hij  hoopte,  dat  er  na  het 
heengaan  van  Lnther  een  einde  mocht  komen  aan  den 
SacramentsBtrijd,  —  eene  verwachting,  in  welke  hij  zich 
helaas,  gelijk  hem  in  't  vervolg  tot  zijne  grievendste  smart 
zou  blijken,  maar  al  te  zeer  heeft  bedrogen.  „Het  is  wel 
wonder,"  zóó  schreef  hij  aan  Bullinger,  „dat  de  zoo 
godzalige  man,  die  zonder  twijfel  eenen  eeuwigen  lof  in  de 
kerk  van  Christus  waardig  is  („vir  ille  sanctissimus  et 
aeternis  proraus  laudibua  in  Christi  Ecclesia  dignus"),  nochtans 
met  betrekking  tot  de  gewijde  teekenen  van  het  sacrament 
zoozeer  in  dwaling  verkeerd  heeft.  Dit  kan  ons  ten  bewiJKe 
strekken,  dat  wij  allen  slechts  menschen  zijn,  d.  w.  z.  met 
dwaling  en  leugen  behept,  opdat  wij  op  het  gezag  van 
volstrekt  niemand  ter  wereld  zonden  steunen,  maar  zouden 
leeren  verstaan,  hoe  hout,  hooi  en  stoppelen  van  onze  men- 
Hchelijke  dwaling  door  het  vuur  des  Goddelijken  Woords  moeten 
verteerd  worden,  maar  dat  wij  zelven  nochtans  zonder  twijfel 
zullen  zahg  worden,  indien  wij  slechts  steunen  op  onzen  óénigon 
hoeksteen,  op  welken  ook  Lu  th er,  gelijk  voorzeker  niemand 
kan  loochenen,  met  zijn  gansche  hart  gebouwd  heeft,  om  nu 
niet  te  spreken  van  het  goud,  de  edelgesteenten  en  het  zilver 
in  zijne  leer.  Ongetwyfeld  heeft  hij  het  punt  van  onze  recht- 
vaardigmaking  door  Christus  het  eerst  van  allen  in  deze 
onze  eeuw  op  ocne  zeldzaam  gelukkige  wijze  in  het  licht  ge- 
steld, en  heeft  hij  de  verborgenhedeo  der  ongerechtigheid  van 
den  Antichrist,  welke  te  voren  met  weinig  minder  dan  God- 
delijke  eer  door  bijna  geheel  do  wereld  vereerd  werden,  op 


■)  Ibiil.  II,  596. 


319 

eene  wijze  onthuld,  dat  zg  ook  zelfs  voor  knapen  kennelgk 
zgn.  Tallooze  gemeenten  heeft  hij ,  naar  de  hem  verleende 
gave,  wederopgebouwd ,  en  de  tegenstanders  van  het  Evan- 
gelie van  Christus  met  zooveel  geestkracht  en  standvastigheid 
tot  aan  zijnen  dood  toe  wederstaan^  dat  hg  waarlijk  niet  on- 
verdiend zich  eenen  zóo  hoogen  lof  boven  alle  anderen  heeft 
verworven.  Maar  in  dit  alles  was  hij  niettemin  mensch, 
hetgeeü  ook  wg,  indachtig  aan  zulk  een  voorbeeld,  met  be- 
trekking tot  onze  eigene  waardeering  gestadig  in  het  oog 
moeten  houden.  Of  hij  nog  weder  een  of  ander  geschrift  tegen 
ulieden  had  op  touw  gezet,  weet  ik  niet,  immers  dienaan- 
gaande heb  ik  niets  vernomen;  maar,  indien  er  ook  iets 
van  dien  aard  mocht  voorhanden  zijn,  zal  er  misschien  op 
worden  aangedrongen,  dat  het  niet  worde  uitgegeven.  Intus- 
Bchen,  hetzij  men  aan  zulk  een  verlangen  gehoor  geve,  of 
ook  niet,  ik  zou  wenschen,  dat  gij,  door  openlijk  de  uitste- 
kende verdiensten  van  den  groeten  man  te  erkennen,  de  zuiver- 
heid van  uwe  gezindheid  en  uwe  Christelgke  liefde  te  zijnen 
opzichte  —  met  bescheidene  terzijdelating  van  dezen  Sa- 
cramentsstrijd ,  —  aan  den  dag  legdet.  Door  dit  zeldzame 
voorbeeld  van  bescheidenheid  zoudt  gij  aan  vele  tegen- 
standers van  het  Evangelie  den  mond  stoppen,  terwijl  zonder 
twijfel  alle  vromen  u  grootelijks  dankbaar  zouden  zijn, 
en  wat  het  voornaamste  is,  gij  zoudt,  zoodoende,  aan  geheel 
de  kerk  van  Christus  een  niet  alledaagsch  bewijs  van  uwe 
rechtschapene  gezindheid  geven.  Ja,  wellicht  zoudt  gij  daar- 
door ook  dit  teweegbrengen,  dat  er  met  meer  ijver  dan  ooit 
te  voren  naar  eenig  middel  gezocht  werd,  om  aan  dezen  Sa- 
crament sstrijd  een  einde  te  maken,  en  gewis  reeds  dit  alleen 
zou  voldoende  moeten  zijn,  om  u  tot  zulk  eene  handelwijze 
te  bewegen.  Immers,  wat  kan  er  wenschelijker  zijn,  dan  dat 
deze  twist  worde  bijgelegd?"  ^) 

Reeds  in  de  gewijzigde  Augsburgsche  confessie,  welker 
formuleering  op  het  beslissende  punt  door  Luther  stilzwij- 
gend voor  lief  was  genomen,  had  Molanchthon  getoond, 


1)  Ibid.  II,  C03. 


320 

welk  eenen  machtigen  invloed  Calvgn,  inzonderheid  ook 
na  den  persoonbjken  omgang  tnsschen  hen  beiden  te  Frank- 
fort san  de  Main  (in  1539),  op  hem  had  uitgeoefend.  De 
medestander  van  Luther  naderde  daardoor  ook,  in  geestelijk 
opzicht,  dichter  tot  a  Las  co.  Tan  z^n  afkeurend  oordeel 
orer  het  vroeger  vennelde  geschrifl  van  Laski  hebben 
wij  reeds  kennis  genomen ;  dit  verachil  belette  echter  niet , 
dat  de  beide  mannen  zich  hoe  langer  hoe  meer  tot  elkan- 
der getrokken  gevoelden,  en  dat  zy  elkander  steeds  meer 
leerden  waardeeren.  Maar  L  a  e  k  ï  was  toch  vrijer ,  aelf- 
standiger,  kloeker  in  zijne  geheelc  werkzaamheid;  hg  had 
zich  veel  nadmkkelgker  van  aüen  menschelijken  invloed 
losgemaakt,  dan  zniks  aan  den  vriend  van  Luther  mocht 
gelukken.  Daarom  kon  hij  ook  ongehinderder  Ie  werk  gaan, 
en  werd  hij  in  zijne  bestuiten  niet  belemmerd  door  allerlei, 
dat  daarbi)  in  bet  oog  moest  worden  gehouden ,  gelijk  de 
arme  man  daar  ginds  in  Wittenbei^,  die  zich  te  midden 
van  de  woede  der  godgeleerden,  en  dat  nog  wel  met  zijne 
zachte,  fijngevoebge  huid,  als  in  een  wespennest  geplaatst 
zag!  In  1543  schrijft  a  Lasco  aan  den  hoogvereerdea  man : 
„Hoe  langer  ik  de  vele  en  uitstekende  gaven  Qods  in  a  be- 
wonderend gadesla,  te  meer  houd  ik  het  er  ook  voor,  dat 
gg  de  éénige  zgt,  voor  wien  ik  de  twijfelingen,  die  »om- 
wglen  in  mijne  ziel  oprgzen,  kan  openbaren.  Ën  ik  wil  zulks 
doen,  zoowel  met  het  volate  vertrouwen,  als  met  de  meeste 
openhartigheid,  in  de  hoop,  dat  ik  niet  twijfcle,  of  gg  zult, 
overeenkomstig  uwe  vriendelijke  gezindheid  en  uwe  Chriate- 
lyke  liefde,  mij  ten  goede  raden"  '),  Tien  jaren  later,  na  menige 
verdrietelijke  ervaring  met  den  weifelenden  man,  luidt 
zijn  oordeel  minder  gunstig:  „Uit  deze  handelwijze  berken 
ik  weder  onzen  Fhilippus  (Melanchthon).  Ik  heb  eenen  diepen 
eerbied  voor  zijne  geleerdheid,  ik  erken  zijne  vroomheid,  ik 
prgs  zgne  bescheidenheid,  maar  zijne  kleinmoedige  gezind- 
heid {„fiiKpy.liix'X''")  kan  ik  onmogelijk  goedkeoren".   ') 


>)  Ibid.  II,  SSG. 


321 

Het  zou  ons  echter  te  ver  voeren,  indien  wij  de  bloem- 
lezing van  zijne  juiste,  bezadigde  en  ook  jegens  den  tegen- 
stander altoos  zachtmoedige  getuigenissen  aangaande  zijne 
tgdgenooten  verder  wilden  uitbreiden.  ^)  In  die  alle  ver- 
nemen wij  het  oordeel  van  een  hoogbeschaafd  man,  wiens 
ernstige  toeleg  het  is,  om  aan  elkeen  recht  te  laten  weder- 
varen, en  die  door  het  vurig  verlangen  bezield  is,  om  Christus' 
wille  liever  op  de  éénheid  den  nadruk  te  leggen,  dan  om, 
als  een  dienstknecht  der  menschen,  aan  zijne  partij  te  behagen. 

Bij  de  uitnemendsten  onder  zijne  tijdgenooten  stond  a  Lasc  o 
in  hoog  aanzien.  Vrienden  en  tegenstanders  beiden,  zoolang 
deze  laatsten  niet  geheel  verblind  waren,  brachten  warme 
hulde  aan  de  zuiverheid  en  reinheid  zijner  gezindheid;  ook 
daar,  waar  men  meende,  het  bijzondere  type  („Auspra- 
gung")  zijner  leer  niet  te  kunnen  goedkeuren,  erkende  men 
nochtans  den  ernst  en  de  eerlijkheid  van  zijn  onderzoek,  de 
verhevenheid  zijner  zienswijze,  zijne  onverschrokkenheid  en 
openhartigheid  in  het  spreken,  en  het  zegevierende  streven 
van  eenen  geest,  die  alleenlijk  een  dienaar  van  Christus  be- 
geert te  zijn.  Hetgeen  hij  met  sterke  en  vaste  hand  in  de 
verwarde  en  verwilderde  kerkelijke  toestanden  van  Oost- 
Friesland,  te  midden  van  al  die  heftige  aanvallen,  heeft  tot 
stand  gebracht,  deed  ook  reeds  zijne  tijdgenooten  terecht  ver- 
baasd staan,  en  plaatst  hem  voor  ons  oog  in  de  voorste  rij 
der  mannen,  die  op  het  loven  der  Evangelische  kerk  eenen 
hervormenden  invloed  hebben  uitgeoefend.  In  dit  opzicht  is 
zijn  invloed  tot  op  den  huldigen  dag  nog  geenszins  van  zijne 
kracht  beroofd;  met  betrekking  tot  menig  punt  hebben  wij 
ons  nog  steeds  in  zijne  school  te  begeven,  ten  einde  in 
staat  te  zijn,  om  aan  de  ernstige  eischen  van  den  tegen- 
woordigen  tijd  behoorlijk  recht  te  laten  wedervaren. 

Geen    wonder,    dat  do  invloed  van  La  ski 's  persoonlijk- 


1)  Verg.  voorts,  over  Bullinger:  ibid.,  II,  5C8.  585;  over  £  ra  s  m  as: 
II,  569.  583  vg.;  over  Oecolampadius:  II,  576;  over  Schwenkfeld: 
II,  677;  over  Pellicanus:  II,  582;  over  Osiander:  II,  668.  679;  over 
Albrecht  van  Brandenburg:  II,  666. 

DALTON.  21 


heii  zich  tot  ver  baiteo  de  gremen  tob  zi|aea  Baasten  weik- 
kring  ait&trekte,  en  dat  men  zich  ook  oit  bet  buiteDlaad 
gedurig  tot  bem  wendde  met  bet  rerzoek  om  voorlichting  ea 
hnlp.  Wij  preken  hier  niet  rao  de  pt^Dgen,  die  men,  w»o- 
ver  wg  kannen  nagaan,  tot  in  het  jaat  1544  in  het  werk 
stelde,  ten  einde  bera  naar  zgo  vaderland  te  kJiken,  ooder 
Tonrwaarde,  dat  hi)  tot  de  Roomscbe  kerk  zon  temgkeeren. 
Zelfa  opende  men  hem  daartoe  het  oitzicbt  op  eenen  san- 
zienigken  bisschopszetel!  „Ik  heb  echter",  zóó  schrgft  hy, 
.dezen  lieden  znlk  een  be:«.'beid  gegeven ,  dat  zg  roet  een 
dergelijk  voorstel  ntet  licht  meer  tot  mij  zullen  komen."  — 
Het  verdient  te  worden  opgemerkt,  dat  Laeki  standvastig 
wederstand  bood  aan  de  neiging,  die  zich  destijds  bg  niet 
weinigen  in  zoo  sterke  mate  vertoonde,  om  nl.  overal  he«i  te 
trekken,  ea  zgne  zienswijze  op  de  meest  terschiilende  plaatsen 
te  bepleiten:  aan  zijnen  koning  Sigismund  van  Polen  kon 
bij  bij  zekere  gelegenheid  betuigen,  dat  hij,  gedurende  een 
tiental  jaren,  slerhts  in  geval  van  nood  de  plaats  z^ner 
werkzaamheid  had  verlaten,  en  dat  hij  den  wandelstaf  eerst 
dan  had  ter  hand  genomen,  wanneer  hy  zich  de  gelegenheid 
tot  verdere  voortzetting  van  zijnen  arbeid  zag  afgesnedeiL 
Tot  de  werkzaamheden  buiten  Oost-Friesland,  aan  welke 
Laski  meende,  zich,  ter  wille  van  de  kerk  van  Christus,  niet 
te  mogen  onttrekken,  behoort  in  de  eerste  plaats  zgn  verblijf 
bij  den  aartsbisschop  van  Kenlen,  den  keurvorst  Herman 
von  Wied.  Eene  buitengewoon  innemende  verschijning, 
voorwaar,  deze  edele  kerkvorst,  dien  Ranke  met  weinige 
trekken  meesterlijk  teekeat.  „Herman  van  Keulen",  zóó  zegt 
hij,  bZ^S  eindelijk  in,  dat  hij  met  deze  beraadslagingen  {die 
bij  in  het  jaar  1536  met  zijne  suffraganen  hield)  dddrom 
niet  vorderde,  dewijl  toch  alles  op  menschelijke  inzetting, 
en  niet  op  het  Woord  Gods  gegrond  was.  Door  onderzoek 
van  de  Schrift,  aan  welke,  volgens  zijne  overtuiging,  de 
leer  der  godzaligheid  uitsluitend  moest  worden  ontleend, 
overtuigde  hij  zich,  dat  hare  moening  in  de  Augsburgscho 
confessie  vervat  was.  Hoe  ouder  hij  werd,  des  fe  dieper 
werd  hij  van  de  macht  der  gezuiverde  leer  doordrongen.  Hij 


323 

beijverde  zich,  om  haar  in  zijn  leven  en  wandel  uit  te 
drakken.  In  de  geschriften  zijner  tijdgenooten  vinden  wij 
hem  geteekend  als  den  goeden,  vromen  heer  van  Keulen, 
als  den  ouden,  God-lievenden  keurvorst,  den  voortreflfelijken 
grijsaard  (hij  was  geboren  in  1477).  Hij  was  iemand  van 
hooge  gestalte,  met  sneeuw  witten  baard,  met  een  eerbied- 
waardig voorkomen  en  eene  uitdrukking,  in  welke  goedaar- 
digheid, ernst  en  rechtschapenheid  waren  dooreengemengd. 
Nadat  hij  een  tijdlang  geaarzeld  had,  besloot  hij  eindelijk, 
ook  voor  zgne  diocese  datgene  te  doen»  wat,  gelijk  hij  zich 
uitdrukte,  eenen  mensch  Gods  betaamde'\  ^)  Reeds  sinds 
1536  was  de  Aartsbisschop  menigmaal  met  Protestanten  op 
vriendelijke  wijze  in  betrekking  getreden,  terwijl  een  deel 
zijner  Keulsche  kapittelheeren  hem  daarin  met  ingenomenheid 
gesteund  had.  Tot  deze  kapittelheeren  behoorde  ook  nog 
Christoffel  van  Oldenburg,  de  broeder  van  onzegra- 
vin Anna  en  haar  wakkere  beschermer  tegen  de  eischen 
van  haren  katholieken  zwager.  ^)  Na  den  rgksdag  te  Regens- 
burg (1541),  óók  en  vooral  gedreven  door  den  wensch,  om  de 
stemming,  die  aldaar  aan  den  dag  was  getreden,  zich  aanstonds 
ten  nutte  te  maken,  belastte  de  Keurvorst  Bucer  en  Me- 
lanchthon,  die  beiden  tot  dat  doel- zich  naar  Bonn  begeven 
hadden,  met  de  uitwerking  van  een  ontwerp  tot  hervorming. 
Aan  dit  „einföltiges  Bedenken'',  gelijk  de  titel  luidt,  ^)  is 
de  Neurenbergsche  kerkorde  van  den  bekenden  Osiander 
tot  grondslag  gelegd.  Bucer  werkte  het  „Bedenken''  uit, 
en  Melanchthon  hechtte  er  in  alle  opzichten  zijne  goed- 
keuring aan.  Deze  onbeperkte  goedkeuring  is  een  merkwaardig 
bewijs,  hoe  Melanchthon,  ook  met  betrekking  tot  de  leer 
van  de  inrichting  der  gemeente  en  van  de  kerkelijke  tucht, 

1)  Ranke,  IV,  260. 

>)  V  a  r  r  e  n  t  r  d  p  p  .  S.  88.  De  degelijke  arbeid  van  dezen  geleerde  verschaft 
ons  voor  't  eerst  een  nauwkeurig  inzicht  in  deze  belangwekkende  poging  tot 
hervorming;  voor  ons  doel  zouden  wij  echter  gewenscht  hebben,  dat  er  wat 
meer  aandacht  aan  a  Lasco  gewijd  was;  immers,  die  enkele  vluchtige  ver- 
wijzing naar  eene  plaats  in  eenen  brief  van  Laski  (S.  199)  is  wel  wat  al  te 
weinig. 

3)  Ibid.,  S.  178. 


324 

overhelde  tot  de  richting,  die  door  Straatsburg  en  Zwitser- 
land met  zooveel  vrucht  gevolgd  werd.  Het  is  bekend,  dat 
de  Artikelen  over  het  heilig  Avondmaal,  op  welke  A  m  s  d  o  r  f 
door  een  uitvoerig  verslag  de  opmerkzaamheid  van  Luther 
gevestigd  had,  aan  dezei)  de  betreurenswaardige  aanleiding 
bood,  om  den  nauwelijks  bijgelegden  Sacramentsstrgd  op 
nieuw  te  doen  ontbranden,  en  wel  op  eene  wijze,  die  voor 
de  verdere  ontwikkeling  der  Evangelische  kerk  allerverder- 
felijkst  was.  Melanchthon  was  in  die  dagen  niet  zonder 
angstige  vrees,  dat  de  Hervormer  in  zijnen  toorn  wellicht 
de  gemeenschap  ook  met  hem  verbreken  zou. 

Deze  poging,  om  langs  vreedzamen  weg  eene  hervorming 
tot  stand  te  brengen,  leed  schipbreuk  op  den  tegenstand  van 
de  geestelijke  medeleden  van  het  Keulsche  domkapitteL  Terwgl 
het  genoemde  „Bedenken"  tot  op  verren  afstand  eenen  opwek- 
kenden invloed  uitoefende,  ^)  gelukte  het  aan  de  tegenstan- 
ders in  het  aartsbisdom  zelf,  elke  werking  van  het ,, Bedenken*' 
te  onderdrukken ;  dat  zij  hierin  zoo  geheel  naar  wensch  moch- 
ten slagen,  was  niet  het  minst  het  gevolg  van  den  ongunstigen 
toestand,  in  welken  de  Protestanten  in  het  rijk  zich  begon- 
nen te  bevinden.  Maar  de  Aartsbisschop  bleef  aan  zgne 
overtuiging  getrouw;  de  door  hem  in  het  land  geroepene 
Evangelische  predikers  behielden  in  hem,  zoolang  hij  leefde, 
eenen  krachtigen  steun.  Ook  Hardenberg  vertoefde  aan 
zijn  hof.  Waarschijnlijk  ook  door  hem  werd  de  Keurvorst 
op  La  ski  opmerkzaam  gemaakt.  In  Januari  1 545  was  H  a  r- 
denberg   in  zijn  vaderland  geweest,  en  had  zich  op  zijne 


1)  T.  a.  p. ,  blz.  199,  ?indt  men  eene  opgave  ?an  de  kerkorden! ogen  van 
verschillende  Protestantsche  landen,  op  welke  het  „Bedenken"  invloed  gehad 
heeft.  Met  een  beroep  op  de  plaats  bij  Kayper,  II,  575,  wordt  aldaar 
beweerd,  dat  het  genoemde  geschrift  ook  op  de  inrichting  der  Oostfriesche 
kerk  van  invloed  geweest  is;  dit  kan  echter  slechts  met  groot  voorbehoud 
worden  aangenomen;  wel  is  waar  spreekt  a  Lasco,  onmiddellijk  na  de  ontvangst 
van  het  gedrukte  werk,  zijn  voornemen  uit,  om  er  voor  Oost-Friesland  partij 
van  te  trekken,  maar  het  is  zeer  twijfelachtig,  of  hij  dat  voornemen  ook  wer- 
kelijk heeft  ten  uitvoer  gebracht.  Daarentegen  zullen  wij,  bij  den  verderen 
voortgang  dezer  geschiedenis,  aan  de  opgave  der  bedoelde  Protestantsche  landen 
Polen  hebbi^n  toe  te  voegen. 


325 

terugreis  gedurende  eene  maand  in  Emden  opgehouden.  ^) 
In  langen  tijd  hadden  de  beide  vrienden  zich  niet  in  het 
voorrecht  van  zulk  een  samenzijn  mogen  verblijden.  Spoedig, 
nadat  Hardenberg  weder  bij  den  Keurvorst  was  terugge- 
keerd, ontving  a  Las  co  van  dezen  eene  dringende  uitnoo- 
diging ,  aan  welke  hij ,  met  toestemming  van  de  Gravin , 
gevolg  gaf.  Verschillende  belangrijke  zaken  had  de  grijze 
kerkvorst  met  den  Hervormer  te  bespreken;  slechts  van  ééne 
zaak  vinden  wij  uitdrukkelijk  melding  gemaakt:  het  uittreden 
nl.  van  nonnen  uit  het  klooster^  iets^  dat  in  het  aartsbisdom 
aanzienlijke  verhoudingen  had  aangenomen.  ^)  Slechts  on- 
gaarne zag  de  Aartsbisschop  La  ski  vertrekken;  juist  in 
die  dagen  toch ,  in  welke  hij  in  eene  steeds  moeielijker  ver- 
houding ten  opzichte  van  den  Keizer  en  van  het  Domkapittel 
kwam  te  staan,  zou  hij  hem  gaarne  voor  goed  bij  zich  ge- 
houden hebben.  Op  zijn  dringend  verzoek  verklaarde  a  Lasco 
zich  echter  bereid,  om,  als  één  zijner  raadsheeren,  den  rijks- 
dag te  Worms  bij  te  wonen. 

Den  le^en  Mei  kwam  Karel  V  te  Worms,  des  anderen 
daags  kardinaal  F  ar  nes  e.  ^)  Ongeveer  tegelijkertijd  ook 
a  Lasco,  gelijk  hij  aan  den  Keurvorst  beloofd  had.  Op  de 
reis  derwaarts  had  hij  zich  een  paar  dagen  te  Heidelberg 
opgehouden,  ten  einde  den  Paltsgraaf,  Otto  Hendrik,  te 
bezoeken.  *)  In  Worms  bleek  het  echter  alras,  dat  de  stand 
van  zaken  een  gansch  andere  geworden  was,  dan  die  op  den 
Bijksdag  te  Regensburg  (1541),  ja  nog  het  laatstvoorgaande 
jaar  te  Spiers  geweest  was.  In  Trente  vergaderde  nu  einde- 
lijk het  Concilie;  tot  bijwoning  daarvan  waren  de  Protestanten 
niet  uitgenoodigd.  Tusschen  Paus  en  Keizer  was  nog  oneenig- 
heid  met  betrekking  tot  de  competentie  des  Keizers  op  het 
concilie.  Reeds  te  Worms  komt  de  gestalte  van  den  eersten 
Duitschen  Jezuïet  te  voorschijn.  De  Keizer  had  zich  van 
Keulen  uit  naar  den  rijksdag  begeven;  het  domkapittel,  de 


ï)  „Scrinium",  Til.  687. 

*)  Ibid.,  p.  681,  en  ook  Spiegel,  S.  58. 

^)  Sleidan,  p.  431. 

*j  K  u  y  p  e  r,  II,  718. 


326 

universiteit,  de  gelieele  clerus  was  tegen  de  hervorminga- 
plannen  van  den  Aartsbisschop  in  verzet  gekomen,  tot  groote 
voldoening  van  Ka  rel  V.  Alles  werkte  er  toe  mede,  dat 
de  aangelegenheden  van  den  godsdienst  met  weinig  voortva- 
rendheid behandeld  werden:  men  achtte  het  nauwelijks  meer 
de  moeite  waard  om  te  onderhandelen,  daar  men  zich  ver- 
zekerd hield,  dat  de  oorlog  zou  uitbreken,  en  men  op  eenen 
gunstigen  afloop  van  den  krijg  meende  te  mogen  staat  ma- 
ken. In  een  schrijven  uit  Worms  klaagt  Laski  over  den 
weinigen  ijver,  dien  men  bij  de  behandeling  van  de  aange- 
legenheden van  den  godsdienst  aan  den  dag  legde,  en  hoe 
men,  naar  alle  waarschijnlijkheid,  van  zins  was,  om  de  be- 
slissing weder  aan  eenen  volgenden  rijksdag  over  te  laten,  ^) 
denkelijk  in  de  hoop,  dat  vóór  dien  tijd  de  zaak  op  het  slag- 
veld zou  zijn  beslist  geworden.  Nog  vóór  de  sluiting  van 
den  rijksdag,  bereids  den  10*^^"  Juni,  verliet  a  Las  co  Worms, 
en  maakte  zooveel  haast,  om  tehuis  te  komen,  dat  hg  zijn 
plan,  om  zijne  vrienden  in  Straatsburg  te  bezoeken,  niet 
eenmaal  ten  uitvoer  bracht.  De  zaak  van  den  Keurvorst  was 
verloren.  In  Juli  ontving  hij  van  den  Paus  een  opontbod, 
om  zich  binnen  60  dagen  te  Rome  te  komen  verantwoorden ; 
eene  gelijke  dagvaarding  ontving  o.  a.  ook  de  broeder  van 
gravin  Anna,  de  Keulsche  domheer  Chris  tof  fel  van 
Oldcnburg.  ^)  De  vrome  aartsbisschop  behoefde  het  mis- 
lukken van  zijn  hervormingswerk  niet  lang  meer  te  overleven. 
In  1552  stierf  hij,  tot  het  laatst  toe  onbezweken  vasthou- 
dende aan  datgene,  wat  hij,  als  zijnen  éénigen  troost  in 
leven  en  in  sterven,  ook  nog  in  zijne  laatste  ure  blijmoedig 
beleed.  Herman  en  zijne  vrienden  hebben  de  kracht  des 
geloofs  gemist,  die,  zooals  Varrentrapp  zeer  terecht  op- 
merkt,^ „den  moed  verleent,  niet  alleen  om  te  lijden,  maar 
ook  om  te  handelen  en  te  wagen ;  zij  wisten  niet ,  met  den 
ernst  eens  dwepers  den  blik  van  een  man  dezer  wereld  te 
paren".  •**)    A   Las  co    was   in   deze   kunst   niet   onervaren 

ï)  Ibid.,  p.  591. 

2)  SI  ei  dan,  p.  -13G. 

3)  Varrentrapp,  S.  279. 


327 

maar  bij  kwam  te  laat  in  nadere  betrekking  tot  den  Keur- 
vorst, en  zou  wellicht  ook  niet  bij  machte  geweest  zijn,  om 
met  de  mate  zijner  gaven  het  gebrek  der  overigen  aan  te  vullen. 

Van  nog  twee  andere  reizen,  die  La  ski  tijdens  zijn 
verblijf  te  Emden  ondernam,  nl.  naar  Engeland  en  naar 
Pruisen,  zullen  wij  in  het  vervolg  geschikte  gelegenheid 
vinden  nader  te  gewagen.  Alvorens  wij  echter  deze  afdeeling 
besluiten,  hebben  wij  nog  melding  te  maken  van  een  klein 
geschrift,  dat,  wel  is  waar,  eerst  in  het  jaar  1551  door  den 
druk  openbaar  gemaakt  werd,  doch  welks  vervaardiging  en 
verspreiding  in  manuscript  in  den  kring  der  Oostfriesche 
leeraren  omstreeks  vijf  jaren  vroeger  heeft  plaats  gehad. 

Toen  a  Lasco,  na  zijn  bezoek  aan  het  hof  van  Her- 
man V.  Wied,  naar  Emden  teruggekeerd  was,  en  voor- 
dat hij,  in  April  1545,  de  reis  naar  Worms  aanvaardde, 
gevoelde  hij  in  den  tusschentijd  de  dringende  behoefte,  om 
zijne  zienswijze  aangaande  het  heilig  Avondmaal  in  duide- 
lijke, onbewimpelde  bewoordingen  uit  te  drukken.  Wij  her- 
"  inneren  ons,  dat  de  Sacramentsstrijd  op  nieuw  was  uitgebroken; 
juist  te  Bonn,  aan  het  hof  van  den  Aartsbisschop,  wiens 
„Bedenken"  de  eerste  aanleiding  tot  den  strijd  had  gegeven, 
had  hij  gelegenheid  en  oorzaak,  om  zijne  eigene  opvatting 
aan  deze  belangrijke  kwestie  van  den  dag  te  toetsen  en 
haar  opzettelijk  te  rechtvaardigen.  Allereerst  welUcht  slechts 
tegenover  zich  zelven.  Maar  de  strijd  drong  zoozeer  aller- 
wegen door,  en  de  behoefte  aan  eene  beslissing  deed  zich 
zoo  nadrukkelijk  in  alle  kringen  gevoelen,  dat  ook  de  „coetus'' 
in  Emden  te  dezen  aanzien  partij  moest  kiezen.  Wij  hebben 
gezien,  dat  er  ook  zulke  elementen  in  het  land  waren,  die 
met  betrekking  tot  deze  vraag  beslist  aan  de  zijde  van  L  u  t  h  e  r 
stonden,  en  die,  nadat  de  meester  met  zulk  eenen  onverbid- 
delijken  toorn  tegen  de  Zwitsers  was  opgetreden,  moed  schep- 
ten, om  op  gelijke  wijze  ook  hier  eene  ondubbelzinnige  taal 
te  doen  hoeren.  A  Lasco  meende,  niet  te  mogen  zwijgen, 
maar  hij  was  nochtans  niet  gezind,  zijne  beschouwing 
als   eene    geloofsbekentenis  in  het  licht  te  zenden,  en  daar- 


328 

door  in  zijne  invloedrijke  betrokking  eene  zekere  pressie  uit 
te  oefenen;  uit  dien  hoofde  koos  hij  den  meer  onschuldigen 
vorm ,  zijne  overtuiging  in  ecnen  Brief  aan  een  vriend  neder 
te  leggen,  welken  brief  hij  aan  de  gemeenten,  die  aan  zijne 
leiding  waren  toevertrouwd,  deed  toekomen.  *)  Vijfjaren 
later  kwam  het  hem  voor,  dat  de  tijd  gekomen  was,  om 
den  inhoud  van  genoemd  schrijven  openbaar  te  maken.  De 
eerste  hitte  van  den  strijd  was  voorbij,  zoodat  hij  toen, 
meer  dan  vroeger^  de  hoop  mocht  koesteren,  dat  men  don 
inhoud  van  zijn  geschrift  rustig  zou  overwegen.  Tot  het 
laatste  toe  is  a  Lasco  aan  de  daarin  door  hem  uitgespro- 
keno  zienswijze  getrouw  gebleven.  Nog  in  het  jaar  1555 
betuigde  hij  aan  koning  Sigismund  van  Polen,  dat  hij 
aan  deze  leer,  gelijk  hij  haar  tien  jaren  lang  in  Oost-Fries- 
land beleden  had,  nog  steeds  vasthield.  ^) 

Het    zendschrijven    onderscheidt    zich    door   een  weldadig 
streven,  om  de  strijdende  partijen  met  elkander  te  verzoenen, 
en  om,  met  het  oog  op  het  vele,  waarin  zij  te  zamen  over- 
eenstemmen, de  punten  van  verschil  op  den  achtergrond  te 
doen  treden.  Het  is  cone  ware  verkwikking,  nadat  men  eene 
poos   naar    het   luid    rumoer  en  krakeel  ter  rechter-  en  ter 
linkerzijde    geluisterd  heeft,  nu  op  eenmaal  deze  vreedzame 
stem  te  vernemen.  „Nademaal  over  de  verborgenheid  („my- 
sterium")  zelve  van  het  sacrament  des  Avondmaals"  —  zóó 
besluit    a  Lasco  zijn  treffelijk  schrijven,  —  „onder  de  ge- 
leerden   volstrekt    geen    strijd  is  (want  allen  erkennen,  dat 
het  Avondmaal  des  Hoeren  de  gemeenschap  des  lichaams  en 
des  bloeds  van  Christus  is,  terwijl  alle  waarlijk  vromen  te- 
vreden   zijn    met   het  wezen  van  het  sacrament  te  bezitten, 
al   kunnen  zij  dan  ook  hot  Hoe  daarvan  niet  in  allen  deele 
nauwkeurig   bepalen),  zoo  zou  ik  het,  vooral  in  dezen  tijd, 
voldoende  rekenen,  het  volk  enkel  en  alleen  aangaande  het 
wezen  der  sacramenten  te  onderrichten,  d.  i.  betreffende  de 
ons    daardoor    verleende    gemeenschap    des  lichaams  en  des 

I)  K  u  y  p  e  r,  I,  p.  LXXI  vg.,  alwaar  men  ook  do  hierbij  behoorende  bewgi- 
plaatsen  vindt. 
»)  Ibid.,  II,  22. 


829 

bloede  van  Christus,  ten  einde  de  onderlinge  overeenstemming 
in  de  leer  te  behouden,  terwijl  wij  ons  van  het  strijden  over 
de  elementen  in  het  sacrament  to  onthouden  hebben,  om 
niet  olie  in  het  vuur  te  gieten.  Wij  moeten  in  het  oog  hou- 
den, dat  onze  macht  in  de  bediening  ons  geenszins  tot  twis- 
ting, maar  tot  opbouwing  van  de  gemeenten  gegeven  is 

Dit  is  zeker,  dat  alle  die  leeraren,  welke  te  dezen  aanzien 
van  elkander  verschillen,  zóó  gezind  zijn,  dat,  wanneer  zij 
door  het  onwraakbaar  gezag  van  het  Woord  Gods  zich  van 
hunne  dwaling  overtuigd  gevoelen,  zij  dan  ook  met  de  meeste 
bereidwilligheid  hunne  meening  zullen  wijzigen.  Hunne  vroom- 
heid en  hun  ijver,  om  het  Evangelie  van  Christus  te  ver- 
breiden, is  aan  allen  bekend.  Wanneer  nu  God,  om  de 
waarheid  zijner  verborgenheden  te  helderder  in  het  licht  te 
doen  treden,  en  de  schandelijkheid  van  den  papistischen  af- 
godsdienst  steeds  duidelijker  te  doen  uitkomen,  zijne  kerk  nog 
door  een  zoodanig  verschil  van  meeningen  wil  oefenen,  dan 
is  het  onze  plicht,  dat  wij  elkander  en  tevens  elkanders 
dwalingen  wederkeerig  met  christelijk  geduld  en  zachtmoe- 
digheid verdragen".  *) 

Wat  de  sacramenten  in  het  algemeen  betreft,  gaat  Laski 
van  deze  grondstelling  uit,  „dat  zij  inzettingen  van  Christus 
zijn,  welke  vooral  daartoe  aan  zijne  kerk  werden  geschon- 
ken, opdat  door  haar  rechtmatig  gebruik  de  geheele  kerk 
in  de  heilzame  gemeenschap  met  Christus,  den  Heer,  ver- 
zegeld worde  („obsignetur''),  door  welke  gemeenschap  alleen, 
wanneer  wij  haar  in  het  geloof  erlangen,  wij  rechtvaardig 
zijn.  Vervolgens  echter  ook  tot  eene  voortdurende  herinnering 
voor  haar,  dat  zij  schuldig  is,  om  een  beeld  van  de  gemeen- 
schap met  Christus  te  aanschouwen  te  geven,  door  het  geloof 
in  wien  zij  het  zegel  ontvangt."  Passen  wij  dit  nu  op  het 
heilig  Avondmaal  toe,  zoo  „bezegelt  ons  het  gebruik  daarvan 
onze  gemeenschap  met  Christus  in  zijn  lichaam  en  bloed, 
en  daarmede  ook  onze  gerechtigheid,  die  door  het  geloof 
ons   deel  wordt*' . . .    „Voorts  erkennen  wij  gaarne  de  tegen- 

1}  Ibid.,  I,  479. 


330 


woordighoid  van  C'hviatua,  onzfn  Heer,  in  zijn  Avondmaal, 
bij  hetwelk  Hij  krachtig  werkzaam  ia  tot;  heil  van  allen,  die 
door  het  gebruik  van  het  Avondmaal  hunne  gemeenBchap 
met  Hem,  en  de  zijne  met  ons  betuigen.  Wat  overigens  de 
wijze  van  zijne  tegenwoordigheid  aanbelangt,  daarover  maken 
wij  ons  volstrekt  niet  bezorgd;  zoolang  nog  de  meeningen 
der  geleerden  to  dien  opzichte  uiteenloopen,  hebben  wij  on» 
alleenlijk  van  elk  nieuwsgierig  onderzoek  dienaangaande  ten 
aanhooron  des  volks  te  onthouden,  dewijl  het  oub  volkomen 
genoeg  is,  dat  wij  Christus  zelven  bezitten."  ^ 

Het  standpunt  van  a  Laaeo  ia  duidelijk.  Zjjne  zienswyze 
komt  het  meest  overeen  met  de  Calvinistisch-Melanchthoni- 
aansche  opvatting,  gelijk  zij  hare  geldige  uitdrukking  in  de 
gewijzigde  Augeburgsühe  confessie  van  1540  gevonden  heeft, 
eene  wijziging,  in  welke  tooh  ook  Luther,  althans  stilzwij- 
gend, berust  had. 


Slaar  de  meer  vreedzame  en  stille  tijd  in  het  leven  en 
de  werkzaamheid  van  onzen  vriend  spoodde  ten  einde.  Slechts 
gedurende  drie  jaren  mocht  hij  ongestoord  zijn  buitenverblyf 
bewonen.  Toen  pakten  de  dreigende  onweerswolken  zich  ook 
boven  het  afgelegen  landje  te  zamen ,  en  zag  L  a  s  k  i  zich 
op  nieuw  verplicht  den  reiastaf  ter  hand  to  nemen. 

e)    Het   Interim   en  zijn  invloed  op  Laski'a  lot. 


Was  de  mislukking  van  het  Keulscho  hervormingsplan 
inzonderheid  hieraan  te  wijten,  dat  zijne  voorstanders  niet  in 
staat  geweest  waren,  om  „met  den  ernst  eens  dwepers  den 
blik  van  een  man  dezer  wereld  te  paren",  dat  zelfde  onvermo- 
gen openbaarde  zich  nu  ook  op  hoogst  noodlottige  wijze  ia 
den  verderen  voortgang  der  Evangelische  beweging.  Alsof 
deze  nnReschiktheid  een  onuitroeibare  trek  in  het  Duitsche 
wezen  ware !  En  toch  bevond  zich  reeds  destijds  de  dege- 
lijkste  kracht,  van  Duitschland  in  het  leger  der  Prote-stanten, 
Ook  het  onervaren  oog  moest  bespeuren,  dat  de  toeatanden 
zfïó    ingewikkeld    werden,    dat    zij  slechts  door  de  wapenen 


331 

konden  worden  ontward.  Hoe  weinig  moeite  zou  het  aan  het 
Smalkaldisch  verbond,  ook  nog  in  den  zomer  van  1546,  gekost 
hebben,  om  do  sluwe  Spaansche  politiek,  die  met  het  fijnste 
overleg  zich  alle  omstandigheden  zocht  ten  nutte  te  maken, 
ten  einde  haar  óóne,  groote  oogmerk  te  bereiken,  geheel  te 
verijdelen,  en,  met  slechts  geringe  diplomatieke  kunst, 
van  de  erge  spanning  tusschon  Keizer  en  Paus  tot  eigen 
voordeel  partij  te  trekken!  Maar  argeloos,  bijkans  zonder 
besef  van  den  waren  stand  van  zaken  en  van  de  wijze, 
waarop  zij  zich  dien  konden  ten  nutte  maken ,  gingen  de 
Protestantsche  vorsten  hun  verderf  te  gemoet.  Ook  toen 
de  Smalkaldische  oorlog  reeds  was  uitgebrokeft ,  lag  de  be- 
slissing nog  in  hunne  hand.  In  het  Thuringorwoud  hadden 
zij  een  leger  van  ongeveer  20,000  man  ter  hunner  beschik- 
king, in  het  Wurtembergsche  waren  12,000  man  strijdvaardig, 
terwijl  de  Keizer  nog  met  veel  moeite  zijne  troepen,  die  heinde 
en  ver  verstrooid  waren,  moest  bijeentrekken.  Den  wakkeren 
Schartlin  zou  het  in  die  dagen  niet  moeielijk  gevallen 
zijn,  den  aanmarsch  van  keizerlijke  troepen  uit  het  Zuiden 
te  beletten;  maar  de  krijgsraad  van  het  leger  der  Protes- 
tanten bleef,  uit  oorzaak  van  allerlei  consideraties,  voortdu- 
rend weifeUni  en  was  als  met  blindheid  geslagen.  Daarbij 
kwam  dan  nog  het  bezetten  van  Keur-Saksen  door  hertog 
Maurits,  eeno  gebeurtenis,  die  door  haar  gevolg  tot  eene 
misdaad  werd  tegen  de  Evangelische  kerk.  Zoo  zien  wij , 
ook  op  staatkundig  gebied,  het  algemeene  welzijn  voor  bij- 
zondere belangen  achtergesteld,  en  den  bond  ten  prooi  aan 
eene  innerlijke  verdeeldheid,  die,  evenals  de  tweedracht  op 
kerkelijk  terrein,  welke  reeds  zoo  spoedig  aan  het  licht  trad, 
slechts  tot  voordeel  van  den  tegenstander  strekte.  Op  de  Lo- 
chau'sche  heide,  in  de  nabijheid  van  Mühlberg,  had  in  het 
voorjaar  van  1547  het  beslissende  treffen  plaats.  Al  was  ook 
de  strijd  niet  zoo  vreeselijk  bloedig,  toch  was  hij  in  zijne 
gevolgen  van  groote  beteekenis  voor  de  wereldgeschiedenis. 
Aan  de  Protestantsche  machten  werd  door  den  Keizer  een 
bijkans  doodelijke  slag  toegebracht.  De  keurvorst  van  Saksen 
was    gevangen    genomen.    Zijne  keurvorstelij ke  waardigheid 


332 

werd  aan  Maurits  opgedragen;  de  stad  van  Luther  werd 
door  de  keizerlijke  troepen  bezet.  Ten  gevolge  van  deze 
overwinning  moest  de  landgraaf  van  Hessen  zich,  zeven  weken 
later  (19  Juni),  op  genade  en  ongenade  overgeven. 

Het  lot  der  Evangelische  kerk  was  nu,  naar  den  mensch 
gesproken,  van  de  willekeur  des  Keizers  afhankelijk.  Slechts 
in  Nedersaksen  werden  nog  een  paar  zwakke  pogingen  in 
het  werk  gesteld,  om  zich  tegen  de  macht  van  den  Span* 
jaard  te  verzetten.  ChristoflPel  van  Oldenburg,  de  strijd- 
bare held  en  moedige  pleitbezorger  der  Protestanten,  stelde 
zich  met  Al b recht  van  Mansfeld  aan  de  spits  van  eene 
schaar  van  ruiters  en  lansknechten.  In  den  omtrek  van  Dron- 
kenborg  ontmoette  men  de  keizerlijken  onder  aanvoering  van 
hertog  Erich  van  Brunswijk.  Hier  ten  minste  overwonnen 
de  Protestanten;  in  blijmoedige  stemming  werd  te  Bremen 
het  Pinksterfeest  gevierd.  Maar  het  kleine  voordeel  kwam 
niet  in  aanmerking  bij  de  onherstelbare  schade:  de  Keizer 
achtte  het  niet  eenmaal  noodig,  om  verder  op  den  voorspoed 
der  Nedersaksers  te  letten;  het  onbeduidende  succes  der 
Protestanten  moest  vanzelf  verdwijnen,  wanneer  de  fortuin 
hem  genegen  bleef,  en  't  hem  vergund  was,  alle  de  vruch- 
ten van  zijne  overwinning  bij  Mühlberg  te  plukken. 

Het  was  toch  niet  een  strijd  uitsluitend  tusschen  Rome 
en  Wittenberg,  die  hier  tot  eene  bepaalde  beslissing  geko- 
men was,  ook  niet  eenmaal  in  staatkundig  opzicht.  De  diepe 
tweespalt,  de  sterke  spanning  tusschen  den  Keizer  en  den 
Paus ,  welke  nu  duidelijk  aan  het  licht  trad ,  was  een  gun- 
stig voorteeken  voor  de  Evangelische  partij.  Er  was  Pau- 
lus  III  méér  aan  gelegen,  om  zijn  wereldlijk  gezag  tegenover 
den  Keizer  te  handhaven,  dan  om,  in  vereeniging  met  hem, 
dé  Evangelische  kerk  op  dit  zoo  gunstige  tijdstip  met  geweld 
te  onderdrukken,  en  Ka  rel  V  op  zijne  beurt  was  eerder 
geneigd,  om  het  voordeel  der  overwinning  prijs  te  geven, 
en  de  zaak  der  Roomsche  kerk  op  te  offeren,  dan  om  ook 
slechts  in  het  geringste  te  gedoogen,  dat  er  op  zijne  keizer- 
lijke macht  inbreuk  gemaakt  werd.  In  die  zelfde  dagen  zal 
de   Paus,    gelijk    beweerd    wordt,    zich    in  zijne  woede  het 


333 

godslasterlijke  woord  hebben  laten  ontvallen,  dat  hij  zich 
zou  redden^  zoo  goed  als  hij  kon,  ook  al  zou  hij  daartoe 
de  hel  moeten  te  hulp  roepen.  ^)  Een  bondgenootschap  tus- 
schen  den  Paus  en  den  Sultan  achtte  men  niet  onmogelijk, 
terwijl  de  keizerlijke  gezant  in  Rome  er  over  dacht,  om  in 
naam  des  Keizers  den  Engelenburg  te  bemachtigen.  Deze 
staat  van  zaken  had  eenen  wezenlijken^  ja,  ondanks  het 
smartelijk  nadeel,  dat  het  Interim  aan  de  Evangelische  kerk 
berokkende,  eenen  gunstigen  invloed  op  de  overeenkomst  met 
de  ten  onder  gebrachte  Protestanten.  Want  in  de  omgeving 
des  Keizers  deden  zich  stemmen  hooren,  die  eenvoudig  de 
laatstverloopen  dertig  jaren  uit  de  geschiedenis  wenschten  te 
zien  uitgewischt,  en  elkeen  gevoelde,  dat  Duitschland  op  dit 
oogenblik  weder  eens  een  opperheer  bezat,  die  zijn  gezag 
wist  te  doen  gelden. 

Onder  zulke  omstandigheden  kwam,  in  den  herfst  van 
1547,  de  rijksdag  te  Augsburg  bijeen.  Slechts  het  vierde  eener 
eeuw  was  sinds  den  gedenkwaardigen  rijksdag  van  Worms 
verloopen,  maar  hoe  ontzaglijk  veel  was  er  in  deze  spanne 
tijds  niet  geschied!  Ditmaal  hadden  de  Protestanten  geenen 
Luther,  die,  alleenlijk  in  de  kracht  Qods,  aan  Keizer  en 
rijk  moedig  het  hoofd  dorst  te  bieden!  Kar  el  V  was  per- 
soonlijk aanwezig,  in  het  volle  besef  van  zijne  macht,  gereed 
om  de  vruchten  van  zijne  zegevierende  staatkunde  in  te  oogsten. 
Vóór  alle  dingen  rekende  hij  het  zijne  dure  roeping,  om,  door 
het  uitvaardigen  van  cene  opzettelijke  verordening,  de  gods- 
dienstige aangelegenheden  in  Duitschland  te  regelen.  Deon- 
oenigheid  op  kerkelijk  gebied  moest  worden  bijgelegd,  natuurlijk 
volgens  het  goeddunken  van  den  katholieken  heerscher.  Een 
christelijk  concilie  moest  die  vereffening  tot  stand  brengen. 
Het  concilie  was  intusschen  reeds  begonnen ;  in  wat  zin  het 
deze    taak  zou  volvoeren,  dienaangaande  konden  de  Protes- 

1)  „Que  hara  lo  que  pudicre  y  se  ajutara  con  el  diablo."  Ranke  (V,  10) 
ontleent  het  woord  aan  de  gewichtige  depêches  van  den  keizerlijken  gezant 
Diego  de  Mendoza,  den  behendigsten  diplomaat  der  Spaansch-kcizerlijke  politiek. 
Met  welk  eene  ironie,  met  welk  ecne  verachting  biedt  Mendoza  aan  den  Paus 
en  zijne  staatkunde  het  hoofd,  en  toch  blijft  hij  daarbg  aan  de  leerstellingen 
zijner  kerk  trouw  verknocht  1 


384 

tanteE,  na  kennisneming  van  de  reeds  voorhanden  zijode 
protocollen ,  niet  in  het  onzekere  verkeeren.  Het  waa  voor 
hen  nog  een  geluk,  dat  juist  dit  Tfentacli-Bologneescbe  con- 
cilie de  twistappel  waa  tuasehen  Paus  en  Keizer,  en  bijge- 
volg niet  geschikt,  om  den  gewenschten  invloed  uit  te 
oefenen.  Tot  op  het  tijdstip,  dat  het  coueilie  eene  beslisaing 
zou  hebben  genomen,  moesten  middelerwijl  („interim")  tus- 
schen  de  moederkerk  en  de  sekten  zekero  overeenkomsten 
van  kracht  zijn:  ter  eener  zijde  werd  aan  de  priesters  het 
huwelijk,  aan  de  leeken  bet  gebruik  van  den  kelk  bij  de 
Avondmaalsviering  toegestaan,  terwijl  daarbij  de  vooraehriften 
betreffende  het  vasten  verlicht  werden;  doch  aan  den  anderen 
kant  werd  geëischt,  dat  men  het  primaat  van  den  Paus, 
de  leer  der  Itoomsche  kerk  aangaande  de  sacramenten  en 
de  Tranaaubötantiatie,  do  voorbidding  der  heiligen,  de  pro- 
cessies en  andere  ceremoniën  zou  aannemen. 


Het  is  iets  zeer  smartelijks,  de  invoering  van  dit  Interim 
in  de  afzoiideriijke  Protestantsche  gewesten  van  Duitschland 
na  te  gaan.  Met  slechts  zeer  luttele  uitzonderingen  bukten 
zich  de  vorsten,  zij  't  ook  met  tegenzin;  ernstig  bedreigd 
met  den  toorn  des  Keizers,  onderwierpen  zich  ook  de  stede- 
lijke magistraten ,  met  vaak  aandoenlijk  tegenstreven.  Zelfa 
Melanchthon  liet  zich  helaas  vinden,  om  in  het  z.  g. 
Leipziger  Interim  aan  het  streven  des  Keizers  te  gemoet 
te  komen,  terwijl  hij  datgene  ala  iets  onwezenlijks  zich 
wilde  laten  welgevallen,  wat  door  duizenden  ala  eeno  zware 
krenking  van  hun  Evangelisch  geloof  werd  beschouwd.  Vele 
leeraren  daarentegen  waren  liever  bereid,  om  hunne  bedie- 
ning en  hun  tijdelijk  bestaan,  dan  om  hunne  Evangeliacho 
vrijheid  als  ehristenmenschen  prijs  te  geven.  Uit  huis  en  hof 
verjaagd ,  zwierven  zij  in  ballingschap  rond ;  deze  bittere 
gang  toch  kwam  hun  beter  voor,  dan  om,  onder  bittere 
knagingen  van  hun  geweten  ,  hunne  aangename  bediening  te 
blijven  voortzetten. 

Ook  tot  ons  zoo  afgelegen,  half  vergeten  landje  strekte  de 
werking  van  het  Interim  zich  uit,  en  wel  op  eene  wijze,  die 


335 

van  grooten  invloed  was  op  het  lot  van  onzen  vriend.  Met 
gespannen  opmerkzaamheid  had  hij  den  loop  der  gebeurte- 
nissen gevolgd.  Zijn  verblijf  eerst  in  Bonn  en  daarna  in 
Wittenberg  had  hem  nader  gebracht  tot  het  middelpunt  der 
beweging;  daarop  waren  de  sombere  dagen  van  den  oorlog 
met  zijnen  betreurenswaardigen  afloop  gevolgd.  Toen  zijn 
beschermer,  hertog  Chris  tof  fel  van  Oldenburg,  als  over- 
winnaar Bremen  binnentrok ,  was  vriend  Hardenberg 
aireede,  na  zijne  betrekking  tot  den  Keurvorst  te  hebben 
nedergelegd,  Evangelieprediker  in  de  hoofdkerk  te  Bremen 
geworden.  Als  van  nabij  kon  onze  vriend  ook  den  verderen 
loop  der  gebeurtenissen  volgen.  Zijn  broeder  Stanislaus 
woonde,  als  gezant  van  Polen,  den  rijksdag  van  Augs- 
burg  bij.  ^)  De  verhouding  tusschen  de  beide  broeders  was, 
alhoewel  bevredigend  van  aard,  toch  niet  zop  innig,  als  tus- 
schen onzen  vriend  en  wijlen  Hier  on  y  mus.  De  briefwis- 
seling was  in  de  laatste  jaren  allengs  verslapt.  Melanchthon 
bericht  aan  onzen  vriend,  dat  een  zoon  van  Stanislaus, 
die  zich  aan  het  hof  van  hertog  Maurits  van  Saksen  be- 
vond, door  zijnen  dronken  dienaar  was  omgebracht.  La  ski 
betwijfeld  deze  mededeeling,  dewijl  hij  niet  weet,  hoe  zijn 
neef  aan  het  Duitsche  hof  zou  zijn  gekomen.  ^)  De  dagen, 
gedurende  welke  de  rijksdag  te  Augsburg  vergaderd  was, 
verlevendigden  weder  de  briefwisseling;  Stanislaus  hield 
zijnen  broeder  getrouw  óp  de  hoogte.  Zoowel  zijn  hooge 
rang,  als  ook  het  persoonlijk  aanzien,  dat  hij  genoot,  vergun- 
den den  Poolschen  gezant  een  en  blik  te  werpen  ook  in  de 
meer  verborgene  schuilhoeken  der  heerschende  staatkunde. 
Aan  het  belangwekkend  bericht  van  eenen  uitstekenden  tijd- 
genoot, die  ook  in  Augsburg  geweest  is,  ontleenen  wij  de 
korte  schildering,  dat  de  gezant  van  Polen  „een  statig, 
hoogst  ervaren,  geleerd,  welsprekend,  aanzienlijk  man  was, 
aangenaam  en  beminnelijk  in  den  vertrouwelij  ken  omgang".  ') 
Zijne   bedrevenheid   in  vreemde  talen,  die,  gelijk  wij  reeds 

I)  Eichhorn,  I,  94. 
ï)  K  u  y  p  e  r,  IT,  593. 
3)  G  rotr,  S.  240. 


336 

vroeger  gezien  hebben,  aan  de  gebroeders  La  ski  eigen  was, 
wekte  op  den  rijksdag  verwondering.  Men  zag  den  Bey 
van  Tunis,  M  u  1  e  y  H  a  s  s  a  n,  die  in  Augsburg  de  hulp  des 
Keizers  kwam  inroepen,  bijkans  altoos  in  de  nabijheid  en 
het  gezelschap  van  den  Poolschen  gezant,  dewijl  deze  zich 
met  hem  in  zijne  moedertaal  kon  onderhouden.  —  Door 
zulk  een  kanaal  was  onze  Laski  in  het  bezit  van  berichten, 
gelijk  niemand,  ook  de  Qravin  niet,  ze  zoo  zeker  en  spoedig 
ontvangen  kon.  Weldra  was  hij  te  weten  gekomen,  dat  de 
kardinaal  van  Trente,  Madrucci,  dien  de  Keizer  tot  den 
Paus  gezonden  had,  hoegenaamd  niets  bg  P  a  u  1  u  s  III  had 
kunnen  uitrichten,  en  dat  alzoo  de  oneenigheid  tusschen  de 
beide  machten  op  openbare  vijandschap  was  uitgeloopen ; 
reeds  in  Februari  droeg  hij  er  kennis  van,  dat  de  Paus  het 
beleg  had  geslagen  om  Piacenza,  hetwelk  na  de  vermoording 
van  Pier  Luigi  Farnese,  eenen  zoon  des  Pauzen,  door 
Ferrante  Gonzaga,  den  keizerlijken  bevelhebber  in  Mi- 
laan, was  bezet  geworden.  ^ )  Deze  berichten  boezemden  noch- 
tans onzen  Laski  niet  veel  hoop  in,  die  eenen  scherpen 
blik  bezat  voor  het  recht  verstand  van  wereldsche  dingen, 
en  die,  wat  méér  is,  tevens  in  staat  was,  om  de  grenzen 
van  hunnen  invloed  op  geestelijke  dingen  te  bepalen.  Juist 
in  die  dagen  schreef  hij  het  profetische  woord,  dat  voor  alle 
tijden  van  kracht  blijft:  „Aangaande  de  rijksdagen,  in  ver- 
band met  godsdienstige  aangelegenheden,  koester  ik  nog  al- 
toos dezelfde  meening,  als  vroeger.  Wanneer  wij  beproeven, 
om  zaken  van  den  godsdienst  door  menschelijke  voorzichtig- 
heid en  schranderheid  te  leiden  en  te  bevorderen,  dan  gaat 
het  met  haar  achteruit,  van  dien  tijd  af,  dat  wij  ze  met 
menschclijken  steun  meenen  te  kunnen  schragen.'^ 

Betreffende  den  dcfinitieven  uitslag  der  beraadslagingen  over 
de  kerkelijke  aangelegenheid  op  den  rijksdag  had  a  Lasco 
zich  niet  bedrogen.  „Moge  de  Heer  zijne  kerk  in  zijne  be- 
scherming nemen'',  zóó  roept  hij,  na  de  uitvaardiging  van 
het   Interim,    weemoedig   uit.    Het   Leipziger  Interim,  „dat 


*)  K  u  y  p  c  r,  IT,  013. 


337 

den  stempel  van  Philippus  vertoont/'  baart  hem  diepe  smart. 
Uit  achting  voor  Melanchthon  wil  hij,  ook  in  zijn  ver- 
trouwelijk schrijven  aan  Hardenberg,  de  gewaarwordingen, 
die  het  boek  bij  hem  heeft  opgewekt,  niet  met  zoovele  woor- 
den uiten;  slechts  deze  ééne  verzuchting  ontglipt  aan  zijne 
moede  ziel:  „Wanneer  al  datgene,  wat  in  dit  geschrift  als 
„adiaphoron^^  niet  wordt  afgekeurd,  van  dien  aard  is,  dat 
men  het  weder  kan  aannemen,  wat  moeten  zij  dan  beginnen^ 
die  verkondigd  hebben,  dat  men,  ook  met  gevaar  van  zijn 
leven,  datgene  bestrijden  moet,  wat  zij  nu  klaarblijkelijk  niet 
bestrijden,  en  voor  hoe  velen  was  zulks  toch  de  aanleiding, 
dat  zij  deswege  werden  ter  dood  gebracht.  O  kom,  Heere 
Jezus  T'  1) 

Tegen  het  einde  van  Augustus  1548  verscheen  ook  te  Emden 
een  keizerlijke  bode,  om  gebiedend  te  vorderen,  dat  men  zich 
aan  het  Interim  zou  onderwerpen.  Toen  de  bode  aankwam, 
vertoefde  de  Gravin  juist  buitenslands,  in  Heidelberg,  aan 
het  hof  van  den  paltsgraaf  Otto  Hendrik,  om  met  hem 
over  kerkelijke  aangelegenheden  te  beraadslagen;  a  La  se  o 
was  op  het  punt,  om  gevolg  te  geven  aan  eene  dringende 
uitnoodiging  naar  Engeland,  ten  einde  aan  de  regeling  van 
de  kerkelijke  toestanden  daar  te  lande  deel  te  nemen.  De 
Gravin  had  hem  bereids  het  gevraagde  verlof  toegestaan, 
onder  uitdrukkelijke  voorwaarde  evenwel,  dat  hij  zoo  spoedig 
mogelijk  zou  terugkeer  en,  om  zijne  werkzaamheden  in  den 
dienst  der  Oostfriesche  kerk  te  hervatten.  La  ski  achtte  het 
't  raadzaamste,  om,  al  was  't  ook  met  een  beklemd  gemoed, 
zijne  belofte  van  spoedig  te  zullen  afreizen  ook  nu  niet  terug 
te  nemen ;  hij  kon  toch  hopen,  dat  door  zijne  afwezigheid  en 
die  der  Gravin  de  beslissing  op  de  lange  baan  zou  worden 
geschoven,  en  dat  scheen  in  die  kommervolle  dagen  reeds 
eene  bepaalde  winst.  Hoe  zwaar  de  druk  der  tijden  zich  aan 
allen  deed  gevoelen,  en  welke  gevaren  inzonderheid  de  leids- 
lieden  der  Evangelische  kerk  bedreigden,  kan  daaruit  worden 
opgemaakt,  dat  onze  vriend  slechts  vermomd  en  onder  eenen 


1)  Ibid.,  II,  617. 

DALTON.  22 


338 

yreemden  naam  den  tocht  dorst  te  ondernemen.  Reeds  op 
zijne  reis,  van  uit  Antwerpen,  gelijk  daarna,  in  den  loop 
van  den  winter,  bij  herhaling  van  Engeland  uit,  richtte 
a  La  SC  o  opwekkende  troostbrieven  aan  zijne  gemeente  onder 
het  kruis.  Het  is  wel  te  bejammeren,  dat  deze  zendbrieven 
tot  dusver  nog  niet  zijn  teruggevonden;  Emmius  schijnt 
ze  nog  onder  zijne  oogen  gehad  te  hebben,  als  hij  er  dit 
uittreksel  aan  ontleent,  dat  de  predikers  toch  slechts  moesten 
volharden  en  goedsmoeds  zijn.  Ingeval  zij  soms  uit  huis  en 
hof  worden  verjaagd,  dan  heeft  hun  getrouv/e  superintendent 
in  Engeland  een  toevluchtsoord  voor  hen  bereid,  alwaar  zij, 
in  vereeniging  met  vele  ballingen  om  des  geloofs  wil,  onge- 
stoord kunnen  leven.  Doch  zij  moesten  slechts  getrouw  vol- 
harden. Het  is  ^t  lot  der  vromen  in  deze  eeuw,  vervolging 
te  ondergaan.  De  laatste  tijden  zijn  aangebroken;  de  Satan 
woedt,  om  het  rijk  van  Christus  te  verwoesten.  Maar  Christus 
zal  overwinnen  en  de  zijnen  uitredden;  immers,  Hij  is  de 
sterke  Leeuw  uit  den  stam  van  Juda.  De  Keizer,  die  gebiedt, 
is  zeker  groot  en  machtig,  maar  God,  die  verbiedt,  is  grooter 
en  machtiger.  Den  Keizer  moet  men  wel  gehoorzamen,  maar 
slechts  tot  aan  den  dorpel  van  het  heiligdom  ^). 

Intusschen  was  de  Gravin  in  haar  land  teruggekeerd,  moe- 
deloos en  ten  einde  raad,  want  ook  in  Ueidelberg  was  men 
onzeker,  wat  te  doen,  en  loodzwaar  drukte  de  angst  op  aller 
gemoederen.  Het  was  een  gevaarlijk  spel  voor  land  en  volk, 
door  wederstrevigheid  den  toorn  des  Keizers  op  zich  te  laden. 
En  de  Keizer  bevond  zich  op  eenen  bedenkelijk  korten  afstand. 
Yan  Augsburg  was  hij  naar  Brussel  gereisd,  om  aan  zijnen 
zoon  Philips  het  bewind  over  de  Nederlanden  op  te  dragen. 
AUeerst  door  bidden  en  smeeken  trachtte  de  Gravin  aan  de 
onderwerping  onder  het  Interim  te  ontkomen.  Het  mocht 
toch  den  Keizer  behagen,  geduld  en  toegevendheid  te  oefenen 
met  eene  hulpelooze  weduwe,  en  haar  te  vergunnen,  de  ker- 
kelijke aangelegenheden  in  haar  arme  landje  onaangeroerd  te 
laten,    totdat    er    door   een   concilie  eene  beslissing  zou  zijn 


))  Emmius,  pag.  U86. 


339 

genomen.  Op  dit  punt  echter  wilde  de  Keizer  ook  het  zwak- 
kere geslacht  niet  ontzien^  en  eischte  daarom  onvoorwaarde- 
lijke onderwerping.  In  Februari  1549  stelde  de  Vorstin  eene 
nieuwe  poging  in  het  werk.  De  staatsman  Frederik  ter 
Westen  werd  naar  Brussel  gezonden,  en  met  de  leiding 
yan  de  moeielijke  aangelegenheid  aan  het  keizerlijke  hof  be- 
last. Hij  was  daartoe  evenwel  niet  de  rechte  man,  in  den 
geest  van  La  ski.  In  zijn  officieel  verslag  is  een  diplomaat 
aan  het  woord,  die  zich  door  den  Keizer  schrik  heeft  laten 
aanjagen,  en  die  zich  niets  pij nlij kers  denken  kan,  dan  wegens 
geloofszaken  zich  en  zijn  land  aan  bezoeking  bloot  te  stellen. 
Ja,  wel  is  hij  de  Sadduceër,  als  hoedanig  hij  ons  door  den 
geschiedschrijver  van  Oost-Friesland  geschilderd  wordt  *).  Op 
behendige  wijze  weet  hij  den  angst  der  Gravin  te  vermeer- 
deren ,  den  gewetensdwang,  welke  door  het  Interim  werd  uit- 
geoefend ,  te  verkleinen,  haar  diets  te  maken,  dat^  met  slechts 
luttele  uitzonderingen,  iedereen  zich  aan  het  Interim  onder- 
worpen heeft,  en  dat  het  mitsdien  niet  nalaten  kan,  bevreem- 
ding te  wekken,  wanneer  zij,  als  vrouw  en  met  betrekking 
tot  haar  landje,  zwarigheid  maakt  om  datgene  te  doen,  wat 
de  machtigste  Protestantsche  vorsten  aireede  gedaan  hebben. 
Terwijl  de  Gravin,  door  de  behendig  opgestelde  berichten 
van  haren  gezant  aan  het  Brusselsche  hof  beangstigd,  in 
twijfel  geraakte  betreffende  hare  houding  ten  opzichte  van 
het  Interim,  betrad  a  Lasco  weder  den  Oostfrieschen  grond. 
Slechts  gedurende  een  paar  dagen  hield  hij  zich  te  Emden 
op,  ter  wille  van  zijnen  reisgenoot  bij  den  overtocht  uit  Enge- 
land (graaf  Mansfeld);  daarop  spoedde  hij  zich  (20  Maart 
1549)  naar  Aurich,  alwaar  de  Gravin  hom  met  verlangen 
verbeidde.  Hij  vond  haar  geheel  onder  den  invloed  van  den 
hoveling  en  wereldlijken  raadsman,  die  er  op  aandrong,  dat 
zij  zich  aan  den  onbuigzamen  wil  des  Keizers  zou  onderwerpen. 
A  Lasco  had  binnen  kort  den  stand  van  zaken  begrepen, 
en  was  op  het  ergste  voorbereid.  „Wij  hebben  hier"  —  zóó 
schrijft    hij    aan    eenen    vriend    in  Engeland,  omstreeks  het 


1)  Ëmmius,  pag.  937. 


340 

midden  yan  April,  —  » stellig  verdrukking  en  vervolging  te 
wachten,  en  wekken  daarom  elkander  op,  onder  aanroeping 
van  des  Heeren  heiligen  naam,  om  het  kruis  met  lijdzaam- 
heid te  dragen,  opdat  wij  door  geduld  en  trouw  in  het  ver- 
dragen al  datgene  te  boven  komen,  wat  de  Heer  tegen  ons 
wil  geheugen,  tot  eer  zijns  naams  en  tot  onze  verbetering. 
Gewisselijk  zorgt  Hij  voor  ons,  en  daarbg  is  Hij  zóó  machtig, 
dat  Hij  al  de  slagordenen  onzer  vijanden  met  één  enkel 
woord  zijns  monds  in  een  oogenblik  kan  ternederwerpen,  en 
tevens  is  Hij  zóó  goed,  dat  zonder  zijnen  wil  ook  niet  één 
haar   van    ons  hoofd   vallen  kan,  ook  al  spande  de  geheele 

wereld    tot    ons    verderf  te  zamen Aan  Hem  geven  wij 

ons  derhalve  geheel  over,  en  wij  verwachten  met  lijdzaam- 
heid al  wat  Hij  in  zijne  wijsheid  en  goedheid  over  ons  heeft 
beschikt/'  i) 

Uit  deze  treffende  taal  van  een  onbezweken  geloofsver- 
trouwen kan  men  bespeuren,  dat  het  onzen  vriend  spoedig 
gelukt  was,  om  den  gezonken  moed  zijner  medebroeders  weder 
krachtig  te  verlevendigen.  Het  bezielende  woord  van  hunnen 
leider  miste  zijne  uitwerking  niet,  gelijk  wij  weldra  bemerken 
zullen.  IJverig  en  in  alle  richtingen  werkzaam,  was  hij  er 
voortdurend  op  bedacht,  hoe  hij  het  verderfelijke  Interim  kon 
te  keer  gaan ,  en  hoe  hij  de  Evangelische  kerk  tegen  de  ge- 
welddadigheid des  Keizers  zou  kunnen  beschermen.  Zij  't  ook 
nog  slechts  in  schemerende  verte  en  in  onzekere  omtrekken, 
toch  scheen  het  hem  toe,  dat  er  redding  in  aantocht  was: 
met  verlangen  richtte  a  La  se  o  zijnen  blik  op  dat  verwij- 
derde punt,  bereid  om  de  behulpzame  hand  te  bieden,  indien 
men  soms  zijnen  bijstand  tot  het  voorgestelde  doel  mocht 
behoeven.  In  deze  gezindheid  besloot  hij,  om  bij  vernieuwing 
voor  een  paar  maanden  Oost-Friesland  te  verlaten,  in  de 
hoop,  dat  hij  door  het  mogelijke  resultaat  zijner  reis  voor 
de  Evangelische  kerk  van  grooter  nut  zoude  zijn,  dan  wan- 
neer hij  in  Emden  werkeloos  den  slependen  gang  der  dingen 
bleef  aanzien. 


»)  Kuyper,  II,  621. 


341 

De  macht  des  Keizers  en  zijn  Interim  drukten  loodzwaar 
op  het  Protestantsche  Duitschland;  de  Duitsche  en  Evan- 
gelische gezindheid  des  volks  echter  moest  zich  geprik- 
keld voelen  tot  een  hardnekkig  verzet  tegen  het  despotisch 
gezag  van  den  Spanjaard  en  Katholiek.  De  trotsche  ver- 
achting, met  welke  de  Keizer  de  beide  gevangengenomen 
Duitsche  vorsten  behandelde,  kon  men  niet  verkroppen,  en 
zulks  te  minder,  dewijl  men  daarin  te  gelijk  eene  dreigende 
waarschuwing  zag,  dat  men,  met  betrekking  tot  zijne  hei- 
ligste belangen,  van  dezen  heerscher  weinig  goeds  te  ver- 
wachten had.  De  gemoederen  waren  aan  het  gisten.  „Liever 
het  zwaard,  dan  de  pen;  liever  bloed,  dan  inkt":  dat  na- 
drukkelijke woord  van  den  markgraaf  Johan  van  Bran- 
denburg, waarmede  hij  de  onderteekening  van  het  Interim 
weigerde,  vond  weerklank  bij  raenigen  vorst.  En  het  bleef 
niet  bij  zulk  een  woord.  Do  edele  hertog  Otto  van  Bruns- 
wijk  deed,  reeds  in  het  begin  van  het  jaar  1548,  de  eerste 
poging  tot  het  sluiten  van  een  vorstenbond  tegen  de  dwin- 
gelandij des  Keizers.  *)  Bij  den  verderen  voortgang  der  zaak 
kwam  het  er  vooral  op  aan,  hertog  A 1  b  r  e  c  h  t  van  Pruisen 
voor  het  verbond  te  winnen,  en  vervolgens  desgelijks  Enge- 
land, Polen,  den  ouden  erfvijand  van  Kar  el  V,  en  andere 
machten.  In  Polen  had  Sigismund  August  kort  te  voren 
den  troon  zijner  vaderen  beklommen.  De  Protestanten  hadden 
groote  verwachtingen  van  den  Koning,  die  ten  opzichte  van 
het  Evangelie  gunstig  gezind  scheen.  Ook  Laski  koesterde 
gelijke  hoop.  Nauwelijks  vernam  hij,  dat  de  geheel  Evange- 
lisch-gezinde  prediker  des  Konings,  Lorenzo  Prasnicius, 
voornemens  was  zijn  ambt  neder  te  leggen,  of  hij  smeekte 
hem  in  eenen  brief,  in  de  dringendste  bewoordingen,  om  van 
dit  plan  af  te  zien.  „Gij  ziet,  waarde  Broeder,  hoe  de  oogst 
groot  is,  en  hoe  de  arbeiders  weinigen  zijn.  Gij  gruwt  van 
de  ongoddelijke  gezindheid  aan  het  hof?  Doch  gij  behoeft 
immers  niet  te  vleien;  stel  de  zonde  aan  de  kaak,  doch  op 
zulk  eene  wijze,  dat  het  duidelijk  blijke,  dat  gij  niet  de  per- 

»;  Ra  urn  er  (1857),  S.  19. 


342 


aonen,  maar  bunne  ondeugden  haat.  Zóó  veroordeelt  God 
zelf  onze  gebreken ,  terwijl  Hij  ons  daarentegen  liefheeft  en 
als  zijne  kinderen  erkent,  zoolang  wij  althana  Hem  en  zgne 
onverdiende  weldaad  in  Christus  niet  moedwillig  ïeramaden."') 
Te  Riesenbnrg  had  eene  aamenkomat  plaats  tuaacben  hertog 
Albrecbt  van  Pruisen  en  don  woiwode  van  Mariënburg, 
Achatins  von  Zemen,  ter  onderlinge  beraadslaging.  De 
graaf  Vol  rad  van  Mansfold  was  naar  Engeland 
,  ten  einde  den  Lord-Protector  te  bewegen ,  tot  het 
verbond  toe  te  treden.  La  ski  had  met  hem  op  hetzelfde 
Bchip  de  torugreis  van  daar  volbracht ;  hij  waa  in  de  plannen 
van  den  Graaf,  hetzij  door  dezen  zelven,  hetzij  door  hertog 
Christoffel  van  Oldenburg,  volkomen  ingewijd.  Onmid- 
dellijk na  z^n  terugkeer  naar  Emdon  kan  hij  aan  den  aarts- 
biaachop  van  Canterbiiry  een  uitvoerig  bericht  aangaande  den 
Btand  van  zaken  toezonden,  met  het  verzoek,  dit  bericht  aan 
den  hertog  van  Someraet  mede  te  deelen. 

Slechts  de  hoop,  langs  dezen  weg  de  gewelddadige  onder- 
drukking van  de  Evangelische  kerk  te  kunnen  te  keer  gaan, 
deed  onzen  a  Lasco  besluiten,  om  zich  thans  voor  het  eerst 
meer  rechtstreeks  met  de  staatkunde  in  te  laten.  Heimelijk 
begaf  hij  zich  op  reis,  allereerst  naar  Bremen,  en  van  daar, 
een  paar  dagen  later,  naar  Hamburg,  alwaar  hij  spoedig 
eene  scheepsgelegenhcid  naar  Dantzig  vond.  Wat  hij  gedu- 
rende de  volgende  acht  weken  in  deze  beroemde  havenstad 
van  zijn  vaderland  verricht  hoeft,  dienaangaande  wordt  ons 
helaas  niets  naders  bericht.  Het  schijnt  voornamelijk  een 
tijd  van  afwachten  geweest  te  zijn.  La  ski  beschouwde  zich 
ten  allen  tijde  als  Pool,  die  als  zoodanig  aan  den  wil  zijns 
koninga  onderworpen  was.  Hij  had  zich  naar  Dantzig  be- 
geven, ten  einde  de  koninklijke  vergunning  te  verkrijgen, 
om  aan  eene  uitnoodiging  van  Hendrik  VlII  gevolg  te 
mogen  geven,  indien  niet  wellicht  het  vaderland  zelf  op 
zgne  medewerking  bjj  eene  eventueele  hervorming  aanspraak 
maakte.  '')    De    koning  van  Engeland  bad  zelf  hierover  aan 


1)  Kajp.r, 
))  Ibid.,  p.  i 


U,  B33. 


343 

den  koning  van  Polen  geschreven,  ^)  van  de  onderstelling 
uitgaande,  dat  onder  den  nieuwen  vorst  het  Evangelie  in 
Polen  zijnen  intocht  zou  houden,  en  met  den  wensch,  dat 
alsdan  eene  zoo  belangrijke  kracht  als  Laski  voor  zijn  vader- 
land niet  teloor  mocht  gaan.  Ook  Laski  had  aan  den  Ko- 
ning geschreven  en  zich  ter  zijner  beschikking  gesteld,  bij- 
aldien hij  zich  van  hem  wilde  bedienen  in  eenen  kerkdienst, 
die  met  de  leer  van  Christus  in  overeenstemming  was.  Om- 
streeks het  midden  van  Juli  ontmoeten  wij  Laski  te  Ko- 
ningsbergen, alwaar  hij  gedurende  een  paar  weken  vertoefde. 
De  naam  van  a  L  a  s  c  o  was  voor  hertog  A 1  b  r  e  c  h  t  van 
Pruisen  geenszins  een  onbekende  naam.  In  al  de  bloedige 
krijgen  en  veeten,  in  welke  de  wakkere  Hohenzoller,  als 
grootmeester  van  de  Duitsche  Ridderorde  (sedert  1512),  met 
Polen  gewikkeld  was,  dewijl  hij  weigerde  om  den  eed  van 
getrouwheid  aan  zijnen  oom,  den  machtigen  koning  van 
Polen,  als  zijnen  leenheer  te  doen,  en  bijkans  altoos,  wan- 
neer er  vredesonderhandelingen  werden  aangeknoopt,  of  een 
wapenstilstand  gesloten  werd,  was  aan  de  zijde  van  Polen  de 
leiding  der  zaken  toevertrouwd  aan  den  hoogaanzienlijken 
aartsbisschop  van  Gnesen.  Toen  op  Palmzondag  van  het 
jaar  1525,  de  vrede  te  Krakau  gesloten  werd,  en  hertog 
Albrecht  van  Pruisen  zijn  land  als  erfelijk  leen  uit  de  hand 
van  den  koning  van  Polen  ontving,  legde  hij  den  lecneed 
af  op  het  Evangelieboek,  dat  de  aartsbisschop  van  Gnesen 
op  den  schoot  des  Konings  had  nedergelegd;  ■^)  een  andere 
Laski  hield,  gedurende  deze  plechtigheid,  den  vierjarigen 
koningszoon  en  troonopvolger,  prins  SigismundAugust, 
op  zijnen  arm.  In  vervolg  van  tijd  vertoefde  Hiëronymus 
a  Las  co  meer  dan  ééns  als  gezant  in  Koningsbergen.  Maar 
ook  met  onzen  Laski  was  de  Hertog  niet  onbekend.  De 
ernstige,  vrome  vorst,  die  in  zijne  jeugd  door  den  aartsbis- 
schop Herman  van  Keulen  was  opgevoed,  en  die  vervolgens 
door  prcdikatiën  van  Osiander  in  Neurenberg  voor  het 
Evangelie  was  gewonnen  geworden,  had,  door  Luther  met 

»)  Ibid.,  p.  G24. 
ï)  Hasc,  S.  33. 


344 

raadgevingen  ondersteund,  aan  de  Heryorming  in  zijn  land 
den  yrijen  loop  gelaten.  In  Koningsbergen  predikte  en  dichtte 
Paulus  Speratus;  hier  in  het  land  traden  de  bisschoppen 
George  von  Polentz  en  een  weinig  later  Erhardvon 
Q  u  e  i  s  openlijk  tot  de  Hervorming  toe.  De  energieke  hertog 
behartigde  inzonderheid  de  belangen  van  het  schoolwezen. 
De  oprichting  van  een  gymnasium  („Particularium^'  geheeten) 
werd  weldra  gevolgd  door  de  stichting  van  de  universiteit 
(ingewijd  den  17^^"  Aug.  1544).  Rector  van  het  gymnasium 
en  tevens  leeraar  aan  de  universiteit  was  een  vriend  van 
Laski,  met  name  Willem  Gnapheus,  uit  Holland,  die, 
gelijk  vele  andere  zijner  landslieden,  om  den  wille  van  het 
Evangelie  uit  zijn  vaderland  herwaarts  gevlucht  was;  met 
Ent  f  el  der,  hoogleeraar  in  de  theologie,  ingelijks  uit  de 
Nederlanden,  stond  Laski  sedert  jaren  in  briefwisseling  ^). 
Yan  den  beginne  aan  was  het  de  stille  wensch  van  onzen 
vriend,  in  Pruisen  eenen  geschikten  werkkring  te  vinden. 
Voor  zijne  vurige  vaderlandsliefde  zou  het  een  aangename 
troost  geweest  zijn,  om  ten  minste  als  aan  de  poorten  van 
Polen  te  mogen  wonen,  en  van  nabij  het  oog  zijns  geestes 
op  den  verderen  voortgang  van  het  Evangelie  in  zijn  vader- 
land gevestigd  te  houden.  Ook  hertog  Alb recht  wenschte 
den  voortreffelijken  man  voor  zijn  land  te  winnen.  Hij  waar- 
deerde hem  zeer ,  zoowel  wegens  zijne  buitengewone  begaafd- 
heid, als  ook  wegens  zijne  heldhaftige  gezindheid  en  zijnen 
deugdzamen  wandel. 

Reeds  vroegtijdig  werden  er  onderhandelingen  aangeknoopt 
met  den  Oostfrieschen  superintendent  ^).  Zulke  onderhande- 
lingen met  hem  hadden  reeds  plaats  gehad,  toen  hij  nog  als 
ambteloos  persoon  te  Emden  in  stille  afzondering  leefde,  en 
hij  wegens  den  ongunstigen  staat  zijner  gezondheid  in  dat 
ruwe  klimaat  naar  een  ander  toevluchtsoord  omzag.  Meer- 
malen reeds  had  hertog  Alb  recht  zich  schriftelijk  tot  hem 
gewend ;  de  onderhandelingen  mislukten  echter,  waarschijnlijk 

1)    Voor   zoover  ik  weet,  is  ons  nog  slechts  ccn,  zeer  interessante  brief  be- 
waard gebleven  (Gabbema,  p.  49). 
*;i  Kuy  per,  II,  575. 


345 

ter  oorzake  van  verdachtmakingen  van  zijn  theologisch  stand- 
punt, hetwelk  met  de  richting,  die  destijds  in  Pruisen  heerschte, 
niet  overeenkwam.  De  Nederlanders,  die  voor  de  vervolgingen 
van  K  a  r  e  1  V  waren  gevlucht,  en  zich  als  vreedzame  lieden 
in  „Pruisisch-Holland,"  onder  de  veilige  hoede  van  den  Hertog 
metterwoon  hadden  gevestigd,  waren  door  Speratus,  in 
zijn  geschrift:  „Ad  Batavosvagantes'^  (1536),  heftig  aangeval- 
len; een  gelijk  lot  zou  ook  onzen  La  ski  van  de  zijde  van 
den  Koningsberger  hoftheoloog  wedervaren  zijn.  Wij  herinne- 
ren ons,  hoe  a  Lasco  indertijd  zijn  „Kort  begrip  van  de  leer 
der  Oostfriesche  kerk"  in  handschrift  aan  den  hoogleeraar 
Entfelder  deed  toekomen,  en  hoe  Melanchthon  den 
Hertog  voor  dit  geschrift  waarschuwde.  ^)  Desniettemin  werd 
de  wensch,  dat  Laski  zich  in  Pruisen  mocht  vestigen,  nog 
herhaaldelijk  van  weerszijden  geuit.  Juist  thans  scheen  die 
wensch  dichter  dan  ooit  tot  hare  vervulling  genaderd,  nu  er 
onderhandelingen  met  Polen  plaats  hadden,  en  de  hoop  in 
Laski's  gemoed  weder  levendig  werd,  dat  zijn  vaderland 
niet  slechts  in  het  staatkundige  de  zijde  zou  kiezen  van  hen, 
die  zich  beijverden  om  een  bond  tegen  den  Keizer  te  sluiten, 
maar  dat  het  ook  in  kerkelijk  opzicht  de  gevoelens  van  deze 
tegenstanders  van  Kar  el  V  zou  omhelzen. 

Het  waren  zeer  onstuimige  dagen  op  het  gebied  van 
het  kerkelijke  leven,  die  paar  weken,  welke  a  Lasco  te 
Koningsbergen  doorbracht.  Een  halfjaar  te  voren  (27  Januari 
1549)  had  Osiander,  die  om  den  wille  van  het  Interim  uit 
Neurenberg  verdreven  was,  zich  bij  den  Hertog  aangemeld, 
en  was  prediker  geworden  bij  de  parochie  der  oude-stadskerk, 
in  de  plaats  van  magister  Funk,  dien  de  Hertog  tot  zijn 
hofprediker  benoemd  had.  Reeds  in  April  braken  de  oneenig- 
heden  uit.  In  de  Stellingen,  met  welke  Osiander  zijn  hoog- 
leeraarsambt  aan  de  universiteit  plechtig  aanvaardde,  had  hij 
zich  scherp  aangekant  tegen  de  door  Luther  ingevoerde 
leerwijze  van  de  rechtvaardiging,  als  eene  slechts  rechterlijke 
daad  van  God  met  betrekking  tot  den  geloovige.  „Rechtvaar- 

ij  Verg.  hierboven  blz.  291  vg. 


34R 


digen  kan  beteekencn"  —  zóó  luidt  Het  in  deze  theses,  — 
„Toor  rechtvaardig  verklaren;  volgens  het  Evangelie  ia  het 
te  verstaan  in  den  zin  van  rechtvaardig  maken.  Wanneer  de 
rechtvaardiging  gezegd  wordt  te  geschieden  door  het  geloof, 
dan  is  dit  eone  verkorte  wijze  van  spreken ,  want  niet  het 
geloof  als  ietn  formeels,  maar  Christus,  in  wien  wij  gelooven, 
Hij  zelf  ala  de  inhoud  des  geloofs  is  het,  die  rechtvaardig 
maakt.  Niemand  wordt  gerechtvaardigd  zonder  te  gelijk  ook 
levend  gemaakt  te  worden"  ')■  De  strijdlustige  hoogleeraar 
Lauterwald  viel  hom  heftig  aan,  en  nu  woedde  de  strgd, 
dio  veler  hartstochten  gaande  maakte,  links  en  rechts  onstuimig 
voort,  terwijl  tegelijkertijd  de  pest  op  eene  schrikbarende  wyze 
in  de  zwaar  bezochte  stad  heorschte.  A  Laaco  was,  gedu- 
rende zijn  verblijf  to  Koningsbergen,  bij  Lauterwald  ge- 
huisvest; ^)  aan  den  strijd  nam  hij  geen  deel.  Met  de  leet 
van  Osiander  kon  hy  zich  niet  vereenigen.  ')  Pijnlijker 
trof  hom  het  kleine  gest-hrift,  dat  twee  jaren  later  door  Osi- 
ander tegen  de  Wittenbergors,  inzonderheid  tegen  Melanch- 
thon,  werd  in  het  licht  gezonden.  „Het  valt  tegenwoordig 
in  don  smaak,  op  het  gebied  der  leer  telkens  nieuwe  ver- 
deeldheden te  zaaien,  en  de  schoot  van  Wittenberg  zwartte 
maken,  door  welke  nochtans  de  geheele  wereld  in  de  kennis 
van  hot  Evangelie  zoozeer  gevorderd  ia ,  ja ,  aan  welke  ook 
Oaiander  zelf  —  mooht  hij  slechts  zoo  billjjk  zijn,  om  het 
te  erkennen!  —  zeer  groeten  dank  verschuldigd  is.  Maar  ach, 
dit  is  nu  eenmaal  de  loop  van  zaken  in  onzen  tijd!"  zóÓ 
sucht  de  edele  man,  die  met  helderen,  diepen  blik  de  smar^ 
telgke  wonden  peilde,  die  de  Evangelische  kerk  in  deze  heftige 
veeten  lich  Eelve  toebracht.  ')  Gedurende  deze  theologische 
twisten  onderhield  a  L  a  s  c  o  zich  met  den  Hertog  over  ernstige 
zaken  des  geloofs.   ,Ik  kan  niet  zeggen,  welk  een  genoden 


■)  U>t«,  S.  13B. 

■)  ËM  iranavdt  Ulbtss  K  ii  jr  p  <  r  (II ,  ft  637). 

1>  Ibid.,  tl,  p.  049;  .OaiaBilri  neqic  doclrtoun,  ocqne  iutitataiB  prebo. 
«(■ad  tjuidtM  ki  eaunn  ïmiliSHliaiis  •tttmt.'' 

*)  lUd..  II,  p.  StS.  Nog  ojttocrigei  hudelt  Laski  hitninr,  mtl  tirh  *tv- 
■k(Mdifh«id,  ia  tiJBCB  brief  ub  dea  Hertog    (Ib.,  11,  p.  60^ 


347 

de  letteren  yan  Uwe  Hoogheid  mij  verschaft  hebben,  uit  de- 
welke gemakkelijk  te  zien  is,  hoe  zeer  de  godsdienst  u  ter 
harte  gaat,  en  met  welk  eene  nauwgezetheid  gij  zorg  draagt^ 
dat  de'  zuiverheid  der  christelijke  leer  bewaard  blijve.  Och 
of  een  gelijke  ijver,  niet  slechts  bij  de  andere  vorsten,  maar 
ook  bij  de  meeste  godgeleerden  mocht  worden  aangetroffen, 
en  wel  gepaard  mot  die  beminnelijke  bescheidenheid,  welke 
den  grond  van  iedere  leer  tracht  te  ontdekken,  en  die  den 
andersdenkende  eerst  met  christelijke  liefde  aanhoort,  voor- 
dat zij  hare  welberadene  meening  uitspreekt.  Dewijl  Uwe 
Hoogheid  met  de  grootste  zachtmoedigheid  en  humaniteit  aldus 
te  werk  gaat,  zoo  zal  ongetwijfeld  deze  uwe  welwillendheid  en 
gematigdheid  door  alle  waarlijk  vromen  dankbaar  erkend  en 
geroemd  worden."  i)  Waarom  toch,  zóó  zouden  wij  geneigd 
zijn  te  vragen,  is  het  aan  a  Las  co  niet  vergund  geweest, 
eene  betrekking  te  vinden  in  de  nabijheid  van  den  Hertog  P 
Wel  is  het  eene  smartelijke  beschikking!  Want  deze  beide 
waarlijk  vrome  mannen  stemden  in  zoo  menig  belangrijk  op- 
zicht met  elkander  overeen,  en  eene  kerkelijke  figuur  als 
a  Lasco  zou  stellig  het  land  tot  hoogeren  zegen  gestrekt 
hebben,  dan  een  Funk,  een  Staphilus,  ^n  Mörlin,  en 
hoe  zij  verder  heeten  mogen.  Door  geheel  zijne  geestesrichting 
en  denkwijze  scheen  onze  vriend  te  zijn  voorbestemd,  als  het 
ware,  tot  de  betrekking  van  hofprediker  der  Hohenzollers. 
Terwijl  a  Lasco  in  Koningsbergen,  naar  't  schijnt  te 
vergeefs,  op  een  schrijven  van  zijnen  koning  wachtende  was, 
en  door  den  Hertog  ook  in  de  geheime  gangen  der  politiek 
van  den  vorstenbond  werd  ingewijd  *) ,  ontving  hg  brieven 
uit  Emden,  wier  inhoud  hem  noopte,  om  zonder  uitstel  huis- 
waarts te  keeren.  Den  l«ten  Augustus  bevond  hij  zich  te 
Dantzig;  per  scheepsgelegenheid  van  hier  vertrokken,  mocht 
hij ,  na  eene  zeereis  van  dertien  dagen,  Emden  weder  berei- 


ï)  Ibid.,  II,  p.  624. 

2)  Ibid.,  p.  028,  ia  welken  brief  hij  zich  van  geheimschrift  bedient,  hetwelk 
ook  de  kuni>t  van  Kuyper  niet  geheel  vermocht  te  ontcijferen.  Ik  zou  ge- 
neigd zijn  te  gissen,  dat  hij  met  den  naam  van  „ChamaeleoQ"  niemand  andera, 
dan  Ter  Westen  bedoeld  heeft. 


348 

ken.  De  Hertog  was  in  spanning  over  den  verderen  loop  der 
zaken  in  Oost-Friesland;  een  uitvoerig  schrijven  van  a  La  se  o 
maakt  den  verren  vorstelijken  vriend,  en  tevens,  deor  eene 
gunstige  beschikking^  ook  ons,  later  geborenen,  deelgenoot 
van  het  snelle  verloop  der  gebeurtenissen.  ')  Aanstonds  na 
Laski's  afreize  waren  te  Emden  nadrukkelijke  bevelen  ont- 
vangen, om  onverwijld  tot  do  invoering  van  het  Interim  over 
te  gaan.  De  Gravin  zag  nergens  eenen  uitweg.  Eenige  hove- 
lingen stelden  eene  nieuwe  formule  op;  men  zou  er  bijkans 
toe  komen,  haar  het  Emdensche  Interim  te  noemen.  Het  is 
een  zonderling  samenraapsel :  het  Augsburgsche  Interim,  ver- 
mengd met  reminiscenticn  uit  de  reeds  voorlang  krachteloos 
gewordene  Lunenburgsche  kerkorde  uit  de  dagen  van  Enno.  *) 
De  Emdensche  predikers  weigerden  hun  zegel  te  hechten  aan 
de  formule,  die  buiten  hen  om  was  vervaardigd,  en  evenzoo 
aan  eene  andere,  over  welke  men  met  hen  wilde  beraadsla- 
gen; de  burgerij  schaarde  zich  aan  de  zijde  der  predikers. 
Door  het  sluiten  van  de  kerkdeuren  werd  aan  de  wederspan- 
nige  leeraren  de  toegang  tot  het  bedehuis  belet,  terwijl  hun 
tevens  werd  aangezegd,  dat  zij  zich  van  het  prediken  in  het 
openbaar  zouden  hebben  te  onthouden.  „Het  staat  gewis  in 
de  macht  der  Gravin,"  zóó  verklaarden  de  getrouwe  belijders, 
„de  kerkdeuren  te  openen  of  te  sluiten ,  maar  om  den  wille 
van  hunne  roeping  mochten  zij  op  het  bevel  der  Gravin  niet 
stilzwijgen."  De  godsdienstoefening  werd  alsnu  op  het  kerkhof 
gehouden,  onder  nog  grooteren  toeloop  dan  te  voren  in  de 
kerk.  Hier  ook,  tusschen  de  graven  der  gestorvenen,  werden 
de  kinderen  gedoopt,  de  huwelijken  ingezegend.  Slechts  in 
Norden  hadden  Lemsius  en  de  overige  Luthersch-gezinde 
leeraren  zich  aan  het  Interira  onderworpen. 

Zoodanig    was  de  stand  van  zaken  bij  den  terugkeer  van 
Laski.  Het  strekte  hem  tot  eene  innige  vreugde,  den  ofFer- 

i)  Ibid.,  i>.  628. 

2)  Dczü  formule  van  16  Juli  1549  is  te  vinden  bij  Meiners,  I,  308;  de 
vergelijking  met  de  Lunenburgsche  kerkorde  (zie  insgelijks  aldaar,  I,  143) 
doet  zien,  dat  de  nieuwe  formule  in  elk  geval,  gelijk  Meiners  zegt,  in  niet 
geringe  mate  „met  het  paapsche  zuurdeeg  doorkneedt  is." 


349 

vaardigen  geloofsmoed  der  getrouwe  predikers,  alsook  den 
stand vastigen  en  wakkeren  ijver  der  burgerij  te  ontwaren.  Op 
hoogst  ernstige  wijze  onderhield  hij  de  Gravin  over  hare  on- 
derworpenheid aan  het  keizerlijk  bevel.  Op  dit  punt  was 
de  gestrenge  Christenbelijder  niet  gezind ,  om  eenige  de 
minste  toegevendheid  te  gebruiken;  hij  sprak  zonder  men- 
schenvrees,  als  pleitbezorger  en  dienaar  van  den  Heer.  Hij 
bracht  haar  onder  het  oog,  „dat  zij  door  hare  handelwijze 
zich  zwaar  bezondigd  had,  zoowel  tegen  Christus,  den  Heer, 
en  tegen  den  Heiligen  Geest,  alsook  ten  opzichte  van  de 
kerk  van  Christus,  die  aan  hare  leiding  was  toevertrouwd. 
Indien  zij  zulks  door  onwetendheid  gedaan  had,^^  —  zóó 
troostte  hij  dan  weder  de  Gravin,  —  „zoo  was  de  barm- 
hartigheid Gods  nog  grooter  dan  hare  zonde,  wanneer  zij 
slechts,  na  hare  zonde  erkend  en  zich  met  de  Kerk,  die  zij 
in  verwarring  gebracht  had ,  verzoend  te  hebben ,  die  barm- 
hartigheid smeekende  inriep.  Deed  zij  zulks  echter  niet,  dan 
had    zij    te    verwachten,    dat   de  toorn  Gods  haar  en  al  de 

haren    gewisselijk  zoude  treffen"" Voorwaar,  onder  den 

druk  van  het  Interim  eene  stoutmoedige,  onverschrokken 
taal  in  den  mond  van  eenen  Evangelischen  zielverzorger , 
en  dkt  zelfs  tegenover  de  Vorstin!  Nadrukkelijk  geeft  hij 
haar  te  kennen,  dat,  zoolang  zij  niet  oprecht  berouw  be- 
toont, hij  haar  zielverzorger  niet  meer  kan,  noch  ook  wil  zijn ; 
dat  hij  daarom  echter  zijne  openbare  bediening  niet  neder- 
legt,  tot  welke  hij  immers  niet  slechts  door  haar,  als  de 
hoogste  overheid,  maar  ook  door  de  geheele  gemeente,  bij 
openbare  verkiezing ,  is  geroepen  geworden.  Slechts  wanneer 
de  gemeente  hem  uit  eigene  beweging  ontslaat,  eerst  dan  zal 
hij  heengaan,  en  anders  slechts  ingeval  men  hem,  tegen  wil 
en  dank,  met  behulp  van  den  sterken  arm  mocht  verdrijven. 
Zoo  hield  a  L  a  s  c  o  nog  een  tijdlang  de  gewone  godsdienst- 
oefeningen op  hot  kerkhof,  en  wekelijks  ook  kwam  de  Coetus 
bijeen,  in  welken  de  Superintendent  zijne  medestrijders,  die 
met  opoffering  van  hunne  bezoldiging  getrouw  in  hunne  bedie- 
ning volhardden,  krachtiglijk  sterkte.  Maar  aan  het  hof  des 
Keizers    was    men    niet    van    zins,  om  te  gedoogen,  dat  de 


350 

gevreesde  man  zich  nog  langer  in  Oost-Friesland  ophield. 
Twee  zware  beschuldigingen  bracht  men  tegen  hem  in :  door 
particuliere  brieven  verbreidde  hij  zijne  dwaalleer  ook  in  de 
staten  des  Keizers,  en  de  reis  naar  Engeland  en  Polen  had 
geen  ander  doel  gehad ,  dan  om  allerlei  slinksche  prakt^ken 
tegen  de  keizerlijke  majesteit  in  het  werk  te  stellen.  Wat 
baatte  hem  zijne  verdediging^  dat  zijne  leer  volstrekt  geen 
dwaalleer  was,  en  dat  uit  alle  voorhanden  zijnde  brieven 
duidelijk  bleek,  dat  zijne  reis  een  gansch  ander  doel  gehad 
hadP  De  argwaan  was  nu  eenmaal  aan  het  keizerlijke  hof 
gewekt,  en  de  tijdsomstandigheden  waren  gunstig,  om  zich 
van  den  uitstekenden  man  in  de  nabijheid  te  ontdoen.  In- 
zonderheid op  de  laatstgenoemde  aanklacht  werd  telkens 
weder  vanwege  het  Brusselsche  hof  alie  nadruk  gelegd ,  en 
de  Gravin,  die  zich  te  machteloos  gevoelde,  om  den  gewel- 
digen boetprediker  te  beschermen,  smeekte  hem,  om  den 
wille  van  het  welzijn  des  lands  haar  gebied  te  verlaten. 
A  La  SCO  gaf  ten  laatste  aan  die  bede  gehoor.  Omstreeks 
het  midden  van  October  verliet  hij  het  oord,  waar  hij  bijkans 
tien  jaren  lang  gearbeid  had,  en  dat  hem  tot  een  tweede 
vaderland  geworden  was.  Het  was  —  wij  zullen  het  later 
zien,  —  geen  dadelijk  ontslag  uit  zijne  betrekking,  geen 
eigenlijke  nederlegging  van  zijn  ambt,  maar  slechts  een  wgken 
uit  het  land ,  totdat  er  betere  tijden  zouden  zijn  aangebroken. 
Het  eervolle  afscheid^  dat  de  geheele  gemeente  aan  a  Lasco 
bereidde,  legde  een  schitterend  getuigenis  af  aangaande  de 
hooge  achting ,  die  men  den  vromen ,  onverschrokken  man 
toedroeg.  Een  honderdtal  godvruchtige  mannen  en  een  gelijk 
aantal  vrouwen  werden  door  de  geheele  gemeente  verkozen^ 
om  aan  den  scheidenden  superintendent  en  aan  de  predikers, 
die  zich  niet  hadden  onderworpen  aan  het  Interim,  en  die 
men  ook  verder  in  hunne  godsdienstoefeningen  op  het  kerkhof 
ongemoeid  liet,  tegen  den  248*en  September  een  feestmaal 
te  bereiden.  Een  eereblijk  van  de  geheele  gemeente  wees 
de  onbaatzuchtige,  onbemiddelde  man  van  de  hand.  Nadat 
de  maaltijd  gebruikt  was ,  en  de  tafels  waren  weggeruimd , 
hield  men  zich  gedurende  het  verdere  gedeelte  van  den  dag 


351 

bezig  met  elkander  ernstig  te  vermanen,  om  toch  in  het 
eenmaal  beleden  geloof  en  in  het  gebed  te  volharden.  Daarop 
begeleidde  men,  onder  vele  tranen,  den  Superintendent  naar 
zijne  woning^  en  nam  met  den  vredekus  afscheid  van  hem. 
Ook  de  Gravin  keerde  zich  niet  af  van  den  man,  die  met 
zulk  eene  diep  treffende,  schier  onverbiddelijke  vrijmoedig- 
heid hare  feilen  haar  onder  het  oog  had  gebracht.  In  eene 
ons  nog  bewaard  geblevene  oorkonde  gaf  zij  aan  a  Lasco 
de  getuigenis,  dat  hij  zich  langer  dan  zeven  jaren  achtereen 
aan  het  hoofd  der  Oostfriesche  kerk,  zoowel  in  het  bevor- 
deren van  de  zuivere  leer  des  Evangelie's ,  als  ook  in  zijnen 
openlijken  levenswandel  volkomen  onberispelijk  betoond  had, 
zoodat  zij  hem  vanwege  zijn  geloof,  zijne  vroomheid,  zijne 
geleerdheid,  zijne  rechtschapenheid  en  zijnen  onverpoosden 
ijver  —  met  welke  getuigenis  alle  hare  onderdanen,  voor  zoo- 
ver hun  de  Christelijke  godsdienst  en  vroomheidwaarlijk  ter 
harte  ging,  volmondig  moesten  instemmen,  —  't  liefst  ge- 
durende al  don  tijd  harer  regcering  in  hare  omgeving  zou 
hebben  gehouden.  Maar  de  Keizer  had  niet  willen  gedoogen, 
dat  hij  nog  langer  in  het  land  bleef,  en  daar  een  langduriger 
vertoef  zoowel  voor  hem  zei  ven,  als  ook  voor  de  Vorstin 
en  hare  kinderen,  en  te  gelijk  voor  het  geheele  land  ge- 
vaarlijk zou  zijn  geworden,  zoo  had  zij  hem  trachten  over 
te  halen ,  om  zich  naar  elders  te  begeven ,  waartoe  hij  dan 
ook  besloten  had,  doch  onder  deze  voorwaarde,  dat  de  ge- 
meente hem  de  vergunning  daartoe  verleende.  Met  het  oog 
op  het  dreigende  gevaar  had  do  gemeente,  alhoewel  met 
innige  smart,  hem  het  gevraagd  verlof  geschonken  *),  doch 
daaraan  tevens  den  uitdrukkelijken  wensch  gepaard,  dat  hij 
tot  haar  zoude  terugkeercn,  zoodra  het  Gode  behagen  mocht, 
om  aan  zijne  kerk  weder  rustiger  tijden  te  verleenen.   ^) 

Zoo  moest  dan  onze  vriend  wederom  den  reisstaf  ter  hand 


1)  E  m  m  i  u  9  verhaalt  (pag.  939),  dat  de  gemeente  eenparig  het  ontslag 
geweigerd  cd  hem  alleenlijk  vergand  heeft,  zich  tijdelijk  te  verwijderen  en 
voor  de  woede  van  „Antiuchus"  te  wijken ,  totdat  zg  hem  ter  gelegener  tijd 
weder  zouden  terugroepen. 

')  Kuyper,  11,  G35. 


352 

nemen,    en   zich    voor   de  tweede  maal,  om  den  wille  van 
Christus,  zijnen  Heer,  in  ballingschap  begeven.  Het  zal  hem 
denkelijk  wel  zwaar  zijn  gevallen^  evenals  tien  jaren  te  voren, 
toen  hij  van  zijn  geliefd  Polen  afscheid  nam.    Maar  van  de 
lippen    van    den   lijdzamen    held  vernemen  wg  geen  enkele 
klacht.    Hij  begeeft  zich  op  weg,  het  oog  gevestigd  op  zijnen 
Heer,    om    te  zien,  welk  land  Hij  hem  nu  wel  zal  wijzen. 
Allereerst  richtte  hij  zijne  schreden  naar  Bremen,  ten  einde 
in  de  gastvrije  pastorie  van  zijnen  ouden  vriend  een  weinig 
rust   te   nemen    en   in   de    nabijheid    te  zijn  van  het  land, 
dat   hij  gedurende  het  laatst  verloopen  tiental  jaren  zoo  lief 
had  gekregen.   Hij  beschouwde  zich  toch  nog  altijd  als  ziel- 
verzorger   der   verlaten   achtergeblevene   kerk,  en  gevoelde 
zich    verplicht,  om  haar  in  dat  moeielijke  tijdsgewricht  met 
zijnen  troost  te  ondersteunen.    Een  treffelijke  troostbrief  aan 
zgne    ambtsbroeders  in  Emden  is  ons  bewaard  gebleven.   ^) 
Zoolang    hij    leeft,    zóó   schrijft  hij,  zal  hij  hunne  belangen 
en  die  van  geheel  de  Oostfriesche  kerk  op  zijn  hart  blijven 
dragen.    Hij    smeekt   hen,    getrouw    te  blijven  in  het  werk 
hunner  bediening,  de  gemeente  in  onderdanigheid  te  houden, 
haar  aan  te  sporen  tot  standvastig  volharden  in  het  geloof, 
alsook   tot   alle   verdraagzaamheid   met   zachtmoedigheid  en 
dankzegging.    Het  schrijven  eindigt  met  deze  woorden :  ,,Laat 
ons  den  Heer  bidden ,  dat  Hij  zich  over  zijne  kerk ,  die  wij 
zoozeer   in  verwarring  gebracht  zien,  genadig  ontferme,  en 
dat   Hij  ons  in  zijnen  dienst  door  zgnen  Heiligen  Geest  al- 
zoo  regeere  en  besture,  dat  wij  eenmaal  ten  uitersten  dage, 
in  vereeniging  met  geheel  onze  gemeente,  dat  vurig  gewenschte 
woord  mogen  vernemen:   „Komt,  gij  gezegenden  mijns  Va- 
ders T' —  Ook  aan  andere  bijzondere  personen  in  Emden  zendt 
hij  ernstig  vermanende  brieven.  Een  zeer  opmerkenswaardig 
schrgven  b.  v.  aanzijncn  vriend  Leathius,  den  geheimschrij- 
ver  der  Gravin.  „Ik  bid  u,  waarde  Lenthius,  volhard  in  uwe 
betrekking,  maar  wees  daarbij  altoos  indachtig  aan  het  „tot 
aan  den  drempel  van  het  heiligdom^'  („usque  ad  aras'^).  Het 
is  eene  zware  zaak,  zich  schuldig  te  maken  aan  het  lichaam 

>)  Ibid.,  p.  637. 


353 

en  bloed  des  Heeren.  Yan  de  schuld  dezer  misdaad  zal  nie- 
mand zich  in  het  oordeel  Gods  kunnen  vrijpleiten,  die  aan 
eenigerlei  raadslagen  tegen  de  kerk  van  Christus  en  haar 
ambt  op  zoodanige  wijze  deelneemt^  dat  hij  niet,  naar  gelang 
van  zijne  roeping,  zijnen  afkeer  van  zulke  raadslagen  te 
kennen  geeft,  laat  staan  dan,  wanneer  hij  willens  en  wetens 
het  gelukken  daarvan  in  een  of  ander  opzicht  bevordert."  *) 

Zijne  familie  had  hij  op  het  landgoed  achtergelaten ;  waar- 
schijnlijk wilde  hij  haar  niet  blootstellen  aan  de  wisselvallig- 
heden van  een  nog  ongestadig  omzwerven  midden  in  den  winter. 
Zij  bleef  aan  de  getrouwe  hoede  zijner  gemeente  aanbevolen.  *) 
Werkelijk  had  zich  iemand  opgedaan,  die,  in  weerwil  van 
alle  waarschuwingen  van  La  ski,  dat  zijne  afwezigheid  slechts 
van  tijdelijken  aard  was,  en  in  weerwil  van  alle  vermanende 
brieven  van  de  meest  verschillende  zijden,  moeite  deed,  om 
het  ambt  van  superintendent  in  Emden  te  verkrijgen,  opdat 
Laski,  tot  vreugde  van  de  keizerlijke  partij,  voor  goed  van 
zijnen  post  zou  blijken  ontheven  te  zijn.  De  bedoelde  persoon 
was  Nicolai  Buscoducensis  •"*),  wiens  broeder,  den 
Deenschen  hofprediker,  wij  helaas  reeds  spoedig  gelegenheid 
zullen  hebben  te  leeien  kennen.  Laski  kan  de  mogelijkheid 
van  zulk  eene  handelwijze  bij  eenen  Evangelischen  prediker 
nauwelijks  aannemen.  „Indien  hij  het  nochtans  mocht  wa- 
gen, dan  zal  God  hem  straffen,  opdat  de  anderen  worden 
afgeschrikt." 

Betreffende  het  verblijf  van  Laski  te  Brcmen  is  ons  slechts 
weinig  bekend.  Wel  is  het  kenmerkend,  dat  onze  vriend, 
tijdens  zijn  vertoef  in  de  genoemde  stad,  uit  de  hand  van 
den  gestrengen  Lutheraan  Timann  het  heilig  Avondmaal 
ontving.  Dit  gaf  destijds  aan  niemand  eenigen  aanstoot, 
ofschoon  de  leeraren  in  Bremen  nauwkeurig  aangaande  de 
zienswijze  van  Laski  onderricht  waren  Want  omstreeks 
denzelfden  tijd  had  hij,  in  een  (helaas,  verloren  geraakt) 
zendschrijven    aan    de    Bremensche  predikers,  wellicht  naar 

»)  Ibid.,  p.  640. 
»)  Ibid.,  p.  638. 
3)  Vergel.,  met  betrekking  tot  hem,  ook  Wolters,  S.  97,  en  t.  a.  p. 

DALTON.  i3 


354 


aanleiding  van  eene  onderlinge  bespreking,  deze  zijne  ziens- 
wijze uitvoerig  ontwikkeld.  ^)  Doch  in  het  jaar  1550  oor- 
deelde men  klaarbiykelijk,  wat  de  toelating  tot  den  dieet 
dea  Heeren  betreft,  nog  niet  zóó  streng  en  bar,  ala  weinige 
jaren  later.  ') 

In  de  eerste  dagen  van  April  1550  begaf  a  Lasco  zich 
naar  Hamburg.  In  den  loop  van  den  winter  was  hij  tot  het 
besluit  gekomen ,  om ,  dewijl  het  zich  niet  liet  aanzien ,  dat 
de  zaken  in  OoBt-Friesland  zoo  heel  spoedig  eene  gunstige 
wending  zouden  nemen,  een  beroep  naar  Londen  aan  te 
nemen.  Aan  de  Elbe  verwachtte  hij  eerder  eone  scheeps- 
gelegenheid  te  zullen  vinden,  dan  aan  de  Wezer.  Ongeveer 
eene  miiand  lang  moest  hij  hier  toeven ,  gedurende  welken 
tijd  hij  veel  omging  met  A  e  p  i  n  u  s ,  den  voornaamsten  pre- 
diker der  atad.  Hetgeen  a  Lasco  ter  oorzake  van  het 
Interim  geleden  had,  deed  den  streng  Lutherschen  leeraar 
in  den  balling  de  dogmatische  verschilpunten ,  die  hen  van 
elkander  scheidden ,  over  het  hoofd  zien ;  A  e  p  i  n  u  s  toch 
was  één  van  de  meest  verklaarde  tegenstandera  van  het 
keizerlijk  manifest.  Ook  met  "Westphal  verkeerde  onze 
banneling  in  die  dagen  op  vriendschappelijke  wijze.  Een 
tiental  jaren  later  heeft  a  Lasco  dezen  zijnen  heftigsten 
tegenstander,  dien  wij  op  de  volgende  bladzijden  nog  zoo 
dikwerf  zullen  hebben  te  ontmoeten,  die  dagen,  in  Hambui^ 
met  elkander  doorleefd,  in  hot  geheugen  teruggeroepen.  On- 
bewimpeld —  zóó  schrijft  hij  —  heeft  hij  in  zijne  tegen- 
woordigheid, bij  gelegenheid  van  zoo  menig  vertrouwelijk 
gesprek,  de  leer  ontwikkeld,  die  hij  ten  allen  tijde  in  Oost- 
Friesland  verkondigd  had;  maar  destijds  is  zij  aan  West- 
phal  niet  godslasterlijk  voorgekomen,  gelijk  hij  haar  een 
paar  jaren  later  verachtelijk  bestempelde,  en  om  harentwil 
heeft  hij  den  omgang  met  hem  niet  afgebroken.   =■) 

Hier  in  Hamburg  gewerden  onzen  vriend  belangryke  brie- 
ven, op  welke  hij  reeds  lang  gewacht  had.  Van  den  koning 

<)  Koypor,  I,  Llll. 

»)  Verg.  Spiegel,  S.  UO. 


355 

van  Polen  ontving  hij  de  gevraagde  schriftelijke  getuigenis, 
dat  hij  nooit  eenig  ygandig  plan  tegen  Kar  el  Y  met  hem 
beraamd  had.  Met  deze  getuigenis  moest  hij  zich  tevreden- 
stellen ;  de  andere  hoop,  die  hg  koesterde,  dat  hij  nl.  in  zgn 
vaderland  zou  worden  teruggeroepen,  om  aldaar  het  Evangelie 
te  verkondigen,  wordt  in  het  schrijven  des  Eonings  met  stil- 
zwijgen voorbijgegaan.  „Hij  wil,  dat  ik  nog  wachten  zal. 
Daarom  dan  ook  wil  ik  de  hoop  nog  niet  geheel  opgeven."  *) 
Wanneer  kan  toch  ook  een  Pool,  in  zijne  roerende  vader- 
landsliefde, zulk  cene  hoop  op  terugkeer  vaarwelzeggen  ?  De 
brieven  uit  Engeland  behelsden  belangrijke  tijdingen  van 
politieken  aard,  die  hij  zich  haast,  aan  hertog  Alb recht 
mede  te  deelen.  De  afzenders  zijn  ons  onbekend,  maar  zg 
moeten  aanzienlijke  staatsambten  bekleed  hebben,  en  het  is 
een  teeken  van  het  groote  vertrouwen,  hetwelk  zij  in  a  Las  co 
stelden,  dat  zij  hem  zulke  mededeclingen  deden,  die  hij  voor 
een  deel  slechts  in  cijferschrift  aan  den  Hertog  waagt  te  doen 
toekomen. 

Deze  brieven  waren  echter  ook  de  boden,  die  a  La  se  o 
moesten  melden,  dat  men  in  Londen  stellig  op  zijne  me- 
dewerking rekende,  en  zoodra  slechts  de  koorts  geweken 
was,  —  in  de  eerste  dagen  van  Mei,  —  stak  hij  over  naar 
het  land,  hetwelk  Christus,  zijn  Heer,  hem,  even  zeker  als 
te  voren  Oost-Friesland,  had  aangewezen  als  de  plaats  eener 
rijkgezegende  werkzaamheid. 


1)  Ibid.,  p.  C39. 


9. 
IN  ENGELAND. 


Welk  een  geheel  anderen  loop  nam  toch  de  Hervorming 
op  het  vasteland ,  dan  in  Engeland ,  wat  hare  vroegste  wor- 
dingsgeschiedenis betreft ! 

Het  was  de  rustelooze  kommer  wegens  de  zaligheid  zijner 
ziel,  die  den  Augustijner-monnik  in  de  diepten  der  Heilige 
Schrift  had  doen  doordringen,  en  nauwelijks  had  hij  het 
middelpunt  der  Schrift,  Jezus  Christus  als  onze  éénige  recht- 
vaardiging voor  God,  gevonden,  of  het  was  de  prikkel  der 
goddelijke  waarheid,  die  hem  aandreef,  om,  bezield  met  een 
innig  mededoogen,  onder  zijn  volk  op  te  treden,  ten  einde 
te  getuigen  van  datgene,  wat  hij  zelf  tot  zijn  heil  onder- 
vonden had,  ja,  die  hem  met  blijden,  kloeken  moed  tegen- 
over Keizer  en  rijk  deed  optreden^  om  zijn  kleinood  voor 
het  oog  van  de  geheele  wereld  te  verdedigen.  Zijn  woord 
werkte  als  eene  verlossing  op  het  Duitsche  volk,  hetwelk 
zich  voor  hem  in  de  bres  stelde  en  de  zaak  van  Lu- 
ther  tot  zijne  eigene  maakte,  zonder  zich  om  de  mogelijke 
gevolgen  te  bekreunen,  en  zonder  angstvallig  te  overleg- 
gen, welk  een  voordeel  of  nadeel  uit  zulk  eene  handelwijze 


357 

voor  het  geheel  zou  voortvloeien,  terwijl  het  zich  volkomen 
vergenoegde  met  den  vrede,  die  door  het  Evangelie  aan  het 
gemoed  werd  verleend.  In  Engeland  daarentegen  is  het  een 
gewelddadig,  strijdlustig  Koning,  die  allereerst  tegen  Luther 
in  het  strijdperk  treedt,  en  die  zich  verheugt,  van  Leo  X, 
tot  belooning  voor  zijn  literarisch  wapenfeit,  den  bijnaam 
van  „Verdediger  des  geloofs"  („Defensor  fidei")  te  hebben 
verkregen.  Minder  liefelijk,  gewis,  maar  meer  passend  was 
de  naam,  dien  de  Duitsche  hervormer  aan  het  gekroonde 
hoofd  van  Engeland  schonk,  toen  hij  hem  in  dartele  luim 
„den  dollen  Hein"  („tollen  Heinz")  noemde.  Het  scheen  bij- 
kans, alsof  de  Koning  die  benaming  wilde  rechtvaardigen. 
De  begeerte,  om  zich  van  Katharina  van  Arragon,  met 
wie  hij  sedert  lange  jaren  gehuwd  was,  te  ontslaan,  ten 
einde  hare  hofdame,  Anna  Boleyn,  tot  koningin  en  ge- 
malin te  kunnen  verheffen ,  gaf  den  eersten  stoot ,  om  zich 
van  het  gezag  van  den  Paus,  die  zijne  toestemming  tot  eene 
echtscheiding  weigerde,  los  te  maken.  Indien  alleenlijk  dit 
de  beweeggrond  geweest  ware,  zou  hij  zeker  niet  voldoende 
geweest  zijn,  om  eenen  zoo  hoogst  belangrijken  stap  met 
goed  gevolg  ten  uitvoer  te  brengen.  Maar  reeds  voor  Hen- 
drik VIII,  en  vooral  met  schitterenden  uitslag  onder  den 
energieken  Eduard  IV,  was  de  macht  des  rijks,  en  in 
gelijke  mate  ook  die  van  den  heerscher,  bevestigd  geworden. 
Frans  I  en  KarelV  dongen  beiden  ongeveer  terzelfder 
tijd  (1520  en  1521)  naar  de  gunst  van  Engeland;  in  den 
invloedrijken  raadsman  des  Konings,  Thomas  VS^olsey,  die 
reeds  op  jeugdigen  leeftijd  tot  kardinaal  was  verheven  ge- 
worden ,  zagen  niet  weinigen ,  en  onder  dezen  hij  zelf  in 
de  allereerste  plaats,  den  toekomstigen  paus.  VS^elke  stoute 
plannen  verbond  de  eerzuchtige  candidaat,  die  met  ongeduld 
den  dood  van  Adriaan  verbeidde,  aan  de  vervulling  van 
zijnen  wonsch ,  dien  hij  nu  eenmaal  toch  niet  in  vervulling 
zou  zien  gaan !  Toen,  reeds  na  verloop  van  een  jaar,  de  recht- 
schapene Adriaan  VI,  de  pauselijke  waardigheid  moede, 
overleed ,  werd  Julius  Medici  paus ,  en  bleef  zulks ,  tot- 
dat in  Engeland  de  beslissende  teerling  gevallen  was.    Cl  e- 


358 

mens  VII  kon  er  niet  toe  besluiten,  om  het  huwelijk  van 
Hendrik  VIII  voor  onwettig,  en  alzoo  de  nicht  des  Keizers, 
Maria,  die  uit  deze  verbintenis  gesproten  was,  voor  een 
onecht  kind  te  verklaren.  Hendrik  VIII  gevoelde  zich  sterk 
genoeg,  om  dit  aarzelen  te  beantwoorden  met  het  stoutmoedige 
besluit,  dat  het  gezag  van  den  pauselijken  stoel  over  Engeland 
was  opgeheven.  In  de  beroemde  akte  van  Suprematie,  van  het 
jaar  1534,  bezegelde  het  Parlement  de  koninklijke  bepaling, 
dat  op  aarde  de  Koning  het  éénige  Hoofd  was  der  Engelsche 
kerk.  Pau  lus  III,  die  juist  den  pauselijken  stoel  beklommen 
had  en  aanstonds  het  groote  gevaar  besefte,  hetwelk  de  Room- 
sche  kerk  bedreigde,  stelde  pogingen  tot  verzoening  in  het 
werk,  maar  het  was  reeds  te  laat.  Het  genoemde  besluit  be- 
antwoordde geheel  aan  de  wenschen  des  Konings,  alsook  aan 
die  zijns  volks;  de  Engelsche  geestelijkheid  zelve  had,  voor 
een  deel  in  de  hoop,  door  deze  goedkeuring  het  in  hare 
schatting  zooveel  grootere  kwaad  der  Hervorming  van  Enge- 
land af  te  keeren,  aan  het  besluit  haren  bijval  geschonken. 
In  Engeland  was  alzoo  bereikt  hetgeen  de  pausen  te  vergeefs 
getracht  hadden  te  erlangen :  op  één  hoofd  de  dubbele  macht 
vereenigd.  Met  betrekking  tot  zijn  rijk  was  Hendrik  VIII 
tegelijkertijd  Koning  en  Paus. 

Aan  eene  hervorming  werd  door  Hendrik  VIII  in  't  eerst 
niet  gedacht.  Hij  had  verkregen  hetgeen  hij  wenschte.  Elke 
betrekking  met  den  bisschop  in  Rome  was  afgebroken ;  geen 
Petruspenning  mocht  langer  in  de  pauselijke  kas  vloeien; 
alle  kerkelijke  kwesties,  die  tot  dusver  slechts  in  Rome  hare 
afdoening  vinden  konden,  werden  voortaan  in  Engeland  be- 
slist. De  kerkorde  was  gewijzigd;  de  kerkleer  liet  de  „defensor 
fidei"  onaangeroerd.  Machtiger  echter  dan  een  koning,  mach- 
tiger dan  een  geheele  clerus  is  de  geest,  die  eenen  tijd 
beheerscht,  en  die  zijn  koninklijk  zegel  als  een  goddelijk 
merkteeken  op  hem  drukt.  In  die  dagen  kon  nergens  eene 
kerkelijke  vraag  worden  aangeroerd ,  ook  al  lag  zij  aan  den 
uitersten  omtrek  der  kerkelijke  politiek,  zonder  dat  de  stroom 
der   reformatorische    beweging,    die    de    geheele   christelgke 


359 

wereld  doordroDg,  zich  van  haar  meester  maakte.  Al  trachtte 
ook  Hendrik  VIII,  als  pans-koniDg,  zijne  kerk  op  heersch- 
zuchtige  en  gewelddadige,  ja,  ook  bloedige  wijze  tegen  het 
indringen  van  de  reformatorische  leer  te  beschermen,  hij 
zelf  geraakte  nochtans  op  dit  punt  aan  het  wankelei^,  deels 
door  de  macht  der  staatkunde,  deels  door  den  wisselenden 
invloed  der  familiën,  uit  welke  hij  zoo  spoedig  achtereen 
zijne  gemalinnen  koos ;  doch  ook  buitendien :  de  Hervorming 
drong  tóch  in  het  land  door,  daar  zij  bezield  was  door  den 
Geest  Gods,  die  blaast,  werwaarts  Hij  wil. 
Hier  en  daar  in  den  lande  vertoonden  zich  aanknoopings- 
punten.  De  prediking  van  Wycliffe,  al  was  zij  ook  reeds 
sinds  bijna  tweehonderd  jaren  verstomd,  was  evenwel  onder 
het  volk  niet  geheel  vergeten.  Voor  zulke  woorden  hoeft  het 
volk  overal  een  verwonderlijk  trouw  geheugen.  De  invloed 
der  Lolharden  was  in  den  loop  des  tij  ds  en  onder  zijnen 
zwaren  druk  in  het  duister  teruggedrongen,  maar  vertoonde 
zich  nu  weder  op  plaatsen ,  waar  men  dien  nauwelijks  meer 
aanwezig  dacht.  Het  volk  tastte  verlangend  naar  den  Bijbel ; 
het  woord  van  den  „Doctor  evangelicus",  —  welken  bijnaam 
Wycliffe  verkregen  had,  —  dat  alleen  in  de  Heilige 
Schrift  zekerheid  te  vinden  is,  was  in  de  herinnering  des 
volks  bewaard  gebleven.  Nu  ontving  het  den  Bijbel  in  zijne 
moedertaal  terug,  en  ikt  niet,  gelijk  bij  Wycliffe,  over- 
gezet uit  de  Vulgata,  maar,  gelijk  de  andere  volken  der 
Reformatie  dien  óók  bezaten,  rechtstreeks  uit  de  levende  bron 
van  de  oorspronkelijke  taal  geput.  De  vrome  Tyndalo, 
uit  Engeland  verbannen,  arbeidde  te  Antwerpen  aan  de  vol- 
tooiing van  het  groote  werk,  en  zulks  met  verdubbelden  ijver, 
nadat  zijn  getrouwe  medearbeider  Fryth  in  het  vaderland 
den  dood  eens  martelaars  gestorven  was  (1534)  ^).  Bijkans 
ieder  schip,  dat  van  de  Schelde  naar  Engeland  koers  zette, 
had  de  verbodene  vrucht  aan  boord,  en  ginds  ging  het  boek 

I)  De  schildering  van  zijnen  marteldood,  te  gelijk  met  eene  afbeelding  van 
deze  terdoodbrcnging,  van  de  hand  van  een  tijdgenoot  afkomstig,  vindt  men 
bij  Foxe,  V,  10;  dezelfde  biedt  ons  ook  eene  beschrijving  en  afbeelding  van 
den  marteldood  van  Tyndale  in  Antwerpen  (V,  127). 


360 

van  hand  tot  hand,  en  verspreidde  overal  het  heilige  zaad, 
dat  volbrengt  hetgene,  waartoe  het  gezonden  is.  ^) 

Zonderlinge,  verwarde  tijden  waren,  onder  de  regeering  van 
den  gewelddadigen  paus-koning,  voor  het  land  aangebroken. 
Een  worstelstrijd  tusschen  twee  machten :  aan  den  eenen  kant 
de  Koning,  die  geen  tegenspraak  duldde,  en  die  toch  eene 
scherpe  tegenspraak  in  zijn  eigen  binnenste  omdroeg,  zoodat 
hij  meer  dan  eens  voor  zijne  tegenpartij  scheen  te  strijden; 
aan  den  anderen  kant  het  vermanende  geweten  des  volks  in 
den  morgenglans  der  Hervorming,  maar  nog  ontbrak  de  tolk 
en  leider,  die  stoutmoedig  en  duidelijk  en  onbewimpeld,  met 
heiligen  toom  de  zaak  van  het  Evangelie  bepleitte.  Niet  zelden 
gebeurde  het,  dat  op  denzelfden  brandstapel  Evangelischen  en 
Katholieken,  als  martelaars  hunner  overtuiging,  hun  leven 
moesten  laten.  ^)  Na  het  overlijden  van  Wol  se y  had  Tho- 
mas Cranmer  (die  in  zijne  jeugd,  evenals  onze  La  ski, 
een  ijverig  leerling  van  Faber  Stapulensis  en  van  Erasmus 
geweest  was)  den  belangrijksten  invloed  verkregen.  Toen  hij 
nog  slechts  43  jaren  oud  was,  werd  de  hoogbegaafde  humanist, 
die  bereids  eene  vrouw  had  genomen,  —  de  nicht  van  den 
Neurenbergschen  hervormer  Osiander,  —  aartsbisschop 
van  Canterbury;  hij  had  de  gunst  des  Konings  mogen  ver- 
werven, doordien  hij,  reeds  in  1528,  in  een  schriftelijk 
advies  het  huwelijk  des  Konings  met  zijne  schoonzuster  voor 
nietig  verklaard  had.  XTit  dien  hoofde  tot  de  genoemde  hooge 
waardigheid  verheven,  werd  Cranmer,  ingevolge  de  akte 
van  suprematie,  primaat  van  geheel  Engeland;  met  zijne 
overtuiging  behoorde  hij  tot  de  Hervorming,  maar  het  ontbrak 
hem  nog  aan  de  doortastende  kracht  van  dat  geloof,  hetwelk 
alle  dingen  vermag.  Zijn  gelaat  was  naar  de  zijde  der  Her- 
vormers gericht,  maar  zijn  voeten  waren  nog  als  vastge- 
worteld    op    het    standpunt    van  Erasmus.    Toch  heeft  de 


1)  Welk  een  gestreng  toezicht  men  hield  op  het  gevaarlijke  boek,  blijkt  hieruit, 
dat  van  den  eersten  druk  van  T  y  n  d  a  1  e's  vertaling,  die  in  3000  exemplaren 
het  licht  zag,  tot  dusver  nog  slechts  één  enkel  exemplaar  is  ontdekt  geworden. 
(Verg.  Hardwick  (I),  p.  196.) 

S)  Ranke  (I),  S.  164. 


361 

Engelsche  kerk  haar  voortdurend  bestaan  wellicht  slechts 
daaraan  te  danken,  dat  juist  zulk  eene  persoonlijkheid  lange 
jaren  achtereen  het  roer  in  handen  had ;  in  dien  moeielijken, 
onstuimigen  tijd  toonde  hij  zich  een  meester  in  de  kunst 
van  te  kruisen,  te  laveeren  en  daardoor  het  schip  te  be- 
hoeden voor  het  gevaar  van  te  stranden  op  de  klip  van  zulk 
eenen  koning.  Voor  Cranmer  was  de  overtuiging,  dat  de 
Koning  de  stedehouder  Gods  en  binnen  de  grenzen  van  zijn 
rijk  de  plaatsbekleedcr  van  Christus  was,  een  soort  van 
geloofsartikel.  Menige  bevreemdende  handelwijze  des  mans 
vertoont  zich  daardoor  in  een  liefelijker  licht  aan  ons  oog, 
want  zij  is  niet  het  uitvloeisel  van  lafhartigheid,  maar  het 
onverschrokken  vasthouden  aan  zijne  overtuiging,  eene  hou- 
ding, die  hem  tot  eer  verstrekt,  ook  al  kunnen  wij  de  be- 
doelde overtuiging  zelve  niet  deelen.  Zijnen  koning  zag  hij 
eene  soortgelijke  taak  toegewezen,  als  tot  welke  voorheen 
bij  het  volk  Gods  koning  Josia  geroepen  was;  hem  bij  deze 
taak  de  behulpzame  hand  te  bieden,  achtte  hij  een  heiligen 
plicht.  Niet  zelden  is  ^t  aan  zijn  schrander  beleid  gelukt, 
om  uit  de  verdrictelijke  huwelijkszaken  des  Konings  toch 
nog  profijt  te  trekken  voor  de  Protestantsche  kerk;  onver- 
moeid beijverde  hij  zich,  om  ook  uit  de  eigenzinnigheid  des 
Konings  voordcel  en  voor  zijne  godsdienstige  overtuiging  te 
putten.  Daar  zijne  natuur  zeer  tot  bemiddeling  geneigd  was, 
vermocht  hij  zich  ook  naar  menige  luim  des  Konings  te  schik- 
ken; daardoor  behoedde  hij  de  zaak,  welke  hij  voorstond, 
in  die  ongunstige  tijden  voor  eenen  algeheelen  ondergang. 

Een  gunstiger  tijd  brak  aan  bij  den  dood  van  Hendrik 
VIII  (in  1547).  Veel  langer  zou  ook  Engeland  zijn  bewind 
niet  hebben  kunnen  verdragen ;  nu  moest  het  land  beslissen, 
of  het  aan  het  Protestantisme,  dan  wel  aan  het  Katholi- 
cisme zou  toebehooren.  De  naaste  erfgenaam  van  den  troon 
was,  volgens  de  beschikking  des  Konings,  zijn  negenjarige 
zoon,  Eduard  VI,  wiens  geboorte  aan  de  jonge  moeder, 
Jane  Seymour,  de  derde  en  meest  geliefde  gemalin  des 
Konings,  het  leven  had  gekost.  Toen,  onmiddellijk  na  het 
overlijden  des  Konings,  zijn  testament  geopend  werd,  bleek 


362 

het  uit  de  keus  van  de  16  mannen,  die  tot  op  de  meerderjarige 
heid  des  Eonings  den  regeeringsraad  moesten  Tormen^  dat  de 
partij,  die  aan  de  Hervorming  toegedaan  was,  het  overwicht 
had.  Nog  duidelijker  trad  dit  aan  het  licht,  toen  deze  mannen, 
met  bijkans  algemeene  stemmen,  den  oom  des  Konings,  graaf 
Hertford,  —  die  reeds  spoedig,  ingevolge  eenen  wensch 
des  overleden  konings,  tot  hertog  van  Somerset  was  verheven 
geworden  ^),  —  tot  Lord-Protector  des  rijks  verkozen.  De 
voornaamste  macht  berustte  nu  in  de  handen  van  twee  man- 
nen, die  openlijk  de  zaak  van  het  Protestantisme  waren 
toegedaan,  en  die  krachtig  en  onbelemmerd  genoeg  waren, 
om  hunne  overtuiging  ook  tegenover  het  protest  der  tegen- 
partij door  te  zetten.  Zij  hadden  eenen  onbeperkten  invloed 
op  den  Koning,  die,  terwijl  hij  zijnen  leeftijd  ver  vooruit  was, 
gewillig  en  met  vreugde  zulk  eenen  invloed  volgde.  Want 
sedert  zijn  vroegste  kindsheid  was  hij  in  deze  denkbeelden 
onderwezen,  en  zijne  opvoeders  behoorden  tot  diezelfde  rich- 
ting. Reeds  bg  zijne  kroning  wees  de  Primaat  den  knaap 
op  het  voorbeeld  van  Josia:  op  diens  voetspoor  moest  ook 
hij  in  zijn  rijk  den  beeldendienst  uitroeien,  en  de  ware  ver- 
eering van  God  invoeren.  Cranmer  zelf  beschouwde  het 
als  zijn  heiligen  plicht,  om  voor  den  minderjarige  in  dit 
opzicht  den  weg  te  effenen. 

Zonder  uitstel  begaf  men  zich  aan  het  werk.  De  oud-ge- 
loovige  bisschoppen  werden  teruggedrongen  en  allengs  ver- 
wijderd ;  frissche  krachten  traden  in  hunne  plaats,  deels  zulke 
mannen ,  die,  wegens  hunne  Evangelische  overtuiging,  onder 
den  vorigen  koning  gevangenschap  hadden  ondergaan,  deels 
dezulke,  die,  ten  einde  haar  te  ontgaan,  naar  het  vaste- 
land gevlucht  waren  en  als  ballingen  in  Straatsburg,  Zurich, 
Gencve  en  elders  een  vriendelijk  toevluchtsoord  gevonden 
hadden.  Hunnen  dank  voor  de  genotene  gastvrijheid,  welke  in 
die  dagen  geenszins  overal  zoo  gewillig  en  meedoogend  ver- 
leend werd,  bewezen  de  terugkeerende  vluchtelingen  ddar- 
door,  dat  zij  aan  de  gevoelens,  in  welke  zij  zelven  gedurende 


1)  Barnet,  II,  9. 


363 

hunne  verbanning  waren  versterkt  geworden,  in  hun  vader- 
land de  overwinning  verschaften.  De  beelden,  aan  welke  de 
bggeloovige  menigte  als  aan  hoofdartikelen  van  haren  gods- 
dienst gehecht  was,  werden  uit  de  kerken  verwijderd,  niet 
zelden  op  de  ruwe  wijze  der  beeldstormers  ^);  de  viering  van 
zielmissen  werd ,  evenals  de  onthouding  van  den  kelk  aan  de 
gemeente,  verboden,  weldra  ook  reeds  de  leer  van  de  Trans- 
substantiatie verworpen,  en  het  houden  van  eene  algemeene 
kerkvisitatie  in  den  lande  verordend.  De  uitslag  dezer  laatste 
was,  gelijk  overal,  ten  hoogste  droevig;  zij  deed  zien,  dat 
het  volk,  met  betrekking  tot  de  dingen  des  geloofs,  in  eene 
schrikbarende  onw^etendheid  verkeerde,  alsook,  dat  de  geeste- 
lijken ongeschikt  waren,  om  het  Evangelie  te  verkondigen 
en  het  licht  van  het  Woord  Gods  in  den  duisteren  nacht  des 
bijgeloof»  te  doen  doordringen.  De  Aartsbisschop  zorgde  voor 
de  uitgave  van  eene  verzameling  van  homiliën  over  de  belang- 
rijkste punten  der  leer  ^),  welke  dienen  moesten,  om  op  de 
dorpen  in  de  openbare  godsdienstoefeningen  te  worden  voor- 
gelezen ;  buitendien  werden  de  bekwaamste  predikers  aan  de 
kerk  visitatoren  ter  beschikking  gesteld,  om  op  de  meest  ver- 
schillende plaatsen  te  prediken.  Dit  waren  slechts  maatregelen 
tot  behulp ;  om  eene  grondige  verbetering  tot  stand  te  brengen, 
moest  men  op  meer  radicale  wijze  te  werk  gaan.  Het  kwam 
er  op  aan,  reeds  op  de  universiteit  voor  geschikte  onder- 
wijskrachten te  zorgen,  en  bekwame  predikers  te  vormen. 
Engeland  was  nog  niet  in  staat,  om  zelf  deze  krachten  aan  te 
kweekeh ;  op  het  vasteland  was  men  bereid,  daartoe  de  behulp- 
zame hand  te  bieden.  Reeds  een  paar  maanden  na  de  troons- 
bestijging van  Eduard  zien  wij  uitstekende  mannen,  zooals 
Petrus  Martyr  Vermigli^),  Bernardino  Ochino*) 
en  anderen  in  Engeland  bezig,  den  eerstgenoemden  met  in  Ox- 


*)  Verg.  Fox  e,  V,  697  sq.,  op  wien  inzonderheid  de  voorstelling  bij  B  u  r- 
n  c  t ,   Il ,  17  sq. ,  berust. 

*)  Onder  dit  twaalftal  homiliën,  dat  in  1547  het  licht  zag,  zijn  er  drie  van 
de  hand  van  Cranmer  zelven.    Verg.  Hard  wiek  (1),  p.  211. 

3;  Verg.  S  c  h  m  i  d  t ,  S.  75  f. 

*)  Vtrg.  Benrath,  S.  209  f. 


364 

ford  het  Woord  Gods  op  zijne  heldere,  diepzinnige  wijze  voor 
de  studenten  te  verklaren,  den  laatstgenoemden  allereerst  als 
prediker  voor  de  Italiaansche  vluchtelingen  te  Londen,  en 
daarenboven  ijverig  werkzaam  op  letterkundig  gebied  in  de 
onmiddellijke  omgeving  van  den  Aartsbisschop. 

Bij  den  gelukkigen  voortgang  van  deze  wezenlijke  horvor- 
mingen zagen  de  Lord-Protector  en  de  Primaat  het  gebied 
hunner  wenschen  en  plannen  zich  gedurig  verder  uitbreiden. 
Cranmer  zag  het  oogenblik  genaken,  waarop  de  Hervorming 
haren  volkomen  intocht  in  Engeland  zou  houden ;  hij  gevoelde 
zich  waarschijnlijk  niet  genoeg  zeker  van  zich  zelven,  om  de 
vragen,  die  alsdan  eene  beslissing  zouden  vereischen,  alléén, 
of  slechts  in  overleg  met  de  met  hem  gelijk  gezinde  mede- 
arbeiders in  den  lande  te  beantwoorden,  en  verlangde  daarom 
zeer  naar  den  raad  en  de  medehulp  van  de  voornaamste  Her- 
vormers van  het  vasteland.  De  drukkende  toestanden  aldaar, 
ingevolge  den  droevigen  afloop  van  den  Smalkaldischen  oorlog, 
gelijk  niet  minder  ten  gevolge  van  het  Interim,  kwamen  den 
Aartsbisschop  voor,  van  dien  aard  te  zijn,  dat  ze  het  ge- 
lukken van  zijn  plan  moesten  bevorderen.  Aan  de  uit  huis 
en  hof  verjaagden  kon  hij  in  het  gastvrije  Engeland  een  veilig 
toevluchtsoord  beloven.  In  alle  richtingen  hadden  er  uitnoo- 
digingen  plaats,  om  naar  Engeland  te  komen.  Op  welk  eene 
hartelijk  dringende  wijze  zulks  geschiedde,  blijkt  ons,  om  niet 
méér  te  noemen,  uit  eene  plaats  in  een  schrijven  van  Cran- 
mer aan  Buccr,  gedagteekend  van  den  2^^^  Octoberl548: 
„Intusschen  moeten  alle  .degenen ,  die  bij  den  heerschenden 
storm  (van  het  Interim)  met  hun  schip  de  open  zee  niet  be- 
varen kunnen,  beschutting  in  eene  haven  zoeken.  Cit  dien 
hoofde,  waarde  Bucerus,  zal  ons  rijk,  in  hetwelk,  door  de 
genade  Gods,  het  zaad  der  ware  leer  gelukkigerwijs  reeds 
aanvankelijk  werd  uitgestrooid,  u  tot  eene  volkomen  veilige 
haven  verstrekken.  Kom  daarom  tot  ons  over,  en  word  met 
ons  een  arbeider  in  des  Heeren  wijnberg  alhier.  Zoolang  gij 
onder  ons  vertoeft,  zult  gij  tot  geen  minderen  zegen  zijn  voor 
de  kerke  Gods  in  haar  geheel,  dan  wanneer  gij  op  uwen  tegen- 
woordigen  post  blijft.  Daarbij  komt,  dat  gij  nog  beter  in  staat 


365 

zult  zijn,  uit  de  verte  de  wonden  van  uw  ongelukkig  vader- 
land te  heelen  ^),  dan  gij  zulks  door  uwe  persoonlijke  tegen- 
woordigheid doen  kunt.  Stel  dus  alle  aarzeling  ter  zijde,  en 
kom,  zoo  spoedig  mogelijk,  tot  ons  oVer/*  *)  Aangaande  het 
plan,  dat  Cranmer  bij  het  uitnoodigen  van  deze  uitste- 
kende mannen  beoogde,  vernemen  wij  iets  naders  uit  zijn 
schrijven  aan  a  Lasco,  waarin  hij  o.  a.  zegt:  ^Wij  wen- 
schen  aan  onze  gemeenten  de  ware  goddelijke  leer  te  bieden, 
en  eenen  waren,  duidelijken,  met  het  richtsnoer  der  H.  Schrift 
overeenkomstigen  leervorm  aan  onze  nakomelingen  na  te 
laten,  ten  einde  zoowel  aan  alle  volken  een  roemrijk,  door 
het  gewichtige  aanzien  van  geleerde  en  vronie  mannen  ge- 
staafd getuigenis  van  onze  leer  te  bieden,  als  ook  aan  onze 
nakomelingen  eenen  leerregel  te  schenken,  dien  zij  kunnen 
volgen.  Om  zulk  een  plan  te  volvoeren,  achten  wij  de  aan- 
wezigheid van  geloovige  mannen  noodzakelijk,  die,  door  hun 
oordeel  met  het  onze  te  vereenigen,  aan  alle  geschillen  over 
de  leer  een  einde  maken  en  een  volledig  systeem  („integrum 
corpus")  der  ware  leer  opstellen.^'  **) 

Bij  de  volvoering  van  zulk  een  veelomvattend,  belangrijk 
plan,  achten  wij  het  alleszins  verklaarbaar,  dat  ook  onze  vriend, 
en  wel  als  één  van  de  eersten,  werd  uitgenoodigd,  om  tot  den 
kring  van  deze  „ronde  tafel"  toe  te  treden.  Zijn  naam  had 
eenen  goeden  klank.  Binnen  weinige  jaren  had  hij  in  Oost- 
Friesland  een  werk  tot  stand  gebracht,  dat  in  den  breedsten 
omtrek  verbazing  en  bewondering  wekte.  *)  Het  waren  vooral 
twee  mannen,  die  den  primaat  van  Engeland  op  La  ski  op- 
merkzaam maakten :  Petrus  M  a  r  t  y  r,  die  onzen  vriend  in 
Straatsburg  had  leeren  kennen  en  hoogachten,  en  de  lijfarts 
des  Koningö,  Dr.  Turner.  Deze  had,  eenige  jaren  te  voren, 

1)  Straatsburg  was  destijds  nog  weigerachtig,  om  zich  aan  het  Interim  te 
onderwerpen.  (B  a  u  m  ,  S.  542.) 

ï)  „Original",  1,  20. 

•*i  Zie  het  origineel  bij  Gabbema,  p.  108;  eene  Engelsche  vertaling  is  te 
vinden  in   „Original",  l,  17. 

*j  Welk  een  eervol  getuigenis  van  zijne  bekwaamheid  voor  dezen  arbeid  geeft 
£  lu  m  i  u  ïi  (p.  9:^5)  bij  div.c  gelegenheid  aan  onzen   La^^ki ! 


366 

wegens  zijn  geloof  Engeland  moeten  verlaten ,  en  leefde  ge- 
durende dien  tijd  in  Emden,  alwaar  hij  op  zeer  vriendschap- 
pelijken  voet  met  a  La  se  o  omging.  Door  den  Lord-Protector 
in  het  vaderland  teruggeroepen,  nam  hij  hier  ijverig  deel  aan 
den  voortgang  der  Hervorming,  terwijl  hij  niet  verzuimde^ 
bg  herhaling  op  die  belangrijke  kracht  in  Oost-Friesland  de 
aandacht  te  vestigen.  Reeds  in  het  voorjaar  van  1548  kwamen 
de  eerste  aanzoeken  uit  Londen,  die  daarop  in  den  zomer  van 
dat  jaar  herhaald  werden,  met  de  dringende  bede  gepaard,  om 
toch  al  het  mogelijke  te  doen,  ten  einde  ook  Melanchthon 
te  bewegen,  aan  don  arbeid  deel  te  nemen.  Aan  schriftelijke 
beden  in  Wittenberg  heeft  a  La  se  o  het  niet  laten  ontbreken. 
^Daar  gij  nu  ziet,  waarde  Philippus,  waartoe  en  waarheen 
gij  geroepen  wordt,  en  tevens,  met  welk  een  verlangen  gij 
door  allen,  die  u  en  den  waren  godsdienst  liefhebben, 
verwacht  wordt,  zoo  weet  ik  inderdaad  niet,  met  welk 
een  geweten  gij  deze  roeping  kunt  afwijzen,  voornamelijk, 
als  gij  bedenkt,  dat  gij  daar  ginds  thans  volstrekt  geen 
zekere  roeping  hebt,  die  gij  aan  deze  met  recht  zoudt  kun- 
nen tegenoverstellen.  Als  gij  bij  eene  soortgelijke  roeping 
geen  zwarigheid  gemaakt  hebt  tegenover  onzen  hoogeerwaar- 
den grijsaard ,  den  bisschop  van  Keulen ,  zoo  zal  het  u 
waariyk  nu,  in  eene  zaak,  die  nog  zooveel  gewichtiger  is, 
allerminst  geoorloofd  zijn.  Ik  weet,  hoe  ongaarne  de  uwen  u 
derwaarts  zullen  zien  gaan,  en  hoe  ongaarne  gij  hen  verlaat, 
vooral  in  dezen  tijd,  maar  ik  vrees,  dat  niet  allen  daar  ginds 
in  die  mate  naar  u  luisteren,  als  wij  zulks  zouden  wenschen 
te  doen."  ^) 

Melanchthon  ging  echter  niet.  Moeielijke  dagen  toch 
waren  voor  hem  aangebroken.  De  landdag  te  Meiszen  (1 
Juli  1548) ,  op  welken  hij  eene  zoo  grondige  en  scherpe 
critiek  van  het  Interim  had  geleverd  '^),  was  door  een  paar 
kort  na  elkander  gehoudene  samenkomsten  gevolgd,  welker 
eindresultaat   het   Leipziger    Interim    was.    Indien   hij  naar 


t)  Kayper,  II,  619. 

S)  Verg.  Melanchthon,  VII,  13  sq. 


367 

Engeland  gegaan  ware,  zijn  naam  zou  niet  met  dit  ,,lap- 
werk"  1),  om  geen  scherper  uitdrukking  te  bezigen,  verbonden 
zijn.  A  L  a  s  c  o  erkende  de  hooge  beteekenis  van  de  beroeping 
naar  Londen;  de  gronden,  met  welke  hij  Melanchthon 
trachtte  over  te  halen,  waren  voor  hem  zelven  beslissend. 
Het  viel  ook  hem  niet  gemakkelijk,  om  juist  nu,  al  was 
het  ook  slechts  voor  een  paar  maanden,  zijn  Oost-Fries- 
land te  verlaten.  Maar  door  dit  zware  ofFer  heeft  hij,  met 
zijnen  ruimen,  onbenevelden  blik  voor  de  kerk  des  Heeren 
in  haar  geheel,  eenen  invloed  op  de  ontwikkeling  der  En- 
gelsche  kerk  verkregen,  die  tot  op  dezen  oogenblik  te  be- 
speuren is. 

Cranmer  en  de  Lord-Protector  wenschten  goeden  raad 
in  te  winnen;  Wittenberg  weigerde  zijnen  raad  op  dat  beslis- 
sende tijdstip.  Verwonderen  wij  ons  daarom  niet,  wanneer  de 
leer  der  Engelsche  kerk  eenen  stempel  verkregen  heeft,  die 
niet  uit  de  school  van  Lu  the  r  herkomstig  is.  Zij  zou  dien 
destijds  nog  hebben  kunnen  verkrijgen,  of  —  gelijk  we  ons, 
met  het  oog  op  voorbereidende  stappen  in  het  jaar  1538, 
wellicht  nauwkeuriger  moeten  uitdrukken,  —  hebben  kunnen 
vernieuwen  en  bewaren. 

a)    Eerste    verblijf  in    Engeland. 

Drie  dagen,  nadat  de  keizerlijke  bode  in  Emden  was  aan- 
gekomen, tegen  het  eind  van  Augustus  1548,  verliet  a  Lasco 
met  toestemming  van  de  Gravin,  Oost-Friesland.  Het  was 
cenc  gevaarlijke  reis,  die  hij  ondernam;  overal  loerden  kei- 
zerlijke gerechtsdienaren  op  de  voornaamste  hoofden  der 
Protestanten;  juist  a  Lasco  zou  hun  eene  welkome  prooi 
geweest  zijn.  Daarbij  voerde  hem  zijn  weg  door  het  gebied 
des  vijand».  Terwijl  de  Keizer  zich  met  zijn  hof  reeds  in 
Brussel  bevond,  reed  onze  Pool,  vermomd  en  onder  eenen 
vreemden  naam,  door  Holland,  Brabant  en  Vlaanderen.  Nie- 
mand herkende  hem ;  ongemoeid  bereikte  hij  de  zeestad  Calais, 


>)  Schmidt  (I),  S.  508. 


368 

die  destijds  nog  in  het  bezit  was  der  Engelschen.  Hier  vond 
men  altoos  gemakkelijk  eene  scheepsgelegenheid  naar  de 
Engelsehe  kust.  In  het  begin  van  September  kwam  onze 
vriend  behouden  te  Londen  aan. 

Eenen  belang  wekkenden  kring  van  gelijk  gezinde  mannen 
van  het  vasteland,  die  zich  bijkans  van  week  tot  week  uit- 
breidde, vond  Laski  bij  zijne  aankomst  reeds  aanwezig, 
allen  bezield  door  het  ernstig  verlangen,  den  Aartsbisschop 
en  de  met  hem  gelijk  denkende  mannen  van  Engeland  met 
raad  en  daad  bij  het  groote  Hervormingswerk  behulpzaam 
te  zijn.  Reeds  sedert  bijkans  een  jaar  was  Petrus  Martyr 
met  uitnemend  gevolg  in  Oxford  werkzaam;  gelijktijdig  met 
hem  was  Ochino  in  Engeland  aangekomen  (20  Dec.  1547); 
hij  was  tot  Domheer  van  Canterbury  benoemd  geworden, 
en  vond  overvloedigen  arbeid  onder  zijne  talrijke  landslieden 
die  uit  Italië  herwaarts  gevlucht  waren. 

Later  vertoefden  Bucer  en  zijn  geestverwant  Fagius 
als  gasten  ten  huize  van  Granmer,  alwaar  zij  zich  ijverig 
bezig  hielden  met  de  H.  Schrift  uit  den  grondtekst  in  de  La- 
tijnsche  taal  over  te  zetten  ^).  Ook  Francisco  de  Enzinas 
(Dryander)  had  zich,  op  warme  aanbeveling  van  Melanch- 
thon,  naar  Engeland  begeven,  en  spoedig  werd  de  oude 
innige  vriendschap  uit  Leuven  met  a  La  se  o  vernieuwd  ^). 
Sedert  een  tiental  jaren  had  de  Evangelisch-gezinde  Span- 
jaard een  onrustig  leven  moeten  leiden;  reeds  had  hij  het 
voornemen  opgevat,  om  naar  Turkije  de  wijk  te  nemen,  in 
de  hoop  van  aldaar,  op  de  eene  of  andere  plaats,  grootere 
verdraagzaamheid  te  zullen  vinden,  dan  in  het  uitgestrekte 
gebied  van  het  keizerlijke  Spanje^).  Kort  voor  zijn.  vertrek 
naar  Engeland  was  hij  te  Bazel  in  den  echt  getreden  met 
Margareta  Elter,  —  eene  keuze,  met  welke  Laski 
hem  hartelijk  geluk  wenscht.  Nog  twee  gestalten  van  het 
vasteland  ontmoeten  wij  in  Londen,  wier  leven  van  nu  voor- 
taan   nauw  verbonden  blijft  met  het  lot  van  Laski.    Voor- 


*)  Verg.  Cranmer,  p.  423. 
*)  Kuyper,  II,  619. 
3)  Bühiner,  ],  151. 


369 

eerst  Johannes  Utenhoye  ^),  een  ons  reeds  bekende  naam, 
afstammeling  yan  eene  hoogaanzienlijke,  oude  familie  in  Gent, 
een  broeder  van  dien  Earel,  dien  a  Lasco  ten  huize  van 
Erasmus  had  leeren  kennen  en  liefhebben,  en  die  hem  op 
zijne  reis  naar  Opper-Italië  vergezeld  had.  ^)  Reeds  vroeg 
was  Johannes  voor  de  zaak  van  het  Evangelie  gewonnen  ge- 
worden; dientengevolge  zag  hij  zich  het  verblijf  in  zijn  vader- 
land ontzegd  (sedert  1544)  ').  Op  zijne  vele  omzwervingen 
komt  zijne  slechts  flauw  omtrokkene  gestalte  nu  eens  in 
Zwitserland,  dan  weder  onder  de  Straatsburgers  te  voor- 
schijn; van  nu  af  aan  echter  zien  wij  hem  als  getrouwsten 
metgezel  in  de  omgeving  van  La  ski.  Ingevolge  de  warme 
aanbeveling  van  den  Gentenaar  werd  Valérand  Poulain, 
een  edelman  uit  Rijssel^  die  zich  aan  de  Hervorming  aange- 
sloten en  in  de  theologie  gestudeerd  had,  naar  Engeland  be- 
roepen. Gelijk  Ochino  onder  zijne  landslieden  in  Londen 
als  zielverzorger  werkzaam  geweest  was,  zóó  arbeidde  ook 
Poulain  op  gelijke  wijze  onder  de  Franschen,  die  hun  vader- 
land, hetwelk  zich  van  de  Evangelische  beweging  zoozeer  af- 
keerig  toonde,  hadden  vaarwelgezegd,  om  in  het  bereidwillig 
ontsloten  toevluchtsoord  aan  de  Theems  overeenkomstig  hun 
geloof  te  kunnen  leven.  Door  hunne  beide  vrouwen  waren 
Enzinas  en  Poulain  van  nabij  met  elkander  vermaag- 
schapt  geworden.  ^)  Dit  zijn  slechts  de  namen  van  de  meest 
uitstekende  leden  van  den  Evangelisch-gezinden  kring,  dien  de 
Engelsche  aartsbisschop  tot  zich  genoodigd  had,  eene  schoone 
staalkaart  van  namen  uit  schier  alle  landen  der  beschaafde 
wereld,  uit  Duitschland,  Polen,  Spanje,  Frankrijk,  België  en 

1)  Het  is  ons  onbekend ,  of  de  wensch ,  die  reeds  vóór  het  vierde  eener  eeuw 
door  Kist  werd  uitgesproken  („Kerkhistorisch  Archief',  H,  419),  in  vervulling 
is  gegaan,  nl.  dat  toch  van  deze  beide  broeders  eene  uitvoerige  levensbeschrijving 
het  licht  mocht  zien.  Eene  reeks  van  belangrijke  brieven,  zoowel  vèn  hen,  als 
aan  hen,  vindt  men  in  het  „Scrinium",  IV,  429  sq.,  662  sq.  etc.  [In  18SS 
verscheen  in  het  licht:  „Jan  Utenhove.  Zijn  leven  en  lijne  werken." 
Door  Dr.  F.  Pijper.  Te  Leiden,  by  A.  H.  Adriani.  (256  en  XCIV  bladiüden.) 
V  e  r  t.] 

*)  Verg.  hierboven ,  blz.  142. 

3)  „Calendar.  Domestic",  p.  144. 

«)  Böhmer,  I,  151. 

DALTON.  24 


370 

Zwitserland.  In  de  moedertaal  der  geleerden  bezaten  zg  het 
geschikte  middel  ter  gedachtènwisseling ,  doch  in  het  Evan- 
gelie het  schoone  vaderland,  dat  hen  elkander  als  broeders 
en  stamgenooten  in  het  geloof  deed  erkennen. 

Toen  a  Las  co  in  Engeland  aankwam,  was  Cranmer 
juist  uit  Londen  afwezig.  Laski  verbeidde  hem  in  zijn  kasteel, 
in  de  eerste  dagen  nog  eenigszins  in  het  onzekere,  wat  hij 
zich  van  de  voornemens  van  den  Primaat  met  betrekking  tot 
den  wederopbouw  der  Kerk  hier  te  lande  beloven  mocht. 
„Maar  't  is  reeds  iets  groots/'  —  zóó  schrijft  hij  aan  Dry- 
ander, —  „in  dezen  tijd  een  toevluchtsoord  te  kunnen 
hebben,  waar  wij  voor  ons  en  de  onzen,  met  wie  wij  door 
den  band  deszelfden  Geestes  in  den  Heer  zijn  verbonden,  in 
de  belijdenis  van  ons  geloof  kunnen  leven.''  ^)  Een  paar 
dagen  later  keerde  de  primaat  van  Engeland  van  zijne  reis 
terug,  en  heette  den  neef  van  den  voormaligen  primaat  van 
Polen  welkom  in  zijne  gastvrije  woning,  in  het  kasteel 
Lambeth.  Laski  bleef  zijn  gast  gedurende  de  bijkans  acht 
maanden  van  zijn  verblijf  in  Engeland,  en  weldra  ontstond 
er  eene  innige  vriendschap  tusschen  deze  beide  mannen.  Te- 
rugziende op  den  tijd  van  hun  samenwonen,  betuigt  Cran- 
mer later  aan  Melanchthon,  dat  hij  gedurende  al  deze 
maanden  met  a  Las  co,  dezen  allervoortreifelijksten  man, 
op  den  vertrouwelijksten  en  vriendschappelijksten  voet  heeft 
omgegaan.  ^)  De  beide  uitstekende  mannen  bezaten  vele 
innerlijke  aanrakingspunten.  Waren  zij  daardoor  eenmaal  met 
vertrouwen  tot  elkander  genaderd,  dan  kon  het  niet  anders, 
of  Laski  moest  eenen  bepaalden  invloed  op  den  Aarts- 
bisschop uitoefenen.  Cranmer  was  wel  een  tiental  jaren 
ouder  (geb.  in  1489);  zijne  positie  in  den  staat  en  in  de  kerk 
ging  ook  in  belangrijkheid  de  meer  bescheidene  stelling  van 
den  Hervormer  in  Oost-Friesland  verre  te  boven.  Maar 
a  Las  co  overtrof  hem  in  sterkte  en  onwrikbaarheid  van 
karakter;  hij  was  vastgeworteld  in  zijne  Evangelische  over- 

»)  Kuy  per,  II,  619. 

2)  C  r  a  II  m  e  r  ,    p.    425:    „JohaDnea   a   Lasco,    vir   optimus,  mecam  hosce 
aliquüt  nienscs  conjunctissime  et  amantissime  vixit." 


371 

tuiging,  die  hij  met  het  zware  offer  der  verbanning  uit  zijn 
vaderland  zuiver  bewaard  en  bezegeld  had.  Daar  hij  zich  in 
zijnen  Heer  tot  vrijheid  geroepen  gevoelde,  liet  hij  zich  nim- 
mer door  overwegingen  van  menschelijken  aard  influenceeren. 
Zonder  menschenvrees ,  onbekommerd,  immers  in  het  vaste 
vertrouwen  op  zijnen  God,  leefde  hij  met  onwrikbaren  moed 
enkel  voor  zijne  overtuiging,  bezield  door  de  vurige  begeerte, 
om  haar,  als  in  eenen  heiligen  dienst  des  Heeren,  ook  bij 
anderen  ingang  te  doen  vinden.  Hendrik  VIII  zou  niet 
lang  geaarzeld  hebben,  op  zulk  eene  gestalte  den  stempel 
eens  bloedgetuigen  te  drukken. 

Dat  men  reeds  na  verloop  van  een  paar  maanden  dezen 
invloed,  door  Laski  aanhoudend  op  den  Primaat  geoefend, 
ook  in  breeder  kringen  bespeurde,  daarvoor  ontbreekt  het 
ons  niet  aan  de  noodige  bewijsstukken.  Een  brief  van  eenen 
Zwitser,  Johan  von  Eschen  (ab  Ulnis)  uit  Engeland, 
gedagteekend  van  den  IS^en  Aug.  1548,  bericht,  dat  de 
Aartsbisschop  in  zijnen  ijver  verflauwd  is  en  de  verwachtin- 
gen der  Protestanten  veel  minder  hoog  gespannen  zijn,  dan 
vroeger.  Als  bewijs  wordt  de  onder  Cranmer's  naam  ver- 
schenen vertaling  van  eenen  Catechismus  aangevoerd,  in 
welken,  volgens  den  briefschrijver,  nog  zeer  bedenkelijke 
concessies  aan  de  Roomsche  kerk  voorkomen  ^).  Euim  vier 

1)  De  titel  ?an  den  bedoelden  Catechismus  luidt:  „A  short  Instruction  into 
the  Christian  Keligion;  for  the  syugular  commoditie  and  profite  of  children  and 
young  people.  Set  forth  by  the  most  Reverend  Father  in  God,  Thomas,  Arch- 
byshoppe  of  Canterbury."  Tot  mijn  leedwezen  was  't  mij  niet  mogelijk,  een 
exemplaar  van  dezen  Catechismus  op  te  sporen;  in  de  uitgave  van  Cranmer's 
werken  in  twee  Deelen  door  de  „Parker  Society"  is  hij  niet  opgenomen ;  slechts 
de  brief  is  voorhanden,  met  welken  de  Aartsbisschop  een  exemplaar  aan  koning 
Edaard  zendt  (Cranmer,  p.  418).  Eene  korte  opgave  aldaar  noemt  den 
Catech.  van  Jnstus  Jonas  als  het  origineel.  Uit  de  aanduidingen  van  onzen 
bovengen.  briefschrijver  en  uit  de  onduidelijke  uittreksels  bg  Bnrnet,  11,118, 
is  niet  te  bespeuren,  in  hoever  Cranmer  zich  met  eene  eenvoudige  overzetting 
heeft  vergenoegd,  in  hoever  hij  zelfstandig  gearbeid  heeft.  (Verg.  ook  Hardwick 
(I),  p.  211.)  Tn  de  bedoelde  passage  van  dien  brief  luidt  het  haastige  en 
„absprechende"  oordeel  aldus:  „I  wonld  have  you  know  this  for  certain,  that  this 
Thomas  (C  run  nier)  has  fallen  into  so  heavy  a  slumber,  that  we  entertain 
hut  a  vcry  culd  hope,  that  he  will  be  aroused  even  by  your  moht  learned  let* 
ter    For  he  has  lately  published  a  Catechism,  in  which  he  has  not  only  appro- 


372 

maanden  later  bericht  dezelfde  schrijyer  op  verheugden  toon 
aan  zijnen  correspondent,  dat  Engeland  krachtige  pogingen 
in  het  werk  stelt,  om  zich  aan  zwakheid  en  dwaling  te  ont- 
worstelen. „ Ook  Thomas  Cranme r,'^  zóó  gaat  de  schrg ver 
voort,  „heeft  zich  in  aanmerkelijke  mate  van  zijne  gevaarlijke 
lethargie  hersteld,  „by  the  goodness  of  God  and  the  instru- 
mentality  of  that  most  upright  and  judicious  man,  master 
John  a  Lasco/'  ^)  De  verandering,  welke  in  Cranmer's 
denkbeelden  dezen  winter  (1548 — 49)  plaats  greep,  viel  ook 
aan  andere  tijdgenooten  in  het  oog.  ^)  Engelsche  navorschers 
zijn  geneigd,  dezen  opmerkelijken  ommekeer  aan  den  invloed 
van  den  toenmaligen  bisschop  van  Rochester,  Dr.  Ridley, 
toe  te  schrijven.  Het  zij  verre  van  ons,  ook  op  dit  punt  de 
hooge  verdienste  van  dezen  uitstekenden  leider  der  Hervor- 
ming in  Engeland  te  willen  verkleinen ;  maar  zoolang  er  niet 
voldingende  bewijzen  voor  de  genoemde  meening  worden  bg- 


ved  that  foul  and  aacrilegioas  transsabstantiation  of  the  papiste  in  the  holy 
Bupper  of  our  Sa?iour,  but  all  the  dreams  of  Luther  seem  to  him  sufficiently 
well  grounded,  perspicuoas  and  lucid."  („Original/'  p.  818.)  Steven  Gardiner, 
bisschop  van  Winchester,  de  heftige  tegenstander  van  Cranmer,  beroept  zich, 
in  zijn  werk:  „An  explication  and  assertion  of  the  true  Catholic  faith  touching 
the  most  blessed  sacrament  of  the  altar,"  herhaaldelijk  op  dezen  Catech.  van 
Cranmer,  en  deze  laatste  moot  in  zijne  beantwoording  zijne  toevlucht  nemen 
tot  de  bewering,  dat  de  aangevoerde  plaats  in  geestelijken  zin  moet  worden 
verstaan  (zie  b.v.,  in  Cranmer's  „Answer  to  a  crafty  and  sophistical  cavilla- 
tion,"  p.  227  en  elders).  —  Reeds  in  1525  werd  aan  Justus  Jonas  en  Agricola 
door  Luther  opgedragen,  om  eenen  catechismus  op  te  stellen.  Hun  arbeid  schijnt 
Luther  niet  bevredigd  te  hebben  (Preasel,  S.  129,  en  Zezschwitz,  11, 
820);  want  hij  verhinderde  hem  niet,  spoedig  daarop  zijn  eigen  classicke  werk 
van  den  Kleinen  Catech.  te  vervaardigen.  Of  deze  Catech.  van  Jonas,  uit  het 
jaar  1525,  dezelfde  is,  als  de  z.g.  Brandenburg-Neurenbergsche,  dien  Jonas  in 
1589  in  het  Latijn  vertaalde,  weet  ik  niet;  slechts  dit  is  zeker,  dat  Cranmer 
deze  Latijnsche  overzetting  aan  zijnen  arbeid  tot  grondslag  legde.  Het  zou  on- 
getwijfeld interessant  zijn  om  te  weten,  wat  den  Aartsbisschop  bewogen  heeft, 
juist  aan  dezen  Catech.  ingang  in  Engeland  te  verschaffen.  Volgens  de  uiteen- 
zettingen van  Kawerau  (S.  41,  70)  is  het  werk  Van  Jonas  en  Agricola  in  het 
geheel  niet  in  druk  verschenen;  in  1527  heeft  Agricola  vervolgens,  gedurende 
zijn  verblijf  te  Eisleben,  een  soort  van  catechismus  uitgegeven:  „Eine  Christ- 
liche  kindcr  zucht  yun  Gottes  wort  und  lere.  Aus  der  Schulezu  Eisleben,  1527." 

1)  „Original,"  p.  888. 

a)  Verg.  Hard  wiek  (I),  p.  215. 


373 

gebracht^  is  het  toch  verreweg  't  waarschijnlijkste,  dat  in 
dit  opzicht  het  meeste  te  danken  is  aan  den  invloed,  die 
door  a  Lasco  op  den  primaat  des  rijks  werd  uitgeoefend. 
Waarom  moet  de  bisschop  van  Rochester  zoodanigen  invloed 
juist  in  die  maanden  hebben  uitgeoefend  >  in  welke  La  ski, 
als  gast  van  den  Aartsbisschop  op  het  kasteel  Lambeth  ge- 
huisvest, dagelijks  op  den  meest  vriendschappelijken  voet  met 
zijnen  gastheer  verkeerde?  *)  Voor  niet  weinige  hedendaag- 
sche  Engelschen  is  wellicht  de  werkzaamheid  van  den  vreem- 
deling en  hare  beteekenis  voor  de  wording  van  hunne  vader- 
landsche  kerk  cenigszins  pijnlijk,  en  vandaar  dan  de  wensch, 
om  die  tot  de  bescheidenste  afmetingen  terug  te  brengen ;  in 
die  groote  dagen  der  Hervorming  echter  trok  men  nog  niet 
die  enge  nationale  grenzen  ook  op  het  gebied  der  Kerk.  De 
herleving  der  wetenschappen,  de  humaniteitsstudic  had  juist 
den  blik  verruimd,  en  voor  de  geleerden  een  gemeenschap- 
pelijk geestelijk  vaderland  ontsloten;  de  grenzen  van  dit 
vaderlaudsche  gebied  werden  verder  uitgebreid  en  bevestigd 
door  de  Hervorming,  die  eenen  band  van  innige  broeder- 
schap om  de  meest  verschillende  volken  strengelde. 

De  winter,  dien  a  Lasco  op  het  kasteel  Lambeth  en  in 
het  middelpunt  der  geestelijke  beweging  doorbracht,  was  voor 
den  voortgang  der  Hervorming  in  Engeland  van  hooge  be- 
teekenis. Reeds  in  de  laatstvoorgaande  lente  was  er  eeno 
levendige  beweging  met  betrekking  tot  het  Avondmaal  ont- 
staan. ^)  Niet  lang  vóór  de  aankomst  van  L  a  s  k  i  had  C  a  1- 
V  ij  n  zich  een  paar  malen  achtereen  schriftelijk  tot  den  Lord- 
Protector,  den  hertog  van  Somerset,  gewend,  ten  einde  hem 
tot  eene  hervorming  van  do  Anglikaansche  kerk  aan  te  sporen. 
Kort  te  voren  had  hij  hem  zijnen  Commentaar  op  do  Brieven  aan 


1)  Ook  uit  het  buitenland  kwamen  brieven,  die  den  aarzelendcn  aartsbisschop 
tot  grooteren  ijver  aanspoorden.  Ik  ben  geneigd,  den  ongedagteekenden  brief  van 
Calvijn  („Op.",  XXIII,  682)  aan  Cranmer  in  dezen  tijd  te  plaatsen;  do 
aldaar  genoemde  3  jaren  behoeven  niet  noodzakelijk  tot  het  aanvaarden  der 
regeering  door  Eduard  VI  bepaald  te  worden,  en  laten  het  jaar  1545  als  tijd- 
stip „a  quo"  toe.  (Verg.  Fr  oud  e,  IV,  196  sq.) 

»)  Kuyper,  II,  616. 


374 

Timotheüs  opgedragen.  ^)  In  November  kwam  het  Parlement 
te  zamen.  Cranmer  kon  daaraan  een  gebedenboek  ter  be- 
oordeeling voorleggen,  hetwelk  dienen  moest,  om  het  gebruik 
van  de  Latijnsche  gebeden  in  de  Engelsche  kerk  af  te  schaf- 
fen en  tevens  de  kerkleer  vast  te  stellen.  Merkwaardige 
Parlementsvergaderingen !  „Het  Parlement  beraadslaagde  over 
het  geloof  van  Engeland,  en  leeken  beslisten  over  de  leerstel- 
lingen, welke  de  geestelijkheid  voortaan  zou  hebben  te  ver- 
kondigen.'* ^)  Het  werk  was  de  vrucht  van  langdurige  en  ern- 
stige beraadslagingen.  Reeds  geruimen  tijd  te  voren  was  eene 
Commissie  van  16  bisschoppen,  met  de  beide  aartsbisschop- 
pen van  Canterbury  en  York  aan  haar  hoofd  en  door  een 
zestal  leeken  ondersteund,  bijeengekomen,  ten  einde  de  ver- 
schillende kerkelijke  liturgieën  in  den  lande  aan  een  onderzoek 
te  onderwerpen,  en  uit  haar  eene  geschikte  nieuwe  liturgie 
samen  te  stellen.  ^)  De  zittingen  werden  te  Windsor  gehou- 
den. *)  De  vreemde  godgeleerden  namen  aan  deze  belangrijke 
werkzaamheden  niet  rechtstreeks  deel ;  tot  ons  leedwezen  is  ons 
geen  enkel  document  onder  de  oogen  gekomen,  uit  hetwelk 
wij  zouden  kunnen  opmaken,  of,  en  in  hoever  onze  vriend 
zijdelings  aan  deze  voorafgaande  l^eraadslagingen  heeft  deel- 
genomen. Uit  een  vluchtig  brieQe  aan  Calvijn  kunnen  wij 
enkel  afleiden,  dat  Laski  in  gezelschap  van  Cranmer  ook 
in  Windsor  geweest  is,  alhoewel  door  eene  zware  krankheid 
aldaar  aan  het  ziekbed  gekluisterd.  ^) 

Terwgl  hij  aldus  voortdurend  in  de  onmiddellijke  omgeving 
van  den  Aartsbisschop  verkeerde,  zag  onze  Laski  zich  over- 
vloedig in  de  gelegenheid  gesteld,  om  met  de  uitstekendste 
mannen  der  Evangelische  partij  nader  in  kennis  te  komen  en 


1)  Calvin,  XIII,  18. 

2)  F  rond  e,  IV,  882.  Do  oudste  titel  van  dit  „CommoD  prayer  book" 
laidt:  „The  booke  of  the  common  prajer  and  administmcion  of  the  sacramen- 
tes  and  other  rites  and  ceremonies  of  the  Charche:  after  the  use  of  the  Churehe 
of  England.  Londini  in  ofiicina  Edouardi  Whitcharche.  Cum  pri?ilegio  ad  im- 
primendum  solam.  Anno  dom.  1549,  Mense  Maji."  (Verg.  „Two  litargies,"  p.  10  sq.) 

3)  Verg.  Burnet,  II,  98  sq.,  en  IV,  272  sq. 
«)  Ihid.,  II,  204. 

5)  Kuyper,  II,  620. 


375 

vriendschapsbetrekkingen  met  hen  aan  te  knoopen.  Met  onbe- 
grensde hoogachting  en  oprechte  waardeering  bejegende  men 
den  man>  van  wien  het  bekend  was,  dat  hij  in  zijn  vader- 
land, om  den  wille  van  het  Evangelie,  de  hoogste  bedieningen 
in  de  Kerk  had  nedergelegd,  en  wiens  schitterende  arbeid 
in  Oost-Friesland  algemeen  bekend  was.  Toen  de  beroemde 
Hugh  Latimer,  den  228*8»  Maart  1549,  zijne  derde  predikatie 
voor  den  jeugdigen  koning  hield,  maakte  hij  in  zijne  rede  ook 
melding  van  Laski:  „....  een  groot,  geleerd  man,  die^  naar 
men  zegt,  in  zijn  vaderland  tot  den  adelstand  behoort,  deze 
bevond  zich  hier,  en  is  weder  naar  elders  getogen.  Het  was 
te  wenschen,  dat  er  zulke  mannen,  als  hij,  in  ons  land  waren ; 
het  land  zou  bloeien,  indien  het  de  zoodanigen  duurzaam  aan 
zich  wist  te  verbinden.  „Die  u  ontvangt,  ontvangt  Mij,"  zóó 
zegt  Christus,  en  hoezeer  zou  het  den  Koning  tot  eere  ver- 
strekken, zulke  mannen  te  ontvangen  en  te  beschermen."  *) 
Een  paar  namen  van  personen,  aan  wie  Laski  na  zijn  terug- 
keer naar  Emden  zijne  groeten  zendt,  maken  ons  ecnigszins  met 
den  kring  zijner  Engelsche  vrienden  bekend.  Het  bedoelde 
schrijven  is  gericht  aan  William  Cecil,  die,  nog  pas  27  jaar 
oud,  particulier  geheimschrijver  van  den  Lord-Protector  werd. 
Het  schijnt,  dat  Laski  veel  en  vertrouwelijk  met  hem  heeft 
omgegaan:  zijne  onderhandelingen  met  den  hertog  van  Sonierset 
in  zake  den  vorstenbond  voerde  hij  door  bemiddeling  van 
Cranmer  en  van  Cecil.  ^)  Den  laatstgenoemden  verzoekt 
hij ,  ook  zijne  vrouw  van  zijnen twege  te  groeten.  De  jonge 
Cecil  was  reeds  voor  do  tweede  maal  gehuwd,  en  wel  met 
Mildred,  de  oudste  dochter  van  Sir  Anthony  Cook.  ^)  Ten 
huize  van  Cecil  had  Laski  ook  kennis  gemaakt  met  Sir 
John  Cheke,  den  broeder  van  Cecil's  eerste  vrouw.  Cook 
en  Cheke  waren  de  beide  opvoeders  van  den  Koning,  en 
aan  de  zaak  der  Hervorming  met  hart  en  ziel  toegedaan.  *) 


*)  „Sermons,"  p.  141. 
»)  Kayper,  II,  621. 
3)  Froude,  IV,  844. 

^)  Interessante  brieven  van  deze  beiden,  alhoewel  uit  latere  jaren,  vindt  men 
in  „Original,"  p.  139—147. 


376 

Tot  den  kring  van  Laski's  vrienden  behoorde  voorts  nog 
Sir  Mo  ris  on,  die  juist  omstreeks  dien  tijd  één  van  de  zes 
koninklijke  visitatoren  was,  die  het  gesprek  over  het  Avond- 
maal, hetwelk  te  Oxford  tusschen  Petrus  Martyren 
Tresham  zou  gehouden  worden,  hadden  bij  te  wonen  (28  Mei 
1549).  ^)  Ook  verkeerde  La  ski  veel  'met  den  beroemden 
Dr.  William  Turner,  die  hem  reeds  in  Emden  had  loe- 
ren hoogachten,  en  die  inzonderheid  had  medegewerkt,  om 
hem  naar  Engeland  te  doen  beroepen. 

Het  verlof,  hetwelk  aan  a  Lasco  was  toegestaan,  was 
in  het  voorjaar  van  1549  verstreken.  Cranmer  en  met  hem 
de  uitgebreide  kring  van  vrienden,  die  Laski  in  Engeland 
verworven  had,  drong  er  bij  hem  op  aan,  dat  hij  zou  blijven, 
en  de  rustige  haven,  in  welke  hij  zich  zulk  een  ruim  veld  van 
werkzaamheid  zag  ontsloten,  niet  weder  met  don  storm  daar- 
buiten op  de  hooge,  onstuimige  zee  zoude  verwisselen.  Maar 
onze  vriend  kende  geeno  vrees  voor  gevaar;  hij  rekende  het 
zijnen  plicht,  om  ten  einde  toe  te  volharden  op  den  post, 
op  welken  hij  gevoelde,  dat  hij  door  zijnen  Heer  geplaatst 
was.  Engeland  echter  had  ook  z  ij  n  hart  reeds  gewonnen ;  in 
het  gesprek  met  vrienden  was  menigmaal  de  gedachte  bij 
hem  opgekomen,  dat,  indien  hij  soms  in  Oost-Friesland 
voor  het  geweld  moest  wijken  en  het  verblijf  in  Polen  hem 
nog  ontzegd  bleef,  alsdan  Engeland  wellicht  het  uitverkoren 
toevluchtsoord  van  den  tweevoudig  verbannene  zijn  zou.  Maar 
thans  gevoelde  hij  in  zich  eenen  sterken  drang,  om  weder 
te  keeren  tot  de  gemeente,  die  aan  zijne  leiding  was  toe- 
vertrouwd. De  ure  der  beslissing  genaakte;  zij  moest  hem, 
wèl  toegerust,  op  het  slagveld  aanwezig  vinden. 

Omstreeks  het  midden  van  Maart  vertrok  a  Lasco  uit 
Londen.  Na  eene  uiterst  voorspoedige  zeereis,  liep  het  schip 
reeds  den  derden  dag,  nadat  het  de  Engelsche  kust  ver- 
laten had,  behouden  de  Eems  op.  Mede  aan  boord  bevond 
zich  graaf  Mansfeld,  die  de  onderhandelingen  over  het  toe- 
treden   van   Engeland   tot    den  vorstenbond  met  den  Lord- 


1)  Schmidt,  S.  92,  en  Foxe,  VI,  298  sq. 


377 

Protector  gevoerd  had.  Waarschijnlijk  om  zijnentwil  had  de 
Protector  als  scheepskapitein  eenen  zeer  bekwamen  en  be- 
proefden man  medegegeven ,  die  den  Graaf  yervolgens  nog 
van  Emden  naar  Bremen  begeleidde.  ^) 

b)    Tweede  verblijf  in  Engeland. 

Den  13de»»  Mei  1550  keerde  onze  vriend  weder  in  Londen 
terug,  iets  langer  dan  een  jaar,  nadat  hij  de  stad  verlaten 
had.  ^)  De  overtocht  was  niet  zóó  voorspoedig,  als  de  terugreis 
naar  Emden  in  het  vorige  jaar.  Driemaal  was  het  schip  uit 
Hamburg  uitgeloopen,  en  driemaal  moest  het  weder,  nauwelijks 
in  de  volle  zee  gekomen,  wegens  vreeselij ke  stormen  zich  naar 
de  veilige  haven  terugspoeden.  Daarbij  kwam,  dat  de  oude 
koorts  Laski  weder  duchtig  kwelde,  zoodat  hij  zich  had  ge- 
dwongen gezien,  zich  een  paar  weken  in  Hamburg  op  te  houden. 
Deze  tegenspoed  was  nu  echter  spoedig  vergeten;  metopene 
armen  werd  de  met  ongeduld  verbeide  hervormer  ontvangen. 
„Zijne  aankomst  verschafte  aan  alle  godvruchtige  menschen 
eenc  groote  vreugde,"  zóó  lezen  wij  in  eenen  brief  uit  die 
dagen.  ^)  Voorloopig,  voor  de  eerste  6  è.  8  weken,  nam  hij 
weder  zijnen  intrek  in  het  gastvrije  kasteel  Lambeth,  bij 
zijnen  vriend,  den  aartsbisschop  van  Canterbury. 

I.    VESTIGING   IN   LONDEN,   EN   WERKZAAMHEID   OP 
KERKELIJK   GEBIED   ALDAAR. 

Het  kwam  er  op  aan,  eene  geregelde  werkzaamheid  te 
bedenken  voor  de  jaren,  die  a  Lasco,  naar  het  zich  liet 
aanzien,  in  Londen  zou  doorbrengen.  Het  eerste  voornemen 
was,  de  talrijke  Duitsche  protestanten  tot  eene  gemeente  te 
verzamelen,  en  hun  het  Woord  Gods  te  verkondigen.  De 
Duitsche  kooplieden  bezaten  sinds  eeuwen  in  hun  prachtige 
staalhof  aan  de  Theems ,  een  weinig  stroomopwaarts  van  de 

1)  Kuyper,  II,  621. 
>)  „Original,"  p.  B60. 
3)  Ibid.,  p.  160. 


378 

London-Bridge,  hunne  trotsche  factorij.  De  belangrijke  privi- 
legiën, door  welke  deze  Hanzeaten,  gedurende  vele  decenniën^ 
zich  bijkans  in  het  uitsluitend  bezit  van  den  geheelen  handel 
gesteld  zagen,  waren  juist  omstreeks  dezen  tijd  aanmerkelgk 
besnoeid  geworden ;  maar  desniettemin  vormde  hun  gild  nog 
eene  aanzienlijke^  belangrijke  corporatie.  Niet  weinigen  onder 
deze  kooplieden  huldigden  het  Protestantisme ;  reeds  omstreeks 
het  jaar  twintig  dier  eeuw  kon  men  in  het  staalhof  de  ge- 
schriften van  Luther  aantreffen,  en  honderden  exemplaren 
van  den  Bijbel  van  Tyndale  werden,  in  weerwil  van  het* 
verbod,  door  middel  van  deze  Duitsche  factorij  in  Engeland 
ingevoerd.  Daarbij  kwam  thans  eene  groote  menigte  van 
Duitsche  vluchtelingen.  In  het  Engelsche  leger  telde  men 
meer  dan  drieduizend  Duitsche  lansknechten,  voor  het  mee- 
rendeel  Protestanten >  die,  ingevolge  den  treurigen  afloop 
van  den  Smalkaldischen  oorlog,  naar  Engeland  gevlucht 
waren,  en  aldaar,  veelal  door  den  nood  gedrongen,  zich  in 
den  krijgsdienst  begeven  hadden.  ^)  Ook  uit  de  Nederlanden 
waren  niet  weinigen  herwaarts  gekomen,  voorts  Walen  en 
Franschen,  om  onder  de  bescherming  van  Eduard  rustig 
volgens  hun  felbestreden  geloof  te  kunnen  leven.  ^)  Wij  heb- 
ben reeds  gezien,  dat  Poulain  zijne  Fransche>  Och  in  o 
zijne  Italiaansche  landslieden  en  geloofsgenooten^  sedert  1548, 
in  particuliere  woningen  tot  het  houden  van  gemeenschappe- 
lijke godsdienstoefeningen  verzamelden  en  als  zielverzorgers 
onder  hen  arbeidden ;  de  Hanzeaten  in  het  staalhof  behoorden 
tot  het  kerspel  der  nabijgelegene  Allerheiligen-kerk,  het  oude 

1)  Burnet,  II,  133. 

>)  Met  betrekking  tot  het  cijfer  der  Frotestantsche  vlacbtelingen  is  mij  uit 
dien  tgd  geen  enkele  tabel  onder  de  oogen  gekomen;  de  vroegste,  welke  mij 
bekend  is  geworden,  is  die,  welke  in  1567  door  den  bisschop  van  Londen  ver- 
vaardigd is,  en  die  wellicht  met  het  cjjfer  vóór  de  vervolging  onder  de  bloedige 
Maria  eenigszins  overeenstemt.  De  opgave  van  den  Bisschop  aangaande  de  vreem- 
delingen, die  zich  in  Londen  gevestigd  hadden,  luidt  als  volgt:  „Venetians  10, 
[Italians  128],  Frenche  512,  Dnche  (onder  welken  ook  de  D ai tschers  begrepen 
z\jn)  2903,  Portingalls  23,  Skottes  36,  Blackmores  (Negers)  2,  Spaniards  34 
[I.  54],  Gretians  2,  making  8760  to  be  the  sum  total  of  all  the  strangers 
aforesaid."  Daarbij  komen  dan  nog  1091  in  de  voorsteden  van  Londen,  derhalve 
in  het  geheel  een  getal  van  4851.    (Burn,  p.  6.) 


379 

kerkgebouw  der  zeelieden,  alwaar  zij  in  de  Katholieke  tgden 
hun  eigen  altaar  hadden,  en  waar  zij  vervolgens  ook  bleven, 
toen  zij  en  de  Eork  hun  hart  en  deur  voor  de  Protestantsche 
leer  oitfsloten.  ^)  De  Nederlanders  en  Noord-Duitschers,  voor 
zoover  zij  niet  tot  het  staalhof  behoorden,  waren  in  geestelijk 
opzicht  nog  onverzorgd.  In  dien  toestand  mochten  zij  niet 
langer  blijven,  indien  zij  althans  niet  de  prooi  zouden  worden 
van  de  ijverige  sektarissen,  die  mede  in  groeten  getale  naar 
Engeland  waren  overgekomen.  Sektarissen  toch  van  allerlei 
soort  zwierven  reeds  door  de  straten  van  Londen,  voor  een 
deel  oude  bekenden,  Wederdoopers ,  verstrooide  aanhangers 
van  David  Joris  ^),  ja,  zelfs  reeds  Antitrinitariërs.  ^) 

Tegen  den  invloed  van  deze  sektarissen  wilde  La  ski  de 
Duitschers  en  Nederlanders  daardoor  beschermen,  dat  hij  hen 
tot  eene  kerkelijke  gemeente  vereenigde.  Zgn  voornemen  vond 
in  hoogere  kringen  bijval.  Cranmer  en  de  zijnen  zagen  het 
dagelijks  klimmend  getal  der  vreemde  Protestanten,  en  be- 
seften het  gevaar,  dat  de  Evangelische  landskerk  bedreigde, 
wanneer  de  bedrijvige,  onrustige  sektarissen,  na  korter  of 
langer  tijd,  ingang  zouden  vinden  bij  hunne  landslieden, 
die  nog  niet  vastgeworteld  waren  in  de  Evangelische  leer. 
De  Hervormer  van  Oost-Friesland  was,  naar  hunne  mee- 
ning, de  meest  geschikte  persoonlijkheid,  om  dit  gevaar 
te  voorkomen.  Bijgevolg  werd  reeds  na  weinige  weken  het 
oorspronkelijke  plan  van  La  ski  door  de  Engelsche  macht- 
hebbers in  zooverre  uitgebreid,  dat  men  alle  uitheemsche 
Protestanten  tot  een  kerkelijk  organisme  zou  vereenigen,  en 

1)  P  a  u  1  i ,  S.  166. 

2)  Verg.  dienaangaaDdc  de  interessante  uiteenzettingen  bij  Barclay  p.  25  sq. 
^)  Het  is  wel  opmerkelijk,  dat  de  Katholieken  dest^ds  reeds  een  soortgelgk 

plan  op  het  oog  hadden,  als  dat,  hetwelk  na  vóór  [ruim]  een  tiental  jaren  in 
ï'rankrijk  door  enkele  Chauvinisten  geopperd  werd,  om  nl.  door  besmette  kleederen 
cene  epidemie  in  het  Duitsche  leger  te  doen  ontstaan,  en  op  die  wijze  eenen 
vijand  te  overweldigen ,  dien  men  zich  niet  bij  machte  gevoelde  in  een  open 
veldslag  te  overwinnen.  De  Katholieke  bisschop  Gardiner  ontving,  den  ISden 
Mei  1549,  een  schrijven  uit  Delft,  „acquainting  him  that  in  consequence  of 
the  projeoted  organisation  of  the  Reformers,  it  became  necessary  to  introducé 
divisions  among  them,  and  that  this  would  be  best  effected  by  preaching  up 
the  Anabaptibts  doctrines."  (H  a  r  d  w  i  c  k,  p.  88.) 


380 

dat  de  alleszins  ervaren  superintendent  van  Oost-Friesland 
zou  worden  aangesteld  tot  Superintendent  van  deze  kerkelgke 
gemeenschap  der  vreemde  Protestanten  in  Londen.  Voor  dit 
voorstel,  hetwelk  ook  aan  de  Engelsche  protestanten  ten  goede 
zou  komen,  viel  het  den  Primaat  en  den  koninklijken  raad 
niet  moeielijk,  de  bekrachtiging  des  Konings  te  verkrijgen.  *) 
Den  é'len  Juli  1550  werd  het  bevelschrift  des  Konings  uit- 
gevaardigd, door  hetwelk  de  Duitschers  („Germani'*)  en 
andere  vreemdelingen  als  eene  Evangelische  gemeente  erkend 
werden.  Zij  kregen  eene  kerk  in  eigendom,  terwijl  één  su- 
perintendent en  vooreerst  vier  leeraren  aan  het  hoofd  stonden 
der  gemeente,  die  met  betrekking  tot  hare  kerkelijke  aange- 
legenheden de  grootste  zelfstandigheid  erlangde,  en  op  gee- 
nerlei  wijze  een  deel  uitmaakte  van  de  landskerk.  ^)  Daarmede 
nog  niet  voldaan,  verzekerde  de  jonge  koning  uit  zijne  bijzon- 


1)  Hoe  vooral  de  gedachte  aan  den  invloed  der  sektarissen  bjj  den  Koning 
den  doorslag  gaf,  doet  a  Lasco,  in  een  schrijven  aan  Edaard  VI,  duidelijk  uit- 
komen (Kujper,  II,  289).  De  Koning  zelf  noteert  reeds  den  298ten  Juni  in 
Eijn  dagboek :  „It  was  appointed,  that  the  Germans  should  have  the  Austin- 
Friars  for  their  Churche  to  have  their  Service  in,  for  avoiding  of  all  Sects  of 
Anabaptists  and  such-like."  (Burnet,  IV,  210.) 

^)  Het  charter  vindt  men  afgedrukt  bg  a  Lasco,  aan  het  eind  zijner  „Forma 
ac  ratio''  (z.  Kuyper,  II,  279),  en  bij  verschillende  schrijvers  van  vroeger 
en  later  tijd  (verg.  ook  Burnet,  IV ,  808).  A  Lasco  wordt  in  de  akte  nader 
beschreven  als  „homo  propter  integritatem  et  innocentiam  vitae  ac  morum  et 
singularem  traditionem  valde  celebris."  Een  paar  merkwaardige  plaatsen  uit  de 
gewichtige  oorkonde  laat  ik  hier  nog  volgen:  „Quod  idem  superin tendens  et 
ministri  in  re  et  nomine  sint  et  erunt  unum  corpus  corporatum  et  politicum 
de  se  per  nomen  „Superintendentis  et  ministrorum  Ecclesiae  Germanorum  et 
aliorum  peregrinorum,  ex  fundatione  Regis  Eduardi  Sexti  in  civitate  London," 
per  praesentes  incorporamus,  ac  corpus  corporatum  et  politicum  per  idem  no- 
men  realiter  et  ad  plenum  creamus,  erigimns,  ordinamus,  facimus  et  consti- 
tuimns  per  praesentes  et  quae  successionem  habeant....  Dedimns  totnm  illnd 
templum  habendum  et  gaudendum,  tcnendum  de  nobis,  haeredibns  et  succes- 
soribus  nostris  in  puram  et  liberam  eleemosynam ....  Damus  et  concedimus 
praefatis  ministris  et  successoribus  suis  plenam  facultatem,  potestatem  et  auc- 
turitatem  ampliandi  et  majorem  faciendi  numerum  ministrorum  et  nominandi 
et  appunctuandi  de  tempore  in  tempus  tales  et  hujusmodi  subministros  ad  ser- 
viendum  in  templo  praedicto,  quales  praefatis  Superintendent!  et  ministris 
necessariqm  visum  fuerit.  Et  quidem  haec  omnia  juxta  beneplacitum  Regium." 
Etc.  etc. 


381 

dere  kas  aan  onzen  onbemiddelden  vriend  een  jaargeld  van 
100  pond.  ^)  Of  deze  niet  onbelangrijke  som  aan  den  door  den 
Koning  hooggeachten  Pool  persoonlijk,  dan  wel  aan  de  ge- 
heele,  onder  zijn  opzicht  staande  kerk  ten  goede  kwam,  is 
nit  de  genoemde  plaats  niet  met  zekerheid  op  te  maken. 

De  bovengenoemde  rijke,  koninklijke  gave  van  een  eigen, 
aanzienigk  stuk  gronds  was  het  Augustijnerklooster  („Austin 
Friar"),  tegenwoordig  in  de  voordeeligste  handelswijk,  in  het 
midden  der  City,  niet  ver  van  de  Cornhill-  en  Bishopsgate- 
straat  gelegen,  met  de  schoone  kloosterkerk,  destijds  de  Jezus- 
tempel  geheeten.  ^)  Het  klooster  was,  omstreeks  het  midden 
van  de  1 S^^  eeuw,  door  Humphrey  Bohun,  „Earl  of  Here- 
ford  and  Essex",  gesticht,  en  bleef  onder  de  bescherming 
van  deze  oude  familie,  totdat  Hendrik  VIII  ook  dit  rijk- 
geworden  klooster  ophief,  en  zijne  goederen  in  beslag  nam. 
Het  prachtige  kerkgebouw  bleef  niet  geheel  ongebruikt ;  reeds 
vóór  de  schenking  schijnen  de  in  Londen  woonachtige  Hol- 
landers hier  hunne  eerste  godsdienstoefeningen  gehouden  te 
hebben.  •**)  Reeds  na  verloop  van  een  paar  maanden  (16  Oct. 
1550)  verkregen  de  Walen,  ten  einde  meer  onbelemmerd 
hunne  godsdienstoefeningen  op  de  voor  hen  gelegene  tijden 
te  kunnen  houden,  in  de  dichte  nabijheid,  in  de  Thread- 
needle-straat,  eene  eigene  kerk,  die  tot  het  Antonius-gasthuis 
behoorde.  ^ )  Slechts  een  paar  malen  in  het  jaar  hielden  de 
Walen,  om  daardoor  openlijk  te  betuigen,  dat  zij  tot  de  moe- 
derkerk bleven  behooren,  godsdienstoefening  in  de  Jezuskerk ; 
daarentegen  bestreed  „Austin  Friar",  uit  zijne  ook  reeds 
destijds  niet  onaanzienlijke  inkomsten,  de  helft  van  de  uit- 
gaven der  Willen  voor  hunne  kerk.  Omstreeks  denzelfden 
tijd  ook  vereenigdcn  zich  de  Italiaansche  protestantsche  vluch- 
telingen tot  eene  kleine  gemeente,  insgelijks  onder  het  super- 
intendcntsehap   van  Laski.  -*)  Voor  hunne  godsdienstoefenin- 

1)    Verg.    den  uu  voor  H  eerüt  in  het  licht  gegeven,  zeer  omstandigen  brief 
van  Utenhove  aan  Calvijn,  dd.  23  Aug.  1550.  (Calvijn,  XTII,  620). 
ï)  Bu  rn,  p.  18G. 
3)  Male  olm,  II,  346. 
*)  B  u  rn ,  p.  2-1. 
5)  Kuyp  er,  II,  645. 


382 

gea  bedienden  zij  zich  van  de  Jezoskerk;  hun  eerste  prediker 
was  Michaêl  Angelo  Florio. 

Zoo  had  dan  a  Lasco,  na  nauwelijks  een  vierendeel  jaars, 
in  Londen  weder  eene  betrekking  gevonden,  die  geheel  in 
overeenstemming  was  met  zijne  bijzondere  begaafdheid,  en 
die  hem  eene  gunstige  gelegenheid  bood,  om  deze  zijne  gaven 
in  eene  nieuwe  en  —  gelijk  wij  zien  zullen,  —  belangrijke 
richting  te  ontplooien.  Hij  verliet  nu  het  kasteel  van  den 
Aartsbisschop,  waar  hg  tot  dusver  zulk  eene  vriendelijke 
gastvrgheid  genoten  had ,  ten  einde  dichter  bg  de  plaats  zijner 
werkzaamheid,  en  bovendien  ook  weder  aan zgn eigen huise- 
lijken  haard  te  zijn.  Het  verschil,  wat  de  woning  betreft, 
was  wel  zeer  groot.  Het  prachtige  kasteel  Lambeth  lag  op 
aanmerkelijken  afstand  vóór  de  stad,  hooger  op  aan  de  Theems, 
te  midden  van  een  schoon,  gezond  park,  ver  van  het  rumoer 
en  den  nevel  der  enge  straten.  Juist  in  een  bgzonder  smal, 
druk  straatje  had  onze  vriend  eene  eenvoudige  woning  ge- 
huurd, nl.  in  Bow  Lane,  een  zijstraatje,  dat  van  de  Cannon- 
strtutt  naar  Cheapside  voert.  In  AustinFriarschgnthij  geene 
pastorie  gevonden  te  hebben.  Bow  Lane  vormde  destijds  vrij 
wel  hot  middelpunt  van  Londen.  De  woning  van  den  Super- 
intendent was  stellig  een  goed  kwartier  gaans  van  zijne  kerk 
verwijderd. 

Voor  een  oogenblik  willen  wij  onzen  vriend  aan  zijn  eigen 
huiselijken  haard  in  Bow  Lane  een  bezoek  brengen.  Daar 
voert  reeds  de  bekwame  huisvrouw  het  bestuur,  omringd 
door  do  blijde  kinderschaar,  die  waarschijnlijk  spoediger, 
dan  de  burgerdochter  uit  Leuven,  zich  aan  de  nieuwe,  vreemde 
toestanden  zal  hebben  gewend.  Zoodra  slechts  Laski  een 
oenigszins  vasten  bodem  onder  zijne  voeten  had,  liet  bij  zijne 
familie,  van  welke  hij  sedert  maanden  gescheiden  was,  naar 
Londen  overkomen,  en  te  gelijk  met  haar  zijne  aanzienlijke 
boekerij,  wel  een  bewijs,  dat  hij  op  een  langdurig  verblijf 
in  Engeland  rekende.  Met  de  vrienden  in  Duitschiand  werd 
eene  levendige  briefwisseling  onderhouden,  die  zelfs,  wat 
Bremen  betreft ,  vanwege  de  zoo  gunstige  schoepsgelegenheid, 


383 

den  vorm  van  een  ruilhandel  aannam.  Har  de  nb  erg  zendt 
linnengoed  en  meel,  La  ski  daarentegen  geheele  stukken 
van  het  reeds  te  dier  tijde  hooggewaardeerde  Engelsche  laken.  ^) 
Uit  laatstgenoemde  toezending  ontstond  voor  onzen  vriend 
eene  zeer  verdrietige  rechtzaak.  Eene  voor  onze  heden- 
daagsche  begrippen  ietwat  bevreemdende  wet,  die  twintig 
jaar  te  voren  was  uitgevaardigd,  verbood  den  verkoop  van 
zulk  laken  aan  vreemden;  de  verbodene  waar  werd  in  het 
tolhuis  aan  de  Theems  ontdekt  en  als  smokkelwaar  aange- 
houden, tot  niet  geringe  ergernis  der  kooplieden,  die  even 
min  iets  wisten  van  den  inhoud  der  kisten,  als  onze  argelooze 
theoloog  en  vreemdeling  van  die  oude  wet. 

Niet  lang  zou  a  Las  co  zich  hier  in  een  ongestoord  hui- 
selijk geluk  mogen  verblijden.  In  de  heete,  benauwde  zomer- 
dagen van  1551  woedde  in  Londen  voor  de  laatste  maal  ^)  de 
vreeselijke  ziekte,  bekend  onder  den  naam  van  „het  Engelsche 
zweet.''  Koning  Eduard  vermeldt  dienaangaande  in  zijn  dag- 
boek, dat  op  den  10^^°  Juli  100  menschen  aan  de  genoemde 
ziekte  stierven,  den  volgenden  dag  zelfs  reeds  120,  en  dat  hij 
om  die  reden  zich  uit  Londen  naar  Hampton  Court  begeven 
had.  ^)  Ook  in  het  huisgezin  van  onzen  vriend  brak  die  ver- 
schrikkelijke ziekte  uit.  Allereerst  werd  zijne  vrouw  door 
haar  aangetast;  reeds  des  anderen  daags,  ten  gevolge  van 
hare  verpleging.  La  ski  zelf,  en  wel  zoo  hevig,  „dat  wij 
allen  aan  zijn  leven  wanhoopten.  Maar  hij  is  weder  van  zijn 
ziekbed  opgericht;  want  de  Heer  heeft  zich  onzer  ontfermd. 
Ware  hij  ons  ontnomen  geworden,  zoo  was  er  alleszins  grond 
om  te  duchten,  dat  de  gemeente  der  vreemdelingen  met  zijn 
overlijden    zou    zijn  te  gronde  gegaan."  *)    Ook  de  Primaat 


«)  ïbid.,  II,  652,  664. 

*)  Northouck,  p.  125. 

3)  Barnet,  IV,  218:  „At  this  time  came  the  Sweat  into  London,  which 
was  more  vehement  than  the  Old  Sweat;  for  if  ODe  took  cold,  he  died  within 
three  hours  and  if  he  escaped,  it  held  him  bat  nine  hours  or  ten  at  the  most ; 
also  if  he  slept  the  first  six  hours,  as  he  should  be  very  desirous  to  do,  then 
he  roved  and  should  die  roving." 

^)  Züó  bericht  Martin us  Micronius  —  de  getroawe  „Achates,"  gelijk  hij  her- 
haaldelijk  genoemd  wordt,  —  aan  Bullinger  („Original,"  p.  576). 


384 

was  bevreesd  voor  het  leven  van  zgnen  vriend;  zijn  verlies 
zou  voor  hem  in  die  dagen,  met  het  oog  op  de  snelle  ont- 
wikkeling van  de  kerkelijke  aangelegenheden  van  Engeland, 
een  zware,  bijkans  onherstelbare  slag  geweest  zijn.  Op  de 
meest  voorkomende,  beminnelijkste  wijze  noodigde  hij  den 
weder  herstellenden,  zoo  onontbeerlijken  medearbeider  met 
zijne  geheele  familie  op  zijn  schoon  gelegen  aartsbisschoppe- 
lijk landgoed  Croydon ,  om  aldaar ,  verre  van  de  enge,  geïn- 
fecteerde straten  van  Londen,  in  het  prachtig  aangelegde 
park  geheel  op  hun  verhaal  te  komen.  In  weerwil  van  de 
zuivere,  gezonde  lucht,  werd  Laski's  echtgenoote  op  het  kas- 
teel bij  vernieuwing  door  de  boosaardige  ziekte  aangetast; 
zij  genas,  wel  is  waar,  wederom,  maar  ten  gevolge  van 
de  doorgestane  krankheid  bleef  zij  in  eenen  koortsachtigen 
toestand  verkeeren,  die  allengs  in  uittering  overging.  Sedert 
kwam  zij  er  niet  meer  bovenop;  in  Augustus  1552  bezweek 
zij  onder  haar  langdurig  lijden,  hetwelk  zg  met  vroom  ge- 
duld had  gedragen.  ^)  De  dood  zijner  levensgezellin  sloeg  onzen 
vriend  eene  diepe  wonde.  Hij  zelf  in  eenen  zeer  lijdenden 
toestand ,  daarbij  vier  kinderen ,  die  allen  nog  eene  opvoe- 
ding en  moederlijke,  zorgvuldige  verpleging  van  noode  hadden, 
terwijl  hun  vader,  in  zijn  gewichtig,  moeielijk  ambt  bijkans 
dag  en  nacht  werkzaam ,  geheel  onbedreven  was  in  huishou- 
delijke aangelegenheden,  voor  welk  soort  van  zaken  hg  trou- 
wens ook  volstrekt  geen  liefhebberij  had :  genoeg,  wij  kunnen 
het  begrijpen^  wanneer  hij  tegenover  zijnen  vriend  Bullinger 
ook  niet  eenmaal  eene  poging  doet,  om  zgne  zware  huiselijke 
zorgen  te  schetsen,  maar  kunnen  het  ook  verstaan,  dat  hg, 
eenige  maanden  later,  eene  nieuwe  levensgezellin  in  zijne  wo- 
ning binnenleidt.  „Nooit  zou  ik,  met  mijne  zwakke  gezondheid, 
tegelijkertijd  aan  de  eischen  mijner  huishouding  en  aan  die  van 
mijn  ambt  behoorlijk  hebben  kunnen  voldoen.  Maar  gelijker- 
wijs  God  mij  door  den  dood  mijner  eerste  vrouw  heeft  willen 
beproeven,  zoo  heeft  Hij  nu,  naar  zijne  Goddelijke  welda- 
digheid ,  de  smart  mijner  ziel  gelenigd  door  mij  eene  andere 


1)  Kayper,  II,  653,  664. 


385 

echtgenoote  te  geven.  Want  Hij  heeft  mij  weder  eene  vrome 
en,  naar  ik  hoop,  getrouwe  levensgezellin  geschonken,  die 
zich  tot  dusver  op  de  voortreffelijkste  wijze  van  hare  plichten 
kwijt/'  ^)  De  bruiloft  had  den  29s*en  Januari  1553  plaats 
gehad.  Slechts  de  voornaam  dezer  tweede  vrouw,  Katharina, 
is  ons  bewaard  gebleven,  dank  zij  den  éénigcn  brief,  dien 
wij  van  hare  hand  bezitten.  *^)  De  vrienden  billijkten  den 
stap;  Petrus  Martyr,  die  omstreeks  denzclfden  tijd  in 
Oxford  zijne  vrouw  had  verloren,  schrijft  aan  Utenhove, 
dat,  indien  hij  zoovele  kinderen  in  zulk  eenen  teederen 
leeftijd  bezat,  als  a  Las  co,  „de  man  Gods",  hij  zich  even- 
eens weder  in  den  echt  zou  begeven,  welken  stap  hij  onbe- 
paald aanbeveelt  en  billijkt.  ^)  A  Las  co  schijnt  zijne  tweede 
vrouw  hartelijk  bemind  te  hebben;  ook  eene  liefkozende 
benaming  ontglipt  bij  zekere  gelegenheid  aan  zijne  anders 
zoo  ernstige  pen.  Hij  betuigt  aan  den  landgraaf  van  Hessen 
zijnen  dank  voor  de  w^eldaden,  die  deze  aan  zijn  „vrouwtje" 
(„uxorcula  nostra")  bewezen  heeft.  *) 

Nog  bijna  een  half  jaar  verstreek ,  voordat  de  gemeente 
der  vreemdelingen  in  het  feitelijk  bezit  kwam  van  het  ge- 
bouw, dat  haar  door  den  Koning  geschonken  was:  een  dubbele 
feestdag  voor  onzen  vriend,  want  op  denzelfden  dag  schonk 
zijne  vrouw  hem  den  eersten  zoon  in  hunnen  kinderrijken 
echt.  -')  De  oorzaak  dier  vertraging  lag  in  do  groote  moeielijk- 
heden,  welke  inzonderheid  de  bisschop  van  Londen,  R  i  d  1  e  y, 
aan  de  vorming  van  deze  gemeente  in  den  weg  stelde,  en 
om  welke  te  boven  te  komen  niet  slechts  al  het  beleid  van 
La  ski,  maar  ook  al  de  achting  en  het  aanzien,  die  hij  reeds 
in    de   hoogste    kringen    verworven    had,   vercischt  werden. 

«)  Ibid.,  II,  675. 

*j  Ibid.,  p.  766. 

3j  „Scrinium,"  III,  667. 

*)  K  u  y  p  e  r,  II,  751. 

^)  Dien  rijkdom  in  kinderen  maak  ik  op  uit  ccno  passage  in  concn  brief  van 
den  prediker  Stanislaus  Lutumirski,  een  half  jaar  na  Laski's  doü<i  qeschreven, 
alwaar  van  negen  achtergebleven  kinderen  sprake  is,  van  welke  er  vier  van  de 
eerste  vrouw  zijn  (verg.  „Scrinium,''  III,  646). 

DALTON.  25 


386 

De  bisschop  van  Londen  maakte  aanspraak  op  het  recht, 
om  nu  ook  over  deze  gemeente  van  zijne  diocese  het  op- 
zicht te  houden,  en  eischte  van  haar,  dat  zij  haren  eere- 
dienst  overeenkomstig  de  Engelsche  liturgie  zou  inrichten. 
La  ski  wees  dezen  eisch  zoo  nadrukkelijk  mogelijk  van  de 
hand,  —  de  inwilliging  daarvan  zou  een  doodsteek  voor 
zijne  gemeente-inrichting  geweest  zijn,  —  en  beriep  zich  op 
het  koninklijke  charter.  Dit  sprak  duidelijk  ten  zijnen  gunste.  ') 
Maar  moest  men  aan  deze  vreemdelingen  toestaan  hetgeen 
men  aan  de  eigen  landskinderen  ontzeido,  en  waarvoor  een  man 
als  Hooper  op  dat  zelfde  tijclstip  in  de  gevangenis  smachtte? 
Men  nam  voorwendsels  te  baat.  Aangezien  de  kerk  een  ko- 
ninklijk geschenk  was,  zoo  moest  zij  ook  in  eenen  konink- 
lijken staat  worden  overgegeven;  maar  hoe  langzaam  vor- 
derde men  met  de  herstelling!  La  ski  verzocht  om  den 
kerksleutel,  ten  einde  althans  des  Zondags  eene  godsdienst- 
oefening te  kunnen  houden.  Het  verzoek  werd  geweigerd. 
Men  moest  zich  6f  aan  de  ceremoniën  van  don  Engelschen 
godsdienst  onderwerpen,  óf  aantoonen,  dat  deze  met  de  Schrift 
in  strijd  waren.  ^)  L  a  s  k  i  zwichtte  niet.  Het  machtwoord 
des  Konings  werd  er  toe  vereischt,  om  de  deur  van  hun 
eigendom  voor  hen  te  ontsluiten;  nochtans  was  het  aan  de 
tegenpartij  gelukt,  eene  bepaling  door  te  drijven,  waarbij  het 
gebruik  van  de  sacramenten  in  hunne  kerk  hun  ontzegd 
werd.  Eerst  na  jaar  en  dag  mocht  onze  vriend  er  eindelijk 
in  slagen,  ook  dit  recht,  en  alzoo  eerst  de  volkomene  zelf- 
standigheid zijner  gemeente  te  verwerven.^)  Ook  later  moest 
La  ski  nog  menigmaal  zijnen  vriend,  lord  Cecil,  om  be- 
scherming verzoeken,  b.  v.  toen  de  bisschop  van  Ely  in  de 
wijk  van  Southwark ,  aan  gene  zijde  van  do  Theems ,  leden 
der  vreemdeling-gemeente  wilde  noodzaken,  om  in  de  naast- 
bijgelegen    Engelsche  parochiekerk  aan  het  Avondmaal  deel 


ï)  Verg.  hierbij  ook  Kuypor,  II,  10. 

5)  „Original,"  p.  569. 

3)  De  bfbngwokkende  brieven  van  Microoius  en  van  Utcnhovo  (^,Original/' 
p.  557 — 604)  geven  ons  ook  van  deze  worstelingen  eene  levendige  voorstel- 
ling. 


387 

te    nemen,    op    straflfe   van   in    de  gevangenis  te  zullen  ge- 
worpen verorden.  ^) 

Met  de  organisatie  van  de  gemeente  en  het  verzamelen 
van  de  vreemdelingen,  die  door  de  geheele  stad  verspreid 
waren,  wachtte  a  Las  co  niet  totdat  dit  geschil  was  be- 
slecht. Onmiddellijk  na  de  uitvaardiging  van  het  koninklijke 
charter,  namen  de  geregelde  godsdienstoefeningen  eenen 
aanvang;  in  afwachting  van  de  opening  van  de  Jezuskerk 
hadden  eenige  Engelsche  burgers  het  gemeenschappelijk 
gebruik  van  eene  andere  kerk  mogelijk  gemaakt.  *^)  Terzelf- 
dertijd  ook  werkte  de  Superintendent  met  zijne  vier  mede- 
helpers de  gemeente-inrichting  uit;  Johannes  Utenhove 
werd  de  eerste  ouderling  der  gemeente.  Het  waren  hier  zoo 
geheel  andere  toestanden,  dan  acht  jaren  vroeger  in  Emden. 
De  leden  zijner  tegenwoordige  gemeente  waren  uit  zeer 
verschillende  landen  samengevloeid ;  niet  eenmaal  eene  gelijke 
taal  vormde  eenen  band  der  gemeenschap  tusschen  hen,  al- 
leenlijk het  Evangelie,  om  welks  wille  zij  voor  het  meeren- 
deel  huis  en  hof  hadden  moeten  verlaten.  Overigens  hoege- 
naamd geen  gemeenschappelijke  zeden  en  gebruiken,  niet 
eens  in  hun  kerkelijk  leven  vanouds-ingewortelde ,  overeen- 
komende gewoonten.  Aan  deze  buitenlanders  in  Londen, 
die  schier  op  alle  punten  als  vreemden  tegenover  elkander 
stonden,  was  de  grootst  mogelijke  zelfstandigheid,  wat  be- 
treft de  regeling  van  hunne  kerkelijke  aangelegenheden, 
gewaarborgd;  de  keerzijde  van  deze  belangrijke  voorrechten 
was  nu,  aan  den  anderen  kant,  dat  a  L  a  s  c  o  de  wereldlijke 
overheid  op  geenerlei  wijze  bij  het  uitoefenen  van  zijne 
kerkelijke  tucht  kon  te  hulp  roepen,  gelijk  zulks  in  Oost- 
Friesland  mogelijk  was  en  ook  werkelijk  geschiedde.  Maar 
juist  dddr  had  hij  ook  de  ontzaglijke  moeielijkheid  —  of 
liever  nog  de  onmogelijkheid  —  van  eene  zuivere,  volledige 
verwerkelijking  van  de  kerkelijke  tucht  met  medewerking 
van  den  Staat  ruimschoots  leeren  kennen.  Hoe  vaak  was  hij 
door  de  traagheid  of  den  tegenzin ,  of  ook  door  de  volstrekte 

»)  Kuyper,  II,  672. 
*)  M^r'gJuiil»"  V-  »>70. 


388 

nalatigheid  van  de  overheid  in  het  verleenen  van  haren  bij- 
stand tot  de  uiterste  afmatting  en  moedeloosheid  gebracht! 
Hier  in  Londen  was  hem  ook  de  mogelijkheid  tot  het  doen 
van  eene  vernieuwde  proefneming  benomen.  Dit  is,  welbe- 
schouwd, een  geluk  te  achten.  De  gemeente,  zonder  recht- 
streeksche  hulp  van  buiten,  had  nu  uit  zich  zelve  de  wegen 
te  kiezen,  om  tot  eene  gezegende  kerkorde  en  kerkelijke 
tucht  te  geraken :  in  het  vervolg  zullen  wij  bespeuren,  welke 
juiste  wegen  a  Lasco  daartoe  heeft  ingeslagen,  zoodat  dien- 
tengevolge de  inrichting  zijner  vreemdeling-gemeente  eenen 
wezenlijken  vooruitgang  in  de  ontwikkeling  van  de  presby- 
teriale  kerk-inrichting  uitmaakt,  en  haar  groote  invloed  nog 
heden  ten  dage,  zoowel  in  de  Schotsche  kerk,  als  ook  bij 
de  Independenten  duidelijk  zichtbaar  is. 

Allereerst  stelde  a  Lasco,  in  vereeniging  met  zijne  vier 
medearbeiders ,  eene  belijdenis  op ,  welke  ieder  moest  onder- 
teekenen ,  die  in  de  vreemdeling-gemeente  wenschte  te  worden 
opgenomen.  Want  met  recht  legde  hij  er  nadruk  op,  dat 
het  begrip  van  eene  levende  gemeente  do  overeenstemming 
in  de  leer  als  hoofdmoment  in  zich  sluit.  Slechts  daardoor 
ook  kon  hij  eenen  krachtigcn  dam  oprichten  tegen  de  sekta- 
rissen,  die  van  alle  zijden  kwamen  opzetten.  Het  zou  van 
belang  zijn,  indien  men  kon  te  weten  komen,  of  aan  die 
vreemdelingen,  welke  weigerden,  de  hun  voorgelegde  be- 
lijdenis te  onderteekenen  en  daardoor  lid  der  gemeente  te 
worden ,  het  recht  om  verder  in  Engeland  te  vertoeven  werd 
ontzegd.  Tot  ons  leedwezen  hebben  wij  geen  enkel  bericht 
dienaangaande  kunnen  vinden.  De  onderteekening  geschiedde 
in  de  tegenwoordigheid  der  ouderlingen;  slechts  nadat  zij 
had  plaats  gehad,  werd  de  belanghebbende  familie  in  het 
gemeenteregister  ingeschreven.  Aan  de  bewonderenswaardige 
ontdekkingsgave  van  Kuyper  is  het  gelukt,  de  eerste  uit- 
gaaf van  deze  „confessie  Londinensis"  in  de  bibliotheek 
van  het  „Trinity  college"  in  Dublin  op  te  sporen,  en  haar 
aan  zijne  meesterlijke  compleete  uitgave  van  de  werken  van 
Laski  toe  te  voegen.   ^) 

1)  Kuyper,  I,  LXXIV,  en  II,  285. 


389 

Deze  „Londensche  geloofsbelijdenis,"  die  reeds  in  1551  in 
druk  verscheen,  ^)  handelt  niet  over  alle  punten  der  leer; 
enkele  belangrijke  punten,  zooals  de  leer  van  de  Sacra- 
menten, zijn  opzettelijk  met  stilzwijgen  voorbijgegaan.  De 
inhoud  kan  worden  samengevat  in  de  hoofdgedaclite,  die  aan 
het  einde  voor  hem,  die  in  de  gemeente  wenscht  te  worden 
opgenomen,  de  breedcre  uiteenzetting  van  het  geschrift  be- 
knoptelijk  herhaalt.  De  bedoelde  plaats,  eene  ontwikkeling 
van  het  woord,  dat  Jezus  is  de  Christus,  de  Zoon  des  le- 
venden Gods,  is  belangrijk  genoeg,  om  die  hier  in  haar 
geheel  te  laten  volgen. 

„So  is  dan  de  Ghémeynte  Cliristi  de  vergaderinghe  der 
menschcn  met  haren  zade,  die  (van  onsen  eersten  vader 
Adam,  tot  den  oynde  des  Werelts  toe,  bij  de  stemme  Gods, 
door  de  Enghelen,  Propheten,  ende  Christum,  midtsgaders  zijn 
Apostelen  voortgebracht,  wt  de  menichte  van  allen  anderen 
monschen  wtghcroepon  zijnde,  of  noch  wesen  sal)  ghelooft 
ende  belijdt,  tzy  eygontlick,  tzy  oponbaerlick ,  of  met  don 
monde,  of  mot  onderhoudinghe  der  Ceremoniën  van  Christo 
ingestelt,  ende  de  bewijsinge  der  Ampten,  na  den  roep  van 
eenen  ycgelicken.  Dat  de  Sone  Marie  warachtelick  Jesus  zy, 
dat  is,  dat  hy  Mensche  wt  mcnsche,  te  weten,  wt  de  Moeder 
ende  Maget,  door  de  werckinge  dos  Ileyligen  Geests,  ont- 
fangen  ende  geboren  is :  op  dat  hy  ons  broeder  in  ons  vleesch 
wesen  soude,  ende  also  eyndelick  in  onse  plaetse  voor  onse 
sonden  sterven  mochto.  Voorts,  dat  hy  oock  is  in  de  ghe- 
meynschap  ons  vh^eschs  volgenoechsaem  Salichmaker  der 
gantscher  Werolt.  Ende  dat  hy  midts  dien  oock  God  zy, 
genierct  datter  geen  Salichmaker  is ,  dan  God  selve.  Boven 
dien,  die  daer  gelooft  ende  belijdt,  desen  selven  Jesum  te 
wesen  Christum :  dic^  door  de  prophecien  der  Enghelen  ende 


')  Hrt'ils  in  h«'t/.'-lfiic  jaar  vprvaanllgdr  Jnhannis  Utcnhove  van  dit  Latijnsrhc 
gpschrift  n-nt'  Vlaamsclir  ovor/eltin«r,  van  wrlkr  in  1505  te  Euidcn  pcno  tSdc 
uitgaaf  versrhoi-n.  Mi-n  vindt  haar  bij  Kuyper,  II,  21*5  vgg.  [De  beide 
hierboven  v<>lg«.nde  citaten  zijn  door  mij  aan  genoemde  „Vlaamssche**  of  Nc- 
derduitüche  vertaling  ontleend.  Dalton  zelf  deelt  ze  in  Iloogd.  vertaling  naar 
het  Latijn  mede.    Vert.j 


390 

Propheten,  van  tbeghin  der  Werelt  beloeft  was:  dat  is  den 
eenigen,  oppersten  ende  eewighen  Koninck,  Propheet  ende 
Priester  aller  Wereldt:  die  door  de  tockomste  zijns  Lichts, 
alle  de  bcdieninghen  des  vleeschelicken  Wets,  ganschelick  te 
niet  gedaen  heeft.  ^)  Ten  laatstcn,  die  daer  ghelooft  ende 
belijdt,  den  selven  Jesum  warachtich,  natuerliek,  ende  eenigh 
gheboren  Sone  Gods  des  Vader  te  weeën,  wt  God  den  Vader, 
selve  in  een  wesen  zijns  Goddelicheyts  gebaert,  ghelijcker- 
wijs  hy  Mensche  wt  den  mensche,  te  weten,  wt  de  Moeder 
ende  Maghet  ontfanghen  ende  gheboren  heeft  willen  wesen, 
om  dat  hy  mensche  soude  worden,  ende  de  sonde  der  gant- 
scher  Werelt  reynighen  soude.  De  welcke  met  den  Vader 
ende  den  Heylighen  Gheest,  warachtich  ende  eenigh  God 
inder  eewicheydt  is  prijselick.  Amen."   *^) 

Enkele  plaatsen,  ook  in  deze  beknopte  samenvatting,  wijzen 
ons  op  het  verzet,  hetwelk  hij  van  zijnen  kant  tegen  Me nn o 
en  diens  aanhangers  had  aangeteekend ,  en  dat  hij  thans  in 
Londen  zich  genoopt  voelde  te  hernieuwen  De  verdere 
tegenstelling  tegen  alle  sektarisch  drijven  openbaart  zich  in 
de  wijze,  waarop  hier  de  nadruk  gelegd  wordt  op  de  over- 
eenstemming van  deze  leer,  en  mitsdien  ook  van  de  gemeente, 
met  de  ware,  katholieke,  óéne  kerk  van  God  en  Christus. 
Juist  op  deze  overeenstemming  in  hunne  leer  hebben  de 
Hervormers  tegenover  de  sektarissen  eenen  bijzonderen  na- 
druk gelegd.  Het  was  hun  te  doen  om  eene  Hervorming, 
niet  om  eene  nieuwe  kerk,  losgerukt  uit  het  historisch 
verband.  Mot  welk  een  klem  doet  a  Lasco  zulks  in  deze 
belijdenis  uitkomen!  ^)  Op  een  belangrijk  punt  in  de  na- 
dere ontwikkeling  der  hoofdstelling  moet  hier  nog  gewezen 
worden.  Op  die  plaats  der  confessie,  waar  La  ski  nader 
handelt  over  het  Koninklijke  ambt  des  Heeren,  leest  men: 
„Aengesien  dan  dat  de  Heere  Jesus  onder  den  titel  Christi, 
de    opperste,    eewich    ende    altijdt  teghenwoordigh  Koninck 

1}  In  het  Latijn:    „Qui  adventus  sui  lace  typos  Ipgis  carnalis  omnes  dispu- 

lerit  prorsusqiie  aboicvcrit.'* 

')  Ibid. ,  p.  331  sq. 

3)  Verg.  ibid.,  p.  300:  „Una  est  igitur  atque  eadem  semper  Dei  Ecclesia/' etc- 


891 

der  Gemeynten  Gods  is,  so  behooren  ons  allo  syn©  Ghebo- 
den  endo  ordinancien  (dit  leven  lanck)  eewich  ende  onver- 
anderlick  te  wesen :  op  dat  wyse  ghelijck  sy.  ghcgheven  zijn 
(boven  aller  menachen  ghcboden  ende  ordinancien)  eewelick 
onderhouden.  Op  dat  wy  gheen  gliehoor  en  geven  den 
genen  die  daer  verwachten  een  versierde  vernieuwinghe  der 
Kercken  opter  Aerden,  de  welcke  daer  te  niete  doe  de  Or- 
dinancien Christi :  Ofte  die  daer  versieren  haer  Stadthouders 
te  wesen  des  Rijckes  Christi,  als  oft  hy  ons  niet  eewichlick 
tegenwoordigh  en  ware:  ofte  haer  geboden  ende  ordinancien 
ghelijck,  ja  meerder  autoriteyt  onderstaen  te  geven,  dan  den 
ordinancien  Christi."  *)  Op  nog  nadrukkelijker  wijze,  dan  dit 
zelfs  bij  Calvijn  geschiedt,  wordt  in  de  medegedeelde  plaats 
van  het  Koninklijk  ambt  van  Christus  gewaagd.  De  bijzondere 
omstandigheden,  in  welke  de  vrecmdeling-gemeente  zich  ge- 
plaatst zag,  hebben  tot  deze  nadere  ontwikkeling  aanleiding 
gegeven,  sinds  dien  tijd,  welke  inzonderheid  in  de  Schot- 
sche  kerk  en  bij  de  Indcpendenten  van  Engeland,  eene  fun- 
damenteele  beteekenis  verkregen  heeft.   ^) 

Die  vreemdelingen  nu,  welke  in  het  bijzijn  van  de  ouder- 
lingen der  gemeente  deze  belijdenis  onderteekend  hadden, 
werden  eerst  dan  openlijk  in  do  gemeente  opgenomen  en  tot 
het  IL  Avondmaal  toegelaten,  wanneer  zij  zich  aan  het  einde 
van  de  voormiddag-godsdienstoefening  in  tegenwoordigheid  van 
den  predikant  en  de  ouderlingen  aan  een  klein  onderzoek 
onderworpen  hadden.  De  inhoud  van  deze  vragen  en  ant- 
woorden is  ons  nog  bewaard  gebleven:  het  zijn  41  korte, 
gemakkelijk  te  onthouden  volzinnen  over  de  Geboden,  de 
Geloofsartikelen,  de  Sacramenten,  en  het  Gebed.  ^)  Heeft  de 
candidaat  de  vragen  beantwoord,  zoo  wordt  hij  uitgenoodigd, 
om,  indien  hij  aangaande  een  of  ander  punt  der  leer  nog 
twijfelingen  koestert,  die  mede  te  deelen.  Zijn  ook  deze  voor 
hem    opgelost,    en  heeft  hij  eindelyk  ook  verklaard,  dat  hij 

«;  Ibid.,  p.  307. 

*}  Verg.  de  nadere  uiteenzetting  bij  Kit&chl  (S.  78),  alsmede  den  wenk 
in  de  Aantcckcning  daar  ter  plaatse  gegeven. 
3j  Kuyper,  1,  XCIX,  en  TI,  477  vg. 


het  emarig  voornemen  koestert,  om  bij  deze  leer  te  volharden, 
de  wereld  te  verzaken  en  voortaan  eon  christelijk  leven  to 
leiden ,  alsmede ,  dat  hij  bereid  ie ,  om  zich  ook  aan  de 
kerkelijke  tucht  te  onderwerpen,  dan  eerst,  na  dit  langdurig 
en  nauwkeurig  onderzoek,  werd  hij  ten  volle  in  de  gemeente 
opgenomen. 

Met  het  onderteekenen  van  die  „Londonsehe  bclijdenia," 
met  het  gelukkig  doorgestane  onderzoek  in  de  heilsleer  bij 
de  opneming  ia  de  gemeente  was  aan  den  eisch,  om  in  de 
goede  leer  des  Evangelie'a  te  volharden,  nog  lang  niet 
voldaan.  Gedurende  het  geheele  leven  beijverde  men  zich 
in  deze  model-gemeente,  om  de  Christelijke  leer  te  bewa- 
ren en  dieper  in  haar  door  te  dringen.  In  een  tweevoudig 
opzicht  kwam  dit  duidelijk  en  op  eene  wel  te  waardee- 
ren  wijze  aan  den  dag.  Met  diepen  ernst  en  op  eeno 
treffende,  overtuigende  wyze  toonde  Laski  aan,  ')  dat  met 
den  kinderdoop  voor  de  gemeente  de  heilige  verplichting  ont- 
stond ,  om  de  doopelingen ,  als  leden  van  Christus ,  als  deol- 
genooten  des  Vcrbonds  en  kinderen  Gods,  in  de  christelijke 
leer  te  onderwijzen.  Gedurende  den  prillen  leeftijd  is  eulka 
echter  de  taak  der  oudera.  Zotidra  hunne  kinderen  het  5^= 
of  G^i"  levensjaar  bereikt  hebben,  zijn  de  oudera  verplicht, 
hén  met  de  hoofdstukken  van  den  Kleinen  catechismus  be- 
kend te  maken,  en  tweemaal  'ajaara  heeft  er  in  de  kerk 
een  opzettelijk  onderzoek  plaats  betreffende  het  geleerde.  Tot 
dat  einde  ia  de  geheele  gemeente  in  drie  deelen  verdeeld; 
het  eene  deel  omvat  de  leden,  die  binnen  den  stadamuur, 
het  andere  doel  hen,  die  buiten  de  poorten  in  de  voorsteden 
en  omliggende  dorpen ,  en  het  derde  deel  hen ,  die  aan  de 
overzijde  der  rivier,  iu  Sonthwark  wonen;  voor  elk  dezer 
drie  deelen  hebben  de  genoemde  ondervragingen  op  ver- 
schillende Zondagen  plaata.  Met  het  elfde  jaar  begint  het 
onderricht  in  den  Groeten  catechismus,  ')  hetwelk  óf  door 
de  ouders,  of  door  opzettelijk  daartoe  aangestelde  leermees- 
ters   gegeven    wordt,    en    dat    dan  verder  zijne  voortzetting 

'1  Tbtd,,  11,  B3. 

>)  Over  irita  Cateubiauiiia  ïefgel.  men  hierboven,  üb..  SUfl 


393 

of  aanvulling  vindt  in  de  catechisatiën  des  Zondags  in  de 
kerk,  gedurende  de  namiddag-godsdienstoefening.  Hebben  de 
kinderen  hun  14^®  jaar  bereikt  en  voldoende  bewijzen  gegeven, 
dat  zij  de  voornaamste  leerstellingen  van  den  godsdienst 
kennen,  dan  leggen  zij  vóór  de  vergaderde  gemeente  de  be- 
lofte af,  dat  zij  door  Gods  genade  in  deze  belijdenis  huns 
geloofs  wenschen  te  volharden,  en  dienovereenkomstig  hun 
leven  aan  de  kerkelijke  tucht  willen  onderwerpen.  Slechts 
wanneer  zij  met  een  plechtig  Ja  op  de  hun  voorgestelde 
vragen  geantwoord  hebben,  worden  zij  tot  het  H.  Avondmaal 
toegelaten.   ^) 

Maar  ook  na  de  bevestiging  wordt  het  onderricht  niet 
gestaakt,  en  blijft  er  voor  de  volwassenen  gelegenheid  be- 
staan, om  toe  te  nemen  in  de  kennis  der  Christelijke  leer. 
Daarvoor  zorgt  de  zoogenaamde  ^Profetie'*  ^),  die  in  de 
Duitsche  gemeente  weder  anders,  dan  in  de  Fransche  is 
ingericht.  Des  Donderdags  na  de  predikatie,  maar  nog  in 
tegenwoordigheid  van  de  gemeente,  is  het  in  de  Duitsche  kerk 
aan  ieder  lid  dor  gemeente  geoorloofd,  eventueele  twijfelingen 
of  bodenkingen,  die  onder  de  verschillende  godsdienstige  bij- 
eenkomsten in  den  loop  der  week  bij  hem  zijn  opgerezen, 
in  het  midden  te  brengen ,  en  de  leeraren  en  ouderlingen 
der  gemeente  hebben  die  te  wederleggen.  Ten  einde  ieder 
mogelijk  misbruik  te  voorkomen,  moeten  de  bedoelde  vragen 
vooraf  aan  daartoe  opzettelijk  gekozen  vrome  mannen  worden 
voorgelegd ,  om  te  beslissen ,  of  zij ,  al  dan  niet ,  voor  eene 
gemeenschappelijke   bespreking  geschikt  zijn.  De  Profetie  in 


I)  Ongetwijfeld  een  van  de  oudste  getuigenissen  aang.iandc  de  Confirmatio 
in  de  Evangrlisehc  kerk. 

•)  Mogelijk  is  het  slechts  aan  sommigen  bekend,  dat  deze  „Profetieën"  ook 
in  de  KngeJschc  kerk  in  brcedur  kring  weerklank  vonden.  Bedenkelijke  mis- 
bruiken kunnen  daarbij  gemakkelijk  insluipen,  vooral  wanneer  d<'  leeraar  der 
gemeente  niet  zelf  de  leiding  in  banden  houdt.  Het  is  opmerkelijk,  dat,  in 
*t  jaar  1577,  koningin  Elisabeth  deze  Prof«^tieën,  die  eenigszina  aan  het  „Stun- 
denhalten"  in  Wurtemberg,  aan  de  „«Stundisten"  in  de  Itussiscbe  kerk  doen 
denken,  veri)iedt.  rVerg.  Grind  al,  p.  4fi7.  In  het  bewuste  rescript  leest 
men:  „whieh  inanner  of  invasions  they  in  some  places  term  prophcsvings,  and 
in  some  other  places  exerciscs.'*) 


394 

de  Fransche  gemeente  had  plaats  des  Dinsdags,  ')  en  be- 
stond in  de  doorloopende  verklaring  van  geheele  boeken  der 
H.  Schrift,  niet  in  den  vorm  eener  predikatie,  maar  meer 
overeenkomende  met  onze  Bijbellezingen  (^Bibelstunden"), 
slechts  met  dit  wezenlijke  onderscheid ,  dat  het  ook  aan  de 
gemeenteleden  vrijstaat,  aan  de  verklaring  van  de  voorge- 
lezen pericoop  deel  te  nemen.  Daarbij  wordt  de  uitlegging 
voortgezet  zoolang  er  nog  iemand  in  de  vergadering  over 
het  gedeelte  der  Schrift,  dat  aan  de  orde  is,  het  woord 
wenscht  te  voeren.  *) 

Aan  deze  „Profetie''  hebben  wij  één  van  de  voortreffelijkste 
geschriften  van  La  ski  te  danken,  hetwelk  op  de  ontwikke- 
ling van  de  Evangelische  kerk  in  Engeland  en  in  Duitsch- 
land  eenen  krachtigen  invloed  heeft  uitgeoefend.  In  het 
voorjaar  van  1551  was  a  Las  co  in  zijne  Bijbelbesprekingen 
des  Maandags-avonds  begonnen,  het  Evangelie  van  Johannes 
te  verklaren.  Naar  aanleiding  van  den  doop  van  Johannes 
den  Dooper  was  hij  bij  herhaling  over  de  Sacramenten 
komen  te  spreken.  Zijne  toehoorders  —  onder  welke  ook 
vele  Engelschen  waren,  want  hij  hield  deze  Schriftverkla- 
ringen in  de  Latijnsche  taal,  —  verzochten  hem  om  een 
samenhangend  vertoog  over  de  Sacramenten.  Aan  dezen 
wensch  voldeed  hij  in  een  vijftal  avondbijeenkomsten.  ^) 
Hetgeen  de  toehoorders  nu  „met  groote  bewondering  en 
veel  profijt"  —  gelijk  één  hunner  bericht,  *)  —  gehoord 
hadden,  dat  wenschten  zij  in  druk  te  bewaren.  Ook  aan 
dit  verlangen  meende  Laski  zich  niet  te  mogen  onttrekken. 
In    1552   zagen  deze  voordrachten  het  licht,  bijkans  de  uit- 


[1)  Dalton  schrijft  eigenlijk,  dat  de  Profetie  in  de  Daitschc  gemeente  „an 
jedem  Sonntage,"  en  die  in  de  Fransche  gemeente  „Mittwochs" plaats  vond.  Bij 
a  Las  co  zelven  (II,  104)  leest  men  echter:  ,,Atquo  ita,  quoniam  in  Germa- 
norum  Ecclesia  diebus  Jovis  prophetia,  at  dictum  est,  haberi  solet,  Gallicae 
Prophetiae  dies  Martis  destinatus  est.*'  Uit  dien  hoofde  meende  ik  mij  hier 
en  in  het  voorafgaande  eene  kleine  wijziging  te  moeten  veroorloven.       Vert.] 

ï)  Knyper,  II,  106. 

3)  Ibid.,  I,  108. 

*)  „Original,"  p.  587. 


395 

voerigste  verhandeling,  die  wij  van  zijne  hand  bezitten.  *) 
De  genoemde  verhandeling  is  in  eene  blijmoedig-hoopvolle, 
bezielde  stemming  geschreven.  Drie  jaren  vroeger  —  in  Mei 
1549,  —  was  tusschcn  Calvijn  en  Bullinger  de  be- 
roemde „Zuricher  overeenkomst'^  („Consensus  Tigurinus")  ge- 
sloten geworden:  de  eenzijdige  Avondmaalsleer  van  Zwin gli 
was  hier  innerlijk  overwonnen,  en  de  zooveel  diepere  op- 
vatting van  Calvijn  had  gezegevierd.  Ongetwijfeld  eene 
veel  meer  ware  en  vruchtbaardere  concordie,  dan  de  Wit- 
tenbergsche  vóór  meer  dan  een  tiental  jaren!  Zeer  spoedig 
na  het  sluiten  van  deze  overeenkomst  zond  Bullinger,  daar 
men  met  de  uitgave  talmde,  een  exemplaar  in  afschrift  aan 
zijnen  vriend  La  ski,  die  de  gesloten  overeenkomst  met  har- 
telijke vreugd  begroette.  „Allereerst  dank  ik  den  Heer,  onzen 
God,  dat  Hij  het  rijk  van  zynen  Zoon  door  uwen  dienst 
in  Zurich  bevordert  en  uitbreidt,  en  wensch  ik  uwen  ge- 
meenten van  harte  geluk  met  de  tusschen  u  en  Calvijn 
tot  stand  gebrachte  overeenkomst,  wat  betreft  de  leer  van  de 
sacramenten,  terwijl  ik  hoop,  dat  eiken  dag  nog  meerdere 
gemeenten  haar  onderteekenen  zullen.  Wat  ons  aangaat,  wij 
volgen  hier  geheel  dezelfde  leer,  al  drukken  wij  haar  ook 
in  ecnigszins  andere  bewoordingen  uit."  ^)  Laski  deelde  de 
missive  van  Bullinger  aan  C  r  a  n  m  e  r  mede ,  op  wien  zij 
eenen  grooten  indruk  maakte,  en  die  aan  den  inhoud  zijne 
volle  goedkeuring  schonk.**)  Reeds  in  1546  had  Bullinger 
aan  C  a  1  v  ij  n  en  aan  Laski  in  manuscript  eene  verhande- 
ling „over  de  Sacramenten^'  gezonden,  die  strekken  moest 
tot  beantwoording  van  de  heftige  uitvallen  van  Luther 
tegen  de  Zurichers  in  den  jare  1544,  welk  geschrift  hem 
evenwel    eerst    in    1548  in  handen  kwam.    Laski  had  het 

ij  „Br<^vis  <^t  dilucida  de  sacramcntis  Ecclesiae  Christrtractatio."  Dij  K  o  y- 
per,  I,  'J7— 232. 

»)  Ibid.,  II,  64C. 

^)  De  uitgevers  van  de  Werken  van  C  a  1  v  \j  n  hebben  in  de  beroemde  ver- 
zameling van  Simmler  in  Ziirich  het  belangrijke  schrijven  van  Laski  aan  Bul- 
linger oiftdokt,  dat  aan  het  naspeurend  oog  van  Kuyper  ontgaan  was,  en 
in  hetwelk  bij  uitvoerig  zijne  üpmerkingen  over  den  „Consensus  Tignrinos" 
mededeelt.   (Verg.  Calvijn,  Xlll ,  578.) 


dociiment,  nadat  het  met  zijne  boelterij  uit  Emden  gekomen 
was,  aan  Cranmer  laten  lozen,  en  hot  op  diens  dringend 
verzoek  in  druk  gegeven.  Ook  de  „Zuricher  overeenkomst" 
voegde  Laaki  aan  zijne  verhandeling  over  de  sacramenten 
toe;  deze  geschriften  hebben  er  het  meeste  toe  bijgedragen, 
om  aan  de  daarin  voorgedragen  Avondmaalsleer  in  de  En- 
gelache  kerk  burgerrecht  te  verschaften. 

Laaki  droeg  zijne  verhandeling  op  aan  den  koning  van 
Engeland.  Het  zendschrijven  aan  dezen  is  in  meer  dan  i5ón 
opzicht  belangrijk  en  ook  nog  heden  ten  dage  alleszins  le- 
zenswaardig. In  korte ,  claasieke  bewoordingen  drukt  onze 
vriend  zijne  overtuiging  uit.  „De  Roomsche  kerk  is  ten  val 
gebracht.  In  onze  eenw  ia  dit,  met  Gods  hulp,  hoofdzakelijk 
geschied  door  den  arbeid  van  éénen  man,  en  wel  van  eenen, 
die  door  de  goheele  wereld  diep  veracht  en  gehaat,  maar  ïn 
het  oog  van  God  zonder  twijfel  een  uitverkoren  werktuig  was, 
ik  bedoel  Maarten  Luther"  [f  1546].  Vervolgens  wijst 
Laski  er  op,  hoe  de  Satan  niettemin  voortgaat  met  verdeeld- 
heden te  zaaien  tusschen  de  Protestanten.  Maar  aan  het  bij- 
leggen van  die  twisten  wordt  ijverig  gearbeid.  Die  zich  in  dit 
opzicht  het  meeste  moeite  gegeven  hoeft,  ia  Bucer,  „zaliger 
gedachtenis"  (deze  vriend  van  Laski  was  ongeveer  een  jaar 
te  voren  —  28  Pebr.  1.551 ,  —  te  Cambridge  gestorven). 
„Hetzelfde  doel  beoogden  nog  velo  andere  geleerde  en  vrome 
mannen,  en  de  Heer  bekroonde  deze  pogingen  met  zijne 
gunst,  zoodat  de  voornaamste  gemeenten  van  Zwitserland, 
die  te  voren  tegen  elkander  verdeeld  waren,  nu  het  eerst 
van  allen  tot  onderlinge  overeenstemming  gekomen  zijn.  Deze 
overeenstemming  in  de  leer  begon  zich  welhaast  verder  uit 
te  breiden ,  al  werd  zij  ook  niet  overal  in  dezelfde  bewoor- 
dingen uitgedrukt,  en  drong  tot  in  Oost-Friesland,  ja,  zelfs 
tot  in  het  rijk  gezegende  Engeland  door,  on  wordt  hier  met 
beide  banden  vastgehouden."  •)  Op  de  toewijding  aan  den 
Koning  volgt  nog  eene  zeer  behartigenswaardige,  stichtelijke 
voorrede  „aan  den  godvruchtigen  lezer",  in  welke  onze  vriend 


I)  KujpEr.  I,  103. 


397 

met  allen  nadruk  doet  uitkomen,  dat  de  Sacramentsstrijd 
hem  ten  allen  tijde  van  te  weinig  belang  is  voorgekomen, 
dan  dat  om  zijncntwil  de  gemeenten,  die  het  Evangelie  van 
Christus  belijden,  zouden  moeten  vaneengescheurd  worden. 
Het  zou  ons  te  ver  voeren ,  indien  wij  dit  belangrijke  ge- 
schrift als  op  den  voet  wilden  volgen;  zelfs  aan  het  geven 
van  ecne  bloemlezing  van  de  meest  kenmerkende  plaatsen 
valt  hier  niet  te  denken.  Wij  vergenoegen  ons  met  enkele 
vluchtige  opmerkingen.  L  a  s  k  i  geeft  allereerst  eene  beschrij- 
ving van  de  ontwikkeling  der  Sacramentsleer  in  de  Boomsche 
kerk,  en  toont,  met  groote  belezenheid  in  de  kerkvaders, 
aan,  hoe  de  allengs  ingeslopen  dwaling  zich  in  den  loop  der 
tijden  ontwikkeld  heeft  tot  de  valsche  leer,  volgens  welke 
er  ceno  volkomene  vereeniging  van  het  teeken  met  de 
zaak  plaats  heeft,  in  dier  voege  zelfs,  dat  het  teeken  in  de 
zaak  geheel  opgaat  en  verdwijnt.  Volgens  de  leer  der  H.  Schrift 
echter  is  het  sacrament  in  het  algemeen  eene  Goddelijke 
inzetting,  bestaande  uit  twee  doelen,  nl.  uit  een  zichtbaar 
teeken  en  uit  eene  onzichtbare  verborgenheid  („mysterium"), 
opdat  het  alzoo  beantwoorde  aan  het  doel,  waartoe  het  is 
ingesteld.  *)  In  hot  sacrament  is  de  beteekende  zaak  of 
het  „mysterium",  hetwelk  door  de  teekenen  der  sacramen- 
ten wordt  aangeduid,  de  ons  geschonken  vereeniging  met 
Christus,  den  Heer,  in  zijn  lichaam  en  bloed.  Hierin  nu 
stemmen  allen  overeen,  dat  het  „mysterium"  der  sacra- 
menten onze  vereeniging  is  met  Christus,  den  Heer,  en 
eveneens  ook  hierin,  dat  zij  deze  onze  vereeniging  met 
Christus  doen  bestaan  in  het  deelgenootschap  aan  zijn  lichaam 
en  bloed.  Eerst  wat  betreft  de  vaststelling  van  de  wijze, 
waarop  deze  onze  vereeniging  met  Christus  plaats  heeft, 
loopen  de  gevoelens  der  uitleggers  uiteen ;  dezen  denken  zich 
eene  magische  verandering  in  de  elementen  van  den  maal- 
tijd des  Hoeren ;  genen  daarentegen  nemen  eene  nieuwe  ver- 
binding („conncxio'^)  buiten  de  natuurlijke  aan,  dietusschen 
het    teeken    en  de  beteekende  zaak  bestaat.    Deze  opvatting 


»)  Ibid.,  I,  128. 


398 

had  haren  tijd,  en  mitsdien  ook  haar  recht,  toen  men  de 
dwaalleer  van  de  wezensverandering  verzaakte,  en  men  er 
zich  toch  ook  weder  niet  bij  kon  nederleggen^  in  de  sacra- 
menten bloote  teekenen  te  zien.  God  toch  buigt  zich  in  ont- 
ferming tot  onze  zwakheid  ter  neder ,  en  openbaart  zich  aan 
ons  niet  plotseling  in  allen  deele,  maar  trapsgewijze,  naar 
de  mate  van  onze  toenemende  kracht.  La  ski  wil  hierbij 
geen  namen  noemen,  maar  hij  verklaart  nadrukkelijk,  met 
zachtmoedigen  ernst,  dat  hij,  uitgezonderd  de  leeraren  van  de 
Transsubstantiatie,  alle  de  overige  in  den  Heer  vereert,  en 
dat  hunne  nagedachtenis,  ook  al  is  hun  mogelijk  in  een  of 
ander  opzicht  iets  menschelijks  wedervaren,  hem  steeds  heilig 
is,  als  van  mannen,  die  met  hun  gansche  hart  de  eer  van 
God  hebben  gezocht,  en  die  in  bijzondere  mate  met  bewon- 
derenswaardige gaven  van  God  versierd  waren.  Inderdaad, 
voor  die  dagen  eene  zeldzaam  gematigde,  objectieve  taal. 

Wat  nu  betreft  de  geheimzinnige  gemeenschap  met  den 
Heer,  die  bij  de  sacramenten  plaats  heeft,  logt  a  Lasco 
er  nadruk  op,  gelijk  wij  reeds  vroeger  vermeld  hebben, 
dat  de  uitdrukking  „communie'^  in  passieven  zin  is  op  te 
vatten  en  het  deelnemen  aan  iets  aanduidt,  maar  niet  de 
uitdeeling  zelve.  Bij  deze  „communie"  geeft  en  ontvangt 
ieder  iets,  zoowel  Christus,  als  wij,  die  het  sacrament  ge- 
nieten, en  wel  ieder  datgene,  wat  hem  kenmerkend  eigen 
is.  Het  „mysterium"  der  beide  sacramenten,  wat  betreft 
het  deelgenootschap  van  onzen  kant  aan  Christus,  bestaat 
hierin,  dat  Christus  uit  genade  aan  ons  mededeelt  hetgeen 
het  eigenaardige  is  in  zijn  lichaam  en  bloed,  te  weten  zijne 
onschuld,  gerechtigheid,  heiligheid,  de  geheele  verdienste 
van  zijn  Igden  en  sterven ,  en  de  heerlijkheid  zijner  wonder- 
bare opstanding.  Deze  mededeeling  van  het  lichaam  des 
Heeren  is  waarachtig  en  heil-aanbrengend ,  doch  niet  reëel 
en  substantieel. 

De  sacramenten  zijn  door  God  ingesteld  met  het  tweele- 
dige doel,  dat  wij  door  deze  onze  gcmecnschapsoefcning  met 
Christus,  onzen  Heer,  eene  volkomene  rust  des  gewetens 
hebben  en  verzekerd  zijn  mogen ,  dat  nu  niets  verdoemelijks 


399 

ons  meer  aankleeft ,  nadat  wij ,  door  de  uit  genade  ons  ver- 
leende gemeenschap  aan  zijn  lichaam  en  bloed^  met  Christus, 
onzen  Heer^  vereenigd  zijn.  De  andere  nuttigheid  dezer  sa- 
cramenteele  verzegeling  is  de  verandering  en  vernieuwing 
van  ons  gemoed,  als  het  gevolg  van  de  rust  des  gewetens, 
die  wij  door  het  sacrament  verkregen  hebbon.  —  Hetgeen 
a  Lasco  op  deze  wijze  in  het  algemeen  over  de  sacramenten 
gezegd  heeft,  dat  past  hij  vervolgens  breedvoerig  toe  op  de 
beide  sacramenten ,  die  door  den  Heer  zijn  ingezet ,  om  dan 
eindelijk  met  de  volgende  treiFende  woorden  te  besluiten: 
,,En  nu  smeek  ik  van  God,  dat  Hij  alle  verdeeldheden  in 
de  leer  door  zijnen  H.  Geest  moge  beslechten,  en  dat  Hij 
ons  allen,  die  wij  zijnen  ééngeboren  Zoon  als  onzen  éénigen, 
waarachtigen ,  hoogsten  en  eeuwigen  Koning,  Profeet  en 
Hoogepriester  geloovig  belijden  en  verkondigen,  en  die,  wegens 
de  belijdenis  van  zijnen  aanbiddelijken  naam,  in  deze  wereld 
gewis  niet  anders  dan  marteling  te  verwachten  hebben,  ge- 
lijk schapen,  die  ter  slachtbank  bestemd  zijn,  —  dat  Hij 
ons  allen,  zeg  ik,  door  den  band  zijns  Geestes  alzóó  veree- 
nigen moge,  dat  wij  Hem  alleen,  met  verzaking  van  alle 
zelfzucht  en  met  terzijdestelling  van  allen  ijdelen  zelfroem, 
eenpariglijk  prijzen,  en  door  onze  vereeniging  betuigen,  dat 
God  waarlijk  onze  God  is,  en  dat  wij  zijn  volk  zijn,  ge- 
kocht door  het  bloed  zijns  Zoons,  wien,  te  zamen  met  zijnen 
eeuwigen  Vader  en  den  H.  Geest,  toekomt  de  eer,  de  lof 
en  de  aanbidding,  tot  in  eeuwigheid.    Amen."   ^) 

De  duidelijke,  gematigde  en  zachtmoedige  behandeling  van 
deze  mooiclijke  en  ook  voor  Engeland  hoogst  belangrijke 
vraag  liet  niet  na,  eenen  diepen  en  blijvenden  invloed  op 
de  verdere  ontwikkeling  der  kerkleer  te  oefenen.  Met  steeds 
klimmendon  ernst  on  toenemende  opmerkzaamheid  luisterde 
men  naar  den  raad  van  dezen  „zoo  oprechten,  fijnbeschaaf- 
dcn,  vromen  en  geleerden"  man,  ^)  die  tegenover  aanzien- 
lijken   on    geringen    onbevreesd    voor    zijne   overtuiging  uit- 

«)  Ibid.  I,  232. 

>)  „Original,"  p.  572. 


400 

kwam.  Spoedig  na  zijne  aankomst  liet  het  gewicht  van  zijn 
mannelijk  woord  zich  ook  in  de  Ëngelsche  kringen  gelden, 
en  wel  in  eene  zeer  belangrijke  zaak. 

Twee  dagen  namelijk  na  zijne  aankomst  te  Londen  was  Jo- 
hannes  Hooper,  alleszins  een  geestverwant  van  onzen 
La  ski,  en  omtrent  van  gelijken  leeftijd  als  hij,  tot  Bisschop 
van  Gloucester  benoemd  geworden.  Deze  vrome  en  onver- 
schrokken prediker ,  die  reeds  vroeg  door  de  geschriften  van 
Zwingli  en  van  Bullinger  voor  het  Evangelie  was  ge- 
wonnen geworden,  moest,  om  den  wille  van  zijne  overtuiging, 
onder  de  regeering  van  Hendrik  VIII  zijn  vaderland  ver- 
laten: hij  behoorde  tot  de  groote  schare  van  hen,  die  zich 
door  de  onverdraagzaamheid  des  Konings  gedwongen  zagen, 
naar  het  buitenland  de  wijk  te  nemen ,  doch  die  aldaar  door 
Gods  hand  zoo  wonderbaar  in  hun  geloof  bevestigd  werden, 
opdat  zij  eens,  in  gunstiger  dagen,  aan  hun  vaderland  het 
woord  des  kruises  zouden  mogen  brengen.  Deze  voortvluch- 
tige zonen  van  Engeland  trokken  in  die  dagen  zelden  meer 
naar  Wittenberg;  hunne  rustplaats  („étape^')  was  Straatsburg 
geworden,  en  dan  verder  Zurich  en  Genève,  waar  hun  de 
vriendelijkste  gastvrijheid  ten  deel  viel.  De  jaren,  welke 
Hooper  in  den  vreemde  doorbracht,  waren  voor  zijn  gees- 
stelijk  leven  als  een  rijkgezegende  zomertijd ,  in  welken  zijn 
geloof  tot  vollen  wasdom  kwam.  Spoedig  na  de  troonsbe- 
stijging van  Eduard  keerde  hij  naar  zijn  vaderland  terug; 
het  duurde  niet  lang,  of  hij  was,  nevens  Latimer,  de 
meest  populaire  prediker,  die  onbevreesd,  ook  in  tegenwoor- 
digheid des  Konings ,  de  gebreken  van  zijnen  tijd  en  ook 
van  het  hof  aan  de  kaak  stelde,  on  duidelijk  en  onbewim- 
peld zijne  meening  uitsprak.  *)  Het  antwoord  van  denjeug- 

1)  Ik  denk  hierb^  aan  zijn  zeven  predikatiën  over  Jona,  die  hij  in  het  voor- 
jaar van  1550  vóór  den  Koning  hield,  en  in  welke  hij  ook  onbewimpeld  en 
uitvoerig  zijne  zienswijze  aangaande  de  Sacramenten  ontwikkelde.  In  zijne  derde 
beschouwing  had  hij  rechtstreeks  den  eed  bestreden,  die,  volgens  de  koninklijke 
verordening  van  het  vorige  jaar,  door  de  bisschoppen  moest  worden  afgelegd 
(verg.  Hooper,  I,  479).  Het  is  de  plaats:  „zoo  waarlijk  hclpe  mij  God,  alle 
heiligen  en  het  heilig  Evangelie."  („Two  liturgies,"  p.  169:  „So  help  me 
God,  all  saints  and  the  holy  Evangelist.") 


401 

digen,  vromen  koning  op  die  vrijmoedige  taal  was  de  be- 
noeming van  den  Evangelischen  prediker  tot  het  onlangs 
opengevallen  bisschopsambt.  Ho  o  per  nam  deze  benoeming 
aan,  doch  hetgeen  hij  gepredikt  had,  daaraan  hield  hij  zich 
nu  ook  met  onverschrokken  moed;  hij  weigerde,  den  ge- 
bruikelijken  eed  af  te  leggen  en  in  het  bisschoppelijk  gewaad 
uit  den  Roomschen  tijd  op  te  treden.  ^)  Deze  weigering 
bracht  overal  in  den  lande  eene  geweldige  opschudding  te- 
weeg. Ho  op  er  volhardde  bg  zijn  besluit,  ook  toen  hij  ten 
gevolge  daarvan,  in  stede  van  op  den  bisschopszetel  verheven 
te  worden,  in  de  gevangenis  geworpen  werd.  De  aanstootelijk© 
uitdrukking  in  den  eed  werd,  wel  is  waar,  eerlang  op  een 
bijzonder  bevel  des  Konings  verwijderd,  ^)  doch  moeielijker 
was  het  andere  punt,  nl.  betreffende  de  bisschopswijding, 
dat  welhaast  tot  eene  principiëele  vraag  verscherpt  werd. 
Do  energieke  en  edele  bisschop  van  Londen  (Il  i  d  1  e  y)  lette 
gestreng  op  den  uiterlijken  vorm,  en  gedoogde  niet,  dat  er 
in  de  bisschoppelijke  kleeding  en  wijding  ook  maar  in  het 
minst  iets  gewijzigd  werd;  zijne  zienswijze  zou  hem  heden 
ten  dage,  wat  dit  punt  aangaat,  in  de  gelederen  der  Ritua- 
listen  plaatsen.  ')  Het  was  hem  tot  eene  diepe  smart,  binnen 
den  omtrek  van  zijn  bisdom  de  bijzondere  inrichting  van  den 
eeredienst    in    de    vreemdeling-gemeentc   te   moeten  dulden, 


*j  Verg.  „Original ,"  p.  187.  —  De  benoeming  van  Ho  o  per  tot  Bisschop 
was  door  den  Lord-Protector,  den  hertog  van  Somerset,  doorgedreven,  ondanks 
het  verzet  van  de  gezamenlijke  bisschoppen,  die  wel  wisten,  wat  zij,  met  be- 
trekking tot  dit  punt,  van  hunnen  nieuwen  ambtgenoot  te  verwachten  hadden. 
(Ib.,  p.  410.) 

>)  Het  „Buok  of  common  prayer"  van  1552  eindigt,  in  onderscheiding  van 
de  700  even  aangehaalde  plaats  in  de  uitgave  van  1549,  met  de  woorden:  „Zoo 
waarlijk  h«'lpe  mij  God,  door  Jezus  Christus.*'  („Two  liturg.,"  p.  33Ü:  „So 
help  me  God  through  Jesus  Christ."  Verg.  ook  „Original  ,'*  p.  416.  566.) 

3;  Tusschen  U  i  d  1  e  v  en  H  o  o  p  e  r  bleef  eene  spanning  bestaan,  tot  op  den 
tijd,  dat  deze  beide  getrouwe  belijders,  onder  de  rrgi'ering  van  de  bloedige 
Maria  in  (lt>n  kerker  smachtten  en  hunne  Evangelische  overtuiging  met  den 
marteldood  bezegelden.  De  treffelijke  brief,  in  welken  KidJey,  uit  z^ne 
eenzame  cel  in  den  Tower,  aan  zijnen  medegevangene  in  den  Fleet-torcn  de 
broederband  der  verzoening  reikt,  is  ons  nog  bewaard  gebleven.  (Verg.  Kidley, 
p.  355,  en  wat  het  geschilpunt  betreft:  „Original,"  p.  567.) 

DALTON.  26 


402 

en  hij  vreesde,  dat  Hoop  er  een  man  was,  geschikt  en 
bereid,  om  eene  gelijke  zienswijze  in  de  Engelsehe  kerk  in- 
gang te  doen  vinden.  Niet  weinigen,  ook  onder  de  hooge 
waardigheidbekleeders  der  Kerk,  waren  met  hem  van  het- 
zelfde gevoelen.  Een  onzijdig  standpunt  werd  door  C  ra nmer 
en  eene  groote  schare  van  met  hem  gelijk  gezinden  inge- 
nomen. Zij  beschouwden  de  zaak  als  van  onbeduidenden 
aard,  en  waren  ontevreden,  dat  Ho  op  er  haar  tot  eene  zoo 
ernstige  aangelegenheid  verhief.  In  plaats  van  daarover  strijd 
te  gaan  voeren ,  was  het ,  volgens  hunne  meening ,  verstan- 
diger, om  eene  gewoonte  als  deze,  die  door  een  bestaan 
sinds  eeuwen  her  gewijd  was,  onaangetast  te  laten,  en  zich 
te  voegen  naar  een  gebruik,  hetwelk  zoo  ver  van  de  heilig- 
heden  des  geloofs  verwijderd  was.  Onder  degenen,  die  met 
den  Aartsbisschop  instemden,  bevonden  zich  ook  Bucer  ^) 
en  Petrus  Martyr,  die  vooral  het  ondoelmatige  van 
eenen  strijd  over  zulke  beuzelachtigheden  in  eenen  zoo  ern- 
stigen  tijd  wraakten. 

Onze  vriend  daarentegen  stond  met  volle  overtuiging  aan 
de  zijde  van  Ho  o  per.  Voor  La  ski,  zoowel  als  voor  den 
nieuw  verkozen  bisschop  was  de  genoemde  aangelegenheid 
eene  gewetenszaak,  die  diep  in  het  geheele  geloofsleven  in- 
greep; beiden  waren  er  wellicht  ook  van  overtuigd,  dat  in 
.  zulke  gevallen  niet  al  te  veel  van  eenen  toekomenden,  meer 
verlichten  tijd  te  verwachten  is,  en  dat  het  er  ten  tijde  van 
den  strijd  op  aankomt,  het  wellicht  lastige  geschilpunt  snel 
en  kordaat  af  te  handelen.  Zij  staan  daar  vóór  ons  als 
profeten,  die  in  hunnen  tijd  niet  zijn  begrepen  geworden, 
maar  de  tegenwoordige  tijd  stelt  hen  in  het  gelijk:  de 
gebruiken,  die  toenmaals  voor  iets  onverschilligs  gehouden 
werden,    zijn    als    tot   brugpijlers  geworden,  door  welke  de 


1)  Verg.  Hoop  er,  II,  XIII.  —  De  strijd  doet  cenigszios  denken  aan  de 
kwestie  o?er  de  beelden  in  de  kerk.  Lather  wenschte  die  toch  ook  uit  de 
kerken  verwijderd  te  zien  (verg.,  in  de  uitgave  van  Walch:  III,  1566:  XX, 
35.  193),  maar  afkeerig  als  hjj  was  van  alle  beeldstormerü,  wilde  hij  te  zijner 
tijd  de  zaak  nog  op  haar  beloop  laten,  terwjjl  hij  van  de  toekomst  eene  ver- 
andering en  verbetering  te  dezen  aanzien  verwachtte. 


403 

terugkeer  uit  de  streng  episcopaalsche  kerk  („Hochkirche" 
[„high-church"])  tot  de  Roomsche  kerk  mogelijk  gemaakt 
wordt.  A  L  a  8  c  o  hield  met  B  u  e  e  r  over  dit  onderwerp  eene 
belangrijke  discussie,  van  welke  de  hoofdpunten  ons  zijn 
bewaard  gebleven.  ^)  — 

Wij  behoeven  den  verderen  loop  der  zaak  van  Ho  op  er 
hier  niet  in  bijzonderheden  te  schetsen ;  zij  eindigde  daarmede, 
dat  de  nieuw  benoemde  bisschop,  die  door  het  verblijf  in  de 
gevangenis  handelbaarder  geworden  was,  zijne  toestemming 
gaf  tot  de  schikking,  dat* hij  bij  zijne  bevestiging  de  gehate 
gebruiken  stilzwijgend  zou  dulden,  doch  dat  hij  dan  ook  de 
bevoegdheid  zou  hebben,  om  voortaan  in  zijne  diocese  te  dezen 
aanzien  naar  eigen  goeddunken  te  handelen.  Nadat  de  zaak 
met  den  Engelschen  bisschop  ^op  deze  tamelijk  vreedzame 
wijze  beslecht  was,  werden  de  grievende  aanvallen  tegen 
de  gemeente  in  Austin-Friar  voortgezet.  Waarom  toch  aan 
de  vreemdelingen  toegestaan  hetgeen  men  aan  de  landskin- 
deren weigerde!  Altijd  weder  kwam  men  terug  op  het  ambts- 
gewaad, terwijl  men  er  zich  e  venzoo  aan  ergerde,  dat  deze 
gemeente  het  H.  Avondmaal  zittende  placht  te  ontvangen. 
Manmoedig  verdedigde  La  ski  zich  tegen  hen,  die  hem 
zulke  —  naar  zijne  overtuiging  —  apostolische  gebruiken 
wilden  ontzeggen.  In  een  uitvoerig  schrijven  wendde  hij  zich 
tot  zijnen  vriend,  den  Aartsbisschop,  om  bescherming  tegen 
deze  aanhoudende  plagerijen.  Het  interessante  stuk  is  ons 
bewaard  gebleven.  ^)  Nog  een  half  jaar  later  vernemen  wij 
eene  zinspeling  op  dezelfde  zaak,  ineen  schrijven  van  La  ski 
aan  den  jeugdigen  koning.  Want  ook  op  deze  Roomsche 
overblijfsels  heeft  de  schoonc  en  juiste  gelijkenis  betrekking, 
welke  La  ski  aan  den  jongen  koning  verhaalt,  aangaande 
den  vader,  die  zijne  dochter,  welke  bijkans  ten  val  gebracht 
en  reeds  met  de  kleederen  eener  boeleerster  getooid  is,  nog 
juist  van  pas  uit  het  huis  der  ontucht  redt,  en  haar  naar 
de    ouderlijke    woning    terugvoert,    doch    haar    nu  ook  niet 


ï)  K  uy  p  e  r,  I,  LV. 
*)  Ibid.,  II ,  655. 


404 

vergunt,  de  kleederen  te  dragen,  die  aan  het  vreeselijke 
gevaar  herinneren,  in  hetwelk  zij  verkeerd  heeft.  ^)  —  Het 
gelukte  Laski,  zijne  kerk  voor  deze  eischen  te  behoeden, 
en  in  de  hoofdstad  zelve  cene  bloeiende  gemeente  te  stich- 
ten, welke  al  die  herinneringen  aan  den  Roomsehen  tijd  had 
vaarwelgezegd. 

Dat  Laski  in  deze  zaak  zulk  een  beslist  standpunt  had 
ingenomen,  vervreemdde  hem  geenszins  van  Cranmer,  en 
deed  ook  aan  zijnen  invloed  in  broederen  kring  volstrekt 
niet  te  kort.  Integendeel,  zijn  aanzien  en  invloed  namen  toe, 
en  naarmate  het  grootsche  plan  van  zijne  kerkelijke  organi- 
satie der  vrecmdeling-gemeente  allengs  zijne  voltooiing  na- 
derde, des  te  sterker  en  levendiger  werd  ook  het  verlangen 
naar  zijnen  raad  en  zijne  medewerking  bij  de  regeling  van 
de  kerkelijke  toestanden  in  Engeland. 

Met  deze  definitieve  inrichting  van  de  Evangelische  kerk 
in  Engeland  was  men  in  1552  ijverig  begonnen  voortgang 
te  maken.  In  de  lente  van  dat  jaar  had  de  Koning  eene 
Commissie  benoemd,  die  zich  met  de  samenstelling  van  een 
Kerkrecht  op  Evangelischen  grondslag  had  bezig  te  houden. 
Immers,  ofschoon  men  sedert  bijkans  twee  decenniën  van 
Rome  gescheiden  was,  had  men  zich  echter  tot  dusver  nog 
steeds  aan  de  oude  pauselijke  decreten  gehouden ;  aan  dezen 
valschen  toestand  nu,  die  steeds  duidelijker  aan  het  licht  trad, 
moest  de  benoemde  Commissie  een  einde  maken.  Zij  bestond 


1)  [Ib.,  I,  103.]  Ook  Calvijn  kwam  op  voor  de  zaak,  die  door  Hooper  en 
Laski  verdedigd  werd.  Verg.  „Original,"  p.  710:  „It  is  true,  sire,  that  there 
are  certain  things  indifferent,  which  we  may  lawfully  bcar  with.  But  we  must 
always  observe  this  rale,  that  there  must  be  sobriety  and  moderation  in  ce- 
remonies, so  that  the  light  of  the  gospel  be  not  obscured,  as  though  we  were 
still  ander  the  shadows  of  the  law,  and  then,  that  there  be  nothing  incon- 
sistend  with  and  unconfortable  to  the  order  established  bjj  the  Son  of  God 
and  that  the  whole  ma^  tend  and  conduce  to  the  ediücation  of  the  chureb." 
(Het  origineel  van  dezen  brief  is  te  vinden  bij  C  a  1  v  ij  n,  XIV,  38.)  C  a  1  v  ij  n 
was  door  Utenhove  met  den  geheelen  stand  der  zaak  bekend  gemaakt 
(Ib.,  XIII,  658).  De  wijze,  waarop  het  bedoelde  geschil  door  Froude  (IV, 
556)  besproken  wordt,  is  uiterst  partijdig;  minder  eenzgdig  is  de  voorstelling 
b\j  Barnet,  II,  2'13  (zie  ook  de  Bijvoegsels  ald.,  III,  29U  sq.). 


405 

uit  32  leden,  onder  welke  ook  twee  vreemdelingen,  nl. 
Petrus  Martyr  en  Laski.  ')  Aan  de  werkzaamheden 
der  Commissie  nam  onze  vriend  een  niet  onbelangrijk  aan- 
deel; enkele  punten  in  het  door  haar  vervaardigd  ontwerp, 
hetwelk  vervolgens  onder  de  regeering  van  koningin  Elisabeth, 
onder  den  titel  van  „Reformatie  legum,"  werd  in  het  licht 
gegeven,  ben  ik  geneigd,  rechtstreeks  aan  zijne  hand  toe  te 
schrijven.  Zoo,  in  de  eerste  plaats,  het  30^^®  Artikel,  het- 
welk over  de  kerkelijke  tucht  en  de  excommunicatie  handelt, 
en  dat  geheel  in  zijnen  geest  is  opgesteld,  slechts  met  deze 
afwijking  van  het  in  zijne  gemeente  heerschende  gebruik, 
dat,  terwijl  bij  deze  laatste  elk  beroep  op  de  wereldlijke 
overheid  door  de  bijzondere  positie  der  gemeente  gelukkiger- 
wijs was  afgesneden,  daarentegen  in  de  Engelsche  kerk  een 
inroepen  van  de  wereldlijke  macht  als  geoorloofd  en  nood- 
zakelijk beschouwd  werd.  ^)  Ook  het  derde  Artikel,  hande- 
lende over  de  wijze,  waarop  men  met  ketters  moet  te  werk 
gaan,  doet  ons  denken  aan  de  maatregelen,  die  Laski  in 
Emden  getroffen  had.  In  andere  Artikelen  bespeurt  men  den 
strijd  tusschen  twee  verschillende  beschouwingen,  van  welke 
de  eene  werd  voorgestaan  door  de  ritualistische  bisschoppen 
van  Londen  en  van  Ely,  llidley  en  Ooodrick,  ^)  terwijl 
de  andere  haren  pleitbezorger  had  in  Hooper,  die  mede 
in  de  Commissie  gekozen  was,  en  die  door  Laski  krachtig 
ondersteund  werd.  — 

Tegelijkertijd  vergaderde  eene  andere  Commisie,  voor  het 
meerendeel  uit  dezelfde  leden  samengesteld,  ten  einde  de 
artikelen  der  Leer  voor  de  Engelsche  kerk  te  bespreken  en 
vast    te  stellen.    Aan  de  beraadslagingen  nam  niemand  van 


*)  „Original,"  p.  503,  580.  In  zijn  dagboek  heeft  koning  Eduard,  oader  dag- 
teckening  van  10  Fehr. ,  de  namen  van  de  ge/amcnlijke  leden  aangeteekend, 
met  de  opmerking:  „Commission  was  granted  out  to  32  persons  to  examine, 
correct  and  set  forth  the  Ecclcsiastical  Laws."  (Bom  et,  IV,  227.) 

';  Eene  beknopte  analyse  van  deze  Artikelen  vindt  men  bij  Bur net,  IT,  314. 

3)  Over  dezen  man,  die,  in  verband  met  den  val  van  den  hertog  van  Somer- 
set,  met  behoud  van  zijne  bisschoppelijke  waardigheid  tot  Lord-Kanselier  ver- 
heven werd,  zie  men  het  scherpe,  maar  alleszins  juiste  oordeel  bij  Barnet, 
II,  291. 


406 

de  vreemdelingen  rechtstreeks  deel;  de  invloed  echter,  door 
La  ski  en  de  door  hem  vertegenwoordigde  zienswijze  zijdelings 
op  deze  beraadslagingen  uitgeoefend,  is  onmiskenbaar.  Op 
Zondag  na  Paschen,  ten  jare  1549,  was  reeds  het  „Common 
prayer  book"  in  gereedheid  gebracht  en  ingevoerd  geworden. 
De  samenstelling  van  eene  gemeenschappelijke  liturgie,  aan 
de  oude  godsdienst-ordeningen  der  Engelsche  kerk  ontleend 
en  met  do  nieuwe  toestanden  in  overeenstemming  gebracht, 
had  niet  veel  tijd  gekost.  Zij  vertoont  slechts  zwakke  sporen 
van  Laski's  invloed;  ^)  immers,  zij  was  reeds  nagenoeg 
voltooid,  toen  hij  en  de  overige  genoodigde  gasten  —  en  ikt 
niet  om  harentwil,  —  naar  Engeland  overstaken.  Eene  an- 
dere en  moeielijker  zaak  was  het,  eene  voor  het  geheele 
land  geldende  kerkleer  op  te  stellen.  In  1543  was  het 
Koningsboek  verschenen,  onder  den  titel:  „Noodzakelijke 
leer  en  onderrichting  voor  lederen  Christen"  („Necessary 
doctrine  and  crudition  for  any  christian  man"),  in  den  grond 
der  zaak  slechts  een  herziene  uitgaaf  van  het  Bisschopsboek 
van  1536.  ^)  Bij  dit  samenstel  was  het  tot  dusver  gebleven, 
alhoewel  in  de  laatstverloopen  vijftien  jaren  de  ontwikkeling 
der  leer,  ook  in  Engeland,  inzonderheid  sedert  de  troons- 
bekliraming  van  Eduard,  zulke  ontzaglijke  vorderingen  ge- 
maakt had.  Cranmer  aarzelde  aanvankelijk,  de  nog  niet 
genoegzaam  bezonken  leer  kerkelijk  vast  te  stellen;  zelf  nog 
weifelend  met  betrekking  tot  de  voornaamste  leerstukken, 
verlangde  hij  naar  medehclpers  en  leeraren  uit  Duitschland 
en  Zwitserland.  Reeds  hebben  wij  gezien,  op  welk  eene 
wijze  aan  zijne  dringende  uitnoodigingen  gevolg  werd  gegeven. 
De  aangekomen  gasten  gaven  den  doorslag,  ondersteund  door 


*)  Verg.  Procter,  p.  ,49.  Deze  nauwkeurige  geschiedschrijver  van  het 
„Common  prayer  book*'  toont  aan,  hoe  onder  de  vreemde  godgeleerden  in  En- 
geland alleenlijk  onze  Laski  eenen  bepaalden  invloed  op  de  revisie  van  het  boek 
heeft  uitgeoefend:  «The  friendly  intercourse  of  this  truly  influential  pcrson 
with  Cranmer  would  naturally  lead  to  an  inquiry  as  to  the  form  of  his 
worship.  In  his  book  („Forma  ac  ratio")  is  a  form  of  Confession  and  of  Ab- 
solution ,  in  which  some  phrases  resemble  the  corresponding  portions  which 
were  added  to  the  Second  book  of  Ëdward  VI." 

*)  Verg.  H  a  r  d  w  i  c  k ,  p.  50. 


407 

degenen,  die,  onder  Hendrik  VIII  uit  hun  vaderland 
gevlucht,  aan  den  Rijn  en  in  Zwitserland  in  hunne  Evan- 
gelische gevoelens  waren  versterkt  geworden,  en  die  nu  in 
hun  vaderland  wederkeerden,  ten  einde  aan  den  arbeid 
krachtig  deel  te  nemen.  In  de  voorste  rij  dier  invloedrijke 
mannen  hebben  wij  La  ski  opgemerkt,  don  vriend  en  gast 
van  den  AartsbisHchop ,  juist  in  den  tijd,  in  welken  Cran- 
mer  er  naar  streefde,  om  zelf  tot  meer  helderheid  van 
denkbeelden  te  komen.  Deze  invloed  was  nog  bestendig  toe- 
genomen, sedert  dat  La  ski  onder  de  oogeu  der  kerkelijke 
waardigheidbekleeders  zijne  leer  aan  zijne  eigene  gemeente 
voordroeg,  terwijl  hij  in  woord  en  schrift  met  duidelijke  wel- 
sprekendheid en  met  innige  overtuiging  voor  haar  opkwam. 
Vele  plaatsen  uit  brieven  van  dien  tijd  getuigen,  welk  oenen 
machtigen  invloed  La  ski  op  don  Aartsbisschop  uitoefende. 
Bucer  had  getracht,  mot  name  in  de  Avondmaalsleer, 
aan  zijne,  ofschoon  eenigszins  onduidelijke,  toch  meer  bepaald 
naar  de  Lutli(»rsohe  zijde  overhellende  zienswijze  ingang  te 
verschaffen;  Laski,  die  wel  begreep,  tot  welk  een  groot 
nadeel  het  zou  strekken,  indien  nu  ook  in  Engeland  de  Sa- 
cramentsstrijd  moest  ontbranden,  trad  hierover  in  eene  leven- 
dige briefwisseling  met  zijnen  ouden  vriend  in  Cambridge, 
die  toen  reeds  met  rassche  schreden  zijn  einde  naderde;  de 
rusteloos  werkzame  Bucer  stierf,  voordat  deze  zaak  tot 
eene  beslissing  gekomen  was.  Maar  de  schriftelijke  discussicn, 
die  de  beiden  mannen  gevoerd  hadden,  lagen  op  de  schrijftafel 
van  den  Aartsbisschop,  evenals  „de  Zuricher  overeenkoipst" 
en  de  verhandeling  van  Bullinger  over  de  Sacramenten. 
Deze  zienswijze  aangaande  het  belangrijke  leerstuk  kreeg  bij 
Cranmer  de  overhand;  sedert  dien  tijd  heeft  zij  op  deleer 
der  Engelsche  kerk  haren  onuitwischbaren  stempel  gedrukt.  ^) 


1)  Het  zou  voorzeker  de  moeite  waard  zijn,  om  op  grond  van  de  in  onzen 
tijd  overvloediger  outsluten  bronnen,  de  voortgaande  ontwikkeling  bij  Cranmer, 
wat  betreft  de  AvondniaaUIe^r,  aan  een  nauwkeurig  onderzoek  te  onderwerpen. 
Het  groote  werk  van  den  Aartsbisschop  over  het  Avondmaal,  tegen  Gardiner 
gericht,  zou  het  uitgangspunt  moeten  vormen.  (Verg.  de  mededeelingen  bij 
S  t  r  y  p  e,  p.  254,  over  bet  ontstaan  van  het  boek.)  Ook  nog  op  eene  uiterl^k 


408 

Bereids  in  1549,  wellicht  reeds  ten  tijde,  dat  La  ski  nog 
als  gast  ten  zijnent  vertoefde,  had  Cranmer  enkele  Arti- 
kelen der  leer  opgesteld.  De  zaak  bleef  daarop  weder  eene 
poos  rusten,  totdat  zij  in  het  volgendejaar  met  nieuwen  ijver 
weder  werd  opgevat.  In  1551  werden  de  Artikelen  aan  de 
bisschoppen  ter  beoordeeling  toegezonden.  Terzelfdertijd,  dat 
onze  La  ski,  tot  herstel  van  zijne  gezondheid,  inhetzomer- 
paleis  van  den  Aartsbisschop  te  Londen  [L:  Croydon?]  ver- 
toefde, nam  Cranmer  kennis  van  de  ingekomen  adviezen, 
onderwierp,  naar  aanleiding  van  deze  laatsten,  de  genoemde 
Artikelen  aan  eene  nauwkeurige  herziening,  en  zond  ze  in 
hunnen  gewijzigden  vorm  ter  beoordeeling  aan  de  vrienden 
van  Laski,  nl.  aan  Sir  Cecil  en  Sir  Cheque,  „de  groote 
leekepatroons  der  Hervorming  aan  het  koninklijke  hof.''  ^) 
Door  hunne  tusschenkomst  kwamen  de  Artikelen  aan  den 
Koning  in  handen.  Nog  ettelijke  maanden  verliepen  er,  voordat 
zij  eindelijk  als  de  zoogenoemde  „42  Artikelen  van  1553" 
(1552)  ^)  kracht  van  wet  ontvingen.  Onder  koningin  Elisa- 
both  werden,  zooals  bekend  is,  deze  geloofsartikelen  aan 
eene  vernieuwde  herziening  onderworpen,  en  zagen  zij  ver- 
volgens op  nieuw,  in  de  zoogenaamde  „39  Artikelen",  als  de 
belijdenis  der  Engelsche  staatskerk  het  licht. 


merkbare  wijze  had  Ijaski  bij  dit  voornaamste  geschrift  van  den  Aartsbisschop 
z^jne  hand  geleend.  Toen  het  bedoelde  werk,  dat  oorspronkelijk  in  de  Engelsche 
taal  geschreven  was,  door  Sir  Cheque  in  het  Latijn  vertaald  werd  (1558), 
veranderde  Laski  de  Latijnschc  uitdrukkingen  van  den  niet  theologisch  gevorm- 
den  vertaler  in  de  gebruikelijke  schoolsche  termen.  (Strype,  p.  2G1.) 
Waarschijnlijk  was  het  Ilidlej,  die,  kort  vóór  de  eerste  komst  van  Laski  in 
Engeland,  Cranmer  met  betrekking  tot  de  leer  van  de  Transsubstantiatie 
het  eerst  aan  het  twijfelen  bracht.  Toen  hij  nog  vicaris  te  Herne  was,  kreeg 
Ridley  het  beroemde  werk  van  Ratramnus  over  het  Avondmaal  in  handen, 
in  hetwelk  de  stoutmoedige  monnik  van  Corvej,  in  de  Ue  eeuw,  zelfs  de  li- 
chamel^ke  tegenwoordigheid  van  den  Heer  in  het  Avondmaal  verwerpt.  Hij 
deelde  den  inhoud  van  dit  geschrift  aan  zijnen  vriend  Cranmer  mede,  die  van 
toen  af  de  kerkleer  begon  te  wantrouwen. 

ï)  Hard  wiek,  p.  73. 

>)  „Articles  agrced  on  by  the  Uishoppes  and  other  lenrned  mennc  in  the 
Synode  at  London  in  the  yere  of  our  Lord  Goddo  MDLII,  for  the  auoiding 
of  controaersie  in  opinions  and  the  establishement  of  a  godlie  concorde  in  cer- 
teine  matters  of  Religion."  (Verg.  den  afdruk  bij  Hard  wiek,  p.  289.) 


409 

Hetgeen  men  bij  de  discussicn  over  het  kerkrecht  had 
zien  geschieden^  herhaalde  zich  bij  de  vaststelling  van  de 
Artikelen.  Zij  vertoonen,  al  is  het  ook  slechts  in  zwakke 
mate,  de  sporen  van  den  strijd  tusschen  de  beide  richtingen, 
die  in  Ridley  en  Ilooper  hare  persoonlijke  uitdrukking 
vinden.  Petrus  Martyr  en  Laski  ondersteunden  Hoo- 
per  in  zijne  pogingen,  om  de  door  hem  verdedigde  zienswgze 
te  doen  zegevieren,  en  haar  eene  uitdrukking  in  de  Artike- 
len te  verschaffen.  ^)  Niet  overal  behield  zij  echter  de  over- 
hand ;  men  troostte  zich  met  de  hoop  op  eenen  beteren  uitslag 
in  de  toekomst.  Het  zou  ons  te  ver  doen  afdwalen,  indien 
wij  wilden  aautoonen,  hoe  in  de  eerste  jaren  van  koningin 
Elisabeth  deze  hoop  meer  en  meer  ongegrond  bleek  te 
zijn,  '^)  doch  hoe  dit  er  toe  medewerkte,  om  de  „Puritei- 
nen" —  in  zeker  opzicht  de  geestelijke  zonen  en  erfgenamen 
van  Ho  o  per,  —  in  hunne  ontevredenheid  over  vele  gebrui- 
ken der  Staatskerk  te  bevestigen. 

IT.    WERKZAAMHEID    OP    STAATKUNDIG    GEBIED    IX   LONDEN. 

Niet  alloen  op  het  kerkelijke  gebied  zien  wij  Laski,  ge- 
durende den  tijd  van  ^ijn  verblijf  in  Engeland,  aan  de  ge- 
beurtenissen aldaar  deelnemen:  bij  den  hooggaanden  vloed 
dier  dagen  word  hij  ook  mede  betrokken  in  politieke  stroo- 
mingen, tegen  welke  hij  zich  niet  kon,  en  mogelijk  ook  niet 
eenmaal  wilde  verzetten.  Want  het  politieke  was  met  de 
kerkelijke?,  het  kerkelijke  met  de  politieke  gebeurtenissen  in 
die  veelbewogen  dagen  op  zulk  eene  wijze  ondereengemengd, 
dat  aan  een  vreedzaam  uit-elkander-houden  van  deze  beide 
sferen  niet  te  denken  viel,  en  dat,  indien  iemand  op  het  eene 
gebied  eene  invloedrijke  positie  innam,  hij  zich  ook  onver- 
hoeds in  de  beweging  op  het  andere  gebied  betrokken  zag. 
Inzonderheid  het  lid  van  eene  familie,  die  bij  de  politieke 
gebeurtenissen  in  Europa  meer  dan  eens  schitterend  op  den 

'.   H  a  rd  w  ie  k,  p.  06. 

-I    Kon    Dauw  keuriger    inzicht    in    deze    gebeartenisucn    bieden  ons  de  n^°' 
nals,'*  I,   53,  174  sq. 


410 

voorgrond  getreden  was,  en  wier  naam  op  dit  gebied  in  de 
meest  verschillende  landen  eenen  uitnemenden  klank  had. 
Het  was  niet  geheel  zonder  grond,  wanneer  K  a  r  e  1  V  tegen 
den  drager  van  dezen  naam,  den  superintendent  in  Oost-Fries- 
land, argwaan  koesterde;  Laski  kon  voorzeker  met  een 
goed  geweten  de  verdenkingen  van  het  Brabantsche  hof  te 
dien  aanzien,  althans  tot  op  den  tyd  van  hot  Interim,  van 
zich  werpen.  Daarna  echter  moest  hem. zulks  toch  moeielijk 
vallen.  De,  naar  't  schijnt,  helaas  verloren  geraakte  brief 
van  den  koning  van  Polen,  in  welken  Sigismund  August 
aan  zijnen  landsman  de  getuigenis  geeft,  dat  deze  bij  hem 
nooit  iets  tegen  den  Keizer  beraamd  had,  zou  voor  ons  van 
het  hoogste  belang  zijn.  ^)  Gewis,  persoonlijk  mot  hem  had 
Laski  eenig  plan  van  dien  aard  wel  niet  beraamd;  maar 
hij  droeg  alleszins  kennis  van  de  onderhandelingen,  die  ten 
doel  hadden,  om  den  koning  van  Polen  voor  den  vorstcnbond 
te  winnen,  en  het  schijnt  ook,  dat  hij  in  deze  onderhande- 
lingen min  of  meer  do  hand  gehad  heeft. 

Wij  hebben  reeds  vermeld,  hoo  Laski  de  eerste  terugreis 
van  Londen  naar  Emden  in  gezelschap  van  graaf  Vol  rad 
van  Mansfeld  volbracht,  die  juist  in  den  kring,  welke  onzen 
vriend  het  naaste  was,  krachtige  pogingen  in  het  werk  ge- 
steld had,  ten  einde  Engeland  over  te  halen,  om  zijdelings 
of  rechtstreeks  aan  den  vorstenbond  deel  te  nemen.  Waar- 
schijnlijk reeds  in  deze  kringen  werd  Laski  in  de  geheime 
onderhandelingen  ingewijd ;  want  van  uit  Oost-Friesland  kan 
hij  reeds,  aangaande  den  verderen  loop  dier  onderhandelin- 
gen op  het  vasteland,  aan  den  Primaat  berichten  voor  den 
hertog  van  Somerset  doen  toekomen.  De  daarop  in  den  zomer 
van  1549  gevolgde,  nog  niet  geheel  opgehelderde,  raadsel- 
achtige reis  naar  zijn  vaderland,  naar  Dantzig;  het  verblijf 
gedurende  verscheidene  weken  te  Koningsbergen,  terwijl  men 
zou  hebben  gemeend,  dat  zijn  post,  in  die  moeielijke  dagen, 
enkel  en  alleen  in  Oost-Friesland  zijn  kon;  zijne  bekendheid 
met   het  cijferschrift,  van  hetwelk  do  hoofden  van  den  vor- 


»)  Kuyper,  II,  C39. 


411 

stenbond  zich,  tot  meerdere  geheimhouding  van  hunne  be- 
doelingen, bedienden;  zoo  menige  ontcijferde  plaats  in  brieven 
uit  die  dagen:  dit  een  en  ander  geeft  ons  grond  voor  het 
vermoeden,  dat  hij  van  al  doze  geheime  verrichtingen  kennis 
droeg,  en  dat  men  voor  het  vervolg  bepaald  op  zijne  mede- 
werking rekende.  Als  broed(ïr  van  den  beroemden  diph)maat 
Laski,  moest  hij  wel  met  de  staatkunde  van  het  Poolscho 
hof  vertrouwd  zijn;  bovendien  had  hij  zich  nu  oen  halfjaar 
achtereen  in  do  dichtste  nabijheid  van  die  mannen  in  Enge- 
land opgehouden,  in  wier  sterke  hand  het  bestuur  deslands 
berustte ! 

Toen  nu  Laski  voor  de  tweede  maal,  als  een  soort  van 
banneling,  naar  Engeland  ging,  reisde  hij  met  bopaalde  vol- 
machten van  de  hoofden  van  den  vorstenbond.  Reeds  gedu- 
rende zijn  verblijf  te  Koningsbergen,  den  3'l<^"  Juni  1550, 
had  hertog  Al br echt  van  Pruisen  hem  als  zijn  gezant  bij 
den  Lord-Protector  geaccrediteerd.  ♦)  In  December  1551 
zond  hertog  Johan  Albert  van  Mccklenburg,  de  ijverige 
voorstander  van  den  vorstenbond ,  den  vrijheer  J  o  a  c  h  i  m 
Maltzan  als  zijnon  gezant  tot  Eduard  VI;  daar  hevige 
stormen  den  gezant  verhinderden,  uit  Ilarburg  uit  te  zeilen, 
vertrouwde  deze  zendbode  de  vervulling  van  zijnen  last  aan 
onzen  Laski  toe.  '^)  Allereerst  kwam  het  er  op  aan,  do 
Engelsche  regeering  in  zooverre  voor  het  streven  van  den 
vorstenbond  te  winnen,  dat  zij  zich  b(;rcid  verklaarde,  door 
het  verstrekken  van  geldmiddelen  te  zorgen  voor  luït  onder- 
houd van  een  bepaald  aantal  troepen,  di(ï  hertog  Albrecht, 
zonder  opzien  te  verwekken,  aanwerven  en  gereed  houden 
zou  voor  het  geval,  dat  d(j  oorlog  mocht  uitbreken.  Laski 
onderhandelde  daarover  met  den  Primaat;  hij  verzocht  om 
50,000  thalers  gedurende  driejaren.  Het  antwoord,  dat  reeds 


^  „Calcndar  Forcign.",  p.  4S.  In  h':t  bedortldn  or-hrijveii  iiof;int  rJe  liirrtog 
on7«n  Laski  oenen  even  eerlijkrn  en  oprechten,  als  door  bijzondrre  bekwaam- 
heid uitstekenden  nieo<«rh,  aan  wien  de  Lord-i'roteetor  zijn  volkomen  vertrou- 
wen kon  schenken,  en  met  wien  hij  op  eene  gelijke  wijze  kon  onderhandeJen, 
aUof  hij  zelf  aanwezig  was. 

')  Ib.,  p    205. 


412 

in  Juli  1550  volgde,  laidde  voor  dit  jaar  afwijzend.  ^)  De 
Koning,  zóó  werd  gezegd,  had  reeds  aan  graaf  Y  o  Ir  ad  van 
Mansfeld  en  Hans  von  Heideck  voor  een  gelijk  doel  gelden 
gegeven.  ^)  Maar  niettemin  verklaarde  de  Koning  zich  be- 
reid, om  in  het  volgende  jaar  eenen  zeer  belangrijken  onder- 
stand te  verleenen,  ingeval  de  hertog  van  Pruisen  en  de 
markgraaf  van  Brandenburg  beloven  wilden ,  dat  zij  met 
vereende  krachten  den  koning  van  Engeland  bg  zijn  dingen 
naar  de  Duitsche  keizerskroon,  bij  gelegenheid  van  de  eerst- 
volgende verkiezing,  zouden  ondersteunen.  ^)  Verdere  onder- 
handelingen in  den  loop  van  den  herfst  deden  Laski  bespeuren, 
dat  men  méér  kans  had  van  slagen,  wanneer  het  aanzoek 
niet  door  één  der  vorsten  in  het  bijzonder,  maar  door  den 
gezamenlijken  vorstenbond,  en  wel  schriftelijk  en  in  het  geheim, 
niet  door  een  gezantschap,  gedaan  werd.  Als  zulke  verbonden 
vorsten  noemt  Laski,  in  zijn  scjirijven  aan  zijnen  lastgever, 
behalve  dezen  laatsten  zei  ven,  den  markgraaf  van  Branden- 
burg, de  hertogen  van  Pommeren,  de  zeesteden  en  mogelijk 
ook  nog  den  koning  van  Denemarken,  aangaande  wien  hij 
wist,  hoe  groot  eene  moeite  zich  bepaaldelgk  hertog  Johan 
Al br echt  van  Mecklenburg  gaf,  ten  einde  hem  voor  den 
vorstenbond  te  winnen.  De  raad  van  Laski,  dat  men  ge- 
meenschappelijk te   werk  zoude  gaan,  vond  bijval;  de  loop 

1)  Kuyper,  IT,  642. 

^)  Ook  door  deze  ondersteuning  was  het  mogelijk  geworden,  in  het  stift 
Bremen  eene  legermacht  van  4000  man  voetvolk  en  300  ruiters  bijeen  te  bren- 
gen. Verg.  Raam  er  (1857),  S.  90. 

3)  Kuyper  (II,  643)  wijst  er  op,  dat  uitsluitend  op  deze  ucne  plaats  zulk 
een  wensch  des  Konings,  of  wellicht  ook  slechts  van  zijne  raadslieden,  voor- 
komt, maar  dat  het  bericht  zelf  in  allen  deele  geloofwaardig  is.  Kanke 
(V,  160)  schrijft  de  geldelijke  ondersteuning,  die  Johanncs  Heideck  en  graaf 
Vülrad  van  Mansfeld  van  Engeland  erlangden,  aan  Laski's  tusschenkomst  toe, 
en  kenschetst  haar  als  de  eerste  terugwerking  van  de  verandering,  die  aldaar 
op  godsdienstig  gebied  had  plaats  gegrepen.  Het  bewijs  daarvoor  kan  ik  niet 
vinden.  De  gelden  werden  bewilligd,  juist  toen  Laski  zich  voor  de  tweede 
maal  naar  Engeland  begaf.  Graaf  Volrad  zelf  had,  een  half  jaar  te  voren,  met 
gunstig  gevolg  de  voorbereidende  stappen  daartoe  bij  den  Lord-Protector  ge- 
daan. Het  is  mogelijk,  dat  Laski  daarbij  de  behulpzame  hand  geleend  heeft; 
in  hoeverre,  is  echter  niet  duidelijk.  Geen  enkele  plaats  in  zijne  brieven  be- 
vat dienaangaande  ook  maar  de  geringste  aanduiding. 


413 

der  gebeurtenissen  echter  had,  in  het  voorjaar  van  1551  , 
onverwachts  zulk  eenen  beslissenden  keer  genomen,  dat  wij 
onder  de  gemeenschappelijk  ageerende  vorsten  eenen  man  op 
den  voorgrond  zien  treden,  van  wien  noch  La  ski,  nóch 
over  het  geheel  waarschijnlijk  iemand  in  het  vorige  jaar  zulks 
gedacht  had. 

In  Februari  1551  waren  keurvorst  Maurits  en  Hans 
van  Brandenburg  in  Dresden  bijeengekomen,  ten  einde  een 
mondgesprek  met  elkander  te  houden.  De  Markgraaf  had  de 
uitnoodiging  aanvankelijk  gewantrouwd,  en  gemeend,  dat  hem 
een  strik  werd  gespannen;  maar  den  20s*en  Februari  was 
reeds  eene  schriftelijke  overeenkomst  tusschen  hen  beiden 
tot  stand  gebracht.  Keurvorst  Maurits  had  zijne  zaak  van 
die  des  Keizers  losgemaakt;  nu  wilde  hij  weder  frank  en 
vrij,  tot  handhaving  van  den  godsdienst  volgens  de  Augsburg- 
sche  confessie,  land  en  volk  in  de  waagschaal  stellen.  Hij 
bleef  allerminst  werkeloos;  de  geheele  zaak  was  toch  ook 
zoo  in  alle  opzichten  een  kolQe  naar  zijne  hand,  want  van 
geheime  plannen  ging  zijne  ziel  voortdurend  zwanger.  *)  Een 
vierendeel  jaars  later  kwamen  de  beide  bondgenooten  ander- 
maal, thans  te  ïorgau,  bijeen,  ten  einde  nader  met  elkander 
te  beraadslagen ;  aan  deze  bijeenkomst  namen  ook  deel  hertog 
Al  bert  van  Mecklenburg  en  Wilhelm  van  Hessen,  de  oudste 
zoon  van  den  Landgraaf,  welke  laatste  nog  altijd  gevangen 
gehouden  werd.  Men  besloot,  zich  tot  Frankrijk  en  Engeland 
te  wenden  met  het  verzoek  om  hulp,  voorloopig  in  den  vorm 
van  onderstandsgelden.  Ten  behoeve  van  de  onderhandeling 
met  Engeland  werd,  ten  einde  zooveel  mogelijk  alle  verden- 
king van  de  zijde  des  Keizers  te  voorkomen,  een  tamelijk 
onbeduidend  man,  een  van  de  geheimschrijvers  van  keurvorst 
Maurits,  met  name  Füss,  naar  Londen  gezonden,  aan 
wien  echter  in  zijne  instructiën  werd  gelast,  enkel  volgens 
de  voorschriften  van  Laski  de  onderhandelingen  met  den 
Koning  te  voeren.  Deze  consideratie  („Bedenken")  der  Tor- 
gausche  bondgenooten,  gedagteekend  van  den  H^cn  Juli,  is 


1)  Ranke,  V,  175. 


414 

ons  bewaard  gebleven.  ')  Terwijl  in  de  gelijktijdige  onder- 
handelingen met  Hendrik  II  van  Frankrijk  de  staatkundige 
overwegingen  op  den  voorgrond  geplaatst  werden,  moest  daar- 
entegen aan  het  Engelsche  hof  de  meeste  nadruk  gelegd 
worden  op  de  kerkelijke  belangen,  die  door  de  politiek  des 
Keizers  bedreigd  werden,  en  op  de  vrijheid  van  het  Duitsche 
volk,  welke  door  den  Spanjaard  werd  aangerand.  *^)  Buiten 
medeweten  en  toestemming  van  Laski  mocht  de  gezant  vol- 
strekt niets  ondernemen,  ja,  indien  Laski  het  raadzamer 
keurde,  moest  Füss  zijne  volmachten  aan  hem  afstaan,  en 
deze  laatste  alsdan,  hetzij  persoonlijk^  hetzij  door  tusschen- 
komst  van  den  Lord-Protector,  met  den  Koning  in  onderhan- 
deling treden.  Het  verzoek  had  de  strekking,  om  onder- 
standsgelden  te  verkrijgen  voor  het  werven  van  troepen;  de 
berekening  was  opgemaakt  voor  8-  a  12,000  man,  voor  welke 
maandelijks  56-  k  88,000  gulden  gevorderd  werden.  ^)  Eene 
som  van  300,000,  of,  indien  dit  niet  mogelijk  was,  dan  al- 
thans van  200,000  kronen,  als  voorschot  voor  een  paar 
maanden,  wenschte  men,  dat,  in  geval  van  eene  gunstige 
beschikking,  in  Hamburg  of  in  Dantzig  werd  gedeponeerd. 
Bijaldien  Laski  echter  van  meening  was,  dat  het  voorstel 
vruchteloos  zgn  zou,  moest  de  gezant  de  gcheele  zaak  laten 

1)  Afgedrakt  bij  Langen  n,  II,  828. 

2)  „Nemlich  es  solle  der  Geschickte  (Füss)  sich  bei  dem  Hernn  Lasco 
angeben,  and  Ime  von  unser  der  Chur  und  Fürsten  wegen,  ncben  geburender 
unsers  gunstigen  und  genediges  grus  vormeldang,  ufs  vertraulichstc  und  In 
hochster  Geheim  vormelden,  Nachdem  Ime  unverborgcn,  was  gestalt  nan  eine 
lange  Zeit  her  anscre  heil.  christliche  Religion  der  Augspurg.  Confession  und 
die  vorwandten  stende  derseibcn,  durch  die  widerwertigcn  unserer  Lehr  und 
bekenntnusz  verfolget,  betrübt  und  In  viel  wegc  zum  Hochsten  beleidigt  wor- 
den, auch  der  augcnschein  und  teglichc  erfarung  gibt,  das  man  fcrrer  damit 
umbgehe,  diesclben  Evangelischen  Stende  soviel  deren  noch  der  Augspurgischen 
Confession  vorwantt  und  durch  Gottes  Gnade  darbey  zuvorharren  gedenken, 
follents  zu  bekricgen  und  gentzlichen  auszureuttten,  darzu  auch  nebendcmc  die 
Hochlöbliche  hergebrachte  freiheit  der  Teutzschen  Nation  unsers  vaterlandts 
In  ein  knechtische  Servitut  und  Dinstbarkcit  zu  bringcn  das  man  also  der 
christlichen  Religion  und  der  freiheit  zu  gleich ,  in  Hochster  und  cusserster 
gefahr  stehen  muste." 

3)  Van  den  koning  yan  Frankr^k  verzocht  en  Tcrkreeg  men  eene  maande- 
lijksche  bgdrage  van  100|000  kronen  (Langen  n,  I,  479). 


415 

rusten  en  het  diepste  stilzwijgen  dienaangaande  in  acht  nemen. 
Den  14den  September  kwam  Johannes  Füss  te  Lon- 
den aan,  en  vervoegde  zich  ten  huize  van  Laski;  bijkans 
te  gelijk  met  hem  kwamen  er  brieven  van  den  hertog  van 
Pruisen,  in  welke  onze  vriend  om  zijnen  bijstand  in  parti- 
culiere aangelegenheden  van  den  Hertog  met  de  Engelsche 
regeering  verzocht  werd.  ^)  Laski  had  er  geen  bezwaar  tegen, 
het  verzoek  der  Vorsten  aan  den  Koning  voor  te  stellen; 
Cranmer  gaf  hem  den  raad,  de  aangelegenheid  van  den 
hertog  van  Pruisen  voorshands  te  laten  rusten,  totdat  deze 
meer  gewichtige  zaak  zou  zijn  afgehandeld.  Vier  weken  daarna 
was  men  met  de  ernstige  behandeling  der  zaak  zóó  ver  ge- 
vorderd, dat  het  aanzoek  der  Vorsten  aan  den  jongen  koning 
kon  worden  voorgesteld.  Door  tusschenkomst  van  den  Lord- 
Protector,  en  waarschijnlijk  ook  in  zijne  tegenwoordigheid, 
had  de  audiëntie,  den  13<ien  October,  plaats  in  Hampton  Court, 
het  prachtige  koninklijke  slot,  dat  kardinaal  Wolsey,  eerst 
weinige  jaren  te  voren,  had  laten  bouwen  en  aan  zijnen  koning 
ten  geschenke  gegeven  had,  en  alwaar  koning  E  du  ar  d  nog, 
sedert  het  uitbreken  van  den  vreeselijke  ziekte  in  het  mid- 
den van  don  zomer,  zijn  verblijf  hield.  Het  blijkt  niet  met 
zekerheid,  of  Laski  bij  de  audiëntie  tegenwoordig  geweest 
is,  of  mogelijk  zelfs  —  wat  echter  volgens  enkele  aanduidin- 
gen niet  waarschijnlijk  is,  —  van  zijn  recht  heeft  gebruik 
gemaakt,  en  hij  de  zaak  geheel  alleen  vóór  den  koning  be- 
pleit heeft;  slechts  dit  staat  vast,  dat  de  fraai  gestileerde 
Latijnsche  rede  van  den  gezant  geheel  uit  de  nu  ook  diplo- 
matisch geoefende  pen  van  Laski  gevloeid  is.  ^)  In  den 
aanhef  der  rede  wordt  nadruk  gelegd  op  de  gemeenschappe- 

')  Van  hoedanigen  inhoud  het  verzoek  van  den  Hertog  was,  is  niet  ge- 
noegzaam duidelijk.  Kuyper  zegt  (II,  G67):  „Aut  simpliciter  de  nummis 
mutuandis,  aut  de  pctitionc  quadain  intcllige,  ut  Duci  Prussiae  Conuiliarii  An- 
gliae  Regis  titulus  cum  stipendio  deferretur,  ut  hand  ita  raro  tune  ficri  solebat." 

2)  Het  originctrl  der  rede,  door  Laski  zeiven  geschreven,  maar  met  kleine 
toevoegsels  van  vreemde  h«ind  voorzien,  wordt  in  het  staatsarchief  te  Berlijn 
in  eenen  belangrijken  akten-bundel  bewaard.  Zij  is,  voor  zoover  ik  weet,  nog 
nergens  gepubliceerd,  en,  naar  't  schijnt,  heeft  ook  nog  geen  enkel  historie- 
schrijver, zoover  ik  kan  nagaan,  van  deze  rede  gebruik  gemaakt. 


416 

Igke  godsdienstige  belangen  en  op  de  verplichting,  die  daarait 
ontstaat,  om  elkander  wederkeerig  bijstand  te  bieden,  ten 
einde  alle  ondernemingen  van  den  Vorst  dezer  wereld,  in  de 
gedaante  van  den  Roomschcn  Antichrist,  te  verijdelen.  ^)  In 
den  verderen  loop  der  rede  wordt  niet  verzuimd,  den  konink- 
lijken jongeling  te  wijzen  op  koning  Josia,  het  voorbeeld, 
door  Cranmer  hem  weleer  voor  oogcn  gesteld,  en  dat  den 
Koning  sedert  lief  was  geworden.  In  dezen  tijd,  zoo  ging  de 
spreker  voort,  komt  het  er  op  aan,  de  gemeenschappelijke 
belangen  door  een  onderling  verbond,  zoowel  openlijk  te 
erkennen,  als  ook  te  bevestigen.  Dat  de  bondgenooten  op 
zulk  eenen  verren  afstand  van  elkander  wonen,  behoeft  niet 
als  eene  verhindering  te  worden  beschouwd ;  die  bestaat  niet, 
waar  het  de  levende  leden  van  écn  en  hetzelfde  lichaam  van 
Jezus  Christus  betreft.  Ja,  juist  de  tegenwoordige  ervaring, 
wat  belangt  het  bondgenootschap  van  de  Perzen  met  den 
Keizer  tegen  de  Turken,  leert,  dat  zulke  vriendschappelijke 
verbintenissen,  ook  op  verren  afstand,  nuttig  konden  zijn. 
Uit  dien  hoofde  wenschten  de  Vorsten,  eene  christelijke 
bondsbetrekking  met  den  Koning  aan  te  gaan.  Hier  viel  de 
Koning  den  spreker  in  de  rede,  en  antwoordde,  dat  hem 
zelven  niets  wenschelijker  en  aangenamer  zijn  zou^  daar  zijn 
geheele  streven  er  op  gericht  was,  om  door  den  waren  gods- 
dienst de  eer  van  God  en  den  vrede  van  Christus'  kerk  en 
van  hare  zuivere  godsvereering  te  herstellen  en  te  bescher- 
men. Te  dien  einde,  zóó  vervolgde  daarop  weder  de  gezant, 
komt  het  er  op  aan,  een  vast,  op  deugdelijke  grondslagen 
berustend  verbond  te  sluiten;  zijne  zending  heeft  ten  doel, 
om  hetzij  daarop  betrekking  hebbende  voorslagen  des  Ko- 
nings  te  ontvangen,  of  die  van  zijne  lastgevers  ter  tafel  te 
brengen.  In  het  laatstgenoemde  geval  is  het  buiten  kijf,  dat, 
indien  men  tot  eenen  oorlog  om  des  geloofs  wille  bereid  is, 
twee  dingen  gevorderd  worden ,  nl.  eene  geduchte  krijgs- 
toerusting  en  daarbij  nochtans  eene  strikte  geheimhouding 
dienaangaande.    Vele    duizenden  soldaten ,  alsmede  een  zeer 

1)  Het  andere,  hierboven  Termelde  punt,  nl.  wat  betreft  de  bedreigde  vrijheid 
der  Diiitsche  natie,  heeft  Laski  raadzaam  geoordeeld,  om  achterwege  te  laten. 


417 

aanzienlijk  oorlogsmateriaal  worden  er  vereischt.  Desniettemin 
verlangen  de  Vorsten,  ten  einde  niet  onredelijk  te  schijnen, 
van  den  Koning  slechts  400,000  thalers,  als  toereikend  om 
12,000  man  voetvolk  gedurende  vier  maanden  te  onderhou- 
den; van  den  anderen  kant  beloven  de  Vorsten,  dat  zij  den 
Koning,  indien  hij  soms  mocht  worden  aangevallen,  een 
geiyk  aantal  troepen  ter  beschikking  zullen  stellen,  en  ver- 
klaren zich  bereid ,  te  dezen  aanzien  voldoenden  borgtocht  te 
stellen.  Wat  betreft  de  geheimhouding  van  het  dool  der  toe- 
rusting, beroepen  de  Vorsten  zich  op  de  overeenkomsten, 
die  de  hertog  van  Pruisen,  drie  jaren  te  voren,  met  Ij  a  s  k  i 
gesloten  had  ^). 

Ook  aan  het  slot  der  rede  schonk  de  Koning  zijne  goedkeu- 
ring, en  verklaarde,  dat  hij  eenen  gevolmachtigde  zou  benoe- 
men, ten  einde  verder  over  de  zaak  te  handelen;  de  gedane 
voorstellen  moest  de  gezant  in  schrift  achterlaten.  De  onder- 
handeling had  intusschen  niet  zulk  oen  snel  en  voorspoedig 
verloop,  als  men  had  mogen  verwachten  na  het  zoo  hoogst 
gunstig  onthaal,  dat  de  zaak  bij  den  Koning  gevonden  had. 
Het  was  ócne  van  de  laatste  handelingen,  tot  welke  de  in 
zaken  der  regeering  bijkans  alvermogende  Lord-Protector,  de 
zoo  kloeke  beschermer  der  Protestanten,  zich  ambtshalve 
geroepen  zag.  Slechts  vier  dagen  later,  don  17*^'-''»  October, 
was  het  aan  de  tegenstanders  van  den  hertog  van  Somerset  -  - 
onder  aanvoering  van  den  Earl  of  War  wiek,  die  eerst 
kort  te  voren  tot  de  waardigheid  van  Hertog  van  Northum- 
berland  was  verheven  geworden,  —  gelukt,  den  oom  des 
Konings  in  ongenade  te  doen  vallen.  In  den  Tower  geworpen, 
verwisselde  de  groote  man  zijne  gevangenis  nog  slechts  met 
het  schavot;  den  22"»^^'"  Januari  1552  werd  hij  onthoofd  '^). 
Met  den  hertog  van  Somerset  was  een  machtige  en  warme 
voorspraak  voor  de  ontworpen  verbintenis  gevallen.  Toch  was 

1)  Het  zijn  niet  ten  voUc  drie  jaren  (Juli  }oVJ;  verg.  overigens  ook :  „Calen- 
dar.  Foreign.",  p.  G()).  De  overeenkomst,  insgelijkb  door  Laski'o  hand  gCHchrcvcn, 
is  aan  den  boven  vermelden  aktenbundel  toegevoegd;  een  nauwkeurig  afschrift 
ligt  vóór  mij. 

»i  Burnct,  II,  2Ö4. 

DALTON.  27 


418 

zij  nog  niet  opgegeven.  Acht  dagen  na  de  gevangenneming 
van  den  Lord-Protector  toekent  de  Koning  in  zijn  dagboek 
aan,  dat  hij  de  Lords  heeft  bijeengeroepen,  en  op  hunnen 
raad  de  beide  geheimschrijvcrs  Petre  en  Sir  Cecil  heeft 
belast  met  de  taak,  om  zich  met  den  gezant  in  gemeenschap 
te  stellen,  en  nadere  inlichtingen  aangaande  den  Vorstenbond 
in  te  winnen  ^).  Onder  zulke  ongunstige  omstandigheden  (te 
gelijk  met  den  Protector  waren  ook  Lord  Paget,  voorts 
nog  drie  van  de  voornaamste  raadsheeren  en  veertien  andere 
aanzienlijke  mannen  in  ongenade  gevallen)  kon  de  onderhan- 
deling, die  toch  ook  niet  met  den  rechten  ijver  gevoerd  werd, 
slechts  langzaam  vorderen.  Nog  in  het  begin  van  December 
heeft  La  ski  niet  alle  hoop  opgegeven  ^):  hij  merkt  op,  dat 
de  zaak  den  Koning  ter  harte  gaat,  en  dat  deze  begint  aan- 
spraak te  maken  op  zelfstandigheid,  terwijl  hij  meer  en  meer  . 
blijken  geeft,  een  eigen  wil  te  bezitten. 

Voor  den  gezant  F  ü  s  s  duurde  het  intusschen  te  lang,  om 
het  einde  der  onderhandeling  af  te  wachten.  Den  20»*^^ 
November  ontving  hij  zijnen  reispas;  tijdens  zijne  afwezig- 
heid —  Füss  was  destijds  van  meening,  in  het  voorjaar  te 
zullen  terugkeeren,  —  moest  La  ski  zijne  bemoeiingen  tot 
sluiting  van  het  verbond  voortzetten.  Maar  de  gezant  kwam 
toch  nog  niet  weg,  en  La  ski  had  om  zijncntwil  nog  verdere 
verdrietelijkheden.  Kort  vóór  de  afvaart  was  de  dienaar  van 
Füss  in  twist  geraakt  met  den  gezagvoerder;  het  was  tot 
dadelijkhedcn  gekomen,  de  dienaar  had  met  de  sabel  er  op 
ingehouwen  en  den  scheepsjongen  eone  wonde  aan  het  hoofd 
toegebracht.  Naar  aanleiding  daarvan  was  de  dienaar,  maar 
ook  zijn  heer,  in  de  gevangenis  geworpen,  en  La  ski  moest 
bij  Sir  Cecil  pogingen  doen,  om  zijne  invrijheidstelling  te 
verkrijgen.  Eerst  den  12dcn  December  keerde  Füss  te  scheep 
over  Hamburg  huiswaarts.  Laski  haalde  ruimer  adem  ^). 
Maar  reeds  was  er  met  betrekking  tot  dezelfde  aangelegenheid 

')  Ibid.,  IV,  222. 
*)  Kuyper,  II,  666. 

^)  Ibid.,    p.    C6-1:    ,,Patabam   me  jam  forc  liberum  a  molestiis  istis  aulicis, 
posteaquam  causa  legati  absolata  jam  esset." 


419 

nieuwe  moeite  in  aantocht,  en  intusschcn  moest  onze  arme 
vriend  tehuis  zijne  getrouwe  echtgenoote  langzaam  zien  weg- 
kwijnen. Terwijl  Füss  te  Hamburg  voet  aan  land  zette, 
bevond  zich,  niet  verre  van  daar,  in  Harburg,  de  vrijheer 
Joachim  Maltzan.  Hertog  Johan  Albrecht  van  Mcok- 
lenburg  was  nu  ook  tot  de  nieuwe  overeenkomsten  met  keur- 
vorst Maurits  toegetreden,  en  zijn  vertrouweling  Maltzan 
kreeg  in  last,  zich  naar  Engeland  te  begeven,  ten  einde 
aldaar  voor  het  verbond  werkzaam  te  zijn.  ïoen  het  schip 
twintig  mijlen  van  Harburg  verwijderd  was,  werd  het  door 
zulk  eenen  geweldigen  storm  beloopen,  dat  het  in  allerijl 
naar  de  veilige  haven  terugkeerde;  de  staatsman,  die  zich 
waarschijnlijk  op  zee  niet  bijster  tehuis  gevoelde,  had  geen  lust, 
andermaal  in  den  wintertijd  den  overtocht  te  wagen,  en  ver- 
trouwde de  waarncjtning  van  zijne  zending  aan  L  a  s  k  i  toe  *). 
Bij  deze  onderhandelingen,  die,  ten  gevolge  van  het  dralen 
en  weifelen  der  Engelsche  regecring,  door  de  gebeurtenissei^ 
achterhaald  werden  en  alzoo  vruchteloos  bleven,  verdient 
het  inzonderheid  de  aandacht,  dat  onze  vriend  zich  enkel 
met  hare  leiding  belastte  in  de  hoop,  dat  hij  door  het 
genoemde  verbond  wiïllicht  zou  kunnen  bevorderlijk  zijii  aan 
de  heilige  zaak,  aan  welke  hij  gewillig  en  met  vreugde  zijn 
geheele  leven  had  toegewijd.  Ook  hier  heeft  hij  getoond, 
dat  hij  rijkelijk  met  diplomatieke  gaven  was  toegerust,  en 
dat,  indien  hij  met  deze  gaven  gewoekerd  had,  hij  waar- 
schijnlijk in  de  wereld  een  niet  minder  aanzienlijken  rang 
zou  hebben  verworven,  dan  zijne  broeders.  Hetgeen  hem 
echter  zoo  beminnelijk  en  achtenswaardig  maakt  in  ons  oog, 
het  is,  dat  hij  niettemin  slechts  een  arme  di(?naar  van  Chris- 
tus zijn  >vil,  bereid.  Hem  overal  te  dienon,  waarh(inen  het 
den  Heer  ook  behagen  mag,  hem  te  zenden.  Wij  hebben 
reeds  doen  uitkomen,  hoe  hij  uit  dien  hoofde  het  andc^rc;  mo- 
ment, nl.  wat  betreft  de  bedreigde  vrijheid  van  het  Duitsche 
volk,  in  zijne  boodschap  aan  den  Koning  achterwege  liet :  hij 
achtte  zich  niet  geroepen,  als  pleitbezorger  voor  haar  op  te 

*j  „Caltndar.  Foriign.,"  p.  'ZOo. 


420 

treden;  al  zijne  kracht  behoorde  aan  de  Evangelische  kerk, 
als  aan  het  rijk  van  Christus  op  aarde.    Deze  standvastige, 
vrome  gezindheid  sprak  hij  ook  duidelijk  en  onbewimpeld  uit 
voor    de    ooren    der    verbondene    vorsten,   met  name  in  het 
schrijven,    waarin    hij    hun  bericht  geeft  aangaande  do  vol- 
voering   van    den    hem  opgedragen  last.    Denkelijk  zijn  niet 
vele    gezantschapsberichten    in    oenen   dergelijken  geest  van 
ernstig   vermaan  opgesteld,  en  de  vroolijke  keurvorst  Mau- 
rits,  die  schertsend  beleed,  dat  hij  niet  veel  bad,  zal  mogelijk 
bij   de  vermciningen  van  den  gezant  wel  een  weinig  geglim- 
lacht hebben,  als  hij  in  het  bericht  o.  a-  de  zoo innig-ware, 
mannelijk-vrome  woorden  las:   „Indien  overigens  in  deze  ge- 
heele  zaak  iets  anders  wordt  nagejaagd,  dan  de  handhaving 
van  de  Evangelische  en  Apostolische  leer,  en  de  onderHnge 
verzoening  van  de  kerken,  die  deze  leer  belijden,  dan  vreeze 
ik ,  dat  wij  met  deze  onze  plannen  ons  eerder  den  ondergang 
berokkenen,  dan  onze  zaak  bevorderen.  Ik  twijfel  in  geenen 
decle    aan    uwe    vroomheid;  maar  wanneer  ik  aan  vroegere 
voorbeelden   bij  soortgelijke  raadslagen  gedenk,  dan  acht  ik 
het  geenszins  overbodig,  de  aandacht  hierop  te  vestigen,  opdat 
wij    ons   toch  door  de  voorbeelden  van  anderen  laten  waar- 
schuwen en  zorgvuldig  toezien  voor  ons  zelven.  Dit  is  zeker, 
God  laat  zich  niet  bespotten,  en  Hij  duldt  niet,  dat  wij  zijnen 
heiligen  naam  tot  dekmantel  onzer  begeerlijkheden  gebruiken. 
Wanneer  wij  er  op  bedacht  zijn,  ons  menschelijken  bijstand 
te  verschaffen,  doch  met  terzijdestelling  van  de  zorg,  om  ons 
met  God  te  verzoenen,  tegen  wien  wij  zoo  ernstig  misdreven 
hebben,    waarlijk,    dan   Aveet  ik  niet,  of  wij  in  onze  raad- 
slagen niet  veelmeer  onze  eigene  eer,  dan  die  van  God  be- 
doelen. Och,  dat  er  tot  dusver  zooveel  ijver  en  vlijt  aan  den 
dag    ware  gelegd ,  om  met  God  verzoend  te  worden ,  als  er 
moeite  gedaan  is,  om  hulp  van  menschcn  te  verkrijgen,  dan 
zouden  zonder  twijfel  zoowel  de  geschillen  in  de  leer,  die  wij 
nog  altoos  in  de  gemeenten  zien  bestaan,  ja,  die  wij  dagelijks 
zoozeer  zien  toenemen,  zijn  bijgelegd,  als  ook  het  rechte  ge- 
bruik van  de  kerkelijke  tucht  reeds  voorlang  zijn  ingevoerd."  *) 

1)  Kuyper,  II.  068. 


421 

De  door  Laski  gevoerde  onderhandelingen,  met  betrekking 
tot  welke  hij  zijnen  vriend,  den  Aartsbisschop,  voortdurend 
op  de  hoogte  hield,  deden  bij  Cranmer  weder  den  ouden 
lievelingswensch  ontwaken,  om  de  voornaamste  geestelijke 
loidslieden  der  Evangelische  kerk  te  verzamelen,  ten  einde 
met  vereende  krachten  het  hoofd  te  kunnen  bieden  aan  de 
Roomsche  kerk,  die  hare  geschokte  krachten  juist  onlangs 
te  Trente  met  nieuwen  ijver  begonnen  was  te  vergaren,  en 
wier  geestelijke  aanvoerders  van  nu  voortaan  in  de  kort  te 
voren  gestichte  Jezuïeten-orde  met  stouten,  vastberaden  tred 
in  het  strijdperk  traden.  Laski  schonk  aan  het  genoemde 
plan  zijnen  vollen,  onverdeelden  bijval:  oneindig  veel  belang- 
rijker dan  de  Vorstenbond,  en  daarbij  dringend  noodzakelijk 
achtte  hij  een  verbond  van  de  mannen  der  Kerk,  die  met 
terzijdcstelling  van  de  betrekkelijk  geringe  dogmatische  ver- 
schilpunten, bereid  waren,  om  het  rijk  des  Heeren  met 
vereende  krachten  tegen  de  lioomsche  kerk  te  verdedigen. 
Cranmer  wendde  zich  wederom  tot  de  mannen,  die  hij 
reeds  twee  jaren  te  voren  had  uifgenoodigd,  om  naar  Engeland 
over  te  komen.  Bullinger,  Calvijn  en  Melanchthon 
werden  met  schier  gelijkluid(Mide  bewoordingen  dringend 
aangezocht,  om  hetzij  in  Engeland,  hetzij  ergens  elders 
bijeen  te  komen  tot  het  houden  van  eone  soort  van  anti- 
Trentsche  synode  ').  Aan  magister  Philippus  wordt  in 
herinnering  gebracht,  op  wolk  eene  schromelijke  wijze  de 
oneenigheid  op  godsdienstig  gebied,  inzonderheid  wat  betreft 
de  leer  van  het  Avondmaal,  de  kerken  van  elkander  ver- 
wijderd had,  en  hoe  de  Smalkaldische  oorlog  niet  zou  zijn 
uitgebroken,  indien  men  dezen  strijd  tijdig  had  bijgelegd. 
II(ït  antwoord  van  Melanchthon  heb  ik  niet  kunnen 
vinden  '-),  evenmin  als  dat  van  Bullinger,  van  hetwelk 
Calvijn  noi'htans  gewaagt.  Tn^ffend  is  het  antwoord  van 
den  laatstgenoomde.  Al  moest  hij  ook,  zóó  schreef  hij, 
twintig  zeeön  doorschepen,  hij  ztiu  er  zich  niet  door  laten 
wec^rhouden,  indien  hij  van  eenig  nut  kon  zijn.  Zelfs  indien 

«,  „Original."  p.  23- 2f.. 

*;  De  briff  van  Cranmer  is  afgedrukt  bij  Melanchthon,  VII,  970. 


422 

het  (laarbij  uitsluitend  de  belangen  van  Engeland  gold,  zou 
licra  dit  reeds  eene  voldoende  reden  zijn  om  over  te  komen  '). 
Desniettemin  moet  Cranmer,  in  den  herfst  van  1552,  aan 
Calvijn  berichten,  dat  de  zaak  mislukt  is.  Melanchthon 
had  tot  dusver  nog  in  het  geheel  niet  geantwoord,  en  13  ul- 
lingcr  achtte  de  tijdsomstandigheden  voor  het  oogenblik  te 
hac;helijk  ^),  dan  dat,  naar  zijne  mcening,  iemand  lust  zoude 
gevoelen,  zijne  vaderlandsche  kerk  in  den  steek  te  laten.  ^) 
Naar  C  r  a  n  m  e  r's  meening,  wel  is  waar,  was  het  plan  slechts 
tot  eene  gelegener  stonde  verschoven;  hij  zelf  echter  mocht 
zulk  een  tijdstip  niet  meer  beleven. 

III.    DE    VREEMDELING-GEMEENTE    IX    LONDEX. 

Yan  deze  mislukte  pogingen  om  aan  de  dreigend  opkomende 
contra-lieformatic  tijdig  het  hoofd  te  bieden,  van  de  diploma- 
tieke beslommeringen  van  onzen  vriend,  van  dewelke  hij  zelf 
zich  zoo  gaarne  zou  hebben  ontheven  gezien :  van  al  deze  werk- 
zaamheden, die  hem  zoo  veelvuldige  teleurstelling  baarden, 
wenschcn  wij  reeds  lang  onzen  blik  te  mogen  afwenden,  om 
dien  gedurende  eene  wijle  op  een  lichtpunt  in  die  onstuimige 
dagen,  op  het  glansrijkste  punt  van  La  ski's  werkzaamheid 
te  laten  rusten ,  alvorens  de  verdere  loop  der  geschiedenis 
ons  tot  do  beschouwing  van  zijne  smartelijkste  ervaring  doet 
overgaan.  Wij  willen  onzen  hervormer  een  bezoek  brengen, 
ditmaal  niet  in  zijne  nederige  woning,  maar  in  het  bewon- 
derenswaardige gebouw,  dat  hij  in  de  organisatie  zijner  ge- 
meente gedurende  zijn  driejarig  verblijf  in  Engeland  heeft 
opgetrokken.  Hij  heeft  het  ons  gemakkelijk  gemaakt,  om, 
in    weerwil    van    de   lange   tusschenHggende  tijdruimte,  met 

')  Calvijn,  XIV,  3M. 

-)  Wij  hprinnercn  ons,  dat,  in  de  maand  Maart,  keurvorst  Maurits  zijnen 
krijgntocht  togen  Karel  V  begonnen  had;  den  4den  April  hield  hij  zijnen  zege- 
vierenden intocht  in  Augsbnrg,  omstreeks  terzclfdertijd  Hendrik  II  in  Mctz. 
Gekweld  door  de  jicht  en  in  hulpeloozen  toestand  bevond  Karel  V  zich  te 
Insbnick;  nog  vier  bange  maanden  dnurde  het,  alvorens  het  verdrag  van  Passau 
gesloten  werd. 

«;  Calvijn,  XIV,  87ü. 


423 

het  leven  en  streven  in  de  gemeente  nauwkeurig  bekend 
te  worden.  Zijn  voornaamate  geschrift  geeft  ons  daarvan 
eene  uitvoerige  beschrijving.  ^)  Van  den  discipel,  dien  Jezus 
liefhad,  verhaalt  eene  vrome  legende  zoo  schoon  en  zinrijk, 
dat  uit  den  graf  heuvel,  onder  welken  men  zijn  stoffelijk 
omhulsel  had  ter  ruste  gelegd,  nog  na  tientallen  van  jaren 
een  liefelijke  reuk  is  opgestegen,  zoet  als  rozengeur.  Want 
ook  het  lichaam  van  den  jonger,  die  blijft,  totdat  de  Heer 
komt,  is,  volgens  do  legende,  geenszins  tot  stof  en  asch 
vergaan.  Zoo  kan  men  ook  van  onvergankelijke  geschriften 
spreken,  uit  welke  een  lang  vervlogene  tijd  ons  telkens 
bezielend  te  gemoet  treedt,  en  tintelend  van  leven  ons  begroet. 
De  lievelingsarbeid  van  onzen  vriend  behoort  tot  deze  uit- 
verkorene getuigen  der  Hervorming:  zoo  menigmaal  wij  in 
het  boek  bladeren  en  lezen,  is  het  ons,  alsof  de  frissche 
levensadem  van  die  groote,  onvergetelijke  dagen  ons  daaruit 
te  gemoet  komt,  en  onder  het  lezen  gevoelt  ons  hart  zich 
verruimd,  evenals  bij  de  onvergankelijke  meesterstukken  van 
eenen  Luthor  en  ecMien  Calvijn.  In  dat  bock,  hetwelk 
aangaande  zijne  lievelingsschepping  getuigenis  geven  moest, 
heeft  Laski  dan  ook  geheel  zijne  vrome,  oprechte  ziel  uit- 
gestort; wij  mogen  zeggen,  dat  hij  het  genoemde  geschrift 
met  zijn  hartebloed  heeft  geschreven,  ja,  het  is  ons,  als  ver- 
nemen wij  hier  eene  hymne  ter  eere  van  Christus,  zijnen  lieer. 
Het  kwam  er  op  aan,  zijne  vreemdeling-gemeertte  tegen  valscho 
beschuldigingen  te  vrijwaren ,  en  aan  de  inrichting  der  ge- 
meente, zooals  die  door  onzen  vriend  geheel  aan  het  Woord 
Gods  was  ontl(M»nd,  het  recht  van  voortdurend  bestaan  te  ver- 
zekeren, alsof  't  het  eigene  leven  gold ;  het  kwam  er  op  aan, 
dit  boek  t(^  zenden  naar  het  geliefde  Polen,  opdat  het  aan  den 
Koning,  aan  den  Senaat,  aan  zijn  volk  verslag  geve  van  het- 
geen de  verbannen  Pool  in  den  vreemde  had  verricht,  wat 
nuiér  zegt,  opdat  het  boek,  evenals  een  vriend  des  bruidc^goms, 
dinge  naar  de  liefde»  van  het  vaderland  voor  Christus,  zijnen 

^}  „Furma  nc  ratio  tuta  ccclcsiadtici  miuisti^rii  in  peregrinoruiu  ecclesia, 
institiita  Londini  in  Anglia."  (Zie:  Kuyper,  II,  p.  1—277,  en  zijne  scherp- 
zinnige toelichtingen,  1,  p.  CII — CX.) 


424 

Heer.  De  drie  begeleidende  missiven,  die  hij  aan  het  boekske 
op  zijne  reis  naar  Polen  medegaf,  zijn  een  kostbaar  bewijs 
daarvoor.  Aan  het  geschrift  ontbreekt  ongetwijfeld,  gelijk 
een  kunstrechter  zich  zou  uitdrukken,  de  laatste  fijne  schaaf. 
Het  is  in  eenen  moeielijken,  drukkenden  tijd  opgesteld;  de 
achtergeblevene  naden  en  klinknagels  getuigen  daarvan  op 
ondubbelzinnige  en  treffende  wijze,  en  doen  ons  het  boek, 
ook  wat  die  enkele  gebreken  in  den  vorm  betreft,  liefhebben 
en  waardeeren.  Laski  heeft  het  geschrift  nog  in  Londen, 
ongeveer  ten  tijde  van  het  overlijden  van  E  du  ar  d  VI,  be- 
gonnen, en  het  op  zijne  smartelijke  vlucht  van  Engeland 
naar  Emden  voortgezet;  het  heeft  eindelijk  het  licht  gezien 
te  Frankfort,  ten  tijde,  dat  Laski  te  midden  van  de 
verstrooide  overblijfselen  van  zijne  voormalige  vreemdeling- 
gemeente  in  de  stad  aan  de  Main,  alwaar  zij  eene  wijkplaats 
gevonden  had ,  vertoefde.  Aan  de  hand  van  dit  boek  is 
het  ons  mogelijk,  onzen  vriend  het  gewenschte  bezoek  te 
brengen,  ten  einde  het  leren  en  streven  zijner  gemeente 
van  meer  nabij  te  leeren  kennen.  Brengen  wij  hem  dat  be- 
zoek ongeveer  in  het  voorjaar  van  1553,  op  oenen  tijd,  dat  de 
verschillende  inrichtingen  der  gemeente  reeds  tot  meerdere 
vastheid  gekomen  waren. 

Op  eenen  Zondagmorgen  wonen  wij  de  godsdienstoefening 
in  de  Jezus-kerk  in  Austin  Friars  bij.  Het  is  negen  uur  in 
den  ochtend,  de  tijd  van  den  voormiddagsdienst.  Wij  treden 
binnen  door  de  hoofddeur,  boven  welke  het  groote,  schoone 
Güthische  vensterraam  zich  verheft.  De  inwendige  ruimte  is 
heden  ten  dage  nog  dezelfde,  als  vóór  300  jaren ;  de  vreese- 
lijke  brand  van  Londen,  in  het  jaar  1666,  heeft  deze  kerk 
gespaard.  Wij  herinneren  ons,  hoe  er,  na  do  afkondiging 
van  het  koninklijke  charter  in  1550,  maanden  verhepen, 
alvorens  de  gemeente  zich  voor  goed  in  het  bezit  van  het 
gebouw  zag  gesteld,  dewijl,  zooals  men  voorwendde,  het 
koninklijke  geschenk  in  eenen  den  gover  waardigon  staat 
moest  worden  overgegeven.  Het  spreekt  vanzelf,  dat  alles 
A^erwijderd    was,    wat    aan    den    Koomschen    misdienst    der 


425 

vroegere  bezitters,  de  Augustijner-monniken,  herinnerde,  zoo- 
als  beelden,  altaren,  koorstoelen.  Slechts  de  grafteekens,  die 
men  onaangetast  gelaten  had,  herinnerden  en  herinneren, 
dat  hier  de  stoffelijke  o verbiyfsclen  van  Edmund,  den  stief- 
broeder van  Richard  II,  alsook  die  van  den  stichter  van 
het  klooster,  Humphrey  Bohun,  en  van  zijnen  nakome- 
ling, den  beklagenswaardigen  Edward  Bohuu,  hertog  van 
Buckingham,  die  in  1521  onthoofd  werd,  en  van  nog  zoo 
menig  ander  aanzienlijk  personage  rusten.  *)  Een  klein  op- 
schrift aan  drie  geschilderde  kerkvensters  toont  ons,  dat  ook 
hier  eene  herstellende  hand  vroegere  verwaarloozing  weder 
heeft  goed  gemaakt;  het  zijn  de  op  het  glas  ingebrande 
woorden:  „Jesus  Tëplo.  1550.''  '^) 

Het  teeken  tot  aanvang  van  de  godsdienstoefening  is  ge- 
geven, de  gemeente  is  bijkans  voltallig  vergaderd,  de  prediker 
betreedt  den  kansel.  ^)  Heden  is  het  onze  superintendent, 
de  ernstige,  eerwaardige  man  met  den  witten  baard,  die  in 
dichte  golven  tot  op  zijne  borst  reikt.  Met  duidelijke,  krach- 
tige stem  roept  hij  do  gemeente  op  ten  gebede ;  wij  bezitten 
nog  de  innig  stichtelijke  woorden,  *)  die  met  het  gebed  des 
Hoeren  besloten  werden.  Daarop  volgt  hot  zingen  van  oenen 
psalm,  zonder  begeleiding  van  een  orgel ;  een  paar  leden  der 
gemeente,  opzettelijk  daartoe  benoemd,  stemmen  het  lied  aan 
en  houden  de  wijs;  de  goheele  gemeente  valt  krachtig  in, 
en  allen  zonder  uitzondering  nomen  deel  aan  het  gezang. 
Vervolgens  leest  do  prediker  zijnen  tekst  af.  Niet  de  eene 
of  andere  oud-kerkelijke  peiïcoop,  ook  niet  een  zelfgekozen 
dool  der  Schrift,  midden  uit  het  verband  genomen.  In 
doorloopendo    volgorde    worden    geheele   boeken  der  Heilige 

»)  Knight,  V,  166. 
r  *)    Verg.:  „Op  Reis.   Bladen  uit  de  portefeuille  van  J.  J.  van  Oosterzee. 
Nieuwe,  her/iene  en  vermeerderde  uitgave.  Te  Leiden,  bij  A.  W.  Sythoir.  1873." 
Blad/.  43  en  verv.    Ver  t.1 

ai 

•V  Do  gewone  uitdrukking,  in  het  geschrift  gebe/igd,  is  „snggestus",  waarbjj 
wij  wellicht  eerder  aan  een  redenaarsgestoelte  („Kednerpult"),  dan  aan  eencn 
kansel  in  den  engeren  zin  des  woord»  te  denken  hebben. 

*i  Kuyper,  II,  H3.  [Vergelijk  het  „Gebed  vóór  de  leer  van  den  Catechis- 
mus," io  de  Liturgische  geschriften  onzer  Nederl.  Herv.  kerk.  Vert.] 


426 

Schrift  uitgelegd,  want  de  gemeente  die  geregeld  aan  de  gods- 
dienstoefeningen pleegt  deel  te  nemen,  moet  met  het  geheele 
Woord  Gods  vertrouwd  worden.  De  prediker  leest  slechts 
zooveel  uit  de  Schrift  als  tekst  af,  als  hij  gedurende  een  uur 
tij  ds  naar  eisch  meent  te  kunnen  bespreken.  Allereerst  wordt 
dit  gedeelte  der  Schrift  meer  in  het  algemeen  verklaard,  ver- 
volgens doet  de  dienaar  des  Woords  die  plaatsen  dor  voorgele- 
zene  pericoop  nog  nader  uitkomen,  aan  welke  hij  inzonderheid 
zijne  stichtelijke  vermaning  wenscht  vast  te  knoopen.  La  ski 
heeft  veel  en  gaarne  gepredikt,  zoodra  hij  slechts  de  vreemde 
landstaal  meester  geworden  was,  hetgeen,  bij  de  groote  lin- 
guïstische begaafdheid  der  La  ski's,  voor  hem  geen  al  te 
zware  taak  was.  Toen  hij  in  Emden,  uit  hoofde  van  de  vele 
tegenkanting,  die  hij  ondervond,  zijn  superintendentschap 
had  nedergelegd,  kon  hij  niet  besluiten,  den  kansel  vaarwel 
te  zeggen,  en  bleef  hij  in  de  Groote  kerk  aldaar  het  predik- 
ambt waarnemen.  Tot  ons  leedwezen  is  ons  geen  enkele 
proeve  van  zijn  talent  als  prediker  bewaard  gebleven,  terwijl 
ook  van  andere  zijde  geen  enkel  oordeel  dienaangaande  tot 
ons  gekomen  is.  Wanneer  wij  echter  den  innigen,  trouwhar- 
tigen  toon  van  goloovige  overtuiging,  van  offervaardige  ziels- 
kracht, van  de  bereidwilligste  toewijding  aan  Christus,  zijnen 
Heer,  welke  wij  in  zijne  geschriften  en  brieven  vaak  op 
aangrijpende  wijze  kunnen  vernemen,  tot  ons  binnenste  laten 
doordringen;  wanneer  wij  ons  dat  woord  bezield  denken, 
aan  die  gestalte  met  hare  fonkelende  oogen  ontvloeiende , 
wier  vaste  trekken  den  Evangelisclien  prediker  kenbaar  ma- 
ken, die  zich  een  goed  krijgsknecht  van  Christus  betoont, 
dan  mogen  wij  wel  veronderstellen,  dat  het  welsprekend 
getuigenis  zijne  blijvende  werking  op  de  gemeente  niet  miste 
en  haar  hare  rijke  en  innige  stichting  liet  vinden  in  eenc 
verkondiging,  die  het  Woord  Gods,  en  enkel  dit,  met  den 
heiligsten  ernst  wilde  verklaren,  volgens  onzen,  meer  vcr- 
weekelijkten  smaak,  die  den  sentimcnteelen  trant  van  het 
Piëtisme  niet  kan  te  boven  komen,  wellicht  oon  weinig  sclierp, 
maar  krachtig,  ongekunsteld  en  alleszins  geschikt,  om  cene 
gemeente  te  kweeken,  die  in  staat  is,  een  zwaar  martelaarschap 


427 

om  den  wille  des  Heeren  te  verdragen.  Dat  is  méfr  waard, 
dan  om  fijngevoelige  lieden  in  hunne  kleine,  allcdaagscho  en 
vaak  ook  ingebeelde  smarten  op  zalvende  wijze  te  vertroosten. 

Onmiddellijk  op  de  preek  volgden  bijzondere  mededeelin- 
gen  aan  de  gemeente,  bijaldien  dezulke  voorhanden  waren, 
en  op  deze  dan  weder  het  gebed  om  bewaring  van  den  zegen 
der  prediking.  Het  is  eene  voortreftclijkc  bede:  „HeereGod, 
onze  Vader,  die  in  de  hemelen  zijt!  Nademaal  uw  Zoon, 
Jezus  Christus,  slechts  diegenen  zalig  prijst,  die  uw  Woord 
niet  alleen  hooren,  maar  het  ook  bewaren  en  onderhouden, 
doch  niemand  onzer  bij  machte  is,  datzelve  te  onderhouden, 
tenzij  het  door  uwen  Heiligen  Geest  in  onze  harten  worde 
ingeprent,  zoo  smeoken  wij  U:  wil  den  Satan  van  ons  we- 
ren, opdat  hij  ons  niet  de  leer  van  uw  Goddelijk  Woord, 
welke  wij  vernomen  hebben,  op  cenigerlei  wijze  ontroove. 
Wil  ook  ons  stcenen  hart  vermurwen  en  het  overvloedig 
bevochtigen  mot  den  dauw  uws  Heiligen  Geestes,  opdat  niet 
de  vruchten  van  uw  Goddelijk  Woord,  door  uwe  genade  in 
onze  harten  opwassende,  onverhoeds  vergaan.  Neem  voorts  uit 
onze  zielen  weg  de  zorgen  on  bekommeringen  dezer  wereld, 
die  uit  haren  aard,  gehjk  aan  de  doornen,  het  zaad  uws  Woords 
in  ons  binnenste  dreigen  te  verstikken,  en  maak  ons  tot  die 
goede  en  vruchtbare  aarde,  in  welke  het  zaad  uws  Woords 
vruchten  kan  dragen,  die  l'wcr  waardig  zijn,  tot  eeuwigen 
roem  uws  naams.  Dat  bidden  wij  van  ir.  Vader  aller  barm- 
hartigheid, in  den  naam  van  uwen  eeniggeboren  Zoon,  Jezus 
Christus,  onzen  Heer.  Amen." 

Daarop  roept  de  voorganger  de  gemeente  op,  om  de  ge- 
boden Gods  aan  te  hooren,  die  hij  haar  woordelijk  volgens 
de  Schrift  voorleest.  Hieraan  knoopt  hij  eene  korte  aan- 
spraak vast,  in  welke  hij  de  gemcionte  wijst  op  hare  zonden 
en  haar  opwekt.  God  om  schuldvergiifenis  aan  te  roepen. 
Deze  opwekking  baant  den  weg  tot  oon  ernstig,  aangrij- 
pend boetgebed.  ')  Vervolgens  verkondigt  de  leeraar  aan  de 

J)  Veel  overLM;nkom!jt  met  dit  k<''»'-«1  toont  het  „Oebed  des  Zondag»  vóór  de 
predikatie,'*  voorkomende  onder  do  Liturgische  geschriften  onzer  Ncderl.  lïcrv. 
kerk.  Vert.] 


428 

boetvaardige  gemeente  plechtig  de  vergeving  van  hare  zonden. 
^Wij  hebben  de  gewisse  en  ontwijfelbare  belofte  aangaande 
den  eeuwigen,  onvcranderlijken  wil  Gods,  dat  Hij  aan  alle 
waarlijk  berouwhebbenden ,  die  nl.  hunne  zonden  erkennen, 
en  met  beschuldiging  van  zich  zelven  zijne  genade  in  den 
naam  van  Christus,  onzen  Heer,  inroepen,  alle  hunne  zon- 
den vergeeft  en  die  volkomenlijk  uitdelgt,  en  dat  Hij  die 
voortaan  nimmermeer  wil  gedenken.  Doch  wij  hebben  ook 
de  vrecselijkc  uitspraak  der  Goddelijke  gerechtigheid  aan- 
gaande allen,  die  de  duisternis  liever  hebben  dan  het  licht, 
en  die  de  genade,  in  Christus  hun  aangeboden,  gering  achten 
en  versmaden,  dat  aan  die  allen  eene  eeuwige  verdoemenis 
bereid  is.  —  Zoovelen  gij  derhalve  alzoo  gezind  zijt,  dat  gij, 
overeenkomstig  het  gebed,  hetwelk  door  ons  werd  opgezonden, 
uwe  zonden  met  schaamte  en  smart  vóór  het  aangezicht  des 
Heeren  belijdt,  alzoo,  dat  gij,  met  do  beschuldiging  van  u 
zelven,  van  God,  onzen  hemelschen  Vader,  vergiffenis  van 
al  uwe  overtredingen  afsmeekt  en  daarbij  niet  twijfelt,  dat 
ze  u,  om  den  wille  van  Christus  en  de  verdienste  van  zijnen 
dood,  om-niet  en  volkomen  vergeven  worden,  on  gij  ook 
in  uwe  harten  hot  ernstig  voornemen  gevoelt,  om  voortaan, 
door  Gods  genade,  den  ouden  mensch  in  u  met  zijne  lusten 
te  dooden,  ten  einde,  naar  de  mate  uwer  zwakheid,  in  nieu- 
wigheid des  levens  te  wandelen:  aan  u  allen,  zeg  ik,  die 
alzóó  gezind  zijt,  verkondig  ik,  in  vertrouwen  op  de  beloften 
van  Christus,  dat  u  alle  uwe  zonden  in  den  hemel  door  God, 
onzen  Vader,  in  ieder  opzicht  vergeven  zijn,  om  den  wille 
van  onzen  Heer  en  Zaligmaker,  Jezus  Christus,  di(i  geprezen 
zij  in  alle  eeuwigheid.  Amen.  —  Degenen  echter,  die  zich 
in  hunne  zonden  alzoo  behagen,  dat  zij  daarbij  niet  zoozeer 
zich  zelven,  als  wel  veeleer  do  Goddelijke  gestrengheid  aan- 
klagen, terwijl  zij  daarbij  zich  zelven  ontschuldigen,  of  ook 
zij ,  die  wel  op  eenigerlei  wijze  ook  zelven  hunne  zonden 
erkennen,  maar,  met  verachting  van  do  weldaad  van  Chris- 
tus, onzen  Heer,  in  zijnen  dood,  andere  middelen  des  heils 
voor  zicli  verkiezen:  aan  deze  allen  wederom  verkondig  ik, 
volgens  het  Woord  Gods,  dat  alle  hunne  zonden  hun  gehou- 


429 

den  zijn  in  de  hemelen,  indien  zij  zich  niet  bekeeren.  — 
Voorts,  gelijk  wij  reeds  door  ons  gebed  openlijk  verklaard 
hebben,  dat  wij  tot  het  getal  derzulken  geenszins  behooren, 
zoo  willen  wij  thans  hetzelfde  nog  daarenboven  betuigen  door 
ons  geloof  met  korte  woorden  te  belijden."  Dit  laatste  ge- 
schiedt door  verkondiging  van  de  Apostolische  geloofsbelijdenis. 
Nu  volgt  het  nagebed,  eene  rijke  menigte  van  voorbeden 
voor  de  kerk  van  Christus,  die  over  den  geheelen  aardbodem 
verspreid  is,  voor  de  kerken  des  lands  en  hare  predikers,  voor 
Eduard  VI,  —  („Gelijk  Gij  hem  met  uwe  machtige  hand  tot 
dusver  voor  zijne  en  uwe  vijanden  tevens  beschermd  hebt, 
wil  hem  zoo  ook  verder  beschermen  en  bewaren,  en  hem 
daarbij  met  uwen  Heiligen  Geest  leiden  en  regeeren,  opdat, 
terwijl  uwc  Goddelijke  genade  jegens  hem  van  dag  tot  dag 
met  zijnen  leeftijd  toeneme,  hij  eindelijk  zijn  volk,  onder 
ons  aller  opperhoofd ,  Christus ,  alzóó  kunne  regeeren ,  dat 
wij ,  door  uwe  gunst ,  onder  zijn  bestuur  een  stil  en  rustig 
leven  mogen  leiden,  in  alle  godzaligheid  en  eerbaarheid, 
overeenkomstig  uw  Woord."),  —  voor  het  koninklijk  huis 
en  de  geheele  regeering,  voor  het  volk  van  Engeland,  voor 
de  stad  Londen,  in  het  bijzonder  voor  de  gemeenten  der 
vreemdelingen,  voor  alle  koningen,  vorsten  en  overheden, 
voor  allen,  die,  om  den  wille  van  hun  geloof,  vervolgd  worden 
en  lijden  —  (»Wil  hen  vertroosten,  zóó  bidden  wij  IJ,  Heer, 
door  uwen  Heiligen  Geest,  de  bron  van  allen  waren  troost, 
in  hunne  droefenissen  en  onder  hun  kruis,  en  versterk  van 
Omhoog  door  uwe  Goddelijke  kracht  hunne  harten  alzóó  in 
het  ware  geloof,  dat  zij  al  datgene,  wat  Gij  over  hen  be- 
schikt, geduldig  en  kloekmoedig  en  met  dankzegging  kunnen 
dragen,  en  dat  ?ij  onverschrokken  en  standvastig  den  naam 
van  U  en  van  uwen  Zoon,  zoowel  door  hun  leven,  als  door 
hunnen  dood  in  uwe  gemeente  mogen  verheerlijken ;  of  wil 
hen  uit  hunne  ellenden  en  droefenissen,  naar  den  rijkdom  uwer 
genade,  bevrijden,  en  hun  kruis  verlichten,  indien  Gij  zulks 
althans  voor  den  roem  van  uwen  aanbiddelijken  naam  en  voor 
de  opbouwing  van  uwe  kerk  op  cenigerlei  wijze  bevorderlijk 
acht."),  —  en  eindelijk  weder  in  het  bijzonder,  tot  besluit  van 


430 

deze  voorbeden,  het  gebed  voor  de  lijdende,  kranke,  zwaar 
beproefde  leden  der  gemeente  —  („Verlaat  hen  niet,  heilige 
Vader,  in  hunne  nooden,  maar  verlicht  hun  kruis,  naar  den 
rijkdom  uwer  vaderlijke  goedheid  en  barmhartigheid,  of  ver- 
meerder hunne  kracht  en  lijdzaamheid,  opdat  zij  moedig  en 
standvastig  al  datgene  verdragen,  wat  Gij,  overeenkomstig 
uw  welbehagen,  genadiglijk  over  hen  beschikt  of  gehengt/'). 
„Zóó  bidden  wij  U,  o  onze  Vader,  die  in  de  hemelen  zijt, 
in  het  vast  vertrouwen,  dat  wij  dit  alles,  naar  den  rijkdom 
uwer  vaderlijke  liefde  en  barmhartigheid,  van  U  zullen  ver- 
krijgen ,  en  in  die  hope  roepen  wij  ootmoedig  uwen  heiligen 
naam  aan  in  het  gebed,  hetwelk  uw  cénig  geliefde  Zoon  ons 
heeft  bevolen  te  bidden."  Voorwaar ,  wel  werd  de  gemeente 
der  vreemdelingen,  onder  het  opzicht  van  onzen  vriend,  tot 
eene  biddende  gemeente  gevormd! 

Op  het  gebed  des  Hoeren  volgden  dan  op  bepaalde  Zon- 
dagen het  heilig  Avondmaal,  de  Doop  en  de  Huwelijksinze- 
gening, wanneer  er  waren,  die  deze  handeling  begeerden. 
Op  den  dag  van  ons  bezoek  mogen  wij  het  treffen,  dat  de 
drie  heilige  handelingen  zich  aan  de  voormiddagsgodsdienst- 
oefening  aansloten,  of,  juister  nog,  in  haar  waren  opgenomen. 
Allereerst  alzoo  de  bediening  van  het  heilig  Avondmaal  en 
de  voorbereiding  tot  deze  plechtigheid. 

Op  eiken  eersten  Zondag  van  de  maand  wordt  beurtelings, 
hetzij  in  de  Duitsche ,  of  in  de  Franschc  kerk ,  het  heilig 
Avondmaal  bediend.  Veertien  dagen  te  voren  wordt  zulks 
in  de  godsdienstoefening  aan  de  gemeente  bekend  gemaakt, 
en  wordt  zij  daarbij  uitgenoodigd,  zich  tehuis  ernstig  daarop 
voor  te  bereiden.  Deze  voorbereiding,  zóó  wordt  nadrukkelijk 
herinnerd,  heeft  te  bestaan  in  het  nauwlettend  onderzoek, 
of  wij  de  rechte  kennis  van  God  en  van  ons  zelvcn  deelach- 
tig zijn;  waarin  deze  bestaat,  wordt  aan  de  gemeente  uit- 
voerig voorgehouden.  Daarop  worden  de  leden  der  gemeente 
uitgenoodigd,  om  alle  wellicht  voorhanden  zijnde  twisten  of 
verdeeldheden  onder  elkander  bij  te  leggen,  want  wij  zijn 
geroepen,  om,  zooveel  in  ons  is ,  vrede  te  houden  met  allen ; 


431 

ook   is    de   maaltijd   des  Heeren  een  maaltijd  van  ons  aller 
onderlinge  gemeenschap  en  vereeniging,  niet  van  onderlinge* 
oneenigheden  en  krakeelingen. 

Dit  alles  echter  was,  in  La  ski's  oog,  nog  geenszins 
voldoende,  om  de  heiligheid  van  het  Avondmaal  tegen  allo 
geringachting  te  beschermen.  Wij  hebben  roods  gezien, 
welke  voorzichtigheidsmaatregelcn  bij  de  opneming  in  do  ge- 
meente, en  mitsdien  bij  de  toelating  tot  het  Avondmaal  ge- 
troffen waren.  Ook  zij,  die  reeds  waren  aangenomen,  hadden 
zich  aan  een  ernstig  onderzoek  vóór  don  kerkraad  te  onder- 
werpen. Gedurende  de  1 4  dagen,  die  tusschcn  de  aankondiging 
en  de  viering  van  het  heilig  Avondmaal  verliepen,  bleven  do 
predikanten  en  de  ouderlingen  der  gemeente,  na  afloop  van 
de  weekgodsdienstoefeningen  des  namiddags  in  de  kerk  achter, 
ten  einde  alle  mogelijk  voorkomende  vragen  en  bedenkingen 
op  te  lossen,  of  de  nieuw  toegetredemm  te  ondervragen.  Dan 
werd  een  bepaald  uur  vastgesteld,  op  lietwelk  de  gemetmte- 
leden  van  elk  der  drie  doelen ,  in  welke  de  stad ,  wat  do 
vreemdeling-gemeente  aangaat,  verdeeld  was  (City,  Southwark, 
en  die  buiten  de  muren  woonachtig  waren),  beurtelings  in 
de  kerk  bijeenkwamen.  Na  ecne  korte  voorbereiding  moest 
olk  op  zijne  beurt  vóór  den  kerkeraad  verschijnen,  om  zijnen 
naam  op  de  lijst  te  doen  plaatsen.  Dit  gaf  aan  de  predikers 
en  ouderlingen  der  gemeente  gelegenheid,  om,  ingeval  zij 
zulks  noodig  keurden,  bijzondere  vermaningen  tot  sommigen 
te  richten.  De  nieuwe  lijsten  werden  met  de  oude  vergeleken, 
deels  om  indringers  te  weren,  maar  deels  ook  tevens,  om  na 
te  gaan,  wie  van  de  gemeente  zich  van  den  maaltijd  onthield. 
Want  de  goheele  gemeente  was  geroepen,  om  telkenmale 
aan  de  plechtigheid  deel  te  nemen.  De  ouderlingen  waren 
verplicht,  om,  vóór  den  volgenden  Zondag,  de  nalatigen 
ten  hunnent  op  te  zoeken  en  hun  hunnen  plicht  onder  het 
oog  te  brengen,  alsmede  eene  behulpzame  hand  te  bieden, 
ingeval  het  er  op  aankwam,  oneenigheden  te  beslechten  of 
private  twistzaken  bij  te  leggen.  Des  Zaterdags  vóór  do 
bediening,  te  twee  uren  des  namiddags,  vereenigden  zich  do 
Avondmaalsgasten  in  de  kerk;  de  kerkeraad  is  vooraf  reeds 


432 

bijeengekomen,  ten  einde  onderling  te  beraadslagen  over  al 
degenen,  die,  om  de  eene  of  andere  reden,  van  het  Avond- 
maal op  den  volgenden  dag  zijn  uitgesloten.  Hunne  namen 
worden  aan  den  predikant,  die  de  voorbereidingsgodsdienst- 
oefening leidt,  medegedeeld,  ton  einde  daarvan,  hetzij  zónder, 
of  ook,  in  een  ernstiger  geval,  met  vermelding  van  den  naam, 
aan  de  gemeente  kennis  te  geven.  Hetgeen  reeds  veertien 
dagen  te  voren,  bij  de  aankondiging  van  de  Avondmaals- 
viering, aan  de  gemeente  op  het  hart  was  gedrukt,  wordt 
door  den  prediker  nog  eens  met  ernstige,  dringende  woorden 
aan  de  Avondmaalsgasten  voorgehouden,  en  het  wezen  en 
doel  van  het  Nachtmaal  hun  geschetst.  Na  gebed  en  vóór  het 
zingen  van  den  laatsten  psalm,  wordt  er  mededeeling  gedaan 
met  betrekking  tot  hen,  die  van  het  Avondmaal  zijn  uitge- 
sloten, en  wel,  gelijk  daarbij  uitdrukkelijk  verklaard  wordt, 
ten  einde  de  bestraften  door  zulk  eene  openlijke  berisping 
tot  bekeering  te  roepen ,  of  hen ,  die  ook  dan  nog  onboet- 
vaardig blijven,  onder  openlijke  betuiging  van  het  leedwezen 
der  gemeente,  van  de  gemeenschap  der  Kerk  uit  te  sluiten. 
Op  den  dag  van  het  Avondmaal  zelf  nu  is  eene  tafel,  met 
wit  linnen  bedekt,  vóór  de  oogen  der  vergaderden  geplaatst ; 
op  die  tafel  staan  vier  bekers  en  daartusschen  een  drietal 
schotels.  Op  den  grootsten  dezer  schotels  ligt,  onder  oenen 
linnen  doek,  het  voor  de  heilige  handeling  benoodigde  witte- 
brood ;  de  beide  kleinere  schotels  zijn  bestemd ,  om  tot  het 
rondreiken  van  het  gebrokene  brood  te  dienen.  Op  deze 
dagen  heeft  de  gemeente  zich  reeds  om  acht  uur  in  den 
morgen  verzameld;  de  predikanten,  de  ouderlingen  en  de 
diakenen  zitten  in  de  nabijheid  van  den  disch,  zoodat  de 
geheele  gemeente  hen  kan  zien.  Eén  der  predikanten  bestijgt 
den  kansel,  en  houdt  eene  rede,  in  welke  hij  wezen  en  doel 
van  het  heilig  Avondmaal  nader  in  het  licht  stelt.  Inzonder- 
heid heeft  men  te  letten  op  het  zichtbare  tecken  in  het 
Avondmaal,  op  de  verborgenheid,  die  door  dat  toeken  wordt 
aangeduid,  alsook  op  het  doel,  waartoe  deze  maaltijd  hoofd- 
zakelijk is  ingesteld.  Teeken  is  niet  alleenlijk  brood  en  wijn, 
maar    de    geheele,    uit   bepaalde  deelen  bestaande  uiterlijke 


433 

Yoriii^  ceremonie  en  handeling,  in  óón  woord»  do  doi^r  Chris- 
tus, onzen  Heer,  op  eene  bepaalde  wijze  iugostoldo  divlno- 
ming  aan  brood  en  wijn.  De  vorborgonhoid  van  hot  heilig 
Avondmaal  is  datgene,  wat  ons  door  dozo  von^rdiuivnlo 
deelneming  aan  brood  en  wijn  wonlt  voorgesteld  on  vorzogoUU 
nl.  de  voor  alle  vromen  waarachtige  on  hoilzamo  gonioonsohjij» 
met  Christus,  onzen  Heer,  in  zijn  lichaam  on  bloed.  Het 
doel  eindelijk  van  het  Avondmaal  onzea  Hoeren  is  dat,  het- 
welk Christus  zelf  ons  in  zijne  woorden  iwubeveelt ,  nl.  do 
gedachtenis  aan  Hem  en  aan  zijnen  dood.  Nadat  de/.o  drie 
punten  uitvoerig  zijn  toegelicht,  knielt  de  geheelo  gemeente 
ter  neder,  ^)  en  smeekt  de  voorganger  met  luider  steui  th»n 
zegen  des  Heeren  over  de  plechtigheid  af.  De  inzetting«- 
woorden  bij  Paulus  worden  voorgelezen  [1  Oor.  Il  :2\\  LM)|, 
en  aan  de  waarschuwing  des  Apostels  enkele  veriuanendo 
woorden  vastgeknoopt.  Daarop  verlaat  de  prediker  den  kansel, 
en  roept,  van  vóór  de  Nachtmaalstafel,  dti  blijde  tijding  [viM'g. 
I  Cor.  5  :  7^,  8]  aan  do  gemeente  toe:  „Ziet  dan,  golierdo 
broeders!  ook  ons  Pascha  is  voor  ons  geslacht ,  namelijk 
Christus.  Zoo  dan  laat  ons  feest  houden,  niet  in  (U^n  ouden 
zuurdeescm,  noch  in  den  zuurdeesem  der  kwaadheid  en  d(M' 
boosheid,  maar  in  de  ongezuurde  broeden  der  oprechtheid 
en  der  waarheid,  door  Hem,  onzen  Heer  en  Heiland  iIoxuh 
Christus.    Amen." 

Nu  zetten  allereerst  de  predikanten,  de  ouderlingen  en  do 
diakenen,  en  vervolgens,  voor  zoover  <ïr  plaats  ïh,  mannen 
uit  de  gemeente  zich  rondom  don  AvondmaalmÜHch  neder,  dn 
dienstdoende  predikant  in  het  midden,  terwijl  er  eeno  hMJigo 
ruimte  tegenover  hem  wordt  opengelaten,  zoodat  de  geheelo 
gemeente  hem  bij  voortduring  gemakkelijk  kan  zien  en  hoeren. 


[')  Het  gezamenlijk  nederknielcn  in  het  bncJeliuiH  kwam,  lilijkeim  de  „l'nrmn, 
ac  Ratio/'  bij  de  vreenidelin^-gerneente  te  i^ondini  gi'duri^  voor,  en  luid  o.  a. 
óók  plaatd  bij  de  {decbtige  d;inkzeff{(ingen  ua  de  bcdieuinfr  van  den  If.  Oooj» 
en  van  bet  H.  Avondmaal.  —  Hij  het  nafrebed  in  de  voormiddaf(((od«di'n«t' 
oefening  des  Zondags  —  hierboven ,  op  blad/..  42'J  V(;rm«'ld ,  verzuimde  ik 
te  Tervrijzen  naar  bet  daarmede  min  of  intnr  overcenkomntige  gebf^d ,  voorko- 
mende onder  de  Liturg,  gebcbriften  onzer  kerk,  onder  het  op«ehrift:  ,/febed 
Toor  allen  nood  der  Christenheid."  --  Vert.' 

DALTON.  2^ 


434 

Aan  dit  zitten  gedurende  het  Avondmaal  werd  een  belangrijk 
gewicht  gehecht.  Het  geschiedde  niet  slechts,  omdat  het  bij 
de  inzetting  van  het  Avondmaal  aldus  geweest  was,  maar 
vooral  ook,  ten  einde  op  zinrijke  wijze  uitdrukking  te  geven 
aan  de  schoone  gedachte,  dat,  terwijl  Israël  weleer,  bij  het 
eten  van  het  Pascha,  de  lendenen  omgord  en  den  reisstaf 
in  de  hand  had,  om  aan  te  duiden,  dat  het  volk  nog  eenen 
langen  weg  had  af  te  leggen,  alvorens  het  't  land  der  belofte 
zou  mogen  betreden,  de  Avondmaalsgasten  daarentegen  niet 
meer  ergens  in  de  wijde  wereld  een  land  der  belofte  hadden 
te  zoeken,  maar,  door  Christus,  den  Heer,  hunnen  waarach- 
tigen  Jozua,  uit  kracht  van  zijn  verzoenend  sterven,  in  het 
ware  land  der  belofte  overgebracht,  zich  nu  aldaar  neder- 
zetten en  volkomene  rust  genieten  mochten,  terwijl  zij  bij 
voortduring  indachtig  waren  aan  de  verdienste  van  den 
dood  en  de  verrijzenis  van  Christus  en  aan  de  heilzame  ge- 
meenschap met  Hem,  die  hun  uit  genade  verleend  was.  ^)  — 
Zoodra  alle  plaatsen  aan  den  disch  bezet  zijn,  neemt  de  voor- 
ganger, ten  aanschouwen  van  de  gcheele  gemeente,  het  brood 
uit  den  grootsten  schotel,  breekt  het,  terwijl  hij  zegt:  „Het 
brood,  dat  wij  breken,  is  eene  gemeenschap  des  lichaams 
van   Christus,"  en  vult  met  de  gebrokene  stukken  de  beide 


1)  Kuyper,  II,  118.  —  Dit  zitten  van  de  vreemdeliDg-gemeente  bij  het  heilig 
Avondmaal  was  eene  ergernis  voor  de  staatskerk,  maar  werd  daarentegen  door  hen, 
die  niet  met  hare  gebruiken  en  denkbeelden  overeenstemden  (de  „Nonconfor- 
misten"),  met  blijdschap  begroet.  De  almede  daardoor  teweeggebrachte  spanning 
is  tot  diep  in  den  regeeringstijd  van  koningin  Elisabeth  duidelijk  te  bespeu- 
ren; de  ^verige  kampioen  voor  de  instellingen  der  staatskerk,  de  latere  aartsbis- 
schop van  Canterbury  en  vriend  der  Koningin,  Whitgift,  heeft  in  zgn 
beroemd  geschrift:  „The  Defence  of  the  Answer  to  the  Admonition",  ook  op 
het  gebruik  bij  Laeki  moeten  acht  geven  (Whitgift,  III,  94).  Cartwright, 
de  begaafde  leider  van  die  bepaalde  richting  aan  de  hoogeschool  te  Cambridge, 
welke,  in  den  geest  van  Laski  en  Hooper,  zich  tegen  de  catholiseerende  ge- 
bruiken der  staatskerk  verzette,  wordt  veelal  beschouwd  als  de  opsteller  van 
de  anonym  verschenen  „Admonition",  die  te  harer  tijd  (omstreeks  1570)  zulk 
een  geweldig  opzien  baarde.  In  dit  geschrift  wordt  Labki  geroemd  als  een 
„notable  learned  and  zealous  man."  —  Schoon  en  behartigenswaardig  zijn  ook 
de  bezadigde  woorden,  met  welke  Laski  over  de  gebruiken  in  zijne  gemeente, 
alsmede  over  de  door  hem  gewcnschte  en  dan  ook  verkregene  vrijheid  te  dezen 
aanzien  spreekt.  (Verg.  Kuyper,  II,  115  vg.) 


435 

kleinere  schotels.  Ondertusschen  worden  de  vier  bekers  met 
wijn  gevuld,  en  twee  aan  twee  bij  elk  der  beide  kleinere 
schotels  geplaatst.  Daarop  langt  de  voorganger  het  gebrokene 
brood  hoofd  voor  hoofd  aan  hen,  die  aan  weerszijden  het 
dichtst  bij  hem  gezeten  zijn,  en  zegt  onder  het  toereiken: 
„Neemt,  eet,  en  zijt  er  aan  indachtig,  dat  het  lichaam  van 
onzen  Heer  Jezus  Christus  voor  ons,  tot  vergeving  van  alle 
onze  zonden,  in  den  dood  aan  het  hout  des  kruises  is  over- 
gegeven." Tegelijkertijd  ^)  neemt  hij  ook  zelf  van  het  brood, 
en  schuift  vervolgens  de  schotels  aan  de  verdere  dischge- 
nooten  ter  rechter-  en  ter  linkerzijde  toe,  opdat  elk  hunner 
op  zijne  beurt  eene  bete  broeds  daarvan  afneme.  Nadat  allen 
van  het  brood  genomen  hebben,  vindt,  met  wijziging  van 
woorden,  nogmaals  hetzelfde  plaats  bij  de  toereiking  van  den 
beker.  Nadat  de  beker  is  rondgegaan,  staan  allen,  slechts  de 
voorganger  uitgezonderd,  op  van  den  disch,  aan  welken  zich 
de  andere  gemeenteleden  nederzetten,  waarbij  ouderlingen 
en  diakenen  er  op  letten,  dat  slechts  leden  der  gemeente, 
en  wel  dezulke,  die  tot  het  gebruik  van  het  Avondmaal  ge- 
rechtigd zijn,  toetreden.  Eén  van  de  predikanten  bestijgt  den 
kansel,  en  leest  gedurende  de  bediening  [met  de  noodige 
geregelde  tusschenpoozen]  het  zesde  hoofdstuk  uit  het  Evan- 
gelie van  Johannes  [of  eenig  ander  toepasselijk  gedeelte  der 
Schrift]  aan  de  gemeente  voor.  Dit  een  en  ander  wordt  her- 
haald, totdat  de  geheele  gemeente  de  gewijde  teekenen  ont- 
vangen heeft.  De  predikant,  die  het  Avondmaal  bediend 
heeft,  verheft  zich  alsnu  van  den  disch,  en  noodigt,  in  het 
midden  van  de  andere  leeraren  en  de  ouderlingen  vóór  de 
tafel  staande,  de  gemeente  uit,  om  in  vereeniging  met  hem 
God    ootmoedig    te    danken.    Op    dit  plechtstatig  dankgebed 

[})  Niet  geheel  nauwkearig  —  gelijk  blijkt  nit  de  vergelijking  met  de 
woorden  van  a  Lasco  zelvcn,  t.  a.  p.,  II,  p.  163,  —  schrijft  Dalton  ei genlgk 
alleen:  „Der  Geistliche  nimmt  zanacbst  selbst  von  dem  Brote  and  scbiebt  dann 
die  Schalen  seinen  Nachbarn  zu  beiden  Sciten  mit  den  Worten  za:  „Nehiuet, 
esset,"  etc.  Uit  dien  hoofde  heb  ik  mij  in  het  bovenstaande  eene  kleine  nood- 
zakelijke wijziging  en  aanvulling  veroorloofd.  Vergel.  hierbij  voorts  in  het  alge- 
meen, het  ,,Formulier  om  het  heilige  Avondmaal  te  honden,"  voorkomende 
onder  de  Liturgische  geschriften  der  Ned.  Herv.  kerk.  —  Vcrt]. 


436 

volgt  nog  eene  korte  vermanende  rede,  waarna  de  indrukwek- 
kende kerkelijke  plechtigheid  met  psalmgezang  besloten 
wordt.  Hetgeen  er  overschiet  van  brood  en  wijn  wordt  onder 
de  armen  der  gemeente,  bij  voorkeur  onder  hen,  die  krank 
of  hoog  bedaagd  zijn,  verdeeld. 

Wij  hebben  reeds  vermeld,  dat  ook  de  Doop  in  de  gods- 
dienstoefening was  opgenomen.  Eenige  weinige  woorden  over 
deze  plechtigheid.  Dewijl  de  Doop  de  geheele  gemeente  aan- 
gaat, daarom  behoort  hij  ook  in  tegenwoordigheid  van  de 
geheele  gemeente  voltrokken  te  worden.  Slechts  kinderen  van 
lidmaten  der  gemeente  worden  gedoopt ;  hunne  namen,  alsook 
de  namen  en  de  woonplaats  hunner  ouders,  voorts  ook 
het  jaar,  de  maand  en  de  dag  van  den  Doop  worden  in  een 
bijzonder  boek  opgeteekend.  Wanneer  een  volwassene,  hetzij 
van  Joodsche,  hetzij  van  Heidensche  afkomst,  zich  aanmeldt, 
om  den  Doop  te  ontvangen,  of  ook  ingeval  een  nog  onge- 
doopt Baptist  zich  door  den  Doop  in  de  gemeente  wenscht  te 
doen  opnemen ,  dan  moet  de  zoodanige  vooraf  in  het  geloof 
onderwezen  worden,  en  kan  eerst  na  afgelegde  geloofsbelij- 
denis den  Doop  ontvangen. 

Alvorens  de  laatste  psalm  wordt  aangeheven,  ^)  noodigt  de 
voorganger  de  doopgetuigen  en  ouders  der  doopelingen  uit, 
om  met  het  kind  nader  te  treden.  Daarop  wordt  de  geheele 
gemeente  met  betrekking  tot  het  wezen  van  den  Doop  uitvoerig 
onderricht,  ook  aangaande  het  rechtmatige  en  het  plichtma- 
tige van  den  Kinderdoop,  waarna,  in  een  kort  gebed,  de  zegen 
des  Heeren  over  de  plechtigheid  wordt  afgesmeekt.  Vervol- 
gens wendt  de  voorganger  zich  in  het  bijzonder  tot  hen,  die 
het  kind  ten  doop  brengen,  en  richt  tot  hen  de  vraag,  of 
deze  kinderen  waarlijk  het  kroost  der  gemeente  zijn,  en 
derhalve  wettiglijk  alhier  kunnen  gedoopt  worden;  voorts, 
of  zij,  nl.  de  [vaders  en]  doopgetuigen,  de  leer,  welke  zij 
zoo  even  aangaande  den  Doop  en  zijne  verborgenheid  ver- 
nomen hebben,  als  de  ware  erkennen,  en  mitsdien  belijden, 

[1)    Verg.    t.   a.  p. ,  II,  blz.  107:  „sab  finem  concionis,  priusquam  Psalmus 
decantetur.*'  Alzoo  niet:  „Nachdem  der  Psalm  beendigt."  —  Vert.] 


437 

dat  onze  kinderen,  ofschoon  van  nature,  gelijk  ook  wij  allen, 
kinderen  des  toorns  en  des  doods  zijnde «  noolitanSi  oui  den 
wille  van  Christus,  met  ons  in  her  verbond  van  l^ul  begre- 
pen zijn,  en  daarom  met  het  door  Christus  vertu'dint^M'de 
zegel,  zoowel  van  hunne  genadige  aannonung,  als  van  /ijne 
gerechtigheid,  nl.  met  den  Doop,  bohooron  ver/.«^geld  te 
worden ;  en  eindelijk ,  of  zij  niet  erkennen ,  dat  op  hen  ,  o\\ 
tevens  op  de  geheele  gemeente,  inzonderheid  eehter  op  Ihmi, 
vaders,  in  vereeniging  met  de  moeders  dezer  kinderen,  dt* 
roeping  en  verplichting  rust,  om  deze  kinderen,  bij  het  op- 
wassen, in  de  ware  kennis  en  den  waren  dienst  van  (lod  te 
onderwijzen.  Nadat  deze  vragen  bevestigend  zijn  ImmiuI woord 
geworden,  laat  de  voorganger  dcï  kinderen  in  g(M'c»geld(^  volg- 
orde voorbrengen,  en  bevochtigt  elk  van  hen,  oncb^r  het  nocw 
men  van  zijnen  (des  doopelings)  naam,  aan  het  voorhoofd  nu^t 
zuiver  water,  terwijl  hij  daarbij  de  woorden  uitHpnM»kt:  „N., 
ik  doop  u  in  den  naam  des  Yaders,  en  des  Zoons,  en  dos 
Heiligen  Geestes.  flod,  de  Vader  van  onzen  lieer  iIozuh 
Christus,  bezegele  u  en  ons  allen  te  zamen  in  degaveon/or 
wedergeboorte  en  gerechtigheid  in  (JbristuH,  door  zijnon  lloi- 
ligen  Geest,  ten  eeuwigen  leven.  Anujn."  Vervolgons  gaat 
de  dienaar  des  Evangelie's  do  gomeente  voor  in  oen  kort 
dankgebed,^)  waarna  hij  haar  nog  met  eenigo  weinige 
woorden  vermaant,  om  zulk  eene  |)l(M'htigh(!i(l  niet  uit  ge- 
woonte of  bijgeloovigheid  te  begrjeren ,  maar  uit  het  geloof 
aan  de  belofte,  in  welke  de  lieer  ons  verzekert,  dat  niet 
slechts  de  volwassenen,  maar  ook  hun  kroont  in  de  gemeento 
met  ons  in  het  verbond  Ood.i  zijn  begrepen,  en  dat  ook  de 
kinderen  tot  het  verborgen  lichaam  ^„mynticum  corpun";  van 
Christus  Udiooren. 

Als  derde  handeling,  die,  bij  voorkomende  gelegen h'ïid.  in 
den  gewonen  lo^^p  der  god MÜen «toefen ing  werd  ingevlo':ht<;n, 
noemden  wij  de  H  u  w  e  I  ij  k  « i  n  ze  g  e  n  i  n  g.  Ook  dez<j  ple'h- 
tig}:eid    m^X'-st    in    eene  oj/^;nbare  ftanienkoni>t.  der  ger/i'-^r/ite 


438 

geschieden,  zoowel  om  de  eerbaarheid  van  het  huwelijk  open- 
lijk te  betuigen,  als  ook  ten  einde  de  gemeente  in  haar  geheel, 
tot  hare  opbouwing,  telkens  bij  vernieuwing  op  de  plichten 
van  den  echtelijken  staat  te  wijzen.  Reeds  bij  de  verloving 
moeten  een  paar  waardige  mannen,  alsmede,  zoo  mogelijk, 
enkelen  van  de  ouderlingen  der  gemeente  tegenwoordig 
zijn,  die  vervolgens  in  de  vergadering  van  de  leeraren  en 
ouderlingen  getuigen  kunnen,  dat  alles  zich  op  wettige  en 
voegzame  wijze  heeft  toegedragen.  Zoodra  de  verloving  heeft 
plaats  gehad,  wordt  daarvan  kennis  gegeven  aan  den  kerke- 
raad  ,  die  in  zijne  vergadering  onderzoekt ,  of  er  ook  soms 
tegen  deze  verbintenis  overwegende  bezwaren  voorhanden 
zijn.  Ingeval  er  niets  van  dien  aard  wordt  voorgebracht, 
worden  de  namen  van  het  bruidspaar  in  het  kerkelijk  register 
aangeteekend ,  en  de  voorgenomen  echtverbintenis  op  drie 
achtereenvolgende  Zondagen  van  den  kansel  aan  de  gemeente 
bekend  gemaakt.  Indien  er  geene  wettige  bezwaren  worden 
ingebracht,  dan  wordt  het  huwelijk  in  de  tegenwoordigheid 
der  gemeente  voltrokken.  Zonder  gedruisch,  zonder  eenigen 
theatralen  pronk  of  praal  verschijnt  het  bruidspaar,  door  een 
paar  eerzame  mannen  en  vrouwen  begeleid,  op  eene  eenigs- 
zins  verhevener  plaats  vóór  de  leeraren  en  de  ouderlingen 
der  gemeente.  Daarop  houdt  één  der  predikanten  de  toespraak, 
in  welke  hij  allereerst  de  gemeente  om  hare  voorbede  voor 
dit  bruidspaar  verzoekt;  vervolgens  richt  hij  zijne  rede 
tot  het  bruidspaar  zelf,  aan  hetwelk  hij  al  den  ernst,  maar 
ook  het  groote  geluk  van  den  Christelijken  staat  des  huwe- 
lijks in  treffende  bewoordingen  schildert,  om,  ten  slotte,  zoowel 
aan  den  bruidegom,  als  aan  de  bruid  bijzondere  vermaningen 
op  het  gemoed  te  -drukken.  ^)  Daarop  vraagt  hij  aan  den 
bruidegom,  of  hij  niet  dit  alles,  wat  hem  zoo  even,  volgens 
het  Woord  Gods,  is  voorgehouden,  als  waarheid  erkent,  en 
of  hij  zich  door  de  genade  Gods  in  zijn  hart  heeft  voor- 
genomen   en    in    tegenwoordigheid   der  gemeente  verklaart, 

[>)  Verg.  het  „Formulier"  der  Ned.  Herv.  kerk,  „om  den  Huwelijken  staat 
voor  de  gemeente  van  Christus  te  bevestigen",  in  hetwelk  men  o.  a.  ook  de 
bedoelde  vermaningen  in  hoofdzaak  wedervindt.  —  V  e  r  t.] 


439 

dat  hij  op  zulk  eene  wijze  gedurende  zijn  gcheele  loven  te 
zamen  met  deze  zijne  vrouw  wil  leven,  die  hij  hier  openlijk 
erkent  als  zijne  éénige,  ware,  wettige  huisvrouw,  door  God 
hem  gegeven,  alzoo,  dat  hij  door  den  band  des  huwelijks 
met  haar  wenscht  verbonden  te  worden.  Op  gelijke  wijze 
wordt  de  vraag  tot  de  bruid  gericht,  en  wanneer  zij  door 
beide  partijen  bevestigend  is  beantwoord,  legt  de  voorganger 
de  handen  van  het  paar  in  elkander,  en  sluit  hun  echtver- 
bond  met  deze  woorden:  „De  almachtige,  eeuwige  God,  die 
u  te  zamen  tot  den  staat  dos  huwelijks  geroepen  heeft,  ver- 
eenige en  verbinde  u  met  elkander  tot  óón  vleesch,  door  den 
band  zijn  Geestes,  in  ware  en  bestendige  onderlinge  liefde 
en  in  zijne  vreeze,  opdat  gij,  gedurende  uw  geheele  leven, 
in  uwen  echt  de  wonderbare  verborgenheid  der  verloving 
van  Christus,  den  Heer,  met  zijne  gemeente  moogt  uitdruk- 
ken, en  gij  u  zelvcn  door  de  gedachte  aan  Hom  ten  allen 
tijde  onder  elkander  kunt  vertroosten;  de  Heer,  onze  God, 
make  u  vruchtbaar  en  vermeerdere  u,  tot  heil  van  u  zelven 
en  tot  wasdom  zijner  gemeente,  door  Hem,  onzen  Heer  Jezus 
Christus  .  Amen/'  Daarop  leest  de  voorganger  uit  het  lO^J" 
hoofdstuk  van  Mattheüs  de  plaats  voor  over  de  echtscheiding 
[vs.  3—  9] ,  en  wendt  zich  tot  het  jonge  paar  met  de  ver- 
maning, zich  ernstig  te  wachten  voor  alles,  wat  deze  ver- 
bintenis zou  kunnen  opheffen.  Met  een  hartelijk  gebed  voor 
de  beide  jonggehuwden  en  eene  heilbede  eindigt  de  plech- 
tigheid, welke  de  gemeente  harerzijds  met  het  zingen  van 
den  127*^*^°  [of  den  1289ten]  psalm  besluit. 

Na  deze  tusschenvoogselen ,  die  niet  eiken  Zondag  voor- 
kwamen, beschouwd  te  hebben,  moeten  wij  tamelijk  ver 
teruggaan,  om  den  draad,  wat  betreft  de  beschrijving  van 
de  gewone  voormiddag-godsdienstoefening,  weder  op  te  vat- 
ten. Aan  het  einde  van  den  dienst  stemmen  de  voorzangers 
op  plechtstatige  wijze  („magna  gravitate'')  weder  een  psalm- 
gezang aan ,  en  de  geheele  gemeente  valt  aanstonds  op  ge- 
lijke plechtstatige  wijze  daarbij  in.  Hierop  laat  de  prediker, 
terwijl    de    diakenen    zich  aan  de  kerkdeuren  plaatsen,  om 


440 

de  liefdegaven  te  ontvangen,  de  gemeente  huiswaarts  keeren, 
met  deze  woorden:  „Gedenkt  uwen  armen,  en  bidt  voor 
malkander.  God  nu  ontferme  zich  over  u,  en  Hij  zegene  u. 
Hij  doe  het  licht  van  zijn  Goddelijk  aanschijn  over  u  lichten, 
tot  roem  van  zijnen  heiligen  naam,  en  beware  u  in  zijnen 
heiligen  en  heilzamen  vrede.  Amen." 

De  namiddag-godsdienstoefening  op  de  Zon-  en  feestdagen 
begint  te  twee  uren.  De  gemeente  is  weder  bijkans  voltallig 
vergaderd.  De  gang  van  zaken  is  nagenoeg  dezelfde,  als  des 
voormiddags,  behalve  dat  de  Schriftverklaring,  die  ditmaal 
een  half  uur  duurt,  gevolgd  wordt  door  de  uitlegging  van 
den  Groeten  catechismus,  dien  de  aankomende  jeugd  moet 
opzeggen.  De  knapen  en  meisjes  zitten  rondom  den  kansel; 
de  voorganger  heeft  hunne  namen  op  eene  lijst,  en  laat  hen 
nu  de  stukken  van  den  Catechismus,  die  aan  do  orde  der 
behandeling  zijn,  geregeld  opzeggen,  welke  stukken  ver- 
volgens verklaard  en  uit  de  Heilige  Schrift  bewezen  worden, 
en  wel  op  zulk  eene  wijze,  dat  het  ook  voor  de  ouderen 
van  jaren,  die  daarbij  tegenwoordig  zijn,  zijne  nuttigheid 
heeft.  Deze  catechese  duurt  een  half  uur;  gezang,  gebed 
en  zegen  besluiten  de  plechtigheid,  terwijl  ook  nu  weder, 
gelgk  bij  alle  godsdienstoefeningen,  de  diakenen  bij  het 
verlaten  van  de  kerk  de  aalmoezen  der  gemeente  voor  de 
armen  in  ontvangst  nemen. 

Behalve  deze  godsdienstoefeningen  des  Zondags,  kwam 
de  gemeente  nog  een  paar  malen  in  de  week  tot  gemeen- 
schappelijke stichting  bijeen,  in  de  Fransche  kerk  des 
Dinsdags  en  des  Donderdags,  in  de  Duitsche  kerk  des- 
gelijks op  Donderdag.  Ook  bij  deze  weekgodsdienstoefeningen 
vormde  de  verklaring  van  do  Heilige  Schrift  het  middel- 
punt der  plechtigheid,  terwijl  gezang  en  gebed  zich  daarbij 
aansloten ;  alleen  de  liturgie  na  de  voormiddagsprodiking  des 
Zondags  bleef  achterwege.  Iets  geheel  eigenaardigs  en  daarbij, 
wat  zijnen  blijvenden  invloed  op  een  deel  der  Engclsche 
kerk  betreft,  iets  zeer  merkwaardigs  was  de  zoogenaamde 
„Profetie,"  welke  in  de  Duitsche  en  de  Fransche  kerk  ver- 


441 

schillend  was  ingericht,  eene  belangrijke  poging,  om  hetge- 
meentelid  tot  een  zelfstandig  onderzoek  van  de  Heilige  Schrift 
op  te  wekken.  In  de  Duitsche  kerk  volgde  men  daarbij 
deze  gewoonte,  dat,  in  aansluiting  aan  de  Bijbel-oefening 
des  Donderdags  [voormiddags],  de  gemeente  vergaderd  bleef, 
en  ieder  alsnu  het  recht  had ,  zijne  bedenkingen  betreffende 
de  eene  of  andere  verklaring  van  eene  Schriftuurplaats  ge- 
durende de  godsdienstoefeningen  der  afgeloopene  week  in  het 
midden  te  brengen.  In  de  eerste  plaats  waren  daartoe  ern- 
stige ,  vrome  mannen  uit  de  gemeente  gekozen ,  om  derge- 
lijke tegenwerpingen  te  maken,  ten  einde  daardoor  iedere 
poging,  om  slechts  onnutte  vragen  der  nieuwsgierigheid  te 
opperen,  te  voorkomen;  om  echter  niettemin  weder  elk 
gemeentelid  in  het  onverkort  bezit  van  zijn  recht  te  laten, 
mocht  ieder  zijne  bedenkingen  aan  deze  opzettelijk  daartoe 
gekozen  mannen  vooraf  kenbaar  maken,  en  dezen  hadden  dan 
te  beslissen,  of  zij,  al  dan  niet,  geschikt  waren  om  in  het 
openbaar  besproken  te  worden.  *)  De  leeraar  had  van  zijne 
betwiste  verklaring  rekenschap  to  geven,  hare  rechtmatigheid 
aan  te  toonen,  en  de  ingebrachte  bedenkingen  uit  den  weg 
te  ruimen.  Het  was  zaak  voor  hem,  om  zadelvast  te  zijn, 
wat  betreft  de  leer  dor  Heilige  Schrift,  want  hij  had  te  doen 
met  ernstige  onderzoekers  van  den  Bijbel.  Als  loon  voor  zulk 
eenen  niet  gemakkelijken  arbeid  zag  hij  zich  de  zegen  be- 
schoren, eventueel  opkomende  onrechtzinnige  leeringen  aan- 
stonds te  ontdekken,  en  die  te  mogen  verwijderen,  alvorens 
zij  dieper  wortel  geschoten  hadden.  Het  was  een  wederkeerig 
geven  en  ontvangen ;  in  zulk  eene  opwekkende  samenspraak 
bevorderde  de  leeraar  de  ontwikkeling  van  het  gemeentelid, 
en  dit  laatste  wederom,  door  de  openhartige  modedeeling 
van  zijne  opvatting,  de  ontwikkeling  van  den  leoraar :  —  een 
treffelijk,  bezield  arbeiden  in  hot  zoeken  van  het  éóne  Noo- 
dige;  een  rijke  zogen,  zoolang  het  aan  eene  bedachtzame, 
geloovige    leiding    gelukt,  iedere  buitensporigheid  te  vermij- 

[()  Met  dfen  Terstande  echter,  dat  uitsluitend  bij  monde  van  do.  daartoe  aan- 
gewezen mannen  dergelijke  opmerkingen  en  bedenkingen  in  de  „Profetie" 
mochten    worden  ter  sprake  gebracht.    Verg.  t.  a.  p.,  II,  blz.  102.  —  Vert.] 


442 

den.  —  In  de  Fransche  kerk  was  de  „Profetie"  op  deze  wijze 
ingericht,  dat,  in  aansluiting  aan  de  wcekgodsdionstoefening, 
één  van  de  Boeken  der  Heilige  Schrift  in  geregelden  samen- 
hang verklaard  werd.  Eerst  gaf  de  prediker  zijne  eigene 
uitlegging  van  het  gedeelte  der  Heilige  Schrift,  dat  aan  de 
orde  was;  op  deze  verklaring  volgde,  hetzij  van  den  kant 
van  één  der  ouderlingen,  hetzij  van  een  ander  gcmeentelid 
[die,  met  anderen,  opzettelijk  daartoe  gekozen  was]  eene  tweede, 
derde,  vierde  verklaring,  totdat  niemand  meer  iets  in  het 
midden  had  te  brengen,  en  de  voorganger  de  gemeente,  na 
het  zingen  van  een  lied,  huiswaarts  deed  keeren.  Aan  deze 
„Profetieën"  hechtte  La  ski  groot  gewicht;  zij  waren  voor 
hem  de  gewenschte  middelen,  om  de  predikers  te  versterken 
in  het  Woord  Gods,  en  om  de  gemeenteleden  allengs  tot 
mondigheid  in  het  geloof  te  doen  komen. 

Van  de  gevaren,  met  welke  zulke  openbare  samenspre- 
kingen  over  het  Woord  Gods  gepaard  gingen,  was  Laski 
zich  alleszins  bewust,  maar  hij  was  niet  geneigd,  om  hunnent- 
wil eene  inrichting  prijs  te  geven ,  van  welke  hij  de  be- 
ginselen in  do  dagen  der  Apostelen  vond,  en  voor  welker 
rijken  zegen,  mede  voor  zijnen  tijd,  hij  een  geopend  oog  had. 
Hij  beschouwde  het  als  voordeeliger  voor  de  gemeente,  wanneer 
de  vragen,  die  aller  gemoederen  ten  zeerste  in  beweging 
brachten,  —  immers,  wat  in  onze  dagen  de  sociale  kwestie 
is ,  dat  was  destijds  het  godsdienstige  vraagstuk ,  —  in  het 
bijzijn  van  de  dienaren  des  Woorda  en  in  het  openbaar,  in 
tegenwoordigheid  van  de  gemeente,  besproken  werden,  dan 
tehuis  in  de  zwoele  lucht  van  conventikelen,  of  door  dezulken, 
„die  hier  en  daar  in  de  huizen  sluipen."  Dat  is  ook  heden 
ten  dage,  de  vruchtbare  bodem  voor  sekten,  of  ook  wel 
voor  het  ongeloof,  dat  in  de  onwetendheid  der  lieden  ten 
opzichte  van  de  Goddelijke  waarheid  zijn  steunpunt  vindt. 
Laski  kon  die  zegenrijke  inrichting  en  tenuitvoerbren- 
ging van  het  Apostolische  voorschrift,  het  Woord  Gods  rijke- 
lijk onder  ons  te  laten  wonen ,  zooveel  te  eerder  wagen , 
dewijl  hij  zich  daarbg  ondersteund  gevoelde  door  de  voor- 
treffelijke, schier  voorbeeldige  organisatie  van  zijn  gemeente- 


443 

wezen,  die  hij  met  zelfstandige  navolging  van  de  inrichting 
der  vreemdeling-gemeenten  in  Genève  en  in  Straatsburg, 
gelijk  hij  zelf  betuigt,  ')  had  tot  stand  gebracht.  Met  een 
zeker  weemoedig  genot,  als  met  een  soort  van  heimwee, 
beschouwen  wij  haar  gedurende  eenige  oogenblikken. 

„Gelijk  een  huis  niet  zonder  economie,  een  schip  niet  zonder 
stuur,  en  in  het  algemeen  geen  enkele  staat  of  gemcenebest 
zonder  eenig  wettig  bewind  goed  geregeerd  kan  worden, 
noch  ook  langen  tijd  in  stand  kan  blijven,  zoo  is  het  on- 
twijfelbaar zeker,  dat  ook  de  gemeente  van  Christus,  onzen 
Heer,  inzonderheid,  waar  zij  zich  door  zulk  eene  menigte 
van  vijanden  en  van  veelsoortige  gevaren  ziet  omgeven,  noch 
naar  eisch  bestuurd,  nóch  ook  lang  (althans  op  ééne  en 
dezelfde  plaats)  kan  blijven  bestaan  zonder  eene  wettige 
kerkelijke  organisatie,  gelijk  die  door  Christus,  den  Heer, 
is  ingesteld/^  Met  deze  woorden  begint  La  ski  de  inrichting 
zijner  gemeente  op  de  boeiendste  wijze  te  beschijven.  Vcmr 
alle  dingen  acht  hij  het  noodig,  de  bijzondere  deelen  der 
kerkelijke  bediening  [„Ecclesiastici  ministerii"]  op  juiste  wijze 
van  elkander  te  onderscheiden ,  maar  dan  ook ,  dat  elk  in 
dat  gedeelte  van  den  arbeid,  hetwelk  hem,  in  onderscheiding 
van  anderen,  werd  toegewezen,  met  de  grootste  trouw,  zorg- 
vuldigheid en  vlijt  zich  geheel  en  al  aan  zijne  taak  toewijde. 
La  ski  eischt  veel  van  de  verschillende  arbeiders  in  de  ge- 
meente ;  heden  ten  dage  zouden  do  meestcn  van  hen ,  die 
zich  tot  eenen  gelijken  trcffelijken  dienst  geroepen  zien , 
zuchtende  uitroepen,  dat  het  te  veel  is.  En  toch  hebben  die 
mannen  het  ten  uitvoer  gebracht,  en  hebben  bovendien 
hunne  huiselijke  aangelegenheden  goed  bestuurd,  en  zijn  ge- 
trouw de  plichten  van  hun  dagclijksch  beroep  nagekomen, 
en  hebben  daarenboven  het  hoogste  geleerd,  nl.  geen  oogcn- 
blik  te  aarzelen,  om,  ingeval  van  nood,  martelaars  van  hun 
geloof  te  worden.  Eene  rijke  mate  van  plichten  werkt  ver- 
sterkend,   eene    rijke    mate  van  rechten  werkt  verslappend. 

Bij  de  inrichting  zijner  gemeente  gaat  La  ski  tot  op  dpn 

h  Ibid.,  TI,  50. 


444 

Apostolischen  tijd  terug.  De  grondtrekken  dier  inrichting 
bestaan,  volgens  zijne  nieening,  niet  uit  deelen,  die  slechts 
voor  eenen  bepaalden  tijd  voorbijgaande  waarde  en  betee- 
kenis  hebben,  maar  zij  bezit,  in  La  ski's  oog,  een  blijvend 
karakter,  dat  haar  door  den  Heer  zelven,  op  ecne  nog  ten 
deele  waarneembare  wijze,  is  medegedeeld. 

Nadat  allereerst  het  betoog  is  geleverd,  waarom  wij  niet 
langer  Apostelen  kunnen  hebben,  gelijk  er  waren  ten  tijde 
van  de  stichting  der  Kerk,  en  dat  wij  daarom  ook  op  een 
deel  van  hunne  gaven  niet  meer  mogen  aanspraak  maken, 
toont  L  a  s  k  i  aan,  dat  voor  den  voortgezettcn  arbeid  aan  het 
gebouw,  welks  grondsteen  Christus  is,  drie  verschillende 
soorten  van  bouwlieden  noodig  zijn:  de  dienaren  des  Woords, 
of  de  herders  en  leeraars ,  en  aan  hunne  zijde,  als  een  soort 
van  wachters  in  de  gemeente ,  de  ouderlingen  („presbyters") 
en  de  diakenen.  De  herders  en  leeraars  behooren  tot  de 
kerkelijke  regeering  („magistratus"),  welke  uit  de  ouderlingen 
is  samengesteld;  de  zorg  voor  de  leiding  en  instandhouding 
der  Kerk  komt  hun  alleen  in  de  gemeenschap  („coetus^') 
met  de  ouderlingen  toe,  en  het  tusschen  hen  aanwezige 
onderscheid  bestaat  enkel  daarin,  dat  hun  in  het  bijzonder 
de  arbeid  in  het  Woord  en  in  de  leer  is  toevertrouwd. 
Daarom  wordt,  in  den  Apostolischen  tijd,  ook  aan  de  her- 
ders en  leeraars  zelven  de  naam  van  ouderlingen  („presby- 
ters") gegeven ,  en  Petrus ,  als  hij  tot  de  ouderlingen  spreekt, 
noemt  zich  hun  medoouderling  [verg.  I  Petr.  5  :  1].  Deze  drie 
ambten  komen  nu  in  de  vreemdeling-gemeente  te  Londen  op 
de  navolgende  wijze  tot  ontwikkeling. 

Allereerst  wordt  in  het  licht  gesteld,  dat  in  de  gemeente 
de  geheele  leiding  in  de  hand  van  twee  ambten,  nl.  der 
ouderlingen  en  der  diakenen,  berust.  De  raad  („coetus") der 
ouderlingen  is  weder  verdeeld  in  ouderlingen ,  die  tegelijker- 
tijd met  den  dienst  des  Woords  belast  zijn,  en  eenvoudige 
oudsten  uit  de  gemeente.  Aan  het  hoofd  van  dezen  raad 
staat  de  superintendent,  niet  boven  den  genoemden  raad 
vorheven,  maar  uit  zijn  midden  en  door  hem  tot  voorzitter 
gekozen,    en    door    den    Koning    als    zoodanig  uitdrukkelijk 


445 

erkend,  zonder  eenige  bijzondere  voorrechten  met  betrekking 
tot  de  bediening  des  Woords  en  der  Sacramenten,  of  wat 
betreft  de  kerkelijke  tucht,  aan  welke  ook  hij,  gelijk  ieder 
ander  gemeentelid,  onderworpen  is. 

Met  grooten  ernst  gaat  men  te  werk  bij  de  keuze  van 
eenen  bedienaar  desWoords.  Is  eene  dergelijke  keuze 
op  handen,  dan  wordt  voor  de  geheele  gemeente  een  vast- 
en bededag  verordend.  Op  zulk  eenen  dag  komt  de  gemeente 
des  morgens  te  negen  uren  in  het  bedehuis  bijeen,  en  na  het 
zingen  van  een  lied  houdt  één  der  leeraren  van  den  kansel 
eene  toespraak ,  in  welke  de  geheele  betcokonis  dor  keus  on 
de  vereischten  van  eenen  degelijken  prediker  aan  de  ge- 
meente met  ernstige  woorden  op  het  gemoed  worden  gedrukt.  >) 
Aan  het  eind  dezer  rede,  en  voordat  de  andere,  gewone 
kerkelijke  gebeden  plaats  hebben,  noodigt  de  voorganger  de 
gemeente  uit,  om  in  het  bijzonder  te  bidden  voor  den  goeden 
uitslag  der  verkiezipg,  en  gaat  hij  haar  voor  in  het  navol- 
gende gebed,  dat  wel  waard  is,  ook  door  ons  behartigd  te 
worden:  „Heere  God,  onze  Vader,  die  in  de  hemelen  zijt, 
door  wiens  onverdiende  gunst  het  alleenlijk  geschiedt,  dat 
wij  goede  en  getrouwe  dienaren  in  de  gemeente  hebben, 
en  zonder  wiens  hulp  alle  menschelijke  inspanning  vol- 
strekt niets  vermag,  zoodat  wij  ook  uit  ons  zelven  gansche- 
lijk  niet  in  staat  zijn,  om  rechtmatige  dienaren  uwer 
gemeente  te  verkiezen,  —  wij  smeeken  van  uwe  goedertie- 
renheid ,  o  heiligste  Vader ,  dat  het  U  behago,  om  aan  deze 
onze  gemeente,  welke  U,  in  vereeniging  met  uwen  eeniggeboren 
Zoon  en  den  Heiligen  Geest,  als  haren  éénigen,  waarach- 
tigen  en  eeuwigen  God  erkent  en  belijdt,  en  voor  welke 
deze  uw  Zoon  zelf  niet  geaarzeld  heeft,  zijn  onschuldig  bloed 
te  vergieten ,  vrome ,  getrouwe  en  vlijtige  dienaren  to  schen- 
ken, die  hun  ambt  overeenkomstig  uwen  Goddelijken  wil, 
tot  roem  van  uwen  naam  en  tot  stichting  van  onze  gemeente 
vervullen.  Regeer  en  bestuur  ons  aller  harten,  overleggingen 
en  stemmen  bij  deze  verkiezing,  opdat  wij,  alleenlijk  uwen 


1)  Ibid.,  JI,  53  vg. 


446 

roem  beoogende,  dezulken  tot  dienaren  onzer  gemeente  ver- 
kiezen, die,  daar  zij  ook  zelven  bovenal  de  eer  uws  naams 
bedoelen ,  hunnen  dienst  naar  behooren  en  getrouwelijk  waar- 
nemen. Verhoor  ons ,  zóó  bidden  wij  U,  o  allergoedertierenste 
Vader,  die  wij  uwe  Goddelijke  hulp  ootmoedig  afsmeeken 
door  den  dierbaren  naam  van  Jezus  Christus,  uwen  Zoon, 
onzen  Heer.    Amen." 

Na  dit  gebed  en  de  gewone  voorbeden  laat  de  voorganger 
de  gemeente  huiswaarts  gaan  met  de  vermaning,  om  dien 
geheelen  dag,  tot  aan  den  avond,  zich  van  spijs  en  drank 
te  onthouden,  en  den  dag  in  het  gebed  en  het  lezen  van 
het  Woord  Gods  door  te  brengen.  Slechts  ingeval  de  gezond- 
heid zulks  bepaaldelijk  vereischt^  ^^ë^  ™^^  ^^  grootst  mogelijke 
matigheid ,  eenig  voedsel  genomen  worden ,  opdat  de  gcheele 
dag  aan  het  gebed  en  den  dienst  van  God  zij  toegewijd. 
Des  namiddags  kwam  de  gemeente  andermaal  in  de  kerk  te 
zamen,  ten  einde  tot  hare  stichting  nog  nader  bepaald  te 
worden  bij  de  roeping  eens  Evangeliedienaars  volgens  de  Hei- 
lige Schrift.  In  den  loop  dier  zelfde  week  dient  ieder  gemeen- 
telid  schriftelijk  bij  den  kerkeraad  den  naam  in  van  den 
candidaat,  aan  wien  hij  zijne  stem  wcnscht  te  geven.  In  do 
daarop  volgende  week  komen,  op  den  vastgestclden  verkie- 
zingsdag,  de  leeraren,  ouderlingen  en  diakenen  in  de  kerk 
bijeen,  onderzoeken  de  stembriefjes,  en  spreken  hun  gevoelen 
uit  over  die  candidaten,  welke  de  meeste  stemmen  verkregen 
hebben.  De  zitting  wordt  niet  opgeheven,  vóór  en  aleer  de  aan- 
wezigen het  onderling  eens  zijn  geworden  over  de  keuze  van 
éénon  uit  die  candidaten,  welke  de  meeste  stemmen  verkregen 
hebben.  Daarop  wordt  de  gekozene  uitgenoodigd ,  om  in  de 
vergadering  te  verschijnen ,  en  hem  al  datgene  voorgehouden, 
wat  in  deze  betrekking  van  hem  verwacht  wordt.  Ingeval 
hij  zich  daarop  bereid  verklaart,  om  het  moeielijke,  maar 
kostelijke  ambt  te  aanvaarden,  dan  wordt  op  den  volgenden 
Zondag,  aan  het  einde  der  voormiddag-godsdienstoefening, 
mededeeling  van  deze  keuze  aan  de  gemeente  gedaan,  en 
de  gekozene  aan  haar  voorgesteld,  terwijl  daarbij  echter  te- 
vens aan  haar  wordt  bekend  gemaakt,  dat,  bijaldien  iemand 


447 

in  de  gemeente  eenig  bezwaar^  hetzij  met  betrekking  tot  de 
leer ,  of  tot  den  wandel  van  den  gekozene ,  heeft  in  te  bren- 
gen, hij  daarvan  in  den  loop  der  week  bij  den  kerkeraad 
aangifte  moet  doen.  Wordt  zulk  een  bezwaar  als  gegrond 
erkend ,  dan  vervalt  de  gedane  keuze,  en  de  kerkeraad  gaat 
over  tot  eene  nieuwe  verkiezing  uit  het  getal  der  overige 
eandidaten,  die  het  grootste  aantal  stemmen  op  zich  veree- 
nigd  hebben.  Indien  er  echter  binnen  den  bepaalden  tijd  geen 
enkel  gegrond  bezwaar  is  ingediend,  dan  gaat  de  kerkeraad 
over  tot  de  bevestiging  van  den  gekozene,  nadat  vooraf  de 
koninklijke  approbatie  verkregen  is. 

Op  eene  even  ernstige,  plechtige  wijze,  die  een  alleszins 
welsprekend  en  treffend  getuigenis  er  van  aflegt,  hoe  zeer 
de  geheele  gemeente  doordrongen  was  van  de  hooge  betee- 
kenis  harer  taak,  had  vervolgens  ook  de  bevestiging  van  den 
gekozene  plaats.  Op  den  Zondag  zijner  bevestiging,  „nadat 
de  openbare  gebeden  der  gemeente  geëindigd  zijn,  alvorens 
de  psalm  wordt  aangeheven ,''  plaatst  de  benoemde  zich,  op 
uitnoodiging  van  den  voorganger,  in  het  midden  van  de  andere 
leeraren  en  de  oudsten  der  gemeente,  zoodat  hij  door  de 
geheele  vergadering  gezien  kan  worden.  Na  eenige  korte 
woorden  ter  inleiding  richt  de  dienstdoende  leeraar  aan  den 
kerkeraad  de  vraag,  of  alles  zich  volgens  het  aan  de  ge- 
meente geschonkene  privilegie  heeft  toegedragen.  Na  een 
toestemmend  antwoord  ontvangen  te  hebben,  wendt  hij  zich 
tot  den  gekozene,  en  geeft  hem  met  enkele  woorden  te  ken- 
nen ,  dat  hij ,  alvorens  door  handoplegging,  volgens  de  wijze 
der  Apostelen,  tot  zijne  openlijke  wijding  over  te  gaan,  in 
de  tegenwoordigheid  van  God  en  zijne  gemeente  eenige 
vragen  tot  hem  moet  richten.  Het  zijn  vier  belangrijke  vragen, 
van  welke  de  eerste  b.  v.  aldus  luidt:  „Gevoelt  gij  den 
ademtocht  des  Heiligen  Geestes  in  uw  hart,  die  u  aanspoort, 
om  den  u  voorgestelden  dienst  in  deze  gemeente  te  aan- 
vaarden, en  wel  alzoo,  dat  gij  in  deze  bediening  niet  eenig 
voordeel  voor  u  zelven,  noch  ook  uwen  eigenen  roem  beoogt, 
maar  alleen  de  eere  Gods  en  den  wasdom  van  het  rijk  van 
Christus  in  zijne  gemeente  door  de  prediking  en  de  verbrei- 


448 

ding  van  zijn  Evangelie  in  uwe  bediening?  Ziedaar  hetgeen 
ik  thans,  in  de  tegenwoordigheid  van  God,  die  alle  dingen 
ziet  en  weet,  en  van  deze  zijne  geheele  gemeente,  van  u 
wensch  te  vernemen,  tot  stichting  der  gemeente  en  tot  be- 
vestiging van  uwe  bediening  in  haar  midden/^  ^)  —  Hierop 
moest  de  gekozene  antwoorden:  „Ik  gevoel  dien  ademtocht, 
en  ik  bid  God,  dat  het  Hem  behage,  om  datgene,  wat  Hij 
in  ons  begonnen  heeft,  ook  voort  te  zetten  en  te  voleindigen 
door  Christus,  tot  roem  van  zijnen  heiligen  naam.  Amen." 
De  tweede  vraag  liep  hierover,  of  hij  aan  de  leer  der  Pro- 
feten en  der  Apostelen  in  het  Oude  en  Nieuwe  Verbond,  als 
het  óénige,  waarachtige  en  volkomenste  fundament  der  ge- 
meente Gods  in  Christus  geloofde,  als  behelzende  alles,  wat 
noodig  is  tot  de  zaligheid,  welker  aanvang,  midden,  hoofd 
en  einde  alleen  Jezus  Christus  is.  De  derde  vraag  handelde 
hierover,  of  hij  op  zoodanigen  grond  zijnen  dienst,  naar  zijn 
beste  vermogen,  waarnemen  en  aan  de  gemeente  goud,  edel- 
gesteenten en  zilver  aanbieden,  haar  daarentegen  voor  hout, 
hooi  en  stoppelen  bewaren  wilde.  De  vierde  vraag  eindelijk 
kwam  hierop  neder,  of  hij  bereid  was,  om  zich,  evenals  ieder 
ander  lid  der  gemeente,  in  voorkomende  gevallen  aan  de  ker- 
kelijke tucht  te  onderwerpen. 

Nadat  alle  vragen  toestemmend  beantwoord  zijn,  noodigt 
de  bevestiger  de  gemeente  uit  tot  het  gebed,  naardien  God 
enkel  aan  het  willen  het  volbrengen  verleencn  kan.  Daarop 
naderen  alle  de  predikanten  en  de  ouderlingen  der  gemeente 
den  gekozene,  en  leggen  tegelijkertijd  hunne  rechterhand  op 
zijn  hoofd,  terwijl  de  dienstdoende  leeraar  met  luider  stem 
de  navolgende  woorden  spreekt:  „Onze  God  en  hemelsche 
Vader,  die  u  tot  den  dienst  zijns  Woords  in  deze  zijne  ge- 
meente geroepen  heeft,  verlichte  u  door  zijnen  Heiligen  Geest, 
versterke  u  door  zijne  machtige  hand,  en  regeere  en  besture 
uwe  bediening  alzóó,  dat  gij  daarin  ten  allen  tijde  getrouw 
en   met    vrucht    kunt    arbeiden  tot  uitbreiding  van  het  rijk 

[})  Lat.:  „ad  Ecclesiae  aedificationem  et  vestri  ia  illa  ministerii  approbatio- 
nem."  Hoogd.:  „zar  Erbaaang  der  Gemeinde  und  als  Zustimmung  zu  diesem 
deinem  Dienste  in  ihr."  —  V  e  r  t.] 


449 

zijns  eeniggeboren  Zoons  in  zijne  gemeente  door  de  predi- 
king van  zijn  Evangelie,  welke  Hij  verordineerd  heeft,  door 
denzelven,  zijnen  eeniggeboren  Zoon,  Jezus  Christus,  onzen 
Heer  en  Zaligmaker.  Amen."   ') 

Alsnu,  na  volbrachte  wijding,  richt  de  voorganger  zich  we- 
der tot  de  gemeente,  wijst  haar  op  hare  plichten  ten  aanzien 
van  den  prediker,  en  wekt  haar  op,  om  zonder  aflaten  voor 
hare  leeraren  te  bidden.  Het  laatste,  aangrijpend  schoone 
woord  betreft  den  pas  bevestigden  ambtsbroeder:  „Zoo  heb 
dan  acht  op  u  zelven,  geliefde  Broeder,  en  zie  toe,  dat  gij  in 
deze  uwe  roeping  waardiglijk  wandelt,  gelijk  het  eenen  ge- 
trouwen dienaar  van  Christus,  den  Heer,  betaamt.  Weid  de 
kudde  van  Christus,  welke  u  is  toevertrouwd,  en  draag  zorg 
voor  haar,  niet  als  uit  bedwang,  maar  gewillig,  niet  om 
vuil  gewin,  maar  met  een  onbaatzuchtig  hart;  matig  u  ook 
geene  heerschappij  aan  over  de  gemeente',  maar  wees  als 
een  voorbeeld  der  kudde.  Laten  de  onspoeden  —  op  welke 
gij  u  steeds  moet  voorbereid  houden,  —  u  den  moed  niet 
benomen.  Verdraag  moedig  en  standvastig,  met  alle  lijd- 
zaamheid, de  verachting,  de  smaadheden  en  lasteringen 
van  de  dienaren  der  wereld,  ja,  verblijd  u  daarover j 
terwijl  gij  u  zelven  het  voorbeeld  van  alle  profeten  en 
apostelen  en  bovenal  van  Christus,  onzen  Heer  zelven,  voor 
oogen  stelt.  Betoon  u  een  getrouw  en  naarstig  medearbeider 
van  Christus,  den  Heer,  en  van  den  Heiligen  Geest,  die  de 
wereld  zoekt  te  overtuigen  van  zonde,  en  van  gerechtigheid, 
en  van  oordeel.  Word  niet  overmoedig,  wanneer  u  soms  iets 
naar  wensch  gelukt,  of  wanneer  voorspoed  op  eenigerlei  wijze 
uwe  pogingen  bekroont;  verlang  nog  veel  minder  naar  de 
schatten  of  de  eerbewijzingen  dezer  wereld,  opdat  gij  niet, 
daardoor  bedwelmd,  eindelijk  insluimert,  en  intusschen  de 
vijand  komt,  die,  terwijl  gij  «laapt,  onkruid  zaait  in  uwen 
akker.  Vertroost  de  bedrukten,  ondersteun  de  behoeftigen, 
zooveel  gij  vermoogt,  en  spoor  met  allen  ijver  anderen  aan, 
om  evenzoo  te  handelen.    Kortom ,  wees  indachtig  aan  de  u 

[')    Verg.    bierbij,  en  bij  de  volgende  toespraak,  het  „Formulier"  der  Ned. 
HerT.  kerk,  „om  te  bevestigen  de  dienaren  des  Goddelijlcen  Woords."  —  Vert.] 
DALTON.  29 


450 

ê 

to  dezen  aanzien  toeyertrouwde  talenten,  dat  gij  daarmede 
woekert,  en  ze  niet,  in  eenen  zweetdoek  gewikkeld,  in  de 
aarde  verbergt.  Leg  er  u  op  toe,  dat  gij  door  uwen  ijver 
en  uwe  inspanning  nog  meer  andere  talenten  voor  onzen  ge- 
meenschappelijkcn  Heer,  door  zijne  genade,  moogt  gewinnen. 
Alzoo  toch  zal  het  geschieden,  dat  gij  eenmaal,  aan  het 
einde  van  al  uwen  arbeid,  wanneer  de  opperste  en  eeuwige 
Herder  verschenen  zal  zijn,  de  onverwelkelijke  kroon  der 
heerlijkheid  zult  behalen,  en  ten  aanhooren  van  de  geheele 
wereld  die  liefelijkste  aller  roepstemmen  vernemen  zult :  Wel, 
gij  goede  en  getrouwe  dienstknecht !  ga  in  in  de  vreugde  uws 
Heeren.  Onze  God  en  hemelsche  Vader  schenke  ons,  naar 
zijne  oneindige  barmhartigheid,  dat  wij  allen  eenmaal  dat 
zelfde  woord  mogen  vernemen,  om  den  wille  van  zijnen  ge- 
liefden Zoon,  onzen  Heer.  Amen.'^  Daarmede  eindigde  de 
ernstige,  eerbiedwekkende  plechtigheid. 

De  beschrijving  van  de  bevestiging  eens  Evangeliedie- 
naars is,  naar  ik  vrees,  bijkans  al  te  uitvoerig  geworden. 
De  dienstvaardige  pen  wilde  haren  loop  niet  staken,  alvorens 
zij  het  geheele  aangrijpende  beeld  had  vastgehouden,  en  nu 
blijve  het  dan  ook  onuitgewischt  staan,  en  zij  het  ons,  ge- 
roepen dienaren  des  Woords,  als  een  spiegel  uit  die  groote 
dagen  van  de  gronding  onzer  dierbare  Evangelische  kerk 
voorgehouden !  Zoowel  wij,  herders,  als  ook  onze  gemeenten, 
wij  hebben  in  onze  dagen  dringend  behoefte,  in  zulk  eenen, 
met  behulp  van  het  Woord  Gods  helder  gepolijsten  spiegel 
telkens  bij  vernieuwing  te  starpn. 

De  verkiezing  van  eenen  Ouderling,  of  van  eenen 
Diaken  had  op  eene  even  ernstige,  innig  stichtelijke  wijze 
plaats,  slechts  eenigszins  gewijzigd,  overeenkomstig  den  ver- 
schillenden aard  der  bijzondere  verplichtingen.  Ook  aan  hunne 
verkiezing  ging  een  algemeone  vast-  en  biddag  vooraf,  want 
ook  hunne  bediening  werd  als  een  goddelijke  dienst  beschouwd, 
en  als  van  niet  minder  belang  voor  de  gemeente,  dan  het 
ambt  van  den  dienaar  des  Woords.  Bij  gelegenheid  van  de 
godsdienstoefening  op  dezen  vastendag  werd  de  aandacht  der 


451 

gemeente  bepaald  bij  de  plichten  der  ouderlingen  of  der 
diakenen  volgens  het  Woord  Gods.  Met  betrekking  tot  do 
ouderlingen  werd  aangetoond,  dat  zij,  in  verceniging  met  de 
Evangeliedienaren ,  al  hun  zorg  en  toezicht,  ten  aanzien  van 
de  leiding  der  gemeente,  op  de  bewaring  van  de  zuiverheid 
der  leer,  op  de  bediening  van  de  sacramenten  overeenkomstig 
hunne  instelling,  en  op  de  uitoefening  van  de  kerkelijke  tucht 
te  richten  hadden.  Ze  zijn  verplicht,  op  het  leven  en  den 
wandel  der  geheele  gemeente,  en  van  elk  harer  leden  in 
het  bijzonder  een  wakend  oog  te  houden,  en  zoowel  in  het 
verborgen,  als  in  het  openbaar  te  vermanen  en  te  berispen, 
alsmede  toe  te  zien  op  de  leer  en  den  wandel  der  predi- 
kanten, en  voorts  iederen  twist,  elke  verdeeldheid  in  de 
gemeente,  in  de  huisgezinnen  en  tusschen  bij^sondere  per- 
sonen te  beslechten,  opdat  de  gemeenteleden  zoo  zelden 
mogelijk  genoodzaakt  zijn,  om  tot  de  openbare  rechtban- 
ken hunne  toevlucht  te  nemen.  In  vereeniging  met  de 
dienaren  des  Woords,  hebben  de  ouderlingen  het  opzicht 
over  de  geheele  gemeente;  tegelijkertijd  zijn  zij  echter  ook, 
de  mond  en  hand  der  geheele  gemeente  tegenover  de 
predikanten  en  alle  degenen,  die  een  openlijk  ambt  in  de 
gemeente  bekleeden.  Vervolgens  werden  do  eigenschappen 
opgenoemd ,  die  een  ouderling  als  zoodanig  bezitten  moet. 
Wel  staat  hij,  wat  geleerdheid  betreft,  niet  gelijk  met 
den  Evangeliedienaar,  maar  toch  mag  hij  voor  dezen  niet 
onderdoen  in  ernst  van  karakter,  in  bedachtzaamheid,  in 
reinheid  van  wandel,  in  praktische  ervaring  en  in  kloek- 
zinnigheid,  allerminst  in  godvruchtigen  ijver.  Daarop  werd, 
ten  slotte,  aan  de  gemeente  onder  het  oog  gebracht,  hoe  zij 
zich  tegenover  de  ouderlingen  had  te  gedragen,  dat  deze 
laatsten,  evenals  de  dienaren  des  Woords,  in  groote  waarde 
behoorden  gehouden  te  worden,  dat  men  naar  hunne  ver- 
maningen luisteren  en  hunne  verordeningen  opvolgen  moest. 
Was  op  zulk  eenen  vastendag  de  verkiezing  van  diakenen 
aan  de  orde,  dan  werd  de  gemeente  er  allereerst  op  gewezen, 
dat  ook  dit  ambt  van  Apostolischen  oorsprong  is,  en  dat, 
wanneer  er  reeds  onder  het  volk  Gods  volstrekt  geene  bede- 


452 

laars  mochten  zijn,  op  eene  Christelijke  gemeente  nog  zooveel 
^  te  meer  de  verplichting  rust,  om  voor  hare  armen  te  zorgen, 
hetgeen  slechts  door  het  ambt  der  diakenen  naar  eisch  ge- 
schieden kan.  Het  is  hunne  taak,  met  onverdroten  ijver  de 
aalmoezen  in  te  zamelen,  en  die  getrouw  en  bedachtzaam 
te  verdeelen.  Tot. diakenen  zijn  bij  voorkeur  mannen  te  ver- 
kiezen van  beproefde  oprechtheid  des  geloofs,  van  erkende 
reinheid  van  wandel,  die  aan  het  voorbeeld,  ons  door  den 
Apostel  Paulus  [I  Tim.  3]  geschetst,  beantwoorden.  Ten 
laatste  wordt  aan  de  gemeente  voorgehouden,  hoe  zij  zich 
jegens  de  diakenen  heeft  te  gedragen:  gewilliglijk  en  onbe- 
krompen offere  zij  hare  liefdegaven,  en  toone  zich  er  aan 
indachtig,  dat  hetgeen  zij  bezit  het  eigendom  is  van  God, 
en  zij  slechts  beheerderesse  daarvan,  geroepen  om  eenmaal 
rekenschap  dienaangaande  af  te  leggen.  De  rijken  moesten 
wèl  bedenken,  dat  het  niet  geheel  hetzelfde  is,  of  zij  zelven, 
dan  wel  de  diakenen  de  aalmoezen  verdeelen.  Alle  dingen 
toch  behooren  tot  stichting  der  gemeente  te  geschieden;  aan 
die  stichting  is  het  echter  niet  bevorderlijk,  wanneer  met  de 
aalmoezen  luiaards  en  lediggangers  gevoed  worden.  l)at  ver- 
hoedt de  zorgvuldigheid  der  armverzorgers ,  die  door  de  ge- 
meente verordineerd  zijn.  Het  is  de  plicht  der  armen  ten 
opzichte  van  de  diakenen  en  van  de  geheele  gemeente,  zich 
er  op  toe  te  leggen,  dat  zij  niet  langer  behoeven  te  ontvan- 
gen, maar  zelven  in  staat  zijn  te  geven.  De  christen  behoeft 
zich  over  zijne  armoede  niet  te  schamen,  want  het  is  eene 
beschikking  van  Gods  voorzienigheid,  dat  sommigen  rijk, 
anderen  arm  zijn;  hetgeen  de  armen  ontvangen,  moeten  zij 
met  dankbaarheid  en  bescheidenheid  aannemen,  en  zich  tot 
hunnen  troost  ten  allen  tijde  het  voorbeeld  van  Christus,  den 
Heer,  voor  oogen  stellen,  die  om  onzentwille  vrijwillig  arm 
is  geworden.  Zij  moesten  bedenken,  dat  zij  de  gaven  als  uit 
Gods  hand  ontvangen,  en  dat  zij  die  dus  ook  als  gaven  Gods 
hebben  te  gebruiken,  zonder  morren,  met  matigheid,  slechts 
tot  hunne  nooddruft,  maar  niet  tot  overdaad,  want  ieder 
misbruik  van  de  aalmoezen  is  eene  zonde  tegen  God. 

De  verkiezing  van  ouderlingen  en  van  diakenen  had  plaats 


453 

op  gelijke  wijze,  als  de  keuze  van  eenen  dienaar  des  Woords. 
Desgelijks  ook  de  bevestiging  in  het  ambt,  natuurlijk  be- 
houdens de  noodige  wijziging  in  de  voorgestelde  vragen, 
overeenkomstig  den  verschillenden  aard  der  bedieningen.  Aan 
do  ouderlingen  werd  gevraagd,  of  zij  zich  door  den  adem- 
tocht des  Heiligen  Geestes  innerlijk  voelden  aangedreven,  om 
deze  bediening  te  aanvaarden;  voorts,  of  zij  geloofden,  dat 
de  leer  der  profeten  en  der  apostelen,  begrepen  in  de  heilige 
Schriften,  en  op  den  uitersten  hoeksteen,  Jezus  Christus,  be- 
rustende, alles  in  zich  bevat,  wat  noodig  is  tot  onze  behou- 
denis, en  dat  zij  de  volkomene  leer  is  tot  zaligheid  voor  een 
iegelijk,  die  gelooft;  en  eindelijk,  of  zij  bereid  waren,  zich 
met  al  hunne  krachten  aan  hunnen  dienst  te  wijden,  met 
raad  en  daad  de  predikers  des  Woords  ter  zijde  te  staan, 
en  door  het  voorbeeld  van  eenen  zuiveren  levenswandel  den 
opbouw  der  gemeente  te  bevorderen ,  maar  ook ,  ingeval  zij 
zei  ven  zich  kwamen  te  ontgaan,  zich  aan  de  kerkelijke  tucht 
te  onderwerpen.  Bij  de  wijding  tot  het  diakenschap  zijn. de 
beide  eerstgenoemde  vragen  nagenoeg  gelijkluidend;  daarop 
volgt  de  nadere  vraag,  of  zij  bereid  zijn,  om,  overeenkom- 
stig hunne  roeping,  de  aalmoezen  tot  ondersteuning  der 
armen  naarstig  en  zorgvuldig  te  verzamelen,  en  de  inge- 
zamelde giften  getrouwelijk,  in  de  vreeze  des  Hoeren,  op 
verstandige  wijze,  met  alle  zachtmoedigheid,  vriendelijk- 
heid en  bescheidenheid  onder  de  behooftigen  te  verdeelen, 
zonder  zich  daarbij  te  laten  leidep/door  eenige  overweging 
van  liefde  of  van  haat  jegens  i^  id ,  maar  alleen  met  het 
oog  op  ieders  behoefte  en  nood.  aft;  en  eindelijk,  of  zij  ge- 
zind zijn,  deze  hunne  bediening  zelve  door  een  deugdzaam 
en  godzalig  leven  en  door  de  vervulling  van  de  plichten  der 
christelijke  godsvrucht  en  liefde,  naar  hun  beste  vermogen, 
tot  stichting  der  gemeente  te  versieren,  maar  ook,  zich  aan 
de  kerkelijke  tucht  te  onderwerpen,  ingeval  zij  zich  kwamen 
te  ontgaan. 

Beiden,  ouderlingen  en  diakenen,  werden,  na  de  voorge- 
stelde vragen  toestemmend  beantwoord  te  hebben,  op  gelijke 
wijze    als    de  dienaren  des  Woords,  door  handoplegging  on 


454 

zegenbede,  plechtig  in  hun  ambt  bevestigd.  Ten  slotte  ont- 
vingen zij,  die  in  één  der  beide  bedoelde  ambten  bevestigd 
waren,  in  tegenwoordigheid  der  gemeente  nog  voortreffelijke 
wenken  met  betrekking  tot  de  waarneming  hunner  bediening. 
De  ouderlingen  werden  aangespoord,  om  zich  niet  te  laten 
ontmoedigen  door  de  verachting  en  den  haat  dezer  wereld; 
om,  zonder  aanzien  des  persoons,  allen,  die  op  eenigerlei  wijze 
aan  de  gemeente  ergernis  geven,  gelijkelijk  te  vermanen,  terecht 
te  wijzen  en  volgens  het  gebruik  van  de  kerkelijke  tucht  te 
bestraffen ;  om  op  de  leer,  de  zeden  en  den  geheelen  levens- 
wandel, niet  alleen  van  de  massa  des  volks  in  de  gemeente, 
maar  ook  inzonderheid  van  alle  hare  dienaren  nauwkeurig 
acht  te  geven ;  om,  in  vereeniging  met  de  predikers  des  Woords, 
de  wolven  van  de  kudde  verwijderd  te  houden;  om  zei  ven, 
door  de  zuiverheid  en  godzaligheid  van  hunnen  wandel  en 
de  betooning  hunner  christelijke  liefde  boven  de  geheele  ge- 
meente uit  te  blinken,  en  eindelijk,  om  de  talenten,  die  hun 
zijn  toevertrouwd,  hetzij  ze  vele,  of  ook  slechts  weinige  zijn, 
in  hunne  bediening  op  woeker  te  stellen,  opdat  zij  een- 
maal, bij  de  verschijning  van  Christus,  den  Heer,  de  kroon 
der  eeuwige  heerlijkheid  mogen  verkrijgen.  —  De  pas  be- 
vestigde diakenen  werden  opgewekt ,  om  de  vroomheid ,  de 
standvastigheid  en  het  geloof  van  eenen  Stefanus,  niet  daar- 
entegen het  bedrog  en  de  geveinsdheid  van  eenen  Judas  zich 
ter  navolging  voor  te  stellen;  om  met  ijver  en  getrouwheid 
hunne  bediening  waar  te  nemen,  en  zich  de  onwaarheden 
en  smaadredenen  der  menschen  niet  aan  te  trekken.  De  god- 
vruchtigen  hadden  nu  eenmaal  geen  ander  loon  dan  dit  van 
deze  wereld  te  verwachten.  Maar  zij  moesten  ten  allen  tijde 
het  oog  gevestigd  houden  op  Hem,  die  hunne  bediening  ver- 
ordend heeft,  dewelke,  daar  Hij  getrouw  is,  ook  zal  maken, 
dat  zij  dat  alles  tot  overvloedig  voordeel  voor  de  gemeente 
verdragen  kunnen,  en  die  eenmaal,  indien  zij  althans  vol- 
harden, tot  hen  zeggen  zal:  „Komt,  gij  gezegenden  mijns 
Vaders!  beërft  het  koninkrijk.'' 

Gelijk    door   eenen    rooden   inslagdraad,    die    het  weefsel 


455 

bijeenhoudt,  zoo  is  de  geheele  gemeente-inrichting  door  de 
kerkelijke  tucht  als  doorweven.  Wij  hebben  gezien , 
hoe  niemand  in  de  gemeente  wordt  opgenomen,  die  zich 
niet  vrijwillig  aan  hare  tucht  onderwerpt,  en  ook  de  nieuwe 
lidmaten  der  gemeente  worden  slechts  onder  deze  voorwaarde 
voor  de  eerste  maal  tot  het  heilig  Avondmaal  toegelaten. 
De  predikant,  de  ouderling^  de  diaken  aanvaarden  hun 
ambt  slechts  onder  deze  voorwaarde,  dat  zij  bereid  zijn, 
zich  aan  de  kerkelijke  tucht  te  onderwerpen.  Zij  is  de  hart- 
ader  van  het  geheele  organisme.  Met  heiligen  ernst  heeft 
onze  vriend  reeds  in  Oost-Friesland  voor  hare  regeling  en 
instandhouding  gestreden,  en  haar  te  Londen  doorgezet. 
La  ski  kon  deze  zaak  doorzetten,  dewijl  hij  hier  niet  eene 
landskerk  had  met  territoriaal-d  wang,  maar  eene  gemeente, 
wier  leden  zich  vrijwillig  aan  hare  instellingen  onderwierpen, 
en  wien  het  ook  ten  allen  tijde  vrijstond,  weder  uit  haar 
verband  uit  te  treden  en  zich  aan  de  naaste  parochie  der 
Engelsche  kerk  aan  te  sluiten.  Niet  ieder  vreemdeling  als 
zoodanig  was  lid  van  deze  vreemdeling-gemeente,  maar  slechts 
diegene  onder  hen,  die  bereid  was,  om  de  reeds  genoemde 
verplichtingen  van  een  gemeentelid  te  vervullen.  Telken 
jare  diende  de  gemeente  eene  opgave  van  de  namen  harer 
Avondmaalgangers  bij  den  bisschop  van  Londen  in,  opdat 
deze  zou  kunnen  zien,  welke  vreemdelingen,  als  niet  tot 
deze  gemeente  behoorende,  onder  zijn  geestelijk  opzicht 
stonden.  ^)  Zeer  nauwkeurige  wetten  regelden  deze  verhou- 
dingen ,  door  welke  het  tevens  alleen  mogelijk  was ,  de  ge- 
meente tegen  sektarissen  te  beschermen.  ^) 

Het  begrip  der  kerkelijke  tucht  wordt  door  L  a  s  k  i  in  deze 
bewoordingen  samengevat,  dat  zij  eene  zekere,  aan  de  H.  Schrift 
ontleende  instelling  is,  volgens  welke,  met  trapsgewijze  op- 
klimming, alle  broederen  in  de  gemeente  van  Christus  elkan- 
der, overeenkomstig  hot  Woord  van  God,  christelijk  hebben 
te  vermanen,  opdat  zoowel  het  geheele  lichaam  en  alle  zijne 
leden,  elk  in  zijnen  bijzonderen  werkkring,  voor  zoover  zulks 

O  Kuypcr,  II,  136. 
>)  Ibid.,  p.  236  sq. 


4S6 


mogelijk  ia,  worden  bijeengehouden,  als  ook  opdat,  indien 
er  wellicht  sommigen  in  de  gemeente  gevonden  worden,  die 
dergelijke  vermaningen  hardnekkig  versmaden,  dezulken  ten 
laatste,  door  uitsluiting  uit  haar  midden,  aan  den  Satan 
worden  overgegeven  (I  Cor.  5  :  5) ,  of  misschien  ook  nog 
door  zulk  eene  beschaming  het  vleesuh,  wat  zijne  begeer- 
lykheden  betreft,  in  hen  te  niet  gedaan,  de  geest  daarentegen 
eindetijk  tot  bekeering  geroepen  en  alzoo  nog  behouden 
worden  mocht.  •)  ïe  ver  zou  het  ons  voeren,  indien  wg 
de  nadere  toelichting  dezer  stelling,  gelyk  die  dnor  Laski 
in  het  breede  gegeven  wordt,  te  dezer  plaatse  wilden  mede- 
deelen;  wij  hebben  ons  hier  slechts  bezig  te  houden  met  de 
wijze,  waarop  hij  dozo  zijne  grondstelling  te  Londen  heeft 
doorgezet  en  in  practijk  gebracht.  Wij  kunnen  hier  niet  uit- 
weiden over  de  broederlijke  vermaningen,  die  in  stilte  onder 
vier  oogen,  of  in  tegenwoordigheid  van  eenen  derden  en  vier- 
den broeder  plaats  vinden  en  door  een  gewenscht  gevolg 
bekroond  worden.  Bijaldien  echter  de  schuldige  partij  naar 
zulke  broederlijke  vermaningen  niet  luistert,  of  ook,  indien 
het  gepleegde  kwaad  aan  de  geheelc  gemeente  bekend  ia, 
dan  wordt  er  aangifte  gedaan  bij  den  kerkoraad,  die  den 
overtreder  vóór  zich  Iaat  komen,  en  hem  broederlijk  ver- 
maant zich  te  bekeeren.  Indien  hij  ook  naar  deze  verma- 
ning niet  luistert,  dan  wordt  tot  de  openbare  behandeling 
der  zaak  overgaan.  Daarbij  moet  worden  opgemerkt,  dat 
twee  of  drie  geloofwaardige  mannen  de  aanklacht  hebben 
in  te  dienen,  en  wel  rechtstreeks  bij  den  kerkeraad,  en 
dat  slechts  zoodanige  klachten  worden  aangenomen ,  die  op 
de  zuiverheid  der  leer,  of  op  de  gehoorzaamheid  aan  de 
Goddelijke  wet,  of  op  de  verstoring  van  den  algemeenen 
vrede ,  of  van  de  orde  en  leiding  der  gemeente ,  of  van  de 
onderlinge  broederlijke  gemeenschap  betrekking  hebben.  In- 
dien de  zaak  nog  voor  den  kerkeraad  kan  worden  geschikt, 
dan  wordt  zij  hier  afgedaan ;  is  zij  echter  algemeen  be- 
kend ,    en    de    overtreder    tot    boetedoening  bereid ,  dan  ge- 


il ibid.,  p-  170. 


457 

schiedt  deze  in  tegenwoordigheid  der  gemeente.  Op  den  ker- 
keraad  rust  echter  de  verplichting,  vooraf  nauwkeurig  te 
onderzoeken,  of  het  berouw  oprecht  is.  Daarop  wordt  er  een 
Zondag  vastgesteld,  op  welken  de  boetvaardige  zijne  schuld 
voor  de  vergaderde  gemeente  belijdt.  Aan  het  eind  der  gewone 
predikatie,  doch  die  op  dezen  dag  een  weinig  wordt  ingekort, 
houdt  de  leeraar  een  kort  vertoog  over  de  kerkelijke  tucht, 
gelijk  die  in  de  Schrift  gegrond  is.  Daarna  plaatst  de  berouw- 
hebbende  zich  v()ór  het  aangezicht  der  geheele  gemeente,  terwijl 
de  leeraren  en  ouderlingen  zich  om  hem  heen  scharen,  allen 
met  het  gelaat  naar  de  gemeente  gericht.  Alsnu  wendt  de 
dienstdoende  prediker  zich  met  eene  ernstige  toespraak  tot  de 
vergadering,  en  noodigt  haar  uit,  om  gemeenschappelijk  met 
vurige  smeeking  God  aan  te  roepen,  dat  Hij  den  boetvaardige 
zijne  schuld  moge  vergeven.  Na  dit  diep  aangrijpend  gebed  te 
hebben  uitgesproken,  verzoekt  de  voorganger,  met  hartelijke, 
ernstige  woorden,  den  berouwhebbende ,  openlijk  eene  be- 
lijdenis van  zijne  schuld  af  te  leggen  en  de  gemeente  om 
vergiffenis  te  smeeken.  Is  hij  soms  door  schaamte  of  aan- 
doening buiten  staat,  dit  zelf  te  doen,  dan  spreekt  de  leeraar 
de  woorden  voor  hem  uit,  en  [de  boeteling]  betuigt  slechts, 
dat  het  zijne  woorden  zijn.  Daarop  vraagt  de  voorganger 
aan  den  kerkeraad,  of  hij  de  afgelegde  schuldbelijdenis  vol- 
doende acht.  Volgt  hierop  geone  tegenwerping,  dan  heet  de 
dienaar  des  Woorda  den  gevallene  weder  welkom  in  de 
gemeenschap  der  broederen;  de  geheele  gemeente  buigt 
zich  neder,  en  dankt  God,  dat  Hij  den  gevallen  broeder 
weder  in  zijne  genade  heeft  opgenomen.  Daarna  vraagt  de 
leeraar  aan  den  gewonnen  broeder,  of  hij  zich  ook  in  het 
vervolg  aan  de  kerkelijke  tucht  wil  onderwerpen,  en  op 
zijn  toestemmend  antwoord  verkondigt  on  verzekert  hij  hem 
de  volkomene  vergeving  van  zijne  zonde;  de  dienaren  des 
Woords  en  de  ouderlingen  reiken,  ieder  op  zijne  beurt, 
den  berouwhebbenden  broeder,  in  de  tegenwoordigheid  der 
geheele  gemeente,  de  rechterhand  en  geven  hem  den  broe- 
derkus.  Na  het  zingen  van  den  103^^'^  [of  eenen  anderen 
soortgelijken]    psalm,    verlaat  de  gemeente  het  kerkgebouw. 


458 

Ingewikkelder  en  ook  pijnlijker  was  de  aard  Yan  het  proces, 
ingeval  de  zondaar  hardnekkig  en  onboetvaardig  weigerde, 
den  geringsten  stap  te  doen  om  vergiffenis  te  verkrijgen. 
Wanneer  alle  opeenvolgende  vermaningen:  eerst  onder  vier 
oogen,  daarna  vóór  den  kerkeraad,  en  eindelijk  in  het  bijzijn 
van  de  geheele  gemeente,  zonder  uitwerking  gebleven  waren, 
dan  maakte  de  kerkeraad  aan  de  gemeente  bekend,  dat 
tot  de  uitsluiting  van  den  onboetvaardige  moest  worden 
overgegaan.  Doch  slechts  met  toestemming  van  de  geheele 
gemeente  kan  deze  maatregel  worden  ten  uitvoer  gebracht. 
Daartoe  wordt  een  bepaalde  dag  vastgesteld,  tot  op  welken  ieder 
gemeen telid  het  recht  heeft,  aan  den  kerkeraad  zijne  beden- 
kingen aangaande  de  uitsluiting,  in  het  bedoelde  geval,  mede 
te  deelen  en  om  uitstel  te  verzoeken.  Indien  er  bedenkin- 
gen worden  ingebracht,  of  ook,  indien  zich  sporen  van  berouw 
bij  den  aangeklaagde  vertoonen,  dan  wordt  de  dag  der  uit- 
sluiting eene  week  verschoven ,  en  wanneer  het  berouw  op- 
recht blijkt  te  zijn,  dan  wordt  ten  aanzien  van  den  zoodanige 
gehandeld,  gelijk  zoo  even  vermeld  is.  Worden  er  echter 
geene  bedenkingen  geopperd,  en  volhardt  de  aangeklaagde 
in  zijne  onboetvaardigheid,  dan  komt  de  gemeente,  in  den 
vooravond  van  den  bepaalden  Zondag,  in  de  kerk  bijeen,  ten 
einde  nog  eenmaal  gemeenschappelijk,  volgens  het  Woord 
Gods,  te  onderzoeken,  of  het  gestrenge  oordeel  niet  nog  uit- 
gesteld, of  wellicht  zelfs  geheel  vermeden  kan  worden.  Ver- 
klaart de  gemeente  door  haar  stilzwijgen ,  dat  zij  geene 
gronden  daarvoor  kan  vinden,  dan  wordt,  op  den  naderenden 
rustdag,  de  uitsluiting  op  eene  hoog-ernstige,  plechtige  wijze 
voltrokken.  ^)  De  gewone  predikatie  [des  voormiddags]  wordt 
een    weinig    ingekort,  om  tijd  te  winnen,  ten  einde  aan  de 


[1)  TUt  de  vergelijking  met  de  woorden  van  a  Lasco,  t.  a.  p.,  II,  p.  196, 
blijkt,  dut  niet  de  geheele  gemeente,  maar  enkel  de  leeraren  en  de  ouderlingen, 
zoowel  van  de  Dnit8che,  als  \nn  de  Franscbe  afdceling  der  vrcemdeling-gemcente, 
des  Zatcrdags-namiddags  tot  het  genoemde  duel  onderling  bijeenkwamen. 
Ingeval  er  in  deze  samenkomst  geene  geldige  redenen  tegen  de  voorgenomene 
excommunicatie  werden  aangevoerd,  had  zij  des  anderen  daags  voortgang,  in 
het  bijzijn  der  geheele  gemeente,  wier  openlijk  stilzwegen  alsdan  als  een  be- 
w^s  van  hare  goedkearing  beschouwd  werd.  —   Yert.] 


459 

gemeente  het  rechtmatige  en  plichtmatige  van  zulk  eene  uit- 
sluiting volgens  het  Woord  Gods  te  betoogen,  en  haar  te 
wijzen  op  den  zegen,  die  voor  de  gemeente  uit  de  nauw- 
gezette handhaving  van  de  kerkelijke  tucht  voortvloeit. 
Daarop  gaat  de  dienaar  des  Woords  tot  de  excommunicatie 
zelve  over.  ^)  Eerst  roept  hij  aan  de  gemeente  hot  bewuste 
geval  in  zijne  bijzonderheden  in  het  geheugen  terug,  en 
welke  vergeefeche  pogingen  men  in  het  werk  heeft  gesteld, 
ten  einde  den  onboetvaardigen  broeder  van  de  dwaling  zijns 
weegs  te  bekeeren.  Vervolgens  richt  hij  tot  den  gezamen- 
lijken  kerkeraad,  die  bij  deze  gelegenheid  op  ecnc  eenigszins 
verhevener  plaats,  vóór  hot  oog  der  geheele  gemeente  is 
nedergezeten ,  het  verzoek,  om  door  een  plechtig  „Ja"  te 
bevestigen,  dat  alles  zich  op  die  wijze  heeft  toegedragen. 
Daarop  noodigt  de  voorganger  do  gemeente  uit,  om  hare 
droefheid  over  den  onboetvaardigen  broeder  in  een  gemeen- 
schappelijk gebed  te  uiten.  Het  is  een  aangrijpend  gebed  ^ 
hetwelk  ons  nog  woordelijk  is  bewaard  gebleven,  een  door- 
dringende zielekreet,  dat  Ood  toch,  om  den  wille  van  zijnen 
geliefden  Zoon,  dezen  ongelukkige  van  zijnen  boezen  weg 
des  verderfs  mocht  doen  wederkooren. 

Xa  dit  gebed  geeft  do  voorganger  er  acht  op,  of  de  on- 
boetvaardige ook  wellicht  te  voorschijn  treedt,-  om  eenig 
teeken  van  berouw  te  geven.  Doet  hij  zulks,  en  geeft  hij 
zijn  berouw  op  ondubbelzinnige  wijze  te  kennen,  dan  wordt 
de  uitsluiting  onmiddellijk  geschorst,  en  met  een  dankgebed 
geëindigd.  Geeft  echter  de  aangeklaagde,  nóch  persoonlijk, 
nóch  door  iemand  anders,  eenig  teeken  van  berouw,  dan  wijst 
de  leeraar  de  gemeente  op  de  gestrengheid  Gods  jegens  zulke 
onboetvaardigen.  Vreeselijk  is  het,  te  vallen  in  de  handen  van 
den  levenden  God;  verreweg  het  ellendigste  echter  is 't,  indien 
wij  in  onze  harten  den  toorn  Gods  tegen  de  zonde  niet  ge- 
voelen. Daarom  richt  hij  nogmaals,  in  den  naam  van  Jezus 
Christus ,    die    voor  onze  zonden  gestorven  is ,  de  dringende 

[*)  Verg.  hierbij,  in  het  algemeen,  het  „Formulier  van  den  Ra n,  of  der  afsn ij- 
ding  van  de  gemeente  van  Christus,"  voorkomende  onder  de  liturgische  ge- 
schriften der  Nederl.  Herv.  kerk.  —  Vert.~; 


460 

bede  tot  den  ongelukkige,  dat  hij  toch  de  schuld  van  zijn 
misdrijf  en  van  zijne  hardnekkigheid  crkenne,  en  dat  hij 
zich  met  de  gemeente  verzoene.  Vindt  ook  deze  laatste  bede 
bij  den  halsstarrige  geen  gehoor,  dan  verklaart  de  leeraar, 
dat  alsnu,  tot  leedwezen  van  de  geheele  gemeente,  moet 
worden  gedaan  hetgeen  wij,  volgens  het  bevel  van  Christus, 
onzen  Heer,  en  naar  het  voorschrift  zijner  Apostelen,  schuldig 
zijn  te  doen,  nl.  door  het  ambt  der  sleutelen  plechtig  te 
verklaren,  dat  degene,  die,  overeenkomstig  het  getuigenis 
des  Woords,  niet  behoort  tot  de  gemeenschap  van  Christus, 
ook  evenmin  tot  onze  gemeente  behoort.  Tot  teeken  echter, 
dat  zulks  geenszins  eigendunkelijk,  maar  op  gezag  van 
Christus  zelven  geschiedt,  noodigt  hij  de  gemeente  uit,  om 
den  naam  van  Christus  ootmoedig  met  hom  aan  te  roepen. 
In  dit  gebed  wordt  de  afsnijding  van  de  gemeente  in  deze 
woorden  uitgesproken:  „Steunende  op  uw  woord,  en  verlicht 
door  de  werking  van  uwen  aanbiddelijken  Oeest,  o  Heer,  die 
onze  eeuwige  Koning,  Leeraar  en  IToogcpriester  zijt,  sluiten 

wij    hier  openlijk dezen  onzen  onboetvaardigen  broeder , 

die  alle  kerkelijke  vermaningen  tot  dusver  hardnekkig  bleef 
verachten,  in  uwen  naam  van  onze  gemeente  en  hare  heilzame 
gemeenschap  uit.  Krachtens  de  volmacht  onzer  bediening  ver- 
klaren wij ,  dat  zijrie  zonde  hem  ,  niet  slechts  op  de  aarde , 
maar,  volgens  do  leer  uws  Woords,  ook  in  den  hemel  gehouden 

blijft In  navolging  van  uwcn^apostel  Paulus,  geven  wij 

hem  met  weeklagen  aan  den  Satan  over,  tot  verderf  zijns 
vleesches,  of  wellicht  onder  de  kwellingen,  die  hem  door  den 
Satan  zullen  worden  aangedaan,  zijn  geest  aan  het  eind,  door 
uwe  genade,  uit  den  doodsslaap  der  zonde  ontwaken  en  behou- 
den worden  mocht.  Want  Gij  zijt  gekomen,  om  te  behouden 
hetgene  verloren  was,  en  om  een  einde  te  maken  aan  de 
dwingelandij  van  hom,  die  wegens  onze  zonde  de  heerschappij 
des  doods  over  ons  vorkreeg,  —  Gij,  o  Heer,  die  met  God, 
uwen  Vader,  en  met  den  Heiligen  Geest,  als  drieëenig  en 
cénig  God ,  leeft  en  regeert  in  eeuwiglieid.    Amen." 

Hierop    stelt    de    prediker    in   het  licht,  op  wat  wijze  de 
gemeente  zich  ten  opzichte  van  zulk  oenen  uitgeslotene  heeft 


461 

te  gedragen.  Als  een  heiden  en  tollenaar  moet  hij,  volgens 
het  bevel  des  Heeren,  beschouwd  worden,  maar  het  bijwonen 
van  de  openbare^odsdienstoefeningen ,  voor  zoover  althans 
de  prediking  des  Evangelie's  betreft,  blijft  hem  vergund, 
of  hij  zich  soms  nog  bekeeren  mocht.  Alle  gezellige  omgang 
met  hem  moet,  zooveel  mogelijk,  vermeden  worden,  doch 
wat  burgerlijke  overeenkomsten  en  handelszaken  aangaat, 
behoeft  men  zich  niet  ganschelijk  aan  hem  te  onttrekken. 
De  meer  gevorderden  in  het  geloof  moeten  geen  enkele  ge- 
legenheid verzuimen,  om  hem  christelijk  te  vermanen  en 
hem  te  bewegen,  om  tot  de  gemeente  weder  te  keeren; 
niemand  mag  zulk  eenen  uitgeslotene  hoonen  of  bespotten, 
maar  allen  moeten  veeleer  zijn  lot  oprecht  beklagen. 

Gevoelt  nu  zulk  een  uitgeslotene  toch  nog,  na  korter  of 
langer  tijd,  berouw  over  zijne  zonde,  en  ontwaakt  in  zijn 
binnenste  het  vurige  verlangen,  om  van  den  vreeselijken  ban 
bevrijd  te  worden,  dan  stelt  hij,  hetzij  zelf,  of  door  een  ander, 
den  kerkeraad  daarvan  in  konnis.  Deze  zendt  ten  spoedigste 
één  of  een  paar  van  zijne  leden,  om  den  ongelukkige  te  troos- 
ten, en  hem  de  behulpzame  hand  te  bieden,  opdat  hij  op  den 
rechten  weg  moge  terugkeeren.  Met  het  gelijke  doel  worden 
een  paar  van  zijne  vroegere  bekenden  uitgenoodigd.  Hebben 
deze  pogingen  het  gewenschte  gevolg,  dan  verschijnt  de 
berouwhebbende  vóór  den  [bij zonderen]  kerkeraad,  die  nauw- 
keurig onderzoekt,  of  de  kenteekenen  van  een  waar  berouw 
bij  hem  aanwezig  zijn.  Is  dit  werkelijk  het  geval,  dan  wordt 
voor  de  wederopneming  in  de  gemeente  een  bepaalde  Zondag 
vastgesteld,  en  acht  dagen  te  voren  aan  de  gemeente  ver- 
zocht, om  voor  den  boetvaardige  te  bidden.  Enkel  op  den 
dag  des  Heeren,  en  alsdan  met  de  meest  mogelijke  plechtig- 
heid heeft  deze  wederopneming  in  de  Kerk  plaats.  Nadat  de 
gewone  voormiddagspredikatie,  die  echter  op  dezen  dag  een 
weinig  wordt  ingekort,  geëindigd  is,  zet  de  leeraar  allereerst 
voor  de  gemeente  uiteen,  wat  de  Schrift  leert  aangaande 
de  bekeering  en  de  w^ederopneming  der  geëxcommuniceerden, 
en  noodigt  de  gemeente  uit,  om,  indachtig  aan  de  handel- 
wijze van  den  vader  jegens  den  verloren  zoon  in  de  gelijkenis, 


462 

den  terugkeerenden  broeder  met  alle  zachtmoedigheid  en 
vergevensgezindheid  te  bejegenen.  Na  een  gemeenschappelijk 
gebed  brengt  de  leeraar  den  berouwhebbende  met  ernstige 
woorden  geheel  zijn  zondig  gedrag  onder  het  oog,  en  deze 
moet  eene  onbewimpelde  belijdenis  van  zijne  zonde  en  van  zijn 
berouw  afleggen,  of,  ingeval  hij  door  schaamte,  of  uit  eenige 
andere  oorzaak  daartoe  niet  in  staat  is,  op  eenige  bepaalde 
vragen,  die  hem  worden  voorgelegd,  met  een  duidelijk  „Ja" 
antwoorden.  Daarop  wendt  de  leeraar  zich  openlijk  tot  den 
kerkeraad  met  de  vraag,  of  hij  dusdanige  bekentenis  voldoende 
keurt.  Luidt  het  antwoord  bevestigend,  dan  richt  hij  eenige 
vermanende  woorden  tot  den  boetvaardige  en  tot  de  gemeente, 
en  spreekt  op  gelijke  wijze,  als  bij  de  uitsluiting  geschied  is, 
nl.  in  een  gebed,  waarbij  de  geheele  vergadering  zich  neder- 
buigt,  de  wederopneming  van  den  berouwhebbende  in  de  ge- 
meente uit.  „Ootmoedig  smeeken  wij  U,  genaderijke  Heiland, 
dat  Gij  dit  uw  schaap,  hetwelk  verloren  was  en  weder  is 
terechtgebracht,  mitsgaders  ons  allen  met  een  ontfermend  oog 
wilt  aanzien,  en  dat  Gij  deze  onze  ambtsverrichting,  wat  betreft 
de  wederopneming  van  dezen  uitgeslotene  in  de  christelijke 
gemeente,  nu  ook  met  uwe  goedkeuring  wilt  bekronen.  Im- 
mers, uit  uw  Evangelie  weten  wij,  dat  Gij  zulk  een  herder 
zijt,  die  uwe  verdoolde  schapen  op  uwe  schouderen  legt  en 
ze  met  vreugde  tot  uwe  schaapskooi  wederbrengt " 

Daarop  verkondigt  de  leeraar  aan  den  berouwhebbende  zijne 
wederopneming,  en  vermaant  de  gemeente,  hem  nu  weder 
als  eenen  broeder  te  beschouwen.  In  tegenwoordigheid  van 
de  geheele  gemeente  geeft  de  kerkeraad  hem  de  broederband 
en  den  broederkus,  terwijl  de  gemeente,  met  een  blijmoedig 
hart,  den  103^^"  lofpsalm  aanheft.  ^)  — 

Een  belangrijk  hoofdstuk  in  de  kerkelijke  tucht  vormt  hare 
toepassing,  bij  voorkomende  gelegenheid,  ook  op  de  leeraren 
der  gemeente.  Het  ontbreken  van  zoodanige  toepassing  be- 
schouwt Laski,  zeer  te  recht,  als  eenen  terugkeer  tot  het 

\})  Verg.,  in  het  algemeen,  wat  deze  geheele  plechtigheid  betreft,  het  „For- 
mulier van  Wederopneming  des  afgesnedenen  in  de  gemeente  van  Christus," 
voorkomende  onder  de  liturgische  geschriften  der  Ned.  Herv.  kerk.  —   Vert.] 


463 

standpunt  der  Roomsche  kerk.  De  superintendent  en  de 
leeraren  hebben  aanspraak  op  bijzondere  eere,  maar  wat  de 
leiding  en  instandhouding  der  gemeente  betreft,  zóó  verklaart 
L  a  8  k  i,  hebben  zg  boven  de  andere  leden  van  den  kerkeraad 
niets  vooruit,  en  moeten  zij  zich  ook,  evenzeer  als  ieder 
ander  lid,  aan  de  gemeenschappelijk  genomen  besluiten  on- 
derwerpen. Daarom  leggen  leeraren,  ouderlingen  en  diakenen, 
alvorens  zij  hun  ambt  aaavaarden,  openlijk,  ten  aanhooren 
van  de  gemeente,  de  verklaring  af,  dat  zij  bereid  zijn,  om 
zich  ook  aan  de  kerkelgke  tucht  te  onderwerpen. 

Op  één  punt  hebben  wij  nog  ten  slotte  onze  opmerkzaam- 
heid te  vestigen,  nl.  op  de  inrichting  van  den  Goetus, 
die,  in  overeenstemming  met  de  gewijzigde  omstandigheden, 
te  Londen  eenigszins  anders  was  georganiseerd,  dan  in 
Oost-Friesland.  Eiken  Donderdag  vergaderden  de  leeraren 
en  ouderlingen  der  Duitsche  gemeente,  ten  einde  over  aan- 
gelegenheden der  gemeente  te  beraadslagen,  oneenigheden 
tusschen  gemeenteleden  bij  te  leggen  enz.  Op  den  eersten 
Donderdag  van  iedere  maand  nemen  ook  de  diakenen  aan  deze 
vergadering  deel,  in  welke  alsdan  gemeenschappelijk  wordt 
beraadslaagd  over  do  aangelegenheden  der  armen;  bij  die 
gelegenheid  doen  de  diakenen  rekening  en  verantwoording 
aangaande  ontvangsten  en  uitgaven,  en,  daar  zulks  op  den 
voorafgaanden  Zondag  wordt  bekend  gemaakt,  zoo  kan  ieder 
gemeentolid,  die  zijn  verlangen  daartoe  te  kennen  geeft,  het 
doen  van  deze  verantwoording  bijwonen.  Op  den  eersten 
Maandag  van  elke  maand  komen  alle  leeraren,  ouderlingen 
en  diakenen,  die  onder  hot  opzicht  van  den  superintendent 
staan,  bijeen,  om  over  zulke  onderwerpen  te  beraadslagen, 
die  op  de  vreemdeling-gemeonten  der  verschillende  nationa- 
liteiten betrokking  hebben.  Op  den  tweeden  Donderdag, 
eindelijk,  van  elk  vierendeeljaars  vergaderen  de  leeraren, 
ouderlingen  en  diakenen  der  Duitsche  gemeente,  ten  einde 
onderling  over  de  zuiverheid  in  de  leer  en  den  zcdelijken 
wandel  van  elk  hunner  broederlijk  hun  gevoelen  uit  te 
spreken.  Op  den  voorafgaanden  Zondag  wordt  deze  vergade- 


464 

ring  aan  de  gemeente  bekend  gemaakt,  en  ieder  heeft  dan 
het  recht,  om,  ingeval  hij  iets  tegen  de  leer  of  den  wandel 
van  één  der  leeraren,  ouderlingen  of  diakenen  heeft  in  te 
brengen,  daarvan,  vóór  den  bepaalden  dag^  één  van  de  ouder- 
lingen in  kennis  te  stellen.  Doch  hetgeen  hij  te  berde  brengt 
moet  hij  door  de  verklaring  van  twee  of  drie  geloofwaardige 
getuigen  kunnen  bevestigen,  deels,  om  op  die  wijze  alle 
valsch  getuigenis-spreken  in  het  verborgen  tegen  hen,  die 
het  vertrouwen  der  gemeente  bezitten,  zooveel  mogelijk  te 
voorkomen,  deels  echter  ook,  om  alle  misbruik  van  zulk  eone 
aanklacht  te  keer  te  gaan.  Eén  van  de  leeraren  houdt  alsdan, 
op  den  bepaalden  dag,  eene  korte  rede  over  de  beteekenis 
van  dit  broederlijk  wederzijdsch  onderzoek ,  en  de  superin- 
tendent wekt  de  broederen  op,  zich  bij  hunne  onderlinge 
vermaningen  alleenlijk  door  den  geest  van  christelijke  liefde 
en  vrijheid  te  laten  leiden,  en  er  zich  wel  voor  te  wachten, 
de  feil  van  den  broeder  uit  haat  of  wangunst  te  overdrijven, 
of  haar  uit  toegenegenheid  en  vriendschap  te  verkleinen  of  te 
vergoelijken.  Daarop  verwijderen  zich  beurtelings  degenen, 
over  wie  een  oordeel  moet  worden  geveld;  in  ieders  afwe- 
zigheid bespreken  de  broederen  onderling  hetgeen  tegen 
hem  is  ingebracht,  en  overwegen  te  zamen,  of  het  van  dien 
aard  is,  om  hem  daarover  bij  zijne  terugkomst  eene  broeder- 
lijke vermaning  te  geven,  en  zoo  ja,  in  welken  vorm.  Na 
weder  in  de  vergadering  te  zijn  toegelaten ,  neemt  hij ,  op 
wien  zoodanige  maatregel  wordt  toegepast,  de  vermaning 
bescheidenlijk  aan,  tenzij  hij  haar  als  ongegrond  kan  afwijzen. 
Laat  hij  zich  echter  niet  aan  haar  gelegen  zijn,  dan  wordt 
hg  in  zijne  bediening  geschorst,  voor  zoolang,  als  hij  blijft 
weigeren,  de  vermaning  ter  harte  te  nemen ;  volhardt  hij  in 
zgne  weigering,  dan  kan  de  zaak,  na  de  verschillende  stadiën 
doorloopen  te  hebben,  ten  laatste  zelfs  zijne  uitsluiting  uit 
de  gemeente  ten  gevolge  hebben.  Bijaldien  do  ontheffing  van 
het  ambt  op  den  superintendent  zelven  moet  worden  toe- 
gepast, dan  kan  zulks  alleenlijk  geschieden  met  toestemming 
van  de  kerkeraden  van  al  de  gemeenten,  die  onder  zijne 
leiding    staan.    Want    ook  de  superintendent  moet,  in  voor- 


465 

komende  gevallen^  niet  gespaard  worden.  ^Immers,  het  is 
openbaar,  dat  er  niets  is,  wat  tot  dusver  méér  tot  het 
verval  der  geheele  kerk  heeft  bijgedragen ,  of  nog  verder 
daartoe  kan  bijdragen,  dan  wanneer  de  dienaren  der  Eerk^ 
in  welke  betrekking  zij  ook  geplaatst  zijn,  zich  zei  ven  van 
de  gehoorzaamheid  aan  de  kerkelijke  tucht,  die  zi)  aan  an- 
deren voorschrijven,  ontslaan,  terwijl  het  toch  veeleer  hunne 
zaak  zijn  zoude ,  om  haar  door  hun  eigen  voorbeeld  aan  an- 
deren aan  te  bevelen"....  „Wg  hebben  het  zelven  metterdaad 
ondervonden,  en  ondervinden  het  van  dag  tot  dag  méér,  dat 
op  geen  andere  wijze  in  de  Kerk,  èn  al  het  goede  be- 
houden, èn  al  het  kwade  met  Gods  hulp  vermeden  kan 
worden,  dan  door  een  ernstig  en  naarstig  gebruik  van  de 
wettige  kerkelijke  tucht,  gelijk  die  in  het  Woord  Gods  is 
gegrond."  ') 

In  het  breede  hebben  wij  van  deze  vreemdeling-gemeente 
te  Londen,  het  voornaamste  werk  van  onzen  vriend,  een 
beeld  trachten  te  schetsen.  Als  cene  soort  van  ideaal-ge- 
meente staat  zij  vóór  ons,  terwijl  zij  door  menigen  hel- 
deren trek  ons  den  ouden,  apostolischen  tijd  te  binnen 
roept,  met  welks  gemeenten  zij  ook  in  dit  opzicht  overeen- 
komst vertoont,  dat  zij  onder  zulk  ecno  beiUg-strcnge  tucht, 
die  zonder  aanzien  des  persoons  werd  toegepast,  tot  eene 
geschikte  oefenschool  werd,  om  geloofshelden  te  kweeken, 
die  bereid  waren,  ter  wille  van  hun  geloof  alles  prijs  te 
geven,  en  zich  onbevreesd  aan  verdrukking,  vervolging  en 
ballingschap  te  onderwerpen,  in  standvastige  navolging  van 
hunnen  eeuwigen,  éénigen,  waren  Koning  in  den  hemel.  Wij 
ontveinzen  ons  niet,  dat  bijzonder  gunstige  omstandigheden 
de  ontwikkeling  van  zulk  eene  gemeente  bevorderden;  maar 
wij  houden  tevens  in  het  oog,  dat  er  ook  al  de  geloofsmoed, 
alsmede  de  volle,  onverbiddelijke  energie  van  Laski  en  zijne 
bewonderenswaardige  begaafdheid  toe  vereischt  werden,  om 
de    desniettemin    zoo   groote    moeielijkhedcn  te  overwinnen, 


»)  Ibid.,  II,  p.  [235,]  236. 

DALTON.  30 


en  raet  Gods  hulp  zulk  eenen  terapelbouw  tot  stand  to  brongen. 
Niet  tot  in  alle  onderdeelen  kunnen  wij  dien  bouw  ala  een 
onverbeterlijk  model  voor  alle  tijden  en  allo  omstandigheden 
aanmerken,  en  wie  zich  eene  slaafsche  navolging  wilde 
ten  doel  stellen,  zou,  naar  ons  oordeel,  niet  eenmaal  in 
den  geest  van  Laeki  handelen  ');  maar  ieder,  die  een 
hart  bezit  voor  onze  Evangelische  gemeenten,  en  die  met 
hare  tegenwoordige  droevige  omstandigheden  begaan  is,  alwie 
onder  de  bouwlieden  geroepen  ia ,  om  in  zijne  gemeente 
'b  Meeren  tempel  te  bouwen,  moet  allereerst  met  den  arbeid 


■)  Op  Lïski 
w^ie  is  tfn  voIl< 
(ie  edele  John 
toen  lij  gereed 
reii  nou  AmeHb 
geluk»lige  engel 


iJDB  TTÜe,  mur  nochtans  diep  in  Gods  Woord  gegronde  liens- 
1  toepming  bet  treffende,  eehoone  ifseheidsiroord,  hettrellc 
linaon  [f  1630]  tot  de  eerito  „Pelgrimvaders"  richtte, 
len,  om  met  hel  icUp  „de  Meibloem"  G.Mij-flower")  de 
aaovaaidcD ;  „Voor  ïict  ungezicbt  vg,n  God  en  ynn  lijoe 
eriaaan  ik  u.  mij  slecht  in  lucirerre  te  volgen,  aU  gij  mij 
jriatus  riet  nnvulgen.  Indien  God  u  soms  het  eenofunder 
door  ééa  zijner  andere  werktuigen  openhnart,  zoo  veest  bereid,  lolki  aan  te 
□omen,  gelijk  gij,  gedurende  mijne  bediening,  iedere  waarheid  bereidirillig  hebt 
aaogenomen;  nant  ik  hen  ten  volle  overtuigd  en  in  de  stellige  verwachtiog, 
dat  de  Heer  nog  méér  waarheid  uit  lijn  heilig  Woord  aan  het  licht  ia\  doen 
kumen.  Wat  mïj  betreft,  ik  kan  den  tegenvroordigen  toestand  der  Hervormde 
kerkeo,  die  tot  een  keerpunt  genaderd  zijn,  niet  genoeg  beklagen,  en  ik  wil 
thans  niet  verder  gaan ,  dan  de  oitverkoren  werktuigen  harer  Hervorming. 
De  Lutheranen  zijn  et  niet  toe  te  bewegen,  nm  in  eenig  opzicht  verder  te 
gaan,  dan  hetgeen  Lu  tb  er  gezegd  heeft.  Welk  gedeelte  van  zijnen  v'ü  de 
goede  God  aan  C  a  I  V  ü  n  beeft  geopenbaard,  zij  Zouden  liever  sterveo,  dan  het 
aannemen;  en  de  CalvioiBLcD,  zoonla  gij  ziel,  zijn  oobeweeglijb  blijven  stilstaan 
ter  ploalie,  naar  de  groote  man  Gods  hen  verlaten  heeft,  alhoewel  dele  ooge- 
twijFeld  nog  niet  allo  dingen  duidelyk  doorzag.  Dat  is  een  diep  betreureni- 
waardig  kwaad,  want  in  hoe  hooge  mate  die  mannen  in  hunnen  tydookbrao- 
dende  en  lichtende  kaarsen  [Joh,  fr  :  >)&]  geweeet  zijn,  zoo  hebben  zij  nochtani 
bet  raadsbesluit  Gods  niet  ten  volle  doorgrond.  Indien  zij  nog  in  leven  wareiii 
zouden  zij  thans  evenzeer  bereid  z\jn,  om  bet  verdere  licht  aan  te  nemen,  ah  zy 
dat  ten  hunnen  tïjde  hebben  aangenomen.  Ik  bezweer  u,  vergeet  zulk»  nimmeri 
bet  is  een  hoofdsTtikel  van  avre  kerkelykc  Inriehting,  ten  allen  tyde  bereid 
te  lijn,  om  iedere  waarheid  aan  te  nemer,  die  u  mogelijk  Ie  eeniger  lijd  ml 
bet  geschrevene  Woord  Gods  zal  wordeo  onthuld."  (Barclay,  p.   121.J 

[Over  de  waarde,  in  het  algemeen  aan  de  kerkelijke  ajmbqlen  van  vroeger 
dagen  door  den  Hervormden  belijder  te  hechten,  kan  men  o.  a,  vergelijken  bot 
Artikel  ran  wijlen  Dr.  J.  J.  van  Oustcrzee,  getiteld:  „Auierlkaansche 
Theologische  Litterataar",  geplaatst  in  de  „Stemmen  voor  Waarheid  en  Vleds" 
van  Jnni  1881  (18e  Jaarg.,  D.  Ij,  inzonderheiil  bl.  BSb  vgg.  —  Vcrt.] 


467 

yan  La  ski  rekenen,  en  dezen  bij  zijn  streven  tot  uitgangs- 
punt kiezen. 

Do  ernstige  moeielijkheden,  met  welke  La  ski  bij  de  ten- 
uitvoerbrenging van  zijn  bouwplan  had  te  worstelen,  hebben 
hem  niet  afgeschrikt,  maar  hem  integendeel  —  gelijk  wij 
uit  zijne  laatstelijk  aangehaalde  woorden  kunnen  bemer- 
ken, —  in  de  waarheid  zijner  overtuiging  bevestigd.  In  het 
voorjaar  van  1553  was  hij  tot  tweemaal  toe  in  de  gelegen- 
heid, om  de  kracht  zijner  inrichting  op  de  proef  te  stellen. 
Het  moeielijkstc  deel  der  gemeente  was  hare  jongste  loot, 
de  Italiaansche  afdeeling.  Het  schijnt,  dat  er  in  deze  laatste 
menig  onzuiver  element  is  voorhanden  geweest,  en  dat  het 
haar  ontbroken  heeft  aan  eene  kern  van  waarlijk  geloovige 
mannen,  die,  vast  in  het  Evangelie  geworteld,  eenen  dam 
zou  hebben  kunnen  vormen  tegen  alle  buitensporigheden  in 
hun  eigen  midden.  Men  was  niet  tevreden  over  den  leeraar, 
en  deze  was  ook  voor  zijn  moeielijk  ambt  niet  berekend. 
Daarbij  kwam  de  zware  beschuldiging,  welke  bij  den  ker- 
keraad  tegen  hem  werd  ingediend,  dat  hij  zich  bezondigd 
had  tegen  het  zevende  gebod.  De  onzedelijke  zielenherder 
kon  de  daad  niet  loochenen ;  zijn  armzalige  brief  aan  Sir 
Cecil,  die  ons  is  bewaard  gebleven,  bevestigt  het  wanbedrijf, 
en  openbaart  ons  de  betreurenswaardige  gezindheid  van  den 
verblinden  man.  *)  Uit  dien  hoofde  werd  Florio  van  zijn 
ambt  ontzet.  Dat  kon  de  man  niet  verdragon,  en  daar  hij 
tegen  den  levenswandel  van  zijne  vroegere  ambtsbroeders 
niets  kon  inbrengen,  liet  hij  niet  af,  twisten  te  zaaien  op 
het  gebied  der  leer ,  en  uit  te  strooien ,  dat ,  hetgeen  er  op 
het  punt  van  do  Predestinatie  geleerd  werd,  niet  in  over- 
eenstemming was  met  de  Heilige  Schrift.  Onze  vriend  had 
nl.  in  zijne  Schriftverklaringen  met  recht  doen  uitkomen,  dat 


1)  S  t  r  7  p  e  (verg.  het  Aanhangsel  op  zijn  geschrift,  p.  143)  plaatst  de  zaak 
in  het  jaar  1551,  maar  tast  hierin  kennelijk  mis.  De  brief  aan  Cecil  heeft 
enkel  eenen  datum  (Februari),  zonder  vermelding  van  het  janrtal;  Laski  maakt 
echter  melding  van  het  geval  in  [Jnni]  1553  (Kuyper,  II,  G76);  in  elk 
geval  was  Michaël  Angelo  Florio  in  Februari  1551  nog  niet  aangesteld  tot 
prediker  der  gemeente. 


468 

diegenen  dwaalden^  die  door  deze  leer  op  eene  of  andere 
wijze  do  verdienste  en  waarde  van  den  zoendood  van  Chris- 
tus trachtten  te  verkleinen,  hetgeen,  zijns  inziens,  vooral 
dddrom  geschiedde,  dewijl  velen  de  kracht  en  de  doemwaar- 
digheid  van  onze  zonde  in  Adam  niet  genoeg  tot  haar  recht 
lieten  komen,  en  dat  hij  zich  niet  kon  vereenigen  met  hen, 
die  op  sommige  plaatsen  der  Schrift  over  de  Predestinatie 
zoo  éénzijdig  den  nadruk  legden,  dat  zij  zelfs  bepaaldelijk 
loochenden,  dat  Christus  voor  ellen  gestorven  is.  De  geheele 
zaak  was  des  te  verdrietiger  voor  Laski,  daar  hem  ter 
oore  was  gekomen,  dat  men  er  zelfs  naar  Genève  over  ge- 
schreven had,  terwijl  niets  hem  pijnlijker  was,  dan  den  naam 
van  Calvijn  in  de  zaak  betrokken  te  zien,  „dien  ik  als 
eenen  man  Gods  hoogacht  en  liefheb."  *)  Daar  Florio 
onzen  Laski  zelven  niet  rechtstreeks  van  onrechtzinnigheid 
op  dit  punt  kon  beschuldigen,  bracht  hij  tegen  één  van  de 
andere  leeraren  eene  aanklacht  van  dien  aard  bij  den  Coetus 
in;  het  viel  Laski  echter  niet  zwaar,  de  aanklacht  tegen 
zijnen  ambtsbroeder  te  ontzenuwen. 

Moeielijker  was  het  andere  geval,  dat  zich  omstreeks  dien 
zelfden  tijd  voordeed.  Een  van  de  predikanten,  Deloenus, 
was,  zonder  vooraf  zijne  ambtsbroeders  daarin  te  hebben  ge- 
kend, met  drie  nieuwe  leerpunten  opgetreden,  die  veel  beweging 
veroorzaakten.  Hij  beweerde  nl. ,  dat  er  bij  den  kinderdoop 
in  de  gemeente  geen  doopgetuigen  mochten  worden  toege- 
laten; voorts,  dat  gemeenten,  die  bij  de  Avondmaalsviering 
niet  gezamenlijk  aanzaten,  zich  aan  afgoderij  en  ontheiliging 
van  de  inzetting  des  Hoeren  schuldig  maakten;  en  eindelijk, 
dat  het  artikel  van  Christus'  nederdaling  ter  helle,  als 
niet  Schriftmatig,  uit  de  belijdenis  moest  worden  verwijderd. 
Het  kostte  veel  moeite,  den  wat  al  te  radicalen  man  van  zijn 
ongelijk  in  het  eigenmachtig  voordragen  van  zulke  leeringen 
te  overtuigen,  en  hem  te  doen  inzien,  dat  hij,  alvorens  die 
in   de  gemeente  te  verbreiden,  zijne  ambtgenooton  daarover 

*)  Zie  K  a  y  p  e  r,  t.  a.  p.  —  Dat  het  schrgven  van  C  a  1  v  ij  n,  dd.  27  Sci)- 
tember  1552  („Op."  XIV,  363),  op  deze  aangelegenheid  betrekking  zon  hebben, 
acht  ik  niet  waarsch^jnlgk. 


469 

had  behooren  to  raadplegen.  Ook  nadat  hij  schriftelijk  zijn 
leedwezen  had  betuigd,  kwam  hij  toch  weder  op  deze  dwaal- 
leer terug,  alsof  hij  die  van  den  Heiligen  Geest  had  ontvangen. 

IV.    DE   VERBANXING   UIT    ENGELAND. 

Het  eindoordeel  in  deze  pijnlijke  zaak  was  nog  niet  ge- 
veld, toen  God,  naar  zijn  ondoorgrondelijk  raadsbesluit,  aan 
den  geheelen  arbeid  van  La  ski  in  Londen  een  einde 
maakte.  In  zgncn  brief  aan  Bullinger  van  don  7^^^  Juni, 
aan  welken  wij  de  bovenstaande  mcdodeeling  ontleend  heb- 
ben, lezen  wij  ook  reeds  het  korte,  vluchtige  bericht :  „Onze 
allerdoorluchtigste  koning  heeft  reeds  sinds  eenigon  tijd  in 
lijdenden  toestand  verkeerd ,  maar  begint  nu  weder  —  dank 
zij  den  Heer,  onzen  God,  —  een  weinig  te  herstellen."  *) 
Het  was  echter  slechts  eene  bedriogelijke  herstelling.  In  het 
laatstverloopene  jaar  had  E  d  u  a  r  d  VI  de  mazelen,  vervolgens 
de  pokken  gehad,  doch  was  van  deze  krankhcden  weder  ge- 
nezen; alleenlijk  was  hem  eene  neiging  tot  verkoudheid  bij- 
gebleven. Sinds  Januari  leed  hij  aan  eencn  zwaren  hoest  ^ 
die  niet  wilde  wijken.  De  kwaal  verergerde.  Met  groote  be- 
rusting in  den  wil  van  God  droeg  hij  zijn  lijden.  Den  0*1*" 
Juli  [1553]  stierf  de  vrome  vorst,  nog  slechts  10  jaren  oud, 
„De  godzalige  Josia,  onze  hoop  op  aarde,  is  niet  meer":  '^) 
die  hartroerende  weeklacht  des  volks  kon  men  veelvuldig  bij 
de  kist  des  Eonings  hoeren.  Het  was  de  zwaarste  slag,  die 
de  Evangelische  kerk  des  lands  kon  treffen.  De  laatste  bede 
van  den  stervenden  koning,  dat  God  zijn  land  voor  het  Paus- 
dom mocht  behoeden,  werd  niet  op  zoodanige  wijze  vervuld, 
als  hij  zulks  vermoedelijk  gewenscht  had.  Want  die  na  hem 
den  troon  beklom,  was  zijne  stiefzuster  Maria,  de  dochter 
der  verstootene  koningin  Katharina  van  Arragon  [f  153G|, 
op  dat  tijdstip  bereids  37  jaren  oud,  doch  die  met  hare  reeds 
grijzende    haren   en  met  hare  schrale,  ziekelijke  gestalte  er 


*)  K  u  y  pe  r,  II,  677. 
*)  „Original."  p.  365. 


470 

nog  ouder  uitzag.  Zij  had  een  vreugdeloos,  somber,  eenzaam 
leven  achter  zich^  en  koesterde,  bij  hare  komst  aan  de  regee- 
ring, geen  hoogeren  wensch^  dan  om  de  Roomsche  kerk, 
hare  troosteres  in  menig  smartelijk  uur^  weder  in  het  bezit 
van  hare  oude  rechten  te  doen  treden.  Onverwijld  sloeg  zij 
dan  ook,  op  schier  fanatische  wijze^  de  hand  aan  de  vervulling 
van  deze  taak,  welke  haar,  gelijk  zij  meende,  door  do 
Voorzienigheid  was  toebedeeld.  Alle  prediking  en  Schrift- 
verklaring zonder  bijzondere  vergunning  werd  verboden;  de 
vroegere,  katholieke  bisschoppen,  die  van  hunne  oude  er- 
varingen niets  vergeten,  en  in  de  laatstverloopene,  leerrijke 
jaren  niets  geleerd  hadden^  keerden  uit  de  gevangenis,  of 
uit  de  verbanning,  of  uit  het  afgezonderde,  ambtelooze  leven 
terug,  en  namen  hunne  vroegere  zetels  weder  in  bezit,  terwijl 
mannen  als  Cranmer,  Ridley,  Latimer  en  Hooper 
de  ledig  geworden  cellen  in  den  kerker  innamen,  en  wel- 
haast den  marteldood  moesten  ondergaan,  aan  welken  zij  zich 
als  heldhaftige  bloedgetuigen  van  het  Evangelie  in  Engeland 
met  onbezweken  geloof  onderwierpen.  ^) 

De  gestrenge  wetten  trofifen  ook,  men  zou  kunnen  zeggen : 
in  de  allereerste  plaats,  de  vreemdeling- gemeente.  Was  reeds 
voor  eenen  man  als  Ridley  het  bestaan  dezer  gemeente, 
meer  dan  ééns,  eene  ergernis,  omdat  zij  in  haren  eeredienst 
de  besliste  tegenstelling  vormde  tegen  de  gebruiken  van  den 
ouden  tijd,  die  in  de  Engelsche  staatskerk  nog  werden  ge- 
duld, en  daardoor  mannen  als  Hooper  in  hunne  meeningen 
versterkte,  hoeveel  te  meer  was  zulks  het  geval  met  den 
geheel  pauselijk  gezinden  Bonn  er,  die,  als  een  der  eersten, 
zijnen  ouden  bisschopszetel  in  Londen  weder  innam.  Hot 
spreekt  vanzelf,  dat  geen  van  hare  leeraren  de  noodige 
vergunning  kreeg  om  te  prediken.  Do  Jezus-kerk  werd  ge- 
sloten;   alle    recht    van   verceniging  werd  aan  de  gemeente- 


*)  Aangrijpend  eo  stichtend  zijn  de  uitvoerige  schilderingen,  welke  Foxe 
(in  het  Ode  on  7dc  Deel  v<in  zijn  AVerk)  aangaande  het  uiteinde  dezer  bloed- 
getuigen  geeft.  Gelijk  bekend  is,  put  hij  daarbij  meestal  uit  de  verzamelingen, 
die  de  edele,  vrome  Grindal  ter  rechter  tijd  heeft  aangelegd.  (Verg.  Grin- 
dal,  III,  en  zijne  Brieven  aan  Foxe,  p.  210  sq.) 


471 

leden  benomen.  Laski  kon  ieder  oogenblik  verwachten,  dat 
hem  een  gelijk  lot  van  gevangenschap  zoude  treffen,  als 
zijnen  vrienden  en  geloofsgenooten  wedervaren  wa,^.  Reeds 
den  Isten  September  werd  Ho  op  er  in  de  Fleet-govangenis 
geworpen;  met  Coverdale,  den  bisschop  van  Exeter,  had 
hij  het  bevel  getrotseerd,  en  in  zijn  bisdom  de  predikingen 
niet  doen  staken.  Laski  bezocht  zijnen  vriend  in  diens  duis- 
teren kerker.  ^)  Als  Hooper,  zeven  weken  daarna,  aan 
zijnen  getrouwen  geestverwant  in  Emdcn  een  schrijven  richt, 
had  men  hem  in  een  enger  en  ongeriefelijker  vertrek  in  den 
toren  opgesloten.  ^)  Doch  de  geestkracht  van  den  martelaar 
bleef  onverzwakt.  „De  toestand  onzer  kerk"  —  zóó  schrijft 
de  gevangene  aan  onzen  verbannen  vriend,  —  „is  beklagens- 
waardig en  ellendig.  Moge  de  Heer  in  genade  op  ons 
nederzien,  en  de  macht  der  tegenstanders  verbreken.  Van 
dag  tot  dag  worden  zij  verwoeder  en  aanmatigender.  Maar 
Hij,  die  op  dit  oogenblik,  wat  ons  lot  aangaat,  schijnt  te 
rusten.  Hij  zal  zich  nochtans  opmaken,  en  onze  vijanden 
verslaan.  Indien  do  Vader  aller  genade  ons  zulk  eene  gunst 
nog  tijdens  ons  leven  mocht  willen  verlecnen,  zoo  zij  zijn 
heilige  naam  daarvoor  geprezen,  doch  indien  niet,  —  zijn 
wil  geschiede!  Hij  zelf  gebiedt  ons,  voor  den  roem  zijns 
naams  te  sterven.  Moge  Hij  ons  verlecnen  hetgeen  Hij 
gebiedt,  dan  mag  Hij  nog  smartelijker  dingen  gehengen, 
indien  Hem  zulks  goeddunkt.  Ik  schrijf  u  inderhaast  en 
steelswijze  in  de  gevangenis ;  men  heeft  mij  onlangs  in  eene 
engere  cel  gebracht,  waar  ik  strenger  bewaakt  word,  dan 
toen  gij  mij  bezocht.  Met  Gods  hulp  ben  ik  echter  bereid, 
dit  alles  te  verdragen,  en  ook  nog  smartelijker  beproevingen, 
die  wel  niet  zullen  uitblijven.  Wil  mijnen  ouden,  godzaligen 
vriend  Meester  Maarten  (Micronius),  den  edelen  Utenhove 
en  al  de  Broederen  uit  mijnen  naam  groeten ;  en  ik  bid 
u,  dat  gij  mij  en  mijne  medegevangenen  in  Christus  Jezus 
aan    onzen    almachtigen    Vader    in    den    hemel    aanbeveelt, 

1)  Eerst  onder  de  tegenwoordige  koningin  werd  de  oude,  beruchte  gevange- 
genis  afgebroken. 

»)  „Original",  p.  101. 


472 

opdat  door  onzen  dood  zijn  roem,  hoo  langer  hoe  meer^ 
te  midden  van  deze  zoo  zwaar  bezoedelde  wereld  moge 
blinken/',  i) 

La  ski  ontging  de  gevangenschap.  Blijkbaar  wilde  men 
zich  toch  niet  aan  de  vreemdelingen  vergrijpen ;  do  regeering 
van  de  bloedige  Maria  vond  onder  hare  eigene  landskinderen 
voldoende  gelegenheid,  zich  dien  vreeselgken  naam  waardig 
te  maken.  Hij  on  zijne  gemeente  kregen  bevel,  om  binnen 
den  kortst  mogelijken  termijn  het  land  te  verlaten.  ^)  Op  de 
Theems  lagen  twee  Deensche  zeilbooten,  de  „kleine  IJslandsche 
Kraai''  en  de  „Moriaan,"  die  eigenlijk  uit  het  vaderland  den 
last' hadden  medegekregen,  om,  nadat  zij  te  Londen  hare  vracht 
gelost  hadden,  de  Fransche  kust  aan  te  doen,  en  eene  lading 
zout  voor  Denemarken  in  te  nemen,  •**)  doch  wier  gezagvoer- 
ders, door  den  nood  der  lieden  en  de  zooveel  voordeeliger 
vracht  bewogen,  zich  bereid  verklaarden,  om  een  deel  der 
gemeente  uit  het  ongastvrije  land  weg  te  brengen.  Eenl75tal 
gemeenteleden,  zoo  plotseling  aan  hunnen  handel  en  wandol 
meedoogenloos  ontrukt,  maar  nochtans  bereid,  om  liever  in 
den  vreemde  met  vrouw  en  kind  het  harde  brood  der  bal- 
lingschap te  eten,  dan  om  aan  den  warmen,  huiselijkcn  haard 
niet  volgens  hun  heilig  geloof  te  kunnen  leven,  scheepten 
zich  den  IT^en  September  in:  niet  eens  werd  hun  de  tijd 
gegund ,  om  de  zware  najaarsstormen  af  te  wachten.  Het 
deel  der  gemeente,  dat  thans  nog  achterbleef,  deed  de 
anderen  stroomafwaarts  uitgeleide.  Bij  Gravesend,  aan  den 
mond   van   de    Theems,    moest    men   elkander  eindelijk  het 


1)  Eerst  den  5deD  Februari  1555,  na  vele  zware  martelingen,  ging  de  bede 
van  den  vromen  geloofsheld  in  vervulling.  Tot  driemaal  toe  moest  het  vuur 
van  z\jnen  brandstapel  op  nieuw  worden  aangestoken,  alvorens,  ten  langen  leste, 
de  vlammen  haar  werk  hadden  volbracht.  De  laatste  woorden  van  den  mar- 
telaar waren:  „Heere  Jezus,  erbarm  U  mijner!  Hccre  Jezus,  ontvang  mijnen 
geest  I"  (Fox  e,  VI,  658.  Zie  aldaar  ook  eene  afbeelding  van  dezen  vnurdood, 
uit  die  dagen  zelve  afkomstig.) 

>)  Het  merkwaardige  document,  volgens  hetwelk  de  vreemdelingen  binnen 
24  dagen  Engeland  moesten  ontruimen,  en  dat  hen  deels  als  roovers,  deels  als 
sektarissen  brandmerkt,  is  afgedrukt  bij  l?\oxe,  VI,  429. 

S)  Har  boe,  S.  29. 


473 

laafcst  vaarwel  toeroepen.  Op  den  heuvel  aan  den  oever  stonden 
met  een  droevig  hart  de  achterblij venden,  en  hieven,  terwijl 
de  beide  zeilscheepjes  Itogzaam  voorbijvoeren,  den  tweeden 
psalm,  den  lievelingspsalm  van  Laski  aan.  ^)  Onder  de  tonen 
van  dat  lied  verdwenen  de  beide  schepen  uit  hun  gezicht. 
Treurig  en  weemoedig  gestemd,  namen  de  achtergeblevenen 
den  terugtocht  aan  naar  hunne  eenzame  huizen,  die  zij  zelven 
wellicht  spoedig  zouden  hebben  te  verlaten.  Alsof  het  eene 
godsdienstoefening  in  de  open  lucht  geweest  was,  —  twee 
van  hunne  predikanten,  Deloenus  en  Riverius,  waren 
thans  nog  bij  hen  achtergebleven,  —  zoo  keerden  zij  niet 
huiswaarts,  alvorens  te  zamen  gebeden  en  op  de  gewone 
wijze  de  liefdegaven  voor  de  armen  onder  elkander  te  heb- 
ben ingezameld.  '^) 

Nog  geruimen  tijd,  tot  aan  het  vallen  van  den  nacht, 
stond  onze  vriend  aan  het  roer,  en  staarde  naar  de  kust, 
die  allengs  voor  zijnen  blik  verdween.  Dit  was  nu  reeds  de 
derde,  maal,  dat  hij  zich,  om  zijns  geloofs  wil,  in  balling- 
schap moest  begeven.  Veertien  jaren  te  voren  had  hij  zijn 
vurig  geliefd  Polen  moeten  verlaten,  drie  jaren  voordezen 
het  land,  dat  hem  als  een  ander  vaderland  geworden  was, 
on  nu  ook  Engeland,  in  hetwelk  Christus,  zijn  Heer,  hem 
zulk  een  ruim  en  tevens  gezegend  arbeidsveld  ontsloten  had. 
Voorwaar,  wel  moest  hij  op  eene  smartelijke  wijze  de  waar- 
heid ondervinden  van  de  uitspraak  der  Schrift,  dat  wij  hier 
geen  blijvende  stad  hebben,  maar  met  onbezweken  volhar- 
ding en  in  een  blijmoedig  geloofsvertrouwen  heeft  onze 
geliefde  balling  de  toekomende  stad  gezocht.  Aan  zijnen 
mond  ontglipt  voor  ons  oor  geen  enkele  klacht,  noch  ook  zien 
wij  hem  aan  moedeloosheid  ter  prooi  worden,  als  hij  hot  oog 
slaat  op  vrouw  en  kind  en  op  die  groote  schaar  van  vluchte- 
lingen, die,  van  alle  middelen  van  bestaan  verstoken  en 
niet  wetende,  wat  de  naastvolgende  dag  hun  zal  baren,  met 

')    „Iloe  rasen  so  die  Ileydcnca  te  hoop?    End  die  volcken  betrachten  ijdel 
dinghen,"  etc.  (Verg.  Bart  els,  III.) 
')  Utenhüvius,  p.  22. 


gelatenheid    afwachten    hetgeen    Gtode    behagen  zal  hun  toe 
te  zenden. 

Kalm,  in  rast  vertrouwen  op  God  hield  hij  zijnen  blik 
gevestigd  op  het  land,  dat  de  vallende  nacht  aan  zijn  gedchÉ 
onttrok.  Ook  in  de  volgende  jaren  verloor  hij  hot  niet  uit  het 
oog,  gelijk  do  hoveniei-  zijnen  akker  niot  kan  vergoten,  aan 
welken  hij  het  zaad  heeft  toevertrouwd.  Het  was  toch  ook 
niet  bestemd  om  verloren  te  gaan,  het  kostbare  zaaisel,  dat 
nu  mot  hot  mar  tel  aar  eb!  oed  van  getrouwe  arbeiders  beaprooid 
werd.  Tweehonderd  acht  on  tachtig  Protestanten,  onder  wel- 
ke de  zuilen  der  jeugdige  Evangelische  kerk  zich  bevonden, 
hebben  gedurende  do  slechts  vijfjarige  heerschappij  der  bloe- 
dige Maria  hun  geloof  met  den  dood  bezegeld.  Zulk  een 
offer  heeft  God  beloofd,  honderdvoudig  te  zullen  vergoeden: 
heil  een  land,  dat  in  de  ure  der  bezoeking  zonen  bezit,  dio 
zich  bereid  toonen,  ooi  zoodanig  offer  te  brengen ;  want  God 
is  getrouw,  dat  heeft  Engeland  waarlijk  in  overvloedige  mato 
mogen  ervaren.  Ook  aan  onzen  banneling  was  het  nog  ver- 
gund, het  zaad  te  zien  opkomen.  Juist  die  drie  korto  jaren, 
welke  hij  daar  ginds  op  het  schoone  eiland  doorleefde,  waren 
voor  den  invloed  van  Laski  op  tijdgenoot  en  nakomeling- 
schap de  vruchtbaarste  tijd;  do  zwaro  bezoeking,  die  over 
de  vreemdeiing-gemeente  kwam,  tengevolge  waarvan  zg 
zonder  vaste  woonplaats  in  verschillende  landen  verstrooid 
word,  droeg  er  in  eene  aanmerkelijke  mato  too  bij,  om  het 
zaad  zyner  leer  tot  op  den  versten  afstand  te  verspreiden. 
Hare  Geloofsbelijdenis  werd  het  eerste  belijdenisBclirift  van 
de  Gereformeerde  kerk  der  Nederlanden.  Haar  Catheohismus 
is  eene  hoofdbron  geworden  van  den  Heidolbergaehen  Cate- 
chismus, het  voornaamste  symbolische  geschrift  der  Duitsch- 
gereform eerde  kerk.  Uit  haar  Psalmboek  —  do  bear- 
beiding van  de  psalmen  tot  gebruik  bij  het  kcrkelyk 
gezang  was  voornamelijk  het  werk  van  Utonhove,  —  zong 
men  in  Oost-Frioaland ,  aan  don  Ryn,  en  overal,  werwaarts 
de  arme  vluchtelingen  verstrooid  werden,  terwijl  het  werk 
van  Laski  over  de  Kerkorde  in  zijne  Londensche  gemeente 
eenen  machtigen  invloed  uitoefende  in  alle  landen,  waar  de 


475 

presbyteriale  inrichting  der  gemeente  de  overhand  verkroeg.  *) 
Maar  ook  de  onmiddellijke  werking  van  zijne  schopping  in 
Engeland  bleef  niet  achterwege,  en  werd  tot  een  vrucht- 
brengend zaad.  In  zijne  gemeente  had  hij  eene  regeling  tot 
stand  gebracht,  die  als  model  werd  beschouwd  bij  de  geweldige 
pogingen,  in  welke,  in  de  volgende  eeuw,  de  reformatorische 
beweging  in  Engeland  hare  volle  kracht  openbaarde  en  althans 
aanvankelijk  haar  einddoel  bereikte.  Aan  den  dorpel  van  de 
kerk  zijner  vreemdeling-gemecnte  staan  de  Puriteinen.  De  door 
Hoop  er  ten  deele  op  ruwe  wijze  gevoerde  strijd,  betreffende 
de  verwerping  van  lloomsche  overblijfselen  in  de  liturgie  en 
de  inrichting  der  Engelsche  kerk,  was  niet  louter  de  uiting 
van  eene  persoonlijke  meening;  hij  droeg  do  kiem  en  giststof  in 
zich,  die  later  in  de  worstelingen  der  Nonconfor misten,  welke 
de  geheele  kerk  in  beroering  brachten,  eonon  tastbaren  vorm 
verkreeg.  La  ski  had  aanstonds  de  hooge  belangrijkheid  der 
zaak  ingezien,  en  stond  onvoorwaardelijk  on  onwrikbaar  aan 
de  zijde  van  Hoop  er.  Letten  wij  op  de  menigvuldige,  latere 
buitensporigheden  dezer  Nonconformisten,  die  zich  voor  eon 
deel  in  verschillende  sekten  oplosten,  dan  bemerken  wij,  dat 
deze  buitensporigheden  daardoor  ontstaan  zijn,  dat  men  den 
weg  had  verlaten,  dien  L  a  s  k  i  uit  volle  overtuiging  had  in- 
geslagen en  met  bewonderenswaardig  beleid  was  blijven  vol- 
gen. De  latere  tijd  heeft  Laski,  tegenover  Cranmer, 
Ridley  en  ook  tegenover  Buc er,  wat  dit  vraagstuk  betreft, 
in  het  gelijk  gesteld:  het  waren  geen  „adiaphora",  over  welke 
het  geschil  in  de  „kleeding-kwestie^*  liep;  't  was  een  worste- 
len van  het  Evangelische  beginsel,  dat  nu  juist  op  dit  punt 
aan  het  licht  trad.  De  twist  wus  dijstijds  slechts  oppervlak- 
kig bijgelegd,  om  eene  halve  eeuw  latijr  op  eene  andere 
plek  des  te  heftiger  te  ontbrand(;n. 

De  diep-ingrij pende  bet(ïekenis  van  deze  vreemdeling-ge- 
meente  en  van  hare  kerkorde  werd  ook  door  hare  tegcnstandijrs 
zeer  goed  ingezien,  en  daarom  is  het  alleszins  te  bogrij|)en,  dat 

^1  Vere.  L  L'  n  h  1  r  r,  S.  (52,  en  W  i:  i  d  g  a  r  t  e  n ,  Jj.  30:  „l)v  kcrkordi;  van 
Juhannrs  u  Lascü  bi-eft  tot  voürbccld  gestrekt  voor  but  Kngelscbi;  en  bet 
i>cbotflcbe   l'rcsbvtcrianlsuje." 


476 

ook  zulke  vrome  mannen  als  Ridley  en  anderen  geërgerd 
waren  over  de  uitgebreide  rechten  en  vrijheden  dezer  ge- 
meente. Want  haar  bestaan  was  een  protest  tegen  de  aanspra- 
ken van  de  bisschoppelijke  Engelsche  kerk  op  een  algemeen 
geldend  gezag.  De  bloeiende  staat,  in  welken  de  gemeente 
der  vreemdelingen  verkeerde,  maakte  hen,  die  over  do  toe- 
standen in  de  Engelsche  kerk  ontevreden  waren,  opmerk- 
zaam op  hetgeen  hun  ontbrak.  Het  tweeslachtige  in  de 
vormen  hunner  kerk  viel  hun  te  scherper  in  het  oog,  hoe  meer 
zg  in  deze  gemeente  en  —  na  hare  opheffing  —  in  hare 
kerkorde  zich  de  zuivere,  consequente  toepassing  van  oen 
denkbeeld  zagen  voor  oogen  gesteld,  hetwelk  hun  volkomen 
duidelijk  was,  en  dat  zij  van  harte  beaamden. 

Overal,  waar  L  a  s  k  i  gedurende  de  eerstvolgende  jaren  op 
zijne  omzwervingen  buiten  Polen  kwam,  ontmoette  hij  be- 
vriende vluchtelingen,  die  hem  op  de  hoogte  hielden  aan- 
gaande de  treurige  toestanden  in  hun  vaderland.  Wel  waren 
het  schrikkelijke  tijden,  die  Engeland  gedurende  deze  vijf 
jaren  doorleefde:  alsof  het  was  teruggevoerd  tot  de  tijden 
der  Christenvervolgingen  door  de  Romeinen.  Dat  velen  wer- 
den ter  dood  gebracht,  en  de  uitnemendste  mannen  naar  hot 
buitenland  de  wijk  namen,  was,  naar  het  oordeel  der  bloedige 
Maria  en  van  hare  handlangers,  Gardiner  en  Bonner,  ^) 
geenszins  voldoende:  de  woede  der  vervolging  strekte  zich 
ook  uit  tot  de  drukwerken  en  geschriften,  ja  zelfs  tot  de 
brieven  van  deze  vluchtelingen,  welke  moesten  worden  over- 
geleverd, ten  einde  althans  die  tot  den  vuurdood  te  doemen, 
welken  men  oneindig  veel  liever  aan  de  opstellers  zelven  zou 
hebben  doen  ondergaan.  Op  den  ons  bewaard  gebleven  Index 
van    de    verboden    geschriften    vindt  men  in  de  voorste  rij. 


1)  Deze  beide  hoofdbewerkers  van  de  vervolgingen  en  terdoodbrcngingen 
worden  door  Ranke  (1 ,  1 ,  S.  202) ,  op  zijne  gewone  keurige ,  kalme  wijze , 
met  deze  weinige  woorden  treffend  geschilderd:  „Gardincr  betoont  zich  bij  deze 
terechtstellingen  heerschzachtig,  trotsch,  in  die  drieste  stemming  der  geweld- 
hebbers,  in  welke  zij  zich  inbeelden,  dat  zij  ook  in  geestelijk  opzicht  do  meer- 
doren zijn;  bisschop  Bonnor  van  Londen  daarentegen  fanatiek,  zonder  ouder- 
scheidingsgave  en  bijkans  bloeddorstig." 


477 

dicht  achter  Calvgn  en  Bullinger  en  Melanchthon, 
de  werken  van  La  ski  vermeld.  ^)  Onze  vriend  gaf  zich  ook 
moeite,  om  het  lot  dezer  vluchtelingen  te  verlichten :  tot  zelfs 
in  zijn  Poolsche  vaderland  verschafte  hij  hun  een  vriendelijk 
toevluchtsoord.  Onder  deze  beschermelingen  van  La  ski  is, 
behalve  bisschop  Barlow  van  Bath  ^)  en  John  Burcher, 
van  wien  ons  nog  eene  reeks  van  belangrijke  brieven  uit 
Polen,  in  de  omgeving  van  La  ski  geschreven,  is  bewaard 
gebleven,  •**)  vooral  de  hertogin  van  SuflFolk  te  noemen,  do 
weduwe  van  den  vriend  der  jeugd  van  Hendrik  VIII,  die 
niet  geaarzeld  had,  hem  zijne  zuster  Mary  tot  vrouw  te 
geven.  ^)  Aangrijpend  is  de  schildering  van  hare  vlucht  uit 
Engeland,  en  hoe  zij  met  haar  kindje,  hulpeloos  en  door 
hare  vervolgers  achternagezet,  in  de  Nederlanden  rond- 
zwerft, totdat  zij,  na  eerst  in  Wezel  een  tgdlang  eene  schuil- 
plaats gevonden  te  hebben,  eindelijk,  dewijl  zij  zich  ook 
dair  niet  zeker  achtte,  door  Laski's  bemoeiingen  bij  den 
koning  van  Polen  en  bij  vorst  Radziwill,  in  het  verre 
Polen  een  veilig  tehuis  erlangt.  ^) 


*)  Foxc,  VII,  128.  Het  bevelschrift  van  den  13den  Juni  1555  werd,  blij- 
kens het  onderschrift,  bekrachtigd  in  dezelfde  vertrekken  van  Hampton  Court, 
in  welke  Laski,  vier  jaren  vroeger,  koning  Eduard  had  zoeken  te  bewegen,  om 
tot  den  Vorstenbond  tegen  Karcl  V  toe  te  treden.  liet  stuk  is  medeondurtce- 
kcnd  door  dun  zoon  van  Karet  V,  koning  Philips  van  Spanje,  die,  sedert  een 
jaar,  met  Maria  gehuwd  was.  Onder  de  vragen,  die  de  bijgevoegde  instructie 
betreffende  het  zoeken  naar  verboden  geschriften  uitdrukkelijk  aangeeft,  is  de 
vijfde  aldus  luidende:  „of  men  ook  iemand  weet,  die  brieven  of  geld  van  en 
naar  Zurich,  Straatsburg,  Frankfort,  Wezel,  Emden,  Duisburg  (de  voornaamste 
nederzettingen  der  vluchtelingen)  overbrengt,  of  dien  men  daarvan  ook  slechts 
ernstig  verdenkt." 

»)  „Original,"  p.  687,  en  Fox  e,   VIÏI,  574. 

3)  „Original,"  p.  671—702. 

*)  Burnet,  I,  14,  en  II,  281. 

5)  Verg.  het  belangwekkend  bericht  bij  Fox  e,  VIII,  569  sq.  Als  hare  ver- 
blijfplaats wordt  aldaar  Crozan  in  Samogitië  genoemd,  een  mij  onbekend  oord. 
[Volgens  eene  opgave,  die  ik  aan  den  Heer  M.  J.  Evans,  den  vertolker  van 
Dalton's  geschrift  in  het  Engelsch,  te  danken  heb,  was  Mary  van  SufTolk 
destijds  reeds  lang  overleden,  en  is  de  hier  bedoelde  weduwe  Katharinavan 
SafTolk,  aan  wie  Latimer  zijne  Leerredenen  over  het  gebed  des  Heeren  heeft 
opgedragen.  —  Ver  t.] 


478 

-  Niet  zoo  lang  als  de  regeering  van  E  d  u  a  r  d,  die  als  een 
heldere  zonnestraal  op  het  land  rust,  en  als  zoodanig  in  ge- 
zegend aandenken  gebleven  is,  duurde  het  bloedige  bewind 
van  Maria^  dat  ons  aan  eene  donkere  onweerswolk  doet 
denken,  die  verderf-brengend  over  de  aarde  voortjaagt.  Reeds 
na  vijf  jaren,  den  IT^en  November  1558,  bezweek  de  Ko- 
ningin onder  eene  destijds  heerschende  koorts ;  zij  stierf,  ge- 
folterd door  een  diep  zieleleed,  dat  reeds  vóór  haar  uiteinde 
haar  hart  bijkans  had  doen  breken,  want  zij  moest  nog  zien, 
hoe  haar  vurigste  wensch,  tot  welks  verwezenlgking  zij  nau- 
welijks voor  éenig  middel  was  teruggedeinsd,  verijdeld  werd. 
Hare  regeering  vertoont  zich  als  eene  schrikwekkende  scha- 
duw in  de  geschiedenis  van  Engeland ;  aangezien  hare  levens- 
vezelen  in  het  Spaansche  vaderland  en  den  Koomschen 
godsdienst  harer  verstootene  moeder  wortelden,  was  zij  vreemd 
gebleven  ten  opzichte  van  het  land,  over  hetwelk  zij  regeerde, 
terwijl  haar  gemoed  even  somber  gestemd  was,  als  dat  van 
haren  gemaal,  koning  Philips  van  Spanje,  aan  wien  z^ , 
bijkans  reeds  als  matrone,  wel  hare  hand  geschonken  had, 
maar  niet  haar  hart,  hetwelk,  volgens  hare  eigene  getuigenis, 
nimmer  liefde  had  gevoeld. 

Het  onderscheid  tusschen  de  Roomsche  en  de  Evangelische 
kerk  is  niet  grooter,  dan  het  verschil  tusschen  de  beide  zus- 
ters, die  elkander  in  de  regeering  opvolgden,  kinderen  van 
denzelfden  vader,  wel  is  waar,  doch  wier  moeders  zulke  geheel 
verschillende  karakters  bezaten.  Want  tusschen  de  Spaansche 
prinses  en  Anna  Boleyn  is  de  afstand  niet  gering.  E 1  i s a- 
beth  besteeg  den  troon,  de  jonkvrouwelijke  koningin,  bleek 
en  trotsch,  die  hare  betuiging,  dat  zij  met  haar  volk  gehuwd 
wilde  zijn,  in  een  langdurige  regeering  heeft  bewaarheid. 
Alsof  een  akelige  droom,  eene  benauwende  nachtmerrie  ge- 
weken was,  zoo  herademden  de  Evangelischen  in  het  geheele 
land ;  alsof  het  lente  geworden  was,  zoo  keerden  van  uit  het 
Zuiden  de  vluchtelingen  in  hun  vaderland  terug.  Onze  vriend 
mocht  den  ommekeer  in  het  lot  der  Evangelische  kerk,  in 
welker  dienst  hij  vroeger  gearbeid  had,  nog  beleven.  Nauwe- 
lijks   had    Elisabeth   den  troon  beklommen,  of  de  overal 


479 

rusteloos  werkzame  Zanchius  ^)  wendde  zich  schriftelijk 
tot  La  ski  met  het  verzoek,  een  schrijven  te  willen  richten 
aan  de  Koningin,  „want  ik  weet,  hoe  groot  uw  invloed  is 
bg  de  Engelschen  en  ook  bij  de  Koningin  zolve/^  ^)  Ook 
zonder  deze  aansporing  zou  L  a  s  k  i  zich  zeker  innerlijk  hebben 
gedrongen  gevoeld,  om  ten  behoeve  van  zijne  gcloofsgenooten 
als  pleitbezorger  bij  de  Evangelische  koningin  op  te  treden. 
Gedurende  zijn  verblijf  in  Engeland  was  hij  met  haar,  als 
prinses,  in  persoonlijke  aanraking  gekomen ;  hij  moest  weten, 
welk  een  gewicht  zijn  woord  bij  haar  bezat,  want  hij  richtte 
een  lang  en  breedvoerig  schrijven  aan  haar,  dat  in  zijnen 
gedetailleerdcn  inhoud  zoowel  daarvan,  als  ook  tegelijkertijd 
van  den  adel  en  den  ernst  zijner  vrome  gezindheid  een  tref- 
fend getuigenis  aflegt.  Gekroonde  hoofden  zullen  vermoedelijk 
niet  vele  soortgelijke  zendbrieven  ontvangen  hebben !  Voor  ons 
echter  heeft  het  bedoelde  schrijven  dubbele  waarde.  Het  is 
't  laatste  geschrift  uit  de  pen  van  onzen  vriend,  hetwelk  ons 
is  bewaard  gebleven;  reeds  heeft  de  krankheid  zijne  moede 
hand  verlamd,  die  zij  slechts  vier  maanden  later  in  den  dood 
zal  doen  verstijven,  maar  de  geest  is  tot  in  de  stervensure 
frisch  gebleven,  en  de  edele  strijder  Gods  tot  aan  den  rand 
van  het  graf  onvermoeid  in  het  kampen  van  den  goeden  strijd 
voor  de  eere  Gods.  Hoe  gaarne  zouden  wij  deze  laatste, 
zuivere  getuigenis  in  haar  geheel  hier  mededeelen;  doch  dit 
zou  te  veel  ruimte  vorderen.  Maar  wij  kunnen  er  ons  althans 
niet  van  onthouden,  den  alleszins  belangrijken  gedachtengang, 
zg  't  ook  slechts  uit  do  verte,  te  volgen.  ^) 

La  ski  wijst  allereerst  op  de  wonderbare  leiding  Gods, 
zichtbaar  in  het  lot  van  Engeland.  Met  teedere  kieschheid 
noemt  hg  niet  uitdrukkelijk  den  naam  harer  zuster,  en  gewaagt 
van  hare  bloedige  regeering  enkel  uit  het  verheven  oogpunt, 
dat  zij,  onder  Goddelijke  toelating,  heeft  moeten  strekken  tot 
een  bepaald,  zegenrijk  gevolg.  Ook  dit  is  overeenkomstig  Gods 

[1)    Vergel.    over  Zanchius,  f  1590,  o.  a.  Dr.  J.  J.  Her  zog,  „Abriss 
der  gesammtcn  Kirchengcschichte/'  III  (1882),  S.  80G.  —  Vert.] 
1)  Zan  chius,  II,  235. 
3)  Verg.  Kuyper,  II,  758—705. 


480 

genadigen  wil^  dat  de  vrome^  godzalige  E  d  u  a  r  d,  wiens  naam 
hg  met  hartelijke  bewoordingen  in  het  geheugen  der  zuster 
terugroept,  zoo  vroeg  van  deze  aarde  heeft  moeten  scheiden. 
Onder  zijne  regeering  heeft  men  begonnen,  aan  menschelijke 
wijsheid  in  de  leer  en  in  den  eeredienst  eene  bedenkelijke  speelr 
ruimte  te  gunnen,  alsof  onze  alleronschuldigste  Jozef,  nl.  onze 
Heer  Jezus  Christus,  zulke  voorzichtigheidsmaatregelen  be- 
hoeft, om  hem  tegen  de  vrouw  van  Potifar  te  beschermen. 
Christus,  onze  Heer,  wil  van  dergelijke  menschelijke  voor- 
zorgsmaatregelen hoegenaamd  niets  weten.  Hij  heeft  onzen 
raad  niet  van  noode;  Hij  eischt  enkel  van  ons,  dat  wij  aan 
zijne  bevelen  gehoorzamen,  en  vordert  zulks  inzonderheid 
van  de  koningen,  op  welke  in  de  eerste  plaats  het  woord 
van  toepassing  is:  „Gehoorzamen  is  beter  dan  slachtoffer'^ 
alsook  dat  andere:  „Omdat  gij  des  Hoeren  woord  verwor- 
pen hebt,  zoo  heeft  Hij  u  verworpen'*.  [I  Sam.  15  :  22,  23.]  — 
„God  heeft  u  begiftigd  met  niet  alledaagsche  kundigheden; 
Hij  heeft  de  ware  en  heilzame  kennis  van  Hem  zelven, 
in  zijnen  eeniggeboren  Zoon,  daaraan  toegevoegd,  eene 
kennis,  die  gij  niet  slechts  onder  de  regeering  van  uwen 
broeder,  maar  reeds  in  uwe  prille  jeugd,  tijdens  de  regeering 
van  uwen  vader  beleden  hebt;  Hij  heeft  u  door  menigerlei 
kruis  geoefend ,  en  u  tot  deze  hoogte  doen  stijgen,  opdat  gg 
met  des  te  meerder  ijver  en  nauwgezetheid  uwen  plicht  zoudt 
vervullen.  Niet  naar  de  inzettingen  der  menschen,  maar 
alleen  volgens  het  eeuwige,  onveranderlijke  raadsbesluit  van 
den  levenden,  eeuwigen,  almachtigen  God  hebt  gij  uw  gedrag 
te  richten.  En  wat  de  gaven  betreft ,  die  u  door  God  in  zulk 
eene  rijke  mate  zijn  toevertrouwd,  wil  ik  u  hier  slechts 
herinneren,  dat  van  hen,  aan  wie  veel  gegeven  is,  ook 
eenmaal  in  het  gericht  Gods  veel  zal  afgeoischt  worden". 

Met  betrekking  nu  tot  haren  koninklijken  plicht,  roept  de 
eerwaardige  La  ski  aan  de  jeugdige,  26jarige  koningin  toe, 
dat  het  onderscheid  tusschen  eene  heidensche  en  eene  christe- 
lijke regeering  daarin  berust,  dat  de  heidensche  koningen 
zich  beschouwen  als  de  Hoeren  hunner  volken,  die  aan  hunne 
willekeur   onderworpen  zijn;  het  Woord  Gods  echter  leert, 


481 

dat  de  Overheid  niet  zoozeer  tot  heerschappij  voeren,  als  wel 
veeleer  tot  den  dienst  van  God  in  zijne  gemeente  geroepen 
is;  de  koningen  moeten  zich  dienaren  Gods  toonen,  wier 
roeping  het  is,  niet  om  zijn  volk  te  beheerschen,  maar  om 
het  te  besturen.  Alle  macht  is  en  behoort  te  zijn  een  dienen 
van  God.  „Er  zijn  twee  zwaarden:  het  zwaard  des  Geestes 
is  aan  de  bisschoppen  en  ouderlingen  in  de  Eerk,  het 
wereldlijke  zwaard  daarentegen  is  aan  de  wettige  Overheid 
toevertrouwd.  Tusschen  deze  beide  mag  volstrekt  geene  ver- 
warring plaats  hebben,  gelijk  onder  de  Papisten  geschiedt; 
de  Magistraat  en  het  Kerkbestuur  hebben  zich  elk  tot  zijne 
bgzondere  volmacht  en  roeping  te  bepalen.  Zoo  hebt  ook  gij, 
allerdoorluchtigste  Koningin,  volgens  het  voorschrift  van  den 
Apostel,  het  als  uwe  hoogste  roeping  te  beschouwen,  eene 
getrouwe  dienstmaagd  on  modearboidster  Gods  te  zijn,  bereid, 
om  de  zuiverheid  der  Apostolische  leer  en  van  den  waren 
godsdienst,  de  eerbaarheid  der  zeden,  deze  onafscheidelijke 
gezellin  van  ware  vroomheid,  de  openbare  rust  en  veiligheid 
onder  uw  volk  te  beschermen,  en  daarentegen  iedere  verval- 
sching  en  ontheiliging  van  de  Apostolische  leer,  iedere  anti- 
christelijke schending  van  den  waren  godsdienst,  en  alle 
hardnekkige  verstoorders  van  de  openbare  eerbaarheid  en 
rust  tegen  te  gaan  en  te  straften.  Vergeet  nimmer,  dat  gij 
eene  dienaresse  Gods,  en  niet  der  menschen  zijt,  en  dat  gij  u 
mitsdien  niet  naar  do  inzichten  en  meeningen  der  menschen, 
maar  enkel  naar  den  wil  en  het  bevel  van  God  hebt  te 
richten.  In  aangelegenheden  van  den  staat  hebben  wereld- 
lijke besluiten,  wetten  en  gebruiken  hunne  rechtmatige  be- 
teekenis ,  maar  in  goddelijke  dingen  mogen  zij  zich  volstrekt 
geen  gezag  aanmatigen  boven  den  Heer."  Wel  dankt  Laski 
God  voor  hare  troonsbcklimming,  doch  hij  heeft  zich  tevens, 
zooals  hij  verklaart,  in  gemocde  gedrongen  gevoeld,  haar  op 
haren  duren  plicht  opmerkzaam  te  maken.  Hij  herinnert  de 
hoog-ontwikkclde  koningin  aan  het  woord  van  Socratcs  bij 
Plato  („Platonicus  ille  Socratcs"),  dat  er  twee  soorten  van 
vrienden  zijn,  de  ecncn,  die  niet  zoozeer  ons,  als  wel  het 
onze;    de    anderen,    die    ons,    on  niet  het  onze  liefhebben. 

DALTON.  31 


482 

Genen  beminnen  in  den  grond  der  zaak  alleenlijk  zich  zelven, 
dezen  daarentegen  beminnen  ons  om  den  wille  van  ons  zei  ven. 
De  laatstgenoemden  kunnen  zich  reeds  bezorgd  maken,  wan- 
neer het  ons  bijzonder  goed  gaat,  gelgk  Socrates  bekommerd 
was  over  Alcibiades,  toen  deze  tot  de  heerschappij  over  de 
Atheners  geroepen  werd.  In  het  gevoel  dezer  bekommering 
roept  Laski  aan  de  Vorstin  toe:  Herinner  u,  dat  er  tot  de 
koningen  gezegd  is:  „Nu  dan,  gij  koningen,  zijt  wijs!"  *) 
Hierin  echter  bestaat  de  ware  wijsheid,  den  Zoon  van  God 
als  Heer  en  Koning  te  erkennen. 

Hoe  dit  zendschrijven,  hetwelk  zich  door  eenen  geestvan 
christelijke  vrijmoedigheid  kenmerkt,  en  dat  doorUtenhove 
naar  Engeland  werd  overgebracht,  door  de  Koningin  is  opge- 
nomen, weten  wg  niet.  Op  één  van  de  eerste  dagen  van 
December  werd  het  haar  overhandigd  door  graaf  Bedfort, 
die  er  ernstig  naar  streefde,  om  den  draad  der  ontwikkeling 
van  de  Evangelische  kerk  weder  op  te  vatten  terzelfder 
plaatse,  "waar  die  door  de  troonsbeklimming  van  Maria  zoo 
gewelddadig  was  verbroken  geworden.  Ongeveer  terzelfdertijd 
dienden  ook  de  leeraren,  ouderliogen  en  diakenen  der  vreem- 
deling-gemeente  een  verzoekschrift  in  bij  de  Koningin,  om 
weder  in  het  bezit  van  hunne  kerk  en  van  de  hun  vroeger 
verleende  rechten  hersteld  te  worden.  ^)  De  blijmare,  dat  dit 
verzoek  was  toegestaan,  vond  Laski  niet  meer  in  leven. 
Deloenus  en  Utenhove  stonden  nu  aan  het  hoofd  der 
vreemdeling-gemeente ,  die  spoedig  haar  vroeger  zielental 
weder  bereikte.  Een  gedeelte,  wellicht  zelfs  een  groot  deel 
der  gemeente  had  den  rcgeeringstijd  van  Maria  in  het  land 
overleefd,  onschadelijke  lieden,  die  te  voren  reeds  burgerrecht 
hadden  verkregen,  en  gedurende  de  jaren  der  vervolging 
ongetwijfeld  in  het  verborgen  volgens  hun  geloof  geleefd 
hadden.  Want  de  onbedriegclijkc  sporen  zijn  voorhanden, 
dat  ook  in  de  donkerste  dagen  de  prediking  des  Evangelie's 

[»)    Verg.    Ps.    2  :  10*   (Staten-Vert. : „handelt    verstandiglijkl")    — 

V  e  r  t.] 

>)  „Calendar.  Domestic.",  p.  144;  gedagtcekend  van  den  lOdcn  December 
1559. 


483 

in  Londen  is  voortgezet;  hoe  zou  het  ook  te  verklaren  zijn, 
indien  zij  geheel  ontbroken  had?  ^) 

Maar  toch  zou  onze  vriend  met  den  loop  der  gebeurte- 
nissen onder  Elisabeth  niet  tevreden  geweest  zijn;  de 
jonkvrouwelijke  koningin  sloeg  eenen  anderen  weg  in,  dan 
Laski  haar  had  aangeraden.  En  zulks  voorwaar  niet  ten 
voordeele  van  het  Evangelie!  Haar  ijverig  streven  was  op 
eenvormigheid  in  den  eeredionst  gericht;  hoe  gestrenger  zij 
met  hare  koninklijke  macht  aan  dat  streven  uitdrukking 
verleende,  des  te  meer  maakte  zij  de  Puriteinen,  die  door 
den  hun  geboden  weerstand  steeds  krachtiger  werden,  van 
zich  en  van  de  Engelsche  staatskerk  afkeerig.  Elisabeth 
was  krachtig  genoeg,  om  gedurende  hare  regeering  die  sterke 
gisting  te  onderdrukken,  doch  zij  was  niet  in  staat,  haar 
geheel  te  doen  ophouden.  Aan  de  eischen,  die  met  geweld 
tot  zwijgen  waren  gebracht,  moest  daarop  in  de  volgende 
eeuw  het  oor  worden  geleend:  in  hen  lag  de  levenskracht 
der  Evangelische  kerk  van  Engeland.  De  stem  van  Laski 
klinkt  als  eene  profetie.  Koningin  Elisabeth  zou  do  klove 
nog  hebben  kunnen  dempen,  de  opkomende  tegenstelling  nog 
hebben  kunnen  verzoenen.  Doch  zij  luisterde  niet  naar  den 
raad  en  de  waarschuwing  van  den  stervenden  Pool,  on  gaf 
er  de  voorkeur  aan,  zich  onvoorwaardelijk  ten  gunste  van 
de  eene  der  beide  richtingen  op  kerkelijk  gebied  te  ver- 
klaren. Whitgift  werd  haar  raadgever  en  te  gelijk  de  man, 
die,  als  aartsbisschop  van  Canterbury,  aan  hare  wcnschen  in 
de  Kerk  uitdrukking  gaf;  Grind  al,  de  edele  aartsbisschop 
van  York  en  daarna  van  Canterbury,  zoo  geheel  en  al  een 
man  naar  het  hart  van  Laski,  werd  van  zijnen  post  ontzet, 
en  verloor  de  gunst  der  Koningin.  ^) 

')  ^crg. ,  met  betrekking  tot  deze  verborgen  Evangelische  gemeente,  den 
hoogst  interessanten  brief  van  Thomas  Lever  („Zurich/'  I,  29),  een  schrijven, 
bij  hetwelk  Foie  vele  en  belangwekkende  bewijsstukken  biedt. 

1)  De  reden,  waarom  do  Koningin  den  Aartsbisschop  hare  gonst  onttrok, 
zou  a  Lasco  tot  niet  geringe  vreugde  gestrekt  hebben.  In  1577  nl.  had  de 
Koningin  een  bevel  aan  de  bisschoppen  uitgevaardigd,  in  hetwelk  de  vrije 
predikaticn  beperkt,  en  met  name  de  „profetieën"  —  die  ait  de  gemeente 
van    Laski    in    de    £ngelsche  Evangelische  kringen  waren  overgegaan,  —  ait- 


484 

drukkelijk  verboden  werden.  O r in  dal,  die  als  een  getroaw  zielenherder  het 
nat  dezer  Bijbeloefeningen  kende,  en  die  in  het  bevel  ecne  bedenkelijke  kren- 
king van  de  vrijheid  eens  christens  zag,  verzette  zich  tegen  dat  voorschrift, 
in  eenen  uitvoerigen,  treffelijken  brief  aan  de  Koningin.  (Verg.  Grind  al,  p. 
376  sq. ,  alwaar  men  ook,  p.  467,  het  koninklijke  bevelschrift  vindt  afgedrukt.) 
De  uitwerking  van  het  genoemde  schrijven  —  aangaande  hetwelk  een  £n- 
golsch  geschiedschrijver  (Collier)  verklaart,  dat  het  den  geest  eens  bisschops 
uit  den  oudsten  christentijd  ademt,  —  was  het  ontslag  van  den  wakkeren, 
vromen  man  uit  zijne  hooge  betrekking,  terwijl  hèm  bovendien  huisarrest  werd 
opgelegd.  Maar  het  volk  bleef  hem  in  hooge  achting  houden;  de  dichter  Spencer 
maakt  dikwgls  melding  van  hem,  alleenlijk,  dat  hij  den  verongelijkte  onder 
den  naam  van  Algrind  in  zijne  gedichten  sprekende  invoert. 


.  10. 

Omzwervingen  in  de  verbanning,  en  terugreis 

naar  liet  vaderland. 


a)    Het    martelaarschap    der   vreemdeling-gemeentc 
in  Denemarken  en  Noord-Duitschland. 

Wij  hebben  onze  vluchtelingen  te  O  ravcaend  uit  het  gezicht 
verloren,  toen,  op  den  17^«n  September  [1553],  een  gunstige 
wind  de  zeilen  hunner  beider  schepen  deed  zwellen,  en  hen 
zeewaarts  voerde,  een  onbekend  verschiet  te  gemoet. 

De  schepen  zetten  koers  naar  de  Deensche  kust;  hier 
hoopte  Laski,  voor  de  gezinnen,  die  aan  zijne  hoede  waren 
toevertrouwd,  een  toevluchtsoord  te  zullen  vinden.  Want 
van  den  koning  van  Denemarken  verwachtte  hij  niets  dan 
goed.  Sedert  bijkans  twintig  jaren  had  C  h  r  i  s  t  i  a  a  n  III 
de  teugels  van  het  bewind  in  handen.  Hetgeen  zijn  vader, 
die  uit  het  huis  van  llolstein  gesproton  en  met  het  Saksische 
vorstenhuis  vermaagschapt  was,  indertijd  slechts  stilzwijgend 
kon  laten  geschieden,  daar  hij  door  de  ovenïenkomst  bij  zijne 
verkiezing  in  zgne  vrijheid  van  handelen  beperkt  was,  dat 
ontwikkelde  zich  met  alle  kracht  onder  zijnen  meer  bevoor- 


486 

rechten  zoon:  de  Hervonning  hield  haren  vollen,  openlij- 
ken intocht  onder  het  volk,  welks  hart  zij  reeds  vroeger 
gewonnen  had;  de  Roomsche  bisschoppen  weken  voor  den 
druk.  Bugenhagen,  de  verdienstelijke  Luthersche  organi- 
sator, regelde  de  kerkelijke  zaken  op  veelszins  voortreffelijke 
wijze;  niet  zelden  kon  men  den  vromen  koning,  gelijk 
Eduard  VI,  als  eenen  anderen  Josia  hooren  prijzen.  De 
onderstelling  was  derhalve  gerechtvaardigd,  dat  de  arme 
vluchtelingen  zich  in  Denemarken  weder  in  het  bezit  van 
gelijke  voorrechten  zouden  mogen  verheugen,  als  Eduard  VI 
hun  in  zijne  koninklijke  gunst  had  verleend. 

De  dag  van  het  vertrek  roept  ons  den  tijd  van  de  aequi- 
noctiaal-stormen  voor  den  geest.  Op  deze  wordt  in  het  strenge 
bevel  van  de  onverbiddelijke  Maria  in  het  geheel  niet  gelet; 
onze  arme  reizigers  werden  door  wind  en  weder  verschrik- 
kelijk omgedreven.  Tot  op  den  4den  October  konden  de 
schepen  hunnen  koers  in  elkanders  nabijheid  vervolgen; 
daarna  echter  dreef  de  storm  hen  uit  elkander.  Het  kleinere 
schip,  de  „Moriaan,^'  landde  den  IS^en  October  teElseneur; 
het  andere  schip  werd,  tusschen  gorden  en  klippen  door, 
niet  ver  van  Fleckeroe,  tegen  de  Noorweegsche  kust  gedreven, 
waar  het  gedurende  acht  dagen  bleef  liggen.  Zes  van  de 
reizigers  wilden  zich  niet  meer  aan  de  zee  toevertrouwen; 
zij  trokken  landwaarts-in ,  onbekend  mot  de  taal,  blootge- 
steld aan  al  de  ruwheid  van  het  klimaat,  en  kwamen  eerst 
een  half  jaar  later  te  Kopenhagen  aan.  Den  IS^^^n  October 
zeilde  het  schip,  met  gunstigen  wind,  weder  verder  in  het 
onstuimige  Skagerrak  en  Kattegat,  on  werd  op  nieuw, 
thans  bij.Marstrand,  tegen  de  kust  gedreven.  Hier  lag  het 
vaartuig  tien  dagen  voor  anker;  Laski,  Micronius  en 
Utenhove  verlieten  hunne  reisgenooten ,  en  spoedden  zich 
langs  eenen  anderen  weg  vooruit,  ten  einde  voor  de  zwaar- 
beproefden  huisvesting  in  Denemarken  te  bereiden.  Den  298tcn 
October  bereikten  zij  Elseneur;  een  paar  dagen  later  liep 
ook  de  „IJslandsche  Kraai"  de  veilige  haven  binnen. 

De  vluchtelingen  waanden,  den  eindpaal  van  hun  kommer 
en    ellende    bereikt    te    hebben,    en    waren    toch    nog    pas 


487 

aan  het  begin;  veel  bitterder,  dan  het  zilte  zeewater,  was 
de  drank,  dien  de  geloofsgcnooten  in  Denemarken  aan  de 
arme  ballingen  reikten.  Openhartig  bekennen  wij ,  dat  wij 
geruimen  tijd  geaarzeld  hebben,  alvorens  de  pen  voor  dit 
werk  ter  hand  te  nemen  ^  daar  wij  opzagen  tegen  de  smar- 
telijke taak,  om  nu  ook  van  deze  ellende  te  moeten  gewagen. 
Slechts  de  kleine  troost,  dat  juist  zulke  ervaringen,  Gode 
zij  dank,  nu  aan  de  Evangelische  kerk  bespaard  zijn,  deed 
ons  onzen  tegenzin  overwinnen.  Door  het  bittere,  harde 
leergeld,  dat  zij  heeft  moeten  betalen,  heeft  zij  eene  meer 
zachtmoedige  en  broederlijke  gezindheid  leeren  koesteren. 
De  smartelijke  omzwerving  van  de  zoo  zwaar  beproefden  is 
ons  nauwkeurig  medegedeeld.  Utenhove  heeft  haar  beschre- 
ven, en  Laski  zelf  heeft  aan  het  werkje,  dat  te  Bazel  ter 
perse  was,  toen  onze  vriend  in  Polen  ter  ruste  ging,  een 
schrijven  van  zijne  hand  toegevoegd,  waarin  hij  de  waarheid 
van  den  inhoud  uitdrukkelijk  betuigt.  *)  Zulk  eene  getuigenis 
scheen  alleszins  noodig  te  zijn,  want  het  bericht  klinkt  fabel- 
achtig; ook  het  tegenbericht,  hetwelk  bisschop  Har  boe 
gegeven  heeft,  draagt  er  slechts  toe  bij,  de  feiten  te  beves- 
tigen ,  die  het  poogt  te  rechtvaardigen.  Deze  rechtvaardiging 
behoort  tot  eenen  voor  goed  vervlogenen  tijd;  wellicht  ter- 
nauwernood aan  de  rotswanden  der  Missouri-synode  zal  zij 
heden  ten  dage  eenen  hoorbaren  weerklank  vinden. 

Terwijl  de  schepen  zich  gereed  maakten,  om  naar  het  nabij- 
gelegene  Kopenhagen  te  stevenen,  spoedde  Laski  zich  met 
zijne  beide  getrouwe  metgezellen  tot  den  Koning.  Den  S»***" 
November  meldden  zij  zich  aan  in  zijn  slot  „Koldingshuus,*' 
nabij  Kolding,  in  Jutland.  Zijnen  daar  aanwezigen  hofpre- 
diker  Noviomagus,  die  hun  op  dien  dag  zijne  deelneming 
betuigde  met  hun  droevig  lot,  smeekten  zij  om  eene  audiëntie 
bij  Christiaan  III.  Voor  den  eer.stvolgcnden  dag  konden 
zij    die    niet    verkrijgen ,  eerst  tegen  den  daarop  volgenden , 

I)  Het  geschrift  \s  uiterst  zeldzaam;  de  woinige  voorbandcii  zijnde  excm- 
plarco  kunnen  geteld  worden.  Eén  van  die  weiniiri',  dat  aan  de  kostbare  biblio. 
theek  te  Krakau  behoort,  werd  mij  voor  mijne  studie  gedurende  geruimen  tijd 
met  vriendelijke  bereidwilligheid  afgestaan. 


4» 

ecDon  Zondag,  werd  het  gewensohr  gehoor  hun  toegezegd, 
en  wel  in  aansluiting  aan  de  gOilsdiens:c>efening ,  tot  deel- 
neming aan  dewelke  zij  tegelijkenijd  werden  uitgeuoodigd. 
Het  was  de  23=**  Zondag  na  Trinitatis:  de  vaste  pericoop 
voor  dien  dag  in  de  Luthersohe  kerk  is  het  sohoone  woord 
van  Paulns  aan  de  Philippiërs.  hoofdst.  3  :  1 7 — 21.  Welkeen 
he^^rlijk  troostwoord  voor  vrienden  van  het  kruis  van  Christus, 
die  om  zijnentwil  huis  en  hof  en  al  het  aardsche  hebben 
vaarwelgezegd ;  ja,  welk  een  laafdrank  voor  arme  schipbreu- 
kelingen, die  reeds  sinds  weken  eene  geregelde,  gemeen- 
schappelijke godsdienstoefening  ontbeerd  hadden  1  Helaas,  van 
die  gehoopte  lafenis  viel  aan  de  dorstigen  geen  enkele  druppel 
ten  deel.  Het  voornaamste  deel  der  predikatie  groepeerde  zich 
rondom  de  leer  van  de  Sacramenten ,  terwijl  daarbij ,  zooals 
van  de  zijde  van  den  Lutherschen  hofprediker  te  verwachten 
was,  de  lichamelijke  tegenwoordigheid  des  Hoeren  in  brood 
en  wijn,  krachtens  de  almacht  van  Jezus  Christus,  sterk  op 
don  voorgrond  geplaatst  werd.  Wie  deze  leer  niet  aanneemt,  — 
(vergeten  wij  niet,  dat  Xoviomagus  de  leer  dezer  vluch- 
teling-gemeente  kende,  en  dat  aan  den  voet  van  zijnen  kansel, 
ter  eener  zijde  de  Koning  en  de  Koningin,  ter  anderer  zijde 
L  a  sk  i  gezeten  was,  die  om  bescherming  en  huisvesting  kwam 
smeeken !)  —  de  zoodanige  moet  ernstig  vermaand  en  bestraft 
worden ;  want  wie  de  lichamelijke  tegenwoordigheid  van  den 
Heer  in  het  Avondmaal  loochent,  diens  einde  is  de  verdoe- 
menis, daar  zulk  één  zich  verzet  tegen  Gods  Woord.  Derge- 
lijke lieden,  indien  zij  zich,  ondanks  de  vermaning,  niet 
bekceren,  moet  men  zorgvuldig  vermijden. 

Laski  kon  wel  gissen,  wat  hij  te  verwachten  had  van 
oenen  koning,  dien  zijn  hofprediker  zoo  even  ter  gcwijder 
plaatse  op  dusdanige  wijze  gewaarschuwd  had.  Maar  hij 
deinsde  er  nochtans  niet  voor  terug,  zijn  smeekschrift  te 
overhandigen;  het  zijn  aangrijpende  woorden,  ongekunsteld, 
vroom ,  vol  ziclenadol.  Hij  schetst  den  Koning  de  genade , 
di<ï  Uod  aan  hen  en  aan  geheel  het  volk  in  Engeland  be- 
wezen heeft,  welke  rechten  hun  waren  toegekend,  en  in 
welk    oenen    bloeienden    toestand    de    gemeente   verkeerde. 


489 

Maar  het  volk  was  niet  recht  dankbaar  voor  zulk  eene  wel- 
daad, en  daarom  nam  God  die  van  hen  weg.  Ook  hen  trof 
het  harde  lot.  Liever,  dan  voor  de  verdrukking  van  de  zijde 
van  Rome  te  zwichten,  besloot  de  gemeente  het  land  te 
verlaten.  Zoo  komen  zij  dan  als  ballingen  herwaarts,  hopende 
en  biddende^  dat  hun  onder  de  bescherming  des  Konings  ver- 
leend zou  worden  hetgeen  zij  te  Londen  bezeten  hadden, 
nl.  het  recht,  om  overeenkomstig  hun  geloof  te  leven,  en 
hunnen  godsdienst  op  hunne  wijze  in  te  richten,  eene  bede, 
tegen  welker  inwilliging  te  minder  bezwaar  kon  bestaan, 
daar  zij  onbekend  waren  met  de  landstaal.  Zij  zijn  ten  allen 
tijde  bereid,  om  rekenschap  van  hun  geloof  af  te  leggen, 
alsook  om  zich  te  laten  terechtwijzen  en  het  betere  aan  te 
nemen,  wanneer  zij  uit  het  Woord  Gods  in  conig  opzicht 
van  ongelijk  overtuigd  worden.  „Want  wij  zoeken  niet  onze 
eigene  eer,  maar  alleen  de  eer  van  Christus,  en  willen  ook 
volgaarne  al  het  menschelijkc  in  ons  tot  onze  eigene  be- 
schaming erkennen,  wanneer  wij  slechts  zien,  dat  daardoor 
de  roem  van  Christus,  onzen  Heer,  in  zijne  leer  naar  waar- 
heid verheerlijkt  wordt.  Want  Hij  moet  wassen,  maar  wij 
moeten  minder  worden,  gelijk  wij  van  ganscher  harte  met 
Johannes  den  Dooper  belijden."  ^) 

De  Koning,  die  niet  kon  nalaten,  hun  zijne  deelneming  met 
hun  moeielijk  lot  te  betuigen,  beloofde  hun  een  antwoord. 
Eerst  vijf  dagen  later  volgde  het  toegezegde  bescheid,  en 
wel  in  weigercndeii  zin.  De  vermanende  rede  van  den 
Hofprediker  was  niet  zonder  uitwerking  gebleven.  Hun  zou 
vergund  worden,  zich  in  het  land  te  vestigen,  indien  zij 
zich  aan  de  leer  en  den  eeredienst  der  landskerk  aansloten,  en 
den  eed  van  getrouwheid  aflegden,  dat  zij  zich  in  alles  stipt 
naar  de  koninklijke  verordeningen  zouden  gedragen.  Het 
wederantwoord  kon  niet  twijfelachtig  zijn.  lieeds  dos  anderen 
daags  diende  La  ski  een  tweede  verzoekschrift  in,  in  het- 
welk hij  verklaarde,  dat  zij  benïid  waren,  iedere  leer  en 
eiken  eeredienst  te  volgen,  van  welke  hun  kon  worden  aan- 


ï)  K  u  y  p  c  r ,  II ,  084. 


490 

getoond,  dat  zij  Schriftmatiger  waren  dan  de  hunne^  weshalve 
zij  smeekten,  dat  er  maatregelen  mochten  w^orden  genomen 
tot  het  houden  van  een  openbaar  gesprek.  Middelerwijl  mocht 
het  den  Koning  behagen,  hun  althans  voor  dezen  winter 
eene  wijkplaats  te  verleenen,  en  hun  de  gelegenheid  te 
geven,  om  prediking  en  doop  op  hunne  wijze  te  doen  plaats 
hebben.  „Uwe  Koninklijke  Majesteit  gelieve  te  bedenken,  welk 
eene  jammerlijke  zaak  het  toch  is  voor  eene  gemeente,  die 
om  den  wille  van  den  godsdienst  en  in  het  vertrouwen  op  de 
vroomheid  des  Konings  herwaarts  gekomen  is,  en  dkt  in 
dezen  tijd  des  jaars,  en  met  al  de  hunnen  en  al  hunne  have, 
de  prediking  des  Woords  en  haren  troost  te  moeten  ont- 
beren, terwijl  zij  onbekend  is  met  de  taal  des  lands,  en 
zich  aan  al  de  ongunst  des  volks  ziet  blootgesteld/^ 

Maar  ook  deze  bede  was  vergeefs.  De  Koning  ver- 
klaarde, van  geen  godsdienstgesprek  te  willen  hoeren,  maar 
enkel  onderwerping  te  eischen,  terwijl  hij  er  thans  nog  bij- 
voegde, dat,  wanneer  zulk  eene  onderwerping  niet  volgde, 
het  bevel  reeds  naar  Kopenhagen  verzonden  was,  om  de 
gemeente  der  vluchtelingen  zonder  uitstel  uit  het  land  te 
verdrijven.  La  ski  antwoordde,  dat  de  koninklijke  meening 
steeds  strenger  werd,  „doch  wij  willen  haar  met  een  gerust 
hart  als  uit  de  hand  van  den  lieer,  onzen  God,  aannemen; 
wij  zijn  ons  niet  bewust,  eene  valsche  leer  aan  te  kleven, 
en  hebben  wegens  de  zuiverheid  onzer  zaak  een  goed  geweten." 

Zoo  werd  dan  het  Draconische  bevel  ten  uitvoer  gebracht. 
Het  klinkt  als  ironie:  ter  eener  zijde  die  bijkans  onmen- 
schelijke  hardheid,  en  aan  den  anderen  kant  de  hooggcprezene 
gunst  des  Konings,  die  zich  bereid  verklaarde,  de  onkosten 
voor  het  verblijf  aan  het  hof  te  dragen  en  nog  100  thalers 
reisgeld  te  geven.  ^)  Hoe  vreeselijk  moet  het  voor  oenen 
man  als  Lask  i  geweest  zijn,  zulk  eene  gave  niet  fier  te  hebben 
kunnen  weigeren ;  maar  de  drie  afgevaardigden  waren  geheel 
van  middelen  verstoken,  en  zouden  zonder  dit  geld  niet  eens  tot 


1)    Zcifs    nog    bg    den    hedvndaagschen   verdediger  van  Westphal  klinkt  het 
als    ernu    lofspraak,  dat  de  Koning  die  100  thalers  aao  de  geheel  hulpeloozen 


491 

de  hunnen  in  Kopenhagen  hebben  kunnen  terugkeeren.  Ook 
deze  gunst  werd  liun  nog  op  het  laatste  oogenblik  ontzegd. 
Over  Holstcin  moesten  zij  alléén  vertrekken ;  slechts  dit  ééne 
werd  hun  vergund,  dat  La  ski  eencn  bode  met  brieven 
naar  de  hoofdstad  moeht  zenden.  ïot  Hamburg  reisden  de 
drie  lotgenooten  onder  het  geleide  en  opzicht  van  eenen 
koninklijken  dienaar.  Laski  en  Utenhove  spoedden  zich 
te  scheep  naar  Emden ,  alwaar  zij  den  4*l''°  December  aan- 
kwamen; *)  Micron ius  begaf  zich  oostwaarts,  naar  Lubeck 
en  Wismar ,  ten  einde  aan  de  zeekust  uit  te  zien ,  waar  do 
vluchtelingen  wel  zouden  landen.  Hij  kon  ze  echter  niet 
vinden.  De  kust  was  geheel  door  het  ijs  ingesloten;  op  den 
4den  Kerstdag  —  de  oude  kerk  vierde  op  dien  dag  de  ge- 
dachtenis van  den  eersten  bloedgetuige  Stephanus,  — 
kwam  hij  met  een  angstig  hart  te  Emden  aan.  Eerst  tien 
dagen  later  ontving  hij  tijding  van  de  on  gelukkigen ,  uit 
Wismar,  en  onverwijld  spoedde  de  onvermoeide,  trouwe  ziel- 
verzorger  zich  tot  hen.  Ook  wij  gevoelen  begeerte,  hem  te 
vergezellen  on  van  hot  lot  dier  beklagenswaardigen  iets 
naders  te  vernemen. 

Den  3«len  Xoveniber  was  de  vluchteling-gcmeente  te  Kopen- 
hagen geland,  en  vriendelijk  en  deelnemend  door  de  bevolking 
ontvangen.  Aan  de  handwerkslieden  onder  hen  werd  vergund, 
hun  beroep  uit  te  oefenen;  alleen  werd  aan  hunnen  onder- 
wijzer verboden,  om  aan  d(^  medegebrachte  kinderen  sc^hool- 
ondcrwijs  te  geven.  Hoe  dankbaar  verheugd  en  hoopvol  ge- 
stemd waren  de  lieden,  na  het  volbrengen  van  demoeielijkc 
zeereis!  Maar  dat  veranderde,  toen  op  den  2r)»ten  November 
de  bode  met  de  brieven  van  Laski,  alsmede  de  koninklijke 

verstrekt  heeft.  (Verg.  M  ö  n  k  e  b  e  r  g,  S.  25.)  De  geaclite  Ilambiirgsche  prediker 
had  dusdanige  lofverheiling  maar  liever  aan  deu  ouden  Ilarboc  alléén  moeten 
overlaten. 

1)  ])c  reis  ging  over  Rremen.  Na  de  harde  beproevingen,  die  hij  pan  in 
Denemarken  had  doorgestaan,  onthield  Laski  er  zieh  van,  onderweg  bezoeken  af 
te  leggen.  Slcehts  te  Hremen  braeht  Timann  hem  een  bezoek,  en  gebruikte  bij 
hem  in  de  herberg  op  vriendsehappelijke  wij/e  het  middagmaal.  De  strijd sehriften 
van  Westphal  aehijnen  bij  dezen  Bremensehen  zeloot  destijds  nog  geen  weer- 
klank gevonden  te  hebben.  (Kuyper,  II,  24.) 


b^rVfïloTi  U:  {vopfrnhanrcrn  aankwamen.  De  superintendent  der 
rttvl,  I'all/idiuii.  ha'1.  in  ovf;rl'rz  mo:  d*i  lieden  zelven,  (^en 
opz<;trelijk  on'lerzoek  n;iar  hun  geloof  inirer:t».*ld :  de  uitslag 
wa.i  ^un••tiJ.^  ^Voor  de  ^eloof:?belijdeni-ï .  die  ik  van  deze 
rnannen  vernomen  heb."  z*Vj  beï:ui;r«le  de  waardige  <reeï?te- 
lijke,  *j  „rlank  ik  Ood ;  want  zij  i- vreemd  aan  alle  sektarisch 
drijven,  en  in,  wat  fle  houfdpunr*:n  aanirijat,  met  de  «.-hriste- 
lijlce  godrtdien.-ït  in  overeenatemminL'.  Sloohtri  in  de  leer  van 
het  Avondmaal  be.-itaat  er  een  klein  verschil,  en  dat  niet  ten 
aanzien  van  de  hoofdzaak  en  het  ra  varene  van  dit  sacrament, 
maar  sief:ht»  wat  betreft  de  vraag  aangaande  de  wijze, 
waarop  het  liehaam  van  Chri»tu;i  in  h(;t  Avondmaal  tegen- 
WMirdig  is.  Het  versehil  i.-*  eehter  niet  zóó  groot,  dat  wij 
ter  oorzake  daarvan  den  band  der  broederlijke  gj-meensohap 
zouden  moeten  verbreken,  vooral  dewijl  er  met  betrekking 
tot  de  voornaamste  leerstellingen  des  christelijken  geloofs 
volkomene  overeenstemming  heerseht/'  Inderdaad  een  geheel 
ander  oordeel,  dan  de  hofpredikers  te  Kolding,  zonder  zulk 
een  voorafgaand  onderzoek ,  geveld  hadden !  Maar  het  was 
toch  niet  bij  maehte,  om  de  uitvoering  van  het  gestrenge 
koninklijke  brsvel  te  doen  opschorten.  Ook  een  verzoek  van 
den  Deensehen  senaat  aan  den  Koning,  om  de  ongelukkige 
liiïdeii  ten  minste  gedurende  den  gestrengen  wintertijd  in 
het  land  ia  dulden ,  bleef  vrueht(jloos.  Den  S-^tm  December 
kwam  het  bevel  t^irng,  om  alle  dc^gcnien ,  die  zich  niet  ten 
volhï  aan  de  bepalingen  en  verordeningen  der  landskerk 
onderwierpen,  uit  Jhïnemarken  tcj  verdrijven.  Slechts  van 
t\r\\  j)ersoon,  ecMi  scho<ïnmaker,  wii^ns  vrouw  beangst  was 
voor  de  /«ïereis,  wordt  vfïrhaald,  dat  hij  den  eed  afgelegd, 
en  daardoor  h<»t  recht  om  te  blijven  verkregen  heeft.  Alle 
de  overigen  verkozen  lievcjr,  vervcdgd  te  worden,  dan  iets 
tegen   hun  geweten  te  doen. 

!*)  Mrt  wjKinl :  ,.(iri«tlirlir,"  door  Dalton  in  dit  werk  gedurig;,  ook  met 
hntrrkkiiiK  tul  li  r  r  v  i)  r  iii  d  r  iccrami  ^cbc/.igd,  heb  ik  dourgaans,  om  bekende 
rrdcri.  nirl.  dixir:  „grriitplijkr,"  injiar  door:  „Iccraar,"  of  con  dergcljjk  woord 
vrrtolkt.  VVuar  lirt  rühtrr,  gelijk  hiirr  trr  plaatse,  ter  aanduiding  van  ccnen 
iiii|ii<rintendi'ni,  of  Van  (tenen  prediker  der  Luthorscbc  kerk  gebruikt 
wortll,  kan  er  tegen  het  woord :  „geestelijke"  uiinder  bezwaar  bestaan.  —  Vert.j 


403 

Het  was  een  deerniswekkend  schouwspel,  den  jammer 
der  arme  lieden  te  zien,  en  hoe  zij  om  uitstel  smeekten, 
eerst  om  twee  maanden.  Zij  hadden  de  huur  hunner 
woningen  tot  aan  het  voorjaar  vooruitbetaald,  en  hadden 
reeds  aankoopen  gedaan,  ten  behoeve  van  hunne  huiselijke 
inrichting.  Daarop  smeekten  zij  om  éóne  maand  uitstel,  dan 
wilden  zij  te  land  naar  Duitschland  trekken;  eindelijk  om 
een  uitstel  van  veertien  dagen :  de  koude  toch  was  zoo  groot, 
en  nergens  zou  men  ceno  zoo  talrijke  schaar  van  armzalige 
lieden  willen  opnemen;  wat  moest  er  dan  worden  van  de 
arme  kinderen  en  van  de  kranke  bejaarden?  Maar  ook 
dit  uitstel  word  niet  gegund.  Binnen  drie  dagen  moesten 
zij  zich  inschepen;  slechts  deze  ëéne  gunst  verkregen  zij,  dat 
men  aan  eenen  zieken  man,  alsmede  aan  vier  vrouwen,  die 
in  de  eerstvolgende  dagen  hare  bevalling  te  gemoet  zagen, 
benevens  aan  hare  kinderen,  in  het  geheel  aan  dertien 
personen,  nog  voor  cenigcn  tijd  het  recht  van  asyl  verleende.  ^) 
Toen  alle  smeeken  vergeefs  was,  stond  éón  van  de  ge- 
loofshelden  en  vluchtelingen  op,  en  zeide  tot  de  senatoren: 
^Dewijl  er  dan  bij  u  en  den  Koning  te  onzen  aanzien 
niet  de  minste  toegeeflijkheid  is,  zoo  stellen  wij  ons  in  de 
handen  van  God,  onzen  Heer  en  goedertierensten  Vader; 
Hij  zal  met  ons  handelen  gelijkerwijs  Hij  wil,  doch  wij  hopen, 
dat  Hij ,  naar  zijne  goedgunstigheid ,  ons  in  deze  onze  be- 
proeving niet  zal  verlaten.  Bijaldien  echter  cén  van  ons 
zijn  leven  mocht  verliezen,  zoo  weet,  dat  gij  schuldig  zult 
staan  aan  zijn  bloed,  en  dat  gij  aan  de  straf  Gods  geenszins 
ontkomen  zult."  Mot  veel  moeite  werden  er  drie  schippers 
gevonden,  die  bereid  waren,  om  de  ballingen  naar  Kostock, 
Wismar  en  Lubeck  te  brengen.  Onder  eene  dichte  sneeuw- 
jacht,  en  terwijl  de  ijsschollen  reeds  op  eene  ontrustende 
wijze  in  de  haven  ronddreven,  vond  de  inscheping  plaats. 
Ten   strengste  werd  aan  de  schippers  verboden,  om,  ook  al 

')  Bij  H  ar  boo  (S.  55)  viudt  men  de  opgave  van  de  gezamenlijke  ballingen,  en  hoc 
zg  op  de  schepen  van  Ch^i^itiern  (ilnrs,  Andreaü  Prat/  en  van  eenen  srhecps- 
kapitein  uit  Wismar  verdeeld  werden,  alsook  eene  opgave  van  de  ISpersoneOy 
aau  welke  word  toegestaan,  de  reis  over  land  te  doen. 


4W4 

verkeerden  zij  in  het  gr«»r5re  gevaar,  eene  Deena»:he  haven 
binnen  te  loopen.  De  ellende  z*>u  no^  vree^el ijker  geweest 
zijn.  indien  niet,  een  paar  da^en  v'"»r  de  afvjkar*.  t-én  van 
degenen,  die  nog  in  Engeland  waren  aohrergebleven ,  een 
diaken^  met  eenen  gnviteren,  aldaar  verzamelden  reispenning 
wa.%  aanirekonien :  want  aile  middelen,  die  de  viaohtelin^en 
\3^zftXHiï  haflden.  waren  aireede  opgebruikt.  Het  was  aan- 
doenlijk, toen  de  roeibooten,  te  midden  van  de  dichte 
sneeu wjaeht  en  tusschen  de  ij:?sehoUen  door,  de  lieden 
overbra/:hten  naar  de  schepen,  die  daarbuiten  op  de  reede 
lagen,  en  toen  de  kinderen  den  lievelingspsalm  van  hunnen 
superintendent  begonnen  te  zingen,  terwijl  allen,  die  reeds 
aan  boord  waren,  in  het  plechtig  gezang  mede  instemden. 
Ken  paar  dagen  nog  bleven  do  reizigers  daarbuiten  in  de 
opene  zee  voor  anker  liggen,  wachtende  op  eenen  gunstigen 
wind,  terwijl  zij  God  dankten,  dat  althans  niemand  van  hen 
de  kiem  der  ziekte  met  zich  op  het  schip  had  gebracht,  die 
juist  in  deze  dagen  te  Kopenhagen  was  uitgebroken.  Den 
18<ïeD  December  eindelijk  konden  de  ankers  gelicht  worden. 
De  wind  was  gunstig;  reeds  op  den  tweeden  dag  kreeg 
men  de  Duitsche  kust  in  het  gezicht.  Het  ecne  schip  liep  te 
Wamemünde  binnen;  de  drost  aldaar  neemt  de  ongelukkige, 
half  bcvrorene  lieden  vriendelijk  op ,  doch  op  bevel  uit  Ros- 
tock  moet  hij  hen  roods  eene  week  later  wegzenden..  Der- 
waarts, naar  de  oude  univcrsitcitsstad ,  begeven  zich  de 
ballingen;  maar  ook  duar  worden  zij,  den  12^'"  Januari, 
verjaagd,  alsof  zij  schurftigo  honden  waren,  en  \vedorom 
gaat  het  door  wind  on  weder,  door  sneeuw  en  koude, 
langs  den  hcirwcg  naar  Wismar,  de  bloeiende  Hanzestad, 
alwaar  de  hertogen  van  Mecklcnburg  in  het  schoone  „Vor- 
stenhof hunne  residentie  hadden.  Aldaar  troffen  zij  een 
ander  dool  hunner  lotgenooten  aan.  De  scheepskapitein 
dezer  laatsten  wildo  ook  in  de  haven  van  Rostock  binnen- 
loopcn.  Maar  door  oenen  heftigen  wind  op  do  hoogte  van 
Warneiniinde  overvallen,  werd  hot  schip  uit  zijnen  koers 
en  in  do  richting  van  Wismar  gedreven.  De  bocht  was  vol 
drijfijs;    ecne    mijl    vóór    de    stad  blijft  het  schip  vastzitten. 


.495 

In  den  nacht  verheft  zich  een  storm;  de  ijsschotsen  worden 
tegen  het  schip  geworpen,  en  de  kapitein  spoort  de  reizigers 
aan ,  dat  zij ,  over  de  drijvende  schollen  heen ,  in  den  don- 
keren nacht  de  kust  zullen  zoeken  te  bereiken.  Doch  niemand 
waagt  het,  don  roekeloozen  tocht  te  ondernemen.  Een  van 
allen  geeft  den  raad,  het  ankertouw  te  kappen,  en  het  ruime 
sop  te  kiezen.  Dit  gelukt.  Bij  het  aanbreken  van  den  dag 
bevindt  men  zich  tegenover  hot  eiland  Poel.  De  scheepsvoogd 
wil  trachten  Lubeck  te  bereiken;  maar  de  reizigers  willen 
zich  niet  weder  aan  de  stormachtige,  ijzige  zee  toevertrouwen. 
Eén  der  visschers  van  het  eiland  haalt  hen  op  zijn  ranke 
vaartuig  van  boord,  terwijl  het  schip  met  al  het  huisraad  der 
vluchtelingen  de  reis  naar  Lubeck  voortzet.  Onze  arme  rei- 
zigers, verstijfd  van  koude,  en  bijna  vergaan  van  den  honger, 
banen  zich  met  hunne  kinderen  eenen  weg  door  het  riet; 
gelukkig  komen  een  paar  visschcrsbooten ,  en  brengen  hen 
aan  den  vasten  wal.  Des  anderen  daags  komen  zij  te  Wis- 
mar  aan;  de  arme  kinderen  en  de  bejaarde  lieden  waren, 
ten  gevolge  van  de  doorgestane  koude,  met  builen  overdekt, 
die  eerst  in  het  naderende  voorjaar  geheel  verdwenen.  ^)  Die 
aanblik  was  te  erbarmelijk,  dan  dat  de  Overheid  zou  hebben 
kunnen  weigeren  om  hun,  zij  't  ook  slechts  voor  eenen  korten 
tijd,  gelegenheid  te  geven,  zich  van  hunne  vermoeienissen  te 
herstellen.  Na  veertien  dagen  echter  werd  hun  aangezegd, 
dat  zij  weder  moesten  vertrekken;  gelukkig  trok  hertog 
Johan  Albert  zich  de  belangen  der  deernis waardigen  aan, 
en  wist  te  bewerken,  dat  hun  werd  toegestaan  om  aldaar 
te  overwinteren. 

Doch  deze  gunst  werd  hun  veclszins  vergald.  Op  de  kansels 
weerklonken  de  grofste  uitvallen  tegen  deze  „geestdrijvers,''  die 
men  voor  wederdoopers,  voor  sacramentisten  [sacramentschen- 
dcrs]  uitmaakte,  en  aan  wie  men  hun  martelaarschap  voor  de 
voeten  wierp;  indien  zij  rustige  lieden  waren,  dan  zouden  zij  wel 


')  De  winter  was  zoo  buitengewoon  streng,  dat  in  het  begin  van  Januari 
een  burger  van  Emden,  die  van  Groningen  kwam,  over  den  toegcvroren  DoUart 
van  Oierdum  naar  Knocke  wandelde.  (Kminius,  p.  Ü50.) 


utiy:/z'Xfff}T'\  in  Enz^rland  hfrbbfrn  kann^rn  bliJT*:n.  Zridira  M  i- 
';ronirj^  •'.'  Wirrn^r  fffrkom'.-n  wa^.  ünTaarfi-ie  hij  d^n  strijd 
m<:r  df;  z';!oi:i.-'':h':  :rfr<;rt«:!ij!-:f:n.  di^-  ori'.ph'y'j'ïfriijk  d*:r  Overh»?id 
t/f^^rfj  d^:  hï\'j:/:hiV.\:vjit'.n  f}\i'^fjft\'i'J:Vi.   H»::  Z'-u  on*  t^r  ver  voeren, 
indi^;n  xij  wüd^rn  lui-tor^rn  naar  de  ver-H.hillfrnde  g'.idsdifïnstse- 
jïpr'rkk'jri.  in  welke  de  jret rouwe  Micro niuff  het  sek»of  zijner 
z'A'aar^fproefde  en  verdrukte  met:reze!Ien  Z'»o  manni'^edis  en 
wakker    verdedi^^de.   Deze  tijd  VMrrar  »V*n  van  de  donkerste, 
pijriiijk-.te    epi-soden    in    de    ïre-ïehiedenis   nnzer   Hervorming. 
Weldra    zullen    wij    zien.  wat  de  reden  wa.-?  van  zulk  eene 
onmensehelijke,    gruwzame    handelwijze  tegenover  geloofege- 
nooten,  die  ongetwijfeld  hadden  mogen  verwachten,  dat  men 
overal    in  Kvangelische  landen  zou  hebben  gewedijverd,  om 
de  striemen  en  builen  van  hun  martelaarschap  om  de?  E  van- 
gel ie'-i  wil  met  teederheid  en  blij  moedigen  dank  te  verzachten. 
Eéne  zaak  blijkt  uit  die  ver-schil lende  gesprekken  zonneklaar, 
nl.,  dat  de  vertoornde  geestelijken  de  jongste  geschriften  van 
WrsHtphal  hadden  gelezen,  en  zijne  getrouwe  leerlingen  gewor- 
den waren  ;  het  gerlrag  der  Overheid  echter  toont  eene  bedenke- 
lijke verkoeling  en  verslapping  van  den  roformatorischen  ijver. 
Men   rne(jnt    zijn    erfdeel  verkregen  te  hebben,  en  streeft  er 
ni(;t  meer  naar,  zijne  bezitting  te  vermeerderen,  maar  is  er 
nog    HhichtH    op    bedacht,  den  verworven  schat  te  bewaken, 
en   doet  zulks  met  d(jn  angst  van  een  vrek,  welke  in  ieder, 
die    zijne    hulp    inroept,    eenen    roover    meent    te    ontdek- 
ken,   en    niets    zoozeer    ducht,  dan  om  uit  de  wellicht  met 
mofjitcj    verkregen    aangename    rust    weder  te  worden  opge- 
Hc;hrikt.   Wat  verschil  is  er  dan  echter  nog  tusschen  de  houding 
der  zoodanigen  en  die  van  zoo  menig  klooster  en  zoo  menigcn 
biHscho|)?      -  Zoo  waren  dan  ook  de  dagen  van  het  verblijf 
d(ïr    ballingen    te    Wismar  gcïteld.  Tegen  het  einde  van  Fe- 
bruari   moesten    zij    wedcTom  het  stof,  of,  in  dit  geval  nog 
juister,  het  ijs  csn  do  sneeuw,  van  hunne  voeten  afschudden, 
WW  den  nïisstaf  w(ïd(ir  t(!r  hand  nomen,  ten  einde  mot  vrouw 
en  kroost  venhïr  \i\  tn»kken.  Slechts  éénen  enkelen  dag  had 
men    hun    vergund,  om  zich  voor  de  reis  gereed  te  maken. 
JCe<Mls  dcts  anderen  daags  bevinden  zij  zich  op  weg  naar  Lubeck. 


497 

Zien  wij  eindelijk  naar  de  reizigers  van  het  derde  schip 
om!  Dat  had  cene  voorspoedige  reis,  zoodat  het  reeds  op 
den  tweeden  dag  vóór  ïravemünde  het  anker  kon  uitwerpen ; 
het  lot  dezer  ballingen  echter  was  niet  gunstiger,  dan  dat 
hunner  lorgenooten  te  Rostock  en  te  Wismar.  Toen  zij  zich 
met  al  hun  huisraad,  hetwelk  zij  op  wagens  geladen  hadden, 
van  Travemünde  op  weg  naar  de  stad  [Lubeck]  begeven 
hadden,  werd  de  karavaan  midden  op  de  ijzige  heirbaan 
staande  gehouden,  alsof  zij  Zigeuners  en  landloopers  waren. 
Twee  van  hen  spoedden  zich  naar  de  stad,  ten  einde  hunne 
geloofsbelijdenis  aan  de  Magistraat  te  overhandigen,  en  toen 
deze  daaruit  bespeurde,  dat  men  toch  niet  met  heidenen  te 
doen  had,  werd  aan  de  halfverkleumden  toegestaan,  om 
binnen  de  stad  te  komen.  Het  was  omstreeks  Kersttijd. 
Gedurende  de  feestdagen  hadden  de  zwervelingcn  rust,  maar 
reeds  op  den  3'ï<*n  Januari  begonnen  ook  hier,  in  de  Hanze- 
stad, de  plagerijen  der  geestelijkheid.  Ook  hier  weder  eindelooze 
godsdienstgesprekken,  en  in  deze  laatste  vele  herinneringen 
(„Ankliinge'')  aan  het  heillooze  geschrift  van  Westphal. 
Het  eindresultaat  was  zooals  overal.  Den  2()8tcn  Februari 
ontvingen  do  vluchtelingen  het  bevel,  om  binnen  vier  dagen 
het  gebied  der  stad  te  verlaten.  De  ongelukkigen  richtten 
hunne  schreden  naar  Hamburg. 

Dat  was  een  gang  naar  het  hol  van  den  leeuw.  De  spo- 
ren der  vijandige  gezindheid  jegens  de  arme  vluchtelingen 
wijzen  telkens  weder  op  den  voornaamsten  prediker  in  de 
St.  Katharina-kerk  te  Hamburg,  Joachim  Westphal, 
den  stijfhoofdigen,  strijdvaardigen  pleitbezorger  der  Luthersche 
Avondmaalsleer ,  die  met  hartstochtelijke  haast  zich  in  den 
strijd  wierp,  dien  hij  zelf  altoos  weder  opnieuw  aanwakkerde, 
en  dien  hij  in  onbegrijpelijke  kortzichtigheid  op  zulk  eeue  wijze 
voerde,  dat  men  wel  mag  veronderstcllcMi ,  dat  Luther,  bij 
den  aanblik  van  de  offers,  door  zijne  manier  van  strijden 
gevorderd,  zou  zijn  uitgebarsten  in  de  jammerklacht:  „O 
Varus,  geef  mij  mijne  legioenen  weder!"  —  Keeds  in  October 
waren  er  vluchtelingen  uit  Engeland  te  Hamburg  aangekomen, 
voor    het    meerendeel   Engelschen,  aan  welke  de  Senaat  op 

DALTON.  32 


498 

vriendelijke  wijze  gastvrijheid  verleende.  Toen  echter  in  de 
Elbestad  het  bericht  kwam  aangaande  die  schare  van  zwer- 
velingcn ,  en  hoe  zij  uit  Denemarken  en  Rostock  en  Wismar 
en  Lubeck  waren  verdreven  geworden,  toen  scheen  het,  alsof 
do  geestelijken  in  ijver  bij  hunne  ambtsbroeders  daar  ginds 
niet  wilden  achterstaan.  De  stand  van  zaken  veranderde,  toen 
de  ongelukkigen  de  stad  naderden.  W  e  s  t  p  h  a  1  wenschte  een 
onderhoud  te  hebben  met  Micron lus;  de  beide  strijdvaar- 
dige mannen  hebben ,  in  het  bijzijn  van  getuigen,  geruimen 
tijd  met  elkander  geredetwist.  Van  welk  eene  opgeblazcnheid, 
laatdunkendheid  en  verwatenheid  getuigt  zoo  menige  uitspraak 
des  mans,  die  er  zich  op  beroemde,  tegen  C  al  v  ij  n  en  de  andere 
hoofden  der  „sacramentisten"  in  het  strijdperk  getreden  te  zijn ! 
Iloe  schandelijk  was  de  bedreiging,  die  don  ijveraar  ont- 
glipte, dat  de  Overheid  tegen  zulke  dwepers  het  zwaard 
moest  ontblootcn !  De  eind-uitslag  was  ook  te  Hamburg  even 
bedroevend  als  elders.  Een  bevelschrift  werd  uitgevaardigd, 
dat  alle  „sacramentisten"  de  stad  moesten  verlaten.  Den 
248tr.n  Maart  werden  zij  allen  gezamenlijk  verdreven,  ook  do 
Engelschen,  in  welke  W  e  s  t  p  h  a  1  met  hetzelfde  recht  sacra- 
mentisten  had  ontdekt,  alsmede  Walter  Deloenus,  die 
juist  omstreeks  den  Paaschtijd  met  eene  nieuwe  schaar  van 
vluchtelingen  uit  hot  ongastvrije  Engeland  in  het  toenmaals 
niet  minder  onherbergzame  Hamburg  was  aangekomen,  het- 
welk aan  de  arme  vluchtelingen  een  gelijk  lot  bereidde,  als 
de  gruwzame  Katholieke  koningin  te  Londen. 

Den  26«t<ï"  Maart  vonden  de  overal  verdrevenen  op  do 
Elbe,  beneden  de  stad,  een  schip,  dat  hen  naar  Oost- 
Friesland  overbracht.  Nu  nam  hun  leed  een  einde.  Welk 
oen  allerdroevigst  halfjaar  hadden  zij  doorleefd!  Het  ver- 
slag van  hunne  omzwerving  luidt  schier  als  een  verdicht- 
sol.  En  toch  betuigt  Laski  voor  God,  dat  het  verhaal 
de  zuivere  waarheid  bevat.  *)  Ja,  hij  voegt  er  bij,  dat, 
indien  sommigen  desniettemin  de  waarheid  van  het  bericht 
mochten  willen  in  twijfel  trekken ,  hij  tegenover  zulk  eenen 


1)  K  u  y  pc  r  ,  11 ,  p.  75'ii. 


499 

euvclmoed  slechts  het  woord  dos  Apostels  in  herinnering 
brengt,  dat  wij  allen  eenmaal  voor  den  rechterstoel  van 
Christus  zullen  goöteld  worden.  Dan  zal  de  list  en  huiche- 
larij der  tegenstanders  voor  de  geheele  wereld  openbaar 
worden. 

Wij  intusschen  zijn  verheugd,  het  sombere  verslag  aan- 
gaande dezen  moeielijken,  onvergetehjken  winter  der  Evan- 
gelische kerk  achter  ons  te  hebben,  en  nu,  bij  den  aanvang 
dor  lente,  weder  helderder  zonnestralen  ons  te  zien  tegen- 
blinken.  Wij  slaan  het  treurige  blad  schielijk  om,  maar  toch 
niet  zonder  vooraf  de  laatste  bede  van  den  vromen  TJten- 
hove  aangaande  zijn  bericht  ook  hier  te  herhalen:  „Ten 
slotte  wenschen  wij  tot  alle  godvruchtigen  om  Christus'  wil 
de  bede  te  richten ,  om  toch  geenen  wrok  te  koesteren 
tegen  degenen,  die  ons  aldus  in  onzen  druk  vervolgd  heb- 
ben, en  ook  niet,  gelijk  Jakobus  en  Johannes  weleer 
[Luc.  9  :  54] ,  te  verlangen ,  dat  er  vuur  van  den  hemel 
op  hen  nederdale,  tot  straf  voor  hunne  onherbergzaam- 
lieid,  maar  dat  zij  veeleer,  overeenkomstig  de  leer  van 
Christus,  voor  hen  bidden,  en  in  vereeniging  met  ons  God 
vuriglijk  smeeken ,  dat  zij  zich  mogen  bekeeren  en  zalig 
worden."  ') 

b)    HetasylteEmden. 

„Na  deze  onze  moeielijke  omzwerving,"  —  zóó  besluit 
Utenhove  zijn  aangrijpend  bericht,  -  „schonk  God,  de 
Heer,  gelijk  ITij  voorheen  aan  zijnen  dienstknecht  en  profeet 
huisvesting  en  onderhoud  bij  de  weduwe  te  Zarfath  verschafte, 
ook  aan  (ms,  naar  zijne  goedgunstigheid,  eene  vaste  verblijf- 
plaats bij  de  doorluchtige  vorstin  en  weduwe  Anna  van 
Oldenburg,  de  bestuurster  van  Oost-Friesland,  en  de  leera- 
ren te  Emden  en  de  burgers  hebben  jegens  de  onzen  alle 
plichten  der  menschlievendheid  vervuld.  Want  alzoo  pleegt 
God,  in  zijne  vaderlijke  goedheid,  aan  zijne  zwaar  beproefde 

';  U  t  c  ü  h  o  V  i  u  s  ,  p.  23b. 


500 

kerk,  na  heftige  stormen  des  onspoeds,  rust  te  verleenen, 
gelijk  de  Handelingen  der  Apostelen  [9  :  31]  getuigen,  dat, 
na  de  steeniging  van  Stephanus  en  na  de  verstrooiing  der 
Jeruzalemsche  gemeente,  de  Christelijke  gemeenten  in  Judea, 
Samaria  en  Galilea  vrede  gehad  hebben."  ^) 

La  ski  had  voor  zijne  vreemdeling-,  of  thans  liever  vluch- 
teling-gemeente  herberg  in  Oost-Friesland  bereid.  Hij  zelf 
was  in  dit  zijn  tweede  vaderland  met  open  armen  ontvangen 
geworden,  even  hartelijk  en  innig,  als  wanneer  een  vader, 
na  langdurige  afwezigheid,  tot  de  zijnen  wederkeert.  Den 
zwaarbeproefden  man,  die  door  de  onbillijke  bejegening, 
welke  hij  in  Denemarken  had  ondervonden,  tot  in  het 
diepst  zijner  ziel  gekrenkt  was,  deed  het  zoo  onuitspre- 
kelijk goed,  hier  dan  toch  eindelijk  broederlijke  liefde 
aan  te  treffen.  Hij  gunde  zich  geene  rust,  zoolang  het  lot 
zijner  vluchteliifgen  niet  verzacht  was.  In  die  winterdagen 
deed  hij  denken  aan  eene  leeuwin,  wier  jong  men  waagt 
aan  te  tasten  ^);  daarbij  hij  zelf  in  zijne  heiligste  over- 
tuiging gegriefd,  zwaar  gekweld  door  den  ziekelijken  toe- 
stand zijns  lichaams,  in  pijnlijke  onzekerheid  aangaande  het 
lot  zijner  arme  knapen ,  die  te  Kopenhagen  waren  achter- 
gebleven ,  en  nauwelijks  had  zijne  vrouw,  die  zich  met  hare 
kinderen  rechtstreeks  van  Londen  naar  Emden  begeven  had, 
en  die  aldaar  vroeger  dan  haar  man  was  aangekomen,  voet 
aan  land  gezet,  of  zij  beviel  van  een  zoon.  Het  knaapje 
ontving  bij  zijnen  doop  den  naam  van  Samuël:  „God  heeft 
verhoord.'^  In  zijn  vast  vertrouwen  op  God  bleef  onze  held, 
in   weerwil   van  alle  ramp  en  druk,  onbezweken  volharden. 

Het  eerste,  wat  Laski  na  zijne  aankomst  te  Emden  deed, 
was,  een  schrijven  aan  den  koning  van  Denemarken  richten.  **) 


»)  Ibid.,  p.  233. 

*)  In  een  schrijven  van  Laski  aan  Calvijn  (C  a  1  v  ij  n  ,  XV,  82)  vermeldt 
onze  vriend  een  gezegde  van  Ë  r  a  s  m  u  s  ,  hetwelk  hij,  gedurende  zijn  verblijf 
te  Bazel,  menigmaal  van  diens  lippen  vernomen  had,  nl.:  „Fore  si  Luthcrani 
ibti  reram  potiantur,  ut  multo  graviorem  sub  illis  quam  sub  plcrisque  Papistis 
tyrannidem  sustinere  cogamur." 

3)  Verg.  Kuy  por,  II,  p.  687. 


501 

Als  Christen  heeft  onze  vriend  aan  zijnen  medechristen  diens 
gedrag  onder  het  oog  gebracht,  op  ernstige  wijze,  met  gestrenge 
gisping,  en  bezield  met  den  innigcn  wensch,  dat  de  Koning 
tot  het  inzien  mocht  komen ,  dat  hij  zich  in  tweevoudig  op- 
zicht zwaar  bezondigd  had:  ten  eerste,  doordien  hij  in  de 
handelwijze  ten  opzichte  van  zijne  gemeente  had  toegelaten, 
dat  de  geheele  kerk  van  Christus  op  de  alleronbillijkste  wijze 
veroordeeld  werd,  en  vervolgens,  doordien  hij  de  hem  toe- 
vertrouwde gemeente  van  Christus,  die  in  het  vertrouwen  op 
zijne  vroomheid  tot  hem  hare  toevlucht  genomen,  en  hem 
in  den  naam  van  Cliristus  om  hulp  gesmeekt  had,  op  oene 
wijze  behandeld  had,  dat  hij  [Laski]  vast  overtuigd  was, 
dat  hij  bij  heidenen  meer  welwillendheid  zou  hebben  onder- 
vonden. De  brief  is  ons  een  kostbaar  document,  zoowel  om 
den  wille  van  den  schrijver,  als  ook  om  den  wille  van  hom, 
aan  wien  hij  gericht  werd.  Koningen  zijn  niet  gewoon,  op 
zulk  eene  zieldoordringende  wijze  de  waarheid  te  hooren,  en 
te  midden  van  de  vleiende  woorden  der  hovelingen  wordt  de 
stem  van  oenen  Nathan  zelden  gehoord ;  doch  wie  is  er  eer- 
der toe  geroepen,  om  ook  tegenover  het  gekroonde  hoofd 
cene  vrijmoedige  taal  te  voeren ,  dan  hij ,  die  als  dienst- 
knecht des  Allerhoogsten  zich  tot  taak  zitit  gesteld ,  om 
in  het  openbaar  getuige  en  verkondiger  te  zijn  van  zijncm 
heiligen  wil?  Tot  ons  leedwezen  hebben  wij  niet  kunnen 
te  weten  komen,  welke  de  uitwerking  van  deze  roepstem  tot 
bekeering  bij  den  Koning  geweest  is,  en  of  hij  ook  soms  als 
David  gehandeld  heeft. 

Zoodra  Laski  vernomen  had,  dat  een  deel  zijner  gemeente, 
waaronder  zich  ook  zijne  beide  zonen  uit  zijn  eerste  huwelijk 
bevonden,  te  Wismar  geland,  of,  juister  gezegd,  gestrand 
was,  richtte  hij  zich  ten  hunnen  behoeve  met  eene  dringende 
bede  om  hulp  tot  den  hertog  van  Mecklenburg,  die  hem  tovh 
sedert  zijn  verblijf  in  Engeland  erkentelijkheid  verschuldigd 
was.  Wij  hebben  reeds  gezien,  dat  zijne  bode  niet  tevergeefs 
was.  Daarop  kwamen  er  telkens  weder  nieuwe  berichten  aan- 
gaande het  schier  onnnmschelijke  lot,  hetwelk  de  vluchtelingen 
overal  wedervoer.  Tegelijkertijd  echter  drong  ook  steeds  dui- 


502 

I 

delijker  een  kreet  van  verontwaardiging  over  zulk  eene  gruw- 
zame behandeling  van  alle  zijden  tot  Laski  door.  De  koning 
van  Zweden  betuigde  hem  zijne  hartelijkste  deelneming  en 
daarbij  zijn  leedwezen,  dat  liij  niet  aanstonds  uit  Deneraar- 
ken  met  zijne  gehecle  gemeente  naar  Zweden  gekomen  wa8, 
w^aar  zij  een  vriendelijk  onthaal  zouden  gevonden  hebben  ^). 
Ondertusschcn  kwamen  de  bijkans  tot  stervcns  toe  vervolgde 
en  doodelijk  vermoeide  vluchtelingen  in  Oost-Friesland  aan. 
Hier  vonden  zij  hetgeen  zij  elders  tevergeefs  hadden  gezocht, 
een  door  innige,  christelijke  br'oederliefdc  bereid  onderkomen. 
Laski  zelf  is  door  de  betoonde  gastvrijheid  dankbaar  ver- 
rast. „Wij  zijn  hier  op  zulk  eeno  wijze  opgenomen,  dat, 
als  wij  bij  onze  naaste  bloedverwanten  gekomen  waren,  wij 
niet  liefderijker  zouden  hebben  kunnen  ontvangen  worden. 
Voor  geene  andere  gemeente  is  bijkans  de  geheele  adel  zoo- 
zeer bezorgd,  zoodat  ik  zijn  ijver  en  welwillendheid,  alsook 
zijne  mildheid  niet  genoeg  kan  roemen.  Chri stoffel  van 
Eusum  wordt  niet  moede,  de  plichten  eens  waren  broeders 
jegens  ons  te  vervullen :  zij  helpen  de  onzen  inderdaad  op  zulk 
eene  wijze,  dat  het  ons  allen  is,  alsof  wij  in  een  gemeen- 
schappelijk vaderland  gekomen  zijn.  Ook  van  de  Gravin 
beloven  wij  ons  alles  goeds;  zij  heeft  mij  bereids  oen  niet 
onduidelijk  bewijs  te  dezen  aanzien  gegeven.  Kortom,  ik 
dank  den  Heer,  mijnen  God,  dat  hij  onze  schreden  her- 
waarts geleid  heeft."  '^)  Uit  de  hartelijke  woorden  van 
Laski  bespeurt  men,  hoe  weldadig  zulk  eene  handelwijze 
hem  heeft  aangedaan ;  het  is  toch  ook  éóne  van  de  schoonste 
vruchten  zijner  werkzaamheid  in  dit  land,  welke  hij,  de 
zaaier,  nog  mocht  inoogsten.  ^)  Treffend  was  de  aanblik  der 

•)  Tbid. ,  II,  709.  Het  was  niot  mogelijk,  in  het  archief  te  Stockholm  een 
afschrift  van  den  bedoelden  brief  te  ontdokken. 

2)  Ibid.,  II,  005. 

^)  Deze  vriendelijke  ontvangst  was,  in  zeker  opzicht,  slechts  de  getrouwe  uit- 
voerins:  van  de  Sde  paraj^raaf  van  de  politieverordening  van  gravin  Anna,  uit 
het  jaar  1545,  die  destijds  ouder  rechtstreeksehen  invlord  van  den  Superintendent 
schijnt  te  zijn  opgesteld.  In  de  genoemde  paragraaf  leest  men  :  „Ingeval  er  echter 
iemand  mocht  gevonden  worden,  die  alleen  om  den  wille  van  het  Evangelie  , 
en    omdat    hij    dienovereenkomstig    had    willen    leven,  verbannen  was,  en  die 


503 

zelfopofferende  liefde,  inzonderheid  der  Emdensche  burgers. 
Zoo  leest  men,  in  den  brief  van  eenen  raadsheer  in  die  dagen : 
„De  liefde  toen  ter  tydt  was  zo  groot,  dat  goedthartige  burgers 
zich  dagelyks  by  de  poorten  en  bruggen  lieten  vinden,  de 
aankomende  vreemdelingen  vlytig  onderzochten  en  vervolgens 
in  hunne  huyzon  op  en  aannamen."  ')  liet  getal  dezer  vluch- 
telingen, door  scharen  van  vervolgden  uit  Kngeland,  België  en 
Frankrijk  vermeerderd,  zal,  naar  luid  van  óénc  der  opgaven, 
binnen  weinige  jaren  tot  op  zesduizend  zijn  aangegroeid:  '^) 
een  cijfer,  hetwelk  het  aantal  der  vervolgden  om  desgeloofs 
wil  binnen  de  muren  van  Zurich  of  van  Genève  evenaarde. 
Hot  gerucht  van  zulk  eene  edelmoedige  handelwijze  ver- 
spreidde zich  tot  op  verren  afstand;  Emden  verkreeg  den 
schoenen  naam  van  Moeder  der  vluchtelingen  en  ballingen , 
en  van  Herberg  der  uitverkorenen  Gods.  Nog  heden  ten  dage 
ziet  men  tegen  de  Groote  kerk  der  stad,  in  steen  uitgehouwen, 
een  schip  met  het  onderschrift:  „Schepken  Christi.  1553'', 
en  het  rand^^ch^ift:  „Gods  Kerk  vervolgt,  verdreven,  Heft 
God  hyr  Trost  gegeven."  ^)  Het  schip  heeft  gewis  betrekking 
op  de  zeereis  der  vluchtelingen  ;  voor  ons  echter  is  het  tevens 
als  eene  liefelijke  herinnering  aan  den  man  van  het  geslachts- 
wapen  Korab,  die  zulk  eene  gezindheid  van  hartelijke  broe- 
derliefde ter  plaatse  van  zijne  werkzaamheid  had  weten  op 
te  wekken. 

Het  was  geen  geringe  zorg,  die  door  deze  scharen  van  hulp- 
behoevenden allereerst  \oov  Emden  en  voor  La  ski  werd 
teweeggebracht.  In  de  eerste  plaats  waren  het  noodlijdenden. 
Het  kwam  er  op  aan,  de  middelen  te  vinden  voor  hun  onder- 
houd. Met  zijne  gewone  bekwaamheid  als  organisator  richtte 
Laski  eene  bijzondere  vreemden-diaconie  op,  die  nog  heden 
ten  dage  bestaat;  de  burgers  (mderwierpen  zich  vrijwillig  aan 
eene  belasting ,  en  brachten ,  behalve  hunne  aalmoezen  voor 


daarvan  een  voldoend  bewijs  kan  leveren  ....  /ulk  eenen  moet  men  niet  uit  den 
lande  verdrijven." 

<)  Mciners,  F,  328. 

*)  B  c  r  t  r  a  in  ,  p.  27U. 

^)  Eene  afbeelding  is  te  vinden  op  het  titelblad  b\j  Mulder,  S.  1. 


de  inhcemschc  behoeftigen,  ook  nog  eenc  geregelde  bijdrago 
voor  de  vreemdelingen  op.  Niet  allen  echter  hadden  noodig, 
op  zoodanige  wijze  ondersteund  te  worden.  Sommigen  waren 
bij  hunne  aankomst  in  het  bezit  van  eigene  geldmiddelen, 
en  verleenden  in  dat  geval  aan  hunne  lotgenooten  overvloe- 
digen  onderstand.  De  lieden  waren  bekwaam  en  gewillig 
tot  den  arbeid.  Eduard  VI  had  aan  velen  hunner  het 
burgerrecht  geschonken,  dewijl  hij  hen  als  vlijtige,  bedrij- 
vige handwerkers  en  kooplieden  waardeerde.  Inzonderheid 
als  wevers  („bursat wevers")  of  passementwerkers  waren  zij 
heinde  en  ver  beroemd.  Zij  draalden  niet,  in  het  hun  ont- 
sloten verblijf  hunne  kunst  uit  te  oefenen.  Reeds  na  wei- 
nige jaren  konden  zij  aan  deze  „moeder  der  bannelingen'' 
den  tol  hunner  dankbaarheid  betalen:  de  welvaart  nam  op 
merkbare  wijze  toe.  Handel  en  vertier  bloeiden  in  het  landje, 
gelijk  nimmer  te  voren,  ja,  het  duurde  niet  lang,  of  de 
wangunst  ontwaakte,  alsof  de  vreemdelingen,  wat  rijkdom 
en  macht  aangaat,  de  landzaten  zouden  overvleugelen.  Oost- 
Friesland  had  de  ondervinding,  welke  later  de  landen  van 
den  groeten  keurvorst  en  de  andere  gewesten  opdeden,  die  de 
voortvluchtige  liugenooten  openlijk  w^elkom  heetten,  dat  nl. 
de  beste  aanwas  eener  bevolking  zulke  lieden  zijn,  die  om 
des  geloofs  wille  zich  in  ballingschap  begeven. 

Reeds  in  het  jaar  1554  gelukte  het  aan  La  ski,  voor  de 
Walen  eene  k(rrk  te  ontsluiten,  in  welke  zij  hunne  godsdienst- 
oefeningen in  hunne  moedertaal  konden  houden.  *)  Spoedig 
daarop  konden  ook  de  Engelschen,  die  in  grooten  getale  voor 
de  vervolging  d(ïr  bloedige  Maria  gevlucht  waren,  zij  't  ook 
slechts  vooreerst  in  eene  bijzondere  woning,  in  hunne  eigene 
taal  godsdienstoefening  houden.  Hoe  groot  hun  aantal  moet 
geweest  zijn,  blijkt  uit  de  opgave,  dat  zij,  behalve  hunnen 
eigenen  leeraar,  vijf  ouderlingen,  vier  diakenen  en  twee  s(  hool- 
onder wijzers  gehad  hebben.  Niet  te  Emden  alleen  hielden  de 
vluchtelingen  zich  op:  eveneons,  ofschoon  in  geringereu  getale, 
ontmoeten  wij  hen  te  Xorden,  te  Leer  en  op  andere  plaatsen. 

I)  Calvyn,  XV,  82,  «n  Mt-incra,  1,  325. 


505 

Zag  Laski  dozc  zijn  pogingen,  om  het  harde  lot  der  vluch- 
telingen te  verzachten,  door  de  offervaardige  deelneming  van 
do  gohcele  bevolking  met  schitterend  gevolg  bekroond,  moeie- 
lijk  viel  het  hem,  aan  den  anderen  kant,  zich  op  nieuw  aan 
de  kerkelijke  toestanden  van  het  landje,  of  veeleer  van  ge- 
heel Duitöchland,  te  gewennen.  Gedurende  zijne  afwezigheid  in 
Engeland  was  in  het  vaderland  der  Hervorming  eeno  groote 
verandering  tot  stand  gekomen,  die  hare  slagschaduwen  in 
alle  richtingen  verspreidde,  voor  vooruitziende  naturen  op  eene 
zorgwekkende  wijze.  Hoe  heeft  Laski,  die  aanstonds  het 
geheele  gevaar  doorzag,  daaronder  geleden!  De  onherstel- 
bare klove,  die  van  nu  voortaan  de  Evangelische  kerk  in 
twee  heirlegers  verdeelde,  was  duidelijk  zichtbaar  gewor- 
den, en  wel  in  de  haclielijkst;e  ure,  in  welke  de  Roomsche 
kerk  zich  tot  eenen  nieuwen  aanval  had  gereed  gemaakt,  en 
in  eene  vaste,  geslotene  eenheid  tegen  de  Protestanten  op- 
trad. De  gevolgen  van  dezen  heilloozen  omkeer  in  de  ontwik- 
keling der  Evangelische  kerk  van  Duitschland  hadden  de 
vluchtelingen  op  hunne  omzwerving  op  grievende  wijze  onder- 
vonden: thans  had  Laski  tijd  en  gelegenheid,  om  de  be- 
gins(ïls  van  dien  noodlottigen  omkeer  te  leeren  kennen.  Deze 
laten  zicih  niet  tot  hot  eene  of  andere  feit  terugbrengen;  zij 
hebben  zich  langzamerhand  ontwikkeld.  Trachten  wij,  al  is 
het  ook  slechts  zeer  vluchtig,  de  oorzaken  der  bedoelde  ver- 
andering na  te  gaan. 

Aan  de  gewelddadigheden  van  het  Interim  had  het  ver- 
drag te  Passau  een  einde  gemaakt;  tusschen  Katholiekenen 
Protestanten  was  een  vrede  tot  stand  gekomen,  die  in  1555, 
op  den  rijksdag  te  Augsburg,  in  den  „godsdienst- vrede''  zijne 
bevestiging  vond.  De  volken  waren  die  heillooze  worstelingen 
hartelijk  moede  geworden;  overal  openbaarde  zich  op  drin- 
gende wijze  de  behoefte  aan  rust;  men  gevoelde  zich  geheel 
uitgeput.  Hoc  sterk  dit  verlangen  naar  bijlogging  van  den 
twist  reeds  sinds  lang  ook  in  de  Kerk  gevoeld  werd,  bleek 
uit  den  geringen  weerklank,  dien  de  Sacramentsstrijd,  door 
Luther  in  zijn  laatste  levensjaar  weder  aangeblazen,  over 
het  geheel  gevonden  had.  liijkans  schroomvallig  vermeed  men 


506 

fionn  vornifjTiwing  van  flon  ntrij^l;  de  angst,  die  Melanch- 
thon  te  dien  opzichte  bezielde,  werd  d«>or  de  naeerderheid 
gedeeld.  \u  was  de  groote  Duit.iche  hervormer  van  de  kamp- 
plaatr*  afgeroepen:  een  zware  slag  voor  zijne  kerk.  Lat  her 
had  onder  zijn  volk  zulk  eene  reuzcngrootheid  bezeten,  en  zijn 
invloed  was  bijkana  oppermachtig  gewee^>t.  Bij  zijn  verscheiden 
wart  niemand  onder  de  Wittcm bergers  krachtig  en  uitstekend 
genoeg,  om  den  profetenniant^d  van  dezen  man  te  dragen^ 
en  toch  kon  de  kerk  der  Ifervorming  nog  niet  buiten  haren 
proferjt,  want  haar  laatste  woord  was  nog  niet  gesproken. 
Welanchthon  bestuurde  niet  langer  den  strijdwagen;  sinds 
de  dagen  van  het  Interim  lag  er  voor  velen  eene  schaduw  over 
zijn  yKïrsoon,  en  mecjr  lirht  lag  er  voor  het  oog  dezer  velen 
verspreid  over  de  gestalte  van  den  aan  de  leer  getrouwen, 
onvorbiddelijken,  onverschrokken  Illyriër  Matthias  Flaeius, 
die  thans  meer  dan  tot  dusver  op  den  voorgrond  trad.  Zijne 
woonplaats  Maagdenburg  scheen  de  erfenis  van  Wittcnberg 
te  aanvaanhm,  s(ïdert  dat  de  ontzagwekkende  persoonlijkheid 
van  liUther  aldaar  niet  meer  hccrschte.  Do  strijd  tusschen 
do  godgeleerden  der  Wittenbergsche  s(;hool  woedde  voort,  al 
Ixïtrof  hij  ook  niet  langcïr  dat  punt,  met  betrekking  tot  het- 
W(dk  de  Mcjcïster,  kort  vóór  zijn(;n  dood,  dien  had  doen  ont- 
brandcïu.  liet  is  des  Antinomistische  en  Osiandrische  strijd, 
h(ït  zijn  d(?  twisten  tusschen  Klacius  en  Strigol,  door 
welke  de  beklageuswaardigcï  kerk  nog  gedurende  tientallen 
van  jaren  tot  op  han;  grondvesten  werd  geschokt.  In  deze 
kh^nercï  gescdiillcMi  verward,  die  haar  liarc  kracht  deden 
versjiillen,  wan  de  k(»rk  van  Ijuther  niet  meer  in  staat,  om 
de  an<lere  volk(Mi ,  die  d(^  zc^geningen  der  Hervorming  nog 
niet  waren  deelachtig  gc^worden ,  voor  zit^h  te  winnen.  Bij 
den  dood  des  IIervorm<»rs  had  zijne  kerk,  over  het  geheel, 
haren  grootsten  omvang  hmmIs  bereikt:  van  nu  voortaan  heeft 
zij,  terwijl  zij  in  hanï  eigene»  ingewanden  woelde,  doorgaans 
sletdits  t<»rrein  verloren. 

Anders  <»n  tevens  voorspoediger  was  de  loop  der  ontwik- 
kt^ling  in  «Ie  Zwitsersche  kerken.  Uier  hield  blijkbaar  eene 
energif»ke  hand  het  roor  der  Hervorming  omklemd.    Üp  den 


507 

voorgrond  der  beweging  trad,  hoc  langer  hoe  meer,  Cal v ij n, 
die  ons  aan  een  profeet  des  Ouden  Verbonds  doet  denken, 
„vol  godsdienstige  diepzinnigheid  en  met  eene  onverbiddelijke 
consequentie  in  zijne  dcnkbeehlen.''  ^)  De  Avondmaalsleer 
werd  door  hem  in  de  nauwste  aansluiting  aan  het  Woord 
Gods  ontwikkeld,  waarbij  hij  het  midden  hield  tusschcu 
Zwingli  en  Luther.  Melanchthon  schonk  aan  de  op- 
vatting van  Calvijn  zijuon  bijval;  ook  met  betrekking  tot 
dit  hoogst  belangrijke  punt  dor  leer  hebben  de  beide  mannen 
elkander  te  Frankfort  aan  de  Main,  in  1539,  de  broederband 
gereikt ;  het  was  een  oprechter,  waarachtiger  verbintenis,  dan 
Bie,  welke  door  de  Wittenbergsche  Concordie,  een  paar  jaren 
te  voren,  met  zooveel  moeite  was  tot  stand  gebracht.  De  nieuwe 
uitgave  der  Augsburgsche  confessie  is  de  schoone  vrucht  van 
deze  wederzijdsche  toenadering.  Calvijn  heeft  haar  zonder 
aarzelen,  ja,  gelijk  hij  zelf  verklaart,  gewillig  en  van  ganscher 
harte  op  den  rijksdag  te  iiegensburg,  in  1541,  als  afgevaardigde 
van  de  Straatsburgsche  gemeente  onderteekend.  In  breede 
kringen  raakte  men  er  in  Duitschland  aan  gewoon,  Calvijn 
en  zijne  kerk  tot  de  Augsburgsche  geloofsverwanten  te  reke- 
nen ;  een  wezenlijk  onderscheid  in  de  Avondmaalsleer  tusschen 
L  u  t  h  (j  r  en  C  a  1  v  ij  n  was,  wel  is  waar,  duidelijk  bemerkbaar, 
maar  werd  niet  als  eene  reden  van  scheiding  beschouwd, 
en  velen  in  Duitschland  helden  tot  de  verklaring  van  Cal- 
vijn over.  -)  ilet  deze  verzoening,  die  langzaam  en  bijkans 
ongemerkt  begon  tot  stand  te  komen ,  was  het  woord  van 
Luther,  in  het  jaar  151 J:  „Kurzes  Bekenntnis  vom  heili- 
gen Sakrament  wider  die  Sch warmer,"  in  de  pijnlijkste  te- 
genstelling. Och  ware  dat  boek  toch  ninmier  in  het  licht 
verschenen !  Een  antwoord  daarop  is  ook  de  schoone  „Zuricher 
Consensus/'  in  welken  Genève  en  Zurich  blijmoedig  hunne 
overeenstemming,  en  wel  door  verzaking  van  Zwingli's 
opvatting,  beleden. 

De  voorstelling  der  leer,  in  dit  symbolisch  geschrift  neder- 
gelegd,    vond  weerklank  in  die  landen,  in  welke  tot  dusver 

M   ilasi;  (I),  S.   llü. 

-;  Verjr.   IMauck,  I,  5 — 35. 


508 

m 

dc  Evangelische  leer  nog  geen  vasten  stempel  verkregen 
had.  Het  opmerkelijkst  was  de  uitwerking  in  Engeland. 
Daar  had  men  zich,  na  het  jaar  dertig,  tot  Wittenberg  ge- 
wend met  het  verzoek,  om  leeraren  der  Hervorming:  My- 
conius  en  Aepinus  waren  in  Engeland  geweest.  De 
„Engelscho  artikelen  van  1536''  vertoonen  de  sporen  hunner 
werkzaamheid.  *)  Na  verloop  van  een  tiental  jaren  deed  een 
andere  invloed  zich  gelden.  De  mannen,  die  den  primaat 
van  Engeland  als  een  geestelijke  raad  ter  zijde  stonden,  heb- 
ben wij  leeren  kennen.  C  r  a  n  m  e  r  stemde  volkomen  en  van 
heeler  harte  in  met  de  Zuricher  overeenkomst;  de  voorstel- 
lingswijze van  Calvijn  en  BuUinger  werd  het  richtsnoer 
voor  de  leer  der  Engelsche  kerk. 

De  tijding  van  deze  belangrijke  uitwerking  was  spoedig 
tot  Duitschland  doorgedrongen,  inzonderheid  tot  Hamburg, 
alwaar  Joachim  Westphal  en  A^»pinus  den  machtig- 
sten  invloed  oefenden.  Beide  mannen  waren  strenge  aanhan- 
gers der  zuivere  leer  van  Luther  op  dit  punt,  en  wel  in 
hare  scherpste  uitdrukking.  Het  laatste  geschrift  van  den 
Hervormer  tegen  de  dwepers  werd  door  hen  beschouwd  als 
eene  uiterste  wilsbeschikking,  die  men  nauwgezet  moest  na- 
komen. Het  schoone  woord,  dat  Luther,  bij  gelegenheid 
van  zijne  laatste  reis  naar  Eisleben,  tot  Melanchthon 
sprak:  „Lieve  Philippus,  ik  moet  bekennen,  dat  er  in  de 
zaak  van  het  Avondmaal  veel  te  veel  is  gedaan,''  was  niet 
in  den  geest  van  eenen  man  als  Wcstphal;  die  hield  zich 
liever  aan  dat  andere,  betreurenswaardige  woord,  hetwelk 
Luther,  kort  vóór  zijn  uiteinde,  aan  Jakob  Probst  zal 
hebben  geschreven:  „Welgelukzalig  is  de  man,  die  niet  wan- 
delt in  den  raad  der  Sacramentisten,  noch  staat  op  den  weg 
der  Zwinglianen,  noch  zit  in  het  gestoelte  der  Zurichers,'' 
en  dat  onze  arme  vluchtelingen  op  zulk  eene  grievende  wijze 
in  Denemarken,  te  Wismar  en  te  Hamburg  kregen  te  hooren 
en  ook  te  voelen.  -)  Zou,  na  zulk  cen(3n  uitslag  in  Engeland, 
aan  de  Zwitsers  overal  de  overwinning  ten  deel  vallen  ?  Nam 

•)  Verg.  Hard  wiek,  p.  13—51. 

2)  Verg.  Har  boe,  S.  115,  en  zijne  uitlating  daarover. 


509 

niet  ook  in  Duitschland  hot  govaar  toe,  dat  de  Luthersche 
Avondmaalslcer  hoo  langer  hoe  meer  op  den  achtergrond 
zou  gedrongen  worden?  De  strijdbare  held  aan  het  strand 
der  Noordzee  achtte  zich  ten  duurste  verplicht,  als  Zions- 
wachter  de  stormklok  te  luiden,  en  de  slapende  makkers 
op  het  dreigend  gevaar  opmerkzaam  te  maken.  Zijn  alarm- 
kreet, in  hartstochtelijke  haast  geslaakt,  weerklonk  in  1552. 
Hij  scheen  zonder  uitwerking  te  zullen  blijven.  Daarom  wel- 
haast een  tweede  noodkreet,  en  nu  zorgde  hij  er  voor,  dat 
die  niet  ongehoord  vergeten  werd.  Met  het  heillooze  libel 
van  Westphal,  getiteld:  „Farrago^^  en  het  geschrift,  dat 
hij  in  1553  daarop  liet  volgen,  onder  den  titel:  „Von  dera 
rechten  Glauben  über  das  Abendmahl"  ^),  was  de  gemeen- 
schap tusschen  de  Evangelische  geloofgenooten  verbroken. 
Van  nu  voortaan  vernam  men  weder  in  de  Evangelische 
kerk  van  Duitschland  den  noodlottigen  kreet,  die  eertijds 
zoo  jammerlijk  door  de  Duitsche  gewesten  weerklonken  had : 
„Hier  Welf!  Hier  Waiblingen!"  Alsof  hij  in  den  dienst  der 
Roomsche  kerk  gestaan  had,  zoo  heeft  Westphal,  in  zijn 
„Farrago,"  voor  de  pauselijke  aanvallers  een  wichtig  wapen 
gesmeed:  hoe  behendig  wisten  mannen  als  Hosius  dit  wa- 
pen tot  het  grootste  nadeel  voor  de  Evangelische  kerk  te 
hantceren!"  '^) 


1)  flet  zou  ODs  te  ver  voeren,  indien  wij  den  inhoud  dezer  geschriften,  als- 
mede dien  der  tcgenschriften  nader  wildon  aangeven.  Wie  de  bedoelde,  thans 
zeldzaam  gewordene  boeken  niet  onder  zijn  bereik  heeft,  zal  zich  nog  altijd 
het  nauwkeurigst  kunnen  oricnteeren  bij  Planck,  V,  2,  S.  1 — 137,  alhoewel 
misschien  niet  alle  gevolgtrekkingen  van  den  beroemden  geschiedschrijver  ook 
nog  heden  ten  dage  kunnen  worden  aangenomen. 

*)  De  Zuricher  overeenkomst  was  W'estphal  een  doorn  in  het  oog;  zulk  eene 
overeenstemming  sch^nt  bij  aan  de  „sacramentisten"  niet  te  willen  gunnen, 
en  schrijft,  op  bijkans  verraderlijke  wijze,  hun  niet  minder  dan  acht  en  twintig 
verschillende  uitleggingen  van  de  woorden  der  inzcttiog  toe,  waarbij  hij  in 
blinden  ijver  zich  aan  de  grofste  misslagen  schuldig  maakt,  en  verscheidenheid 
in  de  woorden  als  verschillen  in  de  leer  doet  voorkomen.  Zoo  worden  alleen 
aan  Laski  zeven  verschillende  uitleggingen  toegedicht.  Zulk  een  opstel  wist 
de  bisschop  van  Ërmeland,  Hosius,.  alleszins  naar  waarde  te  schatten.  Met  dit 
wapen  heeft  hij  in  Polen  en  in  Oostenrijk  aan  de  Evangelische  kerk  onherstel- 
bare   verliezen    berokkend.    Men    vergelijke    de    buitengewoon   interessante   en 


510 

Eén  van  de  eerste  uitwerkingen  van  dezen  geest  van  ver- 
deeldheid, die  over  de  Evangelische  kerk  vaardig  was  ge- 
worden, kregen  onze  arme  vluchtelingen  te  bespeuren.  Het 
bock  van  Westphal  was  aan  de  noordkust  van  Duitsch- 
land  en  in  Denemarken  ijverig  verspreid  geworden.  Onder 
de  smadelijk  bejegenden  was  ook  Laski  gebrandmerkt, 
dien  men  voor  den  hoofdschuldige  hield,  wat  betreft  de  vast- 
stelling van  de  leer  in  Engeland,  en  wiens  werk  over  het 
Sacrament  korten  tijd  te  voren  het  licht  had  gezien ;  het 
kwam  er  derhalve  op  aan,  de  eigene  kerk  tegen  zijne  ge- 
meente, als  tegen  pestlijders,  te  beschermen.  Laski  kende 
het  geschrift  nog  niet;  eerst  thans,  te  Emden,  vond  hij 
gelegenheid  om  het  te  lezen.  „De  Geest  van  Christus 
legt  verdeeldheden  bij,  en  verzoent  hetgeen  schijnt  te  zullen 
uiteengaan;  Westphal  echter  zoekt  tweedracht  te  wekken, 
waar  eendracht  heerscht,  ten  einde  de  Kerk  te  verdeelen. 
Indien  ik  tijd  en  lust  had,  de  uitleggingen  van  diegenen 
bijeen  te  brengen,  die  hij  meent,  dat  aan  zijne  zijde  staan, 
dan  zouden  ook  wij  gemakkelijk  zulke  „farragines'*  kunnen 
verzamelen,  en  metterdaad,  niet  door  leugenachtige  smaad- 
redenen,  kunnen  aantoonen,  dat  zij  niet  slechts  onder  elkander, 
maar  de  meesten  hunner  ook  met  zich  zelven  in  tegenspraak 
zijn,  en  Aki  niet  slechts  wat  de  woorden,  maar  wat  het  wezen 
der  zaak  zelve  aangaat."  Zóó  luidt  het  eerste  oordeel  van 
Laski  over  het  boek,  van  hetwelk  hij  het  verderfelijke  voor 
de  kerk  van  Christus  aanstonds  besefte.  Hij  was  voornemens 
om  er  op  te  antwoorden,  en  de  ook  tegen  hem  ingebrachte 
beschuldigingen  van  zich  te  werpen;  maar  bij  nader  inzien 
achtte  hij  het  toch  weder  beter,  om  er  op  te  zwijgen.  Hij  kon 
het  niet  van  zich  verkrijgen,  eenen  persoon  te  antwoorden, 
wiens  zedelijke  en  ook  wetenschappelijke  ruwheid  hem  tegen  de 
borst  stuitte:  de  adel  van  zijn  vroom  gemoed,  de  fijne  urba- 
niteit zijner  humanistische  beschaving  deinsde,  als  met  jonk- 
vrouwelijken  schroom,  daarvoor  terug.  Eerst  na  verloop  van 


belangrijke  berichten,  die  Hosius  naar  Home  zond,  bctreiTcndc  den  uitslag 
zijner  poging,  om  keizer  Maximiliaan  van  zijne  neiging  tot  de  Evangelische 
kerk  af  te  brengen  (Theiner,  II,  603  sq.). 


511 

een  jaar,  toen  het  gevaar  ilozer  strijdschriften  was  roegenoiuen, 
overwon  hij  zijnen  tegenzin:  niet  om  zijnentwil,  maar  hot 
kwam  er  nu  op  aan,  de  aan  zijne  leiding  toevertrouwde  kerk, 
welke  op  zulk  eene  schandelijke  v;ijze  was  aangevallen,  te 
besehermen,  en  dat  gaf  hem  den  moed,  om  openlijk  tegen 
den  Zionswachter  in  Hamburg  op  te  treden. 

Dat  de  wind  thans  in  Duitschland  uit  eenen  anderen  hoek 
woei,  kreeg  La  ski  nu  ook  in  Oost-Friesland  op  gevoelige 
wijze  te  bespeuren.  Do  wond,  welke  hij,  bij  don  zwaren  ramp- 
spoed zijner  vluchtelingen,  zelve  ontvangen  had,  lag  open  en 
gloeide;  iedere  tochtwind,  die  er  overheen  streek,  smartte 
hem  gevoeliger,  dan  wel  gewoonlijk.  De  gewonde  miste  het 
oude  weerstandsvermogen;  de  blootgelegde  zenuw  gevoelde 
de  geringste  prikkeling  in  hevige  mate,  en  verzette  zich  alsdan 
even  heftig.  Die  den  tijd  van  het  Interim  en  zijne  verdee- 
raoediging  in  Duitsche  landen  doorleefd  hadden,  hun  was  ccnc 
gedrukte  stemming  bijgebleven;  overal  het  bijkans  erbarme- 
lijke verlangen  naar  rust,  slechts  rust  tot  iederen  prijs ;  aller- 
wegen een  bescheiden  zich-tevreden-stellen  met  het  geredde 
bezit.  Zulk  een  verlangen  strookte  zoo  in  't  geheel  niet  met 
de  overtuiging  van  onzen  vriend,  en  prikkelde  hem  slechts, 
om  met  des  te  meer  gestrengheid  op  treden.  Hij  nam  de 
zaken  oneindig  veel  zwaarder  op  dan  ze  waren.  Want  de 
onuitsprekelijke  zielesmart  was  hem  overkomen,  dat  hij  do 
zenuw  van  de  werkzaamheid  zijns  levens  en  zijner  liefde  — 
nl.  aan  de  grondvesting  eencr  volgens  Gods  Woord  hervormde 
Christenheid  te  arbeiden,  —  bij  zijnen  terugkeer  had  zien 
in  twijfel  trekken. 

Stilzwijgend,  en  alsof  het  vanzelf  sprak,  had  hij  te  Emdcn 
zijne  vroegere,  voor  hem  opengehouden  betrekking  weder 
aanvaard.  Een  ergerlijke  twist,  die  te  Norden  tusschen  den 
ons  reeds  bekenden  Lemsius  en  eenen  ambtgenoot  was 
uitgebroken ,  was  alreedc  bijgelegd ;  de  Nordensche  leerarcMi 
waren  verwijderd ,  en  de  getrouwe  M  i  c  r  o  n  i  u  s  had  óóno 
der  opengevallen  plaatsen  vorkregen.  Ook  een  ander  geschil 
eindigde  ten  slotte  naar  Laski's  genoegen.  Zijn  ambtsbroeder 


512 

in  de  gemeente  van  Emden,  Gellius  Paber,  die,  op 
de  wijze  van  Bucer,  tot  eoncessiön  geneigd  was,  ^) 
meende,  door  verzachting  van  sommige  uitdrukkingen  in 
den  Emdenschen  Catechismus ,  inderdaad  te  kunnen  bijdra- 
gen tot  verzoening  van  hot  verschil  in  de  leer,  hetwelk 
in  de  Nordcnsche  twisten  duidelijk  aan  den  dag  was  geko- 
men. Slechts  met  goedkeuring  van  La  ski  wilde  de  Coetus 
in  de  voorgestelde  wijziging  bewilligen;  Gellius  echter, 
die  deze  toestemming  niet  verwachtte,  liet  met  het  drukken 
van  den  Catechismus  in  Bremen  een  begin  maken.  Juist 
kwam  Laski  te  Emden  aan,  en  vernam  hetgeen  zijn 
ambtgenoot,  in  zekeren  zin  achter  zijnen  rug,  gedaan  had. 
Met  volle  beslistheid  eischte  hij  van  Hard  en  berg,  onder 
wiens  toezicht  de  druk  plaats  had,  dat  het  werk  zou  gestaakt 
worden.  In  de  bedoelde  wijzigingen  kon  hij  volstrekt  geen 
genoegen  nemen.  De  Coetus  stelde  Laski  in  het  gelijk,  en 
ook  Gellius  gaf  toe.  In  1554  verscheen  de  Emdensche 
Catechismus ;  K  u  y  p  e  r  heeft  op  voldingende  wijze  aangetoond, 
hoe  het  genoemde  leerboek  in  zijnen  tegenwoordigen  vorm 
niet  slechts  geheel  en  al  den  stempel  van  Laski  vertoont, 
maar  ook  voor  het  grootste  deel  uit  zijne  pen  is  gevloeid.  ^) 
Uit  de  vastberadenheid,  met  welke  Laski  bij  deze  gele- 
genheid optrad,  konden  de  bewoners  van  Emden  bespeuren, 
dat  in  hunnen  superintendent  de  oude,  vurige  ijver  voor  de 
zaak  van  het  Evangelie  nog  steeds  onverzwakt  was,  en  de 
meesten  hunner  begroetten  deze  waarneming  met  vreugde. 
„Nooit  was  de  overeenstemming  in  de  leer  zóó  groot  als 
thans,"  zóó  bericht  Laski  aan  Bullinger,  in  een  schrijven 
in  hetwelk  hij  den  geheel  en  twist  nauwkeurig  beschrijft.  ') 
Niet  aan  allen  echter  was  de  energieke  man  welgevallig, 
en  inzonderheid  aan  het  hof  waren  velen  hem  gansch  niet 
genegen.  Volgens  hun  oordeel  schikte  hij  zich  niet  genoeg 
naar  de  veranderde  tijdsomstandigheden;  zij  wenschten  ecnen 
meer  buigzamen  superintendent  der  Kerk,  en  werkelijk  werden 

1)  Bartels,  S.  52. 
2}  Kuypcr,  I,  XCV. 
3J  Ibid.,  II.  712. 


513 

er,  zonder  dat  La  ski  iets  daarvan  gewaarwerd,  onderhande- 
lingen met  Melanchthon  aangeknoopt,  ten  einde  hera  te 
bewegen,  het  bestuur  over  de  kerk  van  Oost-Friesland  op 
zich  te  nemen.  Zoodra  de  zaak  bij  de  Stenden  tor  tafel 
kwam^  werd  zij  door  de  gezamenlijke  ridderschap  verworpen, 
en  met  nog  grooter  liefde  hechtte  men  zich  aan  den  vereerden 
superintendent.  E  m  m  i  u  s ,  die  dit  vermeldt ,  voegt  er  bij : 
„Laski  was  van  zulk  eene  geaardheid,  dat  niemand  het 
openhartiger  en  vrijmoediger  uitsprak  dan  hij ,  wanneer  iets 
hem  krenkte  of  mishaagde,  terwijl  ook  niemand  gemakkelij- 
ker vergaf  en  zich  weder  met  den  ander  verzoende,  of  zich 
minder  tegen  zijne  vrienden  wegens  hunne  feilen  toornig 
maakte,  dan  hij.''  *)  Dit  laatste  heeft  betrekking  op  H ar- 
de nberg,  die,  onbegrij  pel  ijker  wij  ze,  in  de  onderhandelingen 
met  Melanchthon  de  hand  had  gehad :  ook  hij  alzoo  was 
van  gevoelen,  dat  zijn  oude,  trouwe  vriend  niet  moer  in 
de  lijst  der  tijdsomstandigheden  paste.  Het  was  eene  bittere 
smart  voor  Laski,  toen  hij  van  de  zaak  vernam.  De 
oude  vriendschap  kreeg  eenen  bcdenkelijken  schok;  onbe- 
wimpeld en  zonder  terughouding  bracht  Laski  hem  zijn 
gedrag  onder  het  oog;  Hardenberg  gevoelde  den  scherpen 
angel  der  rede.  ^)  „Indien  mijn  brief  u  scherp  is  voorgekomen, 
zoo  zult  gij  dat  niet  zoozeer  aan  mij,  als  wel  aan  uwe  eigene 
letteren  te  wijten  hebben,  die  gij  mij  een  weinig  te  voren 
geschreven  hebt,  en  die  mij  al  zeer  weinig  gesmaakt  hebben.... 
Dit  heeft  mij  gehinderd,  mijn  waarde  Albert,  dat  gij  tot  zulk 
eene  poging  de  hand  geleend  hebt,  niet  zonder  nadeel  voor 
ons  ambt  en  tot  leedwezen  van  velen  in  mijne  gemeenten. 
Toch  heeft  het  mij  niet  in  die  mate  gekrenkt,  dat  het 
mijn  hart  van  u  zou  vervreemden  j  ik  vorder  slechts,  dat  gij 
bij    diegenen,    aan   welke  gij,  achter  mijnen  rug,  den  raad 


1;  Emmius,  p.  950. 

')  In  zijne  kort  daarop  losbarstende  geschillen  met  TiniAnn,  den  (gelijk 
gezinden  strijdgenoot  van  Westphal,  zou  Hardenberg  nog  eenen  geheel  nii* 
deren  angel  krijgen  te  gevoelen,  die  hem  deed  inzien,  dat  toegevendheid  bij 
dit  soort  van  strijders  niets  baten  kan.  (Verg.  Spiegel,  S.  158-  205,  en 
Planck,  V,  2.  S.  138—328.) 

UALTON.  33 


514 

hebt  gegeven  om  Mclanchthon  te  beroepen,  of  bij  wie  gij 
dien  raad,  door  anderen  gegeven,  hebt  goedgekeurd,  dit 
advies  nu  weder  zult  wraken,  aangezien  deze  zaak  het  ver- 
trouwen in  mijne  ambtsbediening  noodzakelijk  aan  het  wan- 
kelen moet  brengen."   ^) 

De  veel  vermogende  partij  aan  het  hof,  die  ook  sedert  de 
onderhandelingen  van  ter  Westen  in  Brussel  bij  de  Gra- 
vin de  overhand  verkregen  had,  rustte  niet,  voordat  zij  L  a  s  k  i 
verwijderd  had.  Zij  beweerde,  dat  onze  vriend  zoozeer  ge- 
haat was  bij  het  Bourgondische  hof,  dat  hij  zonder  gevaar 
voor  het  vaderland  niet  langer  in  Oost-Friesland  geduld  kon 
worden.  Deze  bewering  was  niet  geheel  ongegrond.  Voor 
de  koningin  van  Engeland  was  het  eene  verdrietige  zaak, 
te  zien,  dat  zoovelen  harer  landskinderen  vluchtten  en  in 
het  kleine  Oost-Friesland  vriendelijk  werden  opgenomen. 
Door  haren  gemaal,  den  koning  van  Spanje,  liet  zij  te  Brus- 
sel ernstige  vertoogen  over  dusdanige  handelwijze  der  Gravin 
indienen.  Daarbij  kwam,  dat  het  den  koning  van  Denemar- 
ken en  den  Noordduitschen  steden,  die  de  vluchtelingen  zoo 
onmeedoogend  verdreven  hadden,  eene  ergernis  was,  te  moeten 
hooren,  dat  deze  vermeende  landloopers  in  don  naburigen 
staat  zulk  een  vriendelijk  onthaal  gevonden  hadden.  Hunne 
ontvangst  aldaar  was  eene  aanklacht  tegen  hunne  eigene 
handelwijze,  en  daarom  werden  zij  niet  moede,  Oost-Fries- 
land als  een  schuilhoek  van  slechte  lieden  te  brandmerken.  *) 
Maar  La  ski  beschouwde  het  beroep  op  zulke  bedreigingen 
en  vertoogen  toch  slechts  als  een  welkom  voorwendsel,  om 
isich  van  hem  te  ontslaan.  Met  welk  recht,  valt  in  onzen  tijd 
moeielijk  uit  te  maken.  „Ik  ben  voor  hunne  kuiperijen  ge- 
weken, op  aansporing  van  de  geheele  gemeente,  die  mij 
intusschen  nog  altoos  eenstemmig  als  haren  leeraar  erkent, 
en  niemand  anders  in  mijne  plaats  begeert.  Zij  heeft  mij  zoo 
vele  bewijzen  harer  liefde  geschonken,  en  doet  zulks  nog  voort- 


»;  Kuyper,  II,  709. 

2)  ËmmiuB,  p.  949.  Laski  zelf  vermoedt,  dat  Westphal  en  Timann  en 
consorten  aan  deze  kuiperijen  tegen  hem  rechtstreeks  hebben  deelgenomen. 
Verg.  Kuyper,  II,  31. 


515 

durend,  dat  ik  hare  liefde  en  trouw  niet  genoeg  kan  roemen."  *) 
Ook  de  Gravin  leende  aan  zulke  influisteringen  betreffende  het 
gevaar,  dat  uit  een  langer  vertoef  van  La  ski  voor  haar  land 
zou  kunnen  ontstaan,  het  oor  en  bewilligde  in  het  ontslag  van 
den  man,  die  zich  ten  opzichte  van  haar  land  zulke  hooge 
verdiensten  verworven  had.  Deze  zwakheid  der  Gravin  heeft 
La  ski  als  eene  bittere  krenking  gevoeld;  het  smartte  hem 
innig,  de  vrouw,  die  in  vroegere  jaren  de  zaak  van  het 
Evangelie  zoo  nadrukkelijk  had  voorgestaan,  nu  in  haren 
vromen  ijver  te  zien  verkoelen.  De  Vorstin,  die  zich  door 
hare  omgeving  had  laten  bevreesd  maken,  gevoelde  het  on- 
recht, dat,  mede  door  haar  toedoen,  aan  Laski  was  weder- 
varen. Door  den  burgemeester  van  Emden  liet  zij  aan  den 
man,  die  zonder  middelen  vertrok,  met  verzwijging  van  den 
naam  des  gevers  eene  belangrijke  som  gelds  ter  hand  stellen. 
Zoodra  echter  onze  vriend  op  het  vermoeden  kwam,  van 
wat  zijde  die  gave  hem  geworden  was,  zond  hij  haar  met 
edelen  trots  terug.  „Ik  bid  u,''  —  met  deze  woorden  aan 
zijnen  vriend  Medmann  doet  hij  de  terugzending  gepaard 
gaan,  —  „duid  mij  deze  mijne  handelwijze  niet  ten  kwade.  Het 
geschiedt  niet  uit  eenige  geringachting,  hetzij  van  u,  hetzij  van 
den  milden  gever,  maar  ik  wil  niet,  dat  men  zich  zijnen  naam 
tegenover  mij  schame,  die  ik  mij  de  mij  bewezene  hulp  niet 

schaam Velen    vermoeden ,    dat  het  bewuste  geld  mij 

vanwege  de  Vorstin  is  toegekomen.  Indien  dit  zoo  is,  dan 
wil  ik  het  niet  aanraken,  en  wil  ook  niet,  dat  zij  met  zulke 
gunstbewijzen  jegens  mij  hare  huichelarij  bedekke,  van  welke 
ik  haar  vóór  den  rechterstoel  van  Christus  beschuldig."  ^) 
In  April  1555  verliet  onze  vriend  voor  altijd  Emden.  Hij 
meende,  wel  is  waar,  dat  het  slechts  een  tijdelijk  wijken 
voor  eene  oogenblikkelijk  machtigere  partij  was  ^) ;  maar  reeds 
was  het  tijdstip  dicht  genaderd,  waarop  het  verre  vaderland 
den  teruggekeerden  zwerveling  vriendelijk  welkom  zou  hecten. 

1)  Ibid.,  II,  712. 
«)  Ibid.,  II,  713. 

3)    Hoe    stellig   Laski    daarvan    overtuigd    was,   en  zich  ook  nog  steeds  als 
aan    £mden   en  aan  de  kerk  van  Oust-rricslund  verbonden  beschouwde,  blijkt 


51G 

In  de  moeielijkc  en  bittere  ure  der  scheiding  uit  het  land, 
dat  hem  tot  een  tweede  vaderland  geworden  was,  bereidde 
hem  zijn  getrouwe  Heer  den  weg  huiswaarts,  naar  zijn  ge- 
boorteland. Moest  het  ook  op  dit  oogenblik  den  vromen  dienst- 
knecht van  Christus  voorkomen,  alsof  hij  als  een  banneling 
de  plaats  van  zijnen  mannelijken  arbeid  moest  verlaten,  het 
land  heeft  hem  nochthans  niet  als  eenen  banneling  laten 
heengaan.  Zijne  geestelijke  gestalte  is  ginds,  aan  het  strand 
der  Noordzee,  inheemsch  gebleven,  en  ook  de  volgende 
eeuwen  hebben  de  sporen  zijner  rijkgezegende  werkzaamheid 
niet  kunnen  uitwisschen.  Zij,  die  in  de  gemeente  aldaar  de 
erfenis  van  zijne  moeite  en  van  zijnen  arbeid  aanvaard  heb- 
ben, houden  den  Pool  voortdurend  in  dankbare  herinnering, 
en    prijzen    hem    als  één  van  de  uitnemendsten  huns  lands. 

c)    Op  weg  naar  het  vaderland. 

Het  vertrek  uit  Emden,  omstreeks  den  lentetijd  van  het 
jaar  1555,  zal  Laski  ongetwijfeld  zwaar  gevallen  zijn.  On- 
verzeld  reisde  hij  over  Keulen  naar  Frankfort  aan  de  Main. 
Zijne  vrouw  zag  weder  hare  bevalling  te  gcmoet,  en  was 
niet  bij  machte,  om  zich  aan  de  vermoeienissen  eener  reis 
te  onderwerpen ,  welker  verloop  en  einde  zich  nog  niet  liet 
voorzien.  De  knapen  uit  zijn  eerste  huwelijk,  die,  een 
jaar  te  voren,  al  de  vermoeienis  der  Deensche  reis  mede 
ondervonden  en  aan  den  daarop  gevolgden  zwerftocht  naar 
Wismar,  Lubeck  en  Hamburg  mede  deel  hadden  genomen, 
moesten  reeds  vroegtijdig  ervaren,  wat  het  zeggen  wil,  zonen 
te  zijn  van  eenen  vervolgde  om  Christus'  wil.  De  wakkere 
Mol  anus,  rector  der  school  te  Bremen  en  getrouw  vriend 
van  Hardenberg  en  van  Laski,  die  den  laatstgenoemde 
in  den  vorigen  winter,  gedurende  zijne  zware  krankheid,  als 
secretaris   had    ter    zijde   gestaan,    nam   hen  met  zich  naar 


uit  den  eerst  onlangs  ontdekten  brief  van  hem  aan  Calvijn,  in  welken  hij  zijn 
vertrek  naar  Polen  laat  afhangen  van  de  toestemming  zijner  Emdousche  ge- 
meente. (Calvijn,  XV,  778,  dd.  19  Sept.  1555:  „Siue  ecclesiae  meae  Frisicae 
asscnsa,  cui  adhuc  obstrictus  sum,  facere  nihil  possum.") 


^^  -    ^"V^*     ^'"*      ■""•■cv  .•<•-••  .■•     \   »•»  ^>»»      *»»•      tl     fc  »■■    »    *  *»  •*  .V  »■  .» 

■  »  %  »^ 

*"  •-  ■•  »  •«> 

ie  voren  h:ii  hï'  :::  o.o  '.iats:  yot'.oojw,  v.*;i;insli*\ï  >;v*o*lon.  «m\ 
zijne  krachten  waren  irohee'  u-i-i^^jni::  wekon  :>oV.*\m«vu  \\i»s 
hij  nier  in  sraa:  re  /ien,  en  ken  hij  irxvn  \u\\\\\  \ot\oe»ou 
Bij  zijne  oude  kwaal  luul  /irh  een  hertig  kelit^k  gexoe»;»!, 
waaraan  hij  vroeger  nooit  had  sreleden;  er  had  eeuo  \n(N(orMn^\ 
van  gal  in  de  maag  plaats  gevonden,  \\aarop  „iiMeruN**  |^vol 
zucht]  gevolgd  was,  gepaard  met  de  he\ig,s(e  heei*^  Kt^orln, 
In  weerwil  van  dat  alles  was  liij  niet  ter  neer  f|[eri)a^en,  en 
werd  hij  niet  moede,  voor  de  eer  /jius  IIoohmi  klot»KlwHrip[ 
op  te  komen:  in  waarheid,  een  tri^lVt^Iiik  M'liouwMpoll  Ami 
zijnen  vriend  Cal  v  ij  n  beschrijft  iiij /.ijiie  ttitMiinalif^e  rttnnnninf^ 
met  de  navolgende  sehoone  woorden :  „Wat  im  »lli«nM»inl  in||ii 
hor-  en  derwaarts  geslinj»erd  worden  hrirnlll,  /nu  in  Intf  ni|| 
inderdaad,  Qodo  zij  dank,  nie(  he/wnreiid ,  nW\  wi'inif^,  duf 
het  aan  mijn  gomn(;d  /(dfs  den  ^nmlnn  Irnnril  vtM'lmMil ,  In 
zien,  hoe  zulks,  door  (jods  {^niMlIicidf  vnnr  dn  |niMiHt«nfiMi 
tot  zegen  verstrekt.  !)(;  nadofden  voor  niijnn  fJ.M/.onillmiil  lm 
schouw  ik  als  voordofdon ,  allionwid  Ih'I  vliMMtdi  diniilcfjrnn 
opkomt,  want  ik  govo<d,  daf  ik  tiici.  vim*  nicnr  vniw||d('id 
ben  van  de  haven,  naar  w*?lk<?  wij  alh-n  vi'rliinprfn,  <iod 
geve,  dat  wij  allen,  door  y.ï]i\t:  biirmloiriii/^licid ,  irM'l  «-«'ii 
blijmoedig  en  onbezweken  j^«do<>fi-,v<'ilp>ijvv<'ri  dii-  luivi^ii  di'i 
rust  mogen  bereiken/'  *; 

Wat    hem    bewoojr.  zi'di   naar   FrinKoif  h-   b<{/fv«n  ,   wji.» 
het  verlan;ren,  om  aldaar  aan  overbliji'-'-l'-fi  /.ijn<  i  vi«i-nid«  Imj/ 
gemeente    in    \.*iu*l*:u.    '\\<:    nu:ir    n\Ui  /jj'ïm*    ■/«  ).-»/«/'ijd    /m.: 
geworden,    zijfje.'j    ^r.'O'r*    •<:   Kt*:tiy/ti     «u   \.*i!i   m   })<•♦   ti\i  mn 
vre'.'Uj'Je    l-xiA    .'.'je*   '-tJi'j  < ',   'i-i^jd   •*  i   /:/,*■  •*.   .-^-.i-.tu      Jn  *i\, 

T«T*:\i*':     ii';fi':     'i-'^f'.U     Z.j     a:s'.      .'.^-.'rj       '.  i'.i.'i-.    i*  '/'/«•.    i-ijj/' > 


518 

zoo  draagt  ook  hij  zorg  voor  alle  de  gemeenten  (II  Cor. 
11  :  28).  Dat  had  hij,  een  jaar  te  voren  ook  aan  de  vluch- 
telingen te  Wezel  doen  blijken. 

Wij  herinneren  ons,  dat  twee  leeraren  der  vreemdeling- 
gemeente,  Deloenus  van  de  Nederduitschers ,  Peruzel 
van  de  Walen,  na  het  vertrek  van  Laski  nog  voorloopig 
te  Londen  waren  achtergebleven,  ten  einde  nog  een  tijdlang 
de  gevaren  te  trotseeren ,  en  aan  het  schuchtere  kuddeke  in 
het  verborgen  den  troost  des  Evangelie's  te  bieden.  Maar 
ook  hen  liet  men  niet  ongemoeid;  na  verloop  van  een  paar 
maanden  moesten  zg  met  een  ander  gedeelte  der  verstrooide 
gemeente  naar  het  vasteland  vluchten.  Ingevolge  de  ontvangen 
waarschuwing  sloegen  zij  niet  den  doornigen  weg  in,  dien  hunne 
geloofsgcnooten  in  den  vorigen  herfst  gekozen  hadden:  over 
Antwerpen  kwamen  zij  aan  den  Rijn ;  een  gedeelte  ging  naar 
Oost-Friesland,  terwijl  andere  scharen  zich  stroomopwaarts 
begaven.  De  plaatsen,  alwaar  een  vriendelijk  verblijf  zich 
voor  de  zwervelingen  ontsloot,  zooals  Frankfort,  Straatsburg, 
Bazel,  Zurich  en  Genève,  waren  spoedig  bekend.  Tot  deze 
plaatsen  behoorde  ook,  en  bereids  geruimen  tijd.  Wezel. 
Reeds  sinds  jaren  waren  vele  Walen  derwaarts  gevlucht, 
die  door  het  beruchte,  „niet  met  inkt,  maar  met  bloed  ge- 
schreven" plakkaat  van  Karel  V,  hetwelk  alle  ketters  met 
de  doodstraf  bedreigde,  uit  hun  vaderland  verdreven  waren.  ') 
Zij  onderwierpen  zich  aan  de  belijdenis,  die  de  superintendent 
der  stad  hun  als  voorwaarde  hunner  toelating  oplegde.  ^) 
Derwaarts  nu,  naar  Wezel,  begaf  zich  Peruzel  met  leden 
der  vreemdeling-gemeente  en  eene  niet  onaanzienlijke,  dage- 
lijks aangroeiende  schaar   van  voortvluchtige  Engelschen.  Zij 


>)  Wolters,  S.  108. 

2)  Rector  en  superiatendcnt  te  Wezel  was  destijds  Nicolaus  BuRCoduconsis, 
dezelfde  man,  die  het  (in  1550)  waagde  te  dingen  naar  het  ambt  van  superin- 
tendent in  Oost-Friesland,  hetwelk  Laski  bij  zijn  vertrek  naar  Londen  volstrekt 
niet  had  nedergelcgd,  en  dat  ook  in  het  geheel  niet  zou  worden  begeven. 
Hij  en  zijn  ongelukkige  broeder,  de  Deensche  hofprediker,  die,  in  vereeniging 
met  Noviomagus,  koning  Christiaan  III  tegen  de  vluehtelingcn  in  het  harnas 
joeg,  waren  afkomstig  uit  's  Hertogonbosch ,  de  hoofdstad  van  Noord-Brubant; 
vandaar  ook  hun  vcriatiniseerde  naam. 


519 

troiFen  het  wel  niet  meer  zoo  gunstig,  als  de  Walen,  die 
sich  daar  het  eerst  gevestigd  hadden.  Tilemann  Hes- 
hosius,  te  Wezel  geboren  en  een  krachtig  medestrijder  van 
W  e  8 1  p  h  a  1 ,  had  eenc  andere  en  minder  gunstige  stemming 
jegens  do  vreemdelingen,  althans  onder  de  geestelijken,  weten 
te  wekken;  gelukkig  zijn  wij  ontheven  van  de  taak,  om  do 
schandelijke  kunstgrepen  te  schilderen,  die  aldaar,  zij  't  dan 
ook  ten  slotte  tevergeefs,  in  het  werk  werden  gesteld,  ten 
einde  aan  deze  arme  vreerade  lieden  het  recht  van  asvl  te  doon 
weigeren.  ^)  Terwijl  deze  kuiperijen  tegen  de  hulpbehoevende 
ballingen,  die  reeds  na  weinige  jaren  door  hunne  vlijt  de 
welvaart  der  geheele  stad  in  zoo  buitengewone  mate  verhoogd 
hadden,  nog  in  vollen  gang  waren,  hadden  de  Walen  zich 
in  hun  geweten  beangstigd  gevoeld,  of  het  hun  geoorloofd 
was,  al  die  ceremoniën,  welke  in  den  laatstcn  tijd,  inzonder- 
heid bij  het  Avondmaal,  van  hen  gcëischt  werden,  bij  zich 
in  te  voeren.  In  hunne  verlegenheid  wendden  zij  zich  om 
raad  naar  Gencve,  Lausanne  en  Emden.  Het  antwoord  uit 
Goncve  is  nog  voorhanden  ;  het  ademt  geheel  en  al  den  verhe- 
ven, ernstigen  geest  van  Calvijn.  -)  Do  Hervormer,  die  met 
de  bijzondere  toestanden  in  Wezel  weinig  vertrouwd  was, 
beveelt  toegevendheid  aan.  In  gelijken  geest  was  do  raad  uit 
Lausanne.  ^)  Laski  echter  is  in  zijn  antwoord  van  een 
tegenovergesteld  gevoelen.  *)  Zijn  schrijven  verraadt  de  nauw- 
keurigste kennis  van  do  Wozclscho  toestanden;  zijn  scherpe 
blik  doorziet  de  eigenlijke  drijfveeren  van  den  strijd,  en  hoo 
het,  in  den  grond  der  zaak,  niet  te  doen  is  om  de  aanneming 
of  de  weigering  van  een  paar  onbelangrijke  ceremoniën,  die 
van  de  grondwaarheden  des  Evangclie's  verre  verwijderd  zijn, 
maar  hoe  juist  op  dit  punt  te  Wezel  zich  slechts  de  strijd 
openbaarde,    dien    Westphal    en    Heshusius    mot    de 

*)  Om  den  wille  van  zijne  taak  heeft  Wol  ter»  (verg.  S.  171 — 200)  dc/.c 
tntrigrd  moeten  beschrijven. 

*)  Men  vindt  het  afgedrukt  bij  Calvijn,  XV,  48,  en  gedeeltelijk  vertaald 
bij  Woltera  (S.  103),  dio  er  voor  xijnc  geschiodenirt  gebruik  van  gemaakt  beeft. 

^)  Het  schrijven  zelf  heb  ik  nergens  afgedrukt  gevonden. 

^)  Kuyper,  II,  708. 


520 

hunnen  overal  tegen  de  „sacramentisten  en  dwepers"  hadden 
doen  ontbranden.  Dezen  strijd  had  hij  reeds  bij  eigene  ervaring 
leeren  kennen,  en  daarom  raadde  hij,  dien  liever  aanstonds 
moedig  en  vastberaden  te  aanvaarden,  bereid,  om  desnoods 
het  gevolg  eener  verdere  verbanning  te  dragen,  dan  toe  te 
geven,  en,  daardoor  gebonden,  de  kracht  tot  wederstand, 
waar  het  een  ernstiger  punt  betrof,  te  verliezen.  De  uitkomst 
heeft  La  ski  in  het  gelijk  gesteld.  Toen  Peruzel,  op  raad 
van  sommigen  zijner  gemeenteleden,  zich  in  den  herfst  van 
1556  naar  Frankfort  begaf,  ten  einde  aldaar  met  Calvijn 
en  a  Las  co  gemeenschappelijk  over  de  zaak  te  beraadslagen, 
stemden  de  beide  hervormers,  nadat  Calvijn  een  nauw- 
keuriger inzicht  in  de  zaak  verkregen  had,  daarin  overeen, 
dat  een  toegeven  in  de  kwestie  der  ceremoniën  voor  Peru  zei 
een  teruggang  in  de  Evangelische  kennis  zou  geweest  zijn. 
Beide  mannen  gaven  liem  brieven  aan  de  gemeente  te 
Wezel  mede,  welke  daarop  betrekking  hadden.  ^)  De  uitslag 
der  zaak  te  Wezel  was  betreurenswaardig.  De  voorspraak 
van  Melanchthon  voor  de  gekwelde  vreemdelingen  was 
tevergeefs ;  zij  verlieten  het  verblijf,  alwaar  van  hen  gevorderd 
werd  hetgeen  zij,  om  des  gewetens  wille,  niet  meeiïden  te 
mogen  doen.  Het  was,  in  den  grond  der  zaak,  niet  de 
kwestie  der  ceremoniën,  die  den  doorslag  gegeven  had, 
maar,  gelijk  L  a  s  k  i  van  den  beginne  aan  te  recht  vermoedde, 
de  Avondmaalsleer ,  die  allerwegen  als  eene  brandfakkel  in 
het  midden  der  gemeenten  geslingerd  werd.  '^) 

Van    deze    kleine    episode    uit    het   geheel    van    La  ski's 


1)  Het  schrijven  van  Calvin  is  te  vinden  in  z\jne  Werken,  D.  XVl,  p.  286; 
hot  schrijven  van  Laski  schijnt  te  z\jn  verloren  geraakt,  tenzij  men  heeft  aan 
te  nemen,  dat  de  genoemde  hrief  ook  zijne  meening  hovat,  en  dat  hij  aan 
Peruzel  geen  afzonderlijk  schrijven  heeft  medrgegevcn.  De  laatstgenoemde  zegt, 
in  zijn  hericht:  „Calvinns  et  a  Lasco  scripscrnnl  fratribus  Wesalicnsibus*' 
(„Religionshandlungen",  I,  282),  en  hetgeen  hij  vervolgens  al»  inhoud  dezer 
brieven  opgeeft,  komt  met  den  zoo  even  vermelden  brief  van  Calvijn  overeen, 
riet  is  te  betreuren,  dat  de  grondige  en  zoo  zorgvuldige  onderzoeker  der  her- 
vormingsgeschiedenis van  Wezel  dit  belangrijke  bericht  van  Peruzel  niet  heeft 
gekend.  (Verg.  Wol  ter  8,  S.  197.) 

*)  Zie  „Rcligionshandll."  I,  287,  en  ook  Calvijn,  XVI,  395.  De  uitslag  was 


521 

voortdurende  zorgen  voor  de  verstrooide  deelen  zijner  vreem- 
deling-gemeente  keeren  wij  thans  echter  weder  terug  tot  zgne 
reis  naar  Frankfort,  in  Mei  1555. 

Het  was  niet  voor  de  eerste  maal,  dat  onze  vriend  te  Frank- 
fort aan  de  Main  vertoefde:  in  deze  stad  mijner  kindsheid 
en  jeugd  hebben  wij  hem  bereids  ontmoet,  toen  hij,  vóór  nu 
alrec  17  jaren,  zijn  vaderland  verlaten  en  hier  het  eerst  voor 
korten  tijd  eene  rustplaats  gevonden  had.  ^)  De  stad  en  hare 
burgerij  kon  hem  wel  behagen.  Al  vroeg  had  de  Hervorming 
hier  haren  intocht  gehouden ,  door  haren  ouderen  broeder , 
het  Humanisme,  dat  reeds  cene  ruime  plaats  bij  de  wakkere 
burgers  der  rijksstad  gevonden  had,  vriendelijk  binnengeleid. 
De  rector  („schoolhcer'')  Nes  en,  zelf  een  bezield  leerling 
van  den  groeten  Rotterdammer,  had  zich  op  aanbeveling  van 
Erasmus  naar  Frankfort  begeven  '^)j  onder  zijne  volgelingen 
schittert  de  fijn-beschaafde  en  smaakvolle  Micyllus  met 
zijne  bijkans  jonkvrouwelijke  zedigheid  **),  levenslang  zoowel 
een  getrouw  beoefenaar  van  de  humaniteitsstudiën ,  als  een 
oprecht  aanhanger  van  de  Hervorming.  Ook  de  toenmalige 
schoolmeester  bij  de  Barrevoeters ,  Cnipius,  bleef  aan  de 
traditie  van  zulk  een  schoon  verbond  getrouw ;  sedert  den 
tijd,  toen  hij  nog  te  Andornaeh  aan  het  hoofd  der  Latijnsche 
school  stond,  en  de  reformatorische  pogingen  van  den  aarts- 
bisschop van  Keulen  van  lieeler  harte  toejuichte,  was  hij 
innig  bevriend  met  Harden  berg,  en  droeg  nu  deze  vriend- 
schap ook  op  Laski  over,  met  wiens  gevoelens  Cnipius, 


ten  slotte  te  Wezel,  gelijk  op  zoovele  andere  plaatsen,  zij  *t  ook  eerst  na  jaren, 
voor  de  beklagenswaardige  vervolgden  in  verrassende  mate  gunstig.  £en  be- 
langwekkend bewijs  daarvoor  lovert,  behalve  Wezel  en  de  op  de  synode  aldaar, 
in  1568,  tot  stand  gebrachte  presbyteriale  kerkorde,  die  geheel  op  de  grond- 
stellingen van  Luski  berust  (v<-rg.  'NVoltcrs,  S.  314  f),  de  uitslag  van  den 
strijd  te  Bremen  (verg.  Spiegel,  S.  345). 

»)  Verg    hierboven,  bladz.  208^ 

))  Verg.  de  interessante  levensschets  van  Nesen,  ontworpen  door  S  te  i  tz  („Ar- 
chiv,"  1877,  S.  36). 

3)  Zijn  edel  leven  werd  geschetst  door  Classen,  in  zijn  geschrift:  „Jakob 
Micyllus"  (Frankfort  a.  M.,  1859). 


522 

die    tevens  een  kundig  godgeleerde  was,  zich  ten  volle  kon 
vereenigen.   ^) 

De  vroegste  predikers  der  eerwaardige  keizerstad  legden, 
gedurende  langer  dan  een  menschenlecftijd,  in  hunne  be- 
schouwingen méér  den  nadruk  op  het  gemeenschappelijk 
Evangelische,  dan  op  het  eigenaardig  Luthersche;  in  die 
gevallen,  waarin  men  op  stelliger  wijze  voor  zijn  gevoelen 
moest  uitkomen^  had  de  uitdrukking  een  Zwitsersch  karak- 
ter, cenigszins  -getemperd  in  den  zin  der  Opperduitschers 
te  Straatsburg  en  in  die  streken.  Reeds  in  1526  verdedigen 
zich  de  beide  Evangelische  predikers  Meiander  en  Ber- 
nard  tegen  de  beschuldiging:  „wir  sein  zwein  Lutterisch 
Lerer,"  met  deze  woorden:  „Wir  predigen  Christum  und 
zwar  den  Gekreuzigten ;  erbieten  uns  auch  urbittig  zur  Ver- 
antwortung  jedermann,  der  Grund  forflert  der  HoflFnung 
die  in  uns  ist.  Wir  haben  öffentlich  auf  der  Kanzel  gesagt, 
dasz  man  dem  Lutter,  auch  uns  selbst  und  keinor  Ereatur 
glauben  soll  in  göttlichen  Sachen,  wo  sie  das  Wort  Gottes 
nicht  predigt.  Darauf  kann  man  erkennen,  ob  die  Lehre  von 
uns  gethan  menschlich-lutterisch  oder  göttlich  und  christlich 
gewesen  sei.  Gott  verleihc  Gnade,  dasz  man  lebe,  wie  wir  aas 
dem  Worte  Gottes  gelehrt  haben.^'  ^)  Luther  zelf  was  met 
deze  toestanden  bekend,  en  waarschuwde  tegen  zulk  eene 
o  verhelling  tot  de  gevoelens  der  Zwitsers,  die  hem  bedenke- 
lijk voorkwam**);  de  ^Entschuldigung  der  Diener  am Evan- 
gelie Jesu  Christo'',  welke  in  het  jaar  1533  schriftelijk 
bij  den  raad  der  stad  werd  ingediend,  bewijst  slechts,  hoe 
gegrond  de  waarschuwing  geweest  was.  *)  De  waarschuwing 
van  den  Duitschen  hervormer  kon  echter  deze  strooming  niet 
keeren.  Toen  zich,  in  1541 ,  de  behoefte  aan  eenen  catechis- 
mus   levendig   deed  gevoelen,  nam  men  zijne  toevlucht  niet 

»)  Verg.  „Archiv'*,  1860,  S.  189. 

*)  R  i  1 1  e  r ,  S.  184. 

h  Luther,  XXVI,  294.  waarbij  men  verpclijke:  „Archiv,"  1872,  S.  257. 

*)  Afgelrukt  bij  Rit  ter,  S.  203.  Men  vergelijke  inzonderheid  hetgeen  aldaar 
over  het  Avondmaal  gezegd  wordt,  dat  uvcrigcnfi  ook  overconatemt  met  de  in 
1530  aitgegevene  Frankforter  kerkorde,  welker  Avondmaalsciiltus  op  de  aller- 
eenvoudigste  wijze  is  ingericht. 


523 

tot  dien  van  Lu t her,  maar  de  predikers  Tervaardigden 
zalven  verschillende  ontwerpen,  van  welke  het  eene  den 
nadruk  legde  op  de  Zwitsersche  gevoelens,  terwijl  het  andere 
meer  die  van  Luther  huldigde.  Hierover  ontstond  strijd. 
Bucer,  de  overal  te  hulp  geroepene  vredestichter,  moest 
ook  dezen  strijd  beslechten:  in  1 542  heeft  hij  de  veroenigings- 
artikelen  opgesteld,  die  geheel  en  al  zijnen  stempel  dragen. 
De  verschillen  zijn  niet  innerlijk  overwonnen ,  niet  in  eene 
hoogere  eenheid  opgelost;  ze  zijn  slechts  verborgen,  en  onder 
het  lichte  bekleedsel  kunnen  zij  zich  ieder  oogenblik  weder 
verhcfiFen.  ^) 

De  gezindheid  der  bevolking,  zoowel  die  der  aanzienlijke 
patricische  geslachten ,  als  ook  die  van  de  degelijke  burgers 
der  vrije  rijksstad,  was  met  zulk  eene  houding  der  predikers 
in  overeenstemming.  Voorname  patriciërs  hadden  zich  met 
eenen  ontvangbaren,  onbevooroordcelden  geest  aan  dehuma- 
niteitsstudiën  toegewijd,  en  zich,  bij  den  verderen  voortgang 
hunner  ontwikkeling,  met  levendige,  vrome  geestdrift  tot  de 
paden  der  Hervorming  gewend.  In  mannen,  als  O lauburg, 
Holzhausen,  Fürstenberg,  Stallburg  en  Brom- 
men, die  met  Hutten  en  Sickingen  bevriend  geweest 
waren  en  hunne  vriendschap  vervolgens  op  de  leidslieden 
dor  Hervorming  overbrachten,  treden  ons  edele  gestalten  te 
gemoet.  Luther  en  Melanchthon  waren  binnen  de  muren 
der  stad  met  hartelijkheid  ontvangen  geworden,  evonzoo  echter 
ook  Oecolampadius,  wiens  aanwezigheid,  in  het  jaar  1 522, 
niet  zonder  invloed  op  de  verdere  richting  der  Hervorming 
aldaar  geweest  kan  zijn.  '^)  Onder  deze  mannen  blinkt  vooral 
Adolf  Glauburg  uit,  de  vriend  van  Melanchthon  en 
van  C  al  V ij  n,  wiens  briefwisseling  menig  schoon  bewijs  levert 
van  de  innigheid  hunner  onderlinge  betrekking.  De  burgerij 

J)  De  $§  2 — 17  handden  over  bet  Avondmaal;  zoowel  de  Transsubstantiatie, 
als  de  Ubiquiteitsleer  worden  verworpen;  de  predikers  worden  aangemaand, 
ODi  zicb  te  houden  aan  de  leer,  die  in  de  Augsbnrgsche  confessie  en  in  hare 
Apologie,  mitsgaders  in  de  Wittcnbergsche  concordic  is  nedergelegd  (verg.  den 
afdruk  bij  Kitter,  S.  275). 

^)  ^crg.  „Arebiv,"  1809,  S.  57,  met  de  interessante  mcdedeelingen  aangaande 
de  toenmaligen  patricische  geslachten  en  hunne  verhouding  tot  de  Hervorming. 


524 

desgelijks  stond  met  volle  overtuiging  aan  de  zijde  der  Her- 
vorming. Gedurende  den  boerenopstand  hadden  zich  ook  boven 
de  oude  rijksstad  dreigende  onweerswolken  te  zamen  gepakt, 
te  dien  tijde  als,  in  1525,  Westerburg,  de  medestander  van 
Karlstadt,  binnen  hare  muren  vertoefde.  De  „Frankforter 
Artikelen*'  zijn,  buiten  allen  twijfel,  uit  do  pen  van  W es- 
ter burg  gevloeid,  en  onderscheiden  zich  „door  hunnen  eer- 
biedigen, vromen  zin  en  hunnen  gematigden  toon."  ^)  De 
wolk  dreef  gelukkig  over;  hare  achtergelatene  sporen  ver- 
toonden zich  daarin,  dat  de  richting  van  Zwingliook 
onder  de  burgerij  weerklank  vond  en  wortel  vatte.  ^)  Hierbg 
gingen  de  patriciërs  en  de  burgerij  hand  in  hand,  alhoewel 
deze  burgeropstand  van  1525  een  verzet  tegen  de  macht 
der  patriciërs  openbaarde.  Dat  verzet  nam  niet  zoo  spoedig 
een  einde;  hét  bleef  aan  het  gisten,  zelfs  tot  in  den  tijd,  toen 
La  ski  te  Frankfort  aankwam.  ^) 

In  een  ander  opzicht  evenwel  was  het  thans  anders  ge- 
worden. —  In  het  sterfjaar  van  Lu  t  her  wasHartmann 
B  e  y  e  r,  een  Frankforter  van  geboorte,  aangesteld  als  prediker 
in  het  aan  gindschen  oever  der  rivier  gelegene  Sachsenhausen 
[de  voorstad  van  Frankfort].  Reeds  gedurende  elf  jaren  had  hij 
zich  te  Wittenberg  aan  de  studiën  gewijd,  toen  hij  aldaar 
de  tijding  van  zijne  benoeming  ontving.  Luther  gaf  nog 
aan  zijnen  leerling,  die  van  zijnen  hoogvereerden  meester 
voorschriften  voor  zijn  gedrag  verzocht,  den  raad,  om  in 
den  kerkelijken  ritus  zijner  vaderstad  geene  verandering  te 
brengen,  maar  de  Sacramenten  met  den  aldaar  gebruikelijken 
groeten  eenvoud,  louter  volgens  de  inzetting  te  vieren.  *) 
Ernstige  tijden  waren  ook  voor  de  keizerstad  aan  de  Main 
aangebroken,  toen  de  wakkere  jonge  prediker  zijn  ambt  aan- 
vaardde. De  Smalkaldische  oorlog  met  zijnen  treurigen  afloop, 

»)  „Archiv,"  1872,  S.  80. 

2)  Gelijk  door  Steitz,  in  zijne  zeer  boeiende  monographie  over  Westerburg, 
is  aangetoond,  (Verg.  „Archiv,"  1872,  S.  95.) 

3)  Een  interessant  bewijs  daarvoor  biedt  het  schimpdii'ht  op  de  patriciërs, 
afkomstig  uit  den  jare  1546,  hetwelk  men  vindt  afgedrukt  bij  Kriegk, 
S.  210. 

*)  Steitz,  S.  26. 


525 

vervolgens  het  Interim:  zij  legden  ook  aan  Frankfort  do 
vuurproef  op,  om  do  kracht  zijner  Evangelische  overtuiging 
te  doen  blijken.  Velen,  ook  onder  de  patriciërs,  hebben  do 
proef  niet  naar  eisch  doorstaan.  Wellicht  was  het  wijs,  om 
den  keizerlijken  veldheer,  graaf  van  Buren,  die  van  den 
kant  van  Darmstadt  aanrukte,  zonder  eenigcn  wederstand 
de  stadspoorten  te  ontsluiten  (29  Dec.  1546),  doch  een  bo- 
wgs  van  groote  vastheid  van  karakter  was  die  daad  niet. 
De  Evangelische  predikers  legden  oeno  onwrikbare  standvas- 
tigheid en  zielskracht  aan  den  dag ;  B  e  y  e  r  doet  zich  ondor 
zgne  medeburgers  kennen  „als  één  der  moedigste,  door  ge- 
trouwheid aan  zijne  overtuiging  en  vastheid  van  karakter 
meest  uitstekende  mannen."  ^)  Hunne  manmoedige  houding 
in  de  ure  van  algemeene  vrees  en  zwakheid  bleef  bij  do 
burgerij  in  dankbaar  aandenken :  hun  invloed  werd  zeer  groot 
en  overwegend  in  den  Raad.  Helaas!  mag  men  wel  zeggen, 
dewijl  Beyer  hoe  langer  hoe  meer  den  wijzen  raad  van 
Luther  ter  z^de  stolde,  en  gehoor  gaf  aan  do  mannen,  dio 
gedurende  den  storm  van  het  Interim  kloekmoodig  haddon 
standgehouden,  doch  die  nu  ook  als  de  éénige  rechtmatige 
erven  van  den  geest  van  Luther  wilden  beschouwd  worden, 
en  die  zulk  eenen  onuitsprckelijken  jammer  over  do  Evan- 
gelische kerk  gebracht  hebben.  Ook  hier  weder  kregen  onze 
waarde  vluchtelingen  het  eerst  den  bitteren  kelk  te  smaken. 

Wellicht  reeds  omstreeks  Kerstmis  van  1553,  doch  stellig 
in  de  eerste  weken  van  1554,  waren  de  eersto  scharen  van 
vluchtelingen  te  Frankfort  aangekomen:  Poulain  met  24 
familiehoofden.  Wij  hebben  den  genoemden  leidsman  reed» 
eenmaal  in  Engeland  ontmoet.  *^)  Toen  ter  tijde  blecjf  hij 
niet  lang  meer  te  Londen.  Eene  menigte  van  Walen,  bekwa- 
me laken  we  vers,  ^)  die  om  des  geloof»  wille  uit  hun  vader- 


ij  Kriegk,  S.  233. 

*)  Verg.  hierboven,  bladz.  3C9. 

3)  In  han  verzoekschrift  aan  den  FrankTortcr  raad  geven  zij  zieh  /elven  diro 
naam  van  „bursatwever&"  („Bursatinacber*''-').  (Zie:  „KcIigionHhandliinpfn*\  I, 
Beil.  1.)  Strype  fp.  242j  zegt:  „Tfaey  werc  weavera  and  foliowed  the  lufcou- 
factare  of  Kemiea*'  (kabchmir;. 


526 

land  gevlucht  waren,  hadden  zich  naar  Engeland  begeven; 
met  groote  edelmoedigheid  stond  de  Lord-Protector  hun  toe, 
zich  op  één  van  zijne  goederen  te  Glastonbury,  in  Somer- 
setshire  te  vestigen.  Op  zijne  eigene  kosten  had  hij  een  der- 
tigtal fabriekhuisjes  voor  hen  doen  bouwen ;  zij  hadden  aldaar 
hunne  eigene  kerk  en  school.  Hun  landsman  Poulainwerd 
hun  als»  prediker  toegevoegd,  met  denzelfden  titel  van  Super- 
intendent, dien  men  onlangs  te  Londen  aan  a  L  a  s  e  o  verleend 
had.  Slechts  gedurende  drie  jaren  bleef  de  nijvere  kolonie 
in  het  ongestoord  bezit  van  hare  schoon  ontluikende  gemeen- 
te-inrichting („Gemeinwesen");  het  edict  van  koningin  Maria 
tegen  de  vreemdelingen  trof  ook  hen,  zij  't  dan  ook  iets  later 
dan  hunne  lotgenooten  in  de  hoofdstad.  Poulain  was  nog 
in  de  gelegenheid,  om  het  godsdienstgesprek  bij  te  wonen, 
hetwelk  in  October  1553,  op  bevel  der  Koningin,  te  Londen 
gehouden  werd.  ^)  Met  zijne  verbannen  geloofsgenooten  begaf 
hij  zich  naar  Frankfort  aan  de  Main,  alwaar  hun  eene  vrien- 
delijke herbergzaamheid  ten  deel  viel.  Den  IS^en  Maart  1554 
hadden  zij  hun  verzoek  om  recht  van  asyl  bij  den  Raad  in- 
gediend; reeds  op  den  IS^en  Maart  werd  hun  verzoek  inge- 
willigd, terwijl  hun  tevens  de  Wittevrouwen-kerk  ten  gemeen- 
schappclijken  gebruike  met  anderen  werd  afgestaan.  ^)  In  den 
zomer  van  hetzelfde  jaar  kwam  een  aantal  Engelschen  te 
Frankfort  aan,  die  voor  de  vervolging  der  bloedige  Maria 
uit  hun  vaderland  gevlucht  waren,  en  insgelijks  alhier  eene 
vriendelijke  ontvangst  vonden,  onder  henMacbrey,  Whit- 
tingham  en  anderen.  Zoo  werden  er  nu  reeds  kleine 
vreemdeling-gemeenten    van    twee    verschillende    talen,    de 


I)  Dit  maak  ik  op  uit  „Scrinium,"  III,  163.  Fox  e  (VI,  395)  toont  aan, 
dat  het  bericht  over  dit  gesprek  afkomstig  is  van  Philpot,  den  aartsdeken 
van  Winchester,  die  persoonlijk  aan  het  gesprek  heeft  deelgenomen,  welk  oor- 
spronkelgk  bericht  Poulain,  in  het  jaar  1554,  uit  het  Engclsch  in  het  La- 
tgn  vertaalde. 

>)  Verg.  de  uitvoerige  berichten  en  akten  in  de  „Religionshandlungen ,"  I, 
9  f.,  alsmede  het  belangwekkend  bericht,  voorkomende  in  het  „Archiv,"  18R2, 
S.  245  f.  Hoe  schoon  is  de  hoilwensch,  door  Calv^jn  (XV,  217)  gericht  tot 
deze  vluchtelingen,  nadat  zij  eindelijk  eene  haven  der  rust  hadden  mogen  be- 
reiken 1 


527 

Fransche  en  de  Engelsche,  te  Frankfort  aangetroffen,  die 
elk  in  hare  bijzondere  taal  hare  godsdienstoefeningen  hiel- 
den. De  beide  gemeenten  vormden  te  zamen  slechts  cón 
organisme,  gebruikten  dezelfde  kerk,  en  dienden  ook  be- 
reids op  den  Istea  September  1554  hare  Liturgie,  welke 
te  Frankfort  gedrukt  was,  bij  den  gemeenteraad  in.  Het 
is  een  belangwekkend  document.  *)  De  agenda  sluit  zich 
nauw  aan  bij  die  van  C  a  1  v  ij  n ;  de  inrichting  der  gemeente 
draagt  geheel  en  al  een  presbyteriaal  karakter.  Het  lid- 
maatschap van  de  gemeente  is,  evenals  bij  La  ski,  van 
de  onderteekening  der  bijgevoegde  geloofsbelijdenis  afhan- 
kelijk gesteld;  de  kerkelijke  tucht  is  op  gelijke  wijze  in- 
gericht als  bij  La  ski.  De  kwestie  van  het  ambtsgewaad, 
die  voor  het  Engelsche  deel  der  gemeente,  met  het  oog  op 
de  reeds  vermelde  gebeurtenissen  bij  de  benoeming  van 
Hoop  er,  zoo  belangrijk  was,  en  die  ook  te  Frankfort  wel- 
haast de  gemoederen  zoozeer  verdeelde,  is  onbeslist  gelaten, 
doch  op  zoodanige  wijze  en  op  zulke  gronden,  dat,  wanneer 
zij  eenmaal  tot  eene  strijdvraag  verheven  werd,  zij  slechts 
in  den  zin  van  Hooper  en  Laski,  niet  in  dien  van R i d- 
ley,  beantwoord  kon  worden.  Zoo  hadden  dan  de  beide  kleine 
gemeenten  rust  gevonden  in  den  vreemde.  Die  rust  deed  haar 
zoo  goed !  Het  oudste  kerkelijke  zegel  der  gemeente,  dat  nog 
uit  die  dagen  afkomstig  is,  stelt  de  duif  voor,  die  met  den 
olijftak  in  haren  bek  tot  de  ark  wederkeert:  een  treffend 
beeld,  dat  de  groote  vloed  voorbij  is,  en  dat  weder  een  vaste 
bodem  uit  de  wateren  der  vervolging  oprijst.  —  Den  lO^en 
April  1554  namen  de  geregelde  godsdienstoefeningen  eenen 
aanvang  ^) ;  onder  de  toehoorders  bevond  zich  ook  de  echt- 
genoote  van  bisschop  Hooper,  die  nog  altoos  in  de  ge- 
vangenis smachtte. 

')  Het  exemplaar,  dat  zich  in  mijn  bezit  bevindt,  is  een  in  den  jarc  1754, 
bij  gelegenheid  van  het  20()jarig  jubilacum,  door  prof.  Withof  in  Duisburg 
bezorgde  nadruk.  In  het  jaar  1854,  bij  hut  SOOjarig  jubilé,  heeft  Schröder, 
in  het  kleine,  belangwekkende  geschrift :  „Troisicme  jubilé  seculaire  de  la  fon- 
dation  de  l'église  réforméc  fran9ai8e  de  Francfort  s.  M.",  uittreksels  daaruit 
gegeven. 

>)  „Original,"  p.  111. 


528 

In  den  loop  van  den  volgenden  winter  verschenen  er  nieuwe 
scharen,  en  wel  van  voortvluchtige  Nederlanders,  die  voor 
een  deel  rechtstreeks  uit  Engeland  kwamen,  gedeeltelijk  ook 
op  de  plaatsen,  waar  zij  op  hunne  vlucht  het  eerst  hadden 
halt  gehouden,  zich  te  zeer  bekneld  gevoelden  en  daarom 
verder  getogen  waren.  ^)  Ook  aan  hen  verleende  de  edel- 
moedige raad  een  gelijk  recht  van  asyl.  Doch  zij  vonden 
hier  geene  prediking  in  hunne  moedertaal.  Het  woord,  dat 
in  de  kerk  te  Frankfort  gepredikt  werd,  was  voor  hen  als 
Nederduitschers  onverstaanbaar,  evenzeer  als  de  Fransche 
en  Engelsche  prediking  in  de  beide  andere  vluchteling-ge- 
meenten.  Hoc  grooter  hun  aantal  werd,  ^)  des  te  dringender 
gevoelden  zij  de  behoefte  aan  gemeenschappelijke  godsdienst- 
oefeningen, aan  welke  zij  te  Londen  in  rijke  mate  gewoon 
geworden  waren,  terwijl  mogelijk  ookde  nadeelen,  door  Cal- 
vijn,  in  zijn  reeds  vermeld  zendschrijven  naar  Wezel,  op 
zulk  eene  aangrijpende  wijze  aan  herderlooze,  verstrooide 
gemeenten  voor  oogen  gesteld,  zich  zullen  vertoond  heb- 
ben. Om  die  reden  gevoelde  La  ski  zich  krachtig  getrokken 
tot  deze  deerniswaardige  overblijfselen  zijner  Londensche  ge- 


^)  Onder  dezo  Nederlanders  ontmoeten  wij  de  nog  heden  ten  dage  bloeiende 
familie  De  Neufville,  en  wel  met  de  opgave,  dat  zij  uit  Emden  gekomen  was 
(„Archiv/'  1862,  S.  245).  Deze  uit  Antwerpen  herkomstige  vluclileling-familie 
is  of  rechtstreeks  van  Londen  naar  Emden  gereisd,  evenals  de  echtgenootc 
van  Laski,  of  anders,  indien  zij  zich  over  Denemarken  derwaarts  begeven  heeft, 
is  zij  een  nieuw  bewijs  van  de  onvolledigheid  der  door  liarboe  (S.  55) 
gegcveno  naamlijst.  Har  boe  noemt  slechts  150  personen,  terwijl  Utenhove 
uitdrakkelijk  van  175  personen  gewaagt.  [Twee  kenmerkende  zinspreuken, 
aan  het  gedrukte  geslachtsregistcr  der  genoemde  overoude  familie  ontleend, 
mogen  hier  gevoeglijk  eene  plaatsvinden.  De  ééne  luidt  aldus :  „Mon  désir  tend  ik 
la  Neufville."  De  andere,  eveneens  met  treffende  toespeling  op  den  geslachtsnaam, 
aldus:  „Jérusalcm  d'en  haut  —  C*est  la  Neufville,  —  Prondre  la  faut  — Par 
Foy  habille."  —  Vert.] 

>)  Volgens  eene  opgave  uit  het  jaar  1561,  die  ons  is  bewaard  gebleven,  telden 
deze  drie  gemeenten  destijds  te  zamen  1131  personen,  onder  welke  441  kin- 
deren en  89  vrouwelijke  dienstboden  („Archiv,"  18G2,  S.  254).  Het  kleinste 
onderdeel  vormden  de  Nederlanders,  de  oudste  stam  der  tegenwoordige  Duitsch- 
hcrvormde  gemeente,  nl.  155  personen  zonder  de  kinderen,  hoofdzakelijk  in  de 
Kramer-,  de  Korn-,  de  Lindheimcr-  en  de  Gallus-straat,  alsook  aan  de  over- 
zijde der  rivier,  in  Sachsenhausen,  woonachtig. 


529 

meente.  Nauwelijks  was  hij  te  Frankfort  aangekomen  H,  of 
hij  sloeg  met  vaak  beproefde  bekwaamheid  de  hand  aan 
het  werk;  stilzwijgend  schijnt  men  hem  ook  hior  als  don 
superintendent  en  woordvoerder  der  vreemdelingen  beschouwd 
te  hebben.  Ook  hij  had  bij  de  heeren  van  don  Kaad  slechts 
hartelijke  voorkomendheid  gevonden,  en  vermeldt  zulks  oen 
en  andermaal  in  zgne  brieven  met  de  grootste  dankbaarheid. 
Zijnen  getrouwen  Theseus,  M  i  e  r  o  n  i  u  s,  die  te  Norden  was 
aangesteld,  noodigt  hij  uit  tot  medewerking  bij  de  inrichting 
der  gemeente,  bij  welke  de  indertijd  voor  Londen  uitgewerkte 
organisatie  nauwkeurig  gevolgd  werd.  Nadat  dit  werk  voltooid 
en  Micronius  weder  naar  zijnen  post  teruggekeerd  was, 
werd  Dathenus  als  prediker  bij  do  kleine  gemeente  be- 
roepen^ een  jongeling^  immers  destijds  eerst  24  jaren  oud, 
met  eene  oogensehijnlijk  onverstoorbare,  door  vurigon  moed 
tot  het  uiterste  gespannen  kracht,  een  bezield  on  tevens  bezie- 
lend kanselredenaar.  ^)  Hij  kwam  onder  bekenden.  Nadat  do 
vurige  Vlaminger,  op  eencn  leeftijd  van  19  jaren,  zijn  Kar- 
melieter-ordekleed  had  afgelegd,  en  als  bockdrukkersgozel 
een  kommerlijk  bestaan  had  gevonden,  was  hij,  in  1553, 
prediker  geworden  bij  zijne  landslieden  te  Londen.  In  vor- 
eeniging  met  Peruzcl  had  hij  het  bevel  der  Koningin,  om 
het  land  te  verlaten^  nog  langer  getrotseerd,  en  had  zich 
vervolgens  naar  Emden,  ^)  en  van  daar  tot  zijnen  ouden 
superintendent  en  de  overblijfselen  zijner  vroegere  geiiieeiite 
begeven.  De  beide  mannen  deden  hun  best,  om  voor  de  ge- 
meente te  zorgen,  en  hadden  beschermers,  die  hun  gaarne  do 
behulpzame  hand  boden.  L  as ki  verzocht,  dat  hun  zou  worden 
vergund,  om  mede  van  de  Katharina-kerk  voor  hunne  gods- 
dienstoefeningen gebruik  te  maken ^  dewijl  de  hun  afgimtano 
Wittevrouwen-kerk  voor  de  drie  gemeenten  klaarblijkelijk  ni(;t 
voldoende  was,  inzonderheid  thans  bij  den  naderenden  winter, 

1)  Waarschgnlijk  op  den  IS*'"'  Mei,  waot  op  dezen  dag  kwam  Dr.  ('or,  rén 
der  opvoeders  van  £duard  VI,  en  die  met  Lanki  bevriend  wah,  te  Frankfort 
aan,  vergezeld  van  eene  schare  van  voürtvluehtige  Kngelscben,  aan  wi:lkü  lianki 
zich  wellicht  te  Keolen  heeft  aangesloten.  (Hrandcs,  S.  112.) 

»)  Woltcrs,  S.  204. 

3)  Calvijn,  XV,  301. 

DALTON.  34 


530 

nu  hunne  godsdienstoefeningen  reeds  des  morgens  te  6  uren 
eenen  aanvang  namen  en  tot  6  uren  des  avonds  duurden.  ^) 
De  Baad  was  daartoe  bereid ;  in  het  stedelijk  archief  is  ech- 
ter nog  een  verzoekschrift  der  stadspredikanten^  gedagteekend 
van  den  S^en  September  1555,  voorhanden,  „om  zulks  toch 
aan  den  Pool  niet  te  vergunnen,  en  aan  de  gemeente  geene 
reden  van  droefheid  te  geven."  ^) 

Deze  woorden  voorspellen  reeds  de  nadering  van  don  storm, 
die  zich  nu  ook  te  Frankfort  tegen  de  arme  vluchtelingen 
verhief.  Nog  den  14<ien  October  schrijft  La  ski  aan  Cal- 
vijn:  „Gode  zij  dank,  de  Magistraat  is  ons  alleszins  genegen, 
en  wij  kunnen  ons  in  geen  enkel  opzicht  beklagen.  Wg  be- 
lijden, dat  wij  Gode  groeten  dank  daarvoor  verschuldigd  zijn, 
om  niet  door  ondankbaarheid  den  toorn  Gods  op  ons  te  laden. 
Helaas,  waarom  erkennen  wij  zoo  weinig  de  grootheid  der 
Goddelijke  weldaad,  dat  Hij  ons,  verstrooide  gemeenten,  in 
dezen  voor  alle  vromen  zoo  kommervollen  tijd,  zulk  een 
toevluchtsoord  heeft  doen  vinden!  Ja,  wij  misbruiken  zulk 
eene  groote  goedertierenheid,  en  voeren  strijd  over  kleinig- 
heden, alsof  wij  in  den  meest  volkomen  vrede  en  buiten  het 
bereik  van  den  vijand  leefden.  Moge  God  met  onze  gemeente 
zgn!  Amen."  ^) 

De  brief  klinkt  eenigszins  raadselachtig,  als  eene  profetie. 
Hij  is  geschreven  op  het  beslissende  tijdstip,  op  hetwelk 
het  deerniswaardige  lot  der  vluchtelingen  nu  ook  te  Frank- 
fort eenen  ongunstigen  keer  nam.  Alsof  zij,  evenals  hun 
Heer  en  Meester,  tot  een  teeken  zijn  moesten,  dat  overal 
wedersproken  wordt!  Met  een  open  oog,  met  eenen  onbene- 
velden  blik  ontwaart  de  trouwe  zielverzorger  de  opkomende 


')  De  wijze  7an  t^jdsverdeeling  was,  naar  't  schgnt,  de  volgende:  van  6 — 8 
uur  Engelsche,  van  9 — 11  uur  Fransche  godsdienstoefening,  te  1  uur  Fran- 
sche  catechisatie,  te  2  uur  Franschc  godsdienstoefening,  en  na  afloop  van  deze 
laatste  blgft  de  kerkeraad  tot  'gemeenschappelijke  beraadslaging  bijeen;  van 
4 — 6  uren  Engelsche  godsdienstoefening;  wijders  nog  weekgodsdienstoefeningen 
in  beide  talen,  des  Dinsdags  en  des  Donderdags. 

>)  In  het  stedelijk  archief:  „Tom.  I  Actorum"  der  Fransche  en  Ncderland- 
8che  gemeenten,  1554^1561. 

3)  Calvgn,  XV,  819  (niet  bg  Kayper). 


531 

onweerswolk,  de  in-  en  uitwendige  worstelingen,  die  de  ban- 
nelingen bedreigen,  en  met  een  vroom  gemoed  wijst  hg  op  de 
tuchtigende  hand  des  Hoeren,  die  in  zoodanig  lotsbestel  zich 
openbaart.  Binnen  en  buiten  de  muren  werd  gezondigd: 
La  ski  stond  te  hoog,  om  zulks  niet  onpartijdig  te  erkennen. 
Die  worstelingen  zijn  met  het  leven  en  ook  met  het  verdere 
lot  van  onzon  vriend  zoozeer  samengeweven,  dat  wij  ze  niet 
stilzwijgend  mogen  voorbijgaan,  hoe  moeielijk  het  ook  valt, 
om  den  vinger  te  leggen  op  deze  oude  wonden,  aan  welke  de 
Evangelische  kerk  van  Duitschland  bgkans  was  doodgebloed. 
Beschouwen    wij   dan  allereerst  de  uitwendige  worstelingen. 

In  het  noorden,  te  Hamburg,  werd  Wcstphal  niet 
moede ,  met  een  loerend  oog  in  het  land  rond  te  zien ,  en 
de  vluchtelingen  met  scherpen  blik  te  vervolgen,  om  op 
te  merken,  waar  zij  zich  wel  zouden  nederzetten,  en  waar 
het  er  alzoo  voor  hem,  den  geroepen  Zionswachter ,  op  zou 
aankomen,  hen  op  te  jagen,  en  stad  en  land  tegen  hen  te 
waarschuwen.  Bij  zekere  gelegenheid  immers  had  hij  zich,  in 
blinde  drift,  het  lasterlijke  woord  ten  hunnen  aanzien  laten 
ontglippen,  dat  zij  „martelaren  des  Duivels^'  waren!  Nu 
verneemt  hij,  dat  zij  te  Frankfort  herbergzaamheid  gevonden 
hebben;  Beyor,  die  zeer  met  hem  bevriend  was,  had  hem 
zulks  wellicht  geschreven.  ^)  Dat  mag  niet  worden  geduld. 
Fluks  richt  hij  zijne  waarschuwende  stem  tot  do  Frank- 
forter  overheid.  De  Hamburgsche  lecraar  rechtvaardigt  zijne 
inmenging  in  deze  aangelegenheid,  die  zoover  buiten  zijnen 
kring  ligt,  met  het  harde,  goddclooze  woord  aan  de  Magis- 
traat: „Als  iemand  er  de  Overheid  van  in  kennis  stelde, 
wanneer  er  brandstichters,  roevers  en  moordenaars  in  of 
buiten  de  stad  waren,  dan  zou  men  zulks  den  zoodanige 
allerminst  ten  kwade  duiden,  ja,  hem  veeleer  daarvoor  nog 
beloonen:  nu  waren  diegenen  echter  nog  veel  gev£uirlijker 
en  schadelijker,  die  een  zielverdervend  vuur  ontstaken,  het 
Woord  Gods  en  eeuwige  goederen  roofden,  en  de  menschen 


1)  Melanchthon,  IX,  484:  „Beyer  est  iotimos  Wcatphalo." 


in  don  geestelijken  en  eeuwigen  dood  stortten."  ')  Daarom 
wekt  hij  den  Frankforter  raad  op,  om  met  den  bevclstaf  der 
Overheid  („seeptro  magistratua")  de  godalasteringen  der  Sacra- 
mentisten  tegen  te  gaan.  '■') 

Al  was  de  Eaad  ook  niet  van  zins,  deze  aanmaning  op 
te  volgen,  en  ook  in  den  engeren  zin  van  Westphal 
naar  hot  zwaard  to  grijpen,  toch  misten  zulke  brieven  hunne 
uitwerking,  in  de  eerste  plaats  op  de  stadspredikanten, 
niet.  Nog  omstreeks  Kerstmis  van  1555  wil  Laski  beproe- 
ven, met  de  Prankfortor  leeraren  gemeenschappelijke  samen- 
komsten („coetus  communes")  te  organiaeeren.  In  weerwil 
van  al  de  bittere  ervaringen,  die  hij  reeds  had  opgedaan, 
is  toch  altijd  weder  zijn  geheele  streven  daarop  gericht,  om 
gemeenschappelijk  met  de  predikers  van  het  Evangelie  te 
arbeiden.  Hij  verzoekt  C  a  1  v  ij  n ,  tot  dat  einde  aan  de 
Frankforter  geestelijken  te  schrijven,  en  de  Geneefsclie  her- 
vormer hoeft  dan  ook  aan  die  bede  gehoor  gegeven,  ')  De 
poging  mislukte  echter.  Beyer  en  zijn  ambtgenoot  Ritte r 
begeerden  goene  gemeenschap  met  Sacramentisten,  maar  be- 
schuldigden hen  integendeel  bij  de  Overheid,  bedriegelijk 
gehandeld  te  hebben,  alsof  zij  door  het  valache  voorgeven, 
dat  zij  denzelfden  godsdienst  beleden  als  zij ,  op  slinksche 
w^ze  het  asylrecht  verkregen  hadden.  Zij  ■  waren  geene 
verwanten  van  de  Augsbnrgache  belijdenis",  en  daarom 
moest    hun    het    verder  verblijf  in  de  stad  worden  ontzegd ! 


<)  Verg.  .ReligionslundluDgen ."  II,  100. 

*)  In  lijne  verdediging  van  dit  echriJTGD  trai^bt  Weatpbsl  tlci:c  gciurlijtia 
nitdrakking  te  beperksD  en  te  TBrznikkon  door  aan  zijnen  Ingenstander  (Pon- 
lïin)  te  vragen:  „Namquid  unoa  est  modna  sopiratiunii  per  gladiam  wlum? 
annnn  etiam  cnatagiosi  >eparïDtnr  per  eicommuDicBtianem  et  eiclaaionem  e 
dtiam  aocietate,  quae  per  Tflegationcm  StF"  (A.  a.  O,,  11,  270.)  Alsof  ook 
dat  niet  scherp  en  grievend  gsuüeg  warel 

J)  Zie  Kuyper,  II,  716,  en  hot  antwoord  bij  Catrijn,  XVI,  B3.  Laski 
venoekt,  d>t  CalvJJD  de  lesnren  lieMetijk  en  iichlicaetlig ,  maar  tevens  era- 
■tig  en  Dadrnkkelijk  mocbt  willen  vermanon.  Do  brief  van  Calv|jn  vervult 
dien  wensch;  de  toon  i>  wellicht  euu  weinig  streng,  wsnt  Calvijn  ver- 
denkt de  predikers  van  min  of  moer  de  hand  to  hebben  in  de  uitgave  van 
dg   imaadredenen    van    WeEtphal    tegen    CalvïJD,    wetke   uilgate  te  Frankfort 


533 


^^ Joden  en  Katholieken  verdragen  zij,"  —  zóó  mochten  wel 
te  recht  sommigen  dezer  martelaren  klagen,  —  „maar  ons 
wijzen  zij  de  deur !"  De  onverschrokken  geloofshelden  waren 
er  bijkans  aan  gewoon^  in  ballingschap  rond  te  zwerven,  doch 
nu  had  de  zaak  eene  ernstigere^  verder  strekkende  beteeke- 
nis  verkregen,  en  uit  dien  hoofde  nam  Laski  de  uitdaging 
aan.  Het  verwijt,  dat  zij  niet  tot  de  Augsburgsche  geloofs- 
verwanten  behoorden,  zou  de  vluchtelingen  niet  slechts  als 
buiten  den  godsdienstvrede  van  Passau  staande  gesignaleerd 
hebben,  —  en  daardoor  zouden  zij,  wat  Duitschland  btetreft, 
in  zekeren  zin  vogelvrij  verklaard  zijn,  —  maar  ook  de  ver- 
gunning, om  naar  Polen  terug  te  kecren,  was  voor  Laski 
verbonden  aan  de  voorwaarde,  dat  hij  het  bewijs  kon  leve- 
ren, dat  zijne  belijdenis  in  overeenstemming  was  met  de 
Augsburgsche  confessie.  Indien  Westphal  er  in  slagen 
mocht,  hem  van  zijne  aanspraken  te  dezen  aanzien  te  be- 
rooven,  dan  was  niet  slechts  zijn  geboorteland  weder  voor 
hem  gesloten,  maar  dan  was  daardoor  ook  de  geheelc  her- 
vorming van  Polen  uiterst  onzeker  gemaakt ;  want  wij  zullen 
zien,  dat  de  Poolsche  adel  op  zijne  hand  was.  Maar  wat 
bekreunden  mannen  als  Westphal,  Flacius,  Heshu- 
sius  en  hunne  medestanders  zich  om  zulke  zwaarwichtige 
punten!  Al  werd  ook  de  bijl  aireede  aan  den  wortel  der 
Evangelische  kerk  gelegd,  om  het  even,  als  zij  slechts  op 
hun  allerbokrompenst  standpunt  het  laatste  woord  mochten 
behouden ! 

In  het  volle  bewustzijn  van  de  betoekenis  van  den  strijd 
voor  de  geheelc  Evangelische  kerk  trad  Laski  in  het  strijd- 
perk. Den  13d«n  Mei  1556  diende  hij,  uit  naam  der  vreem- 
delingen, bij  den  Frankforter  senaat  het  antwoord  in  op  de 
tegen  hen  ingebrachte  beschuldiging.  *)  In  dit  geschrift  wijst 
hij  er  op,  dat  zij,  nl.  de  aangeklaagden,  ook  het  lO^e  en  het 
13*ic  Artikel  der  Augsburgsche  geloofsbelijdenis  geheel  en 
zonder  voorbehoud  beamen.  Zijn  de  predikanten  hiermede 
niet  tevreden ,  dan  blijkt  daaruit ,  dat  de  Augsburgsche  con- 


i)  Kuyper,  II,  719. 


534 

fessio  hun  niet  meer  voldoende  is,  en  dat  het  in  den  ont- 
stanen  strijd  te  doen  is  om  nieuwe  formules,  die  nóch  in  de 
H.  Schrift  gegrond  zijn,  nóch  ook  op  eenige  andere  wijze  zijn 
te  rechtvaardigen.  Wel  had  hij  het  daarbij  aan  het  rechte  eind ! 
De  Raad  was  met  dit  antwoord  tevredengesteld,  maar  de 
predikanten  rustten  niet.  Laski  werd  niet  moede,  in  een 
nieuw  verweerschrift  ^)  de  overeenstemming  der  vreemdeling- 
gemeente  met  de  Augsburgsche  geloofsbelijdenis  nog  breed- 
voeriger te  betoogen.  Daartoe  drong  hem  zijne  blijmoedige 
geneigdheid,  om  ten  allen  tijde  getrouw  voor  zijne  bescherme- 
lingen op  te  komen,  doch  te  gelijk  ook  hot  ernstige  verlangen, 
om  thans,  nu  hij  zich  gereed  maakte,  om  naar  zijn  vaderland 
terug  te  keeren,  nog  eenmaal  luide  en  openlijk  te  betuigen, 
dat  hij  het  geheel  eens  was  met  de  belijdenis,  over  welker 
uitlegging  toch  niet  in  het  laatste  ressort  Westphal  en 
zijne  geestverwanten  hadden  te  beslissen,  maar  onder  de  le- 
venden zij ,  die  het  genoemde  belijdenisschrift  hadden  opge- 
steld, nl.  Melanchthon  en  zijne  medearbeiders  in  die 
groote  dagen.  Den  238ten  September  1556  werd  het  vertoog 
aan  den  Senaat  overhandigd ;  Laski  was  door  ongesteldheid 
verhinderd,  bij  de  overgave  tegenwoordig  te  zijn.  In  Decem- 
ber deszclfden  jaars  verscheen  het  in  druk,  nadat  Calvijn 
en  Melanchthon  hunne  hartelijke  en  volkomene  instemming 
met  den  inhoud  betuigd  hadden.  Te  Frankfort  kon  het  niet 
worden  uitgegeven;  dat  hadden  do  predikanten  weten  te 
verhinderen;  hier  waren  de  drukpersen  voor  de  geschrifken 
van  Westphal  aan  het  werk.  De  rector  van  het  stedelijk 
gymnasium  was  voornemens,  het  geschrift  in  het  Duitsch  te 
vertalen.  Het  klinkt  bevreemdend,  en  stemt  te  gelijk  schier 
tot  weemoed,  als  wij  onder  de  redenen,  waarom  hij  van  die 
taak  afzag,  ook  deze  vinden  opgegeven,  dat  hij  in  den  kring 
zijner  bekenden  geen  enkel  exemplaar  der  Augsburgsche 
belijdenis  had  kunnen  oploopen.  -)  Het  eigenlijke  voor- 
werp van  den  twist  was  dus  niet  eens  voorhanden,  en  toch 
is  het  wel  nauwelijks  te  onderstellen,  dat  het  ontbroken  zal 

»)  Ibid.,  J,  243. 

*)  „Archiv,"  1860,  S.  189. 


535 

hebben,  dewijl  de  twistenden  het  geschrift  geheel  in  hun 
hoofd  hebben,  nauwkeuriger  nog  dan  de  Rector,  die  de  woor- 
den letteriijk  vóór  zich  wil  hebben,  „opdat  men,"  gelijk  hij 
schrijft  aan  zijnen  vriend  Poulain,  „indien  ik  hier  of  daar 
eenigszins  andere  bewoordingen  bezig,  niet  kunne  zeggen, 
dat  ik  elpenbeen  met  inkt  heb  willen  wit  maken  !'* 

Het  geschrift  van  La  ski  is  een  schoon  bewijs  van  het 
nauwe  verbond,  dat  de  fijnste  beschaving  der  humaniteit  met 
eene  innige,  Evangelische  vroomheid  bij  onzen  vriend  had 
aangegaan.  Nog  heden  ten  dage,  en  ook  voor  hem,  die  den 
strijd  niet  in  al  zijne  bijzonderheden  wcnscht  na  te  gaan,  is 
het  boek  eene  veelszins  opwekkende  lectuur,,  boeiend  door  de 
helderheid  zijner  bewijsvoering  en  door  den  bezadigden  ernst 
zijner  gedachten.  Zonder  zich  in  onvruchtbaren  woordentwist 
te  begeven,  toont  La  ski  aan,  dat  de  punten  der  leer,  welker 
verwerping  men  hun  ten  laste  legt,  en  ter  oorzake  van  welke 
zij  met  zooveel  smaad  bejegend  worden,  door  de  Augsburg- 
sche  confessie  niet  alleen  niet  geleerd  worden,  maar  dat  zij 
ook  uit  hare  stellingen  niet  eens  zouden  kunnen  ontwikkeld 
en  afgeleid  worden.  Het  zou  zeker  moeielijk  zijn,  om  do 
strenge  bewijsvoering  met  deugdelijke  gronden  aan  te  tasten. 
Ofschoon  hij  de  bewustheid  heeft,  dat  hij  met  dcAugsburg- 
sche  belijdenis  —  gelijk  ook  Melanchthon  zelf  betuigd 
heeft,  —  geheel  in  overeenstemming  is,  belijdt  La  ski  noch- 
tans onbewimpeld,  dat  het  hem  niet  bovenal  te  doen  is  om 
de  onderwerping  onder  het  een  of  ander  menschelijk  stelsel. 
Op  dit  punt  voert  hij  eene  even  duidelijke,  vrijmoedige  taal, 
als  die  do  grondleggers  van  ons  Hervormd  geloof  in  de  eerste 
groote  dagen  deden  hoorcn.  Volgens  zijne  beschouwing  is  deze 
belijdenis  eene  groote  genadeweldaad  Gods,  maar  „niettemin 
willen  wij  ons  noch  aan  deze  confessie,  nóch  aan  ecnige  an- 
dere op  zoodanige  wijze  laten  binden,  dat  wij  ons  in  alle 
Christelijke  zachtmoedigheid  en  bescheidenheid  niet  meer  zou- 
den gerechtigd  achten,  vrijelijk  van  haar  te  verschillen,  of 
haar  zelfs  te  bestrijden,  zoodra  wij,  door  het  Woord  Gods  en 
de  stem  onzes  gewetens  overtuigd,  erkennen,  dat  wij  van  deze 
geschriften  moeten  afwijken.  Evenmin  zijn  wij  geneigd,  onzen 


536 


bijval  te  schenken  aan  hen,  die  zich  verstouten  om  de  christo- 
lyk- broederlijke  gomeenBchap  met  de  Augaburgache  belijdenis 
op  zoodanige  wijze  to  omperken,  dat  zij  hem,  die  nietdade- 
lyk  bij  alle  hare  woorden  zweert,  niet  slechts  van  de  ker- 
kelijke, maar  ook  van  de  burgerlijke  'gemeenBchap  uitsluiten. 
Dat  schijnt  niets  anders  te  beteekencn,  dan  dat  wij  de  pau- 
selijke  tirannie  niet  zoozeer  afgeschud,  als  wel  veeleer  onder 
den  titel  van, het  Evangelie  in  gewijzigden  vorm  behouden 
hebben."  In  die  dagen  voorwaar  eene  koninklijk-vrije,  voor 
eenen  Westphal  en  zijne  geestverwanten  nauwelijks  meer 
verstaanbare  taal,  gedurende  geruimen  tijd  bykana  eene 
hicroglyphe,  die  eerst  in  den  nieuweren  tijd  weder  is  ont- 
cyfcrd  geworden! 


Aan  de  hevige  geschillen  met  de  predikanten  der  stad 
paarden  zich  de  andere  twisten,  die  in  den  boezem  der 
Waalsche  en  der  Engcische  gemeente  ontbrandden.  Aan  deze 
geschillen  nam  onze  vriend  niet  rechtstreeks  deel.  "Wat  hem 
mag  hebben  bewogen ,  om  zich  te  dezen  aanzien  niet  na- 
drukkelijker te  doen  gelden ,  is  uit  de  voorhanden  zijnde 
stulvken  ciot  met  genoegzame  duidelijkheid  te  bespeuren;  de 
voornaamste  reden  was  wellicht  deze,  dat  zijn  blik  nu  toch 
reeds  te  zeer  naar  Polen  gericht  was,  en  hij  de  hoop  mocht 
koesteren,  zich  reeds  in  zijn  vaderland  to  zullen  bevinden, 
aleer  de  strijd  kon  beslecht  zijn.  Waarschijnlijk  wilde  hij  er 
zich  niet  mé<ir  dan  strikt  noodig  was  mede  inlaten,  om  niet 
gebonden  te  zijn,  zoodra  bij  de  vergunning  ontving,  om  naar 
zijn  geboorteland  weder  te  keeren. 

Reeds  voordat  Laaki  te  Frankfort  gekomen  was,  waren 
er  tusschen  Poulain  en  zijne  gemeente  kleine  onecnigheden 
voorgekomen.  Het  schijnt,  dat  Poulain  niet  volkomen  be- 
rekend is  geweest  voor  de  zware  taak,  om  als  zielverzorger 
aan  het  hoofd  van  zulk  eene  gemeente  te  stEian.  Zij  bestond 
toch  meerendeels  uit  huisvaders,  die  nu  reeds  bij  herhaling, 
om  den  wille  van  hun  geloof,  zich  in  ballingschap  begeven 
badden,  en  die  met  hart  en  ziel  in  hunne  Evangelische 
belij  denis  leefden.  Zulke  mannen  zijn  gewoon  en  ook  gerech- 


537 

tigd,  om  hooge,  zeor  hooge  eischcn  aan  hunnen  Evangelischen 
prediker  te  stellen ,  niet  slechts ,  dat  hij ,  op  gelijke  wijze  als 
zij  zelven^  bereid  zij,  om  den  wille  yan  den  Hoer  en  zijn  rijk 
afstand  te  doen  van  „lijf,  goed,  eer,  vrouw  en  kind",  —  van 
zijne  bereidwilligheid  te  dezen  aanzien  had  Poulain  ineenen 
kommervoUon  tijd  voldoende  blijken  gegeven,  —  maar  ook, 
dat  hij  hun  krachtig  voedsel  biede,  en  hen  met  zekere  hand 
in  eene  vaste,  heilige  gezindheid  te  zamen  voreenigd  houde. 
Menigeen,  die  in  rustige  tijdsomstandigheden  zijnen  post 
op  wakkere  wijze  weet  te  vervullen,  is  tegen  de  verhoogde 
eischen  niet  opgewassen.  Wel  is  het  een  bewijs  van  de  bui- 
tengewone begaafdheid  van  onzen  Laski,  dat  juist  zoodanige 
gemeenteleden  hem  het  liefste  en  meest  proefhoudende  ma- 
teriaal tot  den  arbeid  geweest  zijn,  hetwelk  hij  op  zulk  eene 
bewonderenswaardige  wijze  zich  ten  nutte  gemaakt,  ja,  van 
lieverlede  gevormd  heeft. 

Van  nog  meer  ingrijpenden  aard  en  nog  meer  zorgwekkend 
waren  de  gebeurtenissen  in  de  Engelsche  gemeente.  Het 
scheen,  alsof  datgene,  wat  te  Londen,  een  paar  jaren  geleden, 
slechts  kunstmatig  bijgelegd,  niet  waarlijk  beslecht  was  ge- 
worden, hier  in  den  vreemde  tot  beslissing  moest  komen. 
In  zeer  aanzienlijken,  dagelijks  toenemenden  getale  waren 
de  voortvluchtige  Engelschen  naar  het  asyl  aan  de  Main 
gestroomd,  onder  hen  niet  weinigen,  die  in  hun  vaderland 
tot  de  beschaafdste  en  ook  tot  de  bemiddelde  kringen  be- 
hoorden. *)  De  Frankforter  raad  had  hun  gastvrijheid  ver- 
leend onder  voorwaarde,  dat  zij  zich  kerkelijk  aan  de  reeds 
wettig  bestaande  Waalsche  gemeente  zouden  aansluiten, 
en  met  deze  laatste  de  Wittevrouwen-kerk  in  gemeenschap- 
pelijk gebruik  zouden  hebben.  Daartoe  waren  zij  gaarne 
bereid;  hunne  ouderlingen  behoorden  mede  tot  de  onder- 
teekenaars van  de  kerkorde  en  liturgie,  die  in  den  herfst 
bij  den  Frankforter  raad  word  ingediend.  Den  24^^^^  Sep- 
tember 1554  verkoos  deze  Engelsche  gemeente  tot  haren 
prediker    John    Knox,    den  latcren  beroemden  hervormer 


I)  Verg.  „Original,"  p.  753,  en  ook  Cal  v  ij  n,  XV,  654. 


538 

van  Schotland,  destijds  reeds  ongeveer  50  jaren  oud,  even- 
eens uit  zijn  vaderland  voortvluchtig.  Slechts  op  aanraden 
van  zijnen  leermeester  Calvijn  nam  hg  de  betrekkingaan, 
die  met  zijne  grondbeginselen ,  inzonderheid  wat  betreft  de 
liturgie ,  in  overeenstemming  was.  Daarna  -echter  kwamen 
er  mannen,  die  eischten,  dat  de  eeredienst  volgens  de 
liturgie  van  Eduard  VI  zou  worden  ingericht,  en  dat 
wel  op  eene  oproerige  wgze  gedurende  de  godsdienstoefening 
zelve.  Pijnlijke  tooneelen  hadden  er  plaats.  De  Frankforter 
raad,  als  scheidsrechter  ingeroepen,  bepaalde^  dat  men  zich 
aan  de  eenvoudige,  oorspronkelijke  liturgie  moest  houden. 
Genen ,  aan  wie  deze  laatste  te  nuchter  toescheen  ^  en  die 
reikhalzend  naar  de  meer  pompeuze,  nog  meer  met  oude 
Koomsche  herinneringen  vermengde  vaderlandsche  liturgie 
verlangden ;  legden  zich  bij  deze  beslissing  niet  neder;  de 
onbuigzame  Enox  was,  naar  hunne  meening ^  de  eenige 
hinderpaal  om  hun  doelwit  te  bereiken.  Niet  kieskeurig,  wat 
betreft  de  middelen  om  hem  te  verwijderen,  deinsden  zg  er 
niet  voor  terug,  om,  op  grond  van  eene  krachtige  uitdruk- 
king met  betrekking  tot  den  gemaal  der  Koningin,  den 
zoon  van  den  Duitschen  keizer,  hunnen  landgenoot  bij 
de  vreemde  overheid  van  majesteitsschennis  aan  te  klagen. 
Aan  die  beschuldiging  moest  de  Raad  gevolg  geven :  aan  den 
onverschrokken,  stoutmoedigen  man  werd  het  verder  verblijf 
in  de  stad  ontzegd,  evenwel  niet,  zonder  aan  de  beschul- 
digers de  afkeuring  der  Magistraat  wegens  zulk  eene  han- 
delwijze nadrukkelijk  te  kennen  te  geven.  Zes  weken,  voordat 
La  ski  te  Frankfort  aankwam,  had  Knox  zich  genoodzaakt 
gezien,  de  stad  te  verlaten. 

Met  eenen  anderen  held  van  dien  tijd,  nl.  Calvijn,  kwam 
onze  vriend  te  Frankfort  voor  't  eerst  in  persoonlijke  aan- 
raking. De  twisten  in  de  Waalsche  gemeente  waren  in  den 
laatsten  tijd  zoo  hoog  geloopen,  dat  zij  slechts  door  de 
scheidsrechterlij  ke  uitspraak  eener  opzettelijk  daartoe  be- 
noemde Commissie  van  vertrouwenswaardige  mannen  konden 
beslecht  worden.  Calvijn  liet  zich  door  den  moeielij  ken  tocht 
niet  afschrikken:  gelijk  hij  reeds  in  de  opdracht  zijner  „Con- 


539 

cordie  der  Synoptici"  aan  den  Frankforter  raad  zijnen  dank 
had  betuigd  yoor  de  geistvrijheid ,  aan  zijne  geloofsgenootcn 
bewezen,  zoo  wilde  hij  dat  nu,  bij  deze  gelegenheid^  persoon- 
lijk doen;  daarbij  kwam  de  wensch,  om  met  La  ski  te  be- 
raadslagen over  de  bijeenroeping  van  eene  algemeene  synode 
te  Frankfort,  voor  welke  zaak  onze  vriend  met  de  meeste 
kracht  gverde.  Tegen  het  einde  van  A.ugu8tus  verliet  de  Her- 
vormer Genève.  Eeeds  te  Straatsburg  kreeg  hij  den  thans 
heerschenden  geest  van  partijschap  op  grievende  wijze  te  be- 
speuren :  men  weigerde  hem  den  kansel^  op  welken  hij  voorheen 
het  Woord  Gods  verkondigd  had.  Bg  zijne  aankomst  te  Frank- 
fort werd  Calvijn  door  de  patriciërs  en  door  den  geheelen  Eaad 
op  ^t  hartelijkst  ontvangen.  Een  zware  arbeid  was  hem  wach- 
tende. Een  lid  der  Waalsche  gemeente,  koopman  Ie  Grand, 
had  eene  schriftelijke  aanklacht  van  25  punten  tegen  den 
prediker  Poulain  ingediend,  vroeger  reeds  bij  den  Senaat, 
thans  bij  de  Commissie  van  vertrouwde  mannen,  aan  wier 
oordeel  beide  partijen  verklaard  hadden  zich  te  willen  onder- 
werpen. Onder  de  acht  scheidsrechters  bevond  zich,  behalve 
Calvyn,  in  de  eerste  plaats  La  ski.  Het  eindresultaat  der 
langdurige  beraadslaging  was  wel  de  vrijspraak  des  predikers 
van  bgkans  alle  punten  van  aanklacht,  doch  Poulain  zelf 
legde  zijne  betrekking  neder,  ofschoon  het  meerendeel  der 
gemeente  hem  wenschte  te  behouden.  De  uitvoerige  proto- 
collen zijn  voorhanden;  ^)  bij  de  beide  laatste  beraadslagingen 
was  onze  vriend  afwezig;  zijne  oude  kwaal  had  hem  weder 
heftig  aangegrepen,  en  hem  op  het  ziekbed  geworpen. 

Met  de  Frankforter  predikanten  kwam  Calvijn  slechts  toe- 
vallig enkele  malen  in  aanraking ;  zij  ontweken  hem  op  eene 
in  het  oog  vallende  wijze.  De  Senaat,  die  het  van  hoog  aan- 
belang rekende,  dat  het  confessioneele  verschil  werd  bijgelegd, 
wenschte,  dat  Calvijn  voor  zijn  vertrek  nog  oen  onderhoud 
met  de  predikanten  zou  hebben.  Dezen  weigerden  zulks 
echter,  onder  het  voorgeven,  dat  zij  niet  geleerd  genoeg  en 
de   krachten  te  ongelijk  waren,  om  met  Calvijn  eene  dis- 


ï)  Calyyn,  XVT,  292  sq. 


putatio  te  ondernemen,  ')  Maar  het  was  toch  meer  hun 
tegenzin,  om  door  eenen  man,  als  Calvijn,  vw'ir  den  open* 
baren  Senaat  wellicht  overtuigd  te  worden  van  datgone, 
wat  ook  La  ski's  verweerschrift  betoogde,  nl.  dat  hunne 
nieuwe  leerpunten  niet  met  do  Aug;aburg8che  belijdenis  waren 
overeen  te  brengen.  Aangaande  den  omgang  tusschen  OaU 
Tijn  en  Laski  te  Frankfort  hebben  wij,  tot  ons  leedwezen, 
geen  enke!  nader  bericht  kunnon  vinden :  hot  persoonlijk  ver- 
keer schijnt  slechts  den  indruk  versterkt  en  bevestigd  te  heb- 
ben, dien  de  beide  groote  mannen  reeds  uit  elkanders  leven 
en  geBchriften  van  weerszyden  ontvangen  hadden.  Beide  man- 
nen zijn  met  de  diepste  hoogachting  jegens  elkander  bezieldj 
de  meerderheid  van  Calvijn  ala  een  in  bijzondere  mate 
uitverkoren  werktuig  des  Heeren  wordt  door  Laski  van  gan- 
scher  harte  erkend.  In  de  voornaamste  punten  der  leer  stemt 
onze  vriend  met  den  Geneefschen  hervormer  overeen,  doch 
met  betrekking  tot  alle  handhaaft  hij  zich  hot  mannelyk 
recht,  om  zelfstandig  te  onderzoeken  en  zelfstandig  te  be- 
slissen. Het  zwaartepunt  van  beider  reformatorische  werk- 
zaamheid ligt  op  het  gebied  van  de  organisatie  der  Kerk. 
Ofschoon  Laski  in  diepzinnigheid  van  speculatie  voor  Cal- 
vin moet  onderdoen,  zoo  moet  hij  nochtans  op  het  gebied 
der  kerk-inrichting  als  zijn  evenknie  beschouwd  worden. 
Ja,  door  de  bijzondere  omstandigheden  zijner  vreemdelJng- 
gemeente  te  Londen  heeft  Laski  zich  in  staat  gesteld  ge- 
zien ,  om  de  Kerk  nog  volkomener  van  den  Staat  los  te 
maken,  en  beide  kringen,  elk  in  zijne  zelfstandigheid,  nog 
zuiverder  en  duurzamer  van  elkander  te  scheiden,  dan  zulks 
aan  Calvijn,  te  midden  van  zijne  zooveel  moeielijker  omstan- 
digheden, heeft  mogen  gelukken.  Op  dit  punt  is  een  bepaalde 


')  'Wü  btMtten  dirnaangaando  tw»e  lamelijk  iiiteenliiopeudp  bericblBDi  hit 
sena  Tin  OalTijn  lelven  (XVI,  319),  bot  andere  dnarent^eii  vsn  de  prcdi- 
^anlDa  („RelïgionihtndluDgen",  11.  Bcil.  14i,  {  6i),  Het  laatatgeDaemdu bericht 
1  onwaarBchiJDlijk,  <lcwijl  bet  gedeeltelijk  gegrond  ia  op  geruebicn,  die  niet 
met  de  feiten  OTcreeakDmeD.  zooiile  b.  v.  (Krefleoius,  S.  111}  de  opgare,  dst 
men  de  aanwezlgbeid  vao  Caliijn  beeft  gebeim  geboudeu,  2i>oi]at  de  predikaateD 
eerat  io  de  lastate  digen  t^ding  datrTkn  louden  gekregeo  bebben. 


541 

Yooruitgang  bij  La  ski  op  te  merken,  die  voor  onze  dagen 
en  hunne  eischen  van  groot  gewicht  is. 

Nog  in  een  ander  belangrijk  opzicht  stemden  de  beide 
groote  en  vrome  mannen ,  bij  hun  gelijktijdig  verblijf  te 
Frankfort,  met  elkander  overeen^  nl.  wat  betreft  hunne  ruim- 
heid van  blik,  om  voor  eene  naar  Gods  Woord  hervormde 
Christenheid  in  alle  richtingen  den  weg  te  effenen,  alsook 
wat  betreft  de  helderheid  en  verhevenheid  hunner  zienswijze, 
om  zulke  gemeenschappelijko  geloofspunten  op  te  stellen,  die 
niet  de  kerkelijke  gemeenschap  zooveel  mogelijk  beperken, 
maar  integendeel  zoovelen  mogelijk  met  den  band  der  eenheid 
in  den  geloove  omstrengelen,  ten  ^inde  aldus  in  staat  te  zijn, 
om  met  eene  vast  aaneengcslotene  schare  aan  de  steeds  vaster 
zich  aaneensluitende  Roomsche  heirschaar  het  hoofd  te  bieden. 
Zij  staan  op  een  verheven  standpunt^  de  beide  helden^  die 
in  zekeren  zin  profeten  te  noemen  zijn,  en  de  volgende 
eeuwen  hebben  hen  in  het  gelijk  gesteld. 

Hetgeen  echter  deze  beide  mannen  met  zulk  eene  groot- 
heid van  ziel  hebben  nagejaagd,  is  ook  nog  heden  ten  dage 
de  onverdeelde  toewijding  der  edelste  krachten  waardig.  Des- 
tgds  was  het  intusschen  tevergeefs,  en  hunne  dringendste 
beden ^  dat  men  zich  toch,  om  den  wille  van  den  Heer  en 
met  het  oog  op  de  dure  belangen,  die  op  het  spel  stonden^ 
met  elkander  vereenigen  zou,  stierven  weg  te  midden  van  het 
ruwe  getier  der  strijdenden,  die  liever  met  de  Katholieken, 
dan  met  hen  vrede  wilden  sluiten.  Van  zulke  mislukte  po- 
gingen kon  Laski^  in  deze  herfstdagen,  met  een  bijkans  ver- 
scheurd gemoed  aan  Calvijn  berichten.  — 

In  vele  kringen  openbaarde  zich  de  wensch,  om  zich  tegen 
do  woelingen  dier  zeloten  te  beveiligen,  en  in  eene  gemeen- 
schappelijke bespreking  vcreenigingspunten  op  te  stellen. 
Vooral  hertog  Christoffel  van  Wurtemberg,  één  der  edelste 
en  degelijkste  van  de  Protestantsche  vorsten  dier  dagen,  was  in 
het  belang  van  dat  plan  werkzaam.  De  Hertog  dacht  er  over, 
om  verschillende  vorsten  tot  het  houden  van  eene  samenkomst 
uit  te  noodigen.  La  ski,  met  gelijken  ijver  voor  eene  gemeen- 


542 

schappelijke  beraadslaging  bezield,  wenschte^  dat  ook  godge- 
leerden en  uitstekende  mannen  der  Evangelische  kerk  zouden 
worden  uitgenoodigd,  om  aan  zulk  eene  bijeenkomst  deel  te 
nemen.  Nauwelijks  had  in  de  Paltz  Otto  Hendrik  de  regee- 
ring aanvaard,  en  door  een  edict  (Maart  1556)  openlgk  de 
invoering  van  de  zuivere  Evangelische  leer  en  de  afschaffing 
van  de  pauselijke  dwalingen  verkondigd,  of  ook  La  ski 
spoedde  zich  tot  hem,  ten  einde  hem  gunstig  voor  zijn  plan 
te  stemmen.  Al  sinds  geruimen  tijd  kende  en  beminde  hij  den 
vorst,  die  reeds  vóór  jaren,  om  den  wille  van  zijn  geloof,  zgn 
land  had  moeten  verlaten.  Tegen  het  einde  van  April  ontmoette 
hij  hem  te  Spiers,  en  wefd  door  hem  op  de  meest  vereerende 
en  liefderijkste  wijze  ontvangen.  Ofschoon  Otto  Hendrik 
zich  destijds  geheel  onder  den  invloed  van  Marbach  be- 
vond, vereenigde  hij  zich  nochtans  geheel  met  Laski's 
zienswijze.  ^)  Te  Spiers  bevonden  zich  ook  hertog  Christof- 
fel  en  de  wakkere  graaf  Erbach,  welke  laatste  nog  in  het- 
zelfde jaar  aan  de  Frankforter  predikanten  een  vermanend 
schrijven  richtte,  om  toch  broederlijk  met  de  vluchtelingen  te 
handelen.  ^)  Ook  de  Hertog  bewees  aan  La  ski  de  hoogste 
welwillendheid,  en  leende  aan  zijne  uiteenzetting  een  toege- 
negen oor.  Toen  La  ski  zich  reeds  gereed  maakte,  om  naar 
Frankfort  terug  te  keeren,  noodigde  de  Wurtemberger  hem 
uit,  om  hem  naar  Stuttgart  te  vergezellen,  ten  einde  aldaar 
met  zijnen  prediker  Br  enz  verder  over  de  zaak  te  handelen. 
Galvijn  en  Petrus  Martyr,  en  zeker  nog  menig  ander 
met  hen,  achtten  het  bedenkelijk,  en  keurden  het  ook  af, 
dat  L  a  s  k  i  alléén,  en  zonder  dat  er  getuigen  van  zijnen  kant 
bg  zouden  tegenwoordig  zijn,  het  godsdienstgesprek  had  aan- 
genomen. Uit  een  bericht,  dat  eerst  thans  openbaar  is  ge- 
maakt, blijkt,  dat  niet  Laski  het  gesprek  heeft  gezocht, 
maar  dat  hij  slechts  de  uitnoodiging  van  den  Hertog  hecfb 
opgevolgd;  deze  uitnoodiging  moest  hem  echter  welkom  zijn, 
daar  hij  er  prijs  op  stelde  om  van  eenen  vorst,  wiens  invloed 

1)  Cal  TIJD,  XVI,  186.  „De  controfersia  sacramentaria  sic  actam  est,  at 
elector  Palatinus  totas  sit  nostras,"  schrijft  Poulain,  in  eenen  brief  naar  Genève. 
>)  „Religionshandlangen,"  II,  Beil.  280. 


543 

zich  ver  buiten  de  grenzen  van  zijn  gebied  uitstrekte,  do 
getuigenis  te  erlangen,  dat  zgne  gevoelens  in  overeenstem- 
ming waren  met  de  Augsburgsche  geloofsbelijdenis.  ^) 

De  uitnoodiging  van  den  Hertog^  om  met  Laski  een 
godsdienstgesprek  te  houden,  kwam  B  r  e  n  z  zeer  ongelegen. 
Reeds  sinds  jaren  had  hij  zich  over  het  geschilpunt  in  do 
Avondmaalsleer  niet  meer  openlijk  uitgesproken,  en  zich 
bgkans  voorbedachtelijk  van  den  strijd  verwijderd  gehouden. 
De  Zuricher  overeenkomst  was  hem  eene  ergernis;  hij  had 
gemeend,  dat  Calvijn  aan  de  zijde  der  Duit  schors  stond, 
en  nu  zag  hg  hem  met  de  Zwitsers  een  verbond  aangaan, 
en  Zwitsersch  en  Zwingliaansch  was  bij  hem  eenerloi.  ^) 
Gedurende  den  tijd,  dat  Br  enz  het  stilzwijgen  had  bewaard, 
had  er  in  zyn  gevoelen  betreffende  het  Avondmaal  eene  ver- 
andering plaats  gegrepen,  welke  ons  bevreemdt,  aangezien 
wij  tot  op  dit  oogenblik  nog  niet  in  staat  zijn,  om  do  wijze, 
waarop  die  verandering  bij  hem  is  tot  stand  gekomen^  nauw- 
keurig na  te  gaan.  ^)  Met  hetgeen  Br  enz  in  zijnon  Cate- 
chismus van  het  jaar  1528  had  geleerd,  kon  Laski  zich  van 
heeler  harte  vereenigen;  nu  echter  stond  de  eerstgenoemde, 
die  nagenoeg  van  gelijken  leeftijd  was  als  hij ,  in  do  vollo 
en   zware    wapenrusting  der  Ubiquiteitsleer  tegenover  hemi 

Den  IS^en  Mei  was  Laski  te  Stuttgart  gekomen,  en  had 
kort  daarop  een  afzonderlijk  gesprek  met  Br  enz.  Waar- 
schijnlijk ingevolge  daarvan  bracht  Laski  zijn  gevoelen 
betreffende  het  Sacrament  haastig  op  het  papier,  ten  eindo 
te  doen  uitkomen,  waarin  zij  overeenstemden,  en  met  be- 
trekking  tot   welke  bepaalde  punten  men  in  vriondschappo- 


1)  Verg.  den  reeds  vermelden  brief  van  Poulain  (Calvijn,  1.1.).  Wij 
moeten  hier  oog  wijzen  op  de  dwaling,  aan  welke  zich  bijkans  allen  (Ileppn, 
Hartmann  enz.)  hebben  schuldig  gemaakt,  alsof  Laski  met  het  overtichot  zijner 
gemeente  naar  Stuttgart  getrokken  is,  en  ingevolge  het  godsdienstgesprek  ook 
van  daar  heeft  moeten  wijken.  De  onverwachte  reis  derwaarts  deed  hij  geheel 
alleen,  en  keerde  onmiddellijk  van  daar  naar  Frankfort  terug,  alwaar  bij  nog 
gedurende  vijf  maanden  ongehinderd  in  het  midden  der  zijnen  vertoefde. 

>)  Verg.  de  voorstelling  bij  P  1  a  n  c  k,  V  ,  2.  S.  382. 

3)  Ook  nog  niet  na  de  pogingen  van  Ëbrard,  II,  C'iO,  Ilartmann,  il, 
860,  of  bij  F  la  nek. 


lijke  beraadslaging  eene  formule  van  eenheid  moest  zoeken.  ') 
Den  22''«''  Mei  tad  het  gesprek  plaats,  in  tegenwoordigheid 
van  de  Stuttgarter  geestelijken  on  van  de  beide  hertogelijke 
raadsheeren  v.  Göltlingen  en  v,  Plieningen.  QeJijk 
te  voorzien  was,  leidde  het  tot  niets.  Telkens  opoienw 
drong  Laski  er  op  aan,  dat  men  hem  de  punten  zoude 
opgeven,  in  welke  zijne  leer  in  etnjd  was  met  de  Auga- 
burgsehe  belijdenis;  in  zijne  beantwoording  nam  Brenz 
altijd  weder  zijne  uitlegging  en  ook  gevolgtrekkingen  uit  het 
bel^denisHchrift  als  maatstaf  ter  hand,  volgens  welken  hij  de 
overeenstemming  met  do  Augsburgsche  belijdenis  wenschte 
te  bepalen,  —  inderdaad,  het  ia  niet  te  ontkennen,  een 
geheel  onredelijk  standpunt  der  beoordoeling !  —  en  dewgl 
Laski  niet  geneigd  was  om  de  geheele  Ubiquiteitsleer  op 
den  koop  toe  te  aanvaarden ,  zoo  werd  hem  de  bedoelde 
getuigenis  geweigerd.  Voor  het  eerst  vernam  Laski  hier  de 
Ubiquiteitsleer.  Deze  en  nog  een  paar  vreemdsoortige  be- 
weringen overbluften  hem ;  hij  verzocht  om  eenen  dag 
bedenktijd,  ten  einde  de^e  nieuwe  stellingen  te  onderzoeken, 
en  ze  met  die  plaatsen  uit  de  kerkvaders  in  haren  samen- 
hang te  vergelijken,  welke  Brenz  in  zijne  rede  slechts 
broksgewijze  had  aangevoerd.  Daarom  wcnaehte  hij  het  ge- 
sprek des  anderen  daags  voort  te  zetten,  terwijl  hij  nog 
eenmaal  in  duidelyke ,  eenvoudige  bewoordingen  op  zgne 
ernstige  en  oprechte  overeenstemming  met  de  Augsburgsche 
belijdenis  den  nadruk  legde,  en  bijkans  smeekend  verzocht, 
dat  men  hom  toch  oen  of  ander  punt  zijner  leer  mocht  aan- 
wijzen, dat  met  haar  in  tegenspraak  was.  Brenz  sjoeg 
eene  voortzetting  van  het  gesprek  af,  en  verwees  hem  koel 
naar  zijne  geschriften ;  in  deze  laatste  kon  hij  de  leer  van 
het  Avondmaal  vinden,  en  zelf  zien,  in  welke  opzichten 
hij    van    haar   afweek;    hij   had  daartoe  geen  tijd.  *)  Qeen 

I)  Het  bBlsDgrijke  docnment  is  du  voor  het  eersl  in  druk  gcgircni  lie; 
Cftlvijn,  XVI,  IBO. 

[')  In  het  brecdigvrig  Verslag  vaa  de  hnnd  van  L  a  b  1i  i  lelvea  «(DgaaDda 
lijn  genprck  mot  Brcna  en  hetgaen  daarop  te  StutCgurt  gsToIgd  ia  [xic  Vij 
Kujrpor,   II,    73'! — 30),    rind  ik  van  het  gengemdD  Tsrioek  vui  Laaki  om 


545 

tijd !  In  een  geval ,  waarbij  het  de  mogelijke  invoering  der 
Hervorming  in  Polen  betrof!  En  toch  had  hij  tijd,  om  op 
dusdanige  wijze  te  werk  te  gaan,  dat  Flacius  over  de  be- 
handeling juichte,  en  in  haar  het  bewijs  zag,  dat  Br  enz  en 
de  Wurtembergers  geraoene  ^.aak  met  hen  zouden  maken 
tegen  Melanchthon!  Ook  na  deze  bijkans  beleedigende 
afwijzing  deed  onze  edele  vriend  zich  zei  ven  geweld  aan,  en 
richtte,  om  den  wille  van  de  heilige  zaak,  aan  Br  enz  nog  eenen 
brief.  „De  voorstelling  uwer  leer,  wat  onze  strijdvraag  betreft, 
heb  ik  vernomen,  en  wel,  om  de  waarheid  te  zeggen,  niet 
zonder  verwondering.  Ik  heb  ook  gehoord  hetgeen  gg  over 
den  zin  der  Augsburgsche  belijdenis  in  het  midden  hebt  ge- 
bracht. Maar  van  al  datgene,*  wat  gij  hebt  aangevoerd,  vind  ik 
in  de  Augsburgsche  confessie  nergens  de  gronden,  en  daarom 
verlang  ik  zeer,  mij  die  door  u  duidelijk  te  zien  aangewe- 
zen." La  ski  verklaart  zelfs  nog,  er  genoegen  in  te  zullen 
nemen,  indien  Brenz  hem  de  gronden  dier  leer  in  de  Apo- 
logie of  in  [de  akten  van]  het  „Regensburger  gesprek"  kan 
aantoonen.  „Deze  bede  heeft  niet  ten  doel,  om  eenen  onnutten 
strijd  uit  te  lokken,  maar  alleenlijk  om  onze  onschuld  te  doen 

betuigen Komt  u  zulks  thans  mogelijk  niet  gelegen,  het 

zij  zoo;  later  biedt  zich  nog  wel  eens  eeno  geschiktere  ge- 
legenheid aan,  om  vriendschappelijk  hierover  te  handelen. 
Dit  alleen  smeek  ik  u ,  dat  gij ,  zoolang  althans  de  gronden 
van  ons  verschil  ons  niet  in  de  Augsburgsche  confessie  zelve 
duidelijk  zijn  aangetoond,  ons  niet  met  uwe  vooroordeelen 
wilt  bezwaren.  Want  ik  vertrouw  toch,  dat  gij  niet  zulk  een 
man  zijt,  die  het  lijden  van  zwaar  beproefde  en  om  den  wille 
van  Christus  verbannen  gemeenten  nog  verdubbelen  wil.  Ik 
bid  u,  houd  ons  deze  onze  vrijheid  ten  goede,  en  vaarwel  in 
den  Heer."  Dit  schrijven  werd  door  Brenz  onbeantwoord 
gelaten.  ^)  Daags  te  voren  was  hij  uit  Stuttgart  vertrokken. 


ecncD  dag  bedenktijd,  en  van  zijnen  wensch,  om  het  gesprek  des  anderen  daags 
voort  te  zetten,  met  geen  enkel  woord  gewag  gemaakt.  Vermoedelijk  dacht 
de  schrijver  hierbij  aan  hetgeen  Laski,  na  afloop  van  het  gesprek,  meer  in  het 
algemeen  aan  Brenz  geschreven  heeft  (Ibid. ,  p.  722,  4o).  —  V  e  r  t.] 

[1)  Het  was  eigenlijk  de  tweede  brief,  dien  Laski,  na  afloop  van  het  gesprek, 
DALTON.  35 


i 

i 


546 

Het  schriftelijk  bescheid,  dat  Laski  vanwege  het  hof  ontving, 
kan  in  zekeren  zin  als  het  antwoord  van  Br  enz  beschouwd 
worden :  „Dewijl  de  Hertog  uit  het  door  hem  ontvangen  be- 
richt vernomen  heeft,  dat  Laski  met  betrekking  tot  het 
artikel  van  het  Avondmaal  geheel  en  al  afwijkt  van  de  Augs- 
burgsche  belijdenis,  en  dat  hij  ook  in  zijne  verkeerde  meening 
volhardt,  zoo  kan  Zijne  Hoogheid  niet  inzien,  hoe  bij  zulk  een 
verschil  in  de  leer  eene  overeenstemming  zou  kunnen  gevonden 
worden.  Zijne  Hoogheid  wenscht  overigens  niets  zoozeer,  dan 
dat  a  Las  co  met  zijne  vreemdelingen  tot  de  gemeenschap 
der  leerstellingen  en  gebruiken  mocht  overgaan,  die  tot  dus- 
ver in  de  gemeenten  der  Augsburgsche  confessie  gegolden 
hebben.  Dit  is,  volgens  zijne  meening,  de  éénige  weg  tot 
onderlinge  verzoening  der  gemeenten,  en  om  aan  hem  en 
zijne  vreemdelingen  gastrecht  te  verleenen.^^  Dat  zulk  een 
weg  tot  verzoening  geleidt,  zal  wel  door  niemand  betwist 
worden,  doch  ook  evenmin,  dat  zulk  een  raad  schier  op 
bespotting  gelijkt.  Nog  heden  ten  dage  gevoelt  men  het 
smartelijke  van  zoodanige  rede,  alsof  zij  ons  zclven  betrof, 
want  wij  weten,  hoe  vreeselijk  die  smart  onze  dierbare  Evan- 
gelische kerk  getroffen  en  bijkans  tot  den  dood  toe  gewond 
heeft.  Ook  de  levensbeschrijver  van  Br  enz  kan  niet  nala- 
ten, zijnen  held  op  dit  punt  van  hardheid  te  beschuldigen.  *) 
Aan  de  raadsheeren  van  den  Hertog,  die  hem  het  boven- 
gemelde bescheid  overbrachten,  gaf  Laski  dit  treffende 
antwoord:  „Wat  des  Vorsten  bescherming  aanbelangt,  zoo 
hebben  wij  wel  iets  beters  van  zijne  gunst  verwacht,  maar 
de    bescherming   Gods  zal  ons  nochtans  niet  ontbreken,  ge- 


aan  hem  richtte.  Het  eerste,  meer  uitvoerige  Bchrijven:  „Ad  Brentium/'  ge- 
dagteekend  van  den  28'^^  Mei  155G  (zie:  Koyper,  II,  720  sqq.)»  werd  door 
Brenz  den  daarop  volgenden  dag  schriftelgk  beantwoord  (verg.  ib.,  p.  728). 
Naar  aanleiding  van  dit  antwoord  van  Brenz  schreef  Laski  hem  des  anderen 
daags  den  korteren  brief  (ib.,  p.  728  sq.),  aan  welken  het  citaat  hierboven 
ontleend  is.    Dit  laatste  schrijven  bleef  onbeantwoord.  —  V  e  r  t.] 

i)Hartmann,  II,  86G.  In  nog  sterker  bewoordingen  drukt  hij  20  jaar 
later,  in  zijne  kortere  levensschets  van  Brenz  („Leben  und  ausgewahlte  Schriften 
der  V&ter  und  Begründer  der  lutherischen  Kirche,"  VI,  S.  247),  zijne.af  keuring 
van  diens  handelwijze  te  dezen  aan^if^^  ait. 


547 

lijk  ons  die  tot  hiertoe  niet  ontbroken  heeft,  zelfs  al  moesten 
wij  van  alle  menschelijke  hulp  verstoken  zijn.  God  is  getuige 
van  onze  onschuld,  en  zal  ook  eens  ons  aller  rechter  zijn. 
Aan  zijne  bescherming  vertrouwen  wij  daarom  onze  geheele 
zaak  toe,  en  twijfelen  niet  aan  zijne  goedheid."  Hij  vroeg 
en  verkreeg  nog  een  gehoor  bij  den  Hertog.  Na  den  maal- 
tijd hebben  beiden  in  den  tuin  van  het  slot  een  onderhoud 
met  elkander  gehad ;  het  gedrag  van  den  Hertog  was  bij  die 
gelegenheid  veel  vriendelijker,  dan  het  schrijven,  hetwelk 
Laski  van  zijnentwege  ontvangen  had,  zou  hebben  doen 
verwachten.  Overal,  helaas,  treft  men  in  die  dagen  de  grie- 
vendste  hardheid  bij  de  godgeleerden  aan,  en  bij  geen  enkele 
gelegenheid  openbaart  zich  die  zoo  pijnlijk  en  krenkend,  als 
wanneer  het  de  leer  van  den  liefdemaaltijd  des  Hoeren  be- 
treft! Laski  dringt  bij  den  Hertog  aan  op  het  bijeenroepen 
van  eene  synode  tot  bijlegging  van  den  strijd.  De  Hertog 
antwoordt,  dat  hij  wel  wenschte,  dat  zulks  kon  geschieden, 
doch  dat  er  weinig  uitzicht  op  bestaat,  daar  de  andere  vorsten 
er  wel  niet  toe  geneigd  zullen  zijn,  en  hij  alléén  iets  derge- 
lijks niet  kan  ondernemen. 

Zoo  keerde  Laski,  den  29«ten  Mei,  onverrichter  zake 
naar  Frankfort  terug.  Bij  zijne  aankomst  aldaar  vond  hij  eene 
menigte  brieven  uit  Polen  op  hem  wachtende ;  van  alle  zijden 
werd  hij  uitgenoodigd  om  naar  zijn  vaderland  terug  te  koe- 
ren; onder  die  brieven  bevond  zich  ook  een  welwillend 
schrijven  van  den  Koning.  ^)  Maar  toch  draalde  Laski  nog 
met  zijne  afreis ;  juist  op  dit  oogenblik  kon  hij  zijne  Frank- 
forter  gemeenten  niet  in  den  steek  laten,  en  in  weerwil  van 
alle  pijnlijke  ervaringen  wil  hij  de  hoop  niet  opgeven,  dat  zijne 
pogingen,  om  eene  algemeene  synode  bijeen  te  doen  komen, 
eindelijk  met  een  gunstig  gevolg  zullen  worden  bekroond. 
Nog  op  den  n*^cü  September,  terwijl  Calvijn  zich  te 
Frankfort  bevindt,  en  hij  met  dezen  daarover  beraadslaagt, 
richt  onze  vriend  oen  schrijven  dienaangaande  aan  M clan ch- 

I;  Calvijn,  XVI,  185. 


548 

thon:  ^Ik  twijfel  niet,  waarde  Philippas,  dat  deze  onderlinge 
verdeeldheid  der  gemeenten  u  smart;  maar  wat  baat  ons  het 
klagen,  als  wij  niet  op  middelen  tot  herstel  bedacht  zijn? 
Geen  geschikter  middel  tegen  dit  kwaad,  dan  een  bezadigd 
godsdienstgesprek  tusschen  vrome  en  geleerde  mannen." 
Calvijn  en  zijne  vrienden  beschouwen  Frankfort  als  het 
meest  geschikte  oord,  doch  laten  de  bepaling  van  tijd  en 
plaats  aan  Melanchthon  over;  Laski  hoopt  echter,  dat 
de  bedoelde  samenkomst  spoedig  moge  plaats  hebben,  nog 
vóór   zijnen  terugkeer  naar  Polen,  „want  de  zaak  zou  voor 

mijn  vaderland  van  veel  nut  kunnen  zijn ''   ') 

Laski  was  in  dit  schrijven  van  meening,  nog  den  gehee- 
len  winter  in  Duitschland  te  zullen  moeten  doorbrengen. 
Het  was  echter  anders  beschikt.  Nadere  berichten  uit  Polen 
noopten  hem,  ten  spoedigste  te  vertrekken,  ten  einde  nog  bij- 
tijds aan  den  rijksdag  te  Petrikau  te  kunnen  deelnemen. 

Den  21  «ten  October  ^)  vertrok  Laski  uit  Frankfort,  in 
gezelschap  van  zijnen  getrouwen  vriend  Johannes  Uten- 
hove.  De  dag  is  belangrijk.  Zijnen  datum  draagt  het  toe- 
wijdend schrijven  der  vreemde  kerkleeraren,  met  hetwelk  zij 
het  verdedigingsschrift  van  Laski  aan  den  Raad  bij  deszelfs 
uitgave  deden  vergezeld  gaan ;  op  denzelfden  dag  ook  besluit 
de  Magistraat,  —  zonder  echter  ook  deze  beslissing  aanstonds 
te  verwerkelijken,  —  dat  de  vreemdelingen,  indien  zij  zich  in 
hunne  predikatiën  en  kerkelijke  gebruiken  niet  wilden  richten 
naar  de  Augijburgsche  belijdenis,  welke  door  de  predikanten 
geleerd  werd,  niet  langer  vrijheid  zouden  hebben  om  in  de 
stad  te  vertoeven.  ^)  De  reis  van  onzen  vriend  ging  allereerst 
naar  Kassei,  naar  het  hof  van  landgraaf  Philip,  denman, 
die    in    het   lot  der  arme  vluchtelingen  voortdurend  de  har- 


»)  Ibid.,  p.  285. 

ï)  Bar  tel  8,  S.  63. 

3)  „Religionshandltingen ,"  J,  Beil.  36.  —  Het  bescheid  herinnert  aan  dat 
andere,  hetwelk  Laski  te  Stottgart  had  ontvangen.  Brenz  had  niet  nagelaten,  ook 
naar  Frankfort,  zoowel  aan  den  prediker  Brabach ,  als  ook  aan  z^nen  vriend 
Beyer,  berichten,  en  wel  voor  ecne  persoonlijkheid  als  Brenz  zeer  betreurcns- 


549 

telijkste  belangstelling  toonde,  en  wien  eene  verzoening  tus- 
schen  de  Evangelischen  onderling  nog  meer  ter  harte  ging, 
dan  den  hertog  van  Wurtemberg.  De  minzame  ontvangst,  die 
hem  bij  den  Landgraaf  te  beurt  viel^  kan  Laski  niet  hoog 
genoeg  roemen.  Tot  drie  malen  toe  heeft  de  Vorst,  die  om  den 
wille  van  zijne  belijdenis  zoo  zwaar  was  beproefd  geworden,  op 
de  vertrouwelijkste  wijze  met  hem  onder  vier  oogen  gesproken, 
heeft  hem  brieven  aan  Melanchthon  en  aan  den  keur- 
vorst van  Saksen  medegegeven,  ja,  hem  zelfs  bij  zijnen  rit 
naar  Erfurt  door  ruiters  laten  vergezellen,  dewijl  de  open- 
bare weg  niet  geheel  veilig  was.  De  Landgraaf  stelde  zulk 
een  levendig  belang  in  Laski,  dat  zij  afspraak  maken 
met  betrekking  tot  cijferschrift ,  ten  einde  ook  meer  ge- 
wichtige zaken  schriftelijk  aan  elkander  te  kunnen  mede- 
deelen.  *)  Den  9<i«°  November^ komen  onze  beide  reizigers  te 
Wittenberg  aan.  Door  Utenhove  laat  Laski  zijne  aan- 
komst aan  Melanchthon  berichten ;  de  Hervormer  spoedt 
zich  onmiddellijk  naar  de  herberg,  ten  einde  den  geliefden 
gast  te  bezoeken,  en  hem  gastvrijheid  ten  zijnent  aan  te 
bieden.  De  beide  mannen  gaan  op  do  allerhartelijkste  wijze 
met  elkander  om:  uit  Laski^s  beschrijving  bespeurt  men, 
welk  een  innig  genoegen  zulk  een  samenleven  hem  verschafte ; 
ook  de  overige  Wittenbergsche  hoogleeraren  behandelen  den 
aanzienlijken  reiziger  met  de  meeste  hoogachting.  Men  wil  ter 
zijner  eere  een  feestmaal  geven,  doch  Laski  heeft  te  veel 
haast  om  zijn  vaderland  te  bereiken,  on  moet  de  aanbieding 
afslaan.  Gedurende  de  twee  dagen  van  zijn  vertoef  werd 
hij  als  een  geliefde  broeder  bejegend:  hoe  veranderden  wel- 
haast de  tijden!  Niet  lang  meer,  en  Wittenberg,  dat  reeds 
eenigszins  in  oenen  kwaden  reuk  stond,  is  in  den  ban  ge- 
daan, terwijl  Jena  boogt  op  het  bezit  van  den  echten  Lu- 
therschen  geest. 


waardige    berichten    te  zenden.  (Verg.  „Anecdota,"  p.  431  sq.)    Brenz  was  nu 
eenmaal  persoonlijk  mede  in  den  maalstroom  geraakt,  eo  heeft  maar  al  te  ras 
de  zachtmoedigheid  en  kalmte  verloren     van  welke  nog  zijn  vroeger  schrijven 
aan  Beyer  (ib.,  p.  417)  zulk  een  schoon  getuigenis  aflegt. 
1)  Kayper,  II,  781. 


550 

Het  is  een  treffende  en  weldadige  aanblik,  La  ski  met 
dezen  vriendelijk-koesterenden  zonnestraal  ait  Duitschland 
te  zien  scheiden,  alsof  hem  de  liefelgke  belofte  ten  deel 
werd:  «Het  zal  geschieden,  ten  tijde  des  avonds^  dat  het  licht 
zal  wezen"  (Zach.  14  :  7).  Den  1*^«»  December  stond  onze 
Pool  aan  de  grens  van  zijn  vaderland :  gedurende  meer  dan 
acht  dagen  was  hij  te  Breslau  aan  het  krankbed  gekluisterd, 
daar  zijne  derdendaagsche  koorts  hem  weder  duchtig  had 
aangegrepen. 


Vóór  achttien  jaren,  destijds  in  de  volle  kracht  van  den 
mannelijken  leeftijd,  had  La  ski  aan  dezelfde  grens  gestaan, 
vastbesloten,  om  alles,  wat  den  natuurlijken  mensch  door- 
gaans lief  is ,  achter  te  laten ,  en  zich  te  begeven  naar  het 
land,  hetwelk  zijn  Heer  hem  zou  wgzen.  Met  eenen  em- 
stigen,  vromen  zin  heeft  hij  die  aanwijzing  gevolgd;  het 
was  een  moeielijke^  doornigc  weg,  en  menige  sterke  held 
zou  er  vermoedelijk  voor  zijn  teruggedeinsd,  om  dien  ten  einde 
toe  te  bewandelen.  De  getrouwe  jonger  echter  zag  niet  op 
den  weg,  maar  alleen  op  Christus,  zijnen  Heer  en  Meester. 
Deze  kan  en  mag  immers  veel  vorderen  van  den  dienstknecht, 
die  weet,  dat  zijn  Heer  hem  alles,  ja,  zich  zelven  en  daar- 
mede de  geheele  zaligheid  uit  genade  geschonken  heeft.  Toen 
het  onzen  jeugdigen  kerkvorst  duidelijk  geworden  was,  welk 
offer  zijn  Heer  en  Meester  van  hem,  als  zijnen  volgeling, 
eischte,  heeft  hij  blijmoedig  en  gewillig  alles  aan  zijne  voeten 
gelegd,  en  is  ook  blijmoedig  en  gewillig  gebleven,  toen  de 
Heer  ook  aan  hem,  gelijk  eenmaal  aan  den  groeten  Heiden- 
apostel, in  lange,  moeitevolle  jaren  toonde,  hoe  veel  hij  moest 
lijden  om  Zijns  naams  wil. 

Doch  de  Heer  heeft  zijnen  dienstknecht  in  de  landen,  wer- 
waarts  Hij  hem  zond,  ook  rijkelijk  gezegend.  'Siei  met  aardsche 
goederen,  gelijk  den  Aartsvader  onder  het  Oude  Verbond, 
maar  veeleer  op  zoodanige  wijze,  als  waarop  de  behoeftige 
Menschenzoon    ook    in  den  allerhoogsten  nood  gewoon  is  te 


551 

zegenen.  De  Heer  had  hem  verkoren  tot  een  uitgelezen  werk- 
tuig, om  voor  aanzienlijken  en  geringen  Zijnen  naam  te  dra- 
gen. Dit  kleinood  heeft  hij  met  diepen  deemoed  overal  gedragen, 
in  hoogepriesterlijke  armen,  die  Godo  geheiligd  waren,  on- 
bevreesd voor  alle  mensehen,  bereid  om  vrede  te  houden  met 
allen,  die  den  Heer  vreezen.  Aan  tegenstand  heeft  het  hem 
allerminst  ontbroken,  maar  op  den  duur  kon  ook  de  tegen- 
partijder hem  zijne  achting  niet  weigeren.  De  zuiverheid 
en  oprechtheid  zijner  gezindheid,  de  reinheid  van  zijn  ka- 
rakter, de  gcheele  adel  eener  innig-vrome  persoonlijkheid  in 
de  helder  stralende  wijding  eener  volkomene,  onvoorwaarde- 
lijke overgave  aan  don  Heer:  dat  alles  maakte,  dat  de  te- 
genstander den  man  zclven  ontzag,  en  nog  slechts  tegen  zijne, 
hem  valsch  voorkomende  meening  kon  strijden. 

Van  zijne  vurige  vaderlandsliefde  had  hij  gedurende  de 
jaren  zijner  omzwerving  in  den  vreemde  nergens  een  geheim 
gemaakt.  Maar  zijn  Heer,  die  hem  had  overmocht,  was  sterk 
genoeg,  om  ook  deze  liefde  op  den  achtergrond  te  doen  treden, 
of  liever,  om  haar  te  verheerlijken  in  de  schoone  klaarheid 
van  het  zoeken  van  het  eeuwige  vaderland.  Niet  zijn  geliefd 
Polen  was  hem  het  voornaamste,  maar  alleen  zijn  Heer  en 
de  uitbreiding  van  diens  rijk,  de  onverdrofcn  arbeid  aan  do 
bevordering  eener  op  grond  van  Gods  Woord  hervormde 
Christenheid.  Dat  heilige  doelwit  schonk  hem  die  ruimheid 
van  blik  en  van  hart,  welke  hem  onder  zijne  tijdgenooten 
zoozeer  doet  uitblinken,  en  hem  zoo  verre  verheft  boven  de 
kleingeestigheid  van  bijkans  alle  zijne  wcdcrpartijders.  — 

Zijne  begaafdheid  evenaart  niet  de  mate  der  gaven,  welke 
de  Heer  aan  ecnon  Luther  of  Calvijn,  aan  eenen  Mc- 
lanchthon  of  Zwingli  had  verleend.  Doch  La  ski  heeft, 
met  inspanning  van  al  zijne  krachten,  met  het  hem  toever- 
trouwde talent  gewoekerd.  En  dat  niet  tevergeefs.  Aan  den 
dorpel  van  zijn  vaderland  mocht  hij  thans  op  een  uitgestrekt 
arbeidsveld  terugzien,  en  opmerken,  hoe  hij  als  evenknie  van 
de  nog  levende  voornaamste  getuigen  uit  de  groote  dagen 
der  Tiervorniing  beschouwd  werd.  Dat  was  voor  hem  niet 
de    vurig    gewenschte    lauwer,  in  welks  bezit  hij  nu  in  zijn 


552 

vaderland,  verre  van  het  gewoel  van  den  strijd,  eenen  rus- 
tigen  levensavond  wilde  doorbrengen.  Zgne  rust  begeerde  hg 
eerst  daar,  waar  de  Heer  die  voor  de  zijnen  heeft  weggelegd. 
De  voleindigde  arbeid  in  den  vreemde  diende  hem  slechts 
tot  aansporing  voor  den  laatsten  arbeid  onder  zijn  volk. 

Arm  stond  La  ski  aan  de  grens  van  zijn  geboorteland, 
even  arm,  als  toen  hij  het  verlaten  had.  Zijne  vrouw  en 
zijne  kleine  kinderen,  benevens  zijne  dochters  uit  zijn  eerste 
huwelijk  waren  voorloopig  nog  te  Frankfort  achtergebleven, 
totdat  hij  voor  hen  eene  vaste  woonstede  in  Polen  zou  heb- 
ben gevonden.  Zijne  oudste  zonen  bevonden  zich  op  verschil- 
lende plaatsen;  de  een  was  wellicht  nog  bij  Hardenberg, 
terwijl  de  ander  omstreeks  dien  tijd  te  Groningen  vertoefde, 
alwaar  hij  ten  huize  van  den  rentmeester  der  stad,  Hiero- 
nymus  Fredericus,  die  met  zijnen  vader  bevriend  was, 
huisvesting  had  gevonden.  ^)  Zoo  gansch  en  al  het  moeielijke 
leven  eener  familie,  die  in  ballingschap  omzwerft!  En  bij 
iedere  schrede  worden  wij  er  aan  herinnerd ,  met  'welk  een 
ziekelijk  lichaam  La  ski  van  het  schouwtooneel  van  zijnen 
ingespannen  arbeid  huiswaarts  keerde.  ledere  maand  ver- 
toonde zich  zijne  koorts,  hetzij  met  heftigere,  of  met  zwak- 
kere aanvallen;  daarbij  de  oude  kwalen,  die  hem  reeds  in 
zijne  jeugd  hadden  geplaagd :  waarlijk,  een  scherpe  doorn  in 
zijn  vleesch.  Maar  daarover  klaagt  hij  niet.  Met  den  grooten 
Apostel  heeft  hij  geleerd,  dat  de  genade  des  Heeren  hem  ge- 
noeg is,  en  heeft  het  in  deze  hoogere  school  ondervonden, 
dat  de  kracht  van  Christus  in  zwakheid  volbracht  wordt. 


1)  6  er  des,  III,  UI.  202. 


III. 


§o^anne$  a  ^a^co 


af$  ^rotcdtant 


in  ^ijn  paberfanb. 


11. 


Voortgang  der  Heryormlng  In  Polen, 


In  den  loop  van  ons  verhaal  hebben  wij  herhaalde  malen 
gelegenheid  gehad,  om  op  te  merken,  door  welk  eene  aan- 
doenlijke liefde  tot  zijn  vaderland  onze  vriend,  ook  in  dit 
opzicht  een  echte  zoon  van  Polen,  bezield  was.  Overal,  waar 
hij  zich  in  den  vreemde  vestigt,  wil  hij  slechts  blijven,  totdat 
zijn  vaderland  hem  roept,  onder  deze  céne  voorwaarde  echter, 
dat  het  hem  roept  als  den  dienstknecht  van  Christus,  als  den 
getrouwen  getuige  zijns  Evangolic's. 

Nu  eindelijk  had  de  terugroeping  plaats  gehad,  en  na 
achttienjarige  baUingschap  betrad  La  ski  weder  den  vader- 
landschen  bodem.  Als  zestigjarig  grijsaard  keerde  hij  terug, 
nochtans  niet  uitgeput  en  krachteloos,  maar  veeleer  bezield 
met  al  de  geestkracht  van  eenen  jongen  man,  die  eerst  pas 
de  loopbaan  is  opgetreden.  Er  ligt  iets  van  eene  eeuwige 
jeugd  in  die  ernstige,  gerimpelde  trekken,  in  die  doordrin- 
gende, fonkelende  oogen.  Maar  de  lange  baard,  die  den 
terugkeerende  tot  op  de  borst  reikt,  is  sneeuwwit,  —  een 
welsprekend  getuige,  dat  de  boste  mannelijke  jaren  en  hunne 
kracht  in  eenen  moeielijken  arbeid  zijn  verbruikt  geworden. 


556 

En  daarbij  komt.  dar  in  dfïn  langen  raïsobenrijd  ook  .pland  en 
lic"l'-n"  in  Polfrn  all^.-ng?!  f^rn  verandering  en  om  teer  hadden 
onderjfaan.  aan  we]ke  het  den  ouden  man  zwaar  moest 
vallen,  zich  te  gewennen.  — 

Wij  herinneren  ons,  dat  omstreeks  den  tijd,  toen  La  ski 
in  153S  zijn  vaderland  verliet,  een  nieuw  bevel  des  Ko- 
ningï  was  uitgevaardigd,  dat  het  bezoek  van  de  hoogeschool 
te  Wittenberg  gestrengelijk  verbood,  en  elk  binnendringen 
van  de  ketterKche  leer  trachtte  te  beletten.  De  goedaardigheid 
den  Koningri  was  e^ihter  niet  geschikt,  om  aan  zulke  bevel- 
hchriften  door  gestrenge  handhaving  het  gewenscht  gevolg  te 
verzekeren.  Hij  werd  merkbaar  ouder,  en  verlangde  mitsdien, 
door  de  kuiperijen  der  Koningin  nog  meer  vermoeid,  bovenal 
naar  rust,  die  echter  eerst  na  een  tiental  jaren  de  dood  hem 
verw;hïiffe.  In  deze  en  in  zoo  menige  andere  wet,  die  aan 
eeno  gelijke  bedoeling  haar  ontstaan  te  danken  had,  zag  de 
adel  eene  beperking  zijner  vrijheid,  welke  een  Pool  van 
die  dagen  met  naijver  beschermde  als  eene  geliefde  bruid. 
Dcï  bcKloelde  wetten  waren  uitgevaardigd  op  aandrang  van 
difïgenen,  met  wie  hij  om  het  bezit  van  zijne  vrijheden  onop- 
houdelijk strijd  voerde ;  telkens  mcnigvuldiger  meende  hij  zich 
tegen  de  aanmatigingen  der  bisschoppen  en  van  Rome  te 
moeten  verzetten,  en  deed  zulks  met  den  verhoogden  ijver 
van  eenon  stand,  die  zijne  rechten  ziet  aangerand,  en  als 
patriot,  die  b(!reid  is  om  tegen  den  vreemdeling  te  Rome  het 
zwaard  te  trekken.  Ook  onder  de  bisschoppen  heerschte  vol- 
strekt geen  eenheid  van  denkwijze.  De  meesten  waren  in  de 
eerste  plaats  Polen,  en  vervolgens  eerst  wilden  zij  dienaren 
zijn  van  den  Stedehouder  te  Rome;  velen  hunner  behoorden 
tot  don  hoogstcn  adel,  en  stemden  in  met  de  bijzondere  ziens- 
wijz(ï  en  do  vadcrlandscho  gezindheid  van  dien  stand.  Het 
k(ïrkelijk  bewustzijn  was  tot  op  oenen  ontzaglijk  lagen  trap 
gezonken;  godsdienstige  beweeggronden  gaven,  zoover  wij 
kuniHMi  nagaan,  in  de  besluiten  der  geestelijkheid  zelden  of 
nooit  den  doorslag. 

In  UAS  stiorf  eindelijk  Sigismund  I,  levensmoede,  81 


557 

jaren  oud,  van  welke  hij  meer  dan  de  helft  op  den  troon 
had  doorleefd.  Hij  werd  opgevolgd  door  zijnen  zoon  Sigis- 
mund  August  (geb.  1520),  een  koning  van  zeldzame  be- 
gaafdheid, maar  die  door  de  verwijfde  opvoeding,  welke  hij  van 
zijne  heersehzuchtige  moeder  B  o  n  a  had  ontvangen,  zich  niet 
tot  een  vastberaden,  energiek,  ernstig  en  plichtgetrouw  karak- 
ter had  ontwikkeld.  Zoodra  hij  mondig  geworden  was,  had 
hij  zich  op  verrassende  wijze  aan  den  invloed  zijner  moeder 
onttrokken,  die,  ontstemd  over  zulk  eene  ervaring,  met  hare 
groote  schatten,  welke  zij  in  het  land  verzameld  had,  zich 
ten  slotte  naar  Italië  terugtrok.  Juist  than^^ad  eene  innige, 
diep  gewortelde  liefde  voor  de  edele,  schoone  weduwe  Bar- 
bara  Gastoldt,  eene  zuster  van  den  hoogaanzienlijken 
Yorst  Badziwil,  den  jeugdigen  koning  bezield  tot  den 
manmoedigen  stap,  dat  hij  zich  bereid  verklaarde,  liever 
afstand  te  doen  van  de  Poolsche  kroon,  dan  meineedig  te 
worden,  en  overeenkomstig  het  verlangen  van  den  Bijksdag 
de  heimelijk  gesloten  echtverbintenis  openlijk  te  verbreken. 
Hij  zette  zijnen  wil  door,  maar,  helaas,  reeds  na  verloop  van 
een  half  jaar  ontrukte  hem  do  dood  hetgeen  de  Bijksdag  niet 
bij  machte  geweest  was  hem  te  ontwringen.  Men  zegt,  dat 
vergif  den  Koning  van  zijne  getrouwste  levensgezellin  heeft 
beroofd;  met  haar,  de  veelgeliefde,  ontzonk  den  neergebogene 
een  sterke  steun.  Men  heeft  Sigismund  August  den  ko- 
ning van  den  volgenden  dag  genoemd.  Slechts  aarzelend  nam 
hij  een  besluit,  en  met  nog  sterker  aarzeling  ging  hij  ver- 
volgens tot  de  uitvoering  daarvan  over,  bij  welke  hij  niet 
zelden  door  den  snelleren  loop  der  dingen  achterhaald  werd. 
En  toch,  hoe  dringende  behoefte  had  Polen  in  deze  hoogst 
gewichtige  jaren  aan  eene  krachtvolle  leiding!  Zoo  weifelde 
hij  ook  ten  aanzien  van  de  groote  vraag,  welke  in  die  dagen 
van  ieder  Christelijk  volk  en  zijnen  vorst  gebiedend  beant- 
woording eischte,  en  deze  besluiteloosheid  des  Konings  kostte 
aan  het  land  zijne  toekomst.  Sigismund  August  kende 
nauwkeurig  den  broezen  bouw  der  oude  kerk  in  den  lande, 
on  het  vertrouwen  op  haar  zeker  voortbestaan  was  bij  hem 
diep  geschokt.  Yan  zijne  vaderen  had  hij  eenen  vromen  zin 


558 

geërfd,  en  het  gedrag  der  geheel  wereldschgezinde  geeste- 
lijkheid was  hem  in  menig  opzicht  tot  eene  zware  ergernis. 
Zijn  vorstelijke  zwager  Radziwil  behoorde  tot  de  meest 
besliste  hoofden  van  don  Hervormden  adel,  en  aan  het  woord 
van  dezen  diep  crnstigen,  geloovigen  man  hechtte  de  Koning 
veel  gewicht.  De  biechtvader  zijner  moeder,  Lismanini, 
verheugde  zich  insgelijks  in  des  Konings  gunst,  en  las  hem, 
tot  diens  groote  stichting,  de  „Institutio"  van  Calvijn  eenigo 
winters  achtereen  voor.  Onder  de  hofpredikers  van  Sigis- 
mund  was  Prasnicius  het  Evangelie  ten  volle  toegedaan; 
met  den  diepen,  zedelijken  ernst  van  oenen  Elia  bestrafte  hij 
de  zonden  van  het  hof,  alsmede  de  verdorvenheid  van  den 
clerus,  en  de  Koning  onttrok  zich  niet  aan  zijne  bestrafiPende 
rede,  en  berispte  den  prediker  nimmer  over  zijne  stoutmoedige 
taal.  Ieder  wachtte  slechts  op  de  beslissing,  welker  uitslag 
aan  niemand  twijfelachtig  toescheen,  en  toch  draalde  de 
Koning,  en  liet  aan  de  dingen  hunnen  bedenkelijken  loop.  — 
De  adel  had  reeds  eene  beslissing  genomen.  Verreweg  de 
grootste  helft,  en  daaronder  de  oudste  en  aanzienlijkste  fami- 
liën,  had  den  weg  der  Hervorming  ingeslagen,  met  den  vu- 
rigen  ijver  en  de  onverbiddelijke  vastberadenheid,  met  welke 
een  Pool  ten  uitvoer  brengt  hetgeen  zich  van  zijne  ziel  heeft 
meester  gemaakt.  Sedert  tientallen  van  jaren  hadden  de  zonen 
van  den  Poolschen  adel  aan  de  beroemdste  hoogescholen  van 
het  buitenland  gestudeerd.  Het  grootste  en  beste  deel  van 
hen  had ,  door  den  stroom  van  het  Humanisme  verder  ge- 
dragen, den  oever  der  Hervorming  bereikt.  De  Evangeli- 
sche geschriften  werden  bijkans  nergens  gretiger  en  opmerk- 
zamer gelezen,  dan  op  de  afgelegene  kasteelen  van  Polen. 
Het  gastvrije  slot  werd  welhaast  tot  eene  wijkplaats  van  den 
vervolgde  om  zijns  geloofs  wil,  en  de  Poolsche  slotheer  waakte 
te  ijverig  over  zijn  huisrecht,  dan  dat  de  Ttoomsehe  geeste- 
heid het  zou  hebben  gewaagd,  zich  van  haar  offer  binnen  de 
omheining  van  den  burcht  meester  te  maken.  In  den  laatsten 
tijd  was  de  invloed  van  Oalvijn  op  den  Poolschen  adel 
steeds  aanmerkelijker  geworden.  Tusschen  den  verhevenen 
geest,  die  in  de  geschriften  van  den  Franschman  zich  uitte, 


559 

en  dien  van  den  Pool  bestond  eene  zekere  verwantschap; 
iets  congeniaals  trok  dezen  laatste  sterk  aan.  Do  gevoelens 
van  den  Qeneefsclien  hervormer  hielden  omstreeks  dien  tijd 
hunnen  zegetocht  door  de  landen,  die  zich  eerst  kortelings 
voor  het  Evangelie  ontsloten  hadden ;  in  de  toongevende  krin- 
gen van  Polen  werden  zij  met  geestdrift  begroet. 

In  de  steden  daarentegen  was  het  anders  gesteld.  Daar 
had  zich  eene  Duitsche  bevolking  gevestigd,  deels  buiten  alle 
betrekking  tot  het  land,  gedeeltelijk  ook  in  verzet  tegen  den 
adel,  die  wrevelig  was  over  de  vrijdommen,  in  welker  bezit 
deze  stedelingen  zich  reeds  sinds  geruiraen  tijd  mochten  ver- 
heugen. De  betrekking  tusschen  deze  laatsten  en  hun  oude 
vaderland  was  eene  zeer  levendige ;  de  trouw  bewaarde  moe- 
dertaal gaf  aan  die  aanhankelijkheid  voedsel,  terwijl  het 
drukke  handelsverkeer  dagelijks  opnieuw  het  vuur  aanwak- 
kerde. De  geest  van  Luther  deed  ook  hier  in  de  burger- 
woningen zijnen  gansch  bijzonderen  invloed  gevoelen;  zijn 
verwonderlijk  woord,  dat  zoo  kristalhelder  uit  de  diepste 
diepte  van  het  Duitsche  gemoed  opwelde,  werkte  als  eene 
kostelijke  lafenis,  en  de  kooplieden  en  de  gildemeesters  prentten 
de  vurige.  Evangelische  taal  van  den  Duitschen  hervormer 
in  hunne  ziel.  Wanneer  de  boekhandelaars  van  de  Frank- 
forter  mis  tehuis  kwamen,  dan  waren  hunne  geheime  voor- 
raden van  Luther's  bezielende  vlugschriften  te  Thorn  en 
Posen  en  Krakau  spoedig  uitverkocht,  en  in  de  achterkamers 
der  burgerhuizen  met  hunne  hooge  gevels  luisterde  de  geheele 
familie,  wanneer  de  huisvader  de  Postille  en  de  vliegende 
bladen  van  den  kernachtigen  Duitschen  man  aan  zijne  huis- 
genooten  voorlas. 

Tegenover  de  ontzaglijke  beweging,  die  zich  van  het 
grootste  gedeelte  van  den  Poolschen  adel  (m  den  Duitschen 
burgerstand  had  meester  gemaakt,  stond  de  IJoomsche  gees- 
telijkheid geheel  machteloos.  Wat  Polen  betreft,  bi(ïdt  zij  in 
die  dagen  eenen  bepaald  erbarmolijken  aanblik.  Bijkans  de 
meeste  kerkvorsten  waren  slechts  wereldlijke  grooten,  die 
in  een  overmatig  weelderig  leven  hunnen  tijd  doorbrachten, 
terwijl   zij    er  zich  ijverig  op  toelegden,  om  de  vaak  groote 


560 

leemten,  welke  door  Poolsche  zorgeloosheid  en  verkwisting 
in  hunne  aanzienlijke  inkomsten  ontstaan  waren,  weder  aan 
te  vullen.  Sommigen  hunner  gaven  zich  zelfs  onbeschroomd 
aan  eenen  recht  liederlijken  wandel  over.  Wel  waren  er  ook 
ernstiger  gezinde,  vrome  mannen  onder  hen;  maar  dezen 
gevoelden  ten  deele  zelven  eenen  afschuw  van  de  verdorven- 
heid van  hunnen  stand,  en  de  levensadem  des  Evangelie's 
had  hen  aangeroerd,  wel  is  waar  niet  met  zulk  een  heiligen, 
diepen  ernst  en  met  gelijke  kracht,  als  weleer  onzen  vriend, 
dat  ook  zij  met  zulk  een  Farizcïsme  gebroken,  en  openlijk 
het  kruis  van  Christus  gepredikt,  en  zijne  smaadheid  gedragen 
zouden  hebben,  maar  toch  althans  in  zooverre,  dat  hun  de 
lust  verging,  om  zich  tegenover  de  Evangelisch-gezinden  in 
hunnen  kring  te  bedienen  van  de  harde,  hatelijke  middelen, 
welke  hunne  onmeedoogende  oversten  te  Rome  hun  tegen 
de  ketters  aan  de  hand  deden.  Waar  sommige  strijdlustige 
bisschoppen  het  aangeboden  wapen  ter  hand  hebben  genomen, 
heerschte  er  bij  hen  voortdurend  zulk  eene  schromelijke  mis- 
kenning van  het  wezen  der  Hervorming,  dat  wij  daarbij 
indachtig  worden  aan  het  oude,  heidonsche  spreekwoord, 
dat  de  Godheid  verblindt,  wien  zij  verderven  wil.  De  wijze, 
waarop  men  den  strijd  voorde,  kon  nauwelgks  ongeschikter 
zijn.  Hier  op  eens  eene  inspanning  van  alle  kracht,  om  den 
vermetele  de  gestrengheid  der  wet  te  doen  gevoelen,  en  wan- 
neer dan  de  aangeklaagde  verschijnt,  en  met  hem  eene  schare 
van  geloofsgenooten,  dan  versperren  waarlijk  de  ontstelde  en 
voor  hun  lieve  leven  beangste  rechters  alle  deuren  in  het 
bisschoppelijk  paleis ,  en  de  beschuldigde  kan  niet  voor  zijne 
aanklagers  verschijnen.  Om  de  geledene  schade  weder  te 
herstellen,  wordt  ginds  het  arme  meisje  gegrepen,  en  met 
hinderlijken  spoed  haar  proces  opgemaakt,  als  zou  zij  de 
hostie  aan  Joden  verkocht,  en  als  zouden  dezen  het  gewaande 
lichaam  des  Heercn  met  naalden  doorstoken  hebben,  ten 
gevolge  waarvan  er  eene  groote  hoeveelheid  bloed  uit  de 
hostie  zou  zijn  gevloeid.  En  de  pauselijke  legaat  Aloysius 
Lippomani  deinst  er  niet  voor  terug,  het  geheole  proces  te 
besturen,    en  zelfs  op  bedriegelijke  wijze  de  onderteekcning 


561 

des    Konings    te    verwerven,   en  de  Joden  en  het  arme  on- 
schuldige meisje  ter  vuardood  te  doemen   *). 

De  verwarring  nam  van  dag  tot  dag  toe,  en  de  noodlot- 
tige gevolgen  van  het  gemis  van  geschikte  leiders  vertoonden 
zich  aan  weerszijden  op  steeds  bedenkelijker  wijze.  Het  is 
een  recht  smartelijk  denkbeeld,  dat  de  man,  die  door  God 
tot  leider  dor  reformatorische  beweging  scheen  te  zijn  ver- 
koren, van  Idolen  werd  verwijderd  gehouden,  en  dat  zijn 
ernstig  verlangen,  om  naar  zijn  vaderland  terug  te  keeren, 
bij  den  troon  geen  gehoor  vond.  De  geheele  persoonlijkheid 
van  La  ski  en  hare  bijzondere,  hooge  en  nu  reeds  zoozeer 
beproefde  begaafdheid  was  als  geschapen,  om  de  loshangende 
teugels  te  grijpen,  en  die  met  ecne  krachtige,  ervarene  hand 
tot  heil  des  lands  te  blijven  omklemmen.  Hij  zelf  was  een 
Pool,  uit  de  aanzienlijkste  familie  des  lands  gesproten,  met 
zijne  broeders  sedert  den  tijd  van  hunnen  oom  aan  het 
koninklijke  hof  bekend  en  zeer  gezien,  van  verre  vermaag- 
schapt  met  Radziwil,  met  wien  hij  thans  door  eene  ge- 
meenschappelijke godsdienstige  overtuiging  innig  bevriend 
was.  Daarbij  was  hij  met  de  Roomsche  kerk  des  lands 
grondig  bekend,  en  zou  door  zijn  voorbeeld  voor  de  weife- 
lende gemoederen  onder  zijne  vroegere  ambtgenooten  een 
krachtige  steun  zijn  geweest  bij  het  doen  van  den  gelijken, 
thans  zooveel  minder  gevaarlijken  stap.  Door  zijne  werk- 
zaamheid was  hij  vertrouwd  mot  den  Duitschen  aard,  met 
welken  hij  door  de  innigheid  en  diepte  van  zijn  gemoedsleven 
veel  verwantschap  bezat,  zoodat  hij  aan  de  burgerlieden  in 
de  steden  met  sympathie  de  hand  zou  hebben  kunnen  bieden, 
terwijl  hij  bovendien  bezield  was  door  den  vurigcn  wensch, 
aan  welks  verwezenlijking  hij  al  zijne  levenskracht  blijmoedig 
toewijdde,  om  nl.  aan  de  vereeniging  van  de  Evangelisc^he 
kerk  te  arbeiden,  ten  einde  zich  met  onverdeelde  kracht  toe 
te  leggen  op  de  grondvesting  eener  volgens  Gods  Woord 
hervormde  Christenheid.  Maar  op  alle  voorstellingen  van  den 
Adel,   om    den   uitnemendsten  zoon  des  vaderlands  terug  te 

1)  Lu  bicnit  z  ki,  p.  78. 

DALTON.  3G 


562 

roepen,  bewaarde  de  Koning  het  stilzwijgen.  Geloof  hech- 
tende aan  de  verzekering,  dat  er  welhaast  eene  algemoene 
kerkvergadering  zou  worden  bijeengeroepen,  bleef  hij  aan  den 
pauselijken  leiband  loepen,  en  terwijl  hij  weifelde  en  draalde, 
snelde    het    eene   jaar  na  het  andere  onherroepelijk  voorbg. 

Middelerwijl  echter  stond  de  beweging  niet  stil.  In  plaats 
van  den  meest  geschikten  leider  wierpen  zich  tallooze  onge- 
roepenc,  ten  deele  ook  dubbelzinnige  persoonlijkheden  tot 
leidslieden  op ,  die  zich  van  de  loshangende  teugels  trachtten 
meester  te  maken,  terwijl  in  het  andere  heirleger  de  per- 
soonlijkheid optrad  en  zich  aan  de  spits  stelde,  van  welke 
ook  katholieke  schrijvers  erkennen,  dat  zij  de  Roomsche  kerk 
in  Polen  van  den  dreigenden  ondergang  heeft  gered  *), — wij 
bedoelen  Stanislaus  Hosius.  Wij  schrijven  hier  geen  ge- 
schiedenis der  Poolsche  Hervorming,  en  gaan  mitsdien,  hoe 
moeielijk  het  ons  ook  valt,  de  vele  boeiende  bijzonderheden 
der  Evangelische  beweging  in  den  lande  stilzwijgend  voorbij ; 
enkele  punten  echter,  voor  zoover  zij  tot  recht  verstand  van 
de  latere  werkzaamheid  onzes  vriends  noodig  zijn,  moeten 
wij ,  zij  't  ook  slechts  met  vluchtige  trekken ,  vermelden. 

Polen  was  sinds  geruimen  tijd  eene  gastvrije  herberg  voor 
lieden  uit  alle  landen.  Elke  burcht  werd  tot  een  asyl,  welks 
omvang  slechts  de  slothcer  zelf  te  bepalen  had ;  zelfs  de  Ko- 
ning durfde  het  niet  wagen,  de  met  zorg  bewaakte  vrijheid 
en  eigenmachtigheid  van  den  Adel  ook  op  dit  punt  aan  te 
tasten.  Vandaag  waren  het  „rondzwervende  lieden",  beoefe- 
naars der  humaniteitsstudiön,  die  de  landen  doortrokken,  en 
hier  een  bereidwillig  en  rijkelijk  verleend  gastrecht  ontvingen ; 
morgen  waren  het  ballingen  om  huns  geloofs  wil,  die  niet 
tevergeefs  aan  de  slotpoort  van  den  geloofsgenoot  aanklopten. 
Zelfs  aan  het  koninklijk  hof  werden  sommigen  hunner  ge- 
duld. Met  name  uit  Italië  kwam  een  niet  gering  aantal, 
die  zich  in  hun  vaderland  niet  langer  veilig  gevoelden.  Ko- 
ningin Bona  zelve  was  eene  Italiaansche.  Van  haren  biecht- 
vader Liamanini  spraken  wij  reeds.  Deze  provinciaal  der 


»)    Eichhoru,  I,  S.  57. 


5G3 

Franciökanerorde ,  die  zijne  Evangelische  denkwijze  nauwe- 
lijks meer  verheelde,  stond  aan  het  hoofd  eener  geheel 
Evangelisch  gezinde  vcreeniging  te  Krakau,  tot  welke  uit- 
stekende geleerden  en  geestelijken  behoorden,  en  bij  welker 
samenkomsten  men  de  EvangeUsche  geschriften  las  en  in 
sympathetischen  geest  besprak.  Het  was  een  bijkans  open- 
baar gezelschap ,  en  het  kostte  weinig  moeite,  daarin  te  wor- 
den opgenomen,  zoodra  men  zich  slechts  aangaande  de  ge- 
zindheid der  toetredenden  had  vergewist.  Ook  aanzienlijke 
vreemdelingen  vonden  gemakkelijk  toegang,  en  gaarne  luis- 
terde men  naar  hunne  denkbeelden.  Het  was  een  vaak 
bonte  kring.  Hier  zat  de  verlichte,  geheel  Evangelisch  ge- 
zinde Johan  Uchanski,  destijds  nog  kanunnik  te  Krakau, 
weldra  reeds  aartsbisschop  van  Gnesen,  en  luisterde  naar 
den  lijfarts  der  Koningin,  den  oud-adellijken  Italiaan  Blan- 
drata,  hoe  deze,  zij  't  ook  nog  slechts  schroomvallig,  zijne 
bedenkingen  aangaande  de  leer  der  Drieëenheid  opperde  *), 
destijds  nog  ternauwernood  gesteund  door  zijnen  landsman 
Stancarus,  dien  de  bisschop  van  Krakau  tot  hoogleeraar  in 
de  Hebreen wsche  taal  had  benoemd,  ofschoon  hem  bekend 
was,  dat  hij  uit  hoofde  van  zijne  Evangelische  gevoelens 
zijn  vaderland  had  moeten  verlaten.  Ginds  weder  zien  wij 
de  ijverige  en  begaafde  leerlingen  van  Erasmus,  nl.  den 
lateren  bisschop  van  Krakau,  Andreas  Zebrzydowski, 
en  Bernhard  Wojewodka,  den  geleerden  Krakau'schen 
boekhandelaar,  die  zelfs  de  gevaarlijkste  boeken  aan  de  trou- 
wens wel  eenigszins  leepoogige  blikken  der  censuur  wist  te 
onttrekken,  met  den  leerling  van  Melanchthon,  Andreas 
Frisius  Modrzewski,  in  een  levendig  onderhoud  ge- 
wikkeld, aan  hetwelk  Lelio  Sozini  in  't  eerst  stilzwij- 
gend deelneemt,  om  vervolgens  in  den  verderen  loop  van 
het  gesprek  zich  uitingen  te  laten  ontvallen,  die  als  eene 
voortzetting  klonken  van  de  redenen  van  zijnen  landsman 
Blandrata.  ^) 

Het    was    een  zeer  bedenkelijk  element,  dat  zich  in  deze 

1)  Verg.  het  medegedeelde  bij  L  u  b  i  e  n  i  t  z  k  i ,  p.   V.). 

2)  In  bet  jaar  1551   hield  So/ini  zich  vuor  de  eerste  maal,  zij  't  ook  Blechts 


504 

f talianon ,  fm  met  de  jaren  in  steeds  sterker  verhoudingen , 
zoowel  wat  het  aantal,  als  wat  de  leer  betreft,  vermengde 
met  het  nog  onrijpe,  fluctueerende  Evangelische  leven  in 
Polen,  des  te  bedenkelijker,  dewijl  datgene,  wat  in  het  Ita- 
liaanhche  karakter  aan  dit  element  voedsel  had  gegeven,  ook 
aan  het  Pools^rhe  karakter  niet  vreemd  was.  Jui»t  de  gevaar- 
lijke nabijheid  van  Kome  had  den  blik  van  den  Italiaan  ge- 
scherpt voor  het  diepe  verval  der  Kerk;  aan  een  nuchter 
verstand  kostte  het  geringe  moeite,  de  dwalingen  in  de  leer, 
alsmede  het  daaruit  voortvloeiende  bederf  in  het  leven  en 
den  wandol  der  geestelijkheid  bloot  te  leggen,  en  de  opge- 
wekte zin  ging  gaarne  tot  de  Hervorming  over.  Maar  lucht- 
hartig („leichtlebig'')  als  ze  niettemin  zijn,  deze  verwende 
kindoren  van  het  zonnige  zuiden,  hadden  zij  geen  lust,  om 
den  ernstigen  weg  in  te  slaan,  die  alleen  tot  eene  hervor- 
ming in  geest  en  in  waarheid  geleidt.  Slechts  hij ,  die  voor 
de  huiveringwekkende  „hellevaart  in  het  eigene  hart"  niet 
terugbeeft,  en  in  het  duistere  oord,  waar  hij  zijne  eigene 
zondeschuld  leerde  inzien,  den  geheimzinnigon  kamp  door- 
strijdt,  aan  het  einde  van  welken  de  zegevierende  strijder 
bespeurt,  dat  in  die  geheimvolle  gestalte  God  zelf  met  hem 
geworsteld  heeft,  —  hij  alleen  erkent  Jezus  ten  volle  als  den 
Christus,  dewelke  als  éónige  Hoogepriester  zijne  ziel  gegeven 
heeft  tot  een  rantsoen  voor  onze  zonden.  Dien  strijd  hebben 
do  Paulussen,  de  Augustinussen,  de  Luther's  ge- 
streden en  met  hen  de  heldenschaar ,  die  hunne  leiding  ia 
g(ïvolgd.  liet  goddelijk  merktceken  van  dezen  kampstrijd 
verleent  aan  de  Uuitscho,  Evangelische  kerk  haren  heiligen 
stempel:  zij  heeft  Christus  als  den  Zoon  van  God,  den  éénigen 
Ilcïiland  erkend,  dewijl  zij  zijne  verlossende  grootheid  in  het 
diepst  harer  ziel  had  ervaren.  Doch  kort  voor  het  begin  van 
dcz(ï  smartvolle  baan  sloeg  een  gedeelte  der  Italianen,  die 
zi<:h  tot  de  llervoruiing  hadden  gekeerd,  inzonderheid  de  z.g. 
Venetiaanschc  school,  eencn  zijweg  in.    Het  spoor  was  hun 

vluchtig,  in  l'olen  op,  en  trad  reeds  toen,  in  dien  tijd  nog  door  mannen  als 
('ulvijii  en  Melaiiclithon  aanbevolen,  met  de  mannen  dezer  „ronde  tafel*' in  be- 
trukking.  (Verg.  T r  e cli  a  o  1 ,  11 ,  S.  156.) 


565 

te  daistcr,  te  onbehaaglijk;  om  het  figuurlijk  uit  te  drukken : 
zij  sloegen  het  3de  en  5de  en  7de  en  8*»te  kapittel  van  den 
Brief  aan  do  Romeinen  over,  en  namen  tot  uitgangspunt 
hunner  bespiegeling  de  plaats,  in  welke  Paulus  zijnen  stouten 
tred  heeft  bedwongen,  en  waar  hij  aanbiddend  stilstaat,  de- 
wijl hij  met  zijn  verstand  de  verborgenheid  der  godzaligheid 
niet  kan  verklaren.  De  heilige  leer  van  het  Goddelijke  wezen, 
uit  en  door  en  tot  hetwelk  alle  dingen  zijn,  werd  voor  deze 
mannen  het  middelpunt  hunner  beschouwing ;  hetgeen  zij  niet 
geneigd  geweest  waren,  vooraf  door  eigen  innerlijke  gemoeds- 
ervaring te  leeren  kennen,  moest  zich  nu  voor  hun  verstand 
rechtvaardigen.  Zoo  omhulde  zich  voor  hunnen  nucli teren  blik 
de  allerheiligste  verborgenheid  van  den  drieëenigen  God,  en 
gaven  zij  het  kleinood  prijs,  dat  hun  verstand  niet  kon  vast- 
houden. Met  eene  zekere  rustelooze  gejaagdheid  trokken  zij 
vervolgens,  zonder  vast  verblijf,  door  Zwitserland  en  Duitsch- 
land,  vaak  bitter  en  onrechtvaardig  vervolgd,  dewijl  men  in 
dien  ruwen  tijd  geen  mededoogen  voor  zulke  dwaalleeraars 
kende,  en  de  Hervormers  het  dreigend  gevaar  zagen,  het- 
welk deze  zienswijze  aankleeft.  Zoo  kwamen  zij  ook  naar 
Polen  en  te  midden  van  de  onvaste  toestanden  aldaar,  in  de 
beweging,  die  nog  altoos  zonder  leider  was.  De  door  hen 
opgewekte  twijfel  had  iets  boeiends;  hunne  scherpe  critiek 
maakte  indruk,  en  lokte  het  ontwikkelde  verstand  tot  verder 
onderzoek  uit. 

Ook  de  Pool  is  luchthartig;  in  stede  van  met  zijn  onder- 
zoek in  de  diepte  door  te  dringen,  laat  hij  zich  liever  door 
nieuwe,  verblindende  voorstellingen  modesleepen,  die  hij  zich 
spoedig  eigen  maakt.  De  Pool  had  eenen  helder  ontsloten 
blik  voor  de  zonden  en  het  diepe  verval  van  zijnen  tijd.  Doch 
in  plaats  van  dezen  blik  in  het  eigen  binnenste  te  vestigen, 
en  daar  ^door  de  wet  der  wet  af  to  sterven,"  en  langs  dezen 
weg  tot  „het  leven  in  Christus"  to  geraken,  drijft  hij  liever, 
vaak  in  bittere  ironie,  vaak  in  grievende,  bijtende  luim,  den 
spot  met  de  gebreken  van  zijnen  tijd,  die  hij  meedoogenloos 
aan  den  schandpaal  der  verachting  nagelde.  Een  zeer  ken- 
merkend voorbeeld,  wat  deze  liefhebberij  betreft,  is  de  in  het 


560 

palatinaat  van  Lublin  door  don  edelman  Pszonka  in  1548 
gestichte  „Oudo-vrouwcnrepublick",  die,  terwijl  zij  de  ge- 
breken van  den  tijd  op  overdrcvene  wijze  voorstelde,  in  den 
diepsten  grond  der  zaak  de  inrichting  van  Kerk  en  Staat  aan 
de  bespotting  prijsgaf  *):  eene  vastenavondsklucht  aan  den 
dorpel  der  heilige  passie,  maar  met  zulke  kluchten  betreedt 
geen  volk  ooit  de  gezegende  baan  der  Hervorming. 

Deze  voor  Idolen  zoo  noodlottig  gewordene  Italiaansche 
vluchtelingen  en  gasten  hadden  óf  te  Zurich,  te  Oenève,  te 
Straatsburg  en  te  Wittenberg  hunne  antitrinitarische  mee- 
ningen op  sluwe  wijze  weten  te  verbergen,  of  wel,  zij  zelven 
werden  zich  van  deze  hunne  gevoelens  eerst  in  Polen,  verre 
van  alle  onderdrukking  en  vervolging,  en  in  de  trekkas-warnite 
van  bewonderiMide  vereering,  die  hun  hier  ton  deel  viel,  hel- 
der bewust:  om  kort  te  gaan,  het  bevreemdend  feit  staat 
vast,  dat  zij  bij  hunne  aankomst  voorzien  waren  van  aanbe- 
velingen van  die  mannen,  welke  men  in  de  Evangelische 
kringen  als  de  hoofden  der  Hervorming  beschouwde.  Nadat 
zij  hier  eenmaal  waren  opgenomen,  wisten  de  fijn-beschaafde 
mannen  zich  te  verzekeren  van  de  gunst  van  den  hoogen 
adel,  die,  onervaren  in  de  theologie,  niet  in  staat  was  om 
de  verste  gevolgen  hunner  stellingen  te  doorzien,  terwijl  de 
steeds  ernstiger  en  nadrukkelijker  waars(.'hu wingen  uit  het 
buitenland  moestal  vru(;hteloos  bleven.  Ja,  wegens  zulke 
uiteenzettingen  zou  het  tnsschen  Calvijn  en  den  innig  vro- 
men vorst  Uadziwil  bijkans  tot  (^ene  breuk  zijn  gekomen ! 

Met  de  hartelijkste  deelneming,  met  bijkans  vaderlijke  zorg 
volgde  de  Hervormer  te  (i(Mièv(ï  den  voortgang  der  Kvange- 
lische  beweging  in  Polen.  Met  hare  hoofden  onderhoudt  hij 
eene  drukke  briefwisseling,  en  wat  hij  hun  schrijft  behoort 
mede  tot  het  schoonste,  dat  uit  zijne  pen  is  gevloeid,  üe  eene 
maal  wendt  hij  zich  met  eerbied,  en  toch  zoo  geheel  zonder 
mens(jhenvrees'  of  slaafsche  onderwerping  tot  den  Koning, 
en  brengt  hem,  kort  na  zijne  troonsbeklimming,  in  do  toe- 
wijding   van    zijnen    Hrief  aan  de  Hebreen,  <mder  het  oog, 

'}  Verg.  li  e  1  e  w  c  1 ,  p.  117. 


567 

hoo  het  zijne  koninklijke  pliclit  is,  om  aan  zijn  land  het 
Evangelie  te  schenken.  Reeds  in  dit  zendschrijven  herinnert 
hij  Sigismund  zijn  landskind  a  La  se  o,  die  aan  andere 
volken  met  zegen  het  Evangelie  verkondigt.  *)  De  andere 
maal  schrijft  hij  zoo  hartelijk  en  ook  weder  zoo  ernstig  aan 
Radziwil,  of  aan  den  edelen  Tarnowski,  ócn  der  uit- 
stekendöte  Polen,  en  toch  voor  ecnen  man  als  Calvijn  niet 
ernstig,  niet  beslist  genoeg,  en  spoort  hem  aan,  om  toch  het 
éénige  heil  in  Christus  aan  te  grijpen.  —  Hoe  gaarne  zou- 
den deze  Polen  aan  C  a  1  v  ij  n  zelven  de  leiding  der  beweging 
hebben  toevertrouwd,  en  met  welk  cene  vreugde  zou  hij  ook 
zelf  haar  hebben  op  zich  genomen,  indien  het  hem  slechts 
op  eenigorlei  wijs  mogelijk  geweest  ware,  om  zijn  Genove 
voor  langoren  tijd  te  verlaten! 

Daar  naderde  een  ander  element  der  hulp  het  land,  dat 
in  duisteren  drang  om  zijne  hervorming  worstelde,  en  bood 
een  heilzaam,  zegenrijk  tegenwicht  tegen  den  bedenkelijken 
invloed  dor  Italianen.  Het  waren  erbarmelijke  scharen  van 
blecke,  uitgeteerde  vluchtelingen,  die,  sedert  het  voorjaar 
van  1548,  in  lange,  armzalige  wagentreinen  uit  Bohème, 
door  Sileziö,  naar  het  verre  Pruisen  kwamen  getogen,  en 
die  hunnen  weg  namen  door  Groot-Polen.  Zonen  der  oude 
Hussieten,  die  in  de  oefenschool  van  een  langdurig  lijden 
gerijpt  en  in  hun  geloofsleven  bevestigd  geworden  waren  op 
eene  wijze,  die  ons  aan  onze  geliefde  vluchteling-gemeente 
te  Londen  en  in  Denemarken,  in  Xoord-Duitschland  en  te 
Frankfort  doet  denken.  Sedert  de  tijden  van  Ziska  en  van 
Procopius  hadden  zij  veel  gebrekkig»  afgelegd;  in  bitteren 
nood  waren  •zij  gelouterd.  Aan  de  oostelijke  grens  van  het 
vaderland  had  eindelijk  de  anders-geloovende  overwinnaar  hun 
eene  streek  aangewezen,  waar  zij  ongemoeid  volgens  het  Woord 
Gods,  op  eenvoudige  wijze,  in  eene  gestrenge,  door  hen  zelven 


ï)  Verg.  Calvijn,  XIII,  2S1.  Bdangrijker  noj;  is  het  andore  schrijven  van 
Cnlvijn  aan  Sigismand  Aupcust  (ib.,  XV,  fS:?U),  hetwelk  bij  den  Koning  een 
gunstig  unthiiul  heeft  gcvundcn.  Daarop  volgde  nog  een  derde  schrijven  (ib. , 
XV,  892).  Verg.  ook  S  t  a  h  cl  in,  II,  i).  31. 


5m 


geoefende  tocht,  vrecdiiaatn  en  etil  leefden.  Zij  telden  destijds 
om  on  bij  de  400  kleine  gemeenten;  Toortvlnehfige  Walden- 
nen hadden  ziüh  bij  hen  aangesloten,  en  hadden  hen  geleerd, 
zich  geheel  en  al,  ook  wat  de  ordening  hnnner  goestelyken 
betreft,  van  de  Roomsehe  kerk  los  te  maken.  Doorgaans 
noemden  zij  zich  Broeders,  en  als  HBobeemsche  broeders" 
beeft  de  Kerkgeschiedenis  deze  bijbelvaste,  zoo  innig-vrome 
en  zedelij  k-strenge  lieden  in  hare  rollen  ingeschreven.  Als 
het  bericht  van  het  stoutmoedige  optreden  van  Luther  ook 
tot  hen  io  Bohème  en  Moraïië  doordrong,  was  het  hun, 
alsof  de  laatste  voorspelling  van  hunnen  Hus  in  vervulling 
was  gegaan,  en  hun  eerbiedwaardige  Broeder-senior,  de  hoog- 
verdienatelijke  Lukas,  zond  afgevaardigden  naar  Wittcnberg, 
ton  einde  den  Hervormer  hunnen  broedergroet  te  bieden, 
en  hom  hunnen  Catechismus  te  overhandigen  { 1 522).  ' ) 
Luther  had  tegen  een  paar  punten  hunner  Avondmaalsleer 
bedenking;  eerst  na  langer  dan  een  tiental  jaren  en  in  de 
Bteroining,  die  in  de  Witten bergaehe  Concordie  hare  uitdruk- 
king heeft  gevonden,  verklaarde  hij  zich  voldaan.  De  een- 
zame Broeders  bleven  mot  liet  odele  verlangen  bezield,  om 
in  het  vaderland  der  Hervorming  medegenooten  van  het 
Evangeliscbo  geloof  en  leven  te  vinden,  en  betrekkingen  met 
hen  aan  te  knoopen,  en  zoo  vinden  wij  hunne  boden  in 
1540  op  weg  naar  Straatsburg,  alwaar  zij  Bucer  en  Cal- 
vijn  begroetten,  die  bun  aanstonds  hartelijk  de  broederband  . 
reikten;  inzonderheid  Calvljn  roemt  de  reinheid  hunner 
leer,  en  schenkt  aan  hunne  kerkelijke  tucht  zijnen  onver- 
doelden  bijval.  =) 

Maar  do  rustige  dagen  der  Broeders  spoedden  ten  einde. 
Koning  Ferdinand  van  Bohème  had  geon  Inst, ben  verder 
in  het  land  te  dulden.  Op  trouwelooze  wijze  namen  zync  hand- 
langers den  eerwaardigen  senior  Augusta  en  één  hunner 
vrome  predikers,  Büeck,  gevangen;  onder  vele  martelingen 
on  vreeaelijko  ontberingen  hebben  de  beide  geloofshelden,  de 
een  16,  de  ander  13  jaren  achtereen,  in  eene  harde,  sombere 

')  Vern.  Curwflnka,  II,  S.,  65. 


569 

gevangenschap  gesmacht  *).  Deze  gewelddadige  behandeling 
van  de  beide  leidslieden  werd  weldra  door  de  verbanning  van 
al  de  Broeders  gevolgd.  Over  de  ruwe  bergen,  door  wouden 
en  bergengten  vervolgde  de  schare  dezer  ballingen  haren  weg ; 
in  hunnen  zwaren  tegenspoed  boden  zij  gewis  eenen  treuri- 
gen,  en  toch  ook  weder  eenen  hartverhcffcnden  aanblik,  want 
het  waren  mannen,  vrouwen  en  kinderen,  voor  wie  het 
kleinood  huns  geloofs  hoogere  waarde  bezat,  dan  alle  aardsche 
welvaart,  en  die  liever  vluchtelingen  op  aarde  wilden  zijn, 
dan  hunnen  Heer  verloochenen.  Een  gedeelte  sloeg  den  weg 
in  over  Posen.  Hier  en  daar  konden  zij  nog  de  voetsporen 
hunner  vervolgde  vaderen  onderscheiden,  die,  meer  dan  eene 
eeuw  te  voren,  zich  langs  denzelfden  weg  in  ballingschap 
hadden  begeven.  Inzonderheid  in  Posen  en  zijne  omstreken 
bewoog  men  hen  om  te  blijven.  Castellaan  van  Posen  en 
kapitein  van  Groot-Polen  was  Andreas  Gorka,  der 
Hervorming  van  ganscher  harte  genegen,  een  ernstige, 
innig-vromc  Pool,  die,  zonder  zich  te  bekreunen  om  het 
verzet  van  den  bisschop  van  Posen,  Isbinsky  (zelfs  niet, 
toen  deze  van  den  Koning  een  bevelschrift  had  weten  te 
verkrijgen,  hetwelk  uitdrukkelijk  verbood  de  ballingen  te 
herbergen),  aan  deze  vlijtige,  gestrenge,  vrome  lieden 
vergunde,  zich  op  zijne  uitgestrekte  goederen  te  vestigen. 
Het  beste  deel  van  den  Adel  volgde  zijn  voorbeeld.  — 

Deze  stamverwante  „Boheemsche  broeders"  vormden  in  de 
streken,  in  welke  zij  zich  mochten  vestigen,  welhaast  het 
middelpunt  der  Evangelische  beweging.  Zij  bezaten  reeds 
in  eene  vaste  inrichting  datgene,  waarnaar  de  beweging 
in  den  lande  met  zooveel  inspanning  streefde.  Voor  de  zui- 
verheid hunner  loer  konden  zij  zich  gelijkelijk  op  de  getuigenis 
van  Lu  the  r  en  van  Calvijn  beroepen,  en  zij,  die  in  hunne 
geestesrichting  het  voetspoor  van  één  dezer  beide  Hervormers 
bij  voorkeur  gevolgd  hadden,  ter  eenor  zijde  de  Duitsche 
stedelingen,  aan  den  anderen  kant  de  Poolsche  adel,  vonden 
in   deze  Broeders  een  langgewenscht  vereenigingspunt.    Men 


«)  Gindcly,  I,  S.  320  fg. 


570 

verzuimde  nier,  in  ojizctTelijke  samenkoms-Ten  zalk  eene  ver- 
zoeriiiiïT  der  verschillende  Evangeii>che  richringen  tocif  te 
bereiden.  In  Aug:u!rtu-?  l'j.j.j  kwamen  de  Pool sche  dissidenten 
te  Ko^minek,  eene  bezitriniEr  van  het  per-laeht  0.strorog, 
in  de  nabijheid  van  Ka]i^f•h  bijeen.  Her  wa»  eene  indruk- 
wekkende ver^radering.  Uit  Klein-Polen  was  eene  reeks  Tan 
aa n zie n  1  ij k e  ede  1 1  i eden  v er^^h *^n en .  H ^rtf «g  A  1  b e r t  v an 
1 'rui -en  bad  affir'ï vaardigden  gezonden,  onder  dezen  ook  zijnen 
hofprediker  ï'unck  M:  de  l>oheem-fhe  broeders  badden 
hunne  uitstekends!  e  mannen  gezonden.  Zij  biel  den  onwrik- 
baar vast  aan  hunne  welbeproefde  belijdenis,  en  zoo  gelukte 
het  hun ,  oj»  de  gemeenten  van  Klein-l'olen ,  wier  aantal 
reeds  een  40  beliep,  eenen  overheerschenden  invloed  te 
verkrijgen.  Xadat  zij  ten  hunnent  waren  wedergekeerd, 
gevoelden  deze  Evangelisehen  uit  Klein-Polen  den  druk,  en 
wel  op  eene  hinderlijke  wijze.  Men  had  ziih  verbonden, 
de  belijdenis  der  I5uheem>ehe  broeder*  aan  te  nemen,  bunnc 
liturgie  in  te  voeren,  en  zonder  hunne  goedkeuring  niets  te 
ondernemen.  Zulke  groote  conie?siën  konden  er  gedaan  wor- 
den, dewijl  onder  hunne  afgevaardigden  zich  niemand  bevond, 
die  in  beteek  en  is  tejren  mannen  als  Israël.  Czernv  en 
andere  vertegenwoordiger»  der  Broeders  was  opgewassen. 

Met  deze  belangrijke  vorderingen  op  kerkelijk  gebied  gin- 
gen de  pogingen  gepaard  van  den  Kvangeliseh-gezinden  adel, 
om  in  staatkundig  opzicht  volle  wettiging  hunner  overtuiging 
te  verkrijgen.  Daar  de  Koning  tot  dusver  besluiteloos  was 
gebleven ,  maar  toch  ook  reeds  had  getoond ,  dat  hij  niet 
gezind  was  om  don  snellen  voortgang  te  verhinderen,  zoo 
mochten  de  hoofden  der  beweging,  die  tot  de  doorluchtigste 
familiön  des  lands  behoorden ,  de  hoop  koesteren ,  in  den 
Rijksdag    de    overhand    te    zullen  verkrijgen,  en  vervolgens 

1)  Ha  SC  (S.  231)  verplaatüt  abasievclijk  de  synode  naar  Warschau.  Kene 
waar<fi:hijnlijk  vrij  nauwkeurige  opgave  van  de  aan^o/ige  personen  vindt  men 
Iiij  W  r  ri  g  i  e  r  b  k  i .  p.  70.  De  synode  duurde  van  24  Aug.  tot  2  Scpt.  De  op 
haar  t(it  stand  gckoniene  vcreeniging  vund  eeneu  warmen  pleitbezorger  in 
Calvijn  („Opp."  XV,  Ü02). 


571 

den  weifelenden  vorst  door  de  macht  der  omstandigheden 
tot  den  beslissenden  stap  te  nopen.  Reeds  op  de  laatst  ge- 
houdene  landdagen  had  men  tegen  de  Roomsche  kerk  en 
hare  vertegenwoordigers,  de  wankelende,  onmachtige  bis- 
schoppen, eene  uittartende,  vijandige  taal  gevoerd.  In  1552 
bleef  Rap haël  Leszcynski  gedurende  de  mis  in  de  kerk, 
die  aan  den  Rijksdag  voorafging,  met  godekten  hoofde  on- 
gemoeid in  de  onmiddellijke  nabijheid  des  Konings.  De  Rijks- 
dag zelf  besloot,  dat  wel  aan  de  Kerk  de  beslissing  zou  ver- 
blijven, of  eene  leer  rechtgeloovig ,  dan  wel  ketterseh  was, 
maar  dat  goene  wereldlijke  straf  langer  diegenen  zou  mogen 
treffen,  wier  leer  door  de  Kerk  veroordeeld  was.  ^)  Nog 
behield,  inzonderheid  onder  de  Evangelisch-gezinde  bisschop- 
pen des  lands,  de  meening  de  overhand,  afsof  eene  breuk 
met  de  Roomsche  kerk  vermeden,  en  langs  vreedzamen 
weg  eene  hervorming  in  haar  midden  zou  kunnen  tot  stand 
gebracht  worden.  Zulk  eene  hervorming  wachtte  men  van 
het  ïrentsL-lie  concilie,  en  koos  afgevaardigden  tot  bijwoning 
daarvan.  De  keus  der  persoonlijkheden  is  kenmerkend.  Welk 
eene  positie  toch  zou  een  l'chanski,  een  Drohojofski, 
twee  bisschoppen  met  geheel  Evangelische  gevoelens,  en  in 
hun  gevolg  als  geheimschrijver  Andrea s  PrisiusModr- 
zewski  '^)  onder  deze  Italiaansche  prelaten  hebben  inge- 
nomen? Maar  het  (joncilie  was  intusschen  weder  eens,  en 
wel  voor  langoren  tijd  verdaagd. 

De  cisclien  werden  van  jaar  tot  jaar  hooger.  Enkele  land- 
dag(»n  vorderden  van  den  Rijksdag,  die  in  1555  vergaderde, 
dat  hij  aan  de  Evangelischen  openlijk  een  rechtsgeldig  plei- 
dooi zou  vergunnen.  De  Rijksdag,  zói)  luidde  de  wensch, 
mocht  in  eene  daartoe  te  beleggen  bij(^onkomst,  tot  bijwoning 
van  welke  ook  buitcnlandsclie  gasten  moesten  worden  uitge- 
noodigd,    (Uï  zaak  van  den  godsdienst  tot  een  voorwerp  van 

'i  Krasinski,  I,  1S8. 

-)  Hop  in  enig  (mrijp  rn  onpracti.si'h  dcnkbrclci  er  in  deze  tijden  geopperd 
werd,  bewijzen  de  zeer  boeiende  en  karakteristieke  voorstellen,  tvelke  door 
Modrzewski  sehriftelijk  aan  den  Koning  werden  bchandigd,  en  die  men  bij 
Krasinski  (I,  219  sq.)  in  een  tamcl^k  uitvoerig  uittreksel  vindt  medegedeeld. 


S72 

opzcttolijke  en  heBÜBSondü  beraadslaging  maken.  Als  7.ulko  gas- 
ten worden  Calvijn,  Melanchthon,  B  e  za  en  in  de  eerste 
plaats  de  eigen  landgenoot  a  La  se  o  met  name  genoemd. 
Het  voorzitterschap  werd  toegekend  aan  den  Koning,  die 
daarbij  niooat  worden  ter  zijde  gestaan  door  eene  rij  van  door 
hem  gekozene  vrome,  christelijke  edelen,  die  over  den  kamp- 
Btrijd  tuBschen  geroepen  vertegenwoordigers  der  EvangeÜBchen 
en  der  Katholieken  zouden  hebben  te  beBlissen,  terwijl  beide 
partijen  tot  staving  van  haro  beweringen  zich  alleenlijk  op 
de  H.  Schrift  zouden  mogen  beroepen.  Het  resultaat  der 
bespreking  moest  vervolgens  worden  nedergelegd  in  eene 
geloofabelijdenie,  die  voor  de  kerk  van  Polen  voortaan  als 
richtsnoor  zou  gelden  ').  Indien  dit  concilie  ware  bijeen- 
gekomen ,  dan  zou  de  uitslag  stellig  in  het  mideel  dor 
Katholieken  geweest  zijn,  gelijk  dezen  zelven  ook  zeer  goed 
inzagen.  Nog  gelukte  het  hun,  de  zaak  althans  te  doen  uit^ 
stollen ;  hoe  groot  zij  het  gevaar  omstreeks  dien  tijd  reken- 
den, blijkt  uit  de  brieven,  die  zoowel  door  de  in  1555  to 
Pefrikau  vergaderde  gewestelijke  synode,  ala  nok  door  bis- 
schop HosiuB  aan  den  Paus  gelicht  werden.^)  Daarin  is 
sprake  van  een  ontzaglijk  gevaar  {.jingens  periculum"),  in 
hetwelk  de  Roomsehe  kerk  verkeerde.  De  ijverige  bisschop 
van  Ermeland  bezwoer  den  Paus,  onverwijld  eenen  nuntius  te 
zenden,  „ten  einde  het  zwakke  te  sterken,  bet  kranke  te  ge- 
nezen, het  verbrokene  te  verbinden,  en  het  verdoolde  op  den 
rechten  weg  terug  te  voeren."  Ja ,  in  den  zin  der  Roomaclie 
kerk  was  er  oneindig  veel  zwak  en  krank,  verbroken  en 
verdoold;  waarschijnlijk  zouden  wij  van  eenen  zoo  vervallen 
toestand  der  pauselijke  kerk  in  de  dagen  dor  Hervorming 
niet  licht  ergens  elders  de  wederga  aantreffen. 

Het  schijnt,  dat  men  te  Rome  het  gevaar  heeft  miskend, 
want  men  draalde  met  de  afzending  van  eenen  pauselyken 
nuntius.  De  moeielijke  omstandigheden  in  het  Vatioaan  kun- 
nen   echter    mede    de    oorzaak    der  vertraging  geweest  zijn. 


I.  77. 


573 

Reeds  vroeger  hebben  wij  gewezen  op  de  spanning  tusschen 
den  Paus  en  den  Keizer,  door  welke  natuurlijk  de  opmerk- 
zaamheid van  den  Roomschen  stoel  een  weinig  van  Polen 
werd  afgeleid.  Toen  vervolgens,  in  1550,  tot  blijdschap  van 
Karel  V,  Julius  III  tot  opperpriester  werd  gekozen,  had 
de  Kerk  eenen  paus,  „wion  het  onschuldige,  genoegelijke  leven 
op  zijne  prachtige  villa  buiten  de  Porta  del  Popoio  volkomen 
genoeg  was.'^  Hier  vergat  hij  de  overige  wereld,  om  zich 
slechts  bezig  te  houden  met  de  plannen  en  ontwerpen  van 
zijnen  bouwmeester.  Zondgr  dat  do  Paus  in  zijne  voldaanheid 
het  bemerkte,  had  zich  onder  zijne  kardinalen  allengs  eene 
strengere  partij  gevormd,  aan  welke  do  voortdurende  daling 
van  het  aanzien  der  Kerk  ernstig  ter  harte  ging.  Uit  hun 
midden  trad,  in  1555,  de  nieuwe  paus  te  voorschijn.  Deze 
koos  voor  zich  den  naam  van  dien  Marcellus,  dewelke, 
als  bisschop  van  Ancyra,  eertijds  te  Nicea  de  woordvoerder 
van  het  zegevierende  dogma  geweest  was.  Zijne  keuze  vond 
ook  in  Polen,  bij  mannen  als  Hosius,  hartelijke  instem- 
ming. ')  Maar  „het  noodlot  wilde  hem  aan  de  aarde  slechts 
toonen."  '^)  Zijne  tijdgenooten  en  lofredenaars  meenden,  dat 
de  wereld  zijns  niet  waardig  geweest  was,  want  reeds  op 
den  22«tcii  dag  van  zijn  pontificaat  werd  hij  aan  deze  aarde 
ontrukt.  In  zijne  plaats  trad  de  80jarige  Caraffa,  als 
Paulus  IV,  dien  Ranke  met  deze  meesterlijke  trekken 
toekent:  „Zijne  holle  oogen  hadden  nog  al  het  vuur  der  jeugd; 
hij  was  zeer  lang  en  mager,  had  eenen  vluggen  gang,  en 
scheen  louter  zenuw  te  zijn."  ^)  Ofschoon  reeds  een  grijsaard, 
toch  blaakte  hij  nog  van  den  somberen  ernst  eens  monniks 
voor  de  herwinning  van  de  verzwondene  macht  der  Roomsche 
kerk  over  do  gewetens  der  christelijke  volken  en  ook  over 
de  kronen  hunner  heerschers. 

Nu  behoefden  de  Katholieken  in  Polen  niet  lang  meer  te 
wachten    op    den   pauselijkcn    nuntius  met  zijne  uitgebreide 


>)  Verg.  ibid.,  II,  57ü. 
«)  llase  (I),  S.  471. 
3)  Ranke  (II),  1,  283. 


574 

volma<:htr;n.  De  bohendigo  on  sluwe  Aloysius  Lippomani, 
hi.-j.Hrfiop  van  Vorona,  die  Polen  bereids  kende^  ontving  den 
lahf,  orn,  nadat  hij  f;ene  hem  toevertrouwde  zending  bij  den 
I)uitMf;hen  keizer  zou  hebben  ten  uitvoer  gebracht,  zich  on- 
niidrJellijk  naar  het  hof  van  koning  Sigismund  August 
te  begeven.  Men  kon  bespeuren,  dat  eene  krachtige  hand  te 
Konie  den  teugel  van  het  bestuur  der  Kerk  gegrepen  had. 
Hoedanig  echter  de  uit>lag  zijn  zou,  was  nog  geheel  onzeker. 
\aar  allen  schijn  was  Polen  voor  den  Paus  verloren.  De 
toestand  der  liOoinscho  kerk  daar  te  lande  was^  volgens  de 
getuigenis  van  eenen  tijdgenoot,  in  het  jaar  1555  zoo  erbar- 
melijk, dat  in  den  Senaat,  behalve  de  bisschoppen,  nauwelijks 
i(!inuud  aan  hare  zijde  stond.  Maar  een  groot  gevaar  dreigde 
de  Evangcïlische  beweging,  dewijl  zich  nog  maar  steeds  geen 
uitstekende  leider  had  opgedaan,  die  de  verstrooide  scharen 
zou  hebben  kunnen  tot  één  vergaderen.  De  Adel  was  zich 
van  dit  gevaar  bewust ;  telkens  nadrukkelijker,  telkens  drin- 
gender wees  men  op  den  persoon,  die  door  God  zelven  tot 
leidsman  gevormd  was,  op  den  adellijken  geloofsgenoot,  die 
YAvh  in  d(ïu  vreemde  zulk  eenen  groeten  roem  verworven 
had,  en  die  -—  dit  wist  men  in  Polen,  —  slechts  op  de 
noodiging  des  Konings  wachtte,  om  terug  te  keeren  en 
zich  in  zijn  geliefd  vaderland  aan  de  spits  der  beweging  te 
stellen. 

Ileeds  in  1552  wordt  de  wensch  luide  geuit,  data  Las  co 
aan  de  zittingen  van  den  Rijksdag  mocht  deelnemen.  Deze 
beloofden  voor  de  Hervorming  belangrijk  te  zullen  worden, 
en  werdiMi  zulks  ook  inderdaad  door  het  veelbeteekenende 
besluit,  dat  de  wereldlijke  macht  niet  meer  hare  hand  zou 
leenen  tot  het  bestraffen  van  hen,  die  door  de  bisschoppen 
van  ketterij  werden  beschuldigd.  Het  schijnt,  dat  er,  alhoewel 
vruchteloos,  onderhandelingen  met  den  Koning,  betreffende 
de  deehuMuing  van  La  ski  aan  den  Rijksdag,  hebben  plaats 
gehad.  'Feu  einde  toch  nog  het  gewenschte  doel  te  bereiken, 
besloot  men  eene  pi^ging  te  doen,  om  door  middel  van  den 
aartsbisschop  van  Canterbury  van  den  hertog  van  Nor- 
Ihumberland    te    verkrijgen,    dat    a    Lasco  als  gezant   van 


575 

Èduard  VI  naar  den  Rijksdag  te  Petrikau  mocht  worden 
afgevaardigd  ^).  Tot  ons  leedwezen  hebben  wij  geen  enkele 
plaats  gevonden,  uit  welke  wij  konden  opmaken,  hoe  Las ki 
dezen  voorslag  heeft  opgenomen;  het  schijnt  bijna,  alsof  hij 
geen  lust  heeft  gehad,  door  deze  achterdeur  in  den  Rijksdag 
en  alzoo  in  zijn  vaderland  te  komen.  Er  kon  althans  geen 
enkel  spoor  worden  ontdekt,  of  er  met  betrekking  tot  deze 
zaak  bepaalde  stappen  in  Engeland  gedaan  zijn. 

Eene  geschikte  gelegenheid,  om  met  zijn  streven  en  be- 
doelingen voor  het  aangezicht  des  Konings  te  treden,  deed  zich 
aan  Laski  voor  bij  do  uitgave  van  zijn  voornaamste  werk, 
nl.  de  beschrijving  van  de  vormen  en  gebruiken  in  zijne 
geliefde  vreemdcling-gemecnte  te  Londen,  hetwelk  hij  tot 
dat  einde  aan  den  Koning  opdroeg.  Over  het  hooge  belang 
van  dat  geschrift  hebben  wij  reeds  gesproken.  '^)  In  de 
opdracht  aan  den  Koning  kwam  het  er  tevens  op  aan,  zich 
te  rechtvaardigen  met  betrekking  tot  de  beschuldigingen 
zijner  tegenstanders,  welke  den  Koning  reeds  moesten  zijn 
ter  oore  gekomen.  Nog  heden  ten  dage  doet  het  eiken  ge- 
trouwen zoon  der  Evangelische  kerk  van  schaamte  blozen, 
te  zien,  dat  een  man  als  a  Las  co  zich,  niet  wegens  de 
beschuldigingen  van  Roomsche  tegenstanders,  maar  van 
Protestantsche  zeloten  heeft  te  rechtvaardigen,  en  wel  tegen- 
over eencn  koning,  dien  hij  met  al  de  kracht  zijns  geloofs 
voor  het  Evangelie  zoekt  te  winnen.  Ja,  het  is  eene  altijd 
versche,  opcne  wonde,  des  te  smartelijker,  wanneer  men 
moet  bekennen,  dat  met  betrekking  tot  datgene,  waarvoor 
in  heillooze  twistgiei-iglund  en  snooden  overmoed  mannen  als 
Westphal  en  Timann  gestreden  hebben,  in  onzen  tijd 
ook  bij  de  meest  besliste  verdedigers  der  Luthersche  belijdenis 
zich  nauwelijks  meer  (ïcnige  lust  vertoont  om  er  dieper  in  door 
te  dringen,  laat  staan  dan,  er  eene  lans  voor  te  breken,  terwijl 
daarentegen  de  instemming  van  Laski  met  de  Augsburg- 
8che  belijdenis  zóó  gewettigd  en  beslist  is,  dat  niemand  hem 


»)  „Original,"  p.  592. 

*)  ^'c^g'  liierbovcn ,  bladz.  423. 


576 

langer  zijn  volle,  onverkorte  burgerrecht  in  de  Evangelische 
kerk  betwist.  ^) 

La  ski  deed  zijne  meesterlijke  beschrijving  vergezeld  gaan 
van  een  drietal  zendbrieven,  t.w.  aan  den  Koning,  aan  den 
Senaat  en  aan  den  Poolschen  adel.  Het  zijn  zeer  belang- 
wekkende, gewichtige  brieven,  die  een  welsprekend  getuigenis 
afleggen  van  den  scherpzienden  blik,  met  welken  onze  vriend 
de  toestanden  in  zijn  vaderland  doorziet,  terwijl  hij  waarschuwt 
voor  het  dubbele  gevaar,  dat  zoowel  van  de  zijde  van  Home, 
als  ook  van  den  kant  der  scktarissen  dreigt,  doch  die  tevens 
op  welsprekende  wijze  getuigen,  hoe  juist  hij  het  uitverkoren 
werktuig  is,  om  zulk  een  dubbel  gevaar  te  voorkomen.  Ge- 
dachtig aan  eene  oude,  geliefkoosde  uitdrukking,  zouden  wij 
de  bedoelde  zendbrieven  „biechtspiegels"  wenschen  te  noemen. 
Helder  weerkaatsen  zij  den  wezenlijken  stand  van  zaken;  van 
ons  meer  verwijderd  en  daardoor  zooveel  gunstiger  standpunt 
der  beschouwing  zouden  wij  nauwelijks  den  eenen  of  anderen 
trek  aan  de  schildering  weten  toe  te  voegen.  Daarbij  de  rijp- 

1)  Het  zijn  hoofdzakelijk  de  bcsehnldigingcn  van  Timann,  tegenover  welke 
a  Lasco  zich  verdedigt.  De  blijken  zijn  daar,  dat  de  ijverige  zeloot,  zoodra  h^ 
slechts  van  den  voorgenomen  terugkeer  van  Laski  naar  Polen  bericht  ontving, 
zijn  smaadschrift  ook  derwaarts  zond,  en  waarschuwde  voor  den  man,  dien  hg 
zich  niet  schaamde  in  zijn  vaderland  te  belasteren  als  een  gelukzoeker,  die  in 
de  landen  rondzwerft  en  beroeringen  aanricht.  ITosius  is  den  Brcmenschen  pre- 
diker recht  dankbaar  daarvoor  geweest;  aan  het  tuighuis  dezer  Bremeosche 
lastertaal  heeft  de  strijdvaardige  Roomsche  bisschop  zijne  scherpste,  grievendste 
wapenen  tegen  den  Poolschen  hervormer  ontleend ,  en  daarmede  slagen  toege- 
bracht, die  onder  de  doodwonden  der  Evangelische  kerk  in  Polen  geteld  kannen 
worden.  Men  moet  den  zedelijken  afkeer  overwinnen,  en  de  strijdschriften  van 
Timann  in  de  Bremenschc  twisten  gelezen  hebben,  om  eenen  schrik  te  krijgen 
voor  deze  tegenstanders  en  de  rloor  beu  verdedigde  meeningen,  die  zij,  wel  is 
waar,  uitgaven  voor  de  cénige  onvervalschte  erve  van  Luther,  maar  die  toch 
door  Laski  juister  als  een  terugvallen  in  het  pausdom  worden  aangeduid,  hoe 
sterk  ook  Timann  daartegen  protesteert,  en  toch  ook  in  zijn  protest  zelf  het 
verwijt  rechtvaardigt;  want  hij  belijdt  weder  te  geloovcn  in  eenen  heiligen 
vader,  die  echter  niet  de  Vader  is  van  onzen  Heer  Jezui  Christus.  De  ken- 
merkende plaats,  welke  wij  op  het  oog  hebben,  en  die  wij  maar  liefst  onver- 
taald willen  laten,  komt  voor  in  zijn  „Farrago",  p.  141:  „ut  intcgram  viri  Dei, 
Sancti  Putris  nostri  Doctoris  Lutheri  doctrinam  amplectamur,  probemus.profi- 
teamur  et  dufendamus  ac  ad  posturos  incorruptam  eam  transmittere  summis 
viribus  conemur." 


577 

heid  des  oordeels,  de  onverbiddelijke  ernst  tegenover  den 
Koning  en  de  machtigen,  waarmede  hij  hun  voorhoudt,  dat 
slechts  die  Hervorming  gezegend  is,  welke  alleen  tot  eero 
Gods  geschiedt,  en  die  uitsluitend  aan  zijn  Woord  hare  wape- 
nen ontleent.  Hoe  nauw  Laski  zich,  in  zijne  uiteenzetting, 
aan  de  bijzondere  toestanden  van  zijn  vaderland  aansluit,  zoo 
staat  hij  toch  weder  te  gelijk  op  een  zoo  verheven,  onbevoor- 
oordeeld, echt  Evangelisch  standpunt  der  beschouwing,  dat 
zgne  denkbeelden  blijvende  waarde  hebben,  en  nog  heden  ten 
dage,  niet  slechts  iederen  wakkeren  zoon  der  Evangelische 
kerk  stichten,  maar  hem  ook  met  geschikte  wapenen  tot  voe- 
ring van  den  tcgcnwoordigen  strijd  toerusten.  Zoo  menigmaal 
wij  deze  zendbrieven  gelezen  hebben,  telkens  weder  ontlokten 
zij  ons  de  klacht:  Waarom  toch  heeft  Polen  niet  geluisterd 
naar  de  stem  van  dezen  zijnen  edelen  zoon,  dien  de  Heer 
gezonden  heeft  omstreeks  den  tijd,  als  Hij  het  land  in  genade 
bezoeken  wilde?  Hij  staat  daar,  als  profeet  zijns  volks,  en 
ook  met  het  lot  eens  profeten,  dat  men  zijne  prediking  niet 
gelooft  en  daarom  hare  slagen  moet  verduren. 

Een  Frankforter  burger.  Peter  Antonius,  had  de  zend- 
brieven met  zich  genomen  naar  Krakau.  Laski  had  ze 
door  den  druk  laten  vermenigvuldigen,  en  deed  ze,  te  zamen 
met  de  beschrijving  van  den  cultus  der  vrcemdeling-gemccnte, 
toekomen  aan  ieder  wereldlijk  lid  van  den  Senaat  in  het 
bijzonder,  gelijk  mede  aan  al  diegenen  onder  den  Adel,  van 
wie  hij  had  vernomen,  dat  zij  der  Hervorming  in  Polen 
genegen,  of  zelfs  reeds  openlijk  tot  haar  overgegaan  waren. 
In  Januari  1556  kwam  de  bode  te  Krakau,  van  waar  hij 
zijnen  rijken  voorraad  brieven  enz.  verder  op  de  adellijke 
verblijven  der  groeten  door  het  geheele  land  liet  bezorgen. 
De  terugkeer  van  den  bode  werd  vertraagd;  immers,  hij 
moest  antwoord  medebrengen,  en  daar  de  expeditie  der 
brieven  in  die  dagen  met  veel  moeilijkheid  gepaard  ging, 
konden  de  antwoorden  van  de  afgelegene  kasteelen  slechts 
zeer  laat  aankomen.  Eerst  tegen  het  einde  van  Mei  kwam 
Peter  Antonius  weder  te  Frankfort,  een  paar  dagen  nadat 
Laski,  door  zijnen  vergeefschen  tocht  naar  Stuttgart  bitter 

DALTON.  37 


578 

teleurgcütcW,  te  Frankfort  teruggekeerd  was.  De  goedgevulde 
bri^jvontasrjli  bovatte  blijdo  berichten;  de  zendbrieven  waren 
in  het  vaderland  niet  zonder  uitwerking  gebleven.  Van  den 
Koning  was  een  welwillend  antwoord  ingekomen,  maar  dat 
met  geon  enkel  woord  van  den  terugkeer  gewaagde.  *)  Vorst 
Rad zi wil  gaf  aangaande  dat  stilzwijgen  het  noodige  uit- 
sluitsel. De  Koning  had  hem  gezegd,  dat  hij  nuch  een 
bevel  tot  terugkeer  wilde  geven,  om  niet  den  schijn  te 
doen  ontstaan,  daartoe  aanleiding  te  hebben  gegeven,  noch 
ook  dien  terugkeer  verhinderen  wilde,  ten  einde  niet  den 
tegenovergestelden  schijn  te  doen  ontstaan,  alsof  hij  La  ski 
niet  wilde  dulden;  indien  deze  laatste  echter  het  voornemen 
koesterde  om  naar  Polen  weder  te  keeren,  dan  ried  de  goed- 
gunstig gezinde  koning  hem  aan,  niet  vóór  het  begin  van  den 
Rijksdag  te  komen,  en  oo}c  moest  hij  er  voor  zorgen,  zich 
te  zuiveren  van  alle  verdenking ,  alsof  hij ,  inzonderheid  wat 
betreft  de  Avondmaalsleer ,  afweek  van  de  Augsburgsche 
belijdenis.  '^)  Deze  mededeeling  was  voor  La  ski  voldoende, 
om  in  haar  de  zoo  lang  gcwenschte  roepstem  des  Konings 
te  erkennen,  zonder  welke  hij  niet  wilde  terugkeeren. 

Eenc  reeks  van  verdere  brieven  smeekten,  ja  eischten, 
dat  hij  zonder  uitstel  zou  wederkeeren.  De  gewichtige  Rijks- 
dag was  ophanden;  men  verwachtte  een  beslissend  debat, 
on  de  Roomsche  kerk  bereidde  zich,  met  inspanning  van 
al  hare  krachten,  voor  op  eene  ernstige  worsteling.  Reeds 
was  in  Polen  bekend,  dat  de  bisschop  van  Verona  den  last 
had  ontvangen,  om  als  nuntius  van  den  Paus  op  den  Rijks- 
dag te  verschijnen,  en  in  deze  in  Polen  nog  ongewone  waar- 
digheid do  zwaar  bedreigde  zaak  der  Kerk  te  bepleiten. 
La  ski  meende  nu  niet  langer  meer  te  mogen  dralen.  Het 
bericht  gewerd  hem  nog,  dat  de  Rijksdag  was  uitgesteld,  en 
reeds  meende  hij  een  oogcnblik,  dat  hij  de  door  hem  met 
zulk  oenen  levendigen  ijver  bevorderde  samenkomst  van  vor- 
sten en  godgeleerden  nog  zou  kunnen  bijwonen,  dewijl  hij  op 


I)  Oalvijn,  XVI,  185. 
»)  Kiiy  per,  II,  738. 


579 

die  vergadering  het  voor  hem  zoo  onmisbaar  noodzakelijke 
openlijke  getuigenis  hoopte  te  verkrijgen,  dat  zijne  leer  met 
de  Augsburgsche  belijdenis  in  overeenstemming  was.  ^)  Doch 
nieuwe  brieven,  welke  hij  ontving,  deden  hem  weldra  van 
besluit  veranderen  en  ten  spoedigste  uit  Frankfort  vertrekken. 
Nadat  hij  een  paar  dagen  in  persoonlijk  verkeer  met 
Calvyn  had  doorgebracht,  gunde  hij  zich  nog  slechts  den 
tyd  om  het  verdedigingsschrift  der  buitenlandsche  godgeleer- 
den, hetwelk  aan  de  Frankforter  magistraat  moest  worden 
aangeboden,  te  voltooien.  Dat  geschrift  moest  hem  te  gelijk 
dienen,  om  den  Poolschcn  koning  de  gewenschte  overeen- 
stemming met  de  Augsburgsche  confessie  te  toonen. 

Reeds  hebben  wij  onzen  vriend  en  zijnen  getrouwen  tocht- 
genoot Utcnhove  op  hunne  reis  naar  Polen  een  eind  weegs 
vergezeld. 


*)  Verg.  het  bij  K  ii  y  p  e  r  ontbrekende  schrijven  van  Laski  aan  Melanchtbon, 
gedagteekend  van  den  ISdcn  Sept.  1556  (Calvijn,  XVI,  285). 


12. 


De  medewerking  van  Laski  in  zQn  yaderland 
aan  de  Hervorming  van  Polen. 


Den  Icn  December  1556  vertrok  onze  vriend  uit  Breslan, 
nog  vermoeid  ten  gevolge  van  den  eerst  pas  doorstanen 
koortsaanval ;  een  paar  dagen  later  mag  hij ,  naar  den  zoo 
lang  gekoesterden  wonsch  van  zijn  hart,  de  vaderlandsehe 
grens  overschrijden.  Allereerst  begaf  hg  zich  naar  Balisch, 
naar  het  slot  van  Jan  Bonar,  gouverneur  van  het  kas- 
teel van  Krakau  en  castellaan  van  Biec,  —  één  van  de 
voornaamste  Protestanten  des  lands,  een  man  van  zeldzame 
vroomheid  en  schranderheid.  Hier  kwamen  de  hoofden  der 
Evangelische  beweging,  en  onder  dezen  tot  zijne  groote 
vreugde  niet  weinigen  zijner  naaste  verwanten,  hem  met 
hartelijke  liefde  verwelkomen.  De  slotheer  zelf,  de  edele 
Bonar,  die  bereids  aan  de  Evangelische  gemeente  te  Krakau 
in  zijnen  lusthof  vóór  de  Nicolaï-poort  de  noodige  ruimte 
tot  het  bouwen  van  een  bedehuis  had  afgestaan,  *)  was  de 
zusterszoon    van    onzon    La  ski;    eveneens  als  zgne  neven, 

»)  „Chronik,'»  S.  8. 


581 

en  bovendien  als  zijne  zeer  besliste  geloofsgenooten,  kwamen 
de  drie  gebroeders  Ostrorog  hunnen  beroemden  oom  be- 
groeten. *)  De  rijke  magnatenzoncn  hadden  reeds  sinds  gerui- 
men  tijd  op  hunne  uitgestrekte  goederen  hunnen  Evangelischen 
prediker,  Felix  Cruciger,  die  tot  de  besluiten  der  synode 
te  Kozminek  op  belangrijke  wijze  had  bijgedragen,  inzonder- 
heid daar  de  Ostrorog's  zelven  in  het  huis  van  Gorka 
te  Posen  vriendschapsbetrekking  hadden  aangeknoopt  met 
George  Israël,  en  door  diens  persoonlijkheid  voor  de  Broe- 
dergemeente gewonnen  waren.  Ook  een  oom  („avunculus") 
van  Laski  had  zich  gehaast,  hem  te  komen  begroeten,  nl. 
Stanislaus  Myszkowsky,  destijds  nog  prefect  van  Marien- 
burg, later  castellaan  van  Sendomir,  ten  laatste  palatijn  van 
Erakau^  een  beslist  Protestant,  die  het  ijverigst  den  terug- 
keer van  Laski  bevorderd  en  onbevreesd  de  intriges  van 
Lippomani  voor  den  Koning  had  onthuld.  '^)  Met  Laski's 
verwanten  was  eene  grooto  schare  van  edelen  toegesneld, 
ten  einde  hunne  vreugde  te  betuigen,  dat  zij  hunnen  be- 
roemden landsman,  aan  wiens  leiding  zij  zich  allen  zonder 
tegenspraak  wilden  toevertrouwen,  als  aanvoerder  en  stnjd- 
genoot  in  hun  midden  mochten  zien. 

Het  was  echter  ook  te  doen  om  eenen  heeten  strijd,  die 
allereerst  wegens  den  beroemden  aankomeling  zelven  ont- 
brandde. Vriend  en  vijand  wisten ,  wat  zij  van  hem  hadden 
te  verwachten.  In  een  paar  vluchtige  regels,  door  Laski 
den  19<*cn  Februari  1557  aan  Calvijn  gericht,  lezen  wij: 
„Door  zorgen  en  bezigheden,  waarde  Calvijn,  word  ik  thans 
zoozeer  overstelpt,  dat  ik  geen  tijd  vind  om  te  schrijven. 
Van  de  eene  zijde  worden  wij  door  vijïinden,  van  den  anderen 
kant  door  valsche  broeders  belaagd,  zoodat  wij  geen  oogenblik 
rust  hebben ;  maar,  Gode  zij  dank,  wij  treffen  hier  ook  vele 
vromen,  die  ons  tot  hulp  en  troost  zijn."  **)  De  beide  soorten 
van    tegenstanders,    tegen    welke    Laski    zich    had  te  ver- 

i)  „l'ontes/'  XÏX,  236. 

*)  Verg.  Lubicnitzki,  p.  65.  71;  alsook  Wengierski,  p.  533. 

3)  Kuypcr,  II,  716. 


582 

dedigen,  moeten  wij  een  weinig  nauwkeuriger  beschouwen. 
Onder  de  openbare  vijanden,  die  echter  van  slinksehe 
wegen  tot  bereiking  van  hun  doelwit  gansch  niet  afkeerig 
waren,  zijn  natuurlijk  de  Katholieken  te  verstaan.  Nauwe- 
lijks hadden  de  bisschoppen,  die  op  den  rijksdag  te  Varschau 
bijeenwaren,  vernomen,  dat  La  ski  in  Polen  was  terug- 
gekeerd, of  zij  kwamen  allen  in  de  woning  van  den  aarts- 
biss«;hop  van  Gnesen  te  zamen,  om  onderling  te  overleggen, 
hoe  zij  zich  ten  opzichte  van  dezen  man  moesten  gedragen.  ^) 
De  beraadslaging  duurde  eenen  geheelen  dag;  de  bisschop  van 
Kjakau  gaf  uitdrukking  aan  de  heerschende  stemming,  toen 
hij  La  ski  den  scherprechter  der  Poolsche  kerk  noemde.  Men 
kwam  overeen,  den  Koning  om  's  mans  verwijdering  te  zullen 
verzoeken.  Reeds  des  anderen  daags  vroegen  Lippomani 
en  de  gezamenlijke  bisschoppen  eene  audiëntie.  Zij  drongen 
er  bij  den  weifelenden  koning  op  aan,  dat  hij  dezen  aarta- 
ketter  zou  verbannen.  Sigismund  bleef  standvastig:  noch 
door  hem,  noch  door  den  Senaat  was  La  ski  als  ketter 
gebrandmerkt.  De  sluwe  nuntius  trachtte  den  Koning  vrees 
aan  te  jagen,  alsof  La  ski  van  zins  was,  het  koninklijke 
gezag  aan  te  randen  en  onrust  in  den  lande  te  verwekken, 
ja  zelfs  do  wapenen  tegen  den  Koning  op  te  vatten.  Ook 
deze  leugen  van  den  Jezuïet  had  niet  geheel  de  gewenschte 
uitwerking.  Vorst  Radziwil  stelde  zich  voor  den  zoo 
schandelijk  belasterde  ridderlijk  in  de  bres;  reeds  sinds  lang 
had  hij  den  Italiaan  doorschouwd,  en  stemde  in  met  het 
scherpe  oordeel  der  landboden,  die  den  nuntius,  bij  zijn 
binnentreden  in  den  Rijlcsdag,  overluid  begroetten  met  het 
grimmige  woord:  „Wees  gegroet,  gij  adderengebroedsel !"  *)  — 
Ij i  p  p  o  m  a  n  i  begreep,  dat  hij  niet  zoude  slagen ;  zijne  stelling 
was  buitendien  onhoudbaar  geworden.  Een  paar  vertrouwelijke 
zinsneden  uit  zijne  brieven  hadden  ruchtbaarheid  gekregen; 
den  gruwzamen ,  nauwelijks  geloofelijken  inhoud ,  dat  nl.  de 
vreeselijke    monnik    te    liome,    die   zich  de  stedehouder  des 

1;  Verg.  ook  het  met  ccne  humoristische  tint  geschreven  bericht  van  Laski 
.lan  den  landgraaf  van  Hessen:  ibid. ,  II,  p.  7'19. 

•t  ,,Salvc,  progenies  viperorum!"  Verg.  Lubicnitzki,  p.  76. 


583 

Heeren  noemde,  hem  in  last  had  gegeven,  om  van  den 
koning  van  Polen  de  hoofden  van  een  acht- of  tiental  Protes- 
tanten te  vorderen,  kon  hij  niet  loochenen,  *)  en  beschouwde 
zich  nu  niet  langer  veilig  in  het  wegens  zulk  cene  mare  ten 
hoogste  verontwaardigde  land.  Dringend  verzocht  hij  te  Rome 
om  zijne  spoedige  terugroeping,  die  hem  dan  ook  weldra  ver- 
leend werd.  '^) 

Zelfs  in  het  Vaticaan  bespeurde  men  den  schrik  wegens 
Laski's  terugkeer.  Nauwelijks  had  Paulus  lY  het  bericht 
dienaangaande  ontvangen,  of  hij  schreef,  op  den  hoogharti- 
gen  toon  van  eenen  geloofsrechter,  aan  den  Koning,  en  vor- 
derde, evenals  zijn  nuntius,  de  onvoorwaardelijke  verbanning 
van  den  ketter.  IJecds  het  besluit  van  den  rijksdag  te  War- 
schau in  1556,  hetwelk  aan  alle  edelen  vrijheid  gaf,  op 
hunne  goederen  Protestantschc  predikers  aan  te  stellen,  had 
den  I^aus  hevig  vertoornd.  „Een  zoo  roekeloos  decreet^'  — 
dus  bijt  do  gramstorige  Paus  aan  den  Koning  toe,  —  „hebt 
gij  in  uw  land  toegelaten?  Hebt  gij  u  dan  niet,  zelfs  met 
gevaar  van  uw  leven,  daartegen  verzet?  Wie  kan  zulk  eene 
euveldaad  naar  eiseh  beweenen  ?  Onder  deze  omstandigheden 
is  hot,  voorwaar,  ook  niet  te  verwonderen,  dat  het  ketter- 
hoofd  Jan  La  ski  en  andere  ketters,  die  tijdens  het  leven 
van  uwen  vromen  vader,  dezen  kettervijand,  de  vlucht  had- 
den genomen,  weder  naar  Polen  zijn  teruggekeerd,  en  onge- 
straft mogen  ondernemen  hetgeen  zij  willen."  ^)  Deze  en 
eene  andere  breve,  welke  de  eerste  welhaast  op  den  voet 
volgde,  en  die  in  eenen  gelijken  toon  was  gesteld,  miste 
hare  uitwerking:  ook  voor  een  nog  getrouwen  zoon  dor  Kerk 
had  deze  taal  van  eenen  paus  in  de  eeuw  der  Hervorming 
eenen  te  vreemden  klank.  La  ski  en  de  andere  „ketters" 
bleven  ongemoeid  in  het  land. 

Bedenkelijker  en  in  hun  gevolg  voel  gevaarlijker  voor  do 
ontwikkeling  der  Evangelische  kerk  nu  ook  hier  te  lande 
waren    de   slagen,  die  haar  door  de  valsche  broeders,  vaak 

»j  Verg.  Si  X  t,  S.  390. 

>j  Verg.  Th  ei  n  er.  II,  590. 

3)  Sizt,  S.  ^4. 


584 

in  schromelijke  verblinding,  werden  toegebracht.  Reeds  uit 
de  opdracht  van  hot  bovengenoemde  geschrift  van  Laski 
aan  den  Koning  blijkt,  dat  de  zeloten,  die  onzen  vriend 
en  de  leden  zijner  gemeente  door  geheel  Duitschland  hadden 
vervolgd,  niet  van  zins  waren,  hem  in  zijn  vaderland 
ongestoord  te  laten  arbeiden  aan,  de  vervulling  van  zijne 
belangrijke  taak.  Tot  ons  leedwezen  zien  wij  hier  zelfs 
Brcnz,  in  onbegrijpelijke  kortzichtigheid,  met  West ph al  en 
Timann  en  Flacius  samengaan.  Het  was  den  Wurtem- 
bergschen  hervormer  niet  genoeg,  dat  hij  zijne  landskerk 
voor  den  invloed  dezer  geloofsgenooten  van  Melanehthon 
en  Calvijn  had  gevrijwaard;  hij  achtte  zich  geroepen,  zijne 
waarschuwende  stem  tot  zelfs  in  Polen  te  doen  weerklinken. 
Nauwelijks  had  B  r  e  n  z  gehoord,  dat  Laski  zich  aangordde 
om  naar  zijn  vaderland  terug  te  keeren,  of  hij  smeekt  hertog 
Albrecht  dringend  om  zijne  medewerking,  ten  einde  het 
dreigende  gevaar  voor  Polen  af  te  wenden ,  of  toch  althans 
door  tegenovergestelde  invloeden  dat  gevaar  te  verminderen.  *) 
Ecne  verdere  hulp,  om  zijne  waarschuwende  stem  in 
Polen  gehoor  te  doen  vinden,  zag  Br  enz  zich  geboden 
doordien  Vergerius  zich  derwaarts  begaf.  Het  is  eene 
merkwaardige,  karakteristieke  verschijning  in  de  eeuw  der 
Hervorming,  deze  Italiaan  uit  Capo-d'Istria.  Nagenoeg  van 
gelijken  leeftijd  als  onze  Laski,  had  Vergerius,  strijd- 
vaardig en  welbespraakt,  met  oenen  practischen  geest  en 
oenen  vluggen,  juisten  blik  begaafd,  als  gezant  der  Curie  en 
als  vertrouweling  van  Clemens  VII  deelgenomen  aan  den 
rijksdag  te  Augsburg  in  1580.  Bereids  in  1536  heeft  de  rechts- 
geleerde zich  in  cenen  bisschop  omgeschapen :  voor  zulk  eene 
verandering  van  kleedij  werd  destijds  geen  langdurige  voorbe- 
reiding, maar  slechts  pauselijke  gunst  vereischt.  Reeds  scheen 
het  den  eerzuchtige  toe,  alsof  het  purper  hem  wenkte.  Maar 
do  opkomende  orde  dor  Jezuïeten  had  eenen  scherpen  reuk. 
Pe  bisschoppelijke  legaat  had  zich  te  lang  in  het  kettersche 
Duitschland    opgehouden,    om   niet  reeds  daardoor  alleen  in 

I    Verg.  „Anecdota,"  p.  4i?*J,  alsook  de  aangrijpende  klacht  van  Melanehthon 
over  deze  ODTerdrangiaamhcid :  ibid. .  p.  4C-1. 


585 

hun  oog  een  verdacht  persoon  te  zijn,  en  aan  hnnne  ver- 
denking wisten  zij  bij  den  Paus  ingang  te  verschaffen.  Ver- 
gerius  achtte  zich  in  Italië  niet  langer  veilig,  en  nam,  in  1546, 
do  wijk  naar  het  buitenland.  Het  is  niet  geheel  uitgemaakt, 
in  hoever  reeds  destijds  het  vermoeden  der  Jezuïeten  gegrond 
was,  of  ook  in  hoeverre  de  verdachtmaking  den  man  eerst 
tot  de  ketterij  gebracht  heeft.  Sedert  1549  leidde  hij ,  op 
eenigszins  avontuurlijke  wijze,  een  zwervend  leven,  vol  van 
kommer,  totdat  hij  in  1553  de  gunst  van  den  hertog  van 
Wurtemberg  en  een  veilig  onderkomen  in  diens  land  ver- 
kreeg. Van  nu  voortaan  beschouwde  hij  het  als  zijne  levens- 
taak, om  het  pausdom  zooveel  mogelijk  afbreuk  te  doen, 
en  in  dit  opzicht  heeft  hij  het  inderdaad  verbazend  ver  ge- 
bracht. Bedrijvig  van  aard,  was  het  hem  eene  behoefte, 
zich  overal  in  te  mengen.  Hij  was  een  oprecht  Protestant 
geworden ,  hier  in  Wurtemberg  in  den  trant  van  B  r  e  n  z , 
maar  zonder  dat  hij  veel  diepte  bezat.  Toen  hij  met  de 
Boheemsche  broeders  bekend  werd,  trokken  dezen  hem  zoozeer 
aan,  dat  hij  zich  gaarne  bij  hen  zou  hebben  aangesloten, 
het  antwoord  der  voorzichtige  en  ten  zijnen  aanzien  eenigs- 
zins wantrouwende  Broeders  geleek  op  eene  afwijzing.    ^) 

Vergerius  was  nog  niet  in  Polen  geweest,  en  had  zich 
nog  niet  in  do  opkomende  Hervorming  aldaar  doen  gelden. 
Dat  mocht  zoo  niet  blijven.  Een  aanknoopingspunt,  om  het 
gcwenschte  doel  te  bereiken  en  om  met  name  tevens  aan  hot 
Hof  te  komen,  was  spoedig  gevonden.  In  1533  had  Verge- 
rius zich  als  pauselijk  legaat  aan  het  hof  van  Ferdinand 
van  Oostenrijk  opgehouden,  en  in  zulk  eene  mate  diens  gunst 
weten  te  winnen,  dat  hij  tot  peet  van  de  pasgeboren  prin- 
ses Katharina  gekozen  werd.  Do  koninklijke  doopdochter 
was  in  1553  koningin  van  Polen  geworden;  reden  genoeg  voor 
Vergerius,  om  aan  haren  gemaal  te  schrijven:  „Het  is  de 
plicht  dcrgcnen,  die  eene  doopbelofte  afleggen,  de  personen, 
voor  welke  zij  zich  aansprakelijk  hebben  gesteld,  in  de  we- 
gen dos  heils  te  onderwijzen  en  hen  daarin  te  bevestigen;  deze 


")  „Fontea,"  XIX,  2B8. 


586 

plicht  moet  en  wil  ook  ik  vervullen,  indien  niet  mondeling, 
dan  toch  althans  schriftelijk,  voor  zoover  de  Heer  mij  daartoe 
genade  verleent."  *)  De  onrustige,  bedrijvige  man  maakte  zich 
weldra  gereed,  bm  de  genoemde  taak  ook  mondeling  te  ver- 
vullen. In  Juni  1556  vinden  wij  hem  in  gezelschap  van 
La  ski  te  Frankfort,  in  de  uit  Polen  aangekomen  brieven 
bladerende  ^) ;  maar  de  sluwe  Italiaan  geeft  aan  onzen  vriend 
niet  te  kennen,  dat  Br  enz  hem  heeft  opgedragen,  om  den 
mogelijken  invloed  van  La  ski  op  zijne  landgenooten  tegen 
te  werken. 

Aan  die  opdracht  heeft  Vergerius  getrouwelijk  voldaan. 
Met  betrekking  tot  de  Evangelische  gezindheid  van  Laski 
heeft  hij  op  verschillende  plaatsen  mistrouwen  gezaaid,  en  in 
de  gemeenten  argwaan  tegen  zijne  persoonlijkheid  gewekt. 
Dat  deed  hij  in  Groot-Polen,  alwaar  in  de  steden  de  aan- 
hankelijkheid aan  Wittenberg  de  overhand  had,  en  waar  men 
uit  dien  hoofde  aan  zulke  geheime  influisteringen  gretig  ge- 
hoor gaf;  zulks  deed  hij  echter  ook,  bij  de  verdere  voortzet- 
ting van  zijne  reis,  in  Klein-Polen,  welks  adel  vooral  aan 
Calvijn  was  toegedaan,  en  waar  men  Laski  met  opene 
armen  en  in  volkomen  vertrouwen  had  ontvangen.  Ook  te 
Wilna  is  Vergerius  op  zijne  wijze  werkzaam  geweest ;  op 
zijne  aansporing  schreef  Radziwil  aan  den  hertog  van 
Wurtemberg  en  aan  den  keurvorst  van  de  Palts,  om  hen 
te  verzoeken,  dat  zij  door  een  plechtig  gezantschap  bij  den 
Koning  zouden  aandringen  op  de  invoering  van  de  Augs- 
burgsche  belijdenis.  ^)  De  edele  Radziwil  droeg  natuurlijk 

i)  Sixt,  S.  400. 

«)  Kausler,  S.  129.  —  Calvijn  (verg.  „Opp."  XVI,  170)  had  den  ijdelcn 
Italiaan  bereids  doorzien,  en  argwaan  tegen  bem  opgevat.  Kenmerkend,  mrt 
betrekking  tot  Vergerius,  zijn  een  tweetal  oordeelvellingen  van  EngelschcR, 
met  toespeling  np  zijne  beide  voornamen.  Met  het  oog  op  's  mans  woelen  in 
Polen  sehrijft  Burcher,  uit  Krakau:  „Ik  wcnsebtc,  dat  bij  of  een  rechte  Petru*, 
of  een  echte  Paulus  was"  („üriginal*',  p.  093),  eu  bisschop  Jewel,  die  zich,  in 
1550,  over  raadgevingen  van  den  man  aan  koningin  Pili/abeth  beklaagt,  zegt: 
„Who  this  person  is  —  if  I  teil  you  that  he  was  once  a  bi.shop,  tliat  he  is 
now  an  exile,  an  Italian,  a  krafty  knave,  a  coiirtier,  eithcr  Peter  or  Paul,  you 
will  know  him  bctter  than  I  do."  („Zurich",  1,  21.) 

3)  Sixt,  S.  420.  Verg.  daarbij  ook :  „ Anecdota",  p.  437. 


587 

geen  kennis  van  de  smartelijke  worstelingen  in  Duitschland, 
in  welke  men  elkander  de  overeenstemming  met  deze  belij- 
denis betwistte,  en  wist  waarschijnlijk  niet,  dat  Br  enz, 
door  wien  deze  brieven  bezorgd  werden,  van  oordeel  was, 
dat  La  ski  tot  dit  verband  volstrekt  niet  behoorde.  Alsdan 
Vergerius  Laski  persoonlgk  ontmoette,  sloot  hij  zich  bij 
hem  aan,  betuigde  zijne  overeenstemming  met  hem,  en  mis- 
leidde aldus,  op  bijkans  verraderlijke  wijze,  ook  zijne  naaste 
bekenden.  ^) 

Deze  zijne  ondermijnende  werkzaamheid  zette  Vergerius 
in  Duitschland  en  in  Zwitserland  voort,  terwijl  hij  hier  en 
ginds  aangaande  de  zorgwekkende  werkzaamheid  van  Laski 
valsche  geruchten  verspreidde.  Daarin  moet  hij  blijkbaar  al 
zeer  ver  zijn  gegaan,  want  in  1558  zag  hij  zich  genoodzaakt, 
om  in  een  uitvoerig  schrijven  aan  Stanislaus  Ostrorog 
zijn  gedrag  te  rechtvaardigen.  ^)  Dat  schrijven  is  eene  belang- 
rijke oorkonde  in  de  Her  vormingsgeschiedenis  van  Polen,  doch 
ook  tegelijkertijd  een  bezwarend  getuigenis  voor  de  gevaar- 
lijke werkzaamheid  van  Vergerius,  hetwelk  ons  doet  zien, 
hoe  weinig  hij  in  staat  is  geweest,  de  werkzaamheid  van 
Laski  ook  maar  te  begrijpen.  Hij  tracht  er  reden  van  te 
geven,  waarom  hij  Laski  in  zijne  veelszins  beproefde  be- 
drevenheid, wat  betreft  de  grondvesting  en  besturing  der 
Kerk,  heeft  tegengewerkt,  of  althans  hier  en  daar  heeft  we- 
dersproken, dewijl  Laski  nl.  niet  van  zins  was,  om  ook 
daar,  waar  hij  voor  eene  Evangelische  landskerk  van  Polen 
eene  verdere  ontwikkeling  noodig  achtte,  zich  door  de  belij- 
denis der  Boheemsche  broeders  aan  banden  te  laten  leggen. 

Wij  hebben  alleen  Vergerius  uit  het  getal  dezer  „val- 
sche broeders"  op  den  voorgrond  doen  treden,  niet  alsof  hij 
de  cénige  zou  zijn  geweest.  Ook  in  Polen  had  Laski  zich 
tegen  do  oude  tegenstanders  te  verweren,  maar  deze  nieuw- 


i;  Verg.  den  brief  van  Utenhove  nan  Biillinger  („Origioal",  p.  603),  in  wel- 
ken dit  drijven  nauwkeurig  beschreven  wordt,  en  dien  Sixt,  naar  't  schijnt, 
niet  gekend  heeft. 

^)  Ook  dit  belangrijke  document  is  aan  Sixt  ontgaan.  Wij  vinden  het  mede- 
gedeeld: „Fontes*»,  XIX,  215—240. 


588 

bijgekomene  heeft  zich  onmiddellijk  aan  hem  vastgeklampt, 
even  alsof  hij  hem,  den  Pool,  die  belangrijke  werkzaamheid 
in  zijn  vaderland  niet  gunde.  Al  lieten  deze  lieden  ook  niet 
af,  den  arbeid  van  Laski  zooveel  mogelijk  te  belemmeren, 
toch  gelukte  het  hun  niet,  hem  dien  te  doen  staken,  en  wij 
willen  nu  verder  onzen  vriend  in  zijne  opbouwende  werk- 
zaamheid in  zijn  vaderland  gadeslaan.  Op  deze  valt  nu  in- 
tusschen  niet  meer  het  toereikende  licht,  gelijk  op  zijne 
reformatorische  werkzaamheid  in  Duitschland  en  in  Engeland. 
Aan  do  daarop  volgende,  zoo  treurige  reactie  is  het  bij  haar 
ijverig  streven  gelukt,  de  gezegende  sporen  van  die  paar 
jaren  bijkans  geheel  uit  te  wisschen,  en  vele  nasporingen 
waren  er  toe  noodig,  om  desniettemin  nog  enkele  feiten  te 
weten  te  komen,  en  verbleekte  sporen  weder  op  te  halen.  *) 

Nadat  Laski  gedurende  een  paar  weken  zich  aan  de  zoo 
aanmerkelijk  gewijzigde  toestanden  van  zijn  vaderland  had 
trachten  te  gewennen,  draalde  hij  niet,  met  kracht  de  hand 
te  slaan  aan  de  vervulling  van  de  gewichtige  taak,  die  hem 
was  ten  deel  gevallen.  De  eerste  stap,  dien  hij  deed,  was 
deze,  dat  hij  een  uitvoerig  zendschrijven  richtte  aan  den 
Koning,  in  hetwelk  hij  hem  zijne  aankomst  in  Polen 
berichtte.  ^)  Daarin  legt  hij  openhartig  rekenschap  af  van 
hetgeen  hij  tot  hiertoe  verricht  heeft,  en  stelt,  onder  bij- 
voeging van  den  brief  van  Melanchthon  aan  den  Ko- 
ning, ^)  in  het  licht,  hoe  hij  zijn  bost  heeft  gedaan,  om  den 
Avondmaalsstrijd  bij  te  leggen.  Daarop  gewaagt  Laski  van 
de   valsche  beschuldigingen ,  met  welke  de  bisschoppen  hem 


h  Kpdc  nasporing  op  éénc  mijner  studiereizen  in  Polen  werd  met  een  onver- 
wacht succes  bekroond.  In  een  afgelegen  vlek  kreeg  ik  nl,  de  orgineclc  proto- 
collen der  synoden,  vergaderingen  en  pastorale  samenkümsteu  der  Evangelischen 
van  Klein- Polen  gedurende  de  jaren  1550 — 1501  in  handen.  Het  manuscript 
was  aan  de  naspeuringen  der  Jezuïeten  ontgaan;  omstreeks  300  jaren  lag  het  in 
zijnen  heiligen,  eenzamen  schuilhoek.  Aan  dat  handschrift  hebben  wij  de  be- 
langrijkste luededeclingen  op  de  volgende  bladzijden  te  dankeu,  alwaar  wij  het 
af  en  toe  onder  de  benaming  „Protocollen"  zullen  aanhalen. 

i;  Kuyper,  II,  738. 

3)  Afgedrukt  bij  Lubienitzki,  p.  91,  en  bij  Melanchthon,  VJII,  869. 


589 

bij  den  Koning  hebben  zoeken  verdacht  te  maken.  Met  edelen 
trots  werpt  hij  die  vin  zich,  terwijl  hij  zich  beroept  op  de 
getuigenis  van  Christus,  zijnen  Heer,  dat  slechts  dieven  en 
roevers,  die  het  daglicht  haten,  tot  zulke  duistere,  geheime, 
bedrieglijke  beschuldigingen  hunne  toevlucht  nemen.  Van  die 
beschuldigingen  bespreekt  hij  er  slechts  ééno,  nl.  die  van 
den  pauselijken  nuntius,  die  hem  een  ketter  genoemd  had. 
Over  dit  snoode  woord  houdt  hij  een  ernstig  gericht,  en 
baant  zich  alzoo  den  weg,  om  den  Koning  voor  zulk  een 
genootschap  te  waarschuwen.  Het  zijn  gulden  woorden,  die 
deze  Christen  onbeschroomd  aan  zijnon  medechristen  op  den 
troon  doet  hoeren.  „O  beste  Koning,  doe  dan,  in  vereeniging 
met  uwe  grootcn,  hetgeen  de  Heer  heeft  gelast.  Doe  uit  het 
midden  van  uw  rijk  de  vreemde  goden  weg,  en  dien  God 
alleen,  door  de  herstelling  van  eenen  waren,  goddelijken, 
volkomenen  godsdienst.  Dan  zal  de  Heer  u  en  uw  rijk  beide 
van  alle  Filistijnen  dezer  wereld  bevrijden.  Doet  gij  zulks  ech- 
ter niet,  zie  toe,  dat  gij  niet  juist  door  datgene,  waarvan  gij 
u  wellicht  bevrijding  belooft,  u  zelven  en  uw  rijk  den  onder- 
gang berokkent."  ^)  Steeds  ernstiger,  steeds  nadrukkelijker 
wordt  de  ontroerende  boetrede  van  den  dienstknecht  van 
Christus  tegenover  don  Koning;  de  waarheid  des  Evangelie's, 
de  vurige  liefde  tot  zijn  vaderland  schenken  aan  het  indruk- 
wekkende woord  eene  wonderbare,  aangrijpende  betoovering. 
„Mogen  anderen  u  vleien,  zooveel  zij  willen,  mogen  zij  liefe- 
lijke woorden  spreken,  zooveel  hun  lust,  ik  wil  liever  met 
u  spreken  naar  den  mond  des  Heeren  —  Eerbiedig  smeek 
ik  u,  dat  gij  u  aangaande  ons  allen  ten  stelligste  overtuigd 
moogt  houden,  dat  wij  veel  liever  allo  onze  goederen  en 
zelfs  ons  leven  willen  prijsgeven,  dan  dat  wij  ooit  zouden 
toelaten,  dat  aan  onze  getrouwheid,  onderworping  en  chris- 
telijke gehoorzaamheid  jegens  u  ook  maar  het  geringste  mocht 

')  Op  welk  ccnc  ontroerende  wijze  hebben  de  volgende  eeuwen  dat  ernstige 
profetenwoord  aan  het  ongelukkige  Polen  vervuld I  De  wortel;*  van  het  „finis 
Poloniae"  liggen  duur,  waar  de  koning  van  Polen  de  vermaning  van  Laski 
niet  heeft  opgevolgd ,  en  den  tijd  van  genaderijke  bezoeking  des  Ilcercn  onge- 
bruikt heeft  laten  verstrijken. 


590 

ontbreken;  —  ik  zeg:  onze  „christelijke"  gehoorzaamheid, 
d.  i.  eene  zoodanige,  die  noch  in  do  hoop  op  belooningen 
dezer  wereld,  noch  ook  uit  vrees  voor  oogenblikkelijke  straffen, 
maar  om  den  wille  van  God  zelven,  die  haar  van  ons  eischt, 
en  om  den  wille  van  onze  eigene  consciëntiën  betoond  wordt." 
Doch  wij  zouden  den  geheelen  brief  moeten  weergeven,  indien 
wij  alle  behartigenswaardige  plaatsen  van  dit  vrome,  innig- 
christelijke  mannenwoord  wilden  mededeelen :  een  zeldzaam- 
schoone   bloesem  van  echte,  zuivere  hervormingsgezindheid! 

Laski's  oom,  Myszkowsky,  belastte  zich  met  de  be- 
zorging van  den  brief.  De  onderkanselier  en  bisschop  van 
Chelm,  Przerembsky,  gaf  zich  groote,  doch  vergeefsche 
moeite,  om  het  schrijven  te  onderscheppen,  over  welks  in- 
houd, ook  al  kende  hij  dien  niet,  hij  zich  ongerust  maakte. 
Trouwens,  geheel  ongedeerd  kwam  het  den  Koning  niet  in 
handen.  Laski  had  aan  zijn  schrijven  de  Augsburgsche 
belijdenis  van  1 540  toegevoegd ,  en  terwijl  de  Koning  deze 
laatste  allereerst  doorbladerde,  was  de  brief  op  eenen  stoel 
blijven  liggen,  en  had  de  aanwezige  hond  des  Konings  het 
papier  bemachtigd.  De  kamerdienaar  bemerkte  het  nog  tijdig ; 
men  slaagde  er  in,  de  reeds  verscheurde  stukken  aaneen  te 
voegen,  en  ze  in  afschrift  aan  den  nu  nieuwsgierig  geworden 
koning  voor  te  leggen.  *) 

Het  schrijven  bleef  niet  onbeantwoord,  al  had  het  ook 
niet  die  vrucht,  welke  men  daarvan  gehoopt  had.  Aan  het 
schriftelijk  antwoord  des  Konings  is  te  bespeuren,  dat  de 
verdachtmakingen  der  bisschoppen  niet  geheel  zonder  uit- 
werking gebleven  waren;  zij  hadden  zijnen  Achilleshiel  ge- 
raakt, door  het  te  doen  voorkomen,  alsof  bedenkelijke  her- 
vormingen, gevaarlijk  voor  de  welvaart  des  lands,  te  dachten 
waren,  en  zoo  vergunt  Sigismund,  wel  is  waar,  aan  den 
Hervormer  in  het  land  te  verblijven,  doch  waarschuwt  hem, 
geen  nieuwigheden  in  te  voeren,  daar  hij  anders  uit  het 
land  zou  verbannen  worden. 

Zoowel    uit    dit    schrijven,    als    ook    uit  andere  berichten 


I)  Friese,  II,  303. 


591 

begreep  La  ski,  dat  het  goed  zoude  zijn,  als  hij  persoonlijk 
met  den  Koning  mocht  spreken.  Om  die  reden  begaf  hij 
zich,  don  23^**'"  Februari  1557,  uit  Krakau  op  weg,  en  be- 
reikte, na  ceno  zeer  vermoeiende  reis,  eerst  don  17*^^"  Maart 
Wilna,  waarheen  zich  het  Hof,  onmiddellijk  na  afloop  van 
den  rijksdag  van  Warschau,  begeven  had,  om  zich  meer  in 
de  nabijheid  van  het  krijgstooneel  in  Lijfland  te  bevinden. 
La  ski  nam  zijnen  intrek  bij  den  zwager  des  Konings,  vorst 
Radziwil,  onder  wiens  gastvrij  dak  hij  langer  dan  eene 
maand  bleef  vertoeven.  Reeds  den  19^^"  Maart  werd  hem 
eene  audiëntie  verleend ;  de  Koning  ontving  zijnen  beroemden 
onderdaan  op  de  hartelijkste  wijze  („araantissime"),  en  reikte 
aan  hem  en  zijnen  metgezel  Utenhove  de  rechterhand. 
Opmerkzaam  luisterde  hij  naar  de  rede  van  L  a  s  k  i,  en  ver- 
klaarde, dat  zijn  terugkeer  hem  aangenaam  was.  Het  ofïi- 
ciëole  antwoord,  hetwelk  hem,  drie  dagen  later,  door  den 
Onderkanselier  in  naam  des  Konings  en  in  diens  tegenwoor- 
digheid gegeven  werd,  luidde  minder  gunstig.  Niet  aan  den 
Adel,  maar  aan  den  Koning  behoorde  het  recht,  personen 
uit  te  noodigen  ten  behoeve  van  eene  hervorming  van  don 
godsdienst,  hij  echter  wilde  met  zijn  land  bij  het  sedert  600 
jaren  bestaande  geloof  zijner  vaderen  volharden.  Zulk  eeno 
rede  was  nu  echter  toch  weder  —  en  dit  is  kenmerkend 
met  betrekking  tot  de  jammerlijk  slappe  denkwijze  des  Ko- 
nings, —  daardoor  van  haren  prikkel  beroofd,  dat  de  Koning 
door  middel  van  Radziwil  aan  Laski  liet  te  kennen  geven, 
dat  hij  op  de  rede  van  don  Onderkanselier  slechts  kort  moest 
antwoorden,  om  niet  daardoor  eene  nieuwe  tegenrede  van 
den  Ondcrkanselier  uit  te  lokken ;  in  stede  daarvan  vergunde 
hij  hem  eene  bijzondere  audiëntie.  Deze  had  twee  dagen  later 
plaats.  Laski  kon  zijn  misnoegen  niet  verbergen,  en  ver- 
weet den  Koning  zijne  zonde,  dat  hij  op  zulk  eene  wijze 
Christus,  den  Heer,  verloochende;  onbewimpeld  bracht  hij 
hem  zijne  koninklijke  verplichting  onder  het  oog,  om  nl.  een 
einde  te  maken  aan  de  afgoderij,  en  den  waren  godsdienst 
te  bevorderen;  hij  waarschuwde  tegen  de  bisschoppen,  wier 
kunstgrepen  het  land  in  gevaar  zouden  brengen,  on  vermaande, 


592 

bijtijds  voorzorgsmaatregelen  te  nemen,  en  noodige  toebe- 
reidselen  voor  den  aanstaanden  rijksdag  te  maken.  —  De 
Koning  liet  het  verwijt  langs  zich  heen  glijden,  en  verklaarde 
slechts,  dat  hij  op  dit  oogenblik  niet  anders  kon  handelen; 
zoodra  de  oorlog  in  Lijfland  tegen  de  Rassen  geëindigd  was, 
wilde  hij  zich  aan  eene  ernstige  hervorming  der  Kerk  wij- 
den. <)  Sigismund  beloofde  aan  Laski  zijne  koninklijke 
bescherming  tegen  de  verdachtmakingen  zijner  vijanden,  en 
verklaarde  hem,  dat  hij  hem  beschouwde  als  in  zijnen  dienst 
staande,  nl.  als  secretaris  des  Konings,  tot  welken  post  zijn 
vader  hem  eertijds  benoemd  had.  ^)  Tevens  gaf  de  Koning 
hem  vrijheid,  om  niet  slechts  vergaderingen  van  den  adel 
en  van  de  geestelijken  ten  zijnent  te  houden,  maar  om  ook, 
zoo  vaak  het  hem  goeddacht,  zijne  geloofsgenooten  in  andere 
huizen  rondom  zich  te  vergaderen,  doch  alleen  tot  bevorde- 
ring van  den  godsdienst,  niet  om  onrust  te  verwekken.  — 
De  uitvoerig  medegedeelde  onderhandeling  ')  is  een  sprekend 
bewijs  van  de  wankelmoedigheid  des  Konings  en  van  zijnen 
schroom  om  het  beslissende  woord,  hetwelk  door  de  omstan- 
digheden zoo  dringend  gevorderd  werd,  uit  te  spreken,  doch 
ook  tevens,  dat  zijn  hart  zich  aan  die  zijde  bevond,  aan  welke 
ook  de  uitnemondsto  Polen  in  die  dagen  zich  geschaard  hadden. 
Van  zijn  verblijf  te  Wilna  werd  door  Laski  in  alle  op- 
zichten partij  getrokken.  Van  hooge  beteekenis  was  het  ver- 
trouwelijke samenleven  der  beide  groote  mannen,  Laski 
en  Rad zi wil.  De  Vorst  behoorde  tot  de  zuilen  der  Evan- 
gelische kerk  van  Polen,  en  werd  nu  door  het  samenleven 
met    den    Hervormer  krachtig  in  zijne  Evangelische  gczind- 

*)  >}Original"y  p.  509.  De  worstelingen  in  Lijfland  eindigden  eerst  in  1561 
met  de  onderwerping  van  Lijfland  aan  de  Poolsche  kroon. 

*)  Verg.  hierboven ,  blz.  98. 

^)  Deze  onderhandeling  is  een  boeiend  pendant  bij  de  bekende  anekdote,  dat, 
toen  in  dien  tjjd  Iladziwil  den  Koning  had  overgehaald,  om  op  zekeren  dag 
de  Evangelische  prediking  te  Wilna  bij  te  wonen,  de  wijbisschop  Cypriaoas 
de  paarden,  die  den  Koning  naar  de  vorstelijke  hofkapel  brachten,  in  de  teugels 
greep,  en  met  het  woord:  „Dat  is  niet  de  weg,  dien  L'wer  Majesteits  voor- 
vaderen plachten  te  gaan,  tot  bijwoning  van  den  godsdienst,  maar  daarheen!" 
den  wagen  deed  omkeeren  in  de  richting  der  Roomsche  kerk,  terwijl  de  Koning 
hel  zich  liet  welgevallen.  (L  u  k  a  s  j  e  w  i  c  z,  I,  12.) 


593 

heid  versterkt.  De  beide  mannen,  die  in  hunne  overtuiging 
en  in  hun  geheele  karakter  zooveel  punten  van  overeenkomst 
bezaten,  waren  welhaast  door  eene  innige  vriendschapsbetrek- 
king met  elkander  verbonden.  Met  zijne  edelmoedige  mildheid 
verleende  Kadziwil  aan  zijnen  onbemiddelden  vriend  eene 
vaste  jaarwedde;  bovendien  verzocht  hij,  Laski's  oudste 
dochter  in  zijne  familie  te  mogen  opnemen,  beloofde  haar 
voor  eenen  echtgenoot  uit  zijn  geslacht  te  zullen  zorgen,  en 
duizend  gulden  als  huwelijksgift  voor  haar  te  zullen  vast- 
stellen. 1)  —  Van  de  vergunning,  hem  door  den  Koning 
verleend,  maakte  La  ski  overvloedig  gebruik.  Zoowel  inde 
Latijnsche,  als  ook  in  de  Poolsche  taal  predikte  hij  bgkans 
dagelijks  in  de  slotkapel  van  den  Vorst,  tegenover  de  Jo- 
hannes-kerk,  onder  groeten  toeloop,  inzonderheid  van  de 
lieden  van  het  Hof  en  van  den  thans  zoo  talrijk  te  Wilna 
aanwezigen  adel.  Niet  weinigen  mocht  hij  daardoor  voor  het 
Evangelie  winnen,  zoodat  de  Roomsche  geestelijkheid  zich 
ongerust  begon  te  maken. 

Gedurende  dit  verblijf  te  Wilna  kwam  La  ski  ook  met 
eenige  Russische  geestelijken  in  aanraking.  Het  gerucht  der 
reformatorische  bewoging  was  zelfs  tot  Moskou  doorgedrongen, 
en  had  ook  aldaar,  in  het  verre  Oosten,  zoowel  op  sommige 
geestelijken,  als  ook  op  onderscheidene  leeken  zgnen  bezielen- 
den  invloed  geoefend.  Eene  in  155.4  in  de  hoofdstad  van  het 
Czarenrijk  gehoudene  kerkvergadering  had  zich  genoodzaakt 
gezien,  ettelijke  personen  van  wereldlgken  en  van  geestelijken 
stand  te  veroor deelen.  ^)    Aan  enkelen  van  hen  gelukte  het 

*j  Deze  dochter,  Barbara  gehceten,  kuwde  met  Stanislaos  Latomirski,  één 
van  des  Konings  geheimschrijvers.  (Zie  Wengierski,  p.  536,  welke  auteur 
het  echter  ten  onrechte  laat  voorkomen,  alsof  zij  de  éénige  dochter  van  Laski 
zou  zyn  geweest.)  Deze  Lutomirski  werd,  na  Laski's  dood,  Senior  van  het 
Pinczow'sche  ressort.  Lubienitzki  (p.  158  sq.)  rekent  Lutomirski  onder 
de  besliste  aanhangers  van  de  Antitrinitariërs;  de  opgaven  echter  van  dezen 
vriend  der  sekte  kunnen  slechts  met  groote  behoedzaamheid  worden  aangeno- 
men; nog  in  1560  verklaart  deze  schoonzoon  van  Laski  zich  op  de  heftigste 
w\jze  tegen  Stancarus  en  alle  degenen,  die  de  godheid  van  den  eeniggeboren 
Zoon  M:an  God  bestrijden  (verg.  „Scrinium",  III,  544).  De  bruiloft  had  plaats 
op  den  Ssten  Juli  1558,  in  de  nabijheid  van  Krakau.  (Calvijn,  XVII,  267.) 

^)    Verg.    F  e  c  h  n  e  r  ,    1 ,    25 ,   en  de  aldaar  vermelde  bronnen.    Onze  bron 

DALTON.  38 


594 

te  ontrlachten;  in  Maart  1557  kwamen  de  vluchtelingen 
i|i  de  residentie  van  den  vijand  des  Russischen  rijks  aan. 
De  zeven  vluchtelingen  waren  monniken  uit  het  St.  Basilius- 
klooster  in  Moskou;  met  hunnen  overste,  een  eerwaardig 
grijsaard,  die  zeer  ervaren  was  in  de  H.  Schrift,  kon  Laski 
het  alleszins  eens  worden.  Hetgeen  hij  van  hem  aangaande 
hunne  leer,  ook  met  betrekking  tot  het  H.  Avondmaal,  ver- 
nam, verraste  onzen  vriend,  en  voldeed  hem  zoozeer,  dat 
hij  hen  gaarne  als  broeders  erkende.  Zij  verhaalden,  dat, 
toen  zij  Moskou  heimelijk  verlieten,  ongeveer  70  Bojaren 
wegens  hunne  Evangelische  gezindheid  in  de  gevangenis 
smachtten,  en  dat  zij  meer  dan  500  broeders  in  Moskou  ken- 
den, die  in  het  verborgen  eene  gelijke  gezindheid  koesterden 
als  zij.  —  Na  verloop  van  eene  maand  keerde  Laski  terug 
naar  Klein-Polen,  het  eigenlijke  schouwtooneel  van  zijne  re- 
formatorische werkzaamheid  in  het  vaderland.  Zijne  reis  was 
niet  geheel  vruchteloos  geweest;  voor  zijne  verdere  werk- 
zaamheid had  hij  den  rechtsgrond  van  een  koninklijk  woord 
onder  zijne  voeten. 

In  Klein-Polen  had  het  Evangelie  reeds  in  broeden  om- 
trek wortel  geschoten;  men  telde  daar  thans  bereids  meer 
dan  30  kleine  gemeenten.  Dertien  jaar  geleden  had  de  hof- 
prediker  Lorenzo  Prasnicius,  in  zijne  ernstige,  verma- 
nende reden  te  Krakau,  aan  deze  beweging  den  eersten  stoot 
gegeven.  Door  zijne  predikatiën  was  in  1546,  te  gelijk  met 
zijnen  patroon  Stanislaus  Stadnicki,  ook  Felix  Cru- 
c i  ge r  voor  het  Evangelie  gewonnen  geworden,  in  die  vroegste 
dagen  één  van  de  belangrijkste  krachten  der  jeugdige  Evan- 
gelische kerk,  tot  aan  zijn  einde  superintendent  der  Evan- 
gelische kerk  van  Polen.  Ostrorog  nam  Cruciger  met 
zich  mede  naar  Groot-Polen,  alwaar  hij  reeds  spoedig,  ten 
huize  der  G  orka 's,  met  de  Boheemsche  broeders  in  aan- 
raking  kwam.    De  eerste  openlijke  stap  tot  de  Evangelisee- 

(„Original",  p.  600)  is  den  buitengewoon  vlijtigen  verzamelaar  ontgaaji.  Een 
paar  verdere  mededeelingen  aangaande  deze  leden  der  Russische  kerk,  meeren- 
deels  helaas  slechts  geruchten,  vindt  men:  „Original",  p.  691. 


595 

ring  geschiedde  door  den  manhaftigen  Nicolaus  Olesnitzki, 
die,  in  1550,  in  zijne  stad  Pinczow  de  monniken  uit  het 
klooster  verdreef,  de  ledige  kloosterhallen  in  eene  school  her- 
schiep, en  op  zijn  slot  een  eigen  Evangelischen  prediker 
had.  *)  Zijn  voorbeeld  werd  welhaast  door  andere  gelijk  ge- 
zinde adellijken  in  de  nabuurschap  gevolgd;  bereids  in  het- 
zelfde jaar  had,  naar  luid  der  synodale  protocollen,  te  Pinczow 
de  eerste  synode  plaats,  die  reeds  door  een  zevental  geestelijken 
en  leeraars  werd  bijgewoond.  Onder  hen  bevonden  zich  ook 
Cruciger  en  Stancarus.  Dezen  Mantuaan  hebben  wij  reeds 
eenmaal,  en  wel  als  hoogleeraar  in  de  Hebreeuwsche  taal  te 
Krakau  ontmoet.  Wegens  zijne  Evangelische  gevoelens  was 
hij  in  de  bisschoppelijke  gevangenis  in  het  slot  Lipowiec,  niet 
ver  van  Krakau  geworpen;  nadat  hij  door  zijnen  getrouwen 
dienaar  uit  den  kerker  was  bevrijd,  had  hij  de  school  in  het 
ledige  klooster  te  Pinczow  georganiseerd.  Zeer  belangrijk  is 
het  bericht  in  de  Protocollen,  dat  Stancarus  op  deze  eerste 
synode,  in  1550,  het  voorstel  deed,  om  het  Keulsche  Hervor- 
mingsplan van  den  aartsbisschop  Herman  v on  Wied  aan  te 
nemen,  en  dat  voorstel  ook  wist  door  te  drijven,  zoodat  het 
genoemd  ontwerp  aan  het  hoofd  staat  van  de  belijdenisschriften 
van  Polen.  Aan  het  einde  der  synode  werd,  volgens  Evan- 
gelischen ritus,  het  A^vondmaal  bediend;  van  de  zijde  van 
den  Adel  namen  daaraan  deel  de  slotheer  Nicolaus  01e s- 
nicki,  voorts  Stanislaus  Stadnicki,  Stanislaus  Las- 
socki,  Johan  Philipowski,  Christoph  Gnojewski 
en  Andreas  Modrzewski,  altemaal  mannen,  wier  namen 
wij  voortaan  als  getrouwe  belijders  van  het  Evangelie  telkens 
weder  ontmoeten. 

In  de  ontwikkeling  van  het  Protestantisme  kwam  nu  eene 
kleine  pauze.  De  gewelddadige  verdrijving  der  monniken  had 
ook  den  Senaat  verrast,  die,  wel  is  waar,  last  gaf,  dat  zij 
weder  in  hunne  rechten  zouden  worden  hersteld,  maar  die 
toch  geen  lust  gevoelde  om  te  zorgen ,  dat  het  bevel  stipt 
werd    ten    uitvoer   gebracht.    Martinus    Crovicki   hield 


1)  Krasinski,     I,  166. 


596 

wel  voortdurend  als  aangesteld  prediker  in  de  slotkapel  te 
Pinczow  zijne  Evangelische  godsdienstoefeningen;  nochtans 
eerst  in  1554  kwam  men  weder  bijeen  tot  het  houden  van 
eene  kleine  synode  (de  naam  der  plaats  is  in  het  Protocol 
onleesbaar).  Bij  die  gelegenheid  verklaarde  men,  zich  aan 
den  inhoud  van  het  Keulsche  Hervormingsplan  te  willen 
blijven  houden,  maar  het  geschrift  niet  openlgk  als  belijdenis 
te  willen  erkennen,  wijl  Stancarus  het  onder  zgnen  eigenen 
naam  had  uitgegeven,  maar  deze  naam  reeds  onder  verden- 
king lag,  terwijl  de  man  zelf  ook  reeds  uit  Polen  verbannen 
was,  zoodat  de  jeugdige  gemeente  moest  duchten,  om  den 
wille  van  den  geproscribeerden  naam  wellicht  zelve  als  aan- 
hangster van  Stancarus  met  zgne  nu  reeds  aan  den  dag 
getredene  antitrinitarische  gevoelens  te  worden  aangezien. 
Eeeds  op  deze  synode  sprak  men  van  eene  aansluiting  aan 
de  Boheemsche  broeders,  en  werd  aan  enkele  leden  opge- 
dragen, om  in  Groot-Polen  het  leven  en  streven  dezer 
„Waldenzen,''  gelijk  zij  in  de  Protocollen  genoemd  worden, 
nader  te  leeren  kennen.  De  Evangelischen  van  Klein-Polen, 
wien  het  aan  eene  invloedrijke ,  leidende  persoonlijkheid  ont- 
brak, gevoelden,  ten  gevolge  van  dit  gemis,  de  dringende 
behoefte  om  zich  met  een  reeds  bestaand,  goed  georganiseerd 
broederlijk  genootschap  te  verbinden,  en  hoopten,  in  eene 
nauwe  aansluiting  aan  deze  vluchteling-gemeenten  voor  die 
behoefte  bevrediging  te  zullen  vinden.  Dat  maakte  dan 
ook  hunne  afgevaardigden  geneigd,  om  op  de  gemeenschap- 
pelijke synode  te  Kozminek,  in  1555,  zich  in  dien  zin  met 
de  Boheemsche  broeders  te  vereenigen,  dat  zij  beloofden, 
hunne  belijdenis,  hunne  kerkorde,  kortom  hunne  geheele 
kerkelijke  inrichting  in  hunne  gemeenten  te  zullen  invoeren. 
Hoe  belangrijk  en  tevens  heilzaam  deze  unie  ook  was,  wel- 
ker totstandkoming  door  Calvijn,  Beza  en  Bullinger 
met  de  hartelijkste  gelukwenschen  werd  begroet,  toch  moeten 
wg  haar  als  te  haastig  gesloten  en  als  van  een  te  absorptief 
karakter  beschouwen.  Het  is  eene  gewaagde  onderneming, 
om  datgene,  wat  onder  geheel  verschillende  omstandigheden 
is    ontstaan,    nu    ook    voor  een  ander  land  met  gedeeltelgk 


597 

andere  eigenaardigheden  en  andere  behoeften  tot  band  en 
richtsnoer  te  maken.  De  Boheemsche  broeders  waren  met 
onwankelbare  piëteit  aan  hun  belijdenisschrift  van  1535  ge- 
hecht; dit  is  ook  zoo  alleszins  begrijpelijk.  Zij  hadden  er 
veel  in  gewijzigd,  totdat  Luther,  wat  de  bijzondere  leer- 
punten betreft,  eene  welwillende  voldaanheid  met  deze  hunne 
belijdenis  uitsprak  i);  daardoor  waren  belangrijke  bepalingen 
onduidelijk  geworden,  en  lieten  ook  eene  andere  uitlegging 
toe.  Na  verloop  van  tijd,  toen  men  zich  nauwer  aan  Cal- 
vijn  aansloot,  gaf  men  aan  die  andere  mogelijke  uitlegging 
eene  scherpere  uitdrukking,  die  bijkans  tot  eene  tegenstelling 
werd  van  hetgeen  Luther  in  de  oorspronkelijke  redactie 
had  gelezen.  Zezschwitz  beoordeelt  deze  veranderingen 
te  streng;  ze  zgn  meer  een  bewijs,  dat  het  ook  den 
Boheemschen  broeders  in  die  drukkende  tijden  aan  de 
uitstekende  persoonlijkheid  ontbrak,  die  aan  het  innige 
Evangelische  leven  der  lieden  de  duidelijke,  juiste  uitdruk- 
king der  leer  zou  hebben  kunnen  geven.  Maar  het  was  een 
misgreep,  zulk  eene  belijdenis  nu  ook  als  blijvende  oorkonde 
aan  eene  nog  in  wording  zijnde  Evangelische  kerk  met  een 
ander  voorleden  en  met  geheel  verschillende  omstandigheden 
op  te  leggen. 

De  Evangelischen  van  Klein-Polen  koesterden  het  ernstige 
voornemen,  om  getrouw  bij  deze  unie  te  volharden ;  zij  zouden 
toch  ook  zelven  in  dien  tijd  geen  betere  belijdenis,  geen  geschik- 
tere inrichting  hebben  kunnen  scheppen.  Van  deze  getrouw- 
heid aan  hunne  belofte  leggen  de  Protocollen  der  in  Januari 
1556  gehoudene  synode  te  Seczemin  een  schitterend  getui- 
genis af.  Toen,  een  vierendeeljaars  later,  eene  gemeenschap- 
pelijke synode  met  afgevaardigden  der  Boheemsche  broeders 
te  Pinczow  vergaderde,  werd  het  voorstel  om  La  ski  in  het 
vaderland  terug  te  roepen,  en  hem  de  leiding  der  Kerk  toe 
te  vertrouwen,  met  algemeene  stemmen  aangenomen.  ^)  De 


1)  Verg.  Zezschwitz  (I),  S.  153. 

2)  In  het  Protocol  leest  men :  ,,De  vocando  D.  Joanne  a  Lasco  ex  Germania 
communis  deliberatio  fuit,  quem  vocandum  esse  omnes  fratres  cum  magna  ani* 
moram  hilaritate  conBenserant." 


598 


tijding  van  dit  besluit  gewerd  Laski,  zooals  wij  weten,  te 
Frankfort,  In  Deüember  bevond  hij  zich  in  zijn  vaderland; 
den  l^n  Januari  1557  nam  bij  voor  de  eerste  maal  aan  eene 
pastorale  samenkomst  in  Polen  deel,  ')  Reeds  aanstonds  bij 
deze  eerste  zitting  begon  Laski  op  energieke  wgze  aan 
de  vervulling  van  zijne  taak,  en  spoedig  bemerkte  men  in 
alle  kerkelijke  zaken  de  werkdadige  hand,  die  de  teugels 
strak  aanhaalde,  en  met  beproefde  bekwaamheid  de  Kerk 
bestuurde.  Cruciger  bleef  wel  Senior,  doeh  Laski  aan- 
vaardde het  oppertoezichfc ;  reeds  na  verloop  van  een  jaar 
wordt  in  de  Protocollen  bij  zijnen  naam  de  eeretitol  van 
„Vader"  gevoegd. 

Allereerst  verzocht  a  La  se  o  om  eene  nauwkeurige,  woor- 
delijke mededeeling  van  de  overeenkomst  met  de  Boheemsche 
broeders,  alsook  om  inzage  van  hunne  belijdenis  en  liturgie. 
Deze  werden  hem  door  de  predikers  ter  hand  gesteld  met  de 
bede,  om  ze  nauwkeurig  te  onderzoeken  en,  waar  dit  noo- 
dig  was,  te  verbeteren.  Met  yver  ondernam  Laski  deze 
taak.  Aan  vele  punten  kon  hij  zijne  volle  en  hartelijke  toe- 
stemming schenken,  inzonderheid  wat  betreft  de  vaststelling 
van  eene  gestrenge  en  ernstige  kerkelyko  tucht,  welke  de 
Boheemsche  broeders  sedert  lang  als  een  onmisbaar  bestand- 
deel hunner  kerkelijke  inrichting  uitoefenden,  en  welker  hooge 
waarde  voor  het  geheele  gemeenteleven  juist  thans,  in  de 
jaren  der  vervolging  en  ruatelooze  omzwerving,  op  zoo  schit- 
terende wijze  gebleken  waa.  Maar  voor  zgnen  helderen 
blik,  voor  zijn  grondig  doorzicht  konden  de  leemten,  de 
zwakke,  onvolkomena  zijden  in  de  belijdenis  en  de  gemeente- 
inrichting  der  Boheemsche  broeders  niet  lang  verborgen  blij- 

')  .Den  ronferentiü,  die  den  aSslïn  tlw,  wm  gtopcnd  geworden,  bod  pl»ti 
1«  IwMOwicio,  en  werd  door  i7  EnangBlistbe  prediter»  van  Klein-Poleii  be- 
iDchl.  Hit  Protocol  begroot  Lnakl  met  itic  woordene  ..Dfe  primi  Jtnuarii 
■una  IBEIT  lirBeiente  R.  D,  Joaane  a  I.aaco,  qui  tum  primn  redieos  id  Pitriani 
coDgregntioni  DiinUtroruui  intcrfuil.  D.  b  Laaco  ^ratifii^abDlur  eenleii»  Cbriiti 
cum  gratUrum  actïooe  pro  tanta  immenaa  Dei  bonitatis  bsncltcio,  qoiB  hoe 
praeititit,  qnod  Et  in  Pstmm  illum  sDlrum  dedaxit  et  ccclssiaEit  Chriati  eon- 
ipLoivndam  donavit.  Itidem  omnes  ministri  graltücabiintur  adicntum  ejui,  qui 
Bsmpsr  einptatisBimua  umnEbue  piia  fuit." 


ven;  de  latere  tijd  heeft  ook  aan  do  Broeders  zelvon  do  oogen 
daarvoor  geopend,  en  hen  er  toe  geleid  om  de  noodige  ver- 
beteringen aan  te  brengen.  Het  is  een  boeiend,  treifelijk 
Bchouwspet,  waarbij  de  liefde  en  hoogachting  voor  den  Pool- 
Bchen  hervormer  alechta  kan  toenemen,  wanneer  men  uit  de 
zoo  belangrijke  protocollen  de  wijeheid,  de  behoedzaamheid, 
het  klare  doorzicht  leert  kennen,  waarmede  onze  vriend  lang- 
zaam en  slechts  van  lieverlede  de  noodige  verbeteringen  tot 
gtaod  brengt.  Het  zou  hem  wellicht  liever  geweest  zijn,  in- 
dien hij  de  handen  geheel  vrij  had  gehad,  gelijk  weleer  te 
Londen.  Maar  hij  schikt  zich  naar  de  geslotene  overeenkomst, 
en  slechta  in  overeenatemming  met,  en  onder  goedkeuring  van 
do  Boheemache  zendboden  verkrijgt  hij  voor  zijne  Poolflche 
kerk,  met  betrokking  tot  hare  innerlijke  ontwikkeling,  telkens 
nieuwe  belangrijke  concessiën,  Aan  den  anderen  kant  weder 
bespeuren  wij ,  dat  hij  er  geenszins  op  uit  is ,  om  datgene , 
wat  te  Londen  op  uitnemende  wijze  gebleken  waa  proof- 
houdend  te  zijn,  eenvoudig  over  te  nemen.  Zijn  verhevene, 
onbevooroordeelde  geest  ia  niet  gebonden  aan  den  eencn  of 
andoren  vorm,  maar  laat  veeleer  den  vorm  zich  wijzigen  naar 
gelang  van  de  verschillende  omstandigheden. 

De  vele  grondige  beraadslagiugen,  die  onder  leiding  van 
Laski  plaats  vondon,  en  in  welke  hij  zijn  Hervormingswerk 
voor  Polen  ontwikkelde,  kunnen  wij  hier  onmogelijk  óén  voor 
één  schetsen.  Zij  volgen  elkander  spoedig  op.  Éénmaal  in  elke 
maand  werd  er,  telkens  op  eene  andere  plaats,  eene  predi- 
kanten-conferentie gehouden ;  meermalen  in  het  jaar  hadden 
er,  insgelijks  telkens  in  een  ander  oord,  provinciale  synoden 
plaats,  aan  welke  de  ouderiingen,  diakenen  en  patronen  deel- 
namen ,  en  bij  welke  wij  schier  altoos  gaaten  aanwezig  zien. 
Nu  eens  zijn  het  afgevaardigden  van  de  Boheemscho  broeders, 
die  ten  allen  tijde  als  geloofegenouten  en  medestanders  har- 
telijk begroet  worden;  dan  weder  zijn  bet  Protestanten  uit 
Groot-Polen,  uit  Litthanen,  uit  Podolië  en  Volhynië,  die  zich 
door  den  naam  van  Laski  voelden  aangetrokken,  en  die 
begeerig  waren,  de  zoo  schoon  eti  krachtig  ontluikende  ge- 
meente-inrichting der  Evangelische  kerk  van  Klein-Polen  door 


600 

eigene  aanschouwing  te  leeren  kennen,  en  wellicht  nadere 
betrekkingen  aan  te  knoopen.  Bij  deze  gewestelgke  synoden, 
sloten  zich  algemeene  synoden  aan,  op  welke  de  Boheemsche 
broeders  met  hunne  geestelijke  en  wereldlijke  afgevaardigden, 
welke  laatsten  doorgaans  tot  den  hoogsten  adel  van  Groot- 
Polen  behoorden,  aanwezig  waren. 

Aanstonds  in  de  eerste  zitting,  aan  welke  La  ski  deelnam, 
drong  hij  er  op  aan,  dat  men  de  leeraren  niet  meer,  zooals 
tot  dusver,  waarschijnlijk  in  navolging  van  gelijke  usantiën 
bij  de  Boheemsche  broeders,  het  geval  was  geweest,  al  te 
dikwijls  de  plaats  hunner  werkzaamheid  tegen  eene  andere 
zou  doen  verwisselen^  maar  dat  men  hen  tot  vaste  predikers 
van  de  eene  of  andere  gemeente  zou  maken,  ten  einde  alzoo 
een  nauweren  band  der  gemeenschap  tusschen  leeraar  en  ge- 
meente te  knoopen.  Reeds  op  de  in  Juni  1557  gehoudene 
synode  te  Wlodzislaw,  aan  welke  ook  Boheemsche  afgevaar- 
digden deelnamen,  deed  La  ski,  namens  de  oudsten  en  leer- 
aren, tegenover  deze  bondgenooten  uitkomen,  dat  zij  van 
harte  bereid  waren,  de  bestaande  overeenkomst  met  hen  te 
onderhouden,  maar  dat  aan  de  kerk  van  Polen,  met  het  oog 
op  hare  zelfstandige  ontwikkeling,  eene  grootere  mate  van 
vrijheid  moest  worden  toegekend.  De  rechtmatigheid  van  dit 
verlangen  kon  door  niemand  betwist  worden.  Door  de  Evan- 
gelische kerk  van  Polen  met  geweld  in  het  kader  der  vluch- 
teling-gemeenten  uit  Bohème  te  willen  samenpersen,  zou  men 
ontegenzeglijk  aan  de  genoemde  kerk  groot  onrecht  aandoen. 
Daarbij  kwam,  dat  La  ski,  die  een  verheven  standpunt  innam, 
ook  hier  alle  zijne  krachten  wilde  inspannen,  om  de  geheele 
Evangelische  kerk  tot  eene  geslotene  éénheid  te  brengen.  Het 
kwam  er  op  aan,  de  Lutherschen  in  Groot-Polen  willig  te 
maken  tot  eene  vereeniging,  ten  einde,  aldus  te  zamen  verbon- 
den, de  steeds  sterker  wordende  aanvallen  der  zich  weder  ver- 
mannende Roomsche  kerk  af  te  weren,  en  het  recht  van  het 
Evangelische  bestaan  verder  uit  te  breiden.  Het  verlangen, 
om  aan  de  Evangelische  kerk  van  Klein-Polen  meer  vrijheid 
van  beweging  te  verschaffen  en  om  het  genoemde,  zoo  vurig 
gewenschte    doel    ten  aanzien  van  Groot-Polen  te  bereiken, 


601 

bewoog  hem,  zich  onafhankelijker  te  maken  van  de  overeen- 
komst te  Eozminek. 

Een  verdere  arbeid,  dien  La  ski  voorbereidde,  was  de 
overzetting  van  de  H.  Schrift  in  de  Poolsche  taal.  Polen 
kende  het  Woord  Gods  nog  niet  in  de  taal  des  volks.  *)  Er 
werd  eene  Commissie  gekozen,  bestaande  uit  aanzienlgke, 
vrome  adellijken,  ten  einde  de  benoodigde  gelden  tot  dekking 
van  de  niet  onbelangrgke  kosten  bijeen  te  brengen.  De  bij- 
zondere leden  dier  Commissie  wisten  in  hunne  omgeving  de 
noodige  voorschotten  te  verkrijgen,  die  later  uit  den  verkoop 
van  het  boek  langzamerhand  zouden  worden  terugbetaald. 
In  de  leeraren  der  school  te  Pinczow  meende  men  de  noodige 
krachten  voor  het  zware  en  gewichtige  werk  der  overzetting 
te  bezitten.  Rector  der  school  was  Gregorius  Orsatius, 
een  Pool.  De  bedoelde  taak  werd  toevertrouwd  aan  hem  en 
zijne  beide  ambtgenooten,  Petrus  enJohannesGallus, 
welke,  gelijk  hun  naam  te  kennen  geeft,  uit  Frankrijk  af- 
komstig waren,  en  die  de  Poolsche  taal  bereids  in  zooverre 
machtig  waren,  dat  zg,  ook  al  konden  zij  zelven  haar  nog 
niet  volkomen  zuiver  spreken,  nochtans  in  staat  waren, 
een  juist  oordeel  te  vellen.  ^)  Het  werk  vorderde  slechts 
langzaam;    na   verloop    van    drie   jaren    was  van  het  Oude 


1)  Ren 8 8  ([2e  Abth.]  S.  206)  kent  [uit  vroegeren  tijd]  slechts  eene  vertaling 
van  het  Psalmboek  uit  het  jaar  1390,  vervaardigd  voor  koningin  Hedwig, 
en  in  1834  door  Dunin  opnieuw  uitgegeven.  [6  rass  e  („Liter.-Gesch.**,  5,  484) 
gewaagt  nog  van  een  ander,  ouder  Psalter,  alsmede  van  een  gedeelte  van  het 
O.  T. ,  uit  het  jaar  1455.  Verg.  Reuss,  a.  a.  O,  —  Vert.] 

2)  Zóó  uit  zich  Statorius  zelf  (verg.  C  a  1  v  \j  n  ,  XVII,  p.  426).  De  genoemde 
Petrus  Gallus  is  de  bekende  Petrus  Statorios  uit  Thiunville,  die,  wel  is  waar, 
de  geschriften  van  Servet  uit  Genève  met  zich  naar  Polen  had  gebracht  (L  u- 
b  i  e  n  i  t  z  k  i,  p.  148),  maar  die,  tot  1560,  briefwisseling  hield  met  Calvijn,  en 
alle  homogeniteit  met  de  Antitrinitariërs  beslist  loochende  (verg.  Calvin, 
XVII,  pp.  420  en  600),  maar  die  vervolgens,  na  Laski's  dood,  tot  de  Anti- 
trinitariërs overging.  —  De  genoemde  Johannes  Gallus  is  Johannes  Thenan- 
dus,  geboortig  uit  Bourges  in  Frankrijk,  die  als  jongeling  te  Genève  kwam 
(1.  1.  XVI,  p.  98),  en  daarop,  waarschijnlijk  door  bemiddeling  van  Lismanini, 
eene  aanstelling  kreeg  aan  de  school  te  Pinczow.  Beide  Franschen  waren  de 
Hebreeuwsche  en  de  Grieksche  taal  machtig,  en  konden  in  dit  opzicht  den 
Poolschen  rector  van  dienst  zijn ;  het  is  echter  te  betwijfelen,  of  hunne  Poolsche 
taalkennis  groot  genoeg  geweest  is,  om  eene  behulpzame  hand  te  kannen  bieden. 


6U2 


Teatamont,  gelijk  de  protocollen  van  de  Pinczow'schp  synode 
van  16  Januari  1560  betuigen,  eerst  de  Pontateucb  in  hand- 
schrift gereed.  Ergerlijke  oneonigheden  deden  zich  voor.  Or- 
satiiis  verlangde  voor  zijnen  arbeid  betaling,  waarschijnlijk 
omdat  hij  er  over  ontstemd  was,  dat  men  hem  bij  de  Synode 
van  antitrinitarische  gevoelens  had  beticht ;  aan  den  heer  van 
Pinczow,  Oleanitzki,  werd  opgedragen,  om  in  te  vorderen 
hetgeen  van  de  vertaling  gereed  was.  Een  nauwkeurig  on- 
derzoek deed  zien,  dat  Orsatius  van  de  vertaling  had  ge- 
bruik gemaakt,  om  zijne  antitrinitarische  gevoelens  bedektehjk 
in  te  voeren.  ')  Daardoor  kwam  de  arbeid  te  vervallen  en 
bleef  een  torso,  van  welken  men  niet  weet,  wat  er  van  ge- 
worden is  j  de  Protocollen  berichten  slechts ,  dat  de  Synode 
Orsatius  voor  zijne  moeite  heeft  achadeloosgesteld.  Na  ver- 
loop van  tijd  waa  het  vorst  Radziwil,  die  er  voor  zorgde, 
dat  de  gewichtige  arbeid,  welke  niet  langer  kon  worden  uit- 
gesteld, weder  opnieuw  werd  ter  hand  genomen,  terwijl  hij 
in  groothartige  vrijgevigheid  de  kosten  geheel  voor  zijne  re- 
kening nam.  Wie  aan  deze  overzetting  heeft  gearbeid,  ligt 
nog  in  het  duister;  vele  namen  zouden  wij  kunnen  noemen, 
die  in  de  verschillende  berichten,  nochtans  slechts  bij  wgze 
van  gerucht,  worden  vermeld ;  enkele  namen  zijn  klaarblijkelijk 
vakch,  gelijk  bepaaldelijk  die  van  onzen  Laski,  na  wiens  dood 
eerst  de  palatijn  van  Wilna  de  zaak  ter  hand  nam.  Slechts 
zooveel  staat  vast,  dat  deze  overzetting  voorspoediger  voort- 
gang gehad  heeft.  Reeds  in  1563  zag  zij  het  licht  te  Brest- 
Litew'sk,  welke  stad  aan  Radziwil  behoorde,  en  alwaar  hij 
door  den  ons  alroode  bekenden  boekdrukker  Wojowodka 
een  drukkerij  had  doen  oprichten.  =)  Het  tragische  lot  dezer 


>)  Vsrg.  het  bnrieht  »a  Stttorias  un  Culvijn.  dd.  EO  iag.  lSt9  (Ca1*üa, 

XVII,  p.  aog). 

>)  Wurom  Rensa  ([2c  A.]  S.  217)  deie  ovenettlog  pcds  DoiUrUcbc  ntwmt, 
i)  ipij  niet  duideJijk.  Zou  die  opgave  ook  eome  beruaten  op  eene  verwirring 
met  het  ni«t  in  druk  verscheniD  werk  vm  Orsiiti[i9?  Het  ia  «cl  de  moeite 
wi&rd,  de  RadtiRirachi:  arerzetting  met  tictretking  IdI  dit  puat  ran  bocbul- 
diging  een*  did  een  niawkeuriger  onderioik  te  onderKcrpeo.  Ei«mpUreTi  van 
die  tertaling  beb  ik  in  de  HerrDrmde  kerken  te  Ke^'ilan  ,  Ie  Wirarhnii,  Ir 
Wilna  en  uiden  aangetroffen, 


overzetting  is  bekend.  Hetgeen  do  Evangeliseh-gezinde  vader 
in  de  milddadigste  liefde  aan  zijn  volk  had  geschonken,  dat 
heeft  de  zoon,  die  zich  door  de  overrodangfikunat  dor  Jezuïeten 
in  den  schoot  der  Roomsche  kerk  heeft  laten  terugvoeren , 
met  gelijken  niilden  ijver  weder  aan  zijn  volk  ontnomen; 
ja,  het  kostte  hem  nog  meer,  om  de  gehate  Bijbels  weder 
op  te  koopen  en  aan  den  brandstapel  over  te  geven.  De 
ettelijke  exemplaren,  die  aan  de  toenmalige  verdelgingswoedo 
zijn  ontgaan,  worden  heden  ten  dage  bijna  als  een  heiligdom 
in  waarde  gehouden. 

Met  betrekking  tot  de  inwendige  ontwikkeling  der  kerkelijke 
inrichting  was  er  een  merbare  vooruitgang.  In  do  bgzondore 
gemeenten  werden  ouderlingen  en  diakenen  benoemd.  Met 
groote  zorgvuldigheid  werd  een  belydenisschrift  in  dePooIsche 
taal  opgesteld  en  uitvoerig  besproken.  Spoedig  na  den  dood 
van  Laski  en  in  de  schromelijke  verwarringen  van  den  tijd 
schijnt  die  belijdenis  zoekgeraakt,  en  later  door  debelijdeniB 
van  Sendomir  geheel  en  al  in  vergetelheid  gekomen  tozijn; 
het  is  onzeker,  of  zij  in  druk  is  verschenen;  ook  het  hand- 
schrift schijnt  verloren  geraakt  of  vernietigd  te  zijn.  Ala 
catechismus  diende,  naar  alle  waarschijnlijkheid,  het  uit- 
treksel uit  den  Emdenschen  catechismus ,  overgezet  in  de 
landstaal.  ')  Ook  van  dit  boekje  is  mij  tot  dusver  geen  enkel 
exemplaar  voorgekomen,  wel  een  bewijs,  hoe  duchtig  de 
Jezuïeten  zich  beijverd  hebben  om  alle  sporen  van  dien 
Evangclischen  iijd  van  Polen  uit  te  wisschen. 

Met  ijver  zorgde  men  voor  de  oprichting  van  geschikte 
Evangelische  scholen.  De  voornaamste  school  was  die  te  Pinc- 
zow ;  zij  had  bekwame  leeraren ,  en  verheugde  zich  spoedig 
in  het  bezit  van  ecnen  goeden  naam.  Elk  kwartaal  moesten 
hier  de  leerlingen  twaalf  groschen  in  eene  gemeenschappelijke 
kas  storten;  het  geheele  bedrag  werd  vervolgens,  aan  het 
einde    des   jaars,    onder    de   leeraren,  naar  gelang  van  den 

I)  In  het  Protocol  vin  dtn  Sdfo  JdÜ  HüT  loeit  men  dicnsangiandE  slccbU 
hst  nayalgcadc:  „Coocluiiu  hi'la  ol  de  Citechitmo.  Citccbiiini  mïaorii  [orina. 
ËadeiL  jam  revi»  et  dcunpts  jo  Dfflnibua  «calMÜ*  Bcrtiii  dsbet  ibiqne  kliqu 


604 
door  elk  gepresteerden  arbeid,  verdeeld.  Op  gelgke  wnze  zal 

gaafde  leerlingen  werden,  ingeval  zij  zich  aan  den  dienst 
der  Kerk  wilden  wijden,  zooveel  mogelijk  de  middelen  ver- 
strekt om  buitenlandsche  hoogescholen  te  bezoeken,  bij  voor- 
keur in  Zwitserland  en  te  Straatsburg.  Welhaast  bezat  de 
Synode  eene  eigene  drukkerij;  deze  was  te  Pinczow  geves- 
tigd, eene  tweede  later  desgelijks  te  Brest.  De  Synode  hield 
een  waakzaam  oog  op  de  drukwerken;  de  steeds  sterker 
wordende  antitrinitarische  beweging  noodzaakte  haar  tot  den 
voorzichtigheidsmaatregel,  dat  in  deze  drukkerij  slechts  boeken 
met  goedkeuring  van  de  Synode  mochten  worden  uitg^even. 

Tot  het  onderhoud  van  Kerk  en  School  werden  groote  oflFers 
van  den  Adel  gevorderd,  en  door  dezen  ook  bereidwillig  ge- 
bracht. Ontzagwekkend  zijn  de  schenkingen  van  sommige  fa- 
miliën,  gelijk  die  van  den  groothartigen  Bad zi wil,  dieeene 
geheele  reeks  van  kerken  bouwde,  en  ze  ook  voor  de  toekomst 
rijkelijk  van  het  noodige  voorzag.  In  alle  kerken  waren  bussen 
geplaatst,  om  de  door  de  gemeenteleden  afgezonderde  gaven 
te  ontvangen;  de  bijdragen  vloeiden  in  de  gemeenschappe- 
lijke, door  de  Synode  beheerde  kas,  uit  welker  middelen 
de  uitgaven  der  Kerk  gedekt  werden.  Het  verdient  wel  eene 
opzettelijke  vermelding,  dat,  ofschoon  de  Evangelische  kerk 
des  lands  over  geene  andere  middelen,  dan  alleen  over  de 
vrijwillige  liefdegaven  beschikte,  daar  de  Roomsche  kerk 
in  het  bezit  bleef  van  hare  aanzienlijke  vaste  goederen^  de 
Synode  er  zich  nochtans  tegen  verzette^  dat  men  zich  aan 
de  vaak  kostbare  kerkgereedschappen  zou  vergrgpen;  zg 
moesten  zorgvuldig  bewaard  worden  en  ter  beschikking  des 
Konings  blijven.  ^) 

Het  spreekt  vanzelve,  dat  in  eene  gemeente-inrichting,  die 
onder    de   leiding  van  La  ski  stond,  ook  aan  de  kerkelijke 


1)  Meer  dan  eens  hebben  de  Protocollen  schendingen  dezer  bepaling  te 
wraken ,  en  eigenmachtige  toeëigening  van  kerkelijk  goed  te  bestraffen.  De 
verzoeking  was  zoo  groot.  Maar  zoo  menigmaal  zulk  eene  klacht  werd  inge- 
diend, was  de  Synode  eenstemmig  voor  de  berisping,  en  de  overtreder  onder- 
wierp zich;  de  bewustheid  van  het  onrecht  was  levendig. 


605 

tucht  eene  belangrijke  plaats  werd  ingeruimd.  Zoowel  de 
synoden^  als  ook  de  maandelijksche  predikanten-conferenties 
zagen  zich  geroepen^  om  krachtig  de  hand  te  houden  aan 
de  kerkelijke  tucht.  In  dit  opzicht  doen  zij  ons  denken  aan 
den  Coetus  in  Oost-Friesland.  Slechts  op  dit  punt  heeft  hier 
eene  uitbreiding  plaats,  dat  ook  het  wereldlijke  lid  der  ge- 
meente voor  het  forum  der  Synode  gedaagd  werd.  Het  is  een 
schitterend  bewijs  van  de  herscheppende  kracht  des  Evan- 
gelie's,  hetwelk  ons  in  de  zonder  aanzien  des  persoons 
geoefende  kerkelijke  tucht  in  menig  treffend  voorbeeld  wordt 
voor  oogen  gesteld.  Deze  louterende  kracht  betoonde  zich 
in  de  jeugdige  Evangelische  gemeenten  sterk  genoeg,  om  de 
in  die  ruwe  dagen  zoo  spoedig  ontwaakte  zucht  tot  veete 
te  beteugelen,  en  de  vergramde  edelen  er  toe  te  bewegen, 
om  elkander  in  tegenwoordigheid  van  de  vergaderde  synode 
de  hand  der  verzoening  te  reiken.  Private  geschillen  werden 
hier,  in  den  kring  der  broederen,  vreedzaam  beslecht,  en 
de  mannen,  die,  alvorens  zij  onder  den  invloed  van  het 
Evangelie  kwamen,  in  hunnen  toorn  slechts  naar  wraak 
hadden  gedorst,  onderwierpen  zich  thans  gewillig  aan  de 
uitspraak  hunner  geloofsgenooten.  Ernstige  berisping  werd 
ernstig  en  onbewimpeld  uitgesproken,  en  ernstig  en  deemoedig 
aangenomen;  menige  echtelijke  twist  werd  in  der  minne  bij- 
gelegd, of  anders,  ingeval  de  band  van  huwelijkstrouw  was 
verbroken,  werd  de  scheiding  uitgesproken.  Bijaldien  er  tegen 
de  ambtsvervulling  der  leeraren  klachten  werden  ingediend, 
werden  deze  onderzocht,  en  de  klager  of  de  aangeklaagde  aan 
vermaning  en  bestraffing  onderworpen.  Zeer  streng  ging  men 
te  werk  tegen  de  antitrinitarische  dwaalleer,  die  zich  in  steeds 
verderen  omtrek  verspreidde.  Laski  begreep  het  gewicht  van 
deze  valsche  leer,  en  voorzag  het  ernstige,  onherstelbare  na- 
deel, hetwelk  de  Evangelische  kerk  van  Polen  zou  treffen, 
indien  deze  kerk-ontbindende  denkwijze,  die  juist  destijds  in 
Polen  in  zekeren  zin  in  de  lucht  zat,  verderen  ingang  mocht 
vinden.  Op  dit  punt  kende  hij  geene  toegevendheid,  geene 
verdraagzaamheid,  want  de  verderfelijke  leer  legde  de  bgl 
aan   den    wortel    der    Christelijke  heilswaarheid.  Menigmaal 


C06 

TiDden  wg  in  de  Protocollen  Teimeld.  hoe  de  een  of  uid^ 
zu;h  bad  te  reehtraardigen  ten  aanzien  ran  de  Terdenking. 
dat  hg  tot  deze  9ekte  behoorde.  Aan  sommigen  gehikte  het. 
en  zij  konden  voor  de  Synode  die  verdenking  piechdg  Tan 
zich  werpen;  anderen  weder  volhardden  in  bonne  dwaling, 
en  werden  alsdan  onverbiddelgk  nit  de  gemeenschap  Ter- 
bannen.  —  Het  klinkt  als  eene  kleine  Pastoraal-cheologie , 
wanneer  wij  alle  de  plaatsen  bgeeoverzamelen.  in  welke  in  de 
synoden  aan  de  leeraren  voorschriften  voor  hon  gedrag  in 
hun  ambt  gegeven  worden,  wat  hnn  plicht  is  tegenover  den 
Heer  en  de  gemeente,  wat  zg  echter  ook  naar  recht  ran 
de  gemeente  mogen  verwachten.  De  d^elijkste  en  vroomste 
leden  der  gemeente  waren  toch  als  oudsten  t^enwoordig,  niet 
als  stilzwijgende  toehoorders,  die  slechts  gerechtigd  waren  om 
ti>e  te  luisteren,  maar  veeleer  als  mede-beraadslagers ,  en 
daardoor  gewillig  en  bereid,  om  den  gemeenschappelgken 
raadslag  tot  daad  te  doen  worden. 

Verbazingwekkend  is  de  bedrijvigheid,  die  de  bejaarde 
hervormer  ook  thans  nog  met  jeugdigen  gver  ontwikkelde, 
en  wel  moet  het  eene  gzeren  wilskracht  geweest  zgn,  die 
hem  in  staat  stelde,  om,  ondanks  zijn  ziekelgk  lichaam,  tel- 
kens weder  opnieuw  het  zware  dagwerk  te  hervatten.  Menig- 
maal berichten  de  Protocollen,  dat  de  eerwaardige  „Vader" 
door  krankheid  belet  werd,  aan  de  vergadering  deel  te  nemen. 
Het  schijnt,  dat  Laski  voor  zich  en  de  zgnen,  die  hem 
weldra  naar  Polen  gevolgd  waren,  te  Pinczow  eene  vaste 
woonstede  gekozen  heeft.  Intusschen  was  hij  nn  niet  veel  te 
huis,  en  een  aangenaam,  innig  familieleven  kon  de  Hervormer 
zich  niet  gunnen.  De  snel  op  elkander  volgende  synoden 
noodzaakten  hem,  zich  nu  her-,  dan  derwaarts  te  begeven. 
Zijn  onvermoeide  streven,  om  de  geheele  Evangelische  kerk 
van  Polen  tot  één  te  brengen,  noopte  hem  tevens  bg  herha- 
ling, om  de  grens  van  Klein-Polen  te  overschrgden. 

Zoo  zien  wij  hem,  in  het  midden  van  Februari  1558,  zich 
naar  Koningsbergen  begeven,  ten  einde  bij  hertog  Al brecht 
voor  dezen  zgnen  vurigen  wensch  werkzaam  te  zijn.    Reeds 


607  « 

het  jaar  te  voren,  toen  Laski  te  Wilna  vertoefde,  was  het 
zijn  voornemen  geweest,  den  Hertog  te  bezoeken.  Indien 
hij  er  in  mocht  slagen,  het  met  de  Pruisische  predikers 
eens  te  worden,  dan  zou  de  gewenschte  vereeniging  met 
Groot-Polen  zooveel  gemakkelijker  zijn  gemaakt.  Slechts  lang- 
zaam ging  de  reis  voorwaarts;  overal  onderweg  kwam  het 
er  op  aan,  met  de  hoofden  der  Evangelische  beweging  in 
verbinding  te  treden,  en  hen  voor  zgn  lievelingsplan  te  winnen. 
Den  IS^en  Maart  treffen  wij  hem  te  Goluchow,  ten  huize 
van  één  zijner  verwanten,  Baphaël  Leszczinski,  die  zich 
met  de  Ostrorog^s  vroegtijdig  bij  de  Boheemsche  broeders 
had  aangesloten;  acht  dagen  later  bevindt  hij  zich  te  Ea- 
lisch,  alwaar  hij  de  voorrede  schrijft  voor  het  door  Uten- 
h  o  V  e  opgestelde  bericht  van  de  beproevingen  in  Denemarken. 
In  het  begin  van  April  komt  hij  te  Koningbergen  aan.  Het 
was  een  ongunstige  tijd,  die  paar  weken  van  zijn  verblgf 
aan  het  hertogelijke  hof.  Nog  doortrilden  de  Osiandrische 
geschillen  op  smartelijke  wijze  de  kerken,  en  de  gemeenten, 
die  in  dien  strgd  mede  waren  betrokken  geworden,  gevoelden 
de  treurige  gevolgen  van  deze  onbehaaglgke  twisten.  De 
Hertog  was  geheel  onder  den  invloed  van  zijnen  hofprediker 
Funk;  de  domprediker  Vogel  had,  op  bevel  van  den 
Hertog,  juist  eene  kerkorde  opgesteld,  welker  inhoud,  volgens 
de  opzettelgk  ingewonnen  adviezen  der  godgeleerden  teWit- 
tenberg,  te  Tubingen  en  te  Straatsburg  geheel  in  overeen- 
stemming was  met  de  H.  Schrift  en  met  de  Augsburgsche 
geloofsbelijdenis.  ^)  Reeds  dat  met  goedkeuring  van  Me- 
lanchthon  het  excorcisme  bij  den  doop,  als  eene bijgeloo- 
vige  formule,  in  deze  kerkorde  was  weggelaten,  had  de 
opgewonden  gemoederen  in  het  harnas  gejaagd ;  de  strijdvoe- 
renden  zagen  scherp  toe  op  alles,  wat  Philippistische  of  zelfs 
Calvinistische  tendenties  scheen  te  verraden. 

Den  14den  April  had  Laski  met  de  geestelgken  der 
hoofdstad  en  der  provincie  een  godsdienstgesprek  over  het 
H.  Avondmaal.   Het  gevolg  liet  zich  vooruit  berekenen.    De 


1)  Ha  8  e,  S.  268. 


608 

geestelijken  hielden  onwrikbaar  rast  aan  hun  geToelen,  dat 
het  lichaam  Tan  Christoa  lichamelijk  in  en  met  het  brood 
bij  het  H.  Avondmaal  aan  geloorigen  en  aan  ongelooTigen 
wordt  aangeboden,  en  met  den  mond  lichamelgk  wordt  ver- 
teerd. Zijne  ernstige  bedenkingen  tegen  eene  leer,  yoor  welke 
hij  zoo  volstrekt  geene  bewgzen  in  de  H.  Schrift  kon  vinden, 
fiet  Laski  des  anderen  daags  schriftelgk  achter.  ')  Ditschrif- 
telgk  oordeel  werd,  naar  't  schgnt,  door  de  Eoningsbcrg- 
sche  godgeleerden  onbeantwoord  gelaten;  denkelijk  zou  het 
hnn  moeielijk  gevallen  zijn,  een  afdoend  antwoord  te  geven. 
Het  verdient  alleszins  onze  opmerking,  hoe  Laski,  alsof 
hij  een  Evangelisch  godgeleerde  der  19^«  eeuw  was,  er  ook^ 
in  dit  geschrift  nadruk  op  legde,  dat,  in  weerwil  van  het 
verschil,  hetwelk  men  duidelgk  en  zuiver  had  doen  uitko- 
men, ook  ten  aanzien  van  dit  leerpunt  genoegzame  over- 
eenstemming bestond,  om,  met  voorbijzien  van  de  puntmi 
van  scheiding  wat  betreft  de  opvatting,  elkander  de  broe- 
derband te  reiken.  Nadat  Laski  aan  het  slot  van  zgne 
uiteenzetting  zijn  gevoelen  beknoptelgk  heeft  samengevat, 
eindigt  hij  met  deze  woorden:  „Zulks  hebben  wij  ten  allen 
tijde  beleden,  en  wij  houden  ons  ten  volle  verzekerd,  dat 
deze  leer  zoowel  met  de  Schrift ,  als  met  de  oude  symbolen, 
gelijk  ook  met  de  Augsburgsche'  belijdenis  in  overeenstem- 
ming is.  Wij  beweren  tevens,  dat  zij  voldoende  is,  om  het 
fundament  der  Apostolische  leer  in  de  gemeente  van  Christus 
naar  de  Schriften  vast  te  houden,  al  kunnen  wy  ook  voor 
het  overige  nog  niet  tot  overeenstemming  komen.  Laat  ons 
God  smeeken ,  dat  wij  eenmaal  ten  aanzien  van  alle  punten 
in  gelgken  geest  mogen  denken  en  spreken.  Doch  inmiddels 
behooren  wg  elkander  wederzgds  in  christelijke  liefde  en 
broederlijke  gezindheid  te  verdragen ,  voomamelgk  wanneer 
het  ons  streven  is,  om  het  fundament  der  Apostolische  leer 
eenparig  aan  de  tirannie  van  den  Antichrist  tegenover  te 
stellen."  ^)  Dat  uitnemende,  vreedzame  christenwoord  stierf 
destijds  weg  als  een  vreemde,  onbegrepen  klank;  juist  drie- 


M  Kuyper,  IT,  755. 
^)  Ibid,  II,  p.  757. 


609 

honderd  jaren  bleef  het  verborgen  in  het  geheim-archief  te 
Koningsbergen.  Het  is  't  laatste  woord  van  La  ski  aan- 
gaande de  Avondmaalsleer  en  hare  beteekenis  voor  de  ver- 
eeniging  van  -de  Evangelische  kerken,  zijn  zwanezang  en  na- 
latenschap aan  eene  toekomstige,  meer  verzoenlijk  gezinde 
christelijke  gemeente.  Het  is  geschreven  in  de  hoofdstad  van 
het  pas  opgerichte  hertogdom ,  onder  de  oogen  van  den  eer- 
sten Hohenzoller  op  den  Pruisischen  hertogszetel,  en  dat 
woord  viel  toch  als  eene  veelbelovende  graankorrel  in  de  ziel 
van  diens  opvolgers,  tot  dan  eindelijk,  ruim  twee  en  eene 
halve  eeuw  later,  een  andere  Hohenzoller  op  den  Pruisischen 
koningstroon  in  de  andere  hoofdstad  ten  uitvoer  bracht  het- 
geen Laski  eertijds  met  zulk  een  vurig  verlangen  trachtte 
te  bereiken.  Maar  hoe  vele  bijkans  doodelijke  slagen  had 
middelerwijl  de  Duitsche  Evangelische  kerk  moeten  verduren! 
Hoe  ondoorzoekelijk  zijn  toch  Gods  oordeelen,  en  hoe  onna- 
speurlijk zijne  wegen! 

Ontmoedigd  vertrok  Laski  uit  Koningsbergen,  alwaar  hg 
de  geestelijken  in  hunne  verblindheid  in  de  ingewanden  der 
Kerk  had  zien  wroeten.  Ook  de  terugreis  door  Groot-Polen 
was  voor  onzen  vriend  rijk  aan  bittere  ervaringen.  De  steun 
eener  vereeniging,  dien  hij  te  Koningsbergen  met  zulk 
een  vurig  verlangen  had  gezocht,  was  uitgebleven;  de  na- 
werking daarvan  kreeg  hij  onder  de  Lutheranen  van  Groot- 
Polen  te  bespeuren.  Na  het  voorgevallene  in  Pruisen  was  men 
niet  geneigd^  de  toegestokene  broederband  aan  te  nemen,  en 
daarentegen  kortzichtig  genoegd  om  liever  in  kleingeestige, 
ondergeschikte  vragen,  ten  aanzien  van  welke  de  geschiedenis 
stilzwijgend  is  overgegaan  tot  de  orde  van  den  dag,  zgne 
kracht  te  verspillen,  dan  die  tegen  de  gemeenschappelijke 
wederpartij  aan  te  wenden.  Op  vele  plaatsen  zag  Laski  het 
door  Vergerius  en  de  oude  tegenstanders  in  Noor d-Duitsch- 
land,  Westphal,  Timann,  Alberus  en  anderen  uitge- 
strooide zaad  welig  opschieten.  Met  bedrij  vigen  spoed  ^  met 
rustelooze  haast  schreef  Vergerius  naar  alle  verblijven  van 
den  Poolschen  adel,  welke  hij  kon  bereiken,  brieven  om  te 
waarschuwen   tegen  den  man,  die^  volgens  het  oordeel  van 

DALTON.  39 


610 

Brenz,  geenszins  behoorde  tot  de  verwanten  der  Aogs- 
burgsche  belijdenis  ^).  De  taal  van  Vergerius  bereikte 
niet  overal  haar  doel;  de  persoonlijkheid  van  Laski  ontwa- 
pende te  spoedig  de  valsche  beschuldigingen.  In  andere  oorden 
daarentegen  nam  men  gaarne  van  zulke  aanklachten  uit  de 
verte  notitie,  ten  einde  de  bestaande  klove  tusschen  het 
Duitsche  en  het  Poolsche  element  en  het  daarmede  samen- 
hangende verschil  van  richting  nu  ook  kerkelijk  te  recht- 
vaardigen. Anderen  weder  —  en  dit  waren  ernstige,  vrome 
mannen,  —  moesten  zich  met  bezorgdheid  afvragen,  of  het 
wel  wenschelijk  was,  zich  te  verbinden  met  eene  persoonlgk- 
heid,  die  door  zoovelen  in  het  buitenland,  welke  men  als 
beschermers  van  het  Evangelische  heilsgoed  meende  te  moeten 
beschouwen ,  als  een  verdacht  en  niet  vol  wichtig  persoon  was 
afgewezen.  En  dat  alles  dicht  onder  de  oogen  van  den  zoo 
ijverigen  Ermelandschen  bisschop  Hosius! 

Voor  dezen  voornaamsten  held  der  zich  weder  herstellende 
Boomsche  kerk  schenen  de  tegenstanders  van  Laski  het 
noodige  materiaal  voor  zijne  aanvallen  te  willen  verzamelen. 
De  behendige  en  waakzame  Hosius  heeft  van  deze  laste- 
ringen overvloedig  gebruik  gemaakt.  Gelijk  hij  zich  van 
Westphal's  „Farrago"  bediende^  om  keizer Maximili aan 
aan  de  Roomsche  kerk  getrouw  te  doen  blijven,  zoo  was 
het  thans  een  geschrift  van  den  als  superintendent  te  Bran- 
denburg in  1553  gestorven  ErasmusAlberus^in hetwelk 
deze  zoo  onrustige  en  heftige  polemicus  op  duchtige  wgze 
tegen  de  aanhangers  van  Karlstadt  was  te  velde  getrokken, 
waarbg  hij  ook  onzen  Laski  niet  had  ontzien.  Tot  mgn 
leedwezen  heb  ik  het  bedoelde  geschrift  niet  onder  de  oogen 
gekregen,  zoodat  ik  niet  kan  opgeven,  hoe  Laski  in  dit 
gezelschap    werd   ingeprest  ^),     Maar   Hosius   heeft   hem 


1)  Men  vergelijke  b.v.  de  brieven,  in  welke  Vergerius  aan  hertog  Christoffel 
bericht  geeft  aangaande  zijne  werkzaamheid  te  dezen  aanzien  (Kausler,  S. 
160  ff.),  en  ga  in  de  briefwisseling  van  die  dagen  eens  na,  hoe  menigmaal  de 
ondermijnende  arbeid  van  den  Italiaan  in  Polen  vermeld  en  ook  misprezen  wordt. 
(Zie:  Calvijn,  XVI  en  XVII,  passim;  „Original'*,  p.  693,  en  elders.) 

>)    Ook    Laski   kende    het   strijdschrift    van  Alberas  niet,  en  had  ook  geen 


daarin  aangetroffen,  en  wel  als  terdege  gebrandmerkt,  en 
dat  was  voor  den  Katholiek  voldoende,  om  hem  in  zulk  eene 
door  de  Protestanten  zelven  vervaardigde  ketter-ltleedij  aan 
zijne  Poolsehe  landslieden  voor  oogen  te  stellen.  Het  geschrift 
van  den  Ermelandschen  bisschop  was  allereerst  gericht  tegen 
Tergeriue,  den  strijdvaardigsten  en  toen  ter  tijde  meest 
gevreesden  tegenstander  der  Roomsche  kerk,  die  het  drijven 
van  Lippomani  in  Polen  zoo  onmeedoogend  had  tentoon 
gesteld;  op  een  viertal  plaatsen  echter  van  het  strydscbrift 
veroorlooft  de  bisschop  van  Culm  zich  oene  breedere  uitwei- 
ding, ten  einde  het  hoofd  der  Hervormde  kerk  van  Polen  te 
treffen.  Het  is  niet  meer  de  moeite  waard,  het  geschrift  van 
H  o  8  i  u  s  grondig  te  beoordeelen  ' ) ;  menigmaal  wekt  het  onze 
verwondering ,  als  wij  zien ,  hoe  weinig  begrip  deze  voor- 
naamste en  geduchtste  tegenstander  der  jeugdige  Evangelische 
kerk  van  Polen  voor  de  Evangelische  waarheid  heeft  bezeten, 
en  wij  moeten  dau  bij  ons  zelven  bekennen,  dat  de  vereenigde 
Evangelische  kerk  er  gemakkelijk  in  zou  hebbeu  moeten  sla- 
gen, zich  tegen  zoodanige  wederpartijders  te  verdedigen. 

Niet  om  zijns  zelfs  wil,  maar  met  het  oog  op  de  door  hem 
voorgestane  zaak  gevoelde  L  a  s  k  i  zich  verplicht,  den  hom  ten 
aanschouwen  zijns  volks  toegeworpen  handschoen  op  te  nemen. 
Zulks  deed  hij  in  het  in  1559  verschenen  „Antwoord  op 
sommige  Artikelen  over  do  leer  van  Johannes  a  Lasco,  welke 
door  Stanislaus  Hosius  uit  Erasmus  Alberus  zijn  verzameld."  ^) 
Het  Latijnsche  strijdschrift  is  opgedragen  aan  den  edelen 
graaf  T  a  r  n  o  w ,  den  castellaan  van  Krakau ;  juist  tegenover 
deze  persoonlijkheid,  die  zoo  lang  aarzelde  om  den  beslis- 
senden  stap  te  doen,  en  onderwijl  de  vriendschap  van  Cal- 
rijn  verloor^),  wenschte  Laski  de  armzalige,  onwaardige 


Init  om  het  leua  (Kajper,  1,  308);  durom  Ustte  bij  de  >er>cbillcDde  pan- 
taa  UD.  gelijk  die  door  Hoaius  lijn  upgcnDtneQ. 

■)  Siit  beeft  iuIIib  gedaan  (S.  426),  voor  iDoier  het  legeDaobrirt  vin  Ver- 
gerini  hein  dnartoe  de  gelegenheid  bood, 

'■)  Afgedrulit  bij  Kuiper.  J.  301 — ld2,  volgens  bet  rrnige  aag  voorbandsn 
lijnde  exemplair,  betttelk  bebaort  atn  de  Kelieilqke  bibliotbcek  te  Petersburg, 

^)  Verg.,  bebalie  de  Ulr^ke  brieiea   »D  Cahijn,  Stihtlin,  H,  S9  ff. 


h 


612 

aanTallen  van  den  Cnlm'schen  bisschop  te  ontmaskeren.  Wel 
Iaat    onze    vriend    zich  hier  en  daar  door  zgnen  toom  OTer 
de   tegen  hem  ingebrachte  bescholdigingen  Termeesteren,  en 
zijne  rede  wordt  bitterder,  dan  w^  die  anders  bg  hem,  den 
hoogbeschaafden ,  vromen  man ,  gewoon  zgn  te  hooren.  Maar 
ook  nog  nergens,  voor  zoover  wij  weten,  was  Laski^sleer, 
die   hg    met   zgn   hartebloed  had  geschreven,  op  zulk  eene 
krenkende,    onwaardige,  ja,  men  zon  bgkans  zeggen:  laag- 
hartige wijze  misvormd,  als  in  het  libel  van  den  Koomschea 
bisschop   en   van  zgnen  strgdgenoot,  den  Brandenbnrgschen 
superintendent.  Een  enkel  voorbeeld  m(^  volstaan.  A^lberas 
schaamt   zich  niet,  aan  La  ski  de  leer  toe  te  schrgven,  en 
Hosins  schaamt  zich  niet,  die  onzinnige  bewering  aanzgne 
landslieden   mede   te  deelen:  „wanneer  wg  het  lichaam  des 
Heeren    eten,    dan    volgt  daaruit,  dat  Maria  haren  eig^ien 
zoon  heeft  gegeten,  gelijk  katten  en  zwgnen  menigmaal  hunne 
eigene  jongen  versHnden.''  Maar  reeds  genoeg!  Enmetznlke 
lieden    moest    onze   vriend   kampen,  en  moest  daarbg  zien, 
hoe    zg^    wegens  de  oneenigheid  der  Protestanten^  meer  en 
meer  terrein   wonnen:  dat  was  wel  de  bitterste  Igdenskelk! 
Oelgk^    tot   beperking    van  den  toenemenden  invloed  van 
Laski,  het  smaadschrift  van  Erasmus  Alberus  vanuit 
Duitschland  in  Polen  verspreid  werd,  zoo  werd  ook  West- 
phal  niet  moede,  met  zijne  lasteringen  onzen  vriend  tot  in 
zijn    vaderland    te  vervolgen,  en  door  zgne  booze  verdacht- 
makingen aan  den  voortgang  der  Hervorming  in  Polen  eene 
onberekenbare    schade    toe   te    brengen.    De  ,^Farrago''  van 
den  Hamburgschen  opperprediker  (1552)  was  het  eerste  gelui 
der    stormklok    geweest,    hetwelk   de  gestrenge  Lutheranen 
opriep  tot  eenen  onverbiddelijken  strgd  tegen  hen,  die,  met 
betrekking   tot   het  Avondmaal,  zich  met  Calvgn  en  Me- 
lanchthon    plaatsten    op    den    door   Luther  stilzwggend 
goedgekeurden  bodem  der  Augsburgsche  belijdenis  van  1540. 
De    lieden    werden  in  den  ban  gedaan,  ja,  —  het  treurige 
lot  der  vluchteling-gemeente  in  Denemarken,  te  Wismar,  te 
Lubeck  en  te  Hamburg  getuigt  het,  —   vogelvrg  verklaard, 
en  gevaarlijker  geacht  dan  Joden  en  Katholieken,  die  gerech- 


tigd  waren  om  zich  in  deze  oorden  te  vestigen.  Dien  eersten 
alarmltreet  heeft  "Weatphal  spoedig  door  verdere  geschriften, 
die  kort  na  elkander  het  licht  zagen,  laten  volgen,  onver- 
moeid, met  den  ijver  van  eenen  Spaansehen  inquisiteur,  al- 
hoewel niet  overal  toegerust  met  diens  macht.  Tn  de  opdracht 
van  zijne  „Forma"  aan  den  koning  van  Polen  had  Laski, 
gelijk  wij  weten,  zich  tegen  de  beschuldigingen  van  Timann 
in  Bremen  verdedigd,  en  daarbij  uit  noodzaak  een  paar  malen 
ook  van  West  ph al  gesproken.  Dat  was  voor  den  strijdvaar- 
digen  HamburgBchen  leeraar  voldoende,  om  een  heftig  te- 
genschrift  tegen  Laski  in  het  licht  te  zenden,  en  daarna 
nog  een  tweede,  als  antwoord  op  het  verdedigingsschrift,  het- 
welk een  paar  weken  daarna  door  de  vreemdeling- ge  meen  ten 
aan  de  Frankforter  magistraat  was  gericht.  Alsof  We stp hal 
zich  zelven  wilde  overtreiïen,  zoo  grimmig,  zoo  bijtend  is  dit 
antwoord,  voor  hetwelk  hij  intusschen  te  Frankfort  geen 
drukker  schijnt  gevonden  te  hebben,  want  het  is  in  het  na- 
burige Ursel  verschenen.  Het  geschrift  vond  welhaast  zijnen 
weg  naar  Polen.  Hosius  behoefde  er  niets  aan  toe  te 
voegen,  en  slechts  voor  de  algemeene  verspreiding  er  van 
te  zorgen,  want  eenen  geschikteren  schildknaap  voor  zijne 
aanvallen  kon  hij  niet  vinden.  Met  een  bloedend  hart  zag 
Laski  de  schromelijke  schade,  die  door  dit  smaadschrift 
in  zijn  vaderland  word  aangericht.  Tot  dusver  had  hij  op 
de  onwaardige  aanvallen  van  Westphal  gezwegen:  lan- 
ger te  zwijgen  achtte  hij  thans  echter  al  te  bedenkelijk.  En 
toch  bleef  hij  nog  gcruinien  tijd  aarzelen.  Het  geschrift  van 
Westphal  was  in  1557  verschenen;  het  antwoord  werd 
eerst  na  Laaki's  dood  in  het  licht  gegeven:  men  ziet,  hoe 
moeiel^k  het  hem  viel,  met  zulk  eenen  tegenstander  den 
strijd  aan  te  binden,  en  hoe  hg  er  slechts  noode  toe  kon 
besluiten ,  eene  kampplaats  te  betreden ,  waar  zooveel  rawe 
hartstocht  zich  als  een  onketend  element  zinverwarrenddeed 
gelden.  Reeds  de  eerste  regels  getuigen,  met  wolk  eenen 
tegenzin    Laski    den    strijd    aanvaardt  '),    Van  schrede  tot 


1)  Knjper,  I,  273. 


614 

schrede  volgt  hij  den  heftigen  tegenstander  in  zijne  beschul- 
digingen, die  hij  één  voor  één  woordelijk  mededeelt,  en 
daarna  telkens  uitvoerig  wederlegt.  Aan  de  doorgaans  kalme, 
steeds  heldere  >  weldoordachte,  zakelijke  beantwoording  kan 
men  bespeuren ,  hoe  spoedig  L  a  s  k  i  zgnen  tegenstander  ver- 
geet, en  alleenlijk  nog  de  zaak  zelve  in  het  oog  heeft,  en 
van  de  gelegenheid  gebruik  maakt,  om  anderen  aangaande 
het  ter  sprake  gebrachte  onderwerp  te  onderrichten.  Dezen 
indruk  moeten  allen  verkrijgen,  dat  a  La  se  o  zijn  oogmerk 
bereikt,  immers  duidelgk  aangetoond  heeft ^  dat  zijn  stand- 
punt méér  met  den  geest  der  Augsburgsche  belijdenis  over- 
eenkomt, dan  dat  van  den  tegenstander. 

Wij  keeren  thans  weder  terug  tot  het  tgdstip,  waarop 
onze  vriend,  diep  teleurgesteld,  zich  na  maandenlange  afwe- 
zigheid weder  huiswaarts  begaf.  In  de  nu  volgende  maanden 
van  den  levenstijd^  die  hem  nog  gegund  was,  bepaalde 
zijne  werkzaamheid  zich  tot  eene  engere  sfeer,  nl.  tot  den 
kring  zijner  gemeenten  in  Klein-Polen.  Nog  slechts  één- 
maal gaat  hij  buiten  dien  kring,  om  als  beschermer  van 
zijne  kerk  haren  verbitterdsten  vijand,  Hosius^  tot  eenen 
openlijken  kampstrgd  uit  te  dagen.  Op  de  synode  te  Petri- 
kau,  in  1551^  had  de  Ermelandsche  bisschop  snel  en  tevens 
overhaastig  eene  „Christelgke  belijdenis  van  het  Katho- 
lieke geloof'  ^)  samengesteld.  Men  verlangde,  dat  dit  ge- 
schrift zou  worden  in  het  licht  gegeven.  De  uitgave  werd 
vertraagd;  na  verloop  van  twee  jaren  verscheen  het  eerste 
deel,  met  de  pretensie,  éen  tegenhanger  te  zgn  van  de  Augs- 
burgsche belijdenis.  Frisius  Modrzewski  viel  den  op- 
pervlakkigen  arbeid  onmeedoogend  aan;  Hosius  zag  zich 
genoodzaakt  tot  eene  omwerking,  en  zoo  verscheen  het  vol- 
ledige werk  eerst  in  1557.  La  ski  las  het  geschrift,  en 
meende,  niet  te  mogen  zwijgen  op  hetgeen  de  Bisschop,  op 
zulk  eene  ongemotiveerde  en  ondoordachte  wijze,  aan  de  Evan- 
gelische   kerk  had  ten  laste  gelegd.    Hij  begaf  zich  tot  den 


I)  „Confessio  catholicae  fidei  christiaoa."  Verg.  Eichhorn,  1,  220  f. 


615 


Koning,  en  verzocht  hem  vergunning,  om  schikkingen  te 
mogen  treffen  met  Ho a lus  tot  het  houden  van  een  openbaar 
godsdienstgesprek.  Het  verzoek  werd  toegestaan ;  de  vice- 
kanselier  Padnowski  noodigde  daartoe  Laski  en  de  overige 
leeraren  uit.  Deze  tijding  braeht  in  Klein-Polen  groote  vreugde 
teweeg.  Aan  Lismanini,  Felix  Cruciger,  Gregorius 
Paulus,  Lutomirski  enSarnitzkl  droeg  de  Sjnode 
de  taak  op,  era,  in  vereeniging  met  a  Lasco,  de  belijdenlB- 
schriften  van  den  Bisschop  nauwkeurig  te  onderzoeken,  en 
zich  voor  den  beslissenden  dag  gereed  te  maken. 

Maar  die  dag  kwam  niet.  De  gebeurtenissen  op  staat- 
kundig gebied  beheerschten  omstreeks  dien  tijd  de  gemoederen 
in  zulk  eene  mate,  dat  de  godsdienstige  vraagstukken  op  den 
achtergrond  moesten  treden.  Wel  is  waar  had  graaf  Tar- 
now  op  den  rijksdag  te  Petrikau,  in  Januari  1559,  het 
voorstel  gedaan,  om  de  bisschoppen  uit  te  sluiten  van  den 
Senaat,  dewijl  zij  den  eed  van  getrouwheid  aan  den  Paus 
hadden  gezworen,  en  mitsdien  in  eene  degelijke  staatsin- 
richting ongeschikt  waren  om  raadsheeren  des  Koninga  te 
zijn  '),  en  was  er  alzoo  eene  nadere,  belangrijke  poging 
gedaan ,  om  den  invloed  der  Roomsche  geestelijkheid  te  be- 
perken. Maar  de  zomer  vestigde  de  algemeone  opmerkzaam- 
heid op  geheel  andere  zaken.  De  hitte  was  in  dit  jaar  zoo 
ongemeen  drukkend,  dat  het  graan  verschroeide,  zoodat  er 
hongersnood  dreigde  te  zullen  ontstaan ;  daarbij  herschiep 
de  zonnegloed  het  land  in  eene  heete  broeiplaata  voor  de 
pest,  die  van  alle  zijden  naderde.  ^)  De  Moskovieten  be- 
dreigden het  land  met  eenen  inval;  de  naweeën  van  eenen 
onlangs  voorgevallen  strooptocht  der  Tartaren  in  Podolië 
deden  zich  nog  steeds  gevoelen ;  ook  de  Scythen  hadden  dat 
ongelukkige  stroomgebied  van  de  Dnieper  in  bet  vooraf- 
gaande jaar  te  vuur  en  te  zwaard  verwoest,  en  te  Pinczow 
wist  men  te  verhalen,  dat  meer  dan  dertigduizend  inwoners 
als    gevangenen    waren  weggesleept.  ')  Daarbij  kwamen  un- 

1)  Calvijii.  XVII,  117. 
1)  Ibid-,  p.  602. 
1)  Ibid.,  p.  423. 


610 

dere  moeielijkheden  Toor  den  zoo  weinig  energieken  koning. 
Aan  den  eenen  kant  begonnen  reeds  de  aanzoeken  betref- 
fende de  troonopToIging ,  daar  ook  de  derde  gemalin  des 
Koning»  hem  den  vurig  gewenschten  er%enaam  niet  had 
geschonken*  Lippomani  was  weder  in  Polen  teruggekeerd, 
en  thans  kwam  een  ander  lokaas  den  pauselgken  nuntius  in 
de  bekwame  hand,  indien  al  niet  om  den  weifelenden  koning 
naar  willekeur  te  leiden,  dan  toch  om  hem  te  weerhouden 
yan  al  te  zeer  zgne  genegenheid  roor  de  Ëvangelischen  te 
volgen.  De  koninginne-moeder  Bona  was  in  haar  Italiaan- 
scho  vaderland  gestorven,  en  Sigismund  moest  toezien, 
de  gunst  van  den  Paus  niet  te  verspelen,  om  niet  diens 
machtige  hand  bij  de  ingewikkelde  overdracht  van  de  erfe- 
nis op  gevoelige  wijs  te  bespeuren.  Dit  alles  werkte  er  toe 
mede,  dat  het  toegezegde  godsdienstgesprek,  in  hetwelk  H  o- 
sius  bovendien  waarschijnlijk  niet  den  rechten  lust  had, 
dewjjl  het  hem  tegenover  eenen  man  als  L  a  s  k  i  zou  hebben 
gesteld,  niet  tot  stand  kwam. 

Ook  de  gespannen  opmerkzaamheid  en  de  onverpoosde 
werkzaamheid  van  onzen  vriend  werden,  in  dit  zgn  laatste 
levensjaar,  op  cene  ernstigere  en,  wat  hare  gevolgen  betreft, 
belangrijkere  zaak  gericht.  Het  zgn  de  Antitrinitariêrs ,  die, 
inzonderheid  na  de  terechtstelling  van  Servet,  uit  Zwitser- 
land verjaagd  en  overal  vervolgd,  in  Polen  een  toevluchtsoord 
gevonden  hadden.  Deze  vreemdelingen  waren  voor  het  mee- 
rendoel  fijn-beschaafde  humanisten,  alleszins  ervaren  in  de 
wetenschappen,  onberispelijk  in  de  omgangsvormen,  doorgaans 
ook  onbesproken  ten  aanzien  van  hunnen  zedelijken  levens- 
wandel. Het  waren  vrome  mannen,  die  ook  voor  een  marte- 
laarschap niet  terugdeinsden ;  sommigen  hunner  konden  reeds 
op  de  litteekens  van  doorgestane  vervolging  wijzen.  Zij  lieten 
zich  leiden  door  het  ernstig-gemeende  streven  om  zich  vrij  te 
maken  van  alle  menschelijke  leer,  en  alleen  het  Woord  Gods  zelf 
als  richtsnoer  te  volgen.  Dewijl  zij  de  schoolsche  uitdrukkingen, 
in  welke  do  Kerk  de  allerheiligste  verborgenheid  van  het  wezen . 
flods  trachtte  uit  te  spreken,  in  de  H.  Schrift  niet  konden 
vindon,  meenden  zij  gerechtigd  te  zijn,  om  met  de  gebrekkige 


617 


uitdrukking  ook  haren  goddelijkcn  inhoud  overboord  te  mogen 
werpen,  on  na  eenmaal  zoo  ver  gekomen  te  zijn,  was  het 
breken  met  de  kerk,  de  afval  van  de  goddelijke  waarheid, 
de  verdere  verdringing  uit  de  hoofdatellingen  der  christelijke 
waarheid  slechts  het  onvermydelyke  gevolg.  ') 

Deze  Unitariërs,  die  ons  in  menig  opzicht  aan  het  vul- 
gair Rationalisme  uit  het  begin  onzer  eeuw  doen  denken, 
hadden,  toen  La  ski  in  zijn  vaderland  terugkeerde,  reeds 
vasten  voet  aldaar  verkregen.  Met  zijnen  scherpen  blik  be- 
speurde onze  vriend,  van  den  beginne  aan,  de  oplossende 
werking  de'/er  lieden.  Met  alle  macht  verzette  hij  zich  tegen 
hun  gevaarlijk  drijven.  Reeds  op  de  synode,  welke  in  Januari 
1556  op  het  slot  van  Stanislaus  Safraniec  te  Seczemin 
werd  gehouden,  was  Peter  Gonesius,  uit  Podolië  geboortig 
en  leeraar  te  Biala,  opgeroepen  om  zich  aangaande  zijne  Sor- 
vetische,  of,  gelijk  ze  ook  genoemd  worden,  Ariaaoacho 
ketterijen,  te  verantwoorden.  Merkwaardig!  liet  was  juist 
Goneaius,  die  vc'iór  weinige  jareu  te  Krakau  aan  den 
eenigszins  in  verdenking  geraakten  Stancarus  het  hoofd 
had  geboden.  ')  In  den  tuaachentijd  had  hij  denzelfden  w^ 
ingeslagen,  langs  welken  hij  met  vasten  tred  verder  gegaan  waa. 
Daar  hij  zijne  dwaling  niet  wilde  verzaken,  werd  hy  uit  de 
gemeenschap  verbannen.  „Goneaius  ging  weg"  ^  ziii'i  lezen 
wij  in  het  Protocol,  —  „geheel  temeergealagen,  en  nadat  hij 
met  tranen  afscheid  had  genomen  van  de  broederen ,  die 
hem  allen  berouw  en  bekeering  toewenachten."  Juist  deze 
gebeurtenis  achynt  de  Synode  bewogen  te  hebben,  om  erbij 
Laeki  nog  te  meer  op  aan  te  dringen,  dat  hij  zijnen  te- 
rugkeer zooveel  mogelijk  zou  bespoedigen. 

1)  't  U  kenmetkcnd.  hos  oolr  bij  deie  Poolsclie  AntitriniUriën  de  Kümh 
liDDg  itond  aangeichreven.  OmstKclis  dien  tijd  hsd  Ie  Zariih  ctat  ovFrielting 
imrito  bet  liaiit  geiico.  In  rcii^n  brief,  uil  de  kringen  der  Pooltcbe  Socinii- 
dca  ofkDiUBtig.  leeat  mon  u.  a.  ungsande  den  Kurïn:  .W(j  («rluitigen  uns  leer 
in  het  bueli,  en  terlilarcn  het  «oor  een  Goddflyli  geschrift"  (L  a  u  l  e  r  bü  c  b. 
II.  SI).  J>,  ée'n  V4I1  ben,  Adam  Reuser.  uit  Wurtemberg,  begit  lich  nsar  Koa- 
■tantinapel,  en  ging  sidaar,  omslreeku  het  jaar  1&7D,  lot  het  MuhamuiedaDitme 
over.  (Verg.  asngaande  hem  ook  Lubienitiki,  p.  109,  die  echter  uver  deicn 
gcnnegiaaTQ  gestaafdcn  overgang  bet  slilttvijgen  bewaart.) 


«è 


In  de  aynoden,  welke  onder  zijne  leiding  plaats  hadden, 
was  Laskt,  gelijk  wij  rocds  zeiden,  moDigmaal  genoodzaakt, 
over  die  zelfde  aangelegenheid  te  handelen.  Het  uitvoorigöt  ge- 
Bfhiedde  dit  op  de  groote  synode  te  Wlodzislaw,  in  Sept  1558. 
Op  deze  waren  vanwege  vorst  R  a  d  z  i  w  i  1  en  zgnen  wak- 
keren superintendent  ia  Polen,  Simon  Zaoius,  schriftelijke 
aanklachten  ingekomen  tegon  Hieronymua  Piekarski,  den 
opvolger  van  Gonesius  in  het  pastoraat  te  Biala ,  en  tegen 
den  catecheet  der  aldaar  gevestigde  school,  Johannes  Fal- 
covius.  Uit  het  verhandelde  kan  men  gemakkelijk  bespeuren, 
dat  de  lieden  zich  hadden  laten  verleiden,  en  dat  de  dwaal- 
leer bij  hen  nog  geen  vasten  wortel  had  geschoten ;  zij  bodon 
althans  aan  den  Superintendent  op  de  Synode  geen  blij  venden 
tegenstand,  en  onderwierpen  zich  ten  slotte  aan  de  kerkleer. 
Zoolang  La  ski  leefde,  en  ten  gevolge  van  zijnen  mach- 
tigen invloed,  dorat  de  ADtitrinitarische  beweging  niet  recht 
voor  den  dag  te  komen.  Schroomvallig  ontweken  hare  ver- 
tegenwoordigers den  leider  der  Evangelischen ;  maar  in  hunne 
gezellige  eamonkomsten ,  op  de  afgelegen  burchten  van  den 
Adel,  strooidon  zij  het  zaad  hunner  leer  ijverig  uit.  Hetgeen 
Kij  zeiden  scheen  zoo  verstandig,  zoo  duidelijk  voor  het  „een- 
voudige, gezonde  raenschenverstand,"  en  daar  hun  levens- 
wandel in  burgerlijk  opzicht  onberispelijk,  vroom  en  braaf 
waa,  nam  hun  aanhang,  door  toevloed  van  buiten  vermeer- 
derd, in  stilte  voortdurend  toe. 

Tot  het  laatste  toe  bleef  Laski  onvermoeid  in  het  strijd- 
perk, in  cenen  heeten  kampstrijd  gewikkeld  met  de  mannen, 
wier  leer  hem  als  een  adderbeet  in  het  hart  der  Evangelische 
kerk  voorkwam.  Ja,  tegenover  hen  kon  hij  zijne  zachtmoe- 
dige kalmte,  die  hem  ten  allen  tijde  zoo  liefelijk  kenmerkte, 
vergeten ,  en  de  opbruiseode  natuur  van  den  Pool  verkreeg 
de  overhand.  Althans  uit  het  laatste  levensjaar  van  onzen 
vriend  wordt  ons  verhaald,  dat  hij  op  zekeren  dag  te  Pinc- 
zow  met  Stancarus  in  den  heftigsten  woordenstrijd  ge- 
raakte. Hetgeen  onzen  vriend  het  heiligste  was,  werd  door 
Stancarus  in  een  belachelijk  daglicht  gesteld ;  Laski 
berispte  den  „Mantuaanschen  Jood"  (gelgk  hy  in  onze  broo 


619 

wordt  genoemd)  over  zulk  eene  anoode  taal.  Do  llulit vaardige 
Italiaan  echter,  die  zich  wellicht  ook  in  den  woordentwist 
niet  meer  meester  was,  ging  voort  met  spotten.  Dat  dead 
den  beker  overloopen ;  gelijk  weleer  de  zonen  des  donders 
in  het  Evangelie  zich  door  drift  lieten  medesleepen,  zoo 
kon  ook  Laski  zijnen  toorn  niet  langer  bedwingen.  Wel- 
licht nauwelijks  wetende  wat  hij  deed,  greep  hy  hot  zware 
Bijbelboek,  dat  vóór  hem  lag,  en  gaf  S taneariis  daar- 
mede eenen  slag  op  het  hoofd,  opdat  de  snoode  man  in  elk 
geval  door  het  Woord  Goda  op  eene  voor  hem  voelbare 
wijze  mocht  worden  getuchtigd.  ') 

De  laatste  rede  van  Laaki,  welker  aanhef  althans  ons  in  de 
Protocollen  woordelijk  is  bewaard  gebleven,  heeft  betrekking  op 
deze  dwaalleer,  welke  hem  voor  de  ontwikkeling  zijner  kerk 
het  bedenkelijkst  toeschoen.  Stancarus  was  begonnen,  het 
hoofd  stoutmoediger  op  te  heffen,  en  begeerde  een  openbaar 
godsdienstgesprek,  ten  einde  zijne  meeningen  te  bepleiten. 
Sommigen  beaamden  dien  wensch,  en  de  zaak  kwam  op  de 
synode  te  Pinczow,  den  7''^"  Augustus  1559,  ter  aprake. 
Laski  begon  zijne  rede  met  deze  woorden:  „Miinnen 
Broeders !  Het  kan  aan  niemand  van  u  onbekend  zijn  ge- 
bleven, dat  er  geruchten  aangaande  eene  nieuwe  dwaalleer 
zjjn  ontstaan,  welke  de  Satan  door  zijne  handlangers,  d.  i. 
door  de  kettera,  tot  groot  nadeel  van  de  kerk  van  Christus 
den  Heer,  uitstrooit,  ten  einde  den  room  van  Jezus  Christus, 
als  van  den  Zone  Gods,  onzen  Middelaar,  God  en  mensch 
in  één  persoon,  te  verduisteren.  Daar  het  nu  de  plicht  der 
leeraren  is,  de  zuiverheid  van  de  leer  van  Chriatua  te  be- 
schermen en  te  bewaren,  zoo  hebben  wij  ona  hier  te  zamen 
vereenigd,  ten  einde  openlijk  eene  ware  en  met  het  Woord 
Gods  en  met  de  kerk  van  alle  eeuwen  overeenkomstige  be- 
lijdenis af  te  leggen,  en  voorts  te  betuigen,  dat  deze  nieuwe 
leer  nu  ook  in  onze  gemeenten,  gelijk  reeds  aindslangin  do 
overige  veroordeeld,  valsch  is  en  kettersch  en  verderfelijk." 
Laski    toont    daarop    verder    aan ,    dat   bet   aanzoek   van 


■)  C  I  e  1[  a 


Stancarus  niet  kan  worden  vervuld;  het  zon  eene  ma- 
jesteitsschennia  ziJD,  daar  toch  openbare  godadicnstgeaprekken 
over  nieuwo  leerstellingen  alechts  met  toeateimning  van  den 
Koning,  en  nadat  deze  de  rechters,  de  byzitters  enz.  benoemd 
had,  mochten  gehouden  worden.  Nog  was  het  nationale  con- 
cilie niet  bijeengekomen,  op  hetwelk  zij,  gelijk  hnn  was  toe- 
gestaan, met  HosiuB  zonden  kunnen  disputeeren;  alvorens 
dit  geschied  waa,  kon  er  geen  nieuw  godsdienstgesprek  worden 
□p  touw  gezet.  Ingeval  Stancarus  echter  van  den  Koning 
de  vergunning  tot  het  houtlen  van  zulk  een  godsdienstgesprek 
wint   te   verkrijgen,  dan  was  hij  bereid  de  uitdaging  aan  to 


Met  deze  plechtige  veroordeeling  van  de  dwaalleer  van 
Stancarus  nam  de  openbare  loopbaan  van  onzen  vriend 
een  einde.  Vier  weken  later  kwam  er  te  Pinczow  wederom 
eene  synode  te  zamen.  Lismanini  wordt  afgezonden  naar 
het  kasteel  te  Diebran,  waar  Laski  vertoefde,  ten  einde  in 
vereeniging  met  hem  de  in  de  laatste  synode  opgestelde  be- 
lijdenis aangaande  het  Middelaarsambt  van  Christus,  de 
grooto  twistvraag  in  den  strijd  met  Stancarus,  aan  eene 
laatste  herziening  te  onderwerpen;  van  dezen laatsten  arbeid 
van  Laski  was  helaas  geen  enkel  spoor  meer  te  ontdekken. 
In  den  naherfst  schijnt  het  vervolgens  met  zijn  gezondheids- 
toestand snel  te  zijn  achteruitgegaan-  Laski  keerde  naar  zijne 
familie  in  Pinczow  terug.  Nog  toont  men  aldaar  het  huis  en 
het  vertrek,  in  hetwelk  hy  den  laatsten,  moeielijken  tijd  zijns 
levens  zal  hebben  doorgebracht.  Reeds  sedert  het  be-gin 
dos  jaara  was  het  oude  lijden  bedenkelijk  toegenomen.  In 
eenen  brief  uit  zijne  omgeving,  gedateerd  van  Februari,  leest 
men  o.  a.  het  volgende:  „Ook  do  onzen,  ik  schrijf  het  met 
smart,  zijn  in  hunnen  ijver  verkoeld.  Slecht  onzen  allervoor- 
treffolijkstcn  Laski  zonder  ik  uit:  men  kan  niet  ijveriger  zgn 
dan  hij.  Maar  wat  kan  de  goede  man  geheel  alleen  uitrichten, 
die  oenen  onafgebroken  kamp  met  den  dood  heeft;  te  voeren, 
en  die  daarbij  tegelijkertijd  en  voortdurend  met  de  vijanden 
van  UbristuH  worstelt?    Met  het  oog,  zoowel  op  hem  zelven. 


691 


als  op  de  geheele  Poolache  kcirk,  vervult  zijn  uiterst  smarte- 
lijk lijden  mij  met  diepe  bekoraoieving.  En  touh  moeten  wij 
immers  met  een  gewillig  hart  ons  onderwerpen  aan  het  on- 
yermijdelijke,  dat  ons  van  Omhoog  wordt  opgelegd."  ') 

De  zoo  even  medegedeelde  woorden  dagteekenen  van  Fe- 
bruari 1559.  Het  geheele  jaar  schijnt  een  onafgebroken  tijd 
van  het  zwaarste  lichaamslijden  geweest  te  zijn.  Desniettemin 
bleef  hij  onvermoeid  werkzaam.  Menigmaal  smeekten  hem 
zyne  vrienden,  dat  hij  zich  toch  mocht  ontzien,  ook  met  het 
oog  op  de  talrijke  kinderschaar,  die  hem  onverzorgd  omringde, 
en  aan  welke  bij  geene  aardsche  middelen  kon  nalaten ;  maar 
niets  kon  zijnen  krachtdadigen  ijver  in  den  heiligen  dienst 
zijns  Heeren  betoomen.  Op  de  liefderijke  vermaningen  zijner 
vrienden  antwoordde  hij  met  het  achoone  holdenwoord,  oenen 
echten  Evangelischen  strijder  waardig:  „Dat  ik  leef,  is  niet 
noodig,  maar  zeer  noodig  is  het,  dat  ik  de  kerk  van  Chris- 
tus bijsta.  Christus,  onze  Heer,  heeft  raij  niet  tot  een  rustig 
en  vroolijk  leven,  maar  tot  arbeiden  en  kruisdragen  geroe- 
pen. Dat  is  mijn  leven,  gansch  ontwijfelbaar  te  weten,  dat 
ik  mijnen  Heer  en  zijne  gemeente  dien."  ^)  Bij  zulk  eene 
gemoedsgesteldheid  geschiedde  bet  dan  vaak,  dat  de  vrienden, 
die  gekomen  waren  om  hem  te  troosten,  zelven  getroost  zijn 
krankbed  verlieten,  wanneer  zij  den  lijder  met  zulk  eenen 
onverzwakten  geest  over  de  berusting  in  den  wille  Gods 
hoorden  spreken.  En  wij  hebben  immers  gezien,  hoe  hij,  in 
weerwil  van  alle  kwalen,  ook  gedurende  den  zomer  en  tot 
diep  in  den  herfst  zijne  hand  van  den  ploeg  niet  aftrok. 

Het  moet  omstreeks  den  Kersttijd  geweest  zijn,  dat  het 
oude,  zware  onderlijfslijden  een  dreigender  karakter  aannam, 
en  de  gedachte  aan  de  nadering  van  den  dood  io  Laski's 
omgeving  opwekte.  De  Evangelischen  waren  smartelijk  ont- 
roerd bij  de  gedachte  aan  bet  ontzaglijke  verlies,  dat  de 
Kerk  reeds  zoo  spoedig  zou  treffen,  en  de  bewustheid  daar- 
van ontperste  tranen  aan  de  diep  terneergeslagen  mannen. 
„Ik  bid  u,"  zóó  sprak  La  ski  tot  de  ouderlingen,  „laat  af 


>)  S  t  ■  t  ft 


.p.  9. 


622 

v4i%>  i^vy^^r^,  of,  indien  gij  nu  eenmaal  hebt  besloten  te  wee- 
v4^!tt!>f^tK  ^^  1*^^^  °^^^  ^^^  lijden  ran  den  enkele,  dat  niets  is, 
^\-.  v^t^^T^^  xijn,  maar  treurt  liever  orer  het  algemeene  Igden 
i^i  tk>rk/'  De  smarten  namen  ran  dag  tot  dag  toe.  Reeds 
^|i^^  ^^«  Januari  was  de  toestand  hopeloos.  Zijn  vriend,  de 
^i/j^]^00r  van  Pinczow,  Olesnitzki  met  zgne  gemalin  stonden 
u^  hot  sterfbed.  Gedurende  de  weinige  oogenblikken,  waarin 
^^  vry  was  van  smart,  sprak  onze  vriend  dien  dag  nog  veel 
g^yer  den  toestand  der  Kerk;  de  gedachte  aan  het  dreigende 
gevaar  van  de  zijde  der  ketters  kwelde  den  geloofsheld,  en 
in  vurige,  vrome  gebeden  beval  hij  de  zoo  fel  bestookte 
kerk  aan  de  bescherming  van  den  almachtigen  God.  Met 
bot  vallen  van  den  nacht  verhief  zich  de  smart;  slapeloos 
bracht  hij  dien  op  het  krankbed  door ;  de  talrgk  vergaderde 
vrienden  bespeurden,  hoe  zijne  ziel  worstelde  in  den  gebede. 
Dikwijls  riep  hij  ook  met  luider  stem  den  Allerhoogste  aan, 
en  wel  tot  verwondering  van  de  omstanders  in  de  Duitsche 
taal;  in  deze  was  hg  gewoon,  met  zijne  getrouwe  levens- 
gezellin te  bidden.  Tegen  den  morgen  had  er  een  verval 
der  inzinkende  krachten  plaats;  de  organen  weigerden  hun- 
nen dienst.  Met  stervende  lippen  slaakte  hg  nog  een  paar 
malen  in  het  Duitsch  den  kreet:  „Mijn  Heer  en  mijn  God!'" 
Daarop  begaf  hem  ook  de  stem.  Volkomen  rustig  lag  hij 
daar,  alsof  hij  sliep.  De  leerlingen,  de  professoren,  vele  goede 
lieden  wachtten,  in  vereeniging  met  de  familie,  op  den 
laatsten  ademtocht.  Het  was  omstreeks  vijf  uren,  den  8*^" 
Januari  1560,  terwgl  de  winterzon  achter  het  slot  verdween, 
dat  onze  vriend  den  laatsten  adem  uitblies,  en,  gelijk  een 
oo^etuige  bericht,  „uit  dit  zoo  kommervolle  leven  overging 
in  het  hemelsch  vaderland.''  ^) 

Drie  weken  later,  den  29*^»  Januari,  waren  16  leeraren 
der  gemeente  en  20  leden  van  den  adel  van  Klein-Polen  uit 
verschillende,  ook  uit  de  afgelegenste  oorden  des  lands  tot 
bijwoning  van  de  lijkplechtigheid  te  Pinczow  bijeengekomen, 
edele   mannengestalten ,  die  aan  de  Evangelische  kerk  innig 


')  S  y  I  ?  i  u  8,  in  zijne  lijkrede. 


verknocht  waren,  en  wier  aroartelijke  trekken  getuigden,  dat 
zij  den  slag  gevoelden,  welke  de  vaderlandsche  kerk  met  het 
heengaan  van  „vader  Laaki"  getroffen  had.  Het  lijk  werd 
naar  de  stadskerk  overgebracht,  en  aldaar  bijgezet  ter  plaatse, 
waar  het  hoogaltaar  had  gestaan.  ')  De  eerste  rede  bij  de 
plechtigheid  hield  Jacobua  Sylvius,  die  reeds  in  1547 
te  Krzecica  het  Evangelie  verkondigd  en  het  eerst  van  allen 
te  Pincnow,  in  1550,  het  H.  Avondmaal  volgens  Evangcli- 
schen  ritus  bediend  had,  een  wakker,  trouwhartig  man,  die 
met  den  overledene  innig  bevriend  was  geweest.  Zijne  rede, 
welke  nns  nog  is  bewaard  gebleven,  getuigt  van  zijne  oprechte 
bewondering  voor,  en  van  zyne  hartelijke  verknochtheid  aan 
Laski.  Enkele  belangrijke  trekken  kij  't  ona  vergund,  aan 
het  door  hem  ontworpen  beknopte  levensbeeld  te  ontleenen. 
Sylvius  roemt  in  den  ontslapene  eenc  zekere  majesteit  zijner 
uiterlijke  verschijning,  eene  waarlijk  koninklijke  gestalte, 
edele,  harmonische  gelaatstrekken  en  eene  sterke  lichaams- 
kracht, die  slechts  door  voortdurende  zorgen  en  bezigheden 
en  moeiel  ij  kheden  bij  dag  en  bij  nacht  vroegtijdig  werd  onder- 
mijnd. Waar  het  er  op  aankwam,  het  Vaderland  en  de  Kerk 
te  dienen,  heeft  hij  er  nimmer  aan  gedacht,  zich  zelven  te 
sparen.  Met  de  genoemde  uitwendige  voortrefTel  ij  kheden  paar- 
den zich  zijne  uitnemende  geestesgaven :  eene  grondige  ge- 
leerdheid met  eene  gelijke  mate  van  schranderheid,  wijsheid, 
rechtvaardigheid  en  gematigdheid.  Zóó  rechtvaardig  was  hij, 
dat  hij  niet  slechts  geen  vreemd  eigendom  bezat,  maar  dat 
hij  zelfs  het  zijne  gering  achtte.  Daarbij  zijn  uitstekende  moed, 


1)  Sind.  Ung  i>  de  kerk  w*itt 

o  bet  betit  dor  KoomBi?h-k 

.tbolirkep  üïer- 

gogïm,    en    geen    enkel  »[jnor  ïer 
lijne    laitite    rDutjiluti    gevonrleo 
beert  gegund?    Of  lijn  gebeente  nj 
riorende    Itoomiche    kerk  het  hoog 

u<!t  de  plek,  waar  ifa  de 
hrett.    Or  men  bem   wel  < 
t  JB  weggeworpen  gewordt 
Itaar  weder  Dpriebtte?    To 

grouUl«  Polen 
e  tast  d«.  gr.f. 
.  .oen  de  «ge- 

heb  ik  de  ruimte  in  >lle  riehtlnge 

0  doonoebt,  en   ïoor  tooïe 

lul  ka  mogelijk 

wu,  de  door  hel  vele  koieUn  der  goJidioDBtigen  bijkaaa  uitgetleten  opaebriftea 
dar  grarateeaen,  mei  welke  de  kerk  bevloerd  ia,  trachten  te  ontcijrarea.  Doch 
tevargeefa!  Geen  enkele  letter,  die  uo  Liiki  herinnert.  Eieoioo  waa  ook  alle 
aairraeg  b^  de  bewurderi  der  kerk  en  bij  hare  prieaten  geheel  vraebteioaa. 
De  berinneriag  ran  dien  tijd  ia  by  hen  rerdwenen,  loodat  zij  nok  bnitea  )lut 
waren,  op  de  iragen  >an  den  reltiger  eenig  antwoord  Ie  geren. 


i 


624 

de  kracht  van  zijn  onoverwinnelyk  hart,  zgne  grootheid  van 
ziel,  en  hoe  zgn  geheele  verlangen  enkel  en  alleen  op  Christus 
was  gericht.  Dat  schonk  hem  den  onverzwakten  lust,  om  ook 
te  midden  van  de  zwaarste  vervolgingen  God  te  danken.  Om 
den  wille  van  Christus  heeft  hy  alles,  wat  ook  de  grootste 
mannen  begeeren,  waardigheden,  eer,  vermogen,  wereldlyk 
aanzien  gering  geacht.  Hoe  sterk  de  aandrang  der  vijanden  ook 
was,  tot  wat  hoogte  de  vloed  der  beweging  zich  ook  verhief, 
zijn  wezen  geleek  altoos  op  eenen  stil  voortsnellenden  stroom. 
In  zijn  gedrag  was  hy  doorgaans  vriendelijk,  zachtmoedig  en 
bescheiden;  in  zijnen  omgang,  ook  met  de  allergeringsten , 
was  hij  beminnelijk  en  voorkomend.  Zijn  huis  stond  voor 
allen  open.  Oprecht,  eenvoudig,  argeloos  en  vergevensgezind, 
kende  hij  hoegenaamd  geen  achterdocht  of  mistrouwen.  Hij 
was  bg  uitstek  milddadig,  en  bezat  eene  in  waarheid  groot- 
hartige  gezindheid.  Enz. 

Bg  deze  Poolsche  rede  sloten  zich  twee  Latijnsche  rede- 
voeringen aan ;  de  eene  werd,  uit  naam  van  de  oudsten  der 
Evangelische  kerk  van  Klein-Polen,  gehouden  door  S  t  a  n  i  s- 
laus  Sarnitzki,  Evangelieprediker  te  Niedzwiedz,  een  stadje 
in  de  nabijheid  van  Erakau,  na  Laski's  dood  één  van  de 
ijverigste  en  duchtigste  kampioenen  van  de  Evangelische  kerk 
tegen  de  dwaalleeraars,  —  de  andere  werd  gehouden  door 
Petrus  Statorius,  den  rector  der  school,  wien  met 
La  ski  de  krachtige  steun  ontzonk,  die  hem  voor  de  ver- 
zoekingen der  Antitrinitariërs  behoedde.  Wg  moeten  weer- 
stand bieden  aan  de  verzoeking,  om  nu  ook  nog  uit  zgne, 
in  druk  verschenen  Igkrede  een  paar  verdere  trekken  uit 
het  levensbeeld  van  onzen  ontslapen  vriend  te  doen  uitkomen. 
De  laatste  aanspraak,  nü  weder  in  het  Poolsch,  hield  de 
superintendent  Cruciger.  Deze  moest  het  zware  verlies 
dubbel  gevoelen,  dewijl  hem  met  zijn  zacht,  toegevend  ge- 
moed de  noodige  geestkracht  ontbrak,  om  zich  moedig  aan 
te  kanten  tegen  diegenen,  die  de  aan  zijne  leiding  toever- 
trouwde kerk  dreigden  vaneen  te  scheuren. 

Een  held  in  Israël  was  gevallen.  Tot  op  verren  afstand 
verspreidde  zich  de  treurmare ;  nog  maanden  daarna  getuigen 


625 

laat  aankomende  brieven,  hoe  ook  op  de  verst  verv^ijderde 
voorposten  der  Evangelische  kerk  het  verlies,  dat  de  geheele 
kerk  had  getroffen,  op  smartelijke  wijze  gevoeld  werd.  Dat 
het  een  leeuw  was  geweest,  die  nu  zoo  stil  daar  temeerlag, 
wilde  men  in  het  leger  der  Antitrinitariërs  bewgzen  door  hem 
nog  een  schop  te  geven  met  den  ezelshoef.  Aan  het  hoofd 
der  Antitrinitariërs  stond  destijds  te  Pinczow  Orsatius, 
dien  L  a  s  k  i  bij  zijn  leven  zoo  manmoedig  en  zegevierend  had 
wederstaan.  Deze  bracht  het  sprookje  in  omloop^  alsof  een 
goddelgk  teeken  aan  het  Igk  zou  zgn  te  zien  geweest,  doordien 
nl.  de  lippen  des  gestorvenen  zouden  zijn  aaneengegroeid.  Het 
sprookje  schijnt  geloof  te  hebben  gevonden  onder  die  lieden, 
welke  den  doode  ook  uiterlijk  door  God  wilden  laten  aange- 
daan zijn  hetgeen  zij  den  levende  niet  hadden  kunnen  doen, 
t.  w.  hem  den  mond  snoeren.  De  Synode  achtte  hetnoodig, 
het  graf  nog  eenmaal  te  openen,  en  op  die  wijze  het  onzinnige 
gepraat  tot  zwijgen  te  brengen.  De  erfgenamen  dezer  lieden 
zijn  vervolgens  de  Jezuïeten  geworden,  en  zij  waren  in  hun 
streven  voorspoediger.  In  jarenlangen  arbeid  hebben  zij  zulk 
een  stevig  slot  om  den  vromen  mond  gesmeed,  dat  geen  enkel 
woord,  hetwelk  eenmeial  aan  deze  Evangelische  lippen  met 
zulk  eene  woirderbare,  overtuigende  kracht  ontvloeide,  onder 
de  bevolking  méér  veniomen  wordt,  en  zij  er  niet  het  minste 
vermoeden  van  heeft,  welk  eene  profetengestalte  God  haar 
in  die  glorierijke  dagen  harer  geschiedenis  heeft  verwekt. 
Schier  spoorloos  is  deze  held  aan  het  leven  van  zijn  volk, 
dat  hij  zoo  innig  liefhad,  voorbijgegaan ;  getrouwere  en  dank- 
baardere handen  uit  vreemde  landen  hebben  zgne  woorden 
verzameld,  zijne  geschriften  tot  een  blijvend  gedenkteeken 
bijeengevoegd.  Een  bijkans  tragisch  einde  van  eenen  Poolschen 
geloofsheld,  veelbeteekenend  en  als  een  sleutel  tot  recht  ver- 
stand van  den  noodlottigen  ondergang  van  dit  volk.  De  stem 
uit  Rome  klonk  in  zijne  ooren  liefelijker,  dan  het  Poolsche 
mannenwoord,  dat  uit  de  diepte  van  het  Woord  Gods  was  geput. 


DALTON.  40 


626 

Ons  verhaal  spoedt  ten  einde.  Wij  werpen  nog  slechts  eenen 
vluchtigen  blik  op  de  treurende  familie.  Negen  kinderen 
stonden  met  de  onbemiddelde  weduwe  rondom  de  kist  des 
vaders.  Deze  had  geene  aardsche  schatten  voor  hen  verga- 
derd; geheel  hulpeloos  waren  zg  in  het  vreemde  land  ach- 
tergebleven. Nog  het  jaar  te  voren  had  La  ski  bij  de  Synode 
het  voorstel  gedaan  tot  oprichting  van  eene  predikants-we- 
duwenkas^  denkelgk  zonder  te  vermoeden,  dat  zijne  vrouw  het 
eerst  van  allen  op  eene  dergelijke  wgze  zou  moeten  onder- 
steund worden.  Er  werd  eene  inzameling  gehouden;  deze 
bracht  eene  som  van  289  gulden  op.  Maar  de  nood  werd 
daardoor  nauwelgks  gelenigd.  Een  brief  van  de  weduwe  aan 
den  Koning^  uit  het  jaar  1564,  is  ons  bewaard  gebleven.  ^) 
Zij  beroept  zich  op  de  vriendschap,  die  tusschen  hem  en 
haren  echtgenoot  heeft  bestaan,  en  smeekt  den  Koning  om 
middelen,  ten  einde  hare  zonen  te  kunnen  laten  studeeren. 
Of  die  bede  het  gewenscht  gevolgd  had,  vernemen  wg  niet, 
maar  het  is  bevreemdend,  dat  de  rijke  verwanten  zich  het 
lot  der  achtergeblevenen  niet  krachtdadig  hebben  aange- 
troftken.  Het  schijnt,  dat  de  weduwe,  wellicht  als  vreem- 
delinge, zich  hier  niet  heeft  kunnen  gewennen  en  in  den 
familiekring  haars  mans  niet  bemind  is  geweest.  Te  Frank- 
fort had  La  ski  een  testament  gemaakt,  volgens  hetwelk 
zijne  weduwe  de  eene  helft  van  zijn  geringe  vermogen 
ontving,  terwijl  de  andere  helft  onder  zgne  negen  kinderen 
moest  worden  verdeeld.  ^)  Eén  van  zgne  zonen,  nl.  Samuël, 
wien  de  diplomatieke  begaafdheid  der  familie  Laski  was 
ten  deel  gevallen,  onderscheidde  zich  in  meer  bijzondere 
mate.  Sigismund  III  van  Polen  zond  hem,  in  1598,  naar 
Zweden,  alwaar  hij  in  de  twisten  over  de  troonopvolging 
eene  belangrgke  rol  speelde;  in  1605  zien  wij  hem  in  naam 
des  Konings  te  Dantzig  de  aanhangige  geschillen  tusschen  de 
Lutherschen   en  de  Gereformeerden  beslechten.  ^)    Albert 

1)  Nog  gedagteekend  uit  Pinczow.  Verg.  Kuyper,  II,  765.  [De  bedoelde 
brief  is,  gelijk  uit  de  aangehaalde  plaats  blijkt,  gericht,  niet  aan  den  koning 
van  Polen,  maar  aan  den  hertog  van  Pruisen  („Ad  Ducem  Prussiae'*).  —  Vert.] 

»)  „Scrinium,"  III,  546. 

3)  Krasinski,  I,  283. 


627 

Laski,  de  zoon  van  Hieronymus,  en  waarschijnlijk  door 
zijnen  beroemden  oom  voor  de  Evangelische  kerk  gewonnen, 
was,  evenals  zijn  vader,  een  uitstekend  staatsman.  Hij  vooral 
waa  het,  die  de  keus  van  Hendrik  van  Valois  tot  koning 
van  Polen  doorzette,  en  hij  bovond  zich  mede  in  het  gezant- 
schap, dat  aan  den  Franschen  vorst  het  bericht  aangaande 
die  keuze  overbracht;  later  ontmoeten  wij  hem  aan  het  En- 
gelaehe  hof,  waar  hij  door  koningin  Elisabeth  met  ken- 
nelijke onderscheiding  bejegend  wordt.  Maar  hij  staat  helaas 
bijkans  aan  de  spits  van  den  afvalligen  adelj  in  1569  was 
bet  aan  den  buigzamen,  fijngeslepen  pauselijkon  nuntius 
Commendoni  gelukt,  aan  de  Evangelische  kerk  van  Polen 
dien  slag  toe  te  brengen,  en  den  neef  van  haren  horvormer 
in  do  kerk  van  Rome  terug  te  voeren.  ')  In  de  latere  ge- 
schiedenis van  Polen  komt  nog  een  paar  malen  gedurende 
korte  Oügenblikken  de  naam  van  L  a  s  k  i  te  voorschijn ;  ook 
een  beroemde  Jezuïet,  Martinus  Laski,  wordt  genoemd, 
die  aan  de  stedelijke  regeering  van  Erakau  den  raad  gaf  om 
katholiek  te  worden.  Do  laatste  Evangelische  drager  van  den 
naam  is  ten  vorigen  jare  [1880]  gestorven;  de  draden  van 
samenhang  met  onzen  hervormer  kon  ik  niet  ontdekken. 


Werpen  wij  ten  laatste  nog  eeoen  blik  op  het  andore 
familielid  van  onzen  vriend,  nl.  op  zijne  Evangelische  kerk, 
inzonderheid  in  Polen.  Het  is  eeno  liefelijke  gedachte,  dat 
zij ,  al  was  het  ook  eerst  na  verloop  van  een  tiental  jaren , 
de  schoone,  innig  christelijke  erfenis  zijns  geestes  in  bet 
verdrag  van  Sendomir  (1570)  heeft  aanvaard.  Alvorens  ech- 
ter de  Evangelische  kerk  van  Polen  de  daartoe  vereÏBchte 
mondigheid  had  vorkregen,  had  zij  nog  eene  moeielijke, 
harde  oofenscbool  te  doorloopon,  en  dikwerf  scheen  het, 
alsof  zij  zou  moeten  bezwijken.  Na  bet  overlijden  van  den 
machtigen  kampioen  verhieven  do  Antitrinitariörs  in  Klein- 
Polen  steeds  vermeteler  hun  hoofd ;  maart  och  was  de  Synode 


■)  Ibid.,  I,  m.   Verg.  GratLini,  p.  iÜS.  3B7.  -til   • 


M 


628 

sterk  genoeg,  om  den  gevaarlijken  tegenstander  van  zich  af 
te  stoeten,  en  alzoo  zgnen  kerk-ontbindenden  invloed  tegen 
te  gaan.  Haar  wensch,  om  door  een  besluit  van  den  rijks- 
dag te  Parczow,  in  1564,  deze  Antitrinitariërs  uit  het  land 
te  doen  verbannen,  werd  verijdeld  door  den  invloed  van  den 
scherpzinnigen ,  sluwen  Hosius,  die  dezen  kanker  aan  de 
Evangelische  kerk  allerminst  wilde  laten  uitsngden.  De  Evan- 
gelische kerk  van  Groot-Polen  bleef,  wel  is  waar,  van  dit 
diepknagende  lijden  verschoond,  maar  daarentegen  woelde  in 
haar  midden  dezelfde  dubbele  strooming,  die  de  Luthersche 
kerk  van  Duitschland  schier  aan  den  rand  van  den  ondergang 
bracht.  De  Flaciaansche  richting,  onder  leiding  van  den 
strgdlustigen  Thorn'schen  prediker  Morgenstern,  wilde 
van  een  vriendelijk  samengaan  niets  weten;  de  Melanchtho- 
niaansche  richting  daarentegen,  geleid  door  den  uitstekenden 
prediker  en  generaal-senior  der  Luthersche  kerk  in  Groot- 
Polen,  Gliczner,  was  daartoe  alleszins  bereid,  en  hoopte, 
dat  zij  zoü  mogen  slagen  in  het  treffen  van  eene  overeenkomst. 
Het  bewustzijn  van  de  noodzakelgkheid  van  zulk  eene  over- 
eenkomst nam  toe,  naarmate  de  Boomsche  kerk  in  het  land 
zich  vermande,  en  onder  eene  éénhoofdige  leiding  de  verdere 
uitbreiding  der  Hervorming  steeds  nadrukkelgker  te  keer  ging. 


Op  den  ryksdag  te  Lublin,  in  1569,  kwam  eindelijk  tot 
stand  hetgeen  koning  SigismundAugust  reeds  zoo  vaak, 
doch  altoos  tevergeefs,  had  zoeken  te  bereiken,  nl.  de  vol- 
komene vereeniging  van  Litthauen  en  Polen.  Ook  bg  gele- 
genheid van  dezen  rgksdag  kon  de  Koning  zich  overtuigen, 
hoe  de  kern  van  den  Poolschen  adel  tot  de  Evangelische 
kerk  behoorde.  Daar  hg  reeds  vroeg  oud  was  geworden, 
moest  hem,  den  Idnderloozen  koning,  de  gedachte  aan  de 
troonopvolging  menigwerf  en  in  bijzondere  mate  verontrusten, 
en  de  vraag  bg  hem  doen  oprgzen,  of  niet  ook  de  stem  der 
wijsheid  hem  datgene  aanraadde,  waarvan  zgn  hart  althans 
niet  afkeerig  schijnt  geweest  te  zijn,  nl.  het  voorbeeld  der 
meerderheid   en  van  de  degelijkste  kern  van  den  Poolschen 


629 

adel  te  volgen,  en  door  zijne  aansluiting  aan  de  Evangelische 
kerk  het  gevaar  van  eene  scheuring  bg  de  mogelijk  spoedig 
ophanden  zynde  keuze  van  eenen  koning  te  verminderen. 

Reeds  op  den  rijksdag  te  Lublin  kwam  men  overeen,  om 
in  het  eerstvolgende  jaar  te  Sendomir  eene  gemeenschappelijke 
synode  te  houden:  de  lievelingswensch  van  onzen  ontslapenen 
vriend,  aan  welks  verwezenlijking  hij,  gelgk  wij  gezien 
hebben,  bijkans  zijne  laatste  levenskracht  zonder  aarzelen, 
zij  't  ook  vruchteloos,  had  besteed.  Och,  dat  men  destgds 
zijnen  raad  hadde  opgevolgd!  Och,  dat  het  verdrag  van 
Sendomir  ongeveer  een  tiental  jaren  aan  de  unie  van  Lublin 
ware  voorafgegaan:  wie  weet,  of  dan  niet  de  laatste  vorst 
uit  het  huis  der  Jagello's  zich  aan  de  Evangelische  kerk  zou 
hebben  aangesloten!  Het  was  vooral  de  hervormde  adel  van 
Klein-Polen,  die  voor  het  bijeenkomen  van  de  Synode  ijverde. 
Op  zijn  grondgebied  werd  zij  gehouden;  hier  in  Klein-Polen 
had  de  Evangelische  kerk  de  diepste  wortelen  geschoten,  en 
van  hier  werden  de  meeste  Evangelische  landboden  naar  de 
rijksdagen  afgevaardigd ;  want  in  Groot-Polen  waren  het  voor- 
namelijk de  in  den  Rijksdag  niet  vertegenwoordigde  Duitschers, 
die  zich  aan  de  Hervorming  hadden  aangesloten. 


De  Synode  vergaderde  te  Sendomir,  van  den  9den  tot  den 
15den  April  1570.  Groot-Polen  had  de  beide,  ook  door  degelijke 
theologische  ontwikkeling  uitstekende  gebroeders  Gliczner 
derwaarts  afgevaardigd ;  de  Boheemsche  broeders  waren  ver- 
tegenwoordigd door  den  senior  der  Zwitsersche  kerk  in  Cujavië, 
Prazmowski,  en  door  den  bekwamen,  ondanks zgne jeug- 
dige jaren  met  eenen  scherpen,  bezadigden  blik  toegerusten 
Simon  Turnowski.  ^)  Het  meerendeel  der  aanwezigen 
bestond  uit  leden  der  kerk  van  Elein-Polen,  in  wier  handen 
ook    de  leiding  der  vergadering  berustte.    Wereldlijke  direc- 

1)  Aan  hem  hebben  w^  eene  boeiende  beschrijving  van  de  vergaderingen  te 
Sendomir  te  danken,  die  ons,  in  weerwil  van  den  bescheiden  vorm,  de  bijkans 
overwegende  beteekenis  van  den  jongen  man  doet  kennen.  (Verg.  Fischer, 
I,  258—286.) 


630 

toren  der  Synode  waren  de  oom  van  onzen  Laski,  Stanis- 
laus  Myszkowski,  palatijn  van  Krakau,  voorts  de  pala- 
tijn  van  Sendomir,  Peter  Sborowski,  en  Stanislaus 
Karminski;  kerkelijke  voorzitters  waren  de  senior  Paul 
Gilowski  en  Andreas  Prazmo  wski.  De  afgevaardigden 
van  Klein-Polen  deden  het  voorstel,  dat  men  de  Helvetische 
confessie,  welke  in  1566  door  Bullinger  in  het  licht  was 
gegeven,  en  die  reeds  zoo  spoedig  in  nagenoeg  alle  hervormde 
landen  en  sedert  een  jaar  ook  in  Klein-Polen  ingang  had 
gevonden,  als  belijdenisschrift  zou  aannemen.  Het  scheelde 
weinig,  of  op  den  grondslag  van  dit  symbolisch  geschrift  zou 
eene  vereeniging  zijn  tot  stand  gekomen.  Prazmowski  ver- 
klaarde zich  voor  de  aanneming  van  de  genoemde  confessie, 
en  ook  Turnowski  achtte  haar  vollediger  en  duidelijker  dan 
die  der  Broedergemeente;  daar  de  zijnen  echter  bij  hunne 
belijdenis  wenschten  te  volharden,  zoo  verklaarde  hij  zich  tegen 
eene  verplichte  aanneming  van  de  Helvetische.  Gliczner 
drong  er  niet  op  aan,  dat  men  de  Augsburgsche  geloofsbe- 
lijdenis tot  algemeenen  grondslag  zou  maken.  Zijn  voorslag, 
om  tegen  de  vergadering,  die  een  paar  weken  later  te  War- 
schau zoude  plaats  hebben,  een  gemeenschappelijk  Poolsch 
belijdenisschrift  op  te  stellen,  werd  aangenomen.  Van  dit  plan 
kwam  echter  niet,  en  dat  is  ook  niet  te  betreuren.  Daaren- 
tegen besloot  men,  thans  niet  uiteen  te  gaan  zonder  een 
„vergelijk"  te  hebben  aangenomen.  Met  de  ontwerping 
daarvan  werden  Christoph  Trecius,  leeraar  der  her- 
vormde gemeente  te  Erakau,  en  Thenandus  belast  *). 
Reeds  des  anderen  daags  kweten  beide  mannen  zich  van 
hunne  opdracht,  en  met  slechts  geringe  wijzigingen  werd 
hunne  formule  van  vereeniging  aangenomen. 

Wel  mogen  wij  de  beroemde  vereenigingsformule  van  Sen- 


1)  Trecias  was  een  zeer  belangrijke,  degelijke  kracht,  die  bepaaldelijk  ook 
met  betrekking  tot  het  schoolwezen  hooge  verdiensten  bezat  (verg.  Wengierski, 
p.  129).  Erbkam  (bij  Herzog,  XXT,  41)  noemt  Thenandus  „een  niet  verder 
bekenden  man."  Wij  hebben  hem  echter  reeds  onder  den  naam  van  Johannes 
Gallas  als  medearbeider  bij  de  vertolking  van  den  Bijbel  ontmoet.  (Verg.  hier- 
boven, biz.  601.) 


631 

domir  de  laat  gerijpte  vrucht  van  La  ski's  arbeid  noemen; 
uit  haren  inhoud  treden  ons  de  schoone  trekken  des  geestes 
van  onzen  vriend  nog  eenmaal  voor  de  ziel.  De  eerwaardige 
Jablonski  is  te  recht  van  gevoelen,  dat  het  verdrag  van 
Sendomir  de  onvoorwaardelijkste  instemming  en  de  meest 
mogelijke  ondersteuning  van  Laski  zou  hebben  verkregen.  ^) 
Het  verdrag  staat  in  dien  tijd  op  eene  even  eenzame  hoogte, 
als  Laski  zelf  met  zijn  edel  streven.  Te  midden  van  den 
heetsten  strijd  over  de  Avondmaalsleer ,  welke  overal  elders 
blaakte,  wordt  hier,  in  dezen  afgelegen  uithoek  van  Polen, 
de  groothartige  belijdenis  vernomen,  dat  de  drie  kerkgenoot- 
schappen in  hunne  eensluidende  leer  aangaande  God  en  de 
heilige  Drieëenheid,  aangaande  de  mensch wording  van  den 
Zoon  van  God  en  onze  rechtvaardigmaking  en  andere  voor- 
name stukken  van  ons  geloof  den  heiligen  bodem  bezitten,  op 
welken  het  alleszins  mogelijk  is,  zich  onderling  in  den  geest 
te  vereenigen.  Wat  de  Avondmaalsleer  betreft,  zijn  het  bij- 
kans de  eigene  woorden  van  Laski,  met  welke  het  gemeen- 
schappelijke in  de  leer  nadrukkelijk  op  den  voorgrond  geplaatst 
wordt ,  met  een  beroep  in  het  bijzonder  op  de  formuleering, 
in  welke  zij  door  Melanchthon,  uit  naam  van  de  Saksische 
kerken,  als  gemeenschappelijk  bezit  der  Evangelischen  aan  den 
vooravond  van  de  vernieuwde  uitbarsting  van  den  Sacraments- 
strijd,  in  1551,  bij  het  concilie  van  Trente  werd  ingezonden: 
„Opdat  nu,"  —  zóó  luidt  het  aan  't  einde,  ^)  —  „deze  onze 
broederlijke  vereeniging  in  waarheid  zegenrijk  en  steeds 
onverbrekelijk  zij,  daartoe  zenden  wij  onze  vurige  gebeden 
opwaarts  tot  God  den  Vader,  den  oorsprong  en  de  rijke  bron 
van  allen  troost  en  vrede,  dewelke  ons  en  onze  gemeenten 
uit  de  diepe  duisternis  van  het  pausdom  getrokken,  en  ons 
het  zuivere  licht  zijns  Woords,  het  heilige  licht  zijner  waar- 
heid geschonken  heeft,  dat  Hij  onzen  heiligen  vrede,  onze 
eensgezindheid,  ons  verbond  moge  zegenen,  tot  eer  van  zijnen 
naam  en  tot  stichting  der  Kerk.    Amen." 

1)  Jablonski,  p.  37. 

-)    Volgens   de   overzetting   b\j  Nitzsch  (S.  74),  den  erfgenaam  van  den 
geest  van  bet  verdrag  in  de  negentiende  eeuw. 


632 

De  verdere  geschiedenis  van  dit  werk  des  vredes  te  ver- 
halen, ligt  buiten  ons  bestek.  Wij  hebben  het  vergelijk  van 
Sendomir  slechts  vermeld  als  eene  schoone  hulde,  aan  de 
nagedachtenis  van  onzen  ontslapenen  vriend,  den  geestelijken 
vader  daarvan,  gebracht,  mede  een  werk,  dat  den  getrouwen 
arbeider  navolgt  in  de  rust,  die  daar  overblijft  voor  het  volk 
van  God. 


REGISTER  VAN  PERSOONSNAMEN. 


Achilinus,  Alexander,  80  yg. 
Achilles  de  Grassis,  82. 
Adriaan,  paus,  104,  209,  357. 
Aepinns,  prediker,  854,  508. 
Agricola,  Eudolf,  209. 
Alberus,   Erasmus,  609  ygg. ,  612. 
Albrecht  van  Mainz,  210  yg. 
Albrecht  van  Mansfeld,  332. 
Albrecht  [Johan  Albert]  vanMecklen- 

burg,  411  vgg.,  419,  495. 
Albrecht  [Albert]  vau  Pruisen,  58, 

275,  291,  291  vg.,  341  vgg.,  344, 

355,  411,  570,  584,  606. 
Aldus,  boekdrukker,  43,  145. 
Alexander  VI,  63. 
Ambrogins,  Theseus,  79. 
Amerbach,  boekdrukker,  119. 

„  professor,  132  vg.,  142, 

146,  150,  180,  185. 
Amsdorf,  Nicolaus,  324. 
Anna  Boleyn,  357,  478. 
Anna,    gravin,  231,  252  vg.,  293, 

499,  615. 
Antonius,  Peter,  677. 


Aportanus,  prediker,  233,  236  yg., 

278. 
Aretino,  121,  145. 
Ariosto,  65. 
Aristoteles,  48,  80  vg. 
Augusta,  Broeder-senior,  668. 
Angustinus,  183. 
Averroës,  80. 

Barbara,  koningin,  57. 

Barlow,  bisschop,  477. 

Bartholomeüs  van  Florence,  40. 

Bayle,  124. 

Beatus  Ehenanus,  82,  134,  136  yg. 

Bembo,  Pietro,  62,  185. 

Bentivoglio,  75. 

Bemard,  prediker,  622. 

Bernhard  v.  Lublin,  36. 

Berquin,  114. 

Beyarts,  Jan  ,221. 

Beyer,  Hartmann,  524  vg.,  531  vg. 

Beza,  Theodorus,  572,  696. 

Bileck,  prediker,  568. 

Biesdijk,  269. 


634 


REGISTER  YAN  PERSOONSNAMEN. 


filandrata,  George,  568. 
Boccaccio,  17,  65,  121. 
Bohun,  Edward,  426. 

„        Humphrey,  381,  425. 
Boleslaw,  hertog,  11. 
Booa,  koningin,  6,  157,  168,  191, 

557,  562,  616. 
Bonar,  Jan,  580. 
Bonner,  bisschop,  470,  476. 
Botzemius,  110. 
Bramius,  prediker,  254. 
Branicskj,    Johannes,    42,  66,  69 

vg.,  72  vg.,  82. 
Brenz,   Johannes,    542    vgg.,  546, 

584  vgg.,  609. 
Briqonnet,   bisschop,  112,  114  yg. 
Brommen,  Klaus,  523. 
Brudzewo,  Aibert  v.,  49,  54. 
Bucer(u8),  Martinus,  185,193,205, 

242,  292,  316,  323,  364,368, 

396,    402    vg.,    407,  475,  512, 

523,  568. 
Bagenhagen,  Johannes,  486. 
Bullinger,    Hendricus,    196,    206, 

292,    317    vg.,    395,  400,  407, 

421,  469,  596,  630. 
Burcher,  John,  477. 
Buren,  graaf  van,  525. 
Buscoducensis ,  Nicolaus,  353,518. 

Callimachus,  54  vg. 

Calvijn,  108,  115,  183,  207,  241, 
257,  280,  296,  300,  307,  373  vg., 
395,  421,  507  vg.,  519  vg.,  527 
vg.,  532,  534,  538  vg^,,  542  vg., 
547  vg.,  558,  566  vgg.,  572,  596, 
611  vg. 

Caraffa,  573. 

Casalenus,  Chrysostomus ,  78. 

Casimbrotus,  142,  145. 

Cassander,  George,  217. 


9» 


)> 


Cecü,  William,  375,  386,408,418. 
Celtes,  Koenraad,  54  vg. 
Cheque,  John,  375,  408. 
Christiaan  lil,  485,  487  vgg. 
Christoffel  van  Eusum,  502. 
Christoffel  van  Oldenburg,  253  vg., 

323,  326,  332,  835,  342. 
Christoffel  van  Wurtemberg,  541  vg., 

586. 
Chrysostomus,  289. 
Ciolek,  Erasmus,  bisschop,  9,  97. 

„        Stanislaus,  bisschop,  17  vg. 
Cirksena,  Edzard,  230. 
Enna,  230. 
ülrich,  230. 
Clemens  V,  79. 

Clemens  Vn,  35,  187,  357  vg.,  584. 
Cnipius,  schooUeeraar,  521. 
Cochlaeus,  Johannes,  76,  81  vg.,  85. 
Commendoni,  nuntius,  627. 
Contarini,  242. 
Cook,  Anthony,  375. 
Coverdale,  bisschop,  471. 
Cox,  Dr.,  529. 
Cranmer,  Thomas,  360  vgg.,  364  vg., 

370  vgg.,  376,  379,  395  vg.,  406 

vgg.,  415  vg.,  421  vg.,  470,  475, 

508. 
Crovicki,  Martinus,  595. 
Cruciger,  Felix,  581,  594  vg.,  598, 

615,  624. 
Cyprianus,  wijbisschop,  592. 
Czerny,  570. 
Czibak,  167. 

Damalewicz,  28  vg. 

Dan  te,  65. 

Dathenus,  prediker,  529. 

Deloenus,  prediker,  468,  473,  482, 

498,  518. 
Dlugosz,  53. 


KEGISTSB  VAN  PER800NSMAMKK. 


685 


Dorner,  183. 

Drohojofskiy  bisschop,  571. 

Dryander  (zie  onder  Enzinas). 

Drzewicki,  aartsbisschop,  32, 190  yg. 

Dabrawka,  hertogin,  1]. 

Dans  Scotns,  48  yg.,  80. 

Eduard  IV,  357. 

Eduard    VI,  361,  383,  469,  478, 

480,  486,  504,  538,  575. 
Edzard,  graaf,  231,  238  yg.,  278, 

293. 
Egnatius,  141,  145. 
Elisabeth,  koningin,  405,  408  yg., 

478,  488,  627. 
Elter,  Margareta,  468. 
Emmius,  Ubbo,  238,  285,  338,  513. 
Enno  II,  graaf,  231,  237  yg-,  252, 

278. 
Entfelder,  291,  344. 
Enzinas,  Francisco  de,  216  yg.,  220, 

224  yg.,  368  yg. 
Erasmus,    73,    79,  105  ygg.,  116, 

120  ygg.,  125  ygg.,  133, 140  ygg., 

150  yg.,  154,  179, 182  ygg.,  202, 

210,  215,  521. 
Erbach,  graaf,  542. 
Erich  yan  Brunswijk,  332. 
Eschen,  Johan  yon,  371. 

Faber  Stapulensis  [Fabre  d'Etaples], 

112  ygg.,  [Lefèyre]  182. 
Fagius,  368. 

Falcoyius,  Johannes,  618. 
Farel,  Wülem,  107  ygg.,  134,  182, 

207. 
Famese,  kardinaal,  325. 

Pier  Luigi,  336. 
Ferdinand  van  Bohème,  568. 

„         yan  Oostenrijk,  160, 163, 

165  yg.,  248  yg.,  586. 


Ficinus,  81. 

Flacius   niyricus,    506,  538,  545, 

584. 
Florio,  Michaël  Angelo,  382,  467  vg. 
Frangipani,  aartsbisschop,  163. 
Frans    I,    83,   110  vg.,  116,  143, 

160  yg.,  163,168,204,249,857. 
Fredericus,  Hieronymus,  552. 
Fremaat,  prediker,  285. 
Froben(ius),  boekdrukker,  43,  119 

yg.,  122,  126. 
Fryth,  359. 

Fngger,  bankier,  86,  133. 
Funk,  ho^rediker,  345,  570,  607. 
Fürst,  Vito  yon,  45. 
Fürstenberg,  523. 
Füss,  geheimschrijyer,  413  ygg.,  418 

Gallicus,  Alexander,  44. 

Gallus,  Johannes  (zie  onder  Thenan- 

dus). 
óallus ,  Petrus  (zie  onder  Statorius). 
Gardiner,  bisschop,  476. 
Gastoldt,  Barbara,  557. 
Gellins  Faber,  512. 
Gilowski,  Paul,  629. 
Giorgone,  145. 

Glareanus,  Henricus,  134,  188  Tg., 
Glauburg,  Adolf,  523. 
Gliczner,  prediker,  628  ygg. 
Gnaphens,  Willem,  344. 
Gnojewski,  Christoph,  595. 
Gonesius,  Peter,  617. 
Gonzaga,  Ferrante,  836. 
Goodrick,  bisschop,  405. 
Gorka,  Andreas,  569,  581. 

„        Lukas,  95. 
Gosomus  yan  Halen,  209. 
Grand,  Augnsünus  Le,  589. 
Granyella,  242. 


686 


REOISTEB  YAN   FERSfOONSNAMEN. 


Gregorius  YII,  233. 
Grimani,  doge,  146. 
Grimm,  Jacob,  229. 
Grindal,  aartsbisschop,  488. 
Gritti,  Andreas,  doge,  146. 

„      gezant,  167. 
Groot,  Gerhard,  218. 
Gnasto,  marchese,  249. 
Gültlingen,  Von,  544. 

Hadrianus,  boekhandelaar,  208. 
Hadrianas  YI  (zie  onder  Adiiaan). 
Haller,  boekdrukker,  42  vg.,  45. 
Hans,  markgraaf  van  Brandenburg, 

418. 
Harboe,  bisschop,  487. 
Hardenberg,  Albert,  209,  212  vg., 

216.  224,  226  vg.,  238,  243  vgg., 

251,    291,    314,    324  vg.,  335, 

883,  512  vg.,  516  vg.,  521,  552. 
Hasilina  von  Ezytonicz,  55. 
Hedwig,  koningin,  5. 
Heideck,  Hans  von,  412. 
Hendrik  H  van  Frankrijk,  414. 
Hendrik   Vm  van  Engeland,  163, 

342,    367   vgg.,  361,  371,  381, 

400. 
Hendrik  van  Valois,  627. 
Herberstein,  Sigismnnd  von,  188. 
Hertford,  graaf,  362. 
Heshusius,  Tilemann,  519,  538. 
Hess,  Johannes,  181,  184. 
Hofmann,  Melchior,  271,  274. 
Holbein,  120,  132. 
Holzhausen,  523. 
Hooper,    bisschop,   386,  400  vgg., 

409,  470  vgg.,  475,  527. 
Hosius,  bisschop,  181,  509,  562, 

572  vg.,  610  vgg.,  613  vgg.,  628. 
Hubmaier,  155. 
Hus,  Johannes,  19,  568. 


Hutten,    ülrich  von,  84  vg.,  125, 
210,  523. 

Jablonski,  Ernst,  630. 

Ibrahim  pacha,  164,  167. 

Johan,    graaf,    253,    256    vg.,  261 

vgg. 
Johan  van  Brandenburg,  341. 

Johannes  Glogoviensis ,  43  vg.,  48. 

Johannes  Dantiscus,  144. 

Jordaan,  priester,  11. 

Joris,  David,  287,  267  vgg.,  270,  379. 

Isbinski,  bisschop,  569. 

Israël,  George,  570,  581. 

Julius  II,  57,  59,  63. 

Julius  III,  573. 

Karel  de  Groote,  230. 

Karel    V,    104   vg.,    161  vg.,  203 

vg.,  214,  226,  247,  253,  325  vg., 

332    vg.,    345,    357,  410,  518, 

573. 
Karel  van  Gelder,  278. 
Karel  Martel,  232. 
Karlstadt,  Andreas,  237,  290,524. 
Karminski,  Stanislaus,  629. 
Kasimir  de  Groote,  15,  39,  52. 
Katharina  van  Arragon,  357,  469. 
Katharina  van  Polen,  585. 
Knade,  Jakob,  94. 
Knox,  John,  307,  537  vg. 
Korytkowski,  32,  59. 
Koscielecka,  Anna,  103. 
Koscieleczky ,  bisschop,  92. 
Krzycki,    bisschop,    100,    140    vg., 

150,  162,  172. 
Krzynousty,  Boleslaw,  29. 
Kuchenmeister,  Johannes,  45. 
Kuyper,  Abraham,  388,  512. 

Laskaris,  Johannes,  63. 


KEGI8TER  VAN   FEB800N8NAMEN. 


687 


>» 


}) 


)} 


» 


>9 


» 


»> 


}> 


» 


Laski,  Albert,  30. 

Albert,  626  vg. 
Andreas,  80,  84. 
Barbara,  810,  598. 
Hieronymus,  88,  42,  59,78, 
103  vgg.,  106, 110, 140, 162  vgg., 
165  vgg.,  168  vg.,  172,  187  vg., 
213,  247  vgg.,  250  vg.,  848,  627. 
Laski,  Hieronymus,  811. 
Jaroslaw,  81. 
Indelbertus,  28. 
Johaones  („de  Kleine"),  29. 
Johannes,  80. 

Johannes,  aartsbisschop,  27, 
84  vg.,  86  vgg.,  49  vgg.,  58  vg., 
66  vg.,  92,  96  vg.,  108,  187  vg. 
Laski,  Johannes,  311. 
Lndovica,  810. 
Martin  as,  627. 
Michaël,  81. 
Paulus,  310  vg. 
Robert,  29. 
Samucl,  500,  626. 
Stanislans,  38,  49,  59,  69, 
88,  143,  188,  885. 
Lassocki,  Stanislans,  595. 
Latimer,    Hugh,    875,    400,  470, 

477. 
Latomus,  216. 
Lauterwald,  professor,  346. 
Lelewel,  4. 
Lemsias,  prediker,  301,  306,  848, 

511. 
Lenthius,  Herman,  803,  352. 
Leo  X,  61  vg.,  68,  78,  88,  90  vg. 
Leonardo  Loredano,  doge,  60. 
Leszcynski,  Rafaël,  571,  607. 
Lippomani,  Aloysius,  560,  574,  581 

vg.,  611,  616. 
Lismanini,    biechtvader,    558,  562, 
615,  620. 


Liudger,  232. 

Logschau,  165. 

Lodewijk  van  Hongarije,  160. 

Lnkas,  Broeder-senior,  568. 

Lupsetus,,  141. 

Luther,  47,  62,  65,  106,  123  vg., 
187,  141,  164,  182  vgg.,  198  vg., 
204  vg.,  218,  288,  235,  272,  275 
vg.,  288,  801,  817  vg.,  395  vg., 

505  vgg.,  508,  522  vgg.,  559, 
568,  597,  612. 

Lutomirski,  598,  615. 

Macbrey,  526. 
Madmcci,  kardinaal,  386. 
Maltzan,  .Toacbim,  411,  419. 
Mansfeld,  graaf  Yolrad  v.,  889,  842, 

876,  410,  412. 
Marbach,  Johannes,  542. 
Marcellas,  573. 

Margareta  van  Oostenrijk,  120. 
Margareta  van  Valois,  112, 144  vgg., 

144. 
Maria  van  Engeland,  858,  469,  472, 

474,    476,  478,  482,  486,  526. 
Maria  van  Hongarije,  213. 
Martyr  (zie  onder  Vermigli). 
Matthias,  arts,  69. 
Matthijsen,  Jan,  271. 
Manrits,    keurvorst,  881  vg.,  835, 

418,  419  vg. 
Maximüiaan  II,  253,  610. 
Medmann,  burgemeester,  515. 
Melanchthon,    185,    205,  241  vg., 

245,  250,  275  vg.,  292,  819  vg., 

823  vg.,  834  vg.,  837,  866,  421, 

506  vgg.,  513  vg.,  528,  584  vg., 
548  vg.,  572,  588,  607,  612,  681. 

Meiander,  prediker,  522. 
Menno  Symons,  272  vgg.,  276. 
Merle  d'Aubigné,  152. 


638 


REGISTER  VAN   PKRSOONSNAMBN. 


Metsys,  Katharina,  221. 

Micbel  Aogelo,  64. 

Micronius,  prediker,  297,486,491, 

496,  498,  511,  529. 
Micyllus,  rector,  521. 
Miecyslaw,  vorst,  11. 
Modestus,  professor,  76. 
Modrzewski,  Frisius,  192  vgg,,  563, 

571,  595,  614. 
Molanas,  rector,  516. 
Morgenstern,  prediker,  628. 
Morison,  Sir,  876. 
Mörlin,  prediker,  347. 
Münzer,  Thomas,  155. 
Muley  Hassan,  836. 
Musurns,  Markus,  63. 
Myconius,  prediker,  508. 
Myszkowski,  Stanislaus,  581,  590, 

629. 

Nesen,  schoolleeraar,  521. 

Neufville,  De,  528. 

Niebuhr,  139. 

Niclaes,  Hendrik,  237. 

Nitzsch,    Karl  Immanuel,  74,  631. 

Noviomagns,  hofprediker,  487  vg. 

Ochino,  Bernhardino,  368,  868. 
Oecolampadias,  Johannes,  108,  134, 

136,  154,  207,  523. 
Ofesmtoki,  Nieolaas,  595,  602,  622. 
Oporinus,  boekdrukker,  119. 
Orsatius,  Gregorius,  601  vg.,  625. 
Osiander,  Andreas,  823,  843,  345 

vg.,  860. 
Ostrorog,  20,  58,  61,  67  vg.,  570, 

581,  587,  594,  607. 
Otto  van  Brunswijk,  341. 
Otto  de  Groote,  11. 
Otto  Hendrik,  paltsgraaf,  825,  337, 

542,  586. 


Ousberghen,  Josse  van,  221. 

Padnowski,  vice- kanselier,  615. 

Paget,  lord,  418. 

Palladius,  superintendent,  492. 

Paulus  II.  54. 

Paulus  III,  332,  336,  358. 

Paulus  IV,  573,  583. 

Paulus,  GregoriuB,  615. 

Pauvant,  114. 

Pellicanns,  Conradus,  134  vgg.,  154, 

207. 
Petrarca,  45,  65. 
Petre,  geheim  schrijver,  418. 
Philipowski,  Johannes,  595. 
Philips  van  Spanje,  838,  477  vg. 
Philip,  landgraaf,  548  vg. 
Piekarski,  Hieronymus,  618. 
Pirkheimer,  Wilibald,  76. 
Plato,  64,  80. 
Platter,  Thomas,  118  vg. 
Plieningen,  Von,  544. 
Polentz,  George  von,  844. 
Pomponazzo,    Pietro,    62,  78,  81. 
Poulain  (Polandus),  Valerand,  369, 

378,  525  vg.,  535  vgg.,  539. 
Prasnicius,  Lorenzo,  341,  558,  594. 
Prazmowski,  senior,  629  vg. 
Probst,  Jakob,  508. 
Procopius,  567. 
Przerembsky,  bisschop,  590. 
Pszonka,  edelman,  566. 

Queis,  Erhard  von,  344. 

Badbod,  koning,  232. 
Eadziwil,  Johannes,  69. 

„         („de   Zwalkte"),    557  vg. , 

561,    566,  578,  582,  586,  591 

vgg.,  602,  604,  618. 
Eadziwil,  Stanislaus,  69  vg. 


BEGISTEB  TAN  PBRSOONSNAMSN. 


689 


Eafaël,  64. 

Eambiewski,  Martinus-,  60,  86. 

Eanke,    Leopold,    160^    241,  476, 

573. 
Eeekamp,  Johannes,  227. 
Eese,  Hendrik,  236,  301. 
Beublin,   155. 
Eeuchlin,  Johannes,  212. 
Ridley,    bisschop,   372,  386,  401, 

405,  409,  470,  475  vg.,  527. 
Bin^on,  gezant,  165,  249. 
Ritter,  prediker,  532. 
Biverius,   prediker,    473    [Pernzel, 

518,  520,  529]. 
Bobinson,  John,  466. 
Bosmers,  Antoinette  van,  220,  224. 

Gudnla  van,  220,  225. 
Bovere,  Paul  van,  223. 

Sadoletus,  Jacobus,  185. 

Safraniec,  Stanislaus,  617. 

Sainte  Beave,  124. 

Sarnitzki,  Stanislaus,  615,  624. 

Savigny,  Vou,  75. 

Sbigneus,  bisschop,  17,  20,  53,  192. 

Sborowski,  Peter,  629. 

Schartliu,  331. 

Schats,  Jan,  221. 

Seymour,  Jane,  361. 

Sigismund,  August,  841,  343,410, 

557,  574,  582,  590  vgg.,  616,  628. 
Sigismund  1,  6  vg.,  57  vg.,  95  vg., 

161  vg.,  165,  167,  174,  194  vg., 

556. 
Sigismund  III,  626. 
Sickingen,  Frans  von,  523. 
Simon  van  Krakau,  36. 
Slywnicki,  Matthias,  70. 
Sozini,  Lelio,  563. 
Soliman,  sultan,  158  vg.,  163  vg., 

166,  204,  248  vg. 


Somerset,  hertog  van,  342,  362. 
Sommerfeld,  Johannes,  43. 
Speratus,  Paulus,  344  vg. 
Stadnicki,  Stanislaus,  594  vg. 
Stallburg,  523. 
Stancarus,    Frans,    563,    595   vg., 

617  vgg.,  620. 
Staphileus,  Johannes,  57. 
Staphilus,  347. 
Statorius,    Petrus   („Tonvillanus") , 

601 ,  624. 
Stobnicensis ,  Johannes,  48. 
Strigel,  Victorinus,  506. 
Struthius,  Joseph,  49. 
Sturm,  Johannes,  185. 
Suffolk,   Mary   [en  Katharina]  van, 

477. 
Suzanna  von  Bakowa  Gora,  31. 
Sylvius,  Aeneas,  53,  118. 

„       Jacobus,  623. 
Syssinge,  Geertruid,  246  vg. 

Tarnowski  [Tarnow],  163,169,667, 

611,  615. 
Theda,  gravin,  230. 
Thenandus,  Johannes,  601,  630. 
Thomas  a  Kempis,  219. 
Timann,  prediker,  353,  491,  675  vg., 

584,  609,  613. 
Titiaan,  145. 
Tomiczki,  Peter,  bisschop,  95,  99, 

162. 
Tonstall,  bisschop,  141. 
Trecias,  Christoph,  630. 
Tresham,  376. 
Turner,  lijfarts,  365,  376. 
Tumowski,  Simon,  629  vg. 
Tyndale,   359,  878. 

Uchanski,  aartsbisschop,  668,  671. 
Ukena,  Foko,  230. 


vW 


R1QI8TER   VAN    PERSOONSNAMEN. 


^%N^v^^^  JMiMmnos,  142,  296,  369, 
ï|^.\  4s<*x  4v^6  Tg.,  491,  499,  548, 

^Vwnïfc^^v.  K«rol.  142,  369. 
V'W^'K^W»  bisschop,  136. 

\|V<I  ^Uv^.  40. 

YiWf^nu»,  Petrus  Paulns,  684  ygg., 

*5^T,  Ö09  vgg. 
Y^nuigU,  Petrus  Martyr,  363,  865, 

n$,  376,  385,  402,  405,  409, 

ft42. 
Vlt<^rbo,  Egidias  ▼.,  58. 
Vogel,  domprediker,  607. 
VoUaire,  124. 

Warwick,  Earl  of,  417. 

Waaeililj,  grootvorst,  68. 

Wengius,  paedagoog,  311. 

Westen,  Frederik  ter,  339,  514. 

Westerburg,  524. 

Wessel,  Johannes,  209. 

Westphal(us),  prediker,  181,  354,496 
vgg.,  508  vgg.,  519,  581  vgg., 
584,  575,  584,  609  vg.,  612  vg. 

Whitgift,  bisschop,  488. 

Whlttingham ,  526. 

Wied,  Herman  von,  822  vgg.,  343, 
595. 


Wilhelm  van  Hessen,  413. 
Willehad,  232. 
Winfried,  282. 
Witold,  grootvorst,  19. 
Wladislaw  Jagiëllo,  5,  16  vg.,  20,  52. 
Wojewodka,  boekhandelaar,  563, 602. 
Wolski,  Nicolaus,  67  vgg.,  91. 
Wolsey,  Thomas,  357,  360,  415. 
Wycliffe,  359. 

Ximenez,  kardinaal,  79,  122. 

Zacins,  Simon ,  618. 

Zanchius,  479. 

Zapolya,  Johannes,  160,  162  vg., 
165  vgg.,  167  ^gg.,  169,  247  vg. 

Zapolya,  Stephanus,  57. 

Zasius,  150. 

Zbigneus  (zie  onder  Sbigneus). 

Zebrzydowski ,  bisschop,  563. 

Zemblack,  metropolitaan ,  16. 

Zemen,  Achatius  von,  342. 

Zezschwitz,  Gerhard  von,  597. 

Zinzendorf,  graaf,  120. 

Ziska,  567. 

Zwingli,  181,  133,  137  vg.,  151, 
153  vg.,  204,  207,  209,  222,  280, 
290,  395,  400,  507,  524. 


VERBETERINGEN  EN  TOEVOEGSELS. 


Bladx.  8  en  18,  reg.  1  v.  o.,  en  op  nog  een  paar  andere  plaatsen  in  den  be- 
ginne, waar  naar  een  Lat.  geschrift  verwezen  wordt,  staat:  S. ,  lees:  p. 
Bladz.       9,  reg.     l    v.    o.,    en    bl.    54,    reg.    6    v.  o.   staat  I  Zeissberg, 

lees  Z  e  i  s  sb  e  r  g  (I) 
„         70 ,  reg.     2 ,  5 ,  8 ,  14  v.  b.  staat :  S 1  ij  w  n  i  o  k  i ,  lees :  S 1  y  w  n  i  c  k  i 
13  V.  o.  staat:  werden;  lees:  werden, 

trotsche     „      trotschen 
aan  «       D<^r 

Geneveeschen,  lees:  Geneefschen 
betwijfeld  „      betwijfelt 

voordeel  en  „      voordeelen 

sinds  dien  tijd,  welke,  lees:  welke,  sinds  dien  tijd, 
ook,         lees:  ook 
beider         ,.      beide 
voren  „      voren , 

verloren      „      verloren , 
merbare      „      merkbare 
P  a  d  n  o  w  s  i ,  lees :  Padnowski 
gegaan  verder,     ,.      verder  gegaan 
te  snoeren,  „      snoeren, 

zoozeor,  „      zoozeer 


S9, 

M 

13  V.  0. 

«   143, 

w 

10  V.  b. 

„   190. 

M 

2  V.  0. 

«   257. 

» 

11  V.  0. 

,.   335 . 

M 

17  V.  0. 

..   361 . 

»> 

15  V.  0. 

„   391 . 

tt 

17  V.  b. 

..   451  , 

n 

19  V.  0. 

„   485 . 

» 

13  V.  0. 

„   518. 

*> 

2  V.  b. 

„   549, 

»» 

8  V.  0. 

„   603 . 

i> 

12  V.  b. 

,,   615, 

tt 

4  V.  b. 

„   617, 

*» 

19  V.  0 

„   625 , 

>y 

15  ▼.  b. 

„   630. 

n 

18  V.  b. 

M 


»» 


Volgens  de  schriftelijke  mededeeling  van  den  Heer  M.  J.  Evans,  B.  A. . 
in  North-Wales ,  den  vertolker  van  Dalton's  geschrift  in  het  Engelsch ,  aan 
wien  ik,  behalve  de  opgave  in  Noot  ^)  op  bladz.  477  (zie  aldaar),  ook  de  aan- 
vulling en  verbetering  in  de  Aanteekening  op  bladz.  378  te  danken  heb.  is 
het  niet  Hieronymus.  maar  Johannes  a  Lasco,  die  door  Melanch- 
thon  met  de  op  bladz.  250,  Aant.  2,  genoemde  woorden  wordt  beschreven, 
en  wel  in  eenen  brief,  dd.  9  Sept.  *155l.  te  vinden  in:  „E pp.  Ph.  Melanch- 
t  bon  is",  Lugd.  Batav.,    1647.  pp.  321-323. 


Ook  Dr.  F.  Pij  per,  in  zijne  hierlx>ven  op  bladz.  369  genoemde.  dicserUtie. 
over  Jan  Utenhove  (1883),  geeft  ons  nog  een  en  ander  ter  aanvulling  van 
bet  door  Daltoji  geschevene. 

Op  bladz.  49  dier  dissertatie  gewaagt  de  schrijver  van  de  ontmoeting  tus- 
schen  Utenhove  en  a  Lat»  co  te  Straatsburg,  alwaar  deze  beiden  de  recensie 
van  den  „Consensus  Tigurinus",  die  door  Calvijïi  aan  Utenhove  was  toe- 
gezonden, met  elkander  hebben  overwogen,  welk  bezoek  van  a  Lasco  aan 
Straatsburg,  gelijk  genoemde  auteur  opmerkt,  door  Dalton  (S.  333,  verg. 
hierboven,  blz.  376  77)  met  stilzwijgen  wordt  voorbijgegaan. 

Op  bladz.  519  dezer  vertaling  heeft  betrekking  hetgeen  men  leest  op  blz.  116 
van  bedoelde  dissertatie,  nl.  dat  er  al  sedert  verscheidene  jaren  eene  dergelijke 
cercmoniëele  kwestie  te  Wezel  geweest  was,  en  dat  Calvijn,  met  betrekking 
daartoe  genoegzaam  ingelicht,  reeds  in  Dec.  154-5  door  Polandns,  die  zich 
tot  bijlegging  van  dien  twist  derwaarts  begeven  wilde,  schriftelijk  naar  zijn 
gevoelen  dienaangaande  gevraagd  was. 

Op  bladz.  602  onzer  vertaling  beeft  betrekking  hetgeen  wij  vinden  op  blz. 
135  vg.  van  genoemd  proefschrift,  dat  nl.,  blijkens  de  correspondentie  tussehen 
Utenhove  en  Wingius,  ook  Johannes  a  Lasco  zeer  zeker,  en  wel 
rechtstreeks  aan  de  overzetting  van  de  H.  Schrift  in  de  Poolsche  taal  heeft 
medegewerkt. 

Op  bladz.  158  vg.  van  genoemd  geschrift  vinden  wg  vermeld,  dat  op  de 
synode  te  Wlodzislaw ,  in  Sept.  1 558 ,  tevens  „met  algemeene  stemmen  werd 
besloten,  geene  tienden  meer  te  betalen  aan  de  Papisten  tot  voeding  van 
hunne  €iiu:/.CfX,xylx  en  goddeloosheid  ,  daar  men  dit  met  een  goed  geweten 
niet  meer  doen  kon'*,  welk  feit,  door  Dalton  (vergel.  hierboven,  bladz.  6Ü4) 
niet  aitdrnkkelijk  vermeld,  volgens  de  beschouwing  van  Dr.  Pijper  diens 
„optimistische  voorstelling  van  de  eerlijkheid  der  Poolsche  Protestanten"  wel 
een  weinig  „verduistert." 

JAM   2  5    1921  Vert. 


UNIVERSITY  OF  MICHIGAN 

llliiiH      

3  9015  06236  2952 


15  E  R  I  C  H  T, 


DIT   WEBK   IS   ÜITGEUEVEN 


^obgcfeerbe  ^iBfiotöceft 


OSPnt     BKDïCTIF    YaV 


Prol  Dl.  J.  I.  DOEDES. 


Prij»  prr   jnari/onii    van    50    vrtirm    i/rtik»   f  6.- 


tiixtmfcl  b^  Kknink  «c  Zoon.  te  Ulrwchl.